De dood relativeert, no matter what

Op 4 november 2017 verloor ik een vriendin aan kanker. Een melanoom werd een hersentumor (met de veelbetekenende naam ‘Remi’), werd een uitzaaiing in het hersen- en ruggenmergvlies, werd de dood. Dat alles in een paar jaar tijd. De laatste fase ging echter zó enorm snel dat het insloeg als een bom.

Die bominslag kwam bij mij pas meer dan een dag later. Puur omdat ik de mededeling op Facebook niet meegekregen had. 6 November ’s ochtends, een half uur voor mijn tennisafspraak. Tóén wist ik het pas. En wist niet meer hoe ik het had. Ik ben toch naar de tennisbaan gegaan, heb mijn hart uitgestort, de ogen uit mijn kop gejankt in het bijzijn van mijn tennisvriendin en toen maar een potje keihard ballen over de baan gemept. Gewoon omdat het kon. Nóg kon. Nog kán.

God, wat relativeert dit. Ik besefte pas meer dan een etmaal later dat ze overleden was. Waarom? Omdat ik met mijn eigen – nu plotsklaps tot futiele proporties geslonken – sores bezig was. De bouw van een huis, waar natuurlijk van alles misgaat in de laatste fase. Een op stapel staande verhuizing die voor een hoop stress en chaos zorgt. Wat napijn van een gekneusde rib. Een rottige rechtszaak. Een niet aflatende berg werk waar ik me doorheen moet worstelen. Een naderende scheiding, niet alleen van mijn ex, maar ook van mijn bedrijf in München (dat ik al 17 jaar heb), omdat een bedrijfspartner het voor gezien houdt. Vijf websites die door moeten draaien. Kinderen met leerproblemen die veel begeleiding vergen.

Na de ochtend van 6 november zie ik dat alles anders. Bij al die dingen denk ik alleen nog maar: NOU EN!? Ik ben BLIJ met die idiote rechtszaak; zoiets stond toch al op mijn bucket list. BLIJ met alle andere ‘problemen’, die eigenlijk helemaal geen problemen, maar gewoon ‘leven’ zijn. BLIJ met alle drukte en stress die je laten voelen dat je er nog bent. Want ja, ik besef nu dat ik er ben nog ben om het allemaal mee te maken. Maar mijn vriendin is er niet meer. Haar trof dat verrotte noodlot veel te vroeg. Haar man en twee kinderen (net zo oud als de mijne) moeten nu zonder haar verder. Onvoorstelbaar, onvatbaar, onbegrijpelijk. Alles ‘on’.

En het egoïstische in deze is: ik heb spijt. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik, de keren dat ik in de buurt was, niet even belde of ik haar kon bezoeken. Dat ik niet even iets regelde om nog een kop thee op ’t terras met haar te kunnen drinken, om nog een keertje bij te kletsen. Want ik dacht steeds: ik heb nu zoveel te doen en ben maar zo kort in Nederland; dat doe ik de volgende keer wel. Maar er komt geen volgende keer meer. Nooit meer. Mijn ‘had ik maar’-gedachten nemen de overhand. Ik kan nu alleen nog maar in mijn eigen hoofd afscheid nemen en me voor mijn kop slaan dat ik dat niet gedaan heb, toen ze er nog was. Spijt is een bitch, net als de kanker die me mijn vriendin afgepakt heeft voordat ik nog een keer met haar afgesproken had.

En dat, dát relativeert. Enorm. Who cares? I care. Maar ik geef niks meer om die mafkees die samen met zijn juriste een berg geld van me wil. Die verhuizing doe ik met links; zal wel goed komen. Scheiden? Levert óók vrijheid op. En die vrijheid om te leven, die zie ik nu weer. Door mijn vriendin. Want ik leef nog, alleen besefte ik dat de laatste tijd niet echt meer. Nu wel. Alles is nu.

Dank je Sandra, voor jou. Voor wie je was, jij positief, liefhebbend, vechtend, übermooi en veelkleurig mens. Veelkleurig was je, van je Desigual-jurkjes tot aan je hardloopschoenen. En je ijsvogel, jouw symbool geworden. Als er iemand voor mij hét voorbeeld was van een doorzetter, een nooit-opgever, dan was jij dat wel. Dóórrr!! No matter what. Je was 15 jaar lang een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van ‘gewoon goed zijn zoals je bent’. Mijn afval-maatje was je ook. Alleen vrat ik het er allemaal weer aan en jij niet; jíj zette door. Zoals je altijd door wist te zetten. Tot de marathons aan toe.
Doorloper –> Hardloper –> Marathon(s)loper –> Wereldloper –> Ultraloper! –> Roparunloper.
Zo staat het ook op je rouwkaart. Want dat was jij ‘ten voeten uit’. Letterlijk. Het waren je – opeenvolgende – titels op ‘ons’ forum. Want lopen kon je. Je begon ermee en was meteen niet meer te stoppen. Tot nu. De allerlaatste finishlijn.

Ik zal je zo ontzettend missen. Gewoon, om wie jij was. Dankjewel dat je zelfs nu nog in staat bent om eigenwijze, tobbende, zelfdestructieve mensen zoals ik weer met twee benen op de grond te zetten. Mijn spijt zal ik nu zelf de kop in moeten drukken. Voorbij moeten lopen. Want jij zou met grote stelligheid gezegd hebben: “Je hebt echt niks aan ‘wat-als’ en ‘had ik maar’!” Je zou me een knuffel gegeven hebben. Me aangemoedigd hebben om de tranen te drogen en mijn schouders weer recht te trekken. “En dóórrrr!! Ja? Je kunt het!” Ik hoor het je nog zo zeggen.

Maar ik wil nu nog niet door. Ik wil nog even huilen. Om jou. Om het verlies van een prachtmens. Meehuilen met je lieve man en je schatten van kinderen. En dán ga ik weer door. Beloofd. Met een duizend keer beter besef van wat écht belangrijk is in mijn leven. En wat totaal niet. Ik zal weer lachen. Al was het maar omdat jij dat ook altijd deed, ‘no matter what’.
Dank je, lieve San-meis.

bron: pixabay.com (en die ene Kafka)


En nee, ik probeer hier niet te ‘scoren’ met het verdriet en verlies van een ander (zoals sommigen altijd weer schijnen te denken; eigenlijk te triest dat ik de noodzaak voel om dit hier te moeten vermelden). Dit is ook mijn verlies. Dit is mijn manier van afscheid nemen, mijn manier om het verdriet te uiten, mijn manier van dankjewel zeggen, mijn manier om haar liefsten en naasten te laten weten dat ik hier en nu met ze meeleef en meehuil. Ik kan niet bij de uitvaart zijn (gelukkig wel virtueel). Het laatste afscheid dat nu, op het moment dat deze blog verschijnt, plaatsvindt. Die 1000km afstand kan soms (nu) heel bitter zijn. Daarom doe ik het maar zo.
En de nacht werd weer dag.
Dag…

Ze worden zó snel groter. Tot ze het ineens niet meer worden.

Je merkt het niet, die tijd. Hij raast voorbij, zoals het cliché zegt. Tot je naar je kinderen kijkt. En ze alweer een jaar ouder zijn. Mijn oudste wordt vandaag 15. Hij is al een echte kerel: een lange slungel met de baard in de keel. Kijkt naar Game of Thrones en naar weet-ik-veel wat voor andere inhoud op YouTube. Game’t zich suf, maar Ego Shooter is gelukkig stom. GTA daarentegen…

Hij is met zijn veranderende lichaam bezig, maar voor het ouderlijk oog zijn meisjes nog totaal oninteressant. Zonder ouderlijk oog in de buurt is dat vast al anders. Ik hoef hem niet meer naar bed te brengen (liever niet, zelfs). Hij kan zelf eten koken.

Hij is een eerlijke, sociale, behulpzame vent met verantwoordelijkheidsgevoel geworden, die ’t nog steeds oké vindt dat zijn moeder hem van school op komt halen (“Vind je dat niet genant, dan?” “Nee, mam, vind ik juist cool! Ik heb een hartstikke coole mam!” – dat compliment stak ik maar glunderend in mijn bloemetjesschortzak).

En tegelijkertijd is hij nog zo’n kind… Het kind dat hij in mijn hoofd nog steeds is. Dat hummeltje dat maar niet fatsoenlijk aan de borst wil drinken. De peuter die leert lopen en pontificaal op zijn voortanden dondert. Het knulletje dat leert fietsen en zo de plomp in slingert. De ik-weet-alles-beter-achtjarige. De zoenen-is-bah-en-seks-is-ieuw-prepuber. En hij groeit maar door, uiterlijk én innerlijk.

Bij verjaardagen in het verleden betrapte ik mij erop dat ik wenste dat ze – mijn beide kinderen – nog even klein en knuffelig zouden blijven; ze worden zó snel groter en ouder… Ik besef nu dat dat een rare wens is. Eentje die ik sinds goed een jaar niet meer heb. Ik ben me er nu van bewust dat je dat niet, nóóit moet wensen. Iets meer dan een jaar geleden, augustus 2016, overleed lieve, kleine Floor, toen 6 jaar oud, aan kanker (neuroblastoom). Het was niet te bevatten. En dat is het nog steeds niet.

Als ik de foto’s en herinneringen op de profielpagina van haar moeder zie, komen meteen de tranen weer. En dan besef ik eens te meer: wens, als die kindertijd weer eens te snel aan je voorbij raast, nóóit of te nimmer dat ze ‘nog heel even klein’ blijven. Want in één tel van de tijd blijven ze zomaar ineens voor altijd klein en kunnen ze enkel in je hoofd en je hart nog verder groeien.

Als je al iets wenst, wens dan je kinderen – naast ‘gezond en gelukkig’ – groot. Groots. Altijd.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Collectieve empathie of simpel emotioneel exhibitionisme?

Ik heb er even over getwijfeld of ik dit zou schrijven, omdat ik me echt totaal in kan leven in… Oh nee. Dat kan ik blijkbaar niet, dat inleven. Omdat ik mijn visie heb gegeven op de – in míjn ogen! – overmatige collectieve compassionele reactie die weer eens ontstond na de vondst van het lichaam van Anne Faber, word ook ik bij voorbaat veroordeeld. Ik heb totáál geen empathie, ik laat mensen niet ‘in hun waarde’, ik probeer een punt te maken scoren over de rug van een vermoord meisje. En dat, terwijl ik me in feite enkel afvroeg, of ik zélf eigenlijk wel helemaal normaal ben wanneer ik dit soort massale reacties ietwat overdreven (op het hysterische af) vind.

Reacties als ‘Mafkees. Wie ben jij om zelf zo te oordelen. Als het je niet bevalt, doe je je telefoon maar uit’ of ‘je hoeft hier [ = op FB] niet te zijn, hè!’ lieten niet lang op zich wachten. Zo makkelijk: ten eerste oordeel ik niet: ik schets enkel míjn gevoel, net als iedereen dat blijkbaar doet. Ik vertel hoe het op mij overkomt: als bijna ziekelijk. Ten tweede is ‘als het je niet bevalt, ga dan weg’ de dooddoener bij uitstek: synoniem voor ‘wil je niet zien wat wij doen, kijk dan de andere kant op’. Moet dat dan ook maar gelden als je iets doet wat echt niet mag?

Emotioneel incontinent? Ik dan ook

Ik heb wél inlevingsvermogen. Ik kan mij zelfs zó goed inleven dat ik bij iedere ietwat emotionele film al de tranen in de ogen krijg. Ook ben ik al eens ‘emotioneel incontinente borderliner’ genoemd, een titel die ik als vrouw met gepaste trots draag. Dus ja, ik voel wel degelijk mee. En dan vooral met mijn naasten en liefsten; met de mensen die ik werkelijk kén. Maar er zijn grenzen aan het uiten van compassie voor alles, iedereen en de hele wereld. Natuurlijk staat het buiten kijf dat ook ik het absoluut verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Wie niet.

Ook de enorme woede over ‘hoe heeft dit kunnen gebeuren’ is begrijpelijk. Die woede is nu allereerst vooral gericht op ons rechtssysteem, dat overigens nog altijd één van de beste en meest humane rechtssystemen ter wereld is. En waar dus ook fouten gemaakt worden: geen enkel systeem met menselijke factoren werkt feilloos. In alle medeleven moet er nu stante pede een schuldige, een boetedoener gezocht en aangewezen worden. Men is niet enkel meer meelevend, maar ook ‘meewoedig’ (dank aan Petra de Boevere voor deze term).

Meeleven? Eitje!

Vanzelfsprekend mag iedereen zijn of haar gevoelens uiten. Maar dan mag ik ook zeggen dat ik een ongemakkelijk gevoel krijg bij deze massale, collectieve over-empathie, die vooral op social media te zien is. Je kúnt er niet eens omheen. Profielfoto’s veranderen in Anne-ode’s of nog erger: Gif-jes. Mensen huilen in woorden, plaatsen virtuele kaarsjes, roepen massaal ‘RIP!’, ‘Sterkte’ en ‘Wáárom?’ Ze posten gedichtjes voor Anne en rouwen omdat ‘we’ haar verloren hebben. Er worden massaal plaatjes gedeeld waarop staat dat ‘Iedereen die avond met haar zou zijn meegefietst om haar veilig thuis te brengen’. Dan denk ik: sure. Was jij echt op je fiets gestapt en 25km met haar meegereden in de stromende regen, omdat er wel eens iets zou kunnen gebeuren? Get real. Maar het is zo eenvoudig om het te roepen. Social media maken ‘intens meeleven’ een eitje. Ongemakkelijk gemakkelijk.

Kende jij haar?

Al die mensen kenden Anne totaal niet. Net zomin als die twee jongetjes, Ruben en Julian, die in 2013 door hun vader vermoord en in een afvoerbuis gedumpt werden. Of An en Eefje, het ‘geval Dutroux’ (al langer terug: 1995. Toen was er nog geen Facebook voor heftig medelijdende uitingen). Of  het aangespoelde vluchtelingenjongetje. Of Eberhard. Of Theo. Of Madeleine McCann. Laatste is nog steeds niet gevonden: de zoektocht moest wegens gebrek aan donaties zelfs bijna opgegeven worden, ware daar niet de Britse politie (!) die op het laatste moment met 154.000 pond bijsprong om verder te kunnen zoeken. De mensen zelf waren na 10 jaar wel klaar met doneren. Blijkbaar komt ook aan compassie een einde.

Maar ook in real life is het massale medeleven een feit: men zwermt in groten getale naar de plekken des onheils (bij Anne is de vindplaats inmiddels verboden terrein, afgezet wegens teveel ‘belangstellenden’). Men belaagt begrafenissen die de ware naasten en familie in stilte hadden willen houden, men loopt stille tochten. Zoals een goede week geleden: een bescheiden stille tocht voor de op 22 september in Vlaardingen doodgestoken Graciële Gomez Rodrigues (21). Haar broer zoekt nog naar gerechtigheid en getuigen. Maar wie denkt er verder überhaupt nog aan haar? Sorry Graciële, je was niet voldoende in het nieuws. Dan ‘leef’ je niet bij de mensen.

En voor wie het voorgaande allemaal teveel werk is, is er dus social media. Even een berichtje posten en de profielfoto veranderen; kleine moeite, groot… ach nee, laat maar. Voor mij (!) staat dat gevoelsmatig gelijk aan virtueel ramptoerisme. Online laten zien dat je er extreem dichtbij staat. En vooral: heel hard meevoelen om er verder maar niet over na te hoeven denken. Laten zien dat je betrokken bent, omdat dat voor je gevoel zo hoort en omdat – bijna – iedereen het doet. Het ‘ik was erbij’-gevoel, de ‘nu komt het wel héél dichtbij’-sensatie, maar ook het ‘kijk mij eens een goed mens zijn’-gedrag. Je Suis. Als je je gevoel of medeleven níét per direct openlijk toont en bewijst, ben je per definitie niet betrokken en een slechte, kille, veroordelende mens.

Virtueel exhibitionisme

Maar dat ben ik niet. Ik weiger enkel mee te gaan in dit emotionele exhibitionisme. Overigens:
“Het begrip exhibitionisme wordt ook in niet-seksuele zin gebruikt wanneer men veel over zichzelf prijsgeeft aan vreemden en/of graag veel aandacht krijgt, bijvoorbeeld door middel van het laten zien van zijn of haar website of door zich veelvuldig te tonen in een televisieprogramma. Iemand die daarmee behept is, wordt wel ‘mediageil’ genoemd.” (bron: wikipedia)
Aandacht en ‘meedoen’ lijken inmiddels veel belangrijker dan oprecht medeleven. Let wel: lijken (pun not intended). Er zijn vast ook velen die geheel oprecht hun medeleven willen betuigen en werkelijk geen andere manier weten dan hun profielfoto te veranderen en R.I.P. te roepen.

Kuddedieren

Dat de mensheid als zodanig collectieve gevoelens heeft, is natuurlijk niet nieuw. De mens is nu eenmaal een kuddedier, en gevoelens worden in grote mensenmassa’s intenser ervaren. Dat is het overweldigende bij concerten, de gekte bij de gaypride, groepsgedrag bij voetbalwedstrijden, motorclub-sektes, you name it. Allemaal kuddes met groepsgevoel. Ergens – geheel legitiem – bij willen horen, meegedragen willen worden. Want in je uppie ronddolen is eng; het maakt je kwetsbaar.

Aan de andere kant van het spectrum vind je inmiddels ook de tegenbeweging: degenen die zich te allen tijde krampachtig willen onderscheiden van de massa door per definitie naar links te hollen als ‘het kuddevolk’ (niet mijn terminologie) naar rechts (‘weg van het vuur’) rent. Ja, dat kan óók ‘ziekelijk’ genoemd worden.

Goede kanten van empathie

Maar ik ben de beroerdste niet: ook ik zie best de mooie kanten van zoveel betrokkenheid en medeleven. Een fijne, inhoudelijke reactie op mijn facebookposting kwam van Nicole: “Ik denk heel Nederland in shock is door deze gruwelijke daad van deze moordenaar en iedereen op zijn of haar eigen manier daar invulling aan geeft. Bovendien vind ik het prachtig om te zien dat door de kracht van deze zogenaamde ‘massahysterie en nep-empathie’ hele groepen lieve mensen zich inzetten om deze jonge vrouw te zoeken. Ik vind het jammer om het gevoel van mensen te betitelen als ‘nep’. Tenslotte heeft deze gruweldaad tot gevolg gehad dat het onderwerp weer hoog op de politieke agenda staat. Nee, ik ben juist BLIJ met deze compassie van miljoenen Nederlanders op social media en in real-life.”

Ik heb overigens het woord ‘nep’ niet gebruikt. Wel ‘hysterie’ en ‘over-empathie’. En dat is waar het me om gaat: de massale, bijna maniakale behoefte om je afgrijzen, woede en shock meteen zo verreikend mogelijk tentoon te spreiden, om de wereld te laten weten dat ook jij keihard meeleeft. Vooral nu het totaal geen moeite meer kost om dat medeleven ‘even snel’ te betuigen.

Misschien heeft al deze empathie en compassie inderdaad geholpen bij het vinden van Anne. Ik betwijfel het. Maar dat doet er niet toe: morgen gebeurt er weer iets anders waarover men in shock is. Dan is het volgende compassie-object daar en is Anne zo weer vergeten. Dát is pas triest.

Verbonden zijn of verbonden worden

Vroeger kon je je medeleven enkel betuigen als je ook enige binding met de persoon in kwestie had. Je kende het slachtoffer, vrienden of iemand in de familie. Of je woonde in de buurt. Als je iets wilde zeggen of steun wilde betuigen, stuurde je een condoleance-kaart of een open brief naar de plaatselijke krant. Tegenwoordig is dat anders: ieder nieuwswaardig slachtoffer wordt – of je wilt of niet – mediaal met jou verbonden. Je kunt door alle ‘live’ berichtgeving, profielschetsen, videomateriaal bijna niet anders dan het gevoel krijgen, dat je diegene als het ware écht kent. Alles raakt iedereen. Dagelijks in duizendvoud. En met jou je buurvrouw. Collectieve angst en afschuw: groepsgevoel ten top.

Ik hoop nu enkel nog maar dat de familie van Anne tenminste met rust gelaten wordt, een wens die ze zelf heel duidelijk geuit hebben. Maar het zal wel niet; compassie moet nu eenmaal getoond worden vandaag de dag. Of jij als naaste rouwende die compassie nu wilt of niet. Het is een basisbehoefte geworden. Een recht op meeleven.

Feit blijft dat, wanneer je op de een of andere manier van het heersende groepsgevoel afwijkt of daar zelfs maar een kritische noot bij durft te plaatsen, je blijkbaar je mond moet houden en weg moet kijken. Ik wacht op het moment dat je een werkstraf opgelegd krijgt omdat je niet conform de opgelegde norm meeleeft, handelt en spreekt.

Rest mij niets anders dan in mijn eentje een stille tocht te lopen voor de vermoorde individualiteit.


— Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

Klinkklare ikke (een selfie-sonate in f)

Wie ben ik? Wát ben ik? Ben ik mijn levensinstrument? Moet het dan tevens mijn doel zijn om mijzelf zo goed mogelijk te bespelen? Uit de toon vallen is geen punt, maar ergens naar klinken is een mooi streven. Niet te zacht, maar zeker ook niet te hard. Niet te snerpend, niet te lieflijk. Maar vooral niet vals.

Vertel eens, welke kleur krijgt een kameleon als je hem in een spiegelpaleis zet? Waaraan past zo’n dier zich aan als hij geen andere omgevingskleuren heeft dan die van zichzelf? Dat vroegen biologische cybernetici zich in de jaren ’70 ook al af. Behoudt een kameleon in zo’n geval zijn beginkleur? Wisselt hij tussen de verschillende kleurtonen? Of wordt hij door de overdaad aan zelfreflectie tot waanzin gedreven?

Vrouwtjes lijken redelijk kalm te blijven; hun kleur wordt enkel iets donkerder. Hooguit een rode gloed. Misschien zijn ze gewend om een spiegel voorgehouden te krijgen. Mannelijke kameleons raken daarentegen zwaar geïrriteerd door hun spiegelbeeld. De kleur verandert bij de eerste aanblik in geeloranje, soms zelfs knalrood, om zichzelf maar per nano-seconde te kunnen onderscheiden van de gereflecteerde, bedreigende ‘rest’, die zo hetzelfde is als hij. Rood. Alarm. Bij gebrek aan zelfbewustzijn is de eigen beeltenis afschrikwekkend. Pure schrik en stress door ontbrekende, maar oh zo noodzakelijke identiteit.

bron: pixabay.com

Met veel mensen gebeurt hetzelfde. In het spiegelpaleis der sociale media zien ze enkel nog zichzelf(ie), maar herkennen zich niet meer. Met elk zelfbeeld, elke selfie, ongewild gespiegeld aan duizenden, nee, miljoenen reflecterende anderen, drukt men zich steeds weer in een nieuwe rol. Neemt men gemakshalve toch maar weer een nieuwe kleur aan. Doelgericht aangepast aan de heersende normen en waarden, die een dag later al niet meer gelden. En hoe meer kleuren en rollen een mens tracht aan te nemen om de contouren van de identiteit na te trekken, des te moeilijker wordt het om te definiëren, wie hij nu werkelijk is.

Daarom klink ik liever.
Toonaarden herken ook met je ogen dicht.
Blind voor ongewenste reflectie, bespeel ik mijzelf.
Een selfie-sonate in f.


— Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

Dochter is stuk en mensen zijn best aardig

Met 120 scheur ik over de landweg waar ik laatst zelf een ongeluk had, doordat een tegenligger met rotsnelheid op mijn weghelft een onoverzichtelijk bocht om kwam scheuren. Toen reed ik maar de hoge berm in, met alle schade van dien.

Dit keer ben ik zelf degene die voor gek en onwijs rijdt. Naar de plek waar mijn dochter in de kreukels ligt. De plek waar al drie auto’s her en der in het gras geparkeerd staan en een overstuur vriendinnetje huilend naast mijn meiske zit, dat half liggend overeind en wakker gehouden werd door een vrouw. De plek onderaan de flinke berg waar ze zo lekker hard vanaf suisde. Totdat een auto haar rakelings passeerde, zij uit wilde wijken en haar wiel begon te zwabberen. Boem.

bron: pixabay.com

Ze kijkt me wazig en betraand aan.
“Mama…”
Meer zegt ze niet. Maar ze herkent me, godzijdank.

Haar vriendinnetje belt eerst de vader van mijn dochter (mijn ex-partner), maar die blijkt helaas te ver weg om meteen ter plaatse te kunnen zijn. Dan belt ze mij, met het mobieltje van mijn dochter.
“Hi, lieffie! What’s up?” roep ik als altijd in de telefoon, wanneer haar naam op mijn scherm verschijnt.
“Ik ben het. Lena… K. is over de kop geslagen en gevallen met haar fiets en er zit overal bloed. En ze weet helemaal niks meer… Kun je alsjeblieft gauw komen?”
De shockwave die bij zo’n bericht door je heen gaat, laat je hart je maag opslokken.

“Waar zijn jullie nu precies?” Daar en daar. Onderaan de berg.
“Is er iemand bij haar?” Ja, er zijn meerdere volwassenen gestopt en met haar bezig.
“Ik kom er nu aan.”

Het is raar om je kind daar zo in het gras te zien liggen. Als een kapotgescheurde vaatdoek. Haar been is bebloed. Haar achterhoofd ook een beetje: daar waar de knop van de helm door de val in haar schedel gedrukt is.
Ja, ze had een helm op. Nu ligt het ding van binnen en buiten gebroken in het gras. Ik ben die helm eeuwig dankbaar. Wat als ze hem niet op had gehad? Had ik dan nu geen dochter meer? Of een dochter die niets meer weet en niemand meer herkent vanwege een deuk in haar hoofd? Een deuk die nu in de helm zit?

De ‘kleinste’ schaafwond (knie). De rest mocht niet op de foto. (eigen foto LB)

Uiteindelijk komt haar papa ook aangereden. Hij is duidelijk net zo aangedaan en geschrokken. We praten even. Voor het eerst sinds lange tijd weer in real life. Dat is raar, maar eigenlijk ook heel oké. De aanleiding voor dit onverwachte gesprek stemt hem milder, blijkbaar.

We zetten dochter voorzichtig in de auto. De omstanders helpen waar ze kunnen en laden de kapotte fiets in de kofferbak. Ze hebben haar opgevangen, water gegeven, getroost en bij zinnen gehouden. Ook hen ben ik heel dankbaar. Het is zo ontzettend fijn om te merken dat mensen wel degelijk meteen stoppen en helpen. Iedereen is begaan met haar, met ons. Elke keer houden er auto’s stil en wordt er gevraagd of er nog hulp nodig is. De vrouw die haar de nodige eerste hulp heeft gegeven, ken ik zelfs. Ze informeerde ’s avonds op Facebook ook nog een keer naar haar toestand. Medeleven is fijn.

Het is in de huidige tijd van gescheld en gezeik bijna niet meer te geloven, maar mensen zijn echt heel aardig. Online, vooral op ‘social’ media, krijg je wel eens een andere indruk. Ook nu sta ik weer versteld van de behulpzaamheid, de bekommering, de steun die meteen gegeven wordt als mensen ‘in het wild’ en in real life een nare situatie meemaken. Situaties waarin iemand in nood is of verdriet heeft. Het doet me weer even beseffen dat wij mensen in feite best een heel sociaal en empathisch soort zijn.

Dochter is inmiddels aan de beterende hand. Ze heeft een lichte hersenschudding, een verrekte, mogelijk gescheurde pees in de nek (dat moet nog bekeken worden), een gekneusde arm en een hoop schaafwonden.
En ze heeft gigantisch veel geluk gehad. Dat ook.
Overmorgen wordt ze 12. Omdat het gisteren weer eens ‘nét goed’ gegaan is.

Het leven hangt aan elkaar van geluk. Want met een beetje pech ben je zo stuk.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken

Cashloze maatschappij? Nee, bedankt!

bron: publicdomainpictures.net

Stockholm. Ik sta bij een kiosk in de rij voor twee kopjes koffie. Voor me staat een man in uniform, waarschijnlijk de kapitein van één van de ontelbare rondvaartboten. Hij bestelt een blikje Fanta, trekt zijn pinpas uit zijn borstzakje, wappert ermee over een display en loopt weg. Betaald. Contactloos. Klaar. Kan hier ook al lang natuurlijk, niet bijzonders. Maar de meesten van ons leggen bij kleine bedragen als €2,00 ‘gewoon’ nog muntgeld op het plankje.

In Zweden zijn die plankjes verdwenen. Ik bestel mijn koffie en de kioskdame duwt het pinautomaatje onder mijn neus. Ik leg 200 kronen, 2 briefjes van honderd, neer. Ze kijkt me even verbaasd aan. Weer zo’n maffe toerist met ‘echt’ geld, zal ze gedacht hebben. Mijn Kronen-biljetten accepteert ze alsnog. Nóg.

Pin, contactloos of Swish?

Zweden zal binnenkort het eerste Europese land zijn, waar cashgeld compleet verdwenen is. Men schat dat het hooguit nog 5 jaar duurt. Cash is al bijna ‘verdacht’. Je vindt er ook nauwelijks nog pinautomaten: op het vliegveld is er eentje en ergens in de stad vind je er nog een paar (goed zoeken!), maar dan houdt het wel op. En er staan enkel niet-Zweden voor te wachten.

Bij het Vasa-museum koop je je ticket uit de muur; enkel de stomste toeristen gaan nog omslachtig in de rij staan voor die ene kassa die er nog is. In veruit de meeste café’s en restaurants moet je direct aan de bar bestellen en ook meteen afrekenen. Middels een restauranteigen lokaliseringssysteem – je moet een knipperend digi-plankje meenemen en op je tafel leggen – wordt het eet- en drinkwaar dan bij je tafeltje gebracht.

Je betaalt ouderwets met je pinpas, maar liever ‘gewoon’ contactloos of met Swish, het zeer snel en blijkbaar goed werkende Zweedse betaalsysteem via de smartphone. Inmiddels maakt ca. 90%(!) van de Zweedse bevolking onder de 30 jaar voor geldtransacties bij voorkeur gebruik van Swish. Voor de gehele bevolking ligt dat gebruik bij ca. 30%, sterk stijgend.

Alleen maar voordelen! Maar voor wie?

Alles gaat automatisch, alles gaat elektronisch. En alles wordt geregistreerd. Elke fles wijn die je koopt, elk pakje sigaretten, elk blikje Red Bull. Elk condoom, elke joint, elke milliliter (daar verboden) liquid voor je e-sigaret. Elk bezoekje aan een sekswerker, elke ‘spontaan’ ter plaatse geboekte hotelkamer. Maar ook elk boottochtje dat je maakt, elke taxi die je neemt, elke citybike die je huurt. En elke locatie waar je je bevindt. Om maar wat te noemen.

Tag-in-tag-out. De perfecte glazen burger. Handig? Zeker: het gaat allemaal razendsnel. En je hoeft nooit méér mee te nemen dan je pinpas en je smartphone. De oudjes in het hoge noorden van het land denken natuurlijk anders over dat ‘handig’. Lastige, ingewikkelde telefoons bedienen, slechte internetverbindingen, pincodes onthouden; voor de oudere mens in de wat meer afgelegen gebieden wordt het er zeker niet makkelijker op. De weerstand onder die bevolkingsgroep is dan ook groot.

Voor de overheid en de banken heeft de ontwikkeling echter alleen maar voordelen: alles ‘onder controle’. Geen zwartgeld meer, geen kosten meer voor het drukken, in omloop brengen, transport, tellen, en controleren van munten en biljetten, geen geldautomaten meer. Minder bankmedewerkers. Computers doen alles. En meer.

Heilig vertrouwen in banken en autoriteiten

Dé grote voorwaarde voor deze ontwikkeling: een heilig vertrouwen van de bevolking in de autoriteiten en banken. Opdat ze allemaal maar ‘fatsoenlijk’ met je geld en je gegevens om mogen gaan. Maar zonder cashgeld ben je ook per direct compleet afhankelijk van hen. Je MOET alles via een bankrekening doen. Kom maar door met die negatieve rentes en nóg hogere ‘service’-kosten. Want een keus heb je dan al lang niet meer.

Je moet daarnaast ook heel hard hopen dat de autoriteiten [overheid en belastingdienst, banken, controlerende en arbeidsinstanties, verzekeringsmaatschappijen…], die op deze manier werkelijk álles over je weten [koopgedrag, verblijfplaats, vrijetijdsbesteding,  verslavingen, donaties, medische problemen…], niets met die gegevens doen. Ach nee, dat zullen ze toch niet? Wie wil er nu een brave burger controleren? Juist. Niemand. Toch?

Oorlog tegen cash

Het is en blijft een beangstigende ontwikkeling. Denk er maar eens wat langer over na. Contant geld geeft je de vrijheid om iets aan te schaffen, zonder er eerst uitgebreid over na te hoeven denken. Het geeft je de vrijheid je geld te bewaren op een manier en een plek die jou het beste lijkt; desnoods begraaf je het in een gat in de achtertuin. Jouw keuze. Het geeft je ook de vrijheid om iemand te hulp te schieten door diegene een klein bedrag in de handen te drukken of een dakloze een paar euro te geven. Het geeft je de vrijheid om waarde te ruilen zónder dat er over je schouder meegekeken wordt.

bron: pixabay.com

De EU voert al sinds lange tijd ‘oorlog’ tegen contant geld. Cash zou enkel de financiering van terroristische aanslagen ten goede komen. Cash werkt het zwarte circuit in de hand. Cash is voor criminelen. Maar de werkelijke criminelen hebben al lang en breed andere financieringswegen gevonden, al dan niet met behulp van wat minder betrouwbare overheden. Daarnaast boomen anonieme en toezichtsvrije, virtuele betaalmiddelen (cryptogeld) zoals Bitcoin en Ethereum. Ook geliefd voor de wat minder vredelievende transacties.

Terroristen zal het inmiddels worst wezen of er nog cash is. De enige die door het afschaffen van contant geld daadwerkelijk getroffen wordt, is de normale doorsneeburger, wiens privacy en autonomie samen met het muntgeld compleet verdwijnen. Ook valsmunterij kan geen argument zijn: de 500- en 200-eurobiljetten zijn altijd al de minst vervalste biljetten, de vijftigjes en twintigjes daarentegen…

Afschaffen die hap, want?

In mei 2016 werd echter júíst dat 500-eurobiljet afgeschaft. De eerste grote stap. Het 200-eurobiljet wordt inmiddels eveneens al nauwelijks meer geaccepteerd en zal er binnenkort ook aan moeten geloven. Ook de kleine munten (1 en 2 cent, het ‘koper’) zijn in Nederland – net als in Finland overigens – inmiddels verdwenen. Maar goed, dat is nog tot daaraan toe. Valt mee te leven.

In februari dit jaar nam de EU-politiek de volgende stap: de restrictie van contante betalingen. Bedragen boven de 5.000 euro mogen niet meer (ongescreend) contant betaald (of geaccepteerd) worden. In – onder andere – België ligt dit bedrag bij 3.000 euro. Het verbieden van cash betalingen boven de 500 euro is inmiddels ook al ter sprake gekomen.

En de reden voor dit alles, volgens het door de EU opgestelde ‘manifest’, is inderdaad terrorisme. De strijd daartegen is vastgelegd in de zogenoemde European Consultation Strategy. Hoofdmotivatie:  terrorismebestrijding door afschaffing van cashgeld. Want, zo stelt het manifest: “Payments in cash are widely used in the financing of terrorist activities.” Dat (westerse) overheden zelf de grootste wapen- en middelenverschaffers in deze zijn, dáár hebben we het voor het gemak even niet over. Terrorisme, hét alibi voor alle privacy-vernietigende maatregelen. In naam der terrorismebestrijding is namelijk elke maatregel geoorloofd. Dit doel heiligt álle middelen.

Ik ga me maar eens verdiepen in Bitcoin en co. En investeren in lichtgevende speciaal-edities van 3-euromunten  met vleermuizen en tijgers erop. Die schijnen ook een hoop waard te worden in de toekomst. Alleen even afwachten of je die te zijner tijd überhaupt nog ergens in kunt wisselen. Want bankfilialen zijn er dan niet meer. Uiteindelijk kun je je geld dan alleen nog maar opvreten. Letterlijk. Ik vraag me af wat de voedingswaarde van een vijftigje is.

Enfin. Terug naar de middeleeuwse ruilhandel. Mijn koe tegen jouw varken. Wie biedt?

bron: pixabay

 

Het Nieuwe Wilhelmus (zelf ingezongen!)

Het Wilhelmus, heden ten dage weer in ons aller monde, is sterk verouderd. De tekst ronduit onbegrijpelijk. Daarom heeft uw nederige dienares besloten om een nieuwe, tijdsconforme versie op te stellen, met een thema dat iedere hedendaagse man waarschijnlijk wel kan waarderen: drank in combinatie met vrouwengezeik. Ook de lengte is teruggebracht naar slechts 7 coupletten. Hoezee.

Gelieve mindestens de eerste drie coupletten hiervan uit uw hoofd te leren, dan wel erin te stampen.

Ter ondersteuning uwer oefening heb ik het geheel even uitermate onprofessioneel, met veel dramaturgie en een bij tijden overmatige vibrato(r) ingezongen. In ene keer in mijn mobiel gejammert. Dan weet u dat. Ook de overgangen zijn vanzelfsprekend zo abominabel mogelijk gedaan.
De tekst zelf kunt u hieronder meelezen/-zingen.


Wilhelmus was verkouwe
hij rochelde fluim en bloed.
Zijn neus, die was zeer blauwe
“Ik blijf erin, ik ga dood….”
Door een flinke borrel
[hier speelde mijn eigen borrel me even parten]
is hij weer opgeveerd.
Oranjebitter van De Kuyper
heeft hij altijd vereerd.

In vrouwenvrees te leven
heeft Wilhelm nooit iets gebracht.
Zo heeft hij haar verdreven,
van zijn landgoed, onverkracht.
“Zal haar nu altijd negeren,
ze heeft toch geen rooie cent,
De bijstand die zal haar leren,
zure pruim, stomme krent.”
[let vooral op die -t-! Arrrrticulatie moet!]

Wilhelmus voelde zich verlaten
woede had zich in hem vergaard,
Zijn neus was in alle staten,
was zo’n wijf dat nu wel waard?
Die Oranjebitter hielp even,
[whoops, iets te snel. Soit.]

maar zij zeek nacht en dag,
dat bier hem nu kracht zal geven,
dat een neut helpen mag.

Lijf ende goed tezamen
bleef Wilhelm nooit verschoond,
zijn broers, nu hoog van namen
en steeds met boni beloond
Maar zij wilden hem niets geven
zo toog hij terug naar ’t drinkgelag,
[sorry, hier kwam ik even in de problemen. Stomme tekst ook.]
zijn ziel voor altijd gegeven,
voor de borrel overstag.

Beneveld en laaggeboren,
vol gezeik en ook gedram,
en vorstelijk verloren,
’t UWV doet niets voor die man,
Baudets woord geprezen,
heeft hij zelfs onversaagd,
zijn vrouw de deur gewezen
toen het hem had behaagd.

Wilhelmus zit nu te rouwen
waar is zij, oh god dat doet zeer,
Die neus, eerst nog zo blauwe,
is nu rood, hè bah, dikke peer.
“Zal ‘k toch weer een vrouw inlijven,
een dienaar t’aller stond,
de eenzaamheid verdrijven,
voor mijn neus en mijn kont…”
[mind the -t-!!]

Wilhelmus kwam weer tot bedaren
in ’t vervolg liet hij ’t zo zijn,
Hij moest zijn eer toch bewaren
een trouwe dienaar zijn,
van vrouw en volk,
daarvoor had hij toch wel de moed?
Ach, één borreltje kan toch best nog
en dan is alles weer goed.
[klaar, pfff.]


eerder verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Zo snel en eindig is het

1 augustus 2017, 12:11h
“Mam, breng je ons nu eindelijk naar ’t zwembad?”
“Ja, schatje, één moment. Even dit nog afmaken.” Ik zucht. Stress. Werk. Zorgen. Teveel aan mijn hoofd. Veel te veel.
Ik adem diep door, klap mijn computer dicht, graai de autosleutels van het kastje en spring in de auto. Dochter voorin, zoon op de achterbank. Buiten is het 38°C, in de auto nog veel heter.

Ik draai het 4m brede slingerweggetje naar het dorp op. Aan weerskanten van de berm hoog, niet te overzien gras. Ik rij goed aan mijn kant; ik ken deze bochten. Mijn nog onzichtbare tegenligger, een grote SUV,  blijkbaar niet. Hij rijdt midden op de weg, zelfs deels op mijn toch al zo smalle weghelft. En veel te hard.

In een flits zie ik wat er gaat gebeuren als ik niet onmiddellijk ingrijp. Een frontale crash. 110km/u (minstens) tegen 80km/u. Op een landweggetje. Ik rem, stuur abrupt de berm in en kom net voor een paaltje tot stilstand. Ik weet dat de kinderen gegild hebben, maar ik heb het niet bewust gehoord. De tegenligger is met volle vaart doorgereden. Het was een metallic-grijze auto, vermoedelijk een BMW, maar het ging zó snel…

bron: eigen foto (LB)

Ik draai mijn auto weer de weg op. Alles is nog heel voor zover ik kan zien en voelen.
“Mama, als je nou niet zo razendsnel het gras ingereden was, waren we dan nu dood geweest?”
“Misschien. In ieder geval had je dan de airbag mogen kussen,” grap ik, met het hart nog steeds in de keel. Omwille van hen slik ik mijn schriktranen weg.

Ineens zijn al die zorgen, al het gedoe en geregel, alle problemen en juridische shit weer even heel nietig en onbelangrijk geworden. Hoofd leeg. Daar was dit incident dan wel weer goed voor.

1 augustus 2017, 13:01h
En doorrrr. Het mag nog.
Dank, beschermengel.

Zo snel gaat het.
Zo eindig is het.


Tegelijkertijd verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Kleuters en zandbakpolitiek – een analogie

Drie kleuters vermaken zich in een zandbak in de speeltuin. Ze bakken kledderige moddertaartjes op de betonnen omranding. De kleutertjes zijn het roerend met elkaar eens: deze hele zandbak is vanaf nu van hen. Hun wereld van bruine drab. Genoeg zand om mee te smijten. Er is dan ook écht geen plek voor de creaties van een ander.

Kleuter 4, een half jaartje ouder, zit in de andere hoek en bouwt daar in alle rust een bescheiden maar goed gefundeerd zandkasteel, geheel naar eigen inzicht, creativiteit en visie.

bron: pixabay

Oprotten!

Kleuters 1, 2 en 3 vinden nummer 4 dom. En het zandkasteel heel stom, want het staat daar te gloren in HUN zandbak. Kleuter 4 past niet in hun zandwereld. Al die rare bouwideeën zijn maar wát irritant. Daarom grijpt de eerste al snel een van de moddertaartjes en smijt het in de richting van het irritante zandkasteel. Kleuter 4 kijkt even geërgerd op en bromt: “Laat me met rust. Ik mag hier ook spelen. De zandbak is groot genoeg.”

“Jij moet je kop dicht houden, jankerd!”
De volgende, iets grotere moddertaart volgt prompt.
“Ga ergens anders spelen, stommerik, maar blijf bij ons superintelli’s uit de buurt!” gilt nummer één.
“Haha, moet je jou zien, hóé DOM kan iemand zijn om zo’n idioot prutskasteel te bouwen?” schampert nummer twee.
“WIJ bepalen hier wat er gebouwd wordt! En ook waar. Én waarom. JIJ moet gewoon lekker oprotten!” Nummer drie wijst priemend met zijn middelvingertje naar kleuter 4.

Jij bent dom

“Waarom dan?” waagt kleuter 4 – nog steeds kalm – te vragen. “Ik mag maken wat ik wil, wat ík goed vind. Deze zandbak is van iedereen, dus ik heb jullie toestemming helemaal niet nodig.”
“Jawel! Dat heb je wél. Jij mag hier niet zijn, want jij bent zó ontzettend giga dom!”
“Kun je misschien ook nog iets anders zeggen dan ‘dom’?” vraagt kleuter 4.
“Oh, ja hoor: jij stinkt! En je jankt de hele tijd.”
“Ik jank niet. Ik zeg gewoon zo nu en dan wat ik vind.”
“Há, maar je stinkt dus wel! Want dát ontken je niet. En jij vindt alleen maar rare dingen. Pas als jij doet en vindt, wat wij ook doen en vinden, dán mag je hier zitten en misschien zelfs nog iets zeggen.”
Ondertussen gaat het bombardement gewoon door.

bron: pixabay

Kleuter 4 bewaart stoïcijns de rust en reageert – ondanks alles wat haar naar ’t hoofd geslingerd wordt – niet meer. Kleuter 4 is namelijk al nét iets verstandiger dan de schreeuwertjes en weet, dat je andere dreinende, krijsende, tierende, wijzende en modder gooiende roeptoeterkleuters gewoon moet negeren. Een normale discussie is toch niet mogelijk. Wel alert blijven natuurlijk, maar niet meer reageren. Dan is de lol er vast gauw vanaf. Ze buigt zich weer over haar eigen werk.

Feet. Butt. No pain.

Helaas. Werkt niet. Nu gaan de pestkoppen helemaal over de rooie. Drie paar voeten, één reet. Echt pijn doet het niet. Het kriebelt een beetje. Watjes. Grinnikend draait ze zich om en kijkt, enigszins verbaasd, in drie inmiddels rood aangelopen, van haat verwrongen gezichten.

“Zal je leren, jij zeikwijf! Hysterisch mokkel! Leeghoofdig grietje! Emotioneel incontinente borderliner! Het is niet te geloven hoe iemand zó dom kan zijn. Luister, wij zéggen toch dat je DOM bent? Dan ben je het dus ook! Ga nou eens snel weg hier?!”

Stijlloos GeTrumpetter

Moment. Dat laatste is toch helemaal geen kleuterscheldpartij? Nee, dat is gewoon een zoveelste door-het-slijk-trek-actie van steeds weer dezelfde meute stijlloze scheldkoppen met schoolpleinmentaliteit. Volwassen kinderen die op zolderkamers achter laptops wegkwijnen en zich de socmed-vingers blauw typen, wegens gebrek aan echt léven. En aan enige doordachte, steekhoudende argumenten. Om het hardst schreeuwen en uitjouwen (daar is trouwens een nieuw werkwoord voor: ‘Trumpetteren’), dan bindt de rest met een beetje geluk wel in. Bij voldoende intimidatie houden ze misschien zelfs voorgoed hun klep. Hartstikke handig.

Schoolvoorbeeldje van ‘één op één’

Ook één op één willen kleuters nog wel eens hard gillen als ze denken dat ze hun virtuele achterban op die manier mee krijgen. Een – al dan niet vooropgezet en zo ja, in dat geval nog kinderachtiger – schoolvoorbeeld daarvan: de twee overgebleven metro-columnisten, die elkaar in de boksring troffen. De één zet zichzelf totaal te kakken door ongelooflijke arrogantie, badinerende opmerkingen, loze uitspraken en een argumentatie van niks. ‘IK heb mijn mening het éérst geschreven in ONZE krant en ik heb veel meer likes en retweets dan jij, dus jij mag mij daar – in ONZE krant – niet meer op aanspreken. Ga maar ergens anders heen, amateur!’

Qué? Wat is dat voor redenering? Juist! De ultieme kleuterargumentatie. Vertaald naar de zandbakpolitiek klinkt dat zo:
‘IK heb ’t eerst geschreeuwd, dus JIJ moet vanaf nu, hier in MIJN zandbak, je bek houwe. Want ik ben véél populairder en jij bent niks.’

Zo gaat dat. Maar: de één blijft door kalmte, openheid en alertheid nog steeds een goede columnist, de ander degradeert zichzelf tot een eeuwig hetzelfde liedje roeptoeterende jij-bakker. Hop, even flink afzeiken en uitschelden. Op de persoon, graag. Op de manier waarop dat bij iedereen gedaan wordt. Wiens opvatting niet bevalt. Wiens mening niet in ’t eigen straatje past. Want zulke meningen zíjn immers geen meningen, maar slechts uitermate ‘lastig en dom’. Toch?

Stelletje kleuters. Ga echte taarten bakken.
Grow up.

bron: pixabay


Deze blog is eerder verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Tóch een béétje bang. Mag dat?

Ik ben iemand die graag roept dat je je leven vooral niet door angst (voor aanslagen, ziektes, ongelukken) moet laten regeren. Als je overal bang voor bent en je huis bij wijze van spreken niet meer uitkomt, leef je niet meer. Je wacht enkel nog tot je uitgeademd bent. Immers, waarom heet het dan nog ‘een leven’ en niet gewoon ‘de wachtkamer voor de dood’?

Ik ga dus ook vol vertrouwen en zonder bedenkingen naar grote concerten en evenementen, stap dagelijks in mijn auto en regelmatig in het vliegtuig, eet niet bepaald als een gezondheidsgoeroe, geniet van een wijntje op een vol terras, loop zonder bedenken door Stockholm, London en Parijs (als het even kan).

Maar. Dat doe IK. Ik vrees niet voor mijn EIGEN leven. Wrong place, wrong time? So be it. Kan overal gebeuren en is iets van alle tijden. Leven is levensgevaarlijk en zo. Echter, als het op mijn kinderen aankomt, is het meteen een heel ander verhaal. Dan komt ogenblikkelijk het beschermingsinstinct om de hoek kijken. Is mijn kroost wel veilig? Als mijn dochter meer dan een uur lang niet te vinden is, terwijl ze al thuis had moeten zijn, flip ik. Als mijn zoon een week in Wenen is met school, vraag ik me elke dag meermaals af hoe het hem vergaat. Of hij wel oké is. Natuurlijk belt of appt hij niet; dat is niet cool. Dus blijf ik achter, met al mijn onzekerheid en negatieve fantasieën.

Bron: Lou Bartels

“Pas je op?”
“Doe je wel voorzichtig?”
“Wel goed insmeren hoor! Anders verbrand je.”
“Zou je dat nu wel doen? Lijkt me niet zo verstandig…”
Zinnen die ik regelmatig inslik en NIET zeg, omdat ik niet wil dat ze overbeschermd en -bemoederd – en dus niet zelfstandig – opgroeien. Mijn kinderen (11 en 14) zijn – naar mijn bescheiden moedermening – juist erg zelfstandig. Ze kunnen eten voor zichzelf maken, hele dagen en avonden alleen zijn (en toch hun huiswerk en eventuele opgedragen huishoudelijke taken voltooien), zelf op een schappelijke tijd naar bed gaan, 10 kilometer fietsen naar het zwembad (en ook weer terugkomen), hun zaakjes zelf regelen als het moet. Ze hebben een fatsoenlijk verantwoordelijkheidsgevoel, doen geen rare dingen, zijn (nog…) redelijk onbevattelijk voor groepsgedrag. Zélf beslissen kunnen ze ook prima. Dus wie ben ik om dan iets als ‘lijkt me niet zo verstandig’ te zeggen…

En tóch ben ik soms een beetje bang. Zo gaan ze binnenkort een week naar Londen. Zonder mij. Ja, naar dat Londen, dat steeds weer in de media opduikt wegens allerhande terroristische incidenten. Ik betrap mezelf erop, dat ik dat bij tijden tóch best ‘eng’ vind. En daar schaam ik me dan weer voor, want dat druist in tegen mijn eigen principes. Die principes van ‘laat je vooral niet bang maken door alles wat je in de media ziet, leest en hoort’.

Mijn favoriete ‘huisfilosoof’ Ron Jacobs stelt echter, dat het mag, dat ‘bang zijn’. Dat het zelfs juist goed is:
“Schouderophalend doorleven nadat iemand is ingereden op het winkelend publiek, is […] een naïef advies. Bovendien wordt het een janboel als iedereen zijn angsten wegstopt en niet meer toont. Wat als dit een collectief patroon wordt? Geen enkel beleid is dan mogelijk. Simpelweg omdat we niets meer van elkaar weten wanneer we elkaars angsten niet kennen.” (Opiniestuk Volkskrant 21 juni 2017)

Maar wat schiet je ermee op? Als ik jouw angsten ken en jij de mijne, kennen we elkaar dan werkelijk zoveel beter? Wordt de maatschappij er echt vrijer en een mindere ‘janboel’ van, als we allemaal breed uitmeten waar we zo ontzettend bang voor zijn? Ik betwijfel het. Daarom druk ik mijn angst om mijn kinderen toch maar de kop in. Ik wil mijn leven niet in bubble plastic leven. En ik wil ook niet dat zij dat moeten, omwille van mij.

Dus denk ik steevast: het zal wel goed gaan. Wat moet je anders?

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

I talked 2 Cleo!

Cleo is een machtig mooi mens. We volgen elkaar al vanaf de prille Twitterbegintijden. Cleo is ook de Dutch Podcast Queen: ze interviewt de meest diverse (Twitter)mensen en weet altijd hun bijzondere kanten op de voorgrond te plaatsen.

Interviewen is trouwens niet het juiste woord: ze kletst er gewoon op los en trekt haar gesprekspartner en passant mee. Spontaniteit en authenticiteit zijn dé vereisten voor een mooie en interessante conversatie.

Ik heb nu dus ook de eer gehad om ‘gepodcast’ te worden door Cleo. Ze heeft in haar tijd als podcast queen al met meer dan 170 mensen gesproken (ik was nummertje 173), waaronder ook heel veel Engelstaligen en relatief bekende personages. Toen ze mij in de Twitter-DM vroeg, was mijn directe wedervraag dan ook: “Why me?” Het antwoord verraste me (niet):
“Jij bent gek. Daarom!”
Ik beschouw het als een compliment. Het klopt ook. Niks fijners dan gek zijn, vooral online. En ik ben op ’t net niet anders dan in het echt. Trek hier uw conclusies en sluit aan in de rij.

Want: interessant genoeg wijkt de online identiteit, de perceived identity, vaak wel degelijk af van de realiteit in real life. Het ‘mooi-weer’-gedrag viert hoogtij. Onze Marga heeft het daar ook al een paar keer over gehad hier op HVD (hier en hier).

Je ware zelf laten zien, dus ook online zijn zoals je bent, is eng. De angst daarop afgerekend en veroordeeld te worden door wijzende familie en (ont)vriend(d)en is groot. En bij wat verdergaande uitgesproken meningen komen ook nog eens de grote blaat-en-janktanks der social media om de hoek piepen. Maar: in een intiem, persoonlijk gesprek kún je haast niet anders dan praten zoals je bent. Tenzij je goed kunt acteren. En dat kan ik niet.

Het verbaast me steeds weer dat derden je, ondanks dat ze je nog nooit een blik waardig hebben gegund, toch menen te kennen, pretenderen te weten hoe jij bent. En dat, terwijl ze in dezelfde zin – ja, in dezelfde ademtocht – duidelijk stellen dat ze je juist totaal níét kennen, zelfs niet eens wíllen kennen. (“Ik ken je niet, maar ik heb de indruk dat je […vul maar in…] bent” – van die zinnen). Vertel me, hoe kun je die indruk überhaupt krijgen als je nog nooit hebt gekeken naar wat diegene écht zegt of schrijft? Als je beweert absoluut niet geïnteresseerd te zijn in die persoon? Waarom dan wel gelijk een oordeel ad persona?

Daarom was ik blij met het podcast-gesprek van Cleo. Het was ontzettend leuk om ‘gewoon jezelf’ te kunnen zijn in een interview, dat helemaal geen interview is maar een open en eerlijke conversatie. Cleo weet je meteen op je gemak te stellen, is heel spontaan en extravert, vertelt zelf ook veel. Daarmee geeft ze haar gesprekspartner nieuwe mogelijkheden tot in- en aanhaken, tot verder vertellen, tot méér van jezelf laten zien. En zo kwam het gesprek als vanzelf op de liefde, op mijn nieuwe project *Klunst!*, op HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, mijn vertaal- en schrijfbedrijfje SoGraTex en mijn firma in München, maar ook op de personificatie van ongekookte aardappelen, moederdagverrassingen, Oostenrijk, drietaligheid, en mijn liefde voor auto’s en autorijden. Ik had nog véél meer te vertellen, maar dan zou het gesprek uren gaan duren en dat wil je je luisteraars niet aandoen.

Enfin. Wilt u niet alleen online lézen hoe ik ben, maar ’t ook eens een keer horen? Voilà:

Mag u daarna oordelen of uw indruk van mij een juiste was.

Dikke zoen voor Cleo!!


ook verschenen op HoeVrouwenDenken

“Ik WIL helemaal niet volwassen worden!”

Dochter (11) zit na schooltijd aan tafel. Ze staart bedremmeld voor zich uit. Het is overduidelijk dat er iets aan de hand is, dus ik vraag het ook maar meteen. Meestal werkt dat voor geen meter. Als ik vraag: “Wat is er, lieffie? Waarom kijk je zo zorgelijk?”, krijg ik steevast het antwoord: “Ach, niks. Laat maar even…” Nu dus ook. Maar in ieder geval weet zij nu dat ik aan haar kan zien dat er wél iets is.

Ik maak een kop koffie en ga bij haar aan de eettafel zitten. Doe mijn koffielepel vol melkschuim en hou die voor haar mond. Normaal gesproken hapt ze gelijk: vindt ze heerlijk. Nu niet.
“Zie! Er is écht wat! Ik wist het wel. Wil je het me echt niet zeggen? Je weet toch dat je mij alles kunt vertellen, hè?”
“Ja, weet ik. Maar ik heb het er gewoon liever even niet over.”

Oké. Dat wordt raden. Want als ik juist raad, kan ze niet ontkennen. Ik ken mijn dochter.
“Heb je op school voor het eerst een jongen gezoend?”
“Neeee zeg! Yuck!”
“Heb je per ongeluk iets kapot gemaakt of iets stoms vergeten?” Dochter lijkt erg op mij, dus deze dingen gebeuren met enige regelmaat.
“Nee, natuurlijk niet.”
Dan schiet me ineens ons gespreksthema van vorige week te binnen. Over ‘vrouw worden’ en zo.
“Zeg, ben je misschien ongesteld geworden?”
“…”

Ik grijns vertederd. Dát is het dus. Zo heb je het er ginnegappend over en zo is het al zo ver. Mijn kleine meiske heeft haar eerste menstruatie te pakken. En dat nog wel tijdens schooltijd, arm kind. Geen kleine meid meer. Niet langer mijn tuddeke. Ik knuffel haar. Er glinstert iets in de ooghoeken. De hare en de mijne.

bron: eigen foto (LB)

“Mijn onderbroek is vie-hie-hies…” Tranen.
“Kom, skattie, gaan we even naar de badkamer.” Ik pak haar hand en ze loopt – enigszins wijdbeens – met me mee.

Op ’t toilet frommelt ze de lappen wc-papier uit haar onderbroek. Goed gedaan meisje; aan oplossend vermogen geen gebrek.
“Ik had gym en ik wilde niet dat iemand het aan mijn legging zou kunnen zien…”
Ik trek de kast open waar het maandverband en de inlegkruisjes liggen. “Híér moet je wezen,” knipoog ik en laat haar zien hoe ’t werkt met de plakstrip. En waar de beste plakplek in de onderbroek is. En dat je je onderbroek vooral niet uit moet rekken tijdens het bevestigen, anders heb je een harmonica-ribbelverbandje tussen je benen en da’s niet fijn. En meer van dat soort praktische zaken.

bron: pixabay

“Nooit in de wc gooien hè! Altijd in de prullenbak. Anders heb ik straks een andere overstroming hier.”
“Jahaa… Ik ben niet gek. En hoe werkt dat dan met die trappers?” Ze wijst naar het pakje in de kast.
“Tampons, lieverd, tampons. Dat zijn een soort van dikke wattenstaafjes met een draadje eraan. Die duw je in je vagina. Als ie vol is, trek je hem er aan ’t draadje weer uit.”
“Ieuw. Die dingen hoef ik niet.”
“Nee, nu zeker nog niet. Dat komt later wel een keer. Ze zijn wel handig bij ’t sporten en zwemmen en zo. Maar voor nu is een maandverbandje prima.”
“Ik vind het niks, zo’n mini-luier in m’n broek. Maar het is beter dan toiletpapier.”
Stiekem denk ik: Joh, dit is niks. Straks, als je 45 bent, twee kinderen hebt gehad en met jodelende bekkenbodemspieren moet dealen, loop je tijdens het sporten regelmatig met incontinentie-verband in je broek. Dát zijn pas luiers…

Terug aan tafel zit ze bij mij op schoot te sippen.
“Lieverd, het is écht niks om je voor te schamen, hoor! Het is zelfs de normaalste zaak van de wereld. Ieder meisje wordt ongesteld als ze in de puberteit komt en volwassen wordt.”
“Ik WIL helemaal niet volwassen worden! Ik wil gewoon kind blijven.”
“Wel, je hebt nu weer een luier in je broek, dus dat zit vast wel goed met dat kind blijven.”
Ze grinnikt en slaat haar armen om mijn nek. Ik ben blij dat ze er nog een beetje om kan lachen.
“Weet je, dat gaat allemaal vanzelf, dat heb je niet in de hand. Het is in ieder geval heel geruststellend dat bij jou alles gewoon ‘in orde’ is. Stel je voor dat je helemáál niet ongesteld wordt, dan kun je heel waarschijnlijk ook nooit kinderen krijgen… Je bent vanaf nu vruchtbaar, dat weet je, hè?”
“Alsof ik ooit van mijn leven seks ga hebben. Mooi niet. Getver.”

En natuurlijk volgt daarop weer een giebelgesprek over jongens en seks, over zaadjes en eitjes. Het zoveelste gesprek, maar dat is juist goed. Ze moet weten waar ze aan toe is. Maar waar het mij vooral om gaat, is dat ze weet dat ze altijd naar me toe kan komen als ze vragen heeft, zich zorgen maakt of wil praten over voorbehoedsmiddelen. Anytime, anyplace, anywhere. Want ook al is ze nog maar 11 (en een half), ik wil dat ze weet dat ik echt niets gek vind.

Ze weet het. En tóch is er nog een restje onnodige schaamte.
“Ehm, mam, wil jij het alsjeblieft voor mij aan papa vertellen?”


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Gelukkig Kippetje

Avondeten. Zoonlief (14) vreet weer eens als een bootwerker en pakt het derde (flinke!) stuk gekruide kalkoen met lekker veel knoflook.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gromt dochter hem toe.
“Hou je erbuiten. Je bent m’n moeder niet,” bitst hij terug.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gooi ik er maar gelijk achteraan.
“Ja.”
Oh.

bron: commons.wikimedia.org (licence CC 2.0)

“Mam, vroeger was T. toch ooit een tijdje vegetariër?”
Jee, dat ze dat nog weet. Ze moet 6 geweest zijn of zo. Zoon was toen 9 en zat onder de ritalin. Een compleet verkeerde keuze destijds, hoewel het in het begin zo goed leek te gaan. Voor ons was het sowieso niet nodig (zoon is een geweldige, lieve, rustige en verstandige jongen), maar voor hem zelf wilden we álles proberen. Alles waardoor hij zich maar een beetje beter en vooral minder chaotisch, minder ‘anders’, meer geaccepteerd en minder verloren zou kunnen gaan voelen. Het werd helemaal niet beter, enkel slechter. Ook Strattera en Medikinet bleken geen uitkomst. Naast de nachtmerries, de lusteloosheid, de hartkloppingen, de gejaagdheid en de depressieve fases had hij ook nog eens totaal geen eetlust meer. Vel over been was hij. Na een jaar ‘proberen’ was het punt bereikt: weg met die rottige pillen.

“Ja, lieffie, klopt. T. wilde een tijd lang helemaal geen vlees eten. Door de ritalin vond hij alles vies, dus ook vlees. Daarnaast dacht hij ineens over álles na. En dus ook over waar ’t beest op zijn bord vandaan kwam. Als ik een gebraden kip op tafel zette, was het eerste wat hij bulderde: “Is dit wel een gelukkig kippetje geweest?” Als in bio-vrije-uitloop-kip. Daarop antwoordden wij dan natuurlijk bevestigend. En dan nóg at hij niks. Waar je al niet allemaal over nadenkt met die pillen…”

“Dat kwam helemaal niet door die pillen. Dat kwam door jullie,” mompelt zoon.
Die zag ik niet aankomen. Huh? Wij?
“Ja, jullie. Ik was toen weer eens ziek en jullie moesten allebei even weg, dus parkeerden jullie mij op de bank met één of andere suffe kinderuitzending op tv en legden vervolgens, zoals altijd, de afstandsbediening boven op de kast. Maar toen de serie afgelopen was, kwam er een documentaire. Over kippenfokkerijen. En ik had geen afstandsbediening en geen zin om van de bank af te komen, dus heb ik die hele docu afgekeken. Vanaf toen wilde ik geen ongelukkige kip meer eten.”
Aha. Oké dan. Daar kan ik me niets meer van herinneren.

“Nou, eh, deze kalkoen was echt een hele gelukkige bio-kalkoen, hoor!” stotter ik.
“Kan mij ’t bommen. Als ie maar lekker is. En dat is ie.”

Zoon begint aan zijn vierde stuk. Opdat hij maar een potige kerel mag worden.
Hij is in ieder geval goed op weg, mijn nu prima in zijn vel zittende, gelukkige haantje.
Zónder ritalin & co, welteverstaan.

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Het juiste gaatje

bron: commons.wikimedia – Licence 2.0. Author Carl Bednorz – Adapted (Text)

Dochter begint te puberen. Ze wordt dit jaar 12 en zaken als menstruatie en seks komen steeds vaker aan bod. Zo ook praktisch elke avond voor het slapen gaan. Het hele oeuvre aan baarmoederslijmvlies-, eitjes-, en kinderkrijg-verhalen hebben we inmiddels meermaals doorlopen. Die puberteit gaat in ieder geval hand in hand met een hoop geklets.

“Je moet er wel rekening mee houden dat er binnenkort wat gaat gebeuren, lieffie. Dat je ongesteld gaat worden. Ik weet natuurlijk niet precies wanneer, maar bij mij was het rond mijn twaalfde, en bij je nichtje zelfs eerder, dus het kan best binnenkort gebeuren. Als het zover is, krijg je waarschijnlijk buikpijn en zie je vanzelf wat bloed of bruine prut in je onderbroek verschijnen.”
“Yuckerdeyuck… Maar hoe weet ik dan of ik ongesteld ben of dat ik gewoon drie dagen lang vergeten ben mijn onderbroek te wisselen? Lijkt het een beetje op een vet remspoor?”

Hè bah. Zo heb ik mijn kroost toch niet opgevoed?
“Djiezus, kind. Je moet ELKE DAG een schone onderbroek aan doen, dat weet je toch? Dan zie je vanzelf het verschil. Remsporen zitten meer achterin. Dit zit in het midden. En als het dan zover is, kom je bij mij, dan krijg je een maandverbandje en alles wat verder nog nodig is, oké?”
“Oké dan…” Het klinkt niet overtuigd.
“En nu slapen. Hou van je, skattie.”
“Ik van jou, mammie.”
Licht uit.

“Ma-ham… joehoe, máám, ben je er nog?! Uit welk gat komt het dan ook alweer?” roept ze vanuit de slaapkamer.
Dit hebben we dus óók al tig keer besproken, maar wat menstruatie betreft heerst er iedere keer weer acute amnesie.
“Dat weet je toch? Uit het K-gat. Het middelste gat. Plasgat – Kindergat – poepgat.
Dochter is Duitstalig  en in het Duits klinkt het allemaal nét iets lolliger: ‘Pipiloch – Kinderloch – Arschloch’.
En hoppa, ze komt niet meer bij. Het is zo makkelijk…
“Hahaha, Arschloch!! Daar kun je toch geen kinderen uitpersen?”
“Nou, gezien jouw drollen zal het best mogelijk zijn.”
Dochter heeft het niet meer. Voor de zoveelste keer.

bron: pixabay

“Als mannen kinderen zouden krijgen, zouden ze de baby door hun piemelgat eruit moeten persen,” vervolgt ze bloedserieus, nog nahikkend in haar hoogslaper.
“Daarom krijgen mannen geen kinderen. Niemand wil een ballonpiemel.”

“Als ik goed tel, heb ik wel 8 gaten! En uit maar eentje kan dat hele kindergedoe komen! Best wel onhandig.”
“Je ogen zijn ook gaten hè.”
“Welja, dan huil ik straks kinderen!”
Hopsakee, weer drie minuten niet aanspreekbaar wegens lachtranen.
“Nu slapen! Zo lang je nog niet ongesteld bent, ben je nog mijn kleine tuddeke. En tuddeke’s moeten om 9 uur hun nest in. Toevallig.”

Ik ben blij dat we er nog een lolletje van kunnen maken.
De ware ernst van de zaak ‘vrouw worden’ steekt snel genoeg de kop op.


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Hoe jij me weer leerde lopen

Drie jaar is het nu. Zo kort geleden dat het nu al een eeuwigheid lijkt. We knalden onverwacht online op elkaar. In gesprek geraakt over een niet lukkende betaling. Een gesprek dat al snel niet meer te stoppen bleek.
Gevonden.

Drie jaar geleden leerde ik je ‘in het echt’ kennen. We moesten elkaar zien. Ging niet anders. Ik hoopte stiekem dat ik na mijn spontane bezoek aan jou enigszins genezen zou zijn van de gekte. Dat ik in zou zien dat dit niet kon. Dat ik verder moest met het leven dat ik al leefde. Door met de gevolgen van keuzes die ik in het verleden gemaakt had.

Het liep anders.
Ik kwam. Wij zagen. Jij overwon.
Mij. Alles. Alles in mij.
En ik jou. Dat ook.

bron: eigen illustratie (LB)

Het was de herkenning die ’t deed. De herkenning van onszelf in elkaar. Vingerafdrukken die exact op onze hartscanners pasten. Dikke sloten ineens opengebroken.

In het daaropvolgende jaar gebeurde alles wat je maar in een mensjaar kunt proppen. De ene rampzaligheid na de andere. Mijn leven zoals het was, escaleerde. Explodeerde. Draaide 180°. De heftigheid van de gebeurtenissen nam de overhand. Maar de acceptatie was nog ver te zoeken, bij ons, maar ook bij de mensen om ons heen.
We worstelden.

Ik zocht een tijdelijke woning, verhuisde. In mijn uppie. Daar zat ik dan. Met niks.
Geen keuken, geen meubels, geen verwarming, geen bed. Alleen een matras en een deken. En wat haastig in de tas gepropte kleren. Ik liet alles achter. Maar ik had jou. Ik regelde me suf. Leidde als een zwoegende zombie de chaotische toestanden in vage banen. Van aardverschuiving tot verzekering. Van huilbui tot huisraad. Van IKEA-keuken tot kinderkamer voor twee.

Maar ik wist waarvoor. Eindelijk was er iemand die zag, wie ik werkelijk was. Wie ik wílde zijn, ook al kon ik dat zelf nog niet zien.
Jij gaf me de rust in mijn hoofd, het vertrouwen in mijzelf, en de hoop voor ‘straks’.
“Kijk niet naar die chaos van nu. Rol door en probeer je voor te stellen waar je over een half jaar staat. Zes maanden zijn in een oogwenk voorbij en dan is alles anders. Beter.”
Doorsta het nu en kijk alleen naar morgen. Dat is wat je mij zei.

De kinderen gingen wonderbaarlijk goed om met de veranderde situatie. Ook bij hen viel blijkbaar spanning weg. Ze waren blij met jou, omdat jij goed was voor mij. Gelukkig waren ze op diezelfde manier ook blij met de nieuwe partner van hun papa. Hoe jong ook, zelfs zij zagen dat het zo voor iedereen beter was, ook al was het niet langer die geïdealiseerde gezinssituatie. En jij had gelijk: het leven rolde inderdaad op de een of andere onbegrijpelijke manier met een rottempo door.

We keerden steeds naar elkaar terug, hoe onmogelijk dat soms ook was. Verslaafd aan elkaar. Je hielp mij op te staan, stappen te zetten. Je leerde mij opnieuw te lopen, verder te kijken, vol te houden. En in mezelf te geloven. De liefde groeide, ook al leek nóg meer toen al onmogelijk. We brainstormden samen. Ideeën vloeiden, werden besproken, geconcretiseerd.

Ik begon zelfs een tweede bedrijf; mijn eigen tekst- en vertaalbureau. Iets wat ik al heel lang wilde, maar niet om wist te zetten. En wéér steunde jij mij in al mijn verwoede pogingen mijn bestaan weer op de rit te krijgen. Ja, zelfs te doen waar ik voor huiverde. Je gaf me mijn leven terug. Je gaf mij míj terug. Jij maakte me tot wie ik altijd al was, maar nog niet had kunnen zijn.

“You cannot find peace by avoiding life.”
Een quote uit de film ‘The Hours’, die we laatst samen keken. En dat is, wat ik deed. Ik vermeed jarenlang te leven om wanhopig rust te vinden in de status quo. Nu ik wél weer durf te leven, heb ik die rust eindelijk gevonden. Door jou. In jou.

Nu, drie jaar later zijn we nog steeds ‘wij’. In alle openheid. Het mag. Soms – veel te vaak – te ver van elkaar verwijderd, maar toch altijd #samen in onze hoofden. Mijn maat, mijn lief, mijn compagnon, mijn andere kant, mijn partner, mijn mens, mijn. Dat ben jij.

Weet je, misschien zijn we al lang oud in de ogen van de jongeren.
En misschien zijn we nog steeds fout in de ogen van vele goeden.
Nou en. Dan maar lekker fout stokoud met jou worden.
Niks fijners dan dat.

Mijn voetbalkindekes, ik zal ze missen

Negen jaar lang heb ik het gedaan.
Elke maandag. Elk voorjaar, elk najaar.
Wat dan, vraag je je af? Voetbalkindjes trainen bij de lokale dorpssportclub.

bron: eigen foto (LB)

De allerkleinsten. De F-jes. De ‘bambini’s’ onder de voetbaljeugd. De vier- t/m zesjarigen. Maar aan het eind van dit voorjaarsseizoen ga ik afscheid nemen. Met twee kinderen, twee bedrijven in twee buitenlanden en een partner 1000 km verderop (mijn auto is mijn tweede thuis) kan ik de voetbaltrainingen simpelweg niet meer bolwerken. Daarnaast verhuis ik in de herfst ook nog eens naar de big city. Dan zou ik voor de training iedere maandag drie kwartier in de file moeten gaan staan. Voor mij een no go.

Maar ach, ze zijn zo schattig, mijn bambini’s…
Meestal heb ik ’s maandags totáál geen zin. Eigenlijk moet ik dan koken voor ’t hongerige kroost thuis en ben ik daarnaast druk aan het werk. Toch hijs ik me om half vijf alsnog in een clubtrainingspak en scheur naar het voetbalveld.

Maar als ik er dan eenmaal ben en al die koters – gemiddeld 20 tot 22 stuks –  in de zon over het veld zie hobbelen met een junior-bal, dan vind ik het tóch weer hartstikke leuk en loop ik vervolgens een uur lang te grijnzen en mee te rennen, wat op zich voor mij helemaal niet zo slecht is.

bron: eigen foto (LB)

Eerst de warming up. Jumping Jacks blijken elke keer weer ondoenlijk voor die kleintjes. Links en rechts uit elkaar houden is ook een dingetje. Dan doen we een loopspelletje (meestal tikkertje met verlos of iets van dien aard). Daarna volgt de loop- en behendigheidstraining: slalommen. Zonder bal (gaat prima, ze lopen alles overhoop en de stangen worden ook meteen meegenomen) en met bal (gaat voor geen meter: botsingen en chaos voorgeprogrammeerd).

Vervolgens komt ’t hoogtepunt: doeltrappen! Op het grotemensendoel, natuurlijk. Daar staan wij (trainer en helpers) dan in, liefst met ons achterste – het eigenlijke doel – naar de kinderen toegekeerd zodat ze daar zo hard mogelijk tegenaan kunnen trappen. ‘Raak de kont!’ Vinden ze gewéldig. Afsluitend 20 minuten chaosvoetbal. Dat is met minstens 3, liever 4 paaldoelen, waarbij je in elk van die doelen mag scoren, behalve in je eigen doel. Dat laatste blijkt over het geheel genomen uitermate lastig, dus goals in eigen doel tellen ook positief mee. Ieder kind telt gewoon de eigen doelpunten, maakt niet uit waar je ze gemaakt hebt. Zou voor Danny Blind een verademing geweest zijn. Te laat!

bron: eigen foto (LB)

bron: eigen foto (LB)

Vanzelfsprekend zitten er altijd een aantal lastpakken bij. Jochies die sneaky ieder ander op hun pad omver duwen of een stomp geven. Meiskes die om de haverklap naar de wc moeten (en dan moet je natuurlijk mee; alleen durven ze niet) of die gewoon in jurkje en zondagse schoentjes meerennen. Mennekes met glimmende nieuwe voetbalschoenen inclusief glibbergladde veters die continu en ondanks dubbele knoop weer los raken (ik strik dus minstens tien paar schoenen in dat uur). Knullekes die voor geen meter opletten en in alle richtingen staan te turen, behalve in de richting van de bal. Boink = brullen. Het aantal gestelpte bloedneuzen tijdens mijn ‘voetbalcarrière’ is al niet meer te tellen.

Enfin. Het is weer eens maandag. En het is weer bal.
Ik draaf tussen de pak-‘m-beet 20 krioelende kinderen, in een nutteloze poging om van het geharrewar op het veld iets van voetbal van te maken.

Een ieniemini jochie, Tobie heet ie (of Ronaldo, volgens zijn T-shirt), wil per se in één van de doelen staan. Prompt ontvangt het ukkie een bal in zijn onderbuikzone. Ik zie hem ineenkrimpen, ren erheen, aai ‘m over zijn bol en vraag of het erg pijn doet. Dat is de standaard vraag. ‘Gaat het nog?’ moet je vooral níét meteen vragen, want dan brullen ze er stante pede op los om aan te tonen dat het echt helemáál niet meer gaat. ‘Gaat het nog’ komt pas later. Dus:
“Doet ’t pijn, Tobie?”
“Ja-haa! Mega!” en hij pinkt een moeizaam uitgeperste krokodillentraan weg.
“Waar doet het pijn? In de buik?”
“Nee! Hier!” Hij rukt zijn joggingbroekje omlaag, trekt de rand van zijn onderbroek naar voren en wijst naar zijn blootgelegde pielemansje. Aha. Duidelijk. Ja. Goed. Nee. Niet goed.
“Eh, ja, dát kan pijn doen inderdaad. Joh, gaat wel weer over. Topvoetballers gaan ook gewoon door…”
Even blijf ik bij hem staan terwijl ik simultaan zijn doel verdedig. Dan volgt de heikele vraag:
“Gaat het nu weer een beetje, knul?”
“YO!!” En weg is Tobie, mij in het doel achterlatend.

Ze blijven geweldig, die kleine, enthousiaste fanatiekelingen.
Ik zal ze in de herfst stiekem best gaan missen.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Huilhaar

bron: eigen foto (LB)

Voor de LINDA worden blijkbaar vrouwen gezocht die stevig balen van hun haar. Vrouwen die elke ochtend wanhopig een traan wegpinken als ze voor de spiegel staan en naar hun natuurlijke hoofdbedekking staren. Die met geen mogelijkheid ook maar enig fatsoen in hun vlaskapsel weten te brengen. Of die praktisch kaal zijn (waarbij ik dan denk: die balen toch niet van hun haar? Die balen van géén haar!). En die vrouwen zijn ogenschijnlijk nérgens te vinden!

Wel, IK baal! Want ik heb huilhaar. Héél dun, slierterig, altijd in de knoop, eeuwig piekerig. Hoe vaak ik het ook bij laat knippen. En  aalglad is ’t ook: geen land mee te bezeilen. Mijn haar is zo ongeveer het enige aan mij wat iel en dun is, dus het steekt ook nog eens extra af tegen de rest van mij.

Als ik mijn haar ‘in model’ föhn, is het uiterlijk na een half uur weer modelletje verzopen-cavia-in-een-bloempot. Dus föhnen doe ik ook niet meer. Zinloos.
Ik heb een kruin die een kale plek op mijn achterhoofd in volle glorie laat shinen. Ik zie die plek weliswaar niet, maar ik weet dat ie er is.
In elke door mij bereide maaltijd bevinden zich minstens drie tot vijf van mijn hoofdharen, want haaruitval hoort nu eenmaal bij ouderdom. Zeker na het wassen. Maar goed, het is wel schoon, gewassen haar, daar in dat eten. Dat dan wel weer.

bron: eigen foto (LB)

Het enige wat ik doe als ik héél erg van mijn hoofdbegroeiing – en van alles eigenlijk – baal: de boel knalrood verven. Dan voel ik me weer even heel lekker in mijn haar. Tot de uitgroei begint.

Ik ben dan ook – niet eens stiekem – stíkjaloers op al die mooie, golvende, dikke haardossen van mijn medevrouwen. Ik heb al over extensions nagedacht, maar die moet je ook weer ergens aan bevestigen. En aan superdun, uitvallend haar blijven die (peperdure) haarstukken vast niet lang plakken.

Ik leg me er dus maar bij neer. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ik beschik dan weer over een prachtige bos haar op de tong. En op de tanden. Misschien moet ik die maar in model gaan föhnen.

(PS: heb jij ook huilhaar? Meld JIJ je dan maar naar LINDA. Ik ga mijn piekhaarprobleem in ieder geval niet meer dan nodig tentoonspreiden. Deze blog is wel voldoende.)


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Reality sucks (at being real)

bron: pixabay

“Wees nou eens realistisch!”
“Jij loopt ook eeuwig en altijd te dromen…”
“Waarom altijd  weer die angst? Dóé gewoon!”

“Het leven is leuk totdat de realiteit je bij de kladden grijpt.”

Zomaar wat dagelijkse uitroepen. Maar ‘realiteit’, wat is dat nou helemaal? Vraag drie verschillende mensen wat de ‘realiteit’ voor hen is en ze zullen alledrie iets anders antwoorden. Het concept der realiteit is dus juist níét wat de naam doet vermoeden. Het is niet reëel. Het zit slechts in het hoofd van een willekeurige persoon.

Wat is realiteit nu helemaal? En angst?
Realiteit is enkel gebaseerd op een specifiek leven. Ander leven = andere realiteit. Fictie voor de één is werkelijkheid voor een ander. Ofwel: wat voor de één reële, op diens realiteit gebaseerde, angst is, is voor de ander aluhoedje-materie, negatieve fantasie of juist iets spannends en uitdagends.

“Angst is een slechte raadgever,” zeggen ‘ze’ altijd. Wie is ‘ze’ in jouw beleving? Zijn ‘ze’ reëel? En verder klopt het inderdaad: Als je angstgevoel hoort bij jouw persoonlijke perceptie van de realiteit, dan moet je eerst gaan nadenken of die realiteit wel helemaal juist geïnterpreteerd door jou wordt. Is het écht zoals jij denkt dat het is? Zou het niet tóch anders kunnen zijn? Wat is het ergste dat er kan gebeuren in jouw angstsituatie?

Bang of angstig?
En ís het wel angst? Of ben je gewoon even bang?
Bang ben je in een specifieke situatie. Bang in het donker, bang voor een achtervolger, bang voor terrorisme, bang voor school, bang voor een gesprek, bang voor een motorbende, bang voor een asielzoekerscentrum in de buurt.

Angst, of liever gezegd: grote bezorgdheid en onrust, is veel existentiëler. Angst heeft te maken met je bestaan, je hele zijn. Met jóúw eigen realiteit dus, of die voor anderen nu reëel is of niet.

Kiezen is een keuze
In de huidige wereld wordt angst steeds minder geaccepteerd. Als je uitermate verontrust bent over iets, ligt dat meteen aan jou, aan jouw – al dan niet foute – perceptie en leefwereld. Niet aan de werkelijkheid van ‘de massa’. Je gaat dan al snel op zoek naar de weg van de minste weerstand. Neem een pilletje tegen je angst en floep, alles is weer afgevlakt en oké.

Het aantal mensen met een ‘overmatige angst’ is nu groter dan ooit. Ik denk dat dat komt doordat we steeds meer keuzevrijheid hebben: je moet continu levenskeuzes maken. Dag in dag uit ‘zinvolle’ richtingen kiezen. En elke keuze die je maakt, heeft invloed op je leven en op het leven van anderen. Met elke keuze definieer en kies je jezelf.En dat is eng. Keuzestress is het gevolg. Dan maar liever niet kiezen? Zoals de Grote Paul steeds weer zegt: Kiezen is een keuze!

Angststoornis
Niet willen kiezen en bang zijn voor de – gevreesde negatieve – gevolgen van een keuze uit zich – onder andere – in angststoornissen (die wederom met allerlei middelen – pillen, alcohol en drogerende middelen, you name it – onderdrukt worden). Angststoornissen worden algemeen gedefinieerd als ‘angst zonder reële grond’, die gepaard gaat met sociale problemen. En daar heb je het weer: WIE bepaalt welke grond reëel is? Wie bepaalt wanneer iets sociaal problematisch is? De media? De artsen? De experts? De maatschappij?

Nee. Jij.

Afgrond
Als je nooit in de afgrond hebt hoeven kijken, weet je ook niet wat angst voor vallen is. Maar wát een afgrond is, bepaal je nog altijd zelf. Wat voor jou een onoverkomelijke diepte zonder reling of vangnet is, is voor freerunner gewoon een uitdagend sprongetje waar hij met een salto in of zelfs overheen springt.

Misschien moet je, als je angst voelt, je eigen concept van de realiteit eens overdenken. Als je durft.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Eerlijkheid voor alles: Kinders over moeders

Bij voorbaat mijn excuses voor het feit dat hier nu nog zo’n lijstjesding verschijnt. Eentje die onze lieve Klivia dit keer zelf bedacht heeft. Zij beschreef het als de ‘moeder/dochter-tag’ of zoiets: “Tien vragen over jou, aan je dochter – wat weet ze nou echt van me?” Tien vragen over mij dus, die dan door het kind in kwestie vanzelfsprekend aller-aller-eerlijkste wijze beantwoord moeten worden.

Nu heb ik – naast een lieftallige dochter (11) – toevallig ook nog een zoon (14). Daarom heb ik ze tijdens het avondeten maar meteen simultaan ondervraagd. Mochten ze lekker door elkaar gillen. Lang leve de voice-recorder. En ik heb de boel dus wel even vanuit ’t Duits vertaald.

Wie van de twee kent mij het beste? En hoe goed kennen ze me daadwerkelijk?

Bring it on…


Wat eet ik het liefste?
Dochter: “Groente. Broccoli en boontjes en salade en zo. Oh, en biefstuk. Met lekkere jus.”
Zoon: “Biefstuk. En eieren. In alle vormen, maakt niet uit hoe, als het maar ei is.”
[Hah, ze weten het precies. Biefstuk, groente, eieren. Niet noodzakelijk in die volgorde]

Wat is mijn minst leuke eigenschap?
D: “Laat hem maar beginnen.”
Z: “Ik weet niks.”
Ik: “Ach, kom op zeg, nu effe eerlijk.”
D: “Oké dan. Wat ik het minst leuk aan jou vind, is dat je zo ontzettend veel werkt. Maar dat is geen eigenschap. Maar jij bent zowat verslaafd aan je werk, en dat is wel weer een eigenschap, toch?”
Z: Nou ja dat. Maar verder weet ik nog steeds niks.
[Ik heb het echt geprobeerd! Ze mochten alles zeggen. Ik had geen mes in de hand. Maar ze wisten het niet. Echt niet.] 

En mijn leukste eigenschap?
D: “Tjee, nou eh, zoveel, poeh…” [Ja, wát dan? Hmm?]
Z: “Jij helpt altijd. Iedereen. Mij met mijn huiswerk en anderen als het niet goed gaat. Jij luistert altijd. En jij weet ook altijd alles. Zelfs beter dan ik en dat is best moeilijk. En je kunt goed koken, dat is ook wel heel fijn. Je bent altijd vriendelijk en je troost iedereen en mij ook als ik weer eens slecht cijfer heb. Je wordt dan nooit boos.”
D: “Ha, ik weet het nu, ik weet het! Met jou kan je lachen! Dat vind ik het leukst.”
[Van mij mochten ze nog wel even doorgaan met deze vraag, maar zo was het wel weer genoeg, volgens de kinderen.]

Wat zou ik aan mijzelf willen veranderen als dat zou kunnen?
D: “Dat weet ik! Jij zou jezelf meteen superslank maken.”
Z: “Wat ik dan weer stom vind. Want je bent gewoon gewoon.”
Ik: “Jij bent niet objectief. Jij ziet mij als moeder, niet als vrouw. Moeders zijn nooit te dik.”
Z: “Nou, jij bént toch een moeder? Dan bén je dus nooit te dik. Je zegt het zelf.”
[Ik mag die logica van zoon wel]

Wat vind ik het allerstomste?
D: “Dat je soms zoveel moet werken. En dat Luuk zo ver weg is.”
[Zij zei het! Niet ik. Ik heb de soundfile als bewijs.]
Z: “Dat wij zoveel voor de TV hangen en die niet uit onszelf uitdoen om wat ‘zinnigs’ te gaan doen. Want dat zeg je altijd. En dat we dan ook nog eens zoveel ‘stomme dingen’ kijken.”
[Klopt. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik geen ‘echte’ TV heb: ik ‘zuig’ wat mee van de buren en via internet, dus in principe hebben ze een hoop keus, maar niet het normale TV-programma hier. Veel werken vind ik trouwens gewoon lekker. Niet stom. Wat dus eerder neerkomt op een verslaving dan wat anders.]

Waaraan ben ik echt verslaafd?
Z: “Aan werken. Koffie. Skypen.”
D: “Koffie. Wijn. En werken ook, ja.”
Z: “Oh, en aan e…”
Ik: “Stop maar, stop maar. Deze vraag slaan we verder maar over.”
D: “Jij bent verslaafd aan kinderen!”
Ik: “Ja hallo, ik hoef echt niet dagelijks een heel kind te consumeren om geen afkickverschijnselen te krijgen. Dus ik ben niet verslaafd aan kinderen.”
Z: “Dan water! Ik wed dat jij geen twee dagen zonder water kunt. Mooi dat je dan wél afkickverschijnselen krijgt! Je had er gewoon nooit mee moeten beginnen, met dat water zuipen.” En vervolgens ligt hij dubbel om zijn eigen gein.

Waarmee kun je mij pissig krijgen?
D: “Als we elkaar aan ’t klieren zijn en ruziën over de controller van de Wii.”
Z: “Als we niet luisteren wanneer jij iets vraagt. Dan vraag je het nog een keer en dan reageren we weer niet. En dan ben je pissig. Dan begin je “Joehoe! Zit ik hier in mijn eentje te lullen of wat!? Reactie graag!!” te roepen.”
D: “Oh, en van die ene fotograaf, toch? Daar werd je toch ook mega-pissig van?”
[Oeh, dat laatste… ai. Ik heb maar gelijk de volgende vraag gesteld.]

Waarvan word ik hartstikke blij?
Z: “Van een speurtocht in ’t huis, met Sinterklaas.”
[Ik weet natuurlijk meteen wat hij bedoelt: met Sinterklaas had hij een speurtocht uitgezet met een schatkaart (plattegrond). De schatkaart leidde tot een prachtig, zelf geknutseld cadeau. Ik was tot tranen geroerd.]
D: “Als ik je haren uitgebreid kam en je rug masseer als je moe bent en bij ons op de bank hangt.”
Z: “En schilderen! En mooie foto’s maken. Daar word jij ook happy van, toch?”
D: “En van heel harde muziek tijdens het autorijden. En dat we dan met z’n allen meezingen.”
[Klopt allemaal. Als een bus.]

Als ik iets in mijn leven over zou kunnen doen, wat zou dat dan zijn?
D: “Stomme vraag. Ons krijgen. Dat zou je toch meteen weer doen? Toch?”
Z: “Laten we bij het begin beginnen: Je eigen geboorte natuurlijk.”

Stel dat ik 1000 euro zou krijgen, wat zou ik dan als eerste kopen?
D: “Een nieuwe smartphone. Met een nóg betere camera.”
Z: “Niks. Je zou het geld sparen voor dagelijkse dingen, en voor straks, als het nieuwe huis klaar is.”


Wel, ik kan maar één ding concluderen: Mijn kinderen kennen mij. Door en door.
En mijn zoon is een zeer logische denker, maar dat wist ik al.

ussie

Mijn favoriete… (lijstjesalarm!)

Door een blog van ons aller Zuster Klivia viel mijn oog op het volgende, inmiddels op vele andere blogs circulerende lijstje. Een soort van ‘doorgeefstokje’, dit keer oorspronkelijk opgesteld door Melody. Nu heb ik niet echt iets met invullijstjes (ik heb enkel een waslijst van to-do dingen) en heb ik op mijn blog – volgens mij – nog nooit een lijstjesding gedaan. Maar voor alles is een eerste keer! Bij deze.


Wat is je favoriete…

1) Auto
Eentje die het altijd doet en waar je relaxed hele grote afstanden mee af kunt leggen. Klein beetje luxe moet ie dus ook zijn. Ik heb momenteel een Mercedes, echt een droom van een auto. Ik ben er als het ware mee vergroeid. Bij het uitstappen moet ik mij altijd losrukken. Ik werk thuis en rijd toch zo’n vijf tot zesduizend kilometer per maand (allemaal lange afstanden dus). Zonder auto ben ik nergens en kom ik nergens (wegens ‘in the middle of nowhere’ wonen). Ik ben echt gek op mijn auto en op autorijden; de auto is mijn alles. Bijna mijn derde kind. Gestoord. Ik weet het.

2) Kleur
Qua kleding: zwart. Ik loop de hele dag optisch te rouwen. Heerlijk. Geen bloemetjes aan mijn lijf.
Qua haar: rood. Hartstikke.
Qua inrichting: zwart/wit, rood, hout.
Vroeger was mijn favoriete kleur jarenlang ‘stoplichtgroen’. Ik vraag me af waarom.

3) BN-er
Probleem. Ik ken praktisch geen BN-ers. Die die ik ken, vind ik niet aardig of wil ik zelfs liever niet kennen. Ik kijk geen TV, alleen soms ‘uitzending gemist’. Maar als ik moet kiezen: Arjen Lubach, vanwege het ‘ik wou dat ik zo was’-effect, maar ja, ben al geen man, dus dat schiet niet op. En Ronald Snijders van ‘Normale Mensen’ omdat hij me vreselijk beet heeft gehad met die idiote schrikkelkalender (nu is mij beetnemen niet bepaald moeilijk is, maar toch). En hij heeft wel een leuke kop.

4) TV-programma (binnen- & buitenland)
Daar hebben we weer die TV die ik niet kijk. Maar als ik een serie zou mogen kiezen: Black Mirror. Een Britse SF-serie over de technologische, mediale en sociaal-maatschappelijke issues waar we mee te kampen gaan krijgen (of al hebben). Losse afleveringen (mini-movies) die elke keer weer je haren overeind laten staan omdat ze zó onder de huid gaan. ‘Ja, zo zou het binnen afzienbare tijd kunnen zijn… Of nee, zo ís het eigenlijk al!’ Geweldig goed gemaakt. Briljant, zou ik zeggen. Maar dat woord mag niet.

5) Maaltijd
Alles met eieren. Ik ben een eier-ulk eerste klas. En biefstuk. Ik wil mijn cholesterol-level dan ook niet weten. Interne kop-in-‘t-zand-politiek.

6) Jaargetijde
Dat hangt van het jaargetijde af. Is het zomer, wil ik winter (want in de zomer heb ik het heet en ik kan mijn laarzen niet aan). Is het winter, wil ik zomer (want in de winter heb ik het koud en kan ik niet buiten zitten). Lente en herfst zijn beide wel oké (mooie kleuren). Ik ben dan ook een ‘Herfst-type’.

7) Hobby
Oh hemel. Dit is een lijstje op zich. Schilderen. Tekenen. Schrijven (blogs, HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, andere artikelen, privé-dingen, gedichten). Drummen. Zingen. Lezen. Skiën. Tennissen. Fotograferen en foto’s bewerken (Instagram!).
Maar die tijd, hè. Die tijd…

loudrawsyou

8) Persoon
In mijn geval: Personen (mv):
Uitgegroeid: Luuk.
Nog niet helemaal uitgegroeid: mijn kinderen (Geen link. Sorry. Mag niet.)

9) Dier
Ik had ooit een hoop Red Fire-dwerggarnalen. Die zijn inmiddels allemaal dood. Eentje overleefde er toch nog heel erg lang. Die heette ‘Frau Prieler’. Helaas had ze een lage aaibaarheidsfactor. Daarom is Frau Prieler inmiddels ook al lang en breed (kort en smal) in de porseleinen hemel beland. Nu heb ik dus geen favoriete dieren meer.

10) Dagdeel
Bestaat een dag uit meer dan twee delen? Ik heb enkel een wakkergedeelte en een slaapgedeelte. Ik vind ze allebei even leuk, maar het slaapgedeelte is over het algemeen veel te kort en gaat meestal onbewust aan mij voorbij. Dan maar het wakkergedeelte.

11) Fruit
Granaatappel en mango. Gék op die granaatappelpitjes: Tandenknarsen galore! Jammer dat het zo’n geklooi is om een granaatappel te slachten. Mango is in alle vormen lekker. Schillen en erin duiken. Tot op de pit.

12) Drankje
Zonder alcohol: koffie.
Met alcohol: rode wijn (Cabernet en Montepulciano) en whiskey (Monkey Shoulder).

13) Uitje
Rood. Of lente-.

Ketting met reservehart

Ketting met reservehart

14) Sieraad
Mijn hartenketting. Bijna altijd om en dus volledig afgesleten; hij was ooit zilverkleurig maar het goedkope koper eronder heeft zichzelf inmiddels blootgelegd. Soort van metalen reservehart aan een touwtje. Als ik mijn dochter knuffel voor het slapen gaan, rilt ze soms even en zegt: “Mam, je hart is zo koud…” Oh en tweede sieraad: mijn ringen. Allemaal tekenen van verbondenheid en liefde.

15) Bloem
Amaryllis. Ideale bloem. Stop je in een pot met klein beetje mos (of watten) op de bodem. Niks meer aan doen. Geen water geven (of echt heeeeeel weinig) en hoppa, een tros gigantische, mooie bloemen staat ineens voor je neus als je weer terugkomt van een reis. Beter kan het niet.

16) Vervoermiddel
Stomme vraag. Zie 1)

17) Accessoire
Mijn bruine leren schoudertas. De grabbelton der grabbeltonnen. Soms leeg ik ‘m op de keukentafel en dan vind ik allemaal geweldige dingen waarvan ik helemaal niet meer wist dat ik ze had.

18) Luxe-artikel
De auto uit 1) en de biefstuk uit 5)

19) Muziekgenre
No music no life. Muziek is enorm belangrijk voor mij. Maar hoe die genres nu heten, geen idee. Ik ben gek op Melissa Etheridge, Pink, Bon Jovi, Lady Gaga, Hooverphonic, The Cure, Nathalie Merchant, Alanis Morissette, Bruno Mars, Lady Gaga, Bruce Springsteen, Waterboys… gaat u maar door. Maar bestaat daar een genre-naam voor? Oldie-pop of zo?

20) Kledingstuk
Een zwart jurkje met fijn lang vest of colbertje eroverheen. En laarzen. In de zomer heb ik dus een probleem.

21) Tijdverdrijf buitenshuis
Tennissen (doe ik veel te weinig), skiën (doe ik nóg minder, wegens gedoe en verrotte knie), wandelen (zou ik nog wat meer moeten doen), bioscoop met de kinderen (doe ik vaak genoeg), uit eten gaan met lief (mag nog véél vaker). En autorijden.

22) Schoonheidsritueel
Ik ben altijd retesnel in de badkamer. Ik kan verbazingwekkend rap douchen (ik heb getuigen!). ’s Ochtends heb ik – na het speeddouchen – ook niet meer dan 5 minuten nodig. Tanden poetsen, oogschaduw op, lijntje, mascara, deo in de okselgrotten, klaar. En ik heb een grondige hekel aan rituelen.

23) Rusthouding
Ogen dicht. Buikslaper. Liefst met de armen onder de romp gefrommeld. Uitermate charmant.

24) Toetje
Ben & Jerry’s Cookie Dough.

25) Tijdverdrijf thuis
Zie de binnenshuizige hobby’s bij 7).
En werken. Veel werken. En series kijken ter ontspanning.
Aan huishouden heb ik een bloedhekel, dus dat doe ik zo min mogelijk.


Bij deze weet u weer wat meer over mij. Het is een doorgeefstokje, dus U mag ‘m jatten, die lijst. Graag zelfs. Wie volgt?

Megaloos maxistische dinnerconversaties

Weekend. Avondeten. Friet met een tartaartje en boontjes, hoezee.
Ik zie dat dochter (11) ergens mee zit maar wacht het rustig af. Komt vanzelf.

“Mam, Max wil een spreekbeurt houden over Trump. En hij wil dat samen met mij doen. Wat nu?”

Daar heb je het al. Ik vraag me meteen af waar dat ‘Wat nu’ op slaat. Op het spreekbeurt houden zelf, op de samenwerking met Max of op het feit dat de spreekbeurt over Trump moet gaan.
Diplomatiek als ik ben, antwoord ik: “Nou joh, leuk toch?”
“Nee. Max is een grote eikel.”

bron: pixabay

Ah, dáár hebben we ware het probleem.
Ik blijf op mijn hoede. “Waarom is Max dan een eikel?”
“Nou, omdat hij een hoop rottige dingen zegt tegen de andere meisjes van de klas. Vooral tegen Ishlah. Over dat ze maar fijn terug moet gaan en zo. Iedereen moet ook altijd precies doen wat hij wil. En hij overdrijft alles, hij is een megaloze [huh? Heb ik zojuist een nieuw woord geleerd? Een combinatie van megalomaan en weergaloos?] opschepper en hij maakt steeds van die super-overdreven bewegingen met zijn handen als hij praat. Alsof hij je wil slaan. Oh, en hij liegt altijd en zegt dat dat, wat anderen zeggen, niet waar is en dat hij het niet gedaan heeft.”
Da’s een prachtige, ellenlange opsomming van tekortkomingen.
Volgens mij ken ik nog een paar van die types ergens in de huidige wereldpolitiek.

“Waarom wil Max dan samen met jóú een spreekbeurt houden? Vindt hij je stiekem misschien heel aardig?”
“Nee, natuurlijk niet! Tjee zeg. Max weet gewoon dat ik dan wel weer alles doe. Hij gaat in z’n neus zit te boren en ik kan het goede cijfer binnenslepen. Lekker makkelijk voor hem.”

Oh.

Mijn immer ambitieuze dochter laat zich inderdaad vaak voor allerhande karretjes spannen. Ze moet eens leren dat samenwerken inhoudt dat iederéén iets doet voor het gezamenlijke doel, niet alleen zij. Maar goed, dit keer heeft ze duidelijk géén zin in die dienstbare rol. En het verheugt mij om te zien dat ze inmiddels een flinke dosis zelfkennis heeft opgedaan.

“Nou, dan doe je het toch gewoon niet?”
Dochter zucht. Ma altijd met haar oplossingen…
Stilte.

“Mam, vind jij Trump ook een eikel? Max vindt hem mega-geweldig, maar verder vindt iedereen ‘m een klootzak. Jij ook?”
Ai. Ik dacht dat Trump hier niet de issue was. Helaas. Fout gedacht.
“Nou eh, ik weet nog niet zo goed wat ik ervan moet vinden. Trump is eigenlijk best wel een beetje als Max. Misschien vindt Max hem daarom wel zo – eh – megaloos?”
“Hoe bedoel je, ‘als Max’…” [Hah! Ik heb het woord megaloos blijkbaar goed gebruikt, want dát valt haar niet op].

“Nou, Trump overdrijft nogal eens en hij zegt vaak dat dat, wat anderen zeggen, niet waar is. ‘Fake!’ noemt ie dat.”
Over z’n rare ‘wijsvinger-raakt-duim-en-dan-gaat-de-handpalm-dramatisch-open’-handbewegingen ga ik het maar niet hebben, dat voert te ver.

bron: pixabay

“Ja maar… dat doen toch ál die presidenten. Daarom is ie nog lang geen eikel, zoals Max?”
“Heb je helemaal gelijk in. Maar hij heeft ook nogal absurde ideeën over wat goed is voor het eigen volk en voor de hele wereld. Hij drijft zijn wil door en hij is behoorlijk uit op winst ten koste van heel veel anderen.”
Ik voeg er nog snel “…vind ík dan…” aan toe, beseffende dat ik hier nogal aan het uitweiden ben over zaken die niet veel meer met Max te maken hebben.

Dochter denkt zichtbaar na. Ik klets ietwat voorzichtiger door: “Trump doet ook wel iets goed, hoor… Hij houdt zich namelijk aan al zijn beloftes, en dat doen niet veel mensen tegenwoordig. Zeker politici niet. Die beloven voor de verkiezingen van alles en nog wat, en na de verkiezingen maken ze daar niks van waar. Trump wel. Die doet alles wat hij beloofd had, en wel meteen. Hoe stom dat dan ook mag zijn. En hij weet te delegeren en overal zijn voordeel uit te slaan. Da’s best knap.”

bron: pixabay

Dat vindt dochter overduidelijk een interessante visie. “Delegeren. Dat is als je andere mensen dingen voor je laat doen, hè? Misschien moet ik het dan toch maar doen, die spreekbeurt met Max. Dan zeg ik hem gewoon wat HIJ allemaal moet doen en zeggen, in plaats van dat ik alles doe. Handig!” Mooi. Opgelost.
Go for it, girl! It’s gonna be great. Huge! Megalistical.

Enfin. Ik zit nog gezapig de laatste frietjes weg te kanen. Dochter staat op en pakt het bord met friet. Ik protesteer gelijk.
“Ik ben nog niet klaar hoor, laat dat bord nog maar mooi effe staan.”
“Hè mam, ik wilde het bord alleen maar even in het midden zetten zodat ik er óók bij kan en jij niet alles in je eentje opvreet.” Ze kijkt me met een licht spottende grijns aan.
“Dacht je nu écht dat IK de tafel ging afruimen? Haha, daar ben JIJ toch voor?”


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

Wereldtoppen! [plog]


Spontaan de bergen in- en oprijden was een goed idee.
Wit, koud, hoog, prachtig, hoog, koud en wit.
Maar vooral dat middelste.


Uitzicht over het Ennstal

Uitzicht over het Ennstal

Heb meelij met het eenzame boompje in de sneeuw.

De berg op!

Jeuj. We hangen. Hop, die berg op!

Nog meer wit

Meer wit. Eeuwig wit, dat ook nog. Voor zolang het duurt.

Bovenop de Dachstein. Samengevat: Veel blauw, wit en zon.

Bovenop de Dachstein kun je een heel eind voor je uit staren.

Hoog jonguh, hóóg!

Hoog jonguh, hóóg! (“I’m the queen of the world!” – zoiets)

Op de skywalk. Natuurlijk moet je dan je schoenen fotograferen op de glasplaat, 250m boven de grond zwevend...

Op de skywalk. Natuurlijk moet je als hoogtevrees hebbende dan je schoenen fotograferen op de glasplaat, 250m boven de grond zwevend. What else.

In het 'Dachstein Eispalast', waar sculpturen in het eeuwige gletsjereis gebeiteld zijn.

In het ‘Dachstein Eispalast’, waar sculpturen in het eeuwige gletsjerijs gebeiteld zijn.

Regenboogkleuren in een ijskunstwerk.

Regenboogkleuren in een ijskunstwerk. Het deed mij een beetje denken aan een grote, kleurige dildo, maar dat zal wel weer aan mij liggen…

shake hands with the ice...

Shake hands with the ice.

poortje naar de alpen

Stap door het poortje naar de alpen… >>

vlieg er eens uit!

>>… en vlieg er eens uit!

Heeft u er al genoeg van?

En? Heeft u er al genoeg van?

Hotel Schloss Thanegg. Een aanrader!!

Hotel Schloss Thanegg. Een absolute aanrader!!

Kerkje erbij en je slot is helemaal perfect.

Kerkje erbij en je slot is helemaal perfect.

Oh ja, een eigen brandweer hadden ze ook nog.

Oh ja, een eigen brandweer. Die hadden ze ook nog.

Om bij de kamer te komen moesten we door de tuin. Was geen straf.

Om bij de kamer te komen moesten we door de tuin. Was geen straf. Wel glad.

Kan het romantischer? Nee.

Kan het romantischer? Nee.

Een echt klein slot. Met binnentuin dus.

Een echt klein slot. Met binnentuin dus.

En een kerker hadden ze ook nog. Voor de wat minder aardige gasten.

Elk slothotel heeft natuurlijk ook een kerker. Voor de wat minder aardige gasten.


NB: Bron van alle foto’s: alwéér mijn Huawei P9 (zelf gemaakt dus). Mocht je er daadwerkelijk eentje ergens voor willen gebruiken: be my guest. Doe ermee wat je wilt.
Zou leuk zijn als je mijn naam (Lou Bartels) erbij noemt of naar mijn blog linkt, maar het hoeft niet per se. Zo aardig ben (én blijf) ik.

“Wel even melden hoor!”

Heel vroeger, toen ik nog jong en wild was (en thuis woonde), ging ik in het weekend vaak tot diep in de nacht stappen. Mijn ouders lieten mij een mijn zus behoorlijk vrij: ze hadden vertrouwen in ons. Er was wel één voorwaarde: Wij moesten ons wél melden als we ’s nachts om 3 uur weer naar binnen kwamen strompelen. Altijd. Want alleen dan had mijn moeder ook weer peace of mind en kon zij eindelijk ook met een gerust hart gaan slapen.

bron: pixabay

Ik vond het destijds ietwat overdreven (want wat kon er nu misgaan…), maar ik was me ervan bewust dat ma wakker zou liggen tot ze wist dat haar kroost  weer veilig thuis was. Dus meldde ik me met liefde af bij de slaapkamerdeur, hard fluisterend: “Mahaam, we zijn thuis hoor!! Alles oké!”
“Mooi zo. Slaap lekker,” klonk het dan prompt (en erg wakker) terug.

Nu, bijna drie decennia later, is dat nog steeds niet anders. Kar ik van Nederland terug naar Oostenrijk (of vice versa) of onderneem ik een andere, langere reis, moet ik me bij aankomst op bestemming zo snel mogelijk melden.
“Ik ben over hoor, alles oké! Weer een hoop ongelukken gezien onderweg!! :-p ”

Toch is er een verschil met toen: mijn ouders moeten het nu óók, dat afmelden. Want wij kinderen maken ons inmiddels net zoveel zorgen over hen als zij over ons. En mijn ouders reizen veel. Erg veel. De hele wereld rond. Zeventigplussers on the road.

Pap en mam melden zich dan ook braaf: ze weten immers hoe het is om in onzekerheid te zitten over geliefden. Zijn ze aangekomen, komt er steevast een whatsappje: “Wij zijn [er, hier, daar, over, in Kaapstad/Tokyo/Helsinki, in het hotel, wherever], slaap lekker!” Altijd.

bron: pixabay

Gisteren niet. Ze waren weer eens onderweg van hot naar her, dat wisten we (een aangekondigde reis). Maar sinds vertrek geen bericht meer over de aankomst. En geen bericht is met de huidige constante bereikbaarheid al lang geen goed bericht meer. Integendeel. De voorstellingen van wat er allemaal gebeurd kan zijn, denderen weer eens door mijn hoofd. Ik piekerkont. Ik zoek vluchtig het internet af, even kijken of er op de weg – daar waar zij zouden rijden – nog ‘iets’ voorgevallen is. Niks te vinden.

Om half 1 ’s nachts whatsapp ik in onze familiechatgroep: “Zeg lui, hoe zit dat, zijn jullie goed aangekomen? Geen bericht… is alles oké?” Geen reactie. Vanochtend, na een wat onrustige nacht, ook niet. Ik whatsapp zus met de vraag of zij iets gehoord heeft. Nee, niks. Zorgelijk.
“Nou, om 9 uur ga ik ze bellen, hoor! Dan bel ik ze maar uit bed.”
(Bellen is tegenwoordig altijd de laatste optie, hè).

Om 5 voor 9: floep, een berichtje.
Hoera, het is m’n pa. “Ja. De wifi deed het niet. Nu wel weer. Alles oké.”
Pfff, opluchting! Ze zijn weer veilig thuis.

De goede man erop wijzen dat hij ook 3G én SMS op zijn telefoon heeft…
Ach, dat doe ik later wel een keer.


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

SNEEUW!! Want Oostenrijk, hè! (Plogje)

Sneeuw9Sneeuw is al lang geen vaste prik meer, hier in het noorden van Oostenrijk. Er ligt elke winter wel wat, maar dat is in Nederland ook het geval. Af en toe.

Maar soms, heel soms, valt er – vaak op de meest ongunstige momenten – weer een enorme bak uit de lucht. En die blijft dan ook liggen. Zoals nu.

Ik heb vaak wat te mekkeren over Oostenrijk (en binnenkort zal ik eens het tegenovergestelde doen in een blogje, want Oostenrijk blijft een prachtig en fijn land, hoe je het ook draait of keert), maar die sneeuw, die is toch echt een fantastisch iets. Met sneeuw ga ik vaker wandelen. En dat is zo ontzettend goed voor je psyche… Bijna meditatief 😉

Sneeuw dus:

Sneeuw13

Paardenkoppel zonder paarden

Sneeuw14

Gesuikerde bomen

Sneeuw16

Altijd spannend rijden zo. Te voet is beter.

Geen weg meer te zien. Dan maar rechtdoor lopen naar de horizon.

Geen weg meer te zien. Dan maar richting de horizon.

Paard in zicht! #Sneeuwzee

Paard in zicht! #Sneeuwzee

Mijn kontafdruk op 't bankje. Natte broek, dat ook.

Mijn kontafdruk op ’t bankje.
Natte broek, dat ook.

Sneeuw8

Zie! De aarde is rond!

Hier is duidelijk wél gestrooid.

Hier is duidelijk wél gestrooid.

Bos hout voor de deur.

Bos hout voor de deur.

Sneeuw6

Zelfs hele boomstammen voor de deur.

Alles vloeit, ondanks alles.

Alles vloeit. Ondanks alles.

De strooiwagentjes zijn momenteel wat ondergedimensioneerd hier...

De strooiwagentjes zijn momenteel wat ondergedimensioneerd hier…

Sneeuw10

’t Is en blijft een uitzicht.


NB: Bron van alle foto’s: mijn Huawei P9 (zelf gemaakt dus). Mocht je er daadwerkelijk eentje ergens voor willen gebruiken: be my guest. Doe ermee wat je wilt.
Zou leuk zijn als je mijn naam (Lou Bartels) erbij noemt of naar mijn blog linkt, maar het hoeft niet per se. Zo aardig ben ik.

De Meditatiekneus

Ik ben de laatste tijd nogal moe. Heel erg moe. Intens moe. En toch kan ik niet slapen, niet ontspannen. Oh ja, en pijn. Die is er ook. Van al mijn suffe acties van de afgelopen veertien dagen. Ik heb pijn in mijn hoofd – geen hoofdpijn – van de duizenden kilometers reizen in een paar weken tijd. En van alle geregel, administratie en belastinggedoe. En van alle rompslomp rond werk en de kinderen en school. En met mafklappers die zomaar duur geld eisen. En, en, en….

Enfin. Om dat alles vond ik het gisteravond tijd om eens wat doelgerichte ontspanningsoefeningen te proberen, want mijn oogleden lagen op de spatiebalk. Men schijnt dat ook wel meditatie te noemen. Niks voor mij.

Efkes naar YouTube voor wat meditatieve muziek. Als werkelijk iedereen kan mediteren, kan ik, spiritueel afgekeurde mens, dat ook. Ah, hopla, een mini-sessie van drie minuten, dat moet te doen zijn voor een beginneling.

bron: pixabay

Ik leun achterover, sluit mijn ogen, leg mijn handen op de leuning van mijn bureaustoel (handpalmen naar boven) en luister.
En luister.
En hoor een plinkje van Twitter (retweet).
En luister.
En probeer mijn ogen uit alle macht gesloten te houden.
En luister.
En weer een plinkje. En een pokje, van whatsapp.
En luister.
En denk: ‘tjonge, dit werkt echt voor geen meter bij mij. Oh, ik moet morgen de aannemer nog bellen… Wanneer stopt die muziek nou ‘ns een keer? Volgende keer moet ik m’n mobielgeluid ook even uitzetten. Die drie minuten zijn toch al lang voorbij? Het gáát maar door… Oh ja, morgen ook nog een blikopener kopen, anders krijg ik dat blik kikkererwten zonder lipje nooit open. Sjezus, wat duurt dat lang. Zal ik hier een blog over schrijven?’

Ik kijk stiekem toch even door mijn wimpers en zie nu dat de meditatiemuziekvideo drie (3!!) uur duurt. Niet 3 minuten. Onbegonnen werk. En daar heb ik al meer dan zat van. Ik doe duidelijk iets heel erg fout.

Natuurlijk meld ik mijn meditatiedebacle meteen op social media (om therapeutische redenen, zeg maar), alwaar meteen de ‘mindfulness’ als goede raad om de hoek komt koekeloeren. Helaas heb ik een zware allergie ontwikkeld tegen alles wat met ‘mindful’ begint. Die allergie begint zelfs al uit te breiden naar alles wat ‘mind’  in zich heeft. En ‘box’. En ‘out’. Dat ook. Ik word kortademig van het het woord ‘flow’ en ga acuut trillen bij de term mindful(ness).

Ik wil geen mind full!
Ik wil juist mind empty!

Dan wordt mij op twitter de app ‘Headspace‘ warm aanbevolen. Een app voor meditatieve beginnelingen: lekker gestructureerd. Klinkt goed. Instant gedownload, natuurlijk.

Next try. Tien minuten ontspanning om meer ruimte in het hoofd te maken. Andy Headspace belooft het me.
Hij murmelt fanatiek in mijn oren.
“Feel your body… Feel the sensation of your stomach…” [Yes! Both definitely feel like they want a glass of wine. Now.]
“… and the tingling in your toes.” [Not. Maar ze kriebelen wel een beetje. Misschien maar eens schone sokken aantrekken.]
“Close your eyes now and count with every breath you take. In through the nose, out trough the mouth.” [Kakkerdekak, dat heb ik dus nooit gekund. Ik  vind dat stressig, dat bewust door je mond uitademen.]
“Feel the weight of your body…” [Ménnn, dat is nou juist iets wat ik absoluut NIET wil!]
“…and relax.” [Ja, hallo?!? Waarom denk je dat ik deze ‘oefening’ doe? Juist! Om DAT te leren!]
“Now open your eyes again.” [Whoops, ik had ze al open. En waar blijft die ontspanningsmuziek eigenlijk?]

En toen was ik er alweer klaar mee. Vervolgens moest ik de timer instellen voor de volgende, minutieus geplande ontspan-sessie. Daar kreeg ik het gelijk helemáál van op mijn heupen (uit! uit! uit! die timer), dus ook mijn heupomvang heeft vooralsnog geen baat bij de app.

Bron: commons.wikimedia.org

Aldus en al doende ben ik vooralsnog de meditatiekneus bij uitstek. Een ontspanningsprutser. Een stressprof. Maar ik geef niet zo snel op! Morgen sessie 2 met Max Headroom; ‘ns kijken wat ie dan te vertellen heeft.

En als mijn hoofdruimte er dan nog steeds niet groter en opgeruimder van gaat worden, neem ik maar een hete douche en een advilletje of twee. Dan slaap ik in ieder geval gewéldig, dat weet ik nu al. Zelfs zonder nieuw gecreëerde hoofdruimte.

 


Deze blog is eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

De 45-jarige en de spagaat

Nieuwjaarsdag. We zitten met de hele familie onderuitgezakt en lichtelijk brak op de bank. Mijn jonge, lenige nichtjes zijn er ook en zien er onmogelijk kwiek en fit uit. Natuurlijk hebben wij ouwen het over de lichamelijke gebreken die met de jaren steeds groter worden.

Vroeger, vroeger kon ik alles. Benen in de nek leggen, radslag, handstand, split, bruggetje achterover, spagaat, de hele mikmak. Maar nu, nu moet ik, als ik lang gezeten heb, eerst even ‘in de benen komen’. De eerste paar passen zijn vaak ietwat moeizaam. Eerst de stramme rug strekken en dan gaat het wel weer. We hebben stuk voor stuk uitermate brakke knieën, zere schouders en een vaak jammerende onderrug.

“Ik kan mijn benen wel in de nek leggen, hoor!” roept dochter (11) enthousiast, en demonstreert stante pede.
“Kan ik ook,” voegt nichtje (17) eraan toe.
“Nou, volgens mij kan ik best nog wel een spagaat,” mompel ik moedig.
“Ziehien!” wordt er meteen in koor geroepen. Why not. Ik sta dapper op en trek mijn legging recht. Ik heb elastisch spul aan, dus qua uitscheurende kleding moet het geen probleem zijn.

“Niet onopgewarmd doen, joh!” roept mijn zus nog. Ik denk enkel: ach wat, ik kon altijd al spagaat. Ik mag dan wat overgewichtig zijn, ik = lenig. Daar hoef ik echt niet voor op te warmen. Ik zie mezelf daar al staan, midden in de woonkamer, beetje op de plaats dribbelen en rek- en strekoefeningen doen. No way, dat moet ook zo kunnen, zelfs op mijn 45e. Ik ben jong, jonguh!! Ik ben soepel. Ik kan dat.

Ik doe mijn kunstje. En hoor een luide, duidelijke “knak!” in mijn achterwerk.
De spagaat lukt op formidabele wijze (wist ik toch), maar mijn rechterbil denkt daar heel anders over. Een paar spieraanhechtingen in die regio gillen het acuut uit. Ik inwendig ook. Verbeten sta ik op.
“En nu moet ik écht even naar de wc,” roep ik en hobbel zo soepel als ’t nog gaat weg, de rest in lichte be- en verwondering achterlatend.

Ik ken deze pijn. Ik heb dit al een paar keer gehad, nadat ik onopgewarmd een ferme doeltrap maakte tijdens het voetballen. Godnondeju wat steekt het. Mijn bil staat in brand.

De pijn is hels in de dagen die volgen. De achterkant van mijn bilpartij is licht blauwrood. Ik kan nauwelijks zitten, smeer klodders diclofenac onder mijn rechterbil, slik een paar pijnstillers. Niks helpt. Eens even googelen. Ik typ ‘Spagaat’, ‘bil’ en ‘pijn’ in de zoekbalk. En daar staat het: mijn hamstring is verrekt of mogelijk zelfs (in)gescheurd. Nou, fijn dan.

Maar ik weet het nu: ik ben officieel oud. Te oud om out of the blue een spagaatje te doen. Nu, dik anderhalve week later, kan ik nog steeds niet pijnloos zitten. Dus mocht u, veertigplusser, dit ook willen proberen, dan hier mijn op eigen ervaring gebaseerde advies: Doe het niet!! Uw achterwerk zal u dankbaar zijn. Het mijne haat mij momenteel.

Bron: pixabay


Deze blog is eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Oostenrijk en het hoofddoekjesdebat

bron: pixabay

De Oostenrijkse minister Sebastian Kurz (Buitenlandse Zaken en Integratie) heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend om ambtenaren te verbieden een hoofddoek te dragen bij uitoefening van hun functie in scholen en overheidsinstellingen. Het debat loopt al tijden, maar is nu door het nieuwe wetsvoorstel weer aangescherpt.

“Oostenrijk is weliswaar een religie-vriendelijk land, maar ook een seculaire staat,” zegt Minister Kurz. Vooral op scholen moet het dragen van een hoofddoek daarom verboden worden; daar bestaat immers een voorbeeldwerking en wordt invloed op jonge mensen uitgeoefend, aldus de minister. En die invloed mag dus maar vanuit één religieuze hoek komen: de katholieke.

Seculaire christelijkheid ten top

Ik heb er mijn bedenkingen bij: het is namelijk meer dan dubbel. Hypocriet zelfs. Ik woon al bijna tien jaar in Oostenrijk. En ja, Oostenrijk is inderdaad – nog steeds – een uitermate katholiek en seculair land. Staat en religie zijn sinds jaar en dag innig met elkaar verbonden. In Oostenrijk vind je nauwelijks openbare scholen; praktisch alle scholen zijn katholiek. Enkel in de echt grote steden vind je nog ‘alternatieven’ en hier en daar een Montessori-school.

Mijn kinderen zijn echter niet gedoopt: ze zijn ‘niks’. Daar staan veel Oostenrijkers in mijn directe omgeving nog steeds van te kijken: Hoe kún je je kinderen niet dopen? Dan komen ze toch in de hel? Dan zijn ze na hun dood toch verloren schapen? Als ik zeg dat ik ‘niets’ ben (als in: ongelovig, atheïstisch), vragen andere moeders mij zelfs in alle ernst hoe ik in vredesnaam zo kan leven. Wel, ik leef. Ook zonder goddelijke hulp. Het kan dus.

Katholiek of joods: dan mag je wel een hoofddoekje om

Bron: pixabay

Er zijn zelfs nog steeds katholieke scholen waar deels door nonnen onderwezen wordt. Mét traditionele hoofdbedekking. Er zijn enkele Joodse scholen, waar men ‘gewoon’ met Kippa (keppeltje) op mag onderwijzen. Want, zo de minister, dat is immers ‘historisch gegroeid’. En dan mag het. Je vindt hier geen klaslokaal zonder kruisbeeld, geen school zonder verplichte godsdienstles (‘Religion’). Een vak als ethiek of maatschappijleer, waarbij alle geloven en maatschappelijke overtuigingen aan bod komen, is er praktisch niet.

“Dan ga je toch terug naar eigen land?”

Aan het begin en eind van ieder schooljaar moeten alle kinderen naar de kerk voor een katholieke mis. Ja, alle. Ook de niet-gelovigen en anders-gelovigen: het is verplicht. Dat stoort mij enorm: Ik en mijn kinderen krijgen de sterk overkoepelende staatsreligie vormelijk opgedrongen. Want zo is nu eenmaal de Oostenrijkse cultuur. Zolang het maar om het katholicisme gaat, is de voorbeeldwerking en het beïnvloeden van jonge mensen dus prima in orde. Soms krijg ik dan te horen: “Als het je niet bevalt, ga je toch weg? Dan ga je maar terug naar je eigen land.” Maar dat kan ik niet. Mijn ex-partner is Oostenrijker, mijn kinderen zijn hier opgegroeid. Ik wil ze niet losrukken uit hun omgeving. Ik mág ze niet eens meenemen naar ‘mijn’ land. En ik wil ze hun vader ook niet ontnemen. Zo gaat het velen met mij.

Religieuze vrijheid ammehoela

Waar is dan die aangeduide religieuze vrijheid in hemelsnaam gebleven? Waarom wil de staat per se bepalen wat iemand wel of niet mag dragen (en geloven)? En waarom gaat er van een hoofddoek van een ander geloof dan het eigene ineens zo’n enorme dreiging uit? Waarom wordt de islamitische hoofddoek als een teken van onderdrukking gezien, terwijl de meeste moslima’s zelf, uit vrije wil, graag hun hoofd willen bedekken? Waarom mag een katholieke non op school wel een hoofddoek dragen en een islamitische onderwijzeres niet? Blijkbaar dus omdat het katholicisme hier historisch verankerd is. Omdat het aanhangen van andere religies – of zelfs helemaal géén religie aanhangen – nog steeds totaal niet geaccepteerd is. Niks religie-vriendelijk.

Voor het gemak vergeet men daarbij dat de Oostenrijkse economie in elkaar zou storten als alle buitenlanders en andersgelovigen zouden vertrekken omdat ze elders wél in hun waarde worden gelaten. Goed geïntegreerde mensen hier laten werken en leven, zeggen dat je ze accepteert en zelfs wéten dat je ze hard nodig hebt, gaat absoluut niet samen met het hen verbieden, naar hun eigen wensen, cultuur en overtuiging te leven. Een opgedrongen geloof, maakt niet uit welk, dát is pas echt eng. En ja, dat opdringen van het geloof is inderdaad wat er in ettelijke niet-westerse landen plaatsvindt, maar hier in Oostenrijk dus blijkbaar net zo hard.

Haal dan ALLES weg?

Begrijp me niet verkeerd: ik ben geen fan van de islam. Ik ben namelijk afkerig van iedere vorm van religie. Ik vind het griezelig (of liever gezegd: doodeng) dat mensen werkelijk in iets als een imaginaire god kunnen en willen geloven. Ik vind het eng dat er (zo veel) mensen zijn die hun hele handelen en bestaan baseren op een of ander oud, door andere mensen verzonnen boek. Als de gemiddelde Oostenrijker zo wil leven en geloven, omdat dat geloof toevallig een leidraad, troost of vertrouwen biedt, prima; als ik het maar niet hoef.

Dus als je dan al een verbod op religieuze uitingen in het schoolsysteem wilt opleggen, doe dat dan alsjeblieft voor ALLE religieuze uitingen? Geef mijn kinderen de vrijheid om zélf een beeld te vormen, om te geloven (of niet) wat en hoe ze willen, zonder gedwongen godsdienstlessen en kerkdiensten van één enkele, geïnstitutionaliseerde geloofsovertuiging? Haal dan ook al die ‘historisch gegroeide’ kruisbeelden uit het klaslokaal? Richt openbare scholen op voor degenen die níét door enkel katholieke denkbeelden beïnvloed willen worden?

Als je zo’n vrij en geloofsvriendelijk land meent te zijn, laat dan ALLE mensen die daar wonen, werken en bijdragen, in hun waarde. Oók degenen die niet van oudsher met het katholicisme opgegroeid zijn, maar wél geïntegreerd en aangepast bijdragen aan de economie. Want wat u nu doet, meneer Kurz, dat is pas échte discriminatie.


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Naïviteit is een zege. (Scheurkalenderdebacle)

Ik ben een goedgelovig mens. Sinds 1 december ben ik ook officieel een gruwelijk naïef mens: ik heb het bewijs mogen ontvangen (niet dat ik dat nodig had, maar goed).

bron: eigen foto van betreffende kalender (ik heb geen zin in copyrightshizzle hoor!! Ik beroep mij meteen op ’t citaatrecht in deze!)

Ergens eind vorig jaar kreeg ik van mijn mama een scheurkalender voor 2016. De Schrikkelkalender, van de auteurs Ronald Snijder en Fedor van Eldijk. Geen idee wie die heren waren, nog nooit van gehoord, maar er dringen sowieso maar weinig ‘BN’ers’ door tot mijn Oostenrijkse berghütte.

Mijn zus kreeg de kalender destijds ook en merkte het als eerste op: er stond 31 november. Tjonge, dacht ik. Tjonge!! Dat klopt niet!! Ik keek even verder. Ja echt, daar waar donderdag 1 december had moeten staan, stond donderdag 31 november. En warempel, alles daarna was óók fout! De maand december telde lekker in die trant verder, met verkeerde dagen.

Ik fotografeerde wat blaadjes, postte vanzelfsprekend op Facebook, want: grappig! Dat was het. Alleen achteraf op iets andere manier.

wéér eigen foto. Van 25 januari.

wéér eigen foto. Dit keer van 25 januari.

Nu moet ik bekennen dat ik sinds 25 januari al geen blaadje meer afgescheurd heb (zie bewijsfoto ergens links). Ik keek niet meer in de scheurkalender, die vanaf die dag ietwat verloren achter me op het richeltje van ’t toilet lag te liggen. Oorzaak: ik vond mijn telefoon interessanter tijdens het poepen.

Ik heb dus ook bijvoorbeeld niet opgemerkt dat 1 april miste. Of dat 6 januari op 17 april stond, omdat één van de auteurs een 17-april-fobie heeft. En er viel me waarschijnlijk nog véél meer niet op. Pas toen mijn lieve zus zei: “hé, 31 november, haha!” wierp ik weer een blik in het vermaledijde ding…

Ronald Snijders nam natuurlijk meteen een loopje met mij (en mijn posting). Op Instagram. En op Twitter. En op Facebook zelf natuurlijk. En terecht: zou ik ook doen als mijn grap zó goed gelukt was!

Had ik de strekking (en humor) van de kalender het hele jaar door gevolgd, had ik tijdens dat proces misschien enige naïviteit verloren. Maar gelukkig verloor ik niks: ik heb het allemaal nog! Ik geloof nog steeds alles, ik stink in iedere grap, ik zit in no time bovenop welke kast dan ook. Wilt u iemand in het ootje nemen? Neem mij. Succes gegarandeerd.

Auteur Ronald Snijders was zo lief om mijn vriendschapsverzoek te accepteren en mijn naïviteit overal tentoon te spreiden. Ik ben hem daar eeuwig dankbaar voor. Want ik wil volgend jaar wéér zo’n kalender en dan heerlijk met beide benen en in alle goedgelovigheid opnieuw in iedere grap stinken. #LEKKER!!!
(En ik beloof hierbij plechtig, in 2017 ieder blaadje af te scheuren en te bestuderen).


Maar. Ho. Stop. Is het allemaal misschien toch niet nét even anders?
Eén zin hierboven was niet geheel volledig.
“Ronald Snijders nam natuurlijk meteen een loopje met mij (en mijn posting).”
Dat moet natuurlijk zijn:
“Ronald Snijders nam, zoals gehoopt, natuurlijk meteen een loopje met mij (en mijn posting).”
Want het écht fijne aan dit alles is, dat Ronald míjn intenties niet doorzag.
(Ik doorzag ze zelf niet eens, maar nu natuurlijk wel.)
Ik? Serieus? Hahaha. Oh, de ironie en de satire… En ondertussen heeft hij mij gedeeld op Instagram, Twitter, Facebook, etc.

Yay, gelukt!
Publiciteit!

Awel. Laten we het maar op deze laatste versie van het gebeurde houden.
Beter voor mijn gemoedsrust.

#naïefiszofijn
#dtz
#achterafsatire

(En bedankt hè, Ronald, jonguh! Blijven we nu wel vriendjes?)

Bron: screenshot van instagram van screenshot van mijn eigen Facebook-posting. Hoe zit het hier met copyright?

Bron: screenshot van instagram van R.Snijders van screenshot van mijn eigen Facebook-posting. Hoe zit het hier eigenlijk met ’t copyright?

Retraite

20140527_175512-1Het balkon van een vakantiewoning in een minuscuul plaatsje waar 99,99% van de wereldbevolking nog nooit van gehoord heeft. ‘Brede bron’, zo heet het gehucht vertaald. Een brede bron van wat? Inspiratie? Verlichting? Gemoedsrust? Beslissingen? Niets van dat alles. En hoe breed kan een bron überhaupt zijn?

20140527_14657Op dat balkon zit ik. Naast me op tafel mijn gedachteboekje en mijn schetsblok, een paar potloden, een glas wijn. Mijn telefoon mag hier weer puur telefoon zijn, want 3G of wifi bestaat in deze uithoek nog niet. Een deken over mijn benen en wat taai geworden ovenchips. Daar moet ik het mee doen. Maar is het voldoende om ’t leven weer op orde te denken?


Doelloos schets ik de haven met wat bootjes. Schrijf een tiental opzetten voor artikelen, blogs, gedichten en gedachtes op. Ik drink de fles in mijn uppie leeg en denk uit zelfbescherming maar niet meer al te veel verder.

20140527_143237-1Wat dóe ik hier? Ja, officieel ben ik in retraite.
“Denk maar eens goed na over waar je in vredesnaam allemaal mee bezig bent!” Die overbodige raad kreeg ik mee.

Geen internet, geen mensen om me heen, wandelingen langs de waterkant. Bibberend kiekjes maken van blauwe bierflessen en kinderslippers op het zand van een slordig opgespoten strand. Assepoester grijnst vanaf het voetbed naar mij. Het ziet eruit alsof de flipflops daar opzettelijk neergezet zijn, zo mooi in de pas staan ze. Uitgeglipt tijdens het wegrennen.

20140527_142856-1


Mijn momentele leven is een grote chaos en daar veranderen een paar dagen aan een miezerig meertje in de Duitse rimboe ook niets aan. Mentaal hard door blijven rennen, dat zal de enige remedie zijn. Ook al raak ik dan misschien zelf in de slip.

Tussen de keien aan de oever staat een lege PET-fles. Oók al zo zorgvuldig geplaatst. Het lijkt wel of iedereen hier alle rotzooi ordelijk neerzet om het vervolgens nutteloos en vervuilend achter te laten. Niet meer naar omkijken. Misschien moet ik dat dan ook doen.

Ik werp weemoedig een blik op mijn oude biker boots. Kapotte ritsen, rafelige randen, gescheurde zolen. Als ik al geen afstand kan doen van een paar versleten laarzen, hoe moet dat dan met de rest van mijn puinhoop?20140527_143642


Vannacht slaap ik weer in het onderste deel van het stapelbed op de kinderkamer. Om het de krakkemikkige verhuurster makkelijker te maken; slechts één bed verschonen is altijd nog beter dan twee. Maar ook omdat ik het luxe tweepersoonsbed sowieso niet aan durf te raken.

Bij de buren denderen de rolluiken omlaag. Totaal ongepast in deze setting. De belletjes aan de masten van de boten rinkelen als die van heftig grazende bergschapen. Dat past beter.


Een bries over het water. Krekels. Véél krekels. En eenden. Geen autogeronk. Geen mensenstemmen. Geen indrukken meer, enkel nog verloren afdrukken. De stilte gromt als een motorzaag in mijn oren. Misschien is totale eenzaamheid het enig werkzame dieet voor een volgevreten ziel.

Ik trek de deken nog dichter om me heen.

Eigenlijk is ’t niet eens zo koud.
Maar het is zó ontzettend koud.

20140527_175103

 


Deze tekst schreef ik meer dan 2,5 jaar geleden in mijn gedachteboekje.
Inmiddels heb ik het weer een heel stuk warmer en mijn laarzen op laten knappen.
Zo goed als nieuw.

De Speurtocht van ’t Sinterkind

Een paar dagen geleden had ik beloofd, dat de kinderen (volstrekt Sinterklaas-ongelovig, maar in ‘Sintermama’ geloven ze voor altijd) hun schoen mochten zetten. Dat is niet tegen dovemansoren gezegd, want als er iets te halen valt, wordt alles met enthousiasme meegespeeld. Alleen vind ik mijn kinderen nu wel oud genoeg voor een tegenprestatie. Laat ze de goede Sint na al die jaren maar eens helpen. Mijn voorwaarde was dan ook: Sinterma doet wat in jullie schoen als de Sinterkinderen wat in Sinterma’s schoen doen. Voor wat hoort wat (en chantage werkt nu eenmaal hartstikke goed in de opvoeding).


Zaterdag, ’s avonds tegen achten: de schoenen zijn netjes gezet. Met een duidelijke hint van de kinderen erbij:
Sinterdinges‘Kom maar op! Sinterdinges!’

Aha. Duidelijk. Challenge accepted. Een paar wortels erbij en twee half bedorven mandarijntjes. Mooi laten staan. Ik kom wel op. Maar jullie dan ook. Game on!

We kijken gezellig The Voice of Germany (ellende), spelen een spelletje Kenniskwis. Tegen elven (bedtijd!) begint zoon ietwat nerveus te murmelen dat zijn schoencadeautje toch eigenlijk wel nú ‘uitgepakt’ c.q. ‘gespeeld’ moet worden. Morgen is het echt te laat…

Ik snap er niks van, maar ik ben de beroerdste niet, dus Why Not: Kom maar op! Sinterkind!

We moeten naar de keuken, alwaar bovenop de eettafel zoons andere, gruwelijk smerige gymschoen staat te gloren. Met iets van een brief erin. Voor mij én dochter: zoon heeft het ‘cadeautje’ namelijk voor ons allebei gemaakt, de schat.

De brief blijkt een plattegrond van ons appartement. Alleen de muren zijn te zien, verder niks. De verhoudingen kloppen niet helemaal (had ik maar zoveel ruimte!) maar dat mag de pret niet drukken.

Verder krijgen we nog een hulpkaart (‘HILFE!’) mee, voor als we echt niet meer weten hoe het verder moet. En natuurlijk een eerste aanwijzing: ‘DU HIER’.

Schoenvulling: brief

dav

‘DU HIER’ klopt niet helemaal, want we staan in de keuken en ‘HIER’ is in de woonkamer, maar dat kon niet anders, volgens zoon, want dan zouden we meteen gezien hebben wat er in de schoen zat.

Op naar de woonkamer, om het ‘DU HIER’ alvast kloppend te maken. Daar ontvangen we het startkaartje met zoekinstructie voor wat een uitgebreide speurtocht door eigen huis blijkt te zijn. Het kaartje laat zien waar we het volgende papiertje kunnen vinden, en het past precies op de nog lege plattegrond, vast te plakken met keurig in de schoen meegeleverde pritstift.

Van de woonkamer rennen we naar het voorraadhok (1) naast de keuken. Really? In die puinbak moeten wij het volgende kaartje vinden?!? Onmogelijk. De voorraden blikjes, flessen sa en cassis (en wijn), emmers, koelkast, schoonmaakspullen, zelfs de broodbakmachine, alles wordt doorzocht. Niks. Nada.

Dan klinkt het achter ons zalvend:
“De blikken van ma en zus zijn steeds naar het lagere gericht, maar bovenin, daar schijnt pas écht het licht!”
We kijken omhoog. Tjemig. Achter het peertje zit een briefje geklemd: een miniplattegrondje van mijn slaap-/werkkamer (2).

Hop, opplakken en door naar mijn slaapkamer. Ik vrees het ergste: de aangegeven zoeklocatie is namelijk in de kast, waar ik al mijn eigen cadeautjes voor Sint en Kerst bewaar. Zoon voelt meteen mijn onrust en zegt: “No worries, mam, ik wéét dat ik daar niet mag komen. Het zit in de andere kant van de kast.” Oh, hoe volwassen en meedenkend, die knul van mij.

We graven door de bak met sokken, BH’s en onderbroeken. Yes! Het volgende kaartje is gevonden. En zo zwoegen we het hele huis door: van de slaapkamer naar de kinderslaapkamer (3), in het bed van dochter (ontsteltenis: “JIJ zat in MIJN bed?? Aaahh!!!”). Ik snap ineens ook waarom het persé vanavond nog moest gebeuren.

Naar de keuken (4). Het papiertje is praktisch onvindbaar in mijn kruiden-en-specerijen-la. De hele handel wordt met grof geweld ontruimd door dochter en daarna weer zuchtend ingeruimd door mij.

Van de keuken moeten we naar de gang (5), waar we de ‘HILFE’-kaart in moeten zetten wegens ‘te goed verstopt’. “Kijk vooral niet in het felle licht, doe dan liever maar de ogen dicht.” Een ware dichter, die jongen! Het kaartje is wederom in ‘het zonlicht’ alias de lamp verstopt.

Vervolgens struinen we naar de wc/badkamer (6) en van daaruit uiteindelijk terug naar de woonkamer (7), waar ik nog steeds niks anders zie dan alles wat er al stond toen we begonnen.

Leuk, zo’n speurtocht door je eigen huis. En jee, wat een werk heeft die knul erin gestopt… Hij geniet er zelf dan ook zichtbaar van.

Daar waar het locatie-kruisje staat, staat het scherm van de beamer. Dochter rukt meteen het scherm van het kastje en voilá.

Onze Sinterdinges-verrassing in volle glorie: een origami-kunstwerk. Mijn houten schaal met kaarsen is omgetoverd tot een waar landschap met mini-tulpen (bespoten met mijn favoriete rozenparfum o.O ), twee grote vlinders, een gigantische ‘sneeuwvlok’ en een hart dat ik achter mijn decolleté kan klemmen.

Ik ben zwaar ontroerd. Allemensen, wat een creativiteit, moeite en liefde heeft hij erin gestopt. En dat voor een 14-jarige puber…

Ik weet nu ook dat hij die middag helemáál niet met zijn Engels-huiswerk bezig is geweest: hij heeft zitten origamiën! En ik besef ineens waar hij al die gekleurde post-its, dat printerpapier, de tandenstokers en die groene eddingstift voor nodig heeft gehad. Huiswerk, duh.

Dan wijst hij vol trots op de ‘Bonus’:
“Hey Mamsiesint, speciaal voor jou is er nog een bonus. Hophop, verder zoeken.”

Het bonus-envelopje bevat wéér een aanwijzing. Vertaald staat er iets op in de trant van: “Mama werkt echt véél te veel en haar valt nu de verlichting ten deel. Ga terug naar de gang en jaag jezelf niet teveel op stang.“
Ik sta werkelijk versteld van mijn eigen kind en kan mijn tranen nauwelijks bedwingen.

In de gang vinden we nóg een kaartje: “Der Spielemacher muss jetzt schlafen” oftewel: de spelmaker moet nu naar bed. Dochter racet meteen naar de kinderslaapkamer (waar ze wegens ruimtegebrek beiden bivakkeren) en duikt zonder omhaal in de hoogslaper van zoonlief.

Dan houdt ze een rol WC-papier omhoog.
“Wat moet jij met pleepapier in je bed, joh? Je kunt ’s nachts óók gewoon naar de WC hoor!” joelt ze met tranen in de ogen van het lachen. Ik kijk geamuseerd naar puberzoon.
“Die is voor als ik mijn neus moet snuiten!! Echt!! Die is nog van toen ik zo verkouden was!!”
Ik lig in een deuk. Alleen de spontane, keiharde ontkenning is al goud waard.

“En. Dat. Is. NIET. De. Bonus!!! Kijk effe verder, ja?”
“Ik durf niet meer!” gilt dochter. “Straks vind ik nog een of ander blotevrouwenblaadje!”
Ik heb het niet meer.
“Kijk dan in die Donald Duck!!” roept zoon terug, lichte vertwijfeling in zijn stem.

Dochter doet braaf wat haar opgedragen is en tovert een prachtige origami-zwaan tevoorschijn.

“Voor jou, mams. Voor de beste en liefste mama van het universum. Met jou kan ik toch altijd weer lachen.”

Ik ben totaal van de kaart. Tot tranen geroerd.

Want mijn zoon weet exact hoe onmetelijk groot dat universum is.

 


 

Overigens kreeg ik van dochter (11) de volgende ochtend dit in mijn schoen:

Een geweldig geschreven, ontzettend lieve brief van Sinterklaas himself (!) aan mij. Dit stond erin (vertaald):

Dankjewel Louise, dat je me al die jaren geholpen hebt. Je hebt me een last van mijn schouders genomen en daarvoor wil ik je bedanken. Ik wil dat je nu ook iets van mij krijgt, als teken van mijn dankbaarheid. Ook wanneer je kinderen ruzie maken, willen ze jou het leven niet moeilijk maken. Wie weet, misschien zul je nog verrast zijn over wat er in je schoen zit en wat je kinderen voor jou doen. Ik zeg enkel: „laat je verrassen!“

Ze heeft de brief helemaal zelf geschreven op de computer, met plaatje erbij. En dan nog dat geweldige pepernotenkunstwerk met hart en naam. En een hoop knuffels.

Ah, de liefde!

Mijn Sinterklaas kan in ieder geval niet meer stuk 🙂


 

 

Hand in eigen boezem – over ‘NON. NO. NEIN.’ (EU)

bron: europa.eu

bron: europa.eu

27% EU-Europeanen vindt het oké (‘justifiable’) dat vrouwen in sommige situaties seksueel misbruikt worden. Als een vrouw bijvoorbeeld dronken is of zich uitdagend kleedt, als ze niet duidelijk ‘nee’ heeft gezegd en geen verzet geboden heeft, vindt minstens 1 op de 4 Europeanen het begrijpelijk als ze daardoor tot seks gedwongen wordt. 

Dat meldde Europees Commissaris van Justitie Vera Jourova in een toespraak in Brussel, tijdens de opening van de campagne ‘Vrouwen tegen Seksueel Geweld’.

Ik moest even gaan liggen toen ik dat las. En ik dacht er meteen achteraan: ik ben nu gaan liggen; zou dat óók als teken gezien kunnen worden, dat ik nu wel even genomen mag worden? Ik ben per slot van rekening wél op mijn rug gaan liggen…

Hoe is het mógelijk? 27%! Dat getal staat in een gisteren verschenen rapport van de Eurobarometer. 25 November, afgelopen vrijdag, was de Internationale Dag tegen Geweld tegen Vrouwen. Het op die dag gestarte EU-project is weer een nieuw initiatief, wéér een poging, om het – al dan niet seksuele – geweld tegen vrouwen in te dammen.

Want het gebeurt nog steeds. Kijk ik alleen al in mijn directe ‘real life’ omgeving (of zelfs naar mijzelf), zie ik vrouwen die binnen hun huwelijk tot seks gedwongen werden, vrouwen die door hun partner regelmatig in elkaar geramd worden, vrouwen die verkracht of meermaals aangerand zijn, vrouwen die op het werk met seksuele intimidatie te maken hebben. Dat is blijkbaar ‘real life’ voor heel veel vrouwen in de EU (JA, IN DE EU!).

Ik noem even wat factsheet-cijfers uit genoemde EU-studie.
– 1 op de 3 vrouwen (van 15 jaar of ouder) heeft te maken gehad met seksueel en/of fysiek geweld
– 1 op de 3 vrouwen is psychisch mishandeld door een intieme partner
– 1 op de 5 vrouwen wordt gestalkt
– meer dan de helft van de vrouwen (55%) is slachtoffer van seksuele intimidatie
– driekwart van de vrouwen wordt op het werk regelmatig seksueel lastiggevallen.
– 1 op de 20 vrouwen is verkracht

bron: wikimedia.commons

bron: wikimedia.commons

En het écht enge is: een kwart van de Europeanen in de EU vindt dat dus in sommige gevallen ook nog prima te verantwoorden!

‘Jij hebt wel een erg kort rokje aan, meiske. Je vráágt er ook gewoon om, hè.’
‘Heb je iets teveel gezopen, meid? Dan merk je er toch niet veel meer van, dus hoppa. Eigen schuld, dikke bult.’
‘Je zei toch geen ‘nee’? Je stribbelde niet eens fatsoenlijk tegen! Dus wat wil je nou?’
‘Liefje, wil jij zo graag die promotie? Laat dan maar eerst eens zien of je er lichamelijk wel fit genoeg voor bent…’

‘Kun je je klep weer eens niet fatsoenlijk dichthouden, schatje? Geen probleem, dan sla ik hem wel even dicht.’
‘Wat kijk je sexy op je profielfoto! Dan mag ik je in de chat toch wel vragen of je even een potje komt neuken? Kom op zeg!’

Alom geaccepteerde uitspraken, blijkbaar. Dát is everyday real life. Nog steeds.

Naast heel eng is het ook nog eens enorm hypocriet. Wij Europeanen wijzen namelijk maar al te graag met het vingertje naar andere buitenlanden (inclusief niet-EU-Europa) of naar asielzoekerscentra en vluchtelingen. Dat zijn de machtswellustelingen, de vrouwonvriendelijken en de geweldenaars, de verkrachters van onze dochters en de misbruikers. Een half jaar geleden was er bijvoorbeeld publieke commotie over India, waar harde maatregelen werden genomen om van het image ‘Land van Verkrachters‘ af te komen, terwijl Nederland relatief gezien nog vele malen erger was (is).

Maar nu, nu zijn er dus weer nieuwe cijfers over onszelf, die geen haar beter zijn. En die cijfers zijn ook nog eens vertaald naar ‘kosten voor de gemeenschap’. Dan hakken ze er pas echt in. Het (seksueel) geweld tegen vrouwen kost de EU gemiddeld zo’n 226 miljard euro per jaar (gebaseerd op een berekeningsmethode van Day/McKenna/Bowles, uitgelegd in dit rapport). Want naast de zorgkosten (eerste hulp, behandeling, therapie) en de hoge justitiële kosten, zijn er ook grote economische kosten: vrouwen vallen door het geweld weg uit het arbeidsproces, leveren niks meer op, so to speak. Duur!

Als ik deze cijfers zo zie – cijfers van ons eigen, oh zo geciviliseerde en fatsoenlijke Europa – kunnen we dus beter eerst maar eens doorgaan met flink opruimen in eigen huis. En moeten we ook van die blijkbaar nog steeds heersende, gruwelijk enge visie af, dat vrouwen al dat (seksueel) geweld in sommige gevallen aan zichzelf te danken hebben en dat het dus oké is. Geweld is nooit oké.

Dus steek die hand eens in eigen boezem, in plaats van in die van anderen.


[Eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl]

Het einde van een seizoen

De laatste keer dat ik hier een blog postte, was het midden mei. Ik moest even kijken of het wel mei dit jaar was: het voelt als een eeuwigheid, als veel meer dan ‘maar’ zes maand.

En terugblikkend op het afgelopen jaar denk ik: ik zit weer eens aan het einde van een seizoen. De meeste puzzelstukken die in het voorbije tijdsbestek over de tafel vlogen (of er zelfs onder lagen), vallen op hun plaats. Het wordt rustiger. Geen alsmaar groeiende spanningsboog, geen anti-climax. Integendeel: de boog óntspant. De tevredenheid – met de status quo en met alle ontwikkelingen die daartoe hebben geleid, maar ook met alles wat nu gaande is – groeit met de dag.

Hoort dat bij het ouder worden? Of bij het persoonlijk volgroeien? Of gewoon nergens bij en is het enkel een cyclus?

bron: wikipedia

bron: wikipedia

Ik denk ook aan alle die keuzes die ik, onbewust afstevenend op dat naderende seizoenseinde, heb gemaakt. Reflectie, overpeinzing. Niet of die keuzes goed of slecht waren, maar meer over waar ze me nu hebben gebracht. En er komen nog steeds verse beslissingen bij. Elke dag.

Onlangs heb ik de laatste aflevering van het tweede seizoen van de serie ‘The Affair’ gekeken. Een nogal intense serie, waarin een man bij een rechtszaak rondom een moord (what else) uiteindelijk moet kiezen tussen twee van de betreffende doodslag verdachte vrouwen. Van de ene houdt hij zielsveel, de andere is en blijft de moeder van zijn kinderen.

Hij kiest niet. Integendeel: uiteindelijk offert hij zichzelf ter plekke in de gerechtszaal op voor al diegenen die hij liefheeft. Hij bekent zelf de dader te zijn. Die is hij niet, maar ook dat kan weer veranderen in een volgend seizoen.

Natuurlijk houdt de serie hier niet op: het einde is namelijk niet happy genoeg. Want: Everything will be okay in the end. And if it’s not okay, it’s not the end. Dat zeggen ‘ze’ toch altijd? Series houden pas op als alle handelingen volledig uitgekauwd zijn. Als het verhaal doodgebloed is. Als er ook met de grootste moeite geen kloppende ader meer te ontdekken valt.

Seizoen drie is inmiddels van start gegaan: het affaire-leven rolt weer vrolijk verder en we kauwen nog even verwoed door. Net als in het ware leven: dat houdt ook pas op als het bloed stollende is.


“Life’s nothing but a never-ending shitshow of how things are supposed to be. A rodeo of choices you once made, that have never been wrong or right. Just making choices. You’d think you’d get better at it with age, but you don’t. You just make ‘em and live with it. Until there’s no life left. Just choices. ‘Til the last one. Which is never a choice. Just a shitty ending.”
[Quote uit ‘The Affair’]

Or not. And life still goes on.

Kinderfilosofie

“Mam, wat nou als jij mij niet gekregen had… Had iemand anders mij dan gekregen?”
Poeh, da’s best wel een filosofische en spirituele vraag. En ik ben zo a-spiritueel en a-filosofisch als wat.

“Da’s een moeilijke, schatje. Als je bijvoorbeeld gelooft in reīncarnatie en in een ziel, dan zou het best zo kunnen zijn dat jouw ziel in het lichaam van een andere mens terecht zou zijn gekomen.”
“Dat snap ik niet. Dan zou ik ‘ik’ toch niet meer geweest zijn?”
“Het is maar hoe je het bekijkt. Dan ben je de ‘jij’ die je dan geworden zou zijn. Van de ‘jij’ die je nú bent, zou je dan nooit iets geweten hebben.”

“Maar… dat is toch erg? Dan had niemand mij ooit gekend zoals ik nu ben! En dan had jij me moeten missen!”
“Nee, want dan had IK jou nooit gehad. Dan zou ik je ook niet missen, omdat ik je nooit gekend zou hebben.”
Het begint wel wat ingewikkeld te worden nu.
“Maar, maar… als ik er niet geweest was, dan zou jouw wereld nu toch heel anders zijn? Of weet je dan niet eens dat ie anders is, omdat je niet weet dat ik óók had kunnen bestaan?”

Filosofie van de hoogste plank.
En dat voor een tienjarige…
Ze heeft bijna tranen in haar ogen, maar ze gaat door.
“En als jij papa nooit ontmoet zou hebben, dan waren wij er zelfs allebéí niet geweest…”

Zoon (13) mengt zich in het gesprek: “Ja, maar dan wéét je dat toch niet? Als je helemaal niet bestaat, mérk je toch ook niet dat je nooit bestaan hebt? En als je wel bestaan hebt en je bent doodgegaan, weet jij dat zelf toch óók niet? Dat weten alleen de anderen, die nog wél leven.”

“Daar wil ik niet over nadenken. Ik word hier heel verdrietig van.”
Zoon rolt met zijn ogen en zucht eens diep. En dan ratelt hij erop los.

bron: pixabay.com

bron: pixabay.com

“Als mama nooit geboren was, was jíj nooit geboren. En als oma nooit geboren was, was mam er ook niet geweest. En als de oerknal nooit gebeurd was, waren er helemaal nooit mensen geweest. Dan was alles gewoon nog lekker leeg, want dan was er niet eens een ‘alles’! En als je zo nodig in een God wilt geloven, en die God had toevallig een rotdag gehad en geen zin om van Adams rib nog even een vrouw te knutselen, dan waren er helemaal geen vrouwen geweest. Dan hadden mannen zichzelf moeten klonen of de hele mensheid was gewoon een foutje geweest. Is ie sowieso. En dan had jij óók niet bestaan.”

Dochter kijkt haar broer met grote, waterige ogen aan.
“Waar héb je het over?”

“Over het feit dat de wereld om de zon draait en niet om jou.”

Basta.


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl <- kijk daar voor meer artikelen, blogs en columns!

Van ietsje naar Nietzsche

…en van het minimalisme op naar het nihilisme.niets

Ja ja, ik ga mij bekeren tot het nihilisme. Wat ik zo geweldig vind aan nihilisme? Niets… Maar ik heb er ook niets op tegen. Ik ben een grote fan van niks. Bowie is inmiddels succesvol bekeerd tot het niets, Jackson en Prince ook. Dus waarom ik niet? Geen enkele reden. Zie, daar heb je het weer!

Eerder werd ik al zeer geïnspireerd door het minimalisme: het zo goed mogelijk leven met zo min mogelijk xyz [zelf in te vullen:’Dingen’ bijvoorbeeld. Of ‘materiële sores’. Of je vult gewoon helemaal niets in; dat is dan weer het prille begin van je nietsisme]. Dus enkel dat wat je nodig hebt. De rest elimineer je successievelijk uit je toch al loze bestaan.

Maar: met het minimalisme heb je tenminste nog íets. En de shit daarvan is, dat het verdoemde vergelijken dan weer opnieuw begint. Heb ik dit ene ‘iets’ echt nodig? Of toch juist dat andere daar? Moet dit beter? Of is dat eigenlijk wel voldoende voor mij? En van al dat gepieker raak je geheid in een pessimistisch minimalistische bui (‘ik flikker alles ’t raam uit!’), wat bijvoorbeeld anti-pessimist Nietzsche [spreek uit: Nietsje! What’s in a name…] weer helemaal niets vond. Hij sprak zich dan ook uit voor het volledige nihilisme: dat was voldoende.

Apropos, voldoende, weer zo’n begrip. Ben ik zelf voldoende? Ben ik überhaupt nog iets? Doe ik dan niets werkelijk goed, in vergelijking met anderen? Dan kijk ik dus meteen weer naar die andere net-niet-nihilisten en denk: nee, da’s óók niets… Daarom ben ik gestopt met het mezelf met anderen vergelijken middels facebooktestjes. En zie daar: nu ben ik zo’n 32% zelfbewuster dan mijn vrienden.

Ja, nihilisme is fijn! Simpelweg omdat het he-le-maal niks is.
Je hebt zelfs geweldige nihilistische moppen:



Enfin. Ik zag het volgende bij een zwaar nihilistische twitteraar.
Het treft ’t niet, maar het is wel aardig:

Roses are red
violets are blue
Life’s an illusion
Sentience is too
Nobody cares
None love you back
Please enjoy life
Then fade into black

Dus hou ik mij een leven lang bezig met futiliteiten tot er een fulminant ‘niets’ meer overgebleven is.
En dan ga ik daar lekker helemaal niets meer aan doen.

Niets is het nieuwe iets!

niets2


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl

STRESSKIP!!

Ik ben een zorgenmaak-expert. Een paniekvogel. Een piekeraar. De opperstresskip der stresskippen. Waar een ander denkt: ‘ach, zal allemaal wel in orde zijn, ik hoor ’t wel, geen bericht is goed bericht’, daar ben ik anders. Zo gauw iets afwijkt van het gebruikelijke, het afgesprokene, het verwachte of het normale, begin ik te piekeren over wat er allemaal aan de hand zou kunnen zijn. Als ik nagels zou bijten, was ik nu wel bij mijn polsen aanbeland.

Als mijn ouders van hier naar Nederland terugrijden (zo’n 1000km) en ze doen er langer dan 10 uur over zonder berichtje, ga ik piekeren. Als ik dan bel en ze zijn niet bereikbaar, zie ik ze al ergens tegen een boom geparkeerd staan. Als mijn zus een weekendje op stap is met een vriend en ik hoor na terugkomst niet binnen een paar dagen hoe het was (maakt niet uit hoe: whatsapp, facebookchat, telefoon, skype, alles kan), vermoed ik meteen dat ze daar gestrand is. Of erger. Als mijn lief op een familieweekend in het buitenland ineens een hele avond en nacht niks meer appt (en we hadden nog zó “tot straks!” gezegd om elkaar even goedenacht te wensen, zoals we altijd doen), kun je mij opvegen. Ik naai mezelf steeds verder op.

11pm – hmm, raar. Om 10.30pm ge-appt dat ik ook maar naar bed ga. Geen antwoord. Dat is zo ‘niet hem’… Hij doet dat altijd! Nu niet… Naja, hij zal wel even geen bereik hebben of zo…
[BINGO!! Daar had ik moeten stoppen].

0.00 –  Ik staar wezenloos in de ruimte. Bel hem op de ouderwetse manier. Telefoon staat blijkbaar uit. Dat is helemaal raar… Wat nou als… Ik ga maar een misdaadserie kijken: slapen kan ik nu toch niet.

2am – Ik stuur hem nog een zesde berichtje. ‘Joh, als je toevallig wakker wordt vannacht en dit ziet, laat me dan even weten dat alles oké is? Ik maak me zorgen.’ Zinloos. Weet ik. Die man slaapt zo vast… die wordt echt niet wakker van mijn piekerberichtjes. Scheiße. App komt helemaal niet aan! Eén grijs vinkje. Dan maar een SMS. Geen reactie. Kan toch niet? Die SMS-ploink móét ie toch horen? En met zulke sterke stressgolven als die van mij, die de hele wereld zowat nucleair omstraalt, moet hij dat daar in bed toch ook voelen? Omg, er is vast iets gebeurd…

Bron: pixabay.com

Bron: pixabay.com

4am – Ergens een uurtje geslapen, tussen het wekkerstaren door. Verder met malen. Jemig, dit is toch niet normaal…
Misschien is zijn telefoon in de wc gevallen en wilde hij niet nog iemand wakker maken om mij toevallig een berichtje te kunnen sturen… snap ik.
Of misschien heeft ie wel een hartstilstand gehad… dat gebeurt zo vaak tegenwoordig… oh nee zeg, ’t zal toch niet…
Of misschien is de bliksem ingeslagen daar en zitten ze nu zonder stroom-2G-3G-alles… Er was noodweer op komst…
Of misschien is er zelfs wel brand uitgebroken, weet jij veel… staan ze daar met een brandweerdekentje om de schouders bibberend hete thee te drinken en is alles kapot en hebben ze ternauwernood overleefd… Of niet… omg omg omg…

6am – bijna licht. Minstens een half uur geslapen. Ik zoek het telefoonnummer van zijn zus. Heb ik niet. Dan maar facebookberichtje. Of zij misschien even kan zeggen dat alles oké is? [Nee, natuurlijk niet: zij heeft net zo min bereik als hij]. Internetrecherche. Wie kan ik in geval van volledige, onstopbare paniek nog meer bellen? Het telefoonnummer van het verblijf daar heb ik inmiddels, maar dat gaat wel heel ver… En toch, dit is niet normaal…

8am – PLOINKKK! Bericht. Ik zit meteen rechtop.
“Sorry lief, helemaal nulkommanul bereik
hier, sinds gisteravond al 😦
Nu heb ik weer wifi in de ontbijtzaal.
Alles is oké hoor, JIJ STRESSKIP!!”
[kleine edit: ik moet toch even bekennen dat hij me geen stresskip noemde, dat was ik zelf. Hij was liever voor mij 😉 ]

Goffer. Waarom doe ik dit mijzelf aan? Waarom heb ik een hele nacht wakker gelegen om niks? Waarom lijkt alles in het donker tigmiljoenmiljard keer erger? Waarom kan ik niet anders dan piekeren als iets niet helemaal ‘normaal’ verloopt? IK ben duidelijke degene die hier niet normaal is. Een ster in het ‘de verkeerde kant op fantaseren’.

Ik ben blijkbaar overmatig en irreëel bang om degenen die ik lief heb, te verliezen. Ik wil niet alleen rationeel beredeneren dat ze veilig zijn, dat er niets aan de hand is, ik wil het wéten. Dat is het probleem.

Ik zielig opgeblazen zieltje. Ik moet dringend op zoek naar een zielenknijper :-/

Eng…

Ben ik een herdenkingsdissident?

Elk jaar sta ook ik op 4 mei even stil. En wel bij de vraag waarom we op deze dag nog steeds enkel een ‘nationale’ Dodenherdenking houden. Begrijp me niet verkeerd: iedereen mag herdenken wat/hoe/wanneer men wil. Maar de grootschalige relatering van deze officiële herdenking aan enkel Nederlandse slachtoffers in (hoofdzakelijk) de Tweede Wereldoorlog vind ik persoonlijk achterhaald. Ik heb alle respect voor het herdenken als zodanig en alle respect voor deze dag. Ook ik zal stil zijn. Desondanks vind ik dat onze Dodenherdenking in de huidige vorm te beperkt is en niet meegegaan met de tijd. 


Enkel Nederlandse slachtoffers?

dodenherdenking2

Bron: wikimedia.org

Sinds 1961 is de definitie van Dodenherdenking in theorie verbreed: Nederlandse gesneuvelden tijdens vredesoperaties in bijvoorbeeld Bosnië en Afghanistan en gevallenen in Nederlands-Indië worden nu eveneens herdacht. Maar de nadruk blijft heel duidelijk op dat ‘Nederlandse’ liggen.

De officiële tekst luidt: ‘Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
Nederlandse’ ontbreekt nu op diplomatieke wijze voor de woorden ‘burgers en militairen’, maar het gaat nog steeds enkel om slachtoffers van Nederlandse origine.

Waarom herdenken we niet ook al die gevallenen uit ándere landen? Gevallenen die net zo goed gestreden hebben en gestorven zijn voor de uiteindelijke bevrijding van Nederland? Waarom moet het ook nu nog steeds een puur Nederlandse aangelegenheid blijven?

Waarom blijven we vinden dat herdenking per definitie ook verzoening betekent? ‘Herdenken hoeft niet vergeven in te houden’, zoals antropoloog Hans Feddema drie jaar geleden al in zijn artikel stelde. Ook dan, zelfs dan, nee, júíst dan, zou je gezamenlijk moeten herdenken om niet te vergeten.

Hoogste tijd om deze herdenkingsdag eens te overdenken.

Gedwongen jaarlijkse bewustwording

In een multiculturele, geïnternationaliseerde samenleving en in een wereld waar nog steeds heftig gevochten, gefolterd, geterroriseerd en gemoord wordt, is onze Dodenherdenking niet meegegaan met de ontwikkelingen. Het herdenken van enkel ‘eigen’ slachtoffers in een ver verleden is te beperkt geworden. Te nationalistisch. Te egocentrisch.

De Nederlandse Dodenherdenking is verworden tot een nationaal stokpaard dat elk jaar opnieuw op een vast tijdstip van stal gehaald en bereden moet worden. Moet, ja. Wil je het anders doen en op veel bredere schaal herdenken, op een ander tijdstip terugdenken en herinneren, of leef je liever helemaal in het nu (met de zo populaire mindfulness en het huidige wereldse geweld in het achterhoofd), ben je al snel ‘heel fout’ bezig. Dat mag niet. Niet openlijk in ieder geval: dat is respectloos.

Onder het motto ‘opdat niet we niet zullen vergeten’ moet iedereen nog steeds elk jaar op dezelfde dag en om dezelfde tijd twee minuten stil zijn en het voorgeschrevene herdenken. In een keurslijf gedwongen bewustwording van enkel de nationale gevolgen van een oorlog, waarin zo onnoemelijk veel méér soldaten en burgers uit ándere landen gevallen zijn, óók voor de bevrijding van Nederland. Tegelijkertijd vergeet men daarnaast nadrukkelijk de slachtoffers van zo vele andere gruwelijke oorlogen waar Nederland bij betrokken was.

Ik vergeet niet. En zo velen met mij niet. Maar ik wil veel méér dingen niet vergeten dan alleen dat, wat er vandaag officieel herdacht wordt.

‘Deze oorlog was erger’

Je krijgt dan als herdenkingsdissident meteen het weerwoord: “Maar de Tweede Wereldoorlog was wél een stuk erger dan alle andere!” Ja. Qua aantallen slachtoffers absoluut. Maar de gruwelijkheid van een oorlog hangt niet per definitie af van hoeveel tientallen miljoenen erbij omgekomen zijn. Is een oorlog met 75 miljoen slachtoffers sec gezien 1,9 keer erger dan een oorlog met 40 miljoen doden? En vele recentere oorlogen zijn minstens zo opzienbarend en ‘herdenkingswaardig’ als het om gruwelijkheden, marteling, folter, experimenten en massamoord gaat.

Het Comité bepaalt

Opzienbarend is ook dat voor een steeds groter aantal joodse mensen de herdenking op 4 mei al veel te algemeen geworden is: zij hebben er ‘niets meer mee’ en herdenken vooral op hun eigen wijze en eigen tijdstippen. Zie bijvoorbeeld ook de reactie van Amiad onder het (al wat oudere) zeer kritische opinieblog van Victor Brenntice:
dodenherdenking-reactieAmiadVelen houden dus al lang hun eigen specifieke herdenking. Op hun eigen manier. Binnen gesloten muren, want anders grenst herdenken aan dissidentie. 4 mei zou daarom  juist heel geschikt zijn voor de algemene herdenking van álle gevallenen. Een dag waarop nadrukkelijk stilgestaan wordt bij alle onschuldige slachtoffers van welke oorlog dan ook. Een bij meer mensen en achtergronden passend bewustwordingsmoment. Een herdenking waar bijvoorbeeld ook Duitsers bij aanwezig mogen zijn. Duitsers zoals Thomas Läufer, die in 2010 (toen Duits ambassadeur in Nederland) verzocht om deel te mogen nemen aan de nationale Dodenherdenking. Hij mocht niet komen, want Duitser. Bijna driekwart van de Nederlandse bevolking vond het weliswaar prima om hem erbij te hebben (bron: duitslandinstituut.nl), maar het Nationaal Comité 4 en 5 mei wees hem af: niet welkom bij de Nederlandse ceremonie, in tegenstelling tot nationale WO-II-Dodenherdenkingen in vele andere landen, waar hij wél mocht deelnemen. Op 5 mei had hij dan wel weer mogen komen: meevieren dat we van hem en al die andere Duitsers bevrijd werden. Maar respectvol mee-herdenken? Nee, sorry. ‘Daar hoor jij niet bij‘.

Hypocriet

In mijn ogen is dát dus hypocriet: Het Comité bepaalt als een soort dictator wie wel en wie niet in Nederland mag herdenken en vooral ook wát en hóe er precies herdacht mag, nee, moet worden. Na de zaak Läufer is er in 2010 weliswaar kort gedebatteerd over het mogelijk meer internationale karakter dat de nationale herdenkingsdag zou moeten krijgen, maar tot nu toe is daar niets van terecht gekomen. De afwijzing van Läufer wekte destijds in ieder geval de indruk dat middels ‘onze’ nationale herdenkingsdag de wrok tegen Duitsland en Duitsers in stand moest worden gehouden. Het Comité haastte zich wel om te zeggen dat in principe geen enkele internationale vertegenwoordiger op 4 mei welkom is: Dodenherdenking moet vooral een ‘nationale aangelegenheid’ en puur Nederlands dingetje blijven.

Dissidente herdenker

Ik vermoed dat ik met dit artikel kritiek zal oogsten, net als Victor Brenntice met zijn opiniestuk van vier jaar geleden. Weliswaar had zijn artikel een duidelijk andere strekking en pleitte hij openlijk voor de complete afschaffing van Dodenherdenking, iets wat ik hier per definitie NIET wil doen. Maar als ‘dissidente herdenker’ vind ik dat we op een speciale gedenkdag als deze juist wél met de tijd mee moeten gaan en ál diegenen moeten herdenken die – waar ook ter wereld – de moed hadden om op te komen voor onze vrijheid, net als alle mensen die slachtoffer zijn geworden van juist het ontbreken daarvan. Ik vind ook dat we niemand mogen uitsluiten bij de officiële nagedachtenis aan al diegenen die door oorlogen om het leven zijn gekomen. En dat we stil moeten staan bij het feit dat er sinds de Tweede Wereldoorlog een nog steeds voortdurende periode van ‘relatieve’ vrede in Europa is (The Long Peace, bekijk o.a. hiervoor ook eens dit uiterst relativerende filmpje), die een daadwerkelijk, concreet gevolg is van WOII en de daaruit voortgekomen ontwikkelingen.

Dus herdenk ik, ondanks het streng voorgegeven kader, tóch op mijn eigen respectvolle manier en op door mij gekozen momenten. Laat mij. Want bij het voorgaande wil ik op een officiële dag als deze zelfs wel heel wat langer dan twee minuten stil blijven staan.

Feel free to disagree


Ook gepubliceerd op Hoevrouwendenken.nl

Afscheid van volwassenheid

“Volwassen worden is afscheid nemen van steeds meer vormen van jezelf die je ooit had kunnen zijn en de beperkingen aanvaarden van de persoon die je merkt te zijn geworden.”
(uit: “Een tafel vol vlinders” – Tim Krabbé)

afscheidvanvolwassenheidvlindersLBNou, ik merk niks. Toevallig. Niets van die vermeende volwassenheid, niets van de personen die ik allemaal niet geworden ben. Lichamelijk volwassen ben ik al lang. En breed ook. ‘Ervaringsvolwassen’ ben ik – vrees ik – eveneens. Alleen dat geestelijk volwassen worden, dat wil maar niet lukken.

Ik heb dan ook nooit echt afscheid genomen van al die persoonsvormen die ik had kúnnen worden, simpelweg omdat ik nooit heb stilgestaan bij wie ik allemaal geweest had kunnen zijn. Ik ken alleen de ik die ik nu ben, inclusief de beperkingen van die ene ik. Oh, de eenzaamheid… Ik kan dus eigenlijk alleen maar concluderen, dat ik ondanks alles nog steeds kind ben gebleven: een 14-jarige met 30 jaar ervaring. Misschien moet ik dan nu maar afscheid nemen van het algehele concept ‘volwassenheid’?

Mijn mama zei ooit: “je wordt pas écht volwassen als je ouders er niet meer zijn.” Ze sprak uit eigen ervaring. Ik denk dat het klopt. Het hoeft niet eens de fysieke afwezigheid, de dood van je vader en/of moeder te zijn; als je ouders geestelijk (bijvoorbeeld door psychische achteruitgang, dementie of zelfs amnesie) niet meer in jouw leven deel kunnen nemen, is degene die altijd verantwoordelijk voor jou was, ineens jouw verantwoordelijkheid geworden. DAT is volwassenheid door afscheid.


Eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Waar kan ik ze ruilen?

“Mama, werd ik te vroeg of te laat geboren?”
Ontbijtgesprek op zondagmorgen. In alle rust antwoord ik:
“Je bent precíes op het goede moment geboren, lieffie.”
“Nee, dat bedoel ik niet. Was ik al ver over de houdbaarheidsdatum?”

screenshot_377

bron: pixabay.com

Ik sproei zowat mijn koffie over de krant.
De uitgerekende datum bedoelt ze, de datum waarop je je kind officieel niet meer binnen zou moeten kunnen houden.
“Ja, je zat er een dagje of tien overheen. Maar dat geeft niks, de meeste kinderen komen niet precies op de uitgerekende datum ter wereld. Je broer kwam drie weken te vroeg en daar is ook niks mis mee.”

“Maar… ben ik daarom te dik? Heb jij mij te lang gekweekt?”
Daar is de koffie. Door mijn neus.
“Meiske toch, nee joh! Ik heb jou gewoon te veel van mijn genen meegegeven. Vooral mijn molligheidsgenen.”
Even stilte. Ze denkt na.
Zoon kijkt haar verwachtingsvol aan: hij weet dat ze naar een oplossing zoekt.

“Waar kan ik die genen ruilen? Ik wil ze niet.”

Zoon grinnikt: “Heb je het bonnetje nog?”
En dan:
“Hopelijk heeft mam ze niet van de V&D want dan kun je naar je genen-garantie fluiten!”

De krant is doorweekt.
Dan maar een nieuwe kop koffie.


ook gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl

De teloorgang van het ‘nieuws’

“The nature of news is that it influences public opinion, so how do you prove or prevent news that seeks to do that?” (Lisa Graves, Center for Media and Democracy)

Het hedendaagse nieuws is geen nieuws. Het is namelijk al lang geen objectieve berichtgeving meer: het is enkel dat, wat u mag zien en lezen, geselecteerde rapportage van datgene wat de publicerende partij geschikt vindt voor zijn publiek. Dat hedendaagse ‘nieuws’ en die tegenwoordige berichtgeving zijn één grote sneue bedoening.

Kritiek leveren mag niet meer, want belanghebbenden.
De burger objectief informeren is uit den boze, want belanghebbenden.
Een onafhankelijke column schrijven is er niet meer bij, want belanghebbenden.

En al die belanghebbenden zijn dan ook nooit te beroerd om je op welke manier dan ook de mond te snoeren. Een aanslag op het vliegveld in Brussel door de IS is nieuws. Een nog veel grotere aanslag op de universiteit in Mosoel door de US is het niet. Dat laatste is namelijk niet goed voor ons om te weten. Vinden die belanghebbenden.

Maar wie zíjn dat dan, zult u zich waarschijnlijk afvragen. Wel, dat hangt ervan af wie de correspondent, de journalist of de columnist is, die de tekst schrijft. De belanghebbende namelijk is diens werk- of opdrachtgever. Niemand is volledig onafhankelijk.

Een correspondent van een door de BBG (Broadcasting Board of Governers) gecontroleerde US-zender zal niet objectief kunnen of mogen rapporteren over door de USA gepleegde bombardementen. De dodentallen worden successievelijk gereduceerd, de rechtmatigheid geëtaleerd, de goede motieven geaccentueerd. Alles om de angstige burger de indruk te geven dat de moordactie noodzakelijk was. De politiek is bij afwijkende berichtgeving niet bij gebaat. En de politiek bepaalt.

Een voor een medisch-wetenschappelijk blad schrijvende journalist zal geen verslag mogen doen van de werkzaamheid van homeopathische middelen, de effectiviteit van alternatieve geneeswijzen of van een mogelijk revolutionaire doorbraak in de genezing van een dodelijke ziekte met behulp van een heel gangbaar en goedkoop medicijn. Het blad wordt namelijk toevallig gesubsidieerd door een groot farmaceutisch concern, en die heeft daar absoluut geen belang bij. Integendeel. En de financier bepaalt.

Daarentegen wordt een columnist geacht vrij te zijn in tekstformulering. Ja, een columnist mag bij wijze van spreken zelfs een leugen waar liegen: in dit geval de tekst is per slot van rekening een opiniërende column, géén ‘objectief’ journalistiek stuk. Kritiek moet in die zin mogelijk zijn, óók op de organisatie waarvoor de columnist schrijft. Maar de opdrachtgever van die betreffende columnist, bijvoorbeeld een gratis dagblad, is op zijn beurt weer afhankelijk van het overkoepelend management van de groep waartoe het blad toevallig behoort. En zelfs die ‘vogelvrije’ columnist is nu dus lamgeslagen en mag niet meer in eigen nest schijten. Het dagblad bepaalt.

Waar is dan in vredesnaam de objectiviteit gebleven? Waar zijn er nog mogelijkheden om de nodige kritiek te leveren op (delen van) de organisatie waar je voor werkt? En waar is de capaciteit tot zelfreflectie gebleven, wanneer iemand je die oh zo noodzakelijke spiegel voorhoudt?

Kritiek leveren op het huis van ‘de concurrent’ is natuurlijk prachtig. Dát mag. Maar een kritische blik op de louche inrichting van kamers in het eigen onderkomen, is uit den boze. Waar men juist blij zou moeten zijn met een uitgesproken mening over en een nieuw perspectief op de eigen organisatie, wordt angstvallig gecensureerd. “Dit publiceren we niet, want dan hebben we stront aan de knikker en wordt de geldkraan dichtgedraaid.”

Dat gebeurde vandaag. En daarom werd DIT niet gepubliceerd in het grootste gratis dagblad van Nederland. Ik noem maar geen namen. Daar houden ze niet zo van.

Triest.

 

Roadworst

Het is weer eens zo ver: ik mag weer naar Nederland! Ik heb mijn bolide volgestouwd met alles wat nodig zal zijn voor de komende tien dagen. Ik heb de kinderen van school opgehaald, van een boterham voorzien, laten plassen en ook in de auto gepropt. Eén voorin (die is van de ‘gekoeld-voer-bediening’) en één achter mij (die is van de zoetigheid-en-chips-bediening en de electronica-doorgave).

Naast elkaar op de achterbank zitten is al jaren een no-go: dan had ik een triplexplaten muurtje voor ertussen moeten figuurzagen en daar heb ik geen zin in. Dan maar zo. Vol goede moed gaan we op weg naar mijn geliefde landje. Zwaaien de Oostenrijkse koeien gedag.
Und tschüß!

“En, hebben we er zin in, lieffies?”
“Neeeeeeee,” klinkt het in koor.
Ze hebben wel zin in Nederland, hoor. En om bij opa en oma te logeren. En om naar Six Flags te gaan. En zin in zwemmen. Maar geen zin in zo’n 8,5 uur in de auto zitten.
“Ach, zal vast wel meevallen, ik doe aan laagvliegen, dat weten jullie. Misschien duurt het vandaag zelfs minder dan 8 uur, wie weet. En trouwens, JULLIE mogen lekker vakantie vieren. IK moet werken, toevallig.”
Ik probeer de moed niet meteen de grond in te boren. Het werkt niet.

Bij Linz: file. Vrijdagmiddag-avondspits (die Oostenrijkers houden er elke vrijdag namelijk rond het middaguur al mee op)

Ca. 60km na Linz kom ik erachter dat ik de identiteitskaarten van de kinderen ben vergeten. Ik ben zo stom om dat ook gelijk te vermelden: dochter volledig over de zeik, want “hoe moet dat dan zo meteen bij de grens? Straks pakken ze ons op, terwijl we geeneens vluchtelingen zijn!”

Bij Passau: file. Die ken ik. Die is standaard. De door dochter zo gevreesde vluchtelingengrenscontrole. Ik snap werkelijk niet hoe ze dat nu doen: Ze stoppen nooit iemand, zelfs geen vrachtwagens Daarom kon ik dochter ook geruststellen: “geen hond die dat merkt, lieverd. Ze laten alle mensen alleen 3km lang héél langzaam rijden, dan staat er een norse meneer en dan mogen we weer verder.” Heel zinvol.

Zoon merkt en passant op dat hij zijn beugel vergeten is. Geweldig. Na tien dagen staat de boel weer zoals drie maanden geleden. Ik calculeer alvast een reprimande van de orthodontist in, bij de controle direct na de vakantie.

De kinderen meppen elkaar de kop in omdat ze, ondanks 2 laptops, 2 tablets, 1  netbook, 1 phablet, 4 mobieltjes, 2 spelcomputers, 15 DVD’s en dito aantal films op 2 USB’s, allebei op hetzelfde moment dezelfde DVD op dezelfde laptop (namelijk mijn Mac) willen en moeten kijken.

“Je moet niet altijd alles willen hebben wat de ander heeft. Je moet ook niet altijd alles perfect willen hebben: het op-één-na-beste is óók nog altijd prima.” En ik gooi er nog even mijn levensmotto tegen aan: “Rookworst zonder -R- is…”
“Ook worst. Ja, ma, we  weten het,” grommen ze er in koor.
“Aha, en een file is dus een roadworst?” merkt zoon droog op.

Bij Regensburg: file. Vrachtauto is blijven hangen. Op de linkerbaan. Wat doet ie daar überhaupt? Het zou vrachtauto’s verboden moeten worden om in te halen op autobanen met twee rijstroken. Ze houden álles op, iedereen moet sterk afremmen. Vooral die aso Tsjechische, Roemeense en Hongaarse chauffeurs gooien hun kolos zonder pardon op de linker rijstrook. Lak aan het overige verkeer. Ze rijden hooguit 2km/h harder en moeten daarvoor pompen tot en met om die 86km/h te halen (uitlaatgassen!). Ze zouden zó veel meer besparen door gewoon achter een vrachtauto te blijven (nu juist extra dieselverbruik), besparen nauwelijks tijd met hun inhaalactie en de rest moet na voor de zoveelste keer sterk afremmen wéér optrekken (en dus wéér meer uitstoot/verbruik). Driebaanswegen: prima, haal lekker in als je dat zo graag wilt. Tweebaans: blijf er dan verdorie gewoon achter rijden! (Sorry eventuele vrachtwagenchauffeurs, maar dit is gewoon irritatiebron nummer één. Elke keer weer)

Bij Erlangen: file. Ik wil eraf, maar op de afrit staat een nóg langere file dus ik kies ervoor om door te rijden via Würzburg. Helaas: ik had het bord ‘omleiding naar Kassel via Erlangen’ gemist. Dat bord stond er niet voor niks: 5km verderop – tadaa – file. Stilstand. Autobahnsperre! Want vet ongeluk. Probeer dan maar eens 1,5 uur lang je kroost bij troost te houden. Ellende.

Würzburg: file. Je verwacht het niet…
Maar daarna reed het daadwerkelijk even door en kwamen we wat verder in de richting van Fulda.
“Mam, ik moet plassen.”
“Jij moet altijd plassen, kun je het nog ophouden?”
“Nee, ik moet NU!! METEEN!! Of ik plas je autostoel vol.” Shit. Een parkeerplaats zonder wc. Geen tankstation. Weer een parkeerplaats zonder wc. Dochter knijpt en jammert. Hè hè, een tankstation. Gelukkig, want tank nu ook leeg. En hongerrrr. Tanken, plassen, helaas geen eten. Het restaurant bleek voor personenauto’s na het tanken volledig onbereikbaar (of ik keek niet goed, maar dat is per definitie nooit het geval).

Doorrijden dus. Frustratie alom. Yes, een Autohof. Daar hebben ze altijd lekker eten. Op de afrit zie ik de volgende verdoemenis: De oprit terug naar de autosnelweg is geblokkeerd (Baustelle!), dus snel verder richting Kassel is na het eten geen optie meer. In het shabby restaurant waar vette schnitzels en een zwaar gebrek aan enig groenvoer overheersen, vraag ik hoe ik nu in vredesnaam naar Kassel kom.
“Oh ja, dát is heel lastig. Dan moet u door het Brombiebelebergse Woud en dan daarheen en zus en zo. Of u moet terug naar de vorige afslag en daar omdraaien, maar dat is nog véél verder om.” Bij gebrek aan wifi kijk ik met mijn buitenlandbundel op Google Maps hoe het zit. Dat was mijn buitenlandbundel. Next!

We starten onze expeditie door het donkere woud. Ik mis de juiste omleidingsafslag; de kinderen mekkeren over een film, ik ben afgeleid, mis tevens het bordje ’80’ en hopla: FLITSSS! 20km/h te hard. Nondeju in het kwadraat! Maar ik heb straks wel fijn post als ik thuis kom.

Dat is het geijkte moment om eens even lekker hard te schreeuwen in de auto. Het móét eruit, de mij verbouwereerd aankijkende kinderen ten spijt. Voor Kassel nog een beetje file (je verwacht het niet), nog twee plasbeurten en dan is het rustig, donker, liggen de kinderen voor pampus en kan ik fatsoenlijk doorjakkeren. Ein-de-lijk. Zoon hangt met zijn kussen tegen mijn schouder te slapen en ik kom ook wat tot rust. Na dik elf uur on the road geweest te zijn, vielen we de vertrouwdheid binnen.

“Ja mam, maar NU zijn we niet meer moe! Wij hebben in de auto geslapen!”
“Kan me geen ruk schelen. Je gaat maar liggen, wakker of slapend, het zal me worst wezen.”

Roadworst.

(ik heb trouwens de onderbroeken van zoon ook vergeten in te pakken.
Oh, en de cadeautjes voor daar waar ik op bezoek ga.
Oh, en de verplichte leesboeken van de kinderen.
Oh, en de sokken van dochter.
Oh, en nog iets, maar dat ben ik vergeten)

Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Brullen met tranen

21 uur. Bedtijd voor kleine kindekes.
“Mam, die zelfgemaakte patat ligt me dwars…”
“Neem je slokdarm als zweep en sla ‘m in ’t fatsoen, ja?”

Zoon grinnikt.
“Nee echt, als ik van hiero naar beneden op het parket kots [zoon heeft, net als dochter, een hele hoge hoogslaper], mag jíj de boel straks van het plafond schrapen.”
“Been there, done that, got the swiffer. Mij maak je niet bang.”

De humor. Vandaag is ie weer groots. Zoon stommelt naar de badkamer om vervolgens onverrichter zake voor een glas water naar de keuken lopen. En passant graait hij in de bak met laadkabeltjes (dat doet hij nu eenmaal graag, een automatisme). Eentje daarvan valt me nu ineens op.

“Hé, weet je nog, dat op afstand bestuurbare helicoptertje dat ik stante pede terug gestuurd heb omdat ie het niet goed – of eigenlijk helemaal niet – deed? Nou, dít is de laadkabel daarvan.”
Zoon ligt in een deuk. Tranen. Nu moet ie pas écht kotsen. Zegt ie.

“Oh en ik heb dat pakje met 3 nieuwe AAA-batterijtjes, waarvan ik claimde dat ze eveneens niet in de verpakking zaten, laatst ook in hal gevonden…”
“Waarom deed dat ding het niet dan? Waarom moest ie terug?”
“Nou, dáárom dus…”

Ze zijn eindelijk zo ver: ze liggen in hun bedden, of ‘doodskisten’ zoals dochter het blieft te noemen. Het plafond is namelijk slechts zo’n 50 cm boven hun neuzen. Tja, je moet wat hè. Zoon weet in ieder geval de oplossing om snel in slaap te vallen: met een noodvaart rechtop in bed gaan zitten. “Nou euh, tot over een dag of drie!!” brult ie jolig. In hun kamer [ja, ze slapen ook nog eens samen in één kamer, groot is het hier nu eenmaal niet] heb ik altijd de neiging om zooi op te ruimen en stof af te nemen. Ik, de huishoudelijke slons bij uitstek. U kunt zich voorstellen hoe het er daar uitziet.

Het los liggende dekseltje van een door dochter zelf gekleid paars-rood-blauw potje doe ik vol opruim-enthousiasme weer netjes op het onderste deel. Resultaat: de tanden en kiezen vliegen me om de oren.

“Neeeeeee, stupido!!! Mijn kiezen!! En ik verlies er al zo veel!!”
Da’s waar. Ze heeft boven en onder nog nét twee voortanden en hier en daar een hoektand. Daar houdt het wel mee op.
Dochter stommelt van de ladder omlaag om op de grond haar tanden bijeen te rapen.
Met de tranen nog in de ogen, jodelt zoon, dat je in dit huis sowieso elke dag minstens drie tanden verliest en dat op een blokje lego trappen er echt niks bij is. Maar: als we straks allemaal kunstgebitten hebben, zien we ze op de grond in ieder geval niet meer zo snel over het hoofd. Wel zo handig. De grapjas.

Ineens komt hij daadwerkelijk met een rotvaart overeind, ramt zijn hoofd tegen het plafond, dondert zijn hoogslapertrap af, geeft mij in het voorbijgaan met de ene hand een pets op mijn hoofd terwijl hij zijn andere voor zijn mond klemt. Een perfecte home run naar het toilet, om daar vakkundig zijn beugel eruit te spugen, begeleid door de genoemde patatten. En wie oh wie mag die beugel tussen het braaksel door weer uit het toilet vissen en minutieus schoonmaken, hmm? Juist. Di Mamma.

Het min of meer gebruikelijke avondritueel in huize(ke) Bartels.
Altijd weer leuk.

HoeVrouwenDenken!

hvd-HVDJa, ik ben wat stilletjes de laatste tijd. Maar die stilte heeft een reden in de vorm een nieuw schrijfproject, waarvoor ik nu in alle heftigheid stukjes aan ’t neertikken ben. Want:

Vanaf 1 februari a.s. ploft er post van een heel nieuwe versie van een al wat oudere site op uw virtuele deurmat:

HoeVrouwenDenken.nl!

Deze bijzondere site bestond in 2014 al heel eventjes maar hield er na een krap half jaar officieel weer mee op wegens dingen. Onze broeders van HoeMannenDenken.nl weenden bittere mannentranen om dit verdrietige sterfgeval. Maar zie daar: hun zusje is nu herrezen, als een Phoenix uit de as! Met volledige amnesie weliswaar (ze is het verleden totaal kwijt), maar zeker zo leuk én lekker. En vooral: NIEUW!

Ja jongens, SIS IS BACK!!
(nou ja, bíjna dan; nog maar een paar daagjes!)

Met een (vooralsnog) zeskoppig team beginnen we weer met een totaal maagdelijke site en laten we jullie middels allerhande blogartikelen meekijken naar wat er zoal omgaat in het hoofd van een willekeurig vrouwelijk wezen: soms zin, meestal onzin en hier en daar een bijzin.

HoeVrouwenDenken.nl is de enige écht essentiële site vóór mannen, dóór vrouwen. Maar: wij zouden geen vrouwen zijn als we niet ook van vrouwen houden! De dames dezer aarde mogen dus natuurlijk altijd meelezen en kijken of het allemaal een beetje klopt, wat wij daar neertikken (Graag zelfs! En: zelf meedoen mag ook altijd! Zie (straks) daar, voor meer info)

Wij zijn natuurlijk óók te vinden op het alwetende Facebook en op den Twitter!
Heren en dames, u zou mij (ons!) een gigantisch plezier doen als u ons daar even wilt liken en volgen.

BRING IT ON!!

Keulen is klote

Keulen is al lang niet meer slechts een naam voor een stad.
Keulen is een zelfstandig begrip geworden.
Keulen. #Zeghet en iedereen weet direct waar je het over hebt.

Maar is dat wel zo? Weten we waar we het over hebben?

Voor de één is ‘Keulen‘ het lang verwachte armageddon dat door de massale toestroom van vluchtelingen met een ander geloof, een andere achtergrond en andere waarden en normen, veroorzaakt wordt. TPO, GeenStijl en co. lusten er, samen met een verlekkerde Geert en een juichende Trump, wel pap van. Het is koren op de rechtse molen.”Zie je wel? We zeiden het toch? Eerst wordt de boel dagenlang in de doofpot gestopt. Vervolgens komt de politie-k met een krom verhaal op de proppen en nu blijkt dat al die Islamobbers zich moedwillig hebben verzameld om ónze vrouwen te bespringen en ónze westerse vrijheden aan hun laars te lappen. Al die daders per direct het land uitzetten en de grenzen dicht voor nieuwe potentiële verkrachters, dat is de enige remedie tegen deze invasie van geweld en misbruik.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Voor de ander is ‘Keulen‘ een incident als vele andere. Dit keer helaas politiek erg brisant door de – al dan niet bekende – herkomst van de daders en de aanvankelijk nogal onhandige verdoezeling van de feiten. FrontaalNaakt, Krapuul en co. doen, samen met menig onthutst brabbelende linkse politicus, hun best om het zo op te tekenen. “Zie je wel? Nu het asielzoekers zijn, vliegt iedereen ineens in de hoogste boom. Waren het ‘gewone Duitsers’ geweest, had er geen haan naar gekraaid want dit soort dingen gebeuren overal. Kijk maar naar de aanrandingen van de serveersters op het alternatieve Oktoberfest in Alkmaar. Of naar de gang rapes op Britse en Amerikaanse universiteiten. Om van alle seriële verkrachtingen binnen familie- en vriendenkringen nog maar niet te spreken. #Zeghet werd afgedaan als zielig gejank, want daarbij ging het vooral om ‘eigen volk’ en dan moet je niet zeuren. Maar nu de daders van andere komaf zijn, is het ineens wél een rel vanjewelste en worden alle vluchtelingen over één kam geschoren. Hoe hypocriet wil je het hebben.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Dat dit soort dingen daadwerkelijk overal en altijd al gebeuren, kan ik – zij het enkel marginaal – bevestigen: ga voor de grap eens oud en nieuw vieren op het plein bij de Stephansdom in Wenen. Dan mag je blij zijn als je heelhuids, onberoofd, onaangerand en zonder voetzoeker in je nepbontkraagje weer thuis komt, ook zónder de aanwezigheid enige asielzoeker in de wijde omtrek. Dat was twintig jaar geleden al zo en dat is nu nog steeds zo. Ook heb ik menig Oktoberfest in München bezocht, waar ik dergelijke taferelen (massale beroving, geweld, aanranding door niet-asielzoekende daders) mocht aanschouwen. Maar daar gaat het niet om.

Waar het wel om gaat, is dat iedereen dénkt te weten wat er daar in Keulen gebeurd moet zijn en waarom dat gebeurd is. Iedereen – ik generaliseer nu zelf even, ik ben mij daarvan bewust – ziet er datgene in, wat hij/zij wíl zien. Iedereen zoekt precies die mediale berichtgeving die in zijn of haar straatje past. En iedereen heeft per definitie het eigen gelijk. Daarmee krijgt de gigantische wig die tussen ‘iedereen‘ en diens medemens gedreven wordt, nog een flinke klap met een moker na.

Op dit moment probeer ik enkel nog naar mijzelf te kijken en te doorgronden, wat dit alles het met mij en mijn overtuigingen doet. Ik was zoiets wat – niet bepaald liefdevol – als ‘Gutmensch‘ betiteld wordt. Gutmensch is al lang tot een scheldwoord verworden, een passende titel voor de naïeve en goedgelovige multiculti-knuffelaars onder ons. Voor mij dus. Maar ik kon en wilde simpelweg niet geloven dat een geloofsovertuiging dit soort excessen kan veroorzaken. Ik wilde niet geloven dat een groep mannen enkel op basis van een religie op zulk walgelijke wijze op een vrouw neer kan kijken en haar naar believen wenst te misbruiken.

En ik kan en wil dat nog stééds niet. Ook al weiger ik zelf in welke godheid dan ook te geloven (ik ben een ‘kufar‘, een atheïst, een ongelovige), ik ken te veel fijne, goede, vredelievende en respectvolle mensen van alle mogelijke geloofsovertuigingen om dermate te kunnen of te willen generaliseren. Ik wil zo graag blijven geloven dat ook ‘Keulen‘ een uitzondering, een losstaand incident was en dat ons beeld van wat er daar (en ook elders) gebeurd is, nog verre van compleet is. Maar ook ik, ja zélfs ik, word nu langzaamaan banger. Sceptischer. Wantrouwender? En het lullige is: ik ben zelfs bang om dát toe te geven.

Wat als.
Nee, dat kan niet.
Maar wat als…

Angst is een bitch.

Daarom is Keulen klote.

Goede meenemens

Elk jaareinde steekt het gezever weer de kop op: “En? Nog goede voornemens?” Groundhog day in de vorm van een immer op identieke wijze wederkerende nieuwjaarsplanning.

De bijdehante troela antwoordt meteen: “Ja, natuurlijk! Ik neem me voor om me dit jaar helemaal niks voor te nemen! Gaat me lukken! Oh nee, toch niet.” De twijfelaar meent er toch nog even over na te moeten denken, het optimistische type zegt: “JA! Dit jaar ga ik [vul zelf in]!” Dat kan zijn: een paar kilo aankomen, de vuilnis binnen zetten, beginnen met roken, een kind baren, wat minder sporten, lekkerder eten, het wegkwijnende bonsaiboompje snoeien, whatever. En de pessimist bromt: “Natuurlijk niet. Alles wat een mens zich voorneemt, is uiterlijk na twee en een halve week alweer vergeten. Goede voornemens zijn voor losers die al lang weten dat ze de dingen, die ze eigenlijk altíjd zouden moeten doen, sowieso niet doen gedurende de rest van het jaar. Dan maar één keer per jaar – het liefst aan ’t begin – expliciet benoemen, dan heb je dat ook weer gehad. Forget it.”

Eigenlijk is de laatste helemaal geen pessimist maar een realist. Want geef toe: zo werkt het toch? Je weet eind augustus immers net zo goed wat je allemaal zou moeten doen en laten. Daar heb je geen nieuw jaarbegin voor nodig. Maar elke laatste week van het jaar wordt de mens tóch weer mediaal doodgegooid met artikelen over wát er allemaal zou moeten, hóe dat dan moet en hoe dat eventueel langer dan die paar weken vol te houden is. De top drie van nutteloze voornemens is voorgeprogrammeerd.

Met stip op één: “De smartphone het raam uit sodemieteren”. Unpluggen. Afkicken. Want: je smartphone schijnt jou te ‘maken’, te vormen en te kneden tot dat wat je nooit wilde zijn: een schermstarende, grootogige, slape- en libidoloze zombie. Laat ik dat nou zonder mijn (twee…) smartphone(s) ook al zijn. I’m a lost case. Ik ga voor de casting van de Walking Dead. Next!

Nummer twee: “Meer en regelmatig sporten”. Awel, ‘meer’ sporten is niet moeilijk, ik doe momenteel sowieso praktisch niks dus als ik íets doe, is dat meer. Ik ben nu eenmaal geen sportmens: Ik doe enkel verwoede pogingen tot. Elke maand opnieuw. Omdat het moet. Behalve skiën en tennissen: dat vind ik wel leuk. Maar de regelmaat in de uitvoering van deze twee activiteiten is eveneens ver te zoeken. De rest van mijn beweging bestaat uit huishoudelijk werk, toetsenbordtoetsen indrukken, naar het koffiezetapparaat lopen (en weer terug), naar de auto lopen (en weer terug, soms zelfs met zware boodschappenkratten), gaspedaal c.q. rem intrappen, ver na middernacht naar mijn bed wankelen (en ’s ochtends helaas weer terug), en friemelen met mijn vingers. Daar ben ik echt goed in. Ik heb gelezen dat dat heel gezond kan zijn, dus laat mij rustig friemelen alstublieft.

Nummertje drie: “Gezonder eten, minder alcohol en véél meer water drinken”. Tja. Gezond eten doe ik eigenlijk al, maar bij mij wordt alles wat ik in mijn mond stop per definitie omgezet in een grotere buik-benen-billenomvang, of dat nou een komkommer is of een patatje kapsalon. Mijn lichaam zal in barre, voedselarme tijden (die op de één of andere manier nooit komen) nog jarenlang op de overvloedige reserves kunnen teren. Maar dat ‘meer water’ moet ik voor elkaar kunnen krijgen. Koffie is tenslotte ook water met een smaakje, toch?

En dan zijn er nog de geijkte dingen als “meer slapen en ontspannen” (ik doe mijn uiterste best om meer dan 5 uur slaap per nacht te krijgen maar het blijft een lastig dingetje), en “positiever in het leven staan” (gezeik. Ik vind mezelf positief zat voor deze verrotte wereld. Basta).

Ik vermoed dat ik dus tot de verdoemde groep pessirealisten behoor. Want: als ik me niks voorgenomen heb, is alles wat  me gedurende het komende jaar wél lukt, mooi meegenomen.

Ik doe enkel nog aan goede meenemens.

 

Navelprutputten en dwangdoorgangen

Woorden als deze ploppen te pas en te onpas in mijn hoofd omhoog als ik ’s nachts niet slapen kan. Ik mompel ze dan in mijn memo-recorder en de volgende ochtend moet ik gruwelijk mijn best doen om te ontcijferen wat ik ’s nachts in vredesnaam allemaal uitgekraamd heb.

Maar waarom borrelen juist deze non-woorden in mij op? En waarom in het holst van de nacht? Is er een diepere betekenis? En wat moet een mens met een navelprutput? Alle nog te oogsten navelpluis erin dumpen en wachten op de echo als het spulletje neerstort? En dan het werkelijk verontrustende: de spellingscontrole ziet navelprutput als een bestaand woord. Dwangdoorgangen kunnen daarentegen goedkeuring van de autocorrectie niet wegdragen. Blijkbaar toch fantasieloos, die spellingscontrole. Mijn hoofd absoluut niet:

——

… onderin de navelprutput is een dwangdoorgang. Eenmaal op de bodem van de put neergedwarreld ziet het – gemakshalve gepersonifieerde – navelpluisje een kleine opening. Een navelprutputbreuk? Waarschijnlijk de enige uitgang, wil het pluisje ooit het daglicht nog weer zien. De dwang om de doorgang te verkennen is enorm. Maar er komt geen licht doorheen, dat belooft niet veel goeds over wat er aan de andere zijde van de opening ligt. Dan ontdekt het navelpluisje de oorzaak van de afwezige rode buiklichtgloed. Een tot een dik hard balletje opgerold snotje heeft al eerder dezelfde poging gewaagd om de doorgang te bedwingen en zit nu hartstikke klem. 

Op de bodem van de navelprutput kijkt een wanhopig navelpluisje in de afwezige lodderogen van een in de dwangdoorgang klem geraakt snotballetje. Ze beginnen om ‘t hardst te huilen. Het snotballetje wordt week en floept door de opening terwijl het pluisje – drijvend op het snotpluishuilwateroppervlak – nu alle moeite moet doen om nog kopje-onder te gaan, om zo bij de navelprutputbreukdwangdoorgang te geraken. Zinloos. Voorgoed buiten pluisbereik…

Uit plots hervonden navelprutsolidariteit grijpkleeft het snotje zichzelf uit alle macht vast aan de rand van de ingang van de dwangdoorgang en snottert vol overgave door. Het huilwaterpeil stijgt. Het navelpluisje bereikt al opdrijvende de rand van de put en laat zich over de ronde welving naar beneden glijden, alwaar een venusheuveloerwoud van zwarte kroesharen het opvangt. De schaamluizen verwelkomen het navelpluisje met open luizenpoten. Je hoort ze denken: “Vetmesten, dat wanhopige navelprutpluisje. Onze stofluisfamilie onder het bed zal ons straks dankbaar zijn voor dit bijzondere fraaie feestmaal.”

——

Enfin. Snotpluishuilwateroppervlak schijnt óók een goed Nederlands woord te zijn.
Even mijn neus snuiten.

 

De onsterfelijkheid online

Bijna middernacht. Ik wil mijn computer afsluiten en nog even welterusten wensen op Facebook en Twitter. Een rare kronkel in mijn hoofd, want waarom doe ik dat eigenlijk? De meeste mensen die ik op deze manier goedenacht wens, ken ik ‘in het echt’ niet eens. Draagt het überhaupt iets bij aan de goedheid van de nacht van al die anderen op social media? Of toch enkel maar aan mijn eigen goede gevoel?

Plop. Een groot blok met dikke donkerblauwe omranding verschijnt midden op mijn beeldscherm; een notificatie van een app die ik voornamelijk heb om die gruwelijke FB-site aan te kunnen passen aan mijn wensen. Ik kan bepalen wat er verschijnt (timeline, feeds, filters), hoe het verschijnt (lettertypes, kleuren), waar het verschijnt (zijbalken etc.). Vind ik fijn. Ook al zo’n persoonlijke kronkel: waarom pas ik iets banaals en onbelangrijks als FB aan aan mijn visuele behoeften? Maar: de app deelt je ook op de meest idiote momenten mede wie er niet meer met je bevriend wil zijn. Aan de ene kant wel handig (soort van nieuwsgierigheidsbevrediging), aan de andere kant soms ronduit shocking. Dit was zo’n mededeling.

Deze ‘ontvriending’ kwam echter van een lieve vriendin, die al anderhalf jaar niet meer op deze wereld is. Dat raakte me onverwacht diep. Ik dacht ineens terug aan haar. Nu denk ik wel vaker zonder aanleiding aan mensen die ik al lang niet meer gezien of gelezen heb. Dan kijk ik out of the blue even op hun profiel, scroll er doorheen, like wat, zeg wat, en dan weet ik weer dat alles oké is. Ik denk ook met enige regelmaat aan degenen die er niet meer zijn, maar een directe aanleiding daartoe – zoals deze notificatie was – is er zelden. Het leverde een nieuw soort gevoel van herhaald afscheid nemen op. En ik snapte het niet, waarom was ze nú plots ook hier weg? Ik keek een laatste keer op haar profiel. Het was echt zo. “(+) Vriend toevoegen” stond er, maar dat vond ik not done. Taggen was niet ook meer mogelijk in de nachtelijke posting die ik daarop vanuit mijn hart schreef:

Het heeft iets onwerkelijks om kort voor middernacht ontvriend te worden door een vriendin, die anderhalf jaar geleden overleden is. Eind juni vorig jaar ging ze heen. Ik leefde mee in haar gevecht tegen kanker. Wat heb ik gehuild. Om haar, om haar zoontje, om haar dappere man, om het volledige wegblijven van enig antwoord op het ‘waarom’. De ondoorgrondelijke oneerlijkheid. Een verloren strijd. Ik volgde haar bruiloft, nog kort voor haar overlijden. We deelden, we schreven, we schreeuwden. We jankten.
       Ik weet niet wie haar account nu beheert, en het geeft ook niet dat diegene mij nu plots verwijderd heeft. Het is goed zo. Ik snap helemaal dat dingen afgesloten moeten worden. En dat andere dingen doorgaan. Ik zag mijn voortbestaande FB-vriendschap met haar als een soort van tribute, een herinnering die online doorleefde. Maar ze is er niet meer. Het is zoals het is. Ik zal me haar altijd herinneren als de dappere, lieve, moedige, immer levenslustige B., die zelf koos, zelfs het tijdstip van haar dood. Ik mag nu dan niet meer in haar kringen zijn, maar ze is en blijft in de mijne. Dag lieve B. In mijn hart is ruimte genoeg om altijd te blijven wonen, ook al is de gedenkwaardige FB-woning nu evident te klein geworden. Ik pink mijn tranen weg en denk even weer aan jou. Zoals ik wel regelmatig doe. Aan jou, mijn voorbeeld van een eeuwig dappere, sterke vrouw. Kus. Dag…

…en ik pinkte die tranen weg. Dacht terug aan haar, maar ook aan de mensen waar ik toen, in haar laatste dagen, veel mee sprak maar die nu jammer genoeg bijna allemaal weer uit mijn leven verdwenen zijn. Peinsde over hoe lang ik eigenlijk al niet meer aan haar gedacht had en dat het ergens best fijn was, om nu weer actief herinnerd te worden.

Maar wat bleek: de app is echt niet betrouwbaar. Althans, misschien ook wel, want de profielpagina was nu omgezet naar een In-Memoriam-pagina. Dat kan blijkbaar bij overledenen en dat registreerde de app, vermoed ik. Weer zo’n kronkel in mijn digitale wereld.

Mensen blijven online vaak sterker aanwezig dan ze in je echte leven ooit waren. Hun profielen blijven bestaan, hun accounts lopen – weliswaar vanzelfsprekend zonder updates – gewoon door alsof er niets gebeurd is. Ze blijven jarig, jaar in jaar uit. Henk Krol heeft dat ook al meerdere malen mogen ondervinden.

Online ben je dus nooit écht dood, je leeft digitaal verder. Je blijft bevriend met degenen die toen al bij je waren, blijft glimlachen en toekijken vanaf je profielfoto. Als niemand de toegang tot of het beheer over het account van de overledene heeft, niemand met een overlijdensbericht in de hand een aanvraag tot deactivatie indient, blijf je tot het einde der (FB-)tijden doorgaan met bestaan.

Deze ‘ontvriending’ (die er geen was) voelde als een fotoalbum dat zonder enige aanleiding uit de boekenkast donderde. Je schrikt even, pakt het verbaasd op, bladert er doorheen. En je herinnert je degenen die je dierbaar waren. In het echte leven kan me zoiets niet meer gebeuren: al mijn oldskool fotoalbums staan nog in een kast in een huis uit – hoe cru – een vorig leven. Daarom ben ik nu maar gewoon dankbaar dat er bij mij zo nu en dan, soms ongewild, altijd onverwacht, een digitaal album uit de FB-kast flikkert. Het houdt de herinnering levend.

Het gif dat angst heet

ThePoisonOfFear2 SCAN-LargeA

Muggenbulten

“Mam, weet je wel dat jij nog steeds muggen hier in huis hebt?”
Zoon (13) krabt demonstratief aan zijn benen.
“Echt, ik heb óveral muggenbulten. Ze jeuken niet zo erg, maar toch ook wel een beetje. En soms doen ze zelfs pijn…”
Hij trekt er een gruwelijk meelijwekkend gezicht bij.

Ik weet heel zeker dat er geen muggen meer in huis zijn. Het is nota bene eind november, buiten vriest het en ik heb zelf al weken geen mug, vlieg of ander ongedierte meer gezien. Enkel joekels van herfstspinnen en een verloren fruitvliegje.

“Nou, laat eens zien dan?”
Hij showt z’n been. Ik zie een klein rood restplekje.
“Die was vorige week nog écht groter, hoor! Maar op de één of ander manier is ie nu ineens weer bijna weg.”
Ik vraag of hij er dan misschien nog meer heeft. Hij keert me letterlijk de rug toe.
“Kijk! Hier! Een hele grote, rare. Met een bobbeltje. Ik voel ‘em!”

Ik grinnik vertederd.
Mijn puber krijgt puistjes.

Opgeven mag

Wezenloos staart hij uit het raam. Het ongenadig harde hout van de keukenstoel voelt hij tot diep in de broze botten van zijn zitvlak. Een paar uitgebluste en eindeloos vermoeide ogen kijkt langs de flats naar het donkergrijze water in de verte. Hij steunt met beide handen en kin op het handvat van zijn stok. Glinsterend vocht in zijn ogen. Alles is zinloos. Grauw. Eenzaam. Niets is het nog waard om voor door te gaan. Hij slaat zijn blik neer en perst de weerbarstige tranen uit zijn ooghoeken. Ze vloeien samen onder zijn neus. Een zilte smaak op zijn droge lippen.

Ze was de liefde van zijn leven, zijn hele leven lang. Haar ogen waren altijd de mooiste, de diepste en meest liefdevolle gebleven, zelfs toen ze langzaam maar zeker uitdoofden. Tranen van vreugde moesten de laatste jaren steeds vaker plaats maken voor tranen van pijn. En wanhoop. Toch bleef daar die glans. De glinstering en de fierheid van haar levenswil, die nooit door steeds dieper wordende rimpels en bovenlipgroefjes overschaduwd werd, weerspiegeld in haar lach. In al haar uren van lijden was ze onvermoeibaar moedig gebleven. Sterk. Positief. En de zijne. Maar ze had oneindig geleden. En alleen hij wist hoe zeer…

Ook nu kan hij zich de vibraties van haar zachte, diepe maar steeds zwakker wordende stem weer exact voor de geest te halen. Haar fluisterende, warme ademzuchten in zijn gehoorgang. Haar rozige geur, halsstarrig verankerd in zijn neusharen. 

Een glimpje zon valt op zijn knokige vingers. Maar in zijn beleving is er geen plaats meer voor zon of warmte. Er is enkel nog plek voor donkere wolken. En voor orkaanwinden waar hij onophoudelijk tegenin zal moeten blijven worstelen. Elke dag opnieuw. Elke nacht een eenzame kwelling.

Vierenzestig jaar lang was zij de zin geweest. De verlichting en de vreugde. Zijn basis en zijn bestaansreden. En nu, nu weet hij niet meer hoe dat leven nog te doorleven valt. Het beste deel van zichzelf, het deel dat zij in hem was, is voorgoed verloren gegaan. Zijn leven is het zijne niet meer. Wat een nutteloos recht is het geworden, dat recht om voort te bestaan. Geen liefde zal haar ooit kunnen evenaren. Nee, nieuwe liefde bestáát simpelweg niet.

Hij heeft er lang genoeg over nagedacht. Lang genoeg om te weten, dat hij niets meer blieft van dit hier en nu. De wijkverpleegster zegt hem telkens weer dat hij op moet passen voor een depressie. Dat hij zich op ‘andere dingen’ moet concentreren om niet op elk moment van de dag aan haar te hoeven denken. Wat nou depressie? En welke dingen dan? Hij kán haar niet zomaar uit zijn gedachten wissen, niet ontkennen, niet níet missen, niet één seconde vergeten.

Langzaam staat hij op. Zijn knieën trillen. Licht voorover gebogen en nog zwaarder op de stok leunend, opent hij de deur naar het balkon van de schamele, totale leegte uitwasemende seniorenflat, de houten stoel voetje voor voetje achter zich aan trekkend. Acht hoog is een mooie hoogte, maar het uitzicht op de haven, waar hij tot zijn pensioen vol overgave zijn werk mocht doen, wordt hem sinds een krap jaar door een betonnen kantoorflat ontnomen. Ach, wat zal het. Hij ziet immers aan weerskanten het kille water nog.

Tastend en wiebelend klimt hij op de zitting. Sluit zijn ogen, ziet haar beneden in het plantsoen weer staan. Ze wuift. Zoals altijd. De twijfel over het verkozen einde slaat toe. Is het dan zo verkeerd om dat waardeloos geworden bestaansrecht nu op te geven? Zo verkeerd om haar gedachteloos te willen volgen? Zo verkeerd om zijn gezicht voorgoed van dat felle, ondraaglijk verblindende licht, dat een restleven vol gemis enkel nog is, af te wenden? De dieptes van zijn verdriet schreeuwen hem uit alle macht toe. Toch hoort hij haar zachte stem, dwars door het geraas in zijn hoofd heen. “Volg, mijn lieve lief. Opgeven mag.”

Een voet op de balustrade.
Een weloverwogen stap.
Een recht op leven ingeleverd.






Vandaag precies twee jaar geleden schreef ik deze tekst vanuit een opwelling. Een schrijfimpuls voortkomende uit een song die ik destijds vaak luisterde. U mag raden welke song. En nee, het is niet ‘Love is all’.

VVM – Weense Wijven (2)

Het eerdere verhaal – Weense Wijven (1) – over geharste bovenlippen, foute ouwewijvenkwalen, professioneel koffienippen en wulps gevulde olijvenschalen was slechts de eerste dag van het bezoek van mijn doorgewinterde damesclub aan Wenen. Het schrijven van een vervolg erop (de eerste avond) liet even op zich wachten. Geheel zoals het een dame op leeftijd betaamt.

De avond valt en de dames maken zich op voor een weldadige zitting bij de zogenaamde ‘Heuriger‘, een lokale wijnboer met een ‘Gastgarten‘ (ook zuiptuin genoemd), alwaar de gastheer zijn cliënten, omringd door wijngaarden en dito ranken, van zelfgestampte wijn en echte Heuriger-lekkernijen laat genieten.

Dat opmaken duurt helaas een halve eeuwigheid bij één van de toplevel-dames, waardoor we de bus missen. Geen ramp, een taxi is snel besteld. Die komt tien minuten later voorrijden: een invalidenbusje van Taxi Glück. Dat kan geen toeval zijn.

Chauffeur Hannes Hainzl stelt zich hoffelijk voor. De handkusjes worden professioneel omzeild. We hoeven niet bang te zijn: hij zal ons wundervolle dames precies daarheen brengen, waar we altijd al hadden willen zijn (en ik vraag me direct af waar dat ook alweer was).

Vanaf dat moment gaat het mis. Beate blijft met haar enkelrok aan de ingebouwde rolstoelhelling hangen. Marja stoot haar hoofd tegen het taxi-dak en Cinie brult luidkeels dat ze echt maar dan ook écht eerst nog even naar de WC moet. Daar heeft meneer Hainzl van Glück geen tijd voor, dus wordt de blaas van Cinie op de hobbelkeien van het steile landweggetje vakkundig leeg geschud. Cinie im Unglück.

Boven op de wijnbult stappen we gebroken (en Cinie doorweekt) uit. De wijngaarden zijn prachtig, de vergezichten over Wenen en de omringende groene bergen onbetaalbaar, de lekkernijen daarentegen op zijn zachtst gezegd godsgruwelijk smerig. Varkenstongzult, Speckknödel en Beuschl (orgaanvleesgoulash) gapen ons vanuit de zelfbedieningsvitrine aan. Marja, met haar paleo-veganistische lifestyle, begint spontaan te huilen. Ook de overrijpe bergkaas met ammoniakgeur (Cinie valt in ieder geval qua stank niet meer op) en de bijbehorende kummelzoutkoekjes zijn duidelijk niet haar ding. Het onze ook niet.

De wijn die we geserveerd krijgen, wordt door de wijnboer zelf afgeraden, maar het enige aangeboden alternatief – een bochtige variatie van iets dat op Chardonnay moet lijken – is volgens hem helemáál niet te drinken. Een eerlijk man, dat moet je hem nageven.

Herma kan bij aanblik van de zult haar kokhalsneigingen nauwelijks onderdrukken. We besluiten daarom samen het damestoilet op te zoeken. De blaas van Cinie volgt ons gedwee. Damestoiletten zijn overigens moeilijk te vinden in Wenen. Niet omdat ze er niet zijn maar omdat een duidelijk pixelgram van een vrouws- of manspersoon op de deur over het algemeen ontbreekt. Dit zorgde ervoor dat ik na aankomst in Wenen al redelijk snel overtuigd raakte van het feit dat iedere als zodanig herkenbare wc in de miljoenenstad per definitie voor vrouwen is. Mannen moeten maar in de druivenstruiken of achter de Stephansdom plassen. pissoir

Eerder die dag had ik me al ongewild en ongewenst op een mannentoilet verlicht omdat de m/v-indicatie op de deur weer eens ver te zoeken was. Het sneaky pissoir (dat ik bij binnenkomst volledig over het hoofd gezien had maar dat – toen ik eenmaal zat – pontificaal voor mijn neus opdoemde) vertelde me echter meer dan duidelijk dat ik op dat moment hartstikke fout zat. Maar dat terzijde.

Ook de deur van het wijnboerse mannentoilet blijkt te voldoen aan de Weense standaards: volledig vrij van enig toiletmennekesplaatje. Ik ruk met grote aandrang de deur open maar dan valt me nog net op tijd de ingang van het vrouwentoilet op. Die wordt gesierd door een naakte Barbie met plateauzolen. Geen twijfel mogelijk. Dit keer zit ik 100% zeker goed!

Enigszins gedesillusioneerd over de Weense Wijnwereld bestellen we na anderhalf uur diep zuchten van ellende onze invalidenbus op locatie. Dit keer brengt meneer Glück ons persoonlijk terug naar het hotel om en passant vijfentwintig euro extra bij de rekening op te tellen. Blijkt dat we nu ineens een stadsgrens overschreden (of beter gezegd: overreden) hebben. Op de heenweg was dat nog niet het geval dus heeft er in de tussentijd érgens in Vienna enig grensverleggend werk plaats gevonden. Of chauffeur Hainzl was een ons goedgezind taxi-groentje dat zijn stadsgrenzen nog niet kent.

Eenmaal terug op de hotelkamer worden de vijf meegebrachte flessen Sauvignon Blanc in minder dan twintig minuten soldaat gemaakt. We hadden het blijkbaar hard nodig.

 

______________________________
Ook verschenen op VerbodenVoorMannen.net

Ik, gelukszoeker

Het is nu iets meer dan een jaar geleden dat ik – nou ja, laten we het maar zo noemen – vluchtte. Ik had het in de jaren ervoor niet echt slecht, hoor. Helemaal niet. Ik had een mooi huis, mijn vaste taken, de nodige spullen, zelfs de onnodige luxe, en geen gebrek aan geld. Maar ik was niet gelukkig. Dat werd uiteindelijk zelfs ‘zeer ongelukkig’. Ik voelde me opgesloten, gejaagd, ondergewaardeerd, kreeg hartkloppingen, angsten en andere lichamelijke symptomen. Ik maakte me zorgen over mijn toekomst en over wat er van mijn verdere leven moest worden. Ik creëerde mijn eigen virtuele wereld waarin ik af en toe weg kon vluchten, maar dat was geen houdbare situatie.

Dus ging ik op zoek. Op zoek naar geluk. En ik vond het, op behoorlijke afstand van waar ik toen leefde. Maar dat gevonden geluk maakte mijn leven op mijn oude woonplek nog onmogelijker dan voorheen. Ik kón daar niet meer zijn, voelde me als een vreemde in mijn eigen huis, soms zelfs bedreigd, zag geen uitweg en al helemaal geen mogelijkheden om dat verre geluk ook daadwerkelijk na te jagen en ooit vast te kunnen houden. Dus ik vluchtte. Ja, halsoverkop en redelijk ondoordacht. Alleen het hoogstnodige nam ik mee: wat kleren, mijn mobiele telefoon, een paar kleine persoonlijke bezittingen, mijn bankpas en mijn paspoort.

Maar waar moest ik zo snel heen? Waar kón ik heen? Zomaar weggaan en alles achter je laten, zoiets dóe je simpelweg niet. In ieder geval niet in de cultuur die heerst, waar ik nu ben. Je wordt al snel gezien als een paria, een rare, een andersdenkende. Ik vond asiel bij een lokale boer. Hij vroeg weliswaar een meer dan aanzienlijk bedrag voor het onderkomen op zijn erf, maar het was oké; het moest maar zo. Ik had ineens helemaal niets meer; alles daarginds achtergelaten, zelfs mijn kinderen in eerste instantie. Ik wilde zó graag dat ze bij mij zouden kunnen komen, maar ik kon ze niets bieden, zelfs geen fatsoenlijk bed of warm eten. Dus ik regelde ik het allemaal zo goed en zo snel als ik kon. Zelf. Het kostte een duit en een paar blauwe duimen (aan mijn twee linkerhanden), maar na een goede maand heb ik mijn kinderen na kunnen laten komen.

Ze kijken me nog steeds met een scheef oog aan. Ik ben ‘die buitenlander’ die haar gezin in de steek liet om haar geluk elders te beproeven. Die andersgelovige en andersdenkende dissident. Ik word geduld, maar meer ook niet. Ze praten liever niet met mij, vinden me éigenlijk zelfs een beetje eng. Ze vragen zich af wat ik in vredesnaam de hele dag doe als ik hier in mijn opvangcentrumpje ben. Willen stiekem ook heel graag weten wat ik de rest van al die dagen doe, als ik er níet ben. Heel af en toe doen ze een poging om informatie uit mij te porren. Hoe ik me die auto kan veroorloven. Of die smartphone. Wat ik dan doe om aan het nodige geld te komen. En of en vooral waar ik belasting betaal. Het liefst zouden ze tot in de puntjes noteren, welke uitkeringen en subsidies ik – die geluk zoekende vreemdeling – allemaal krijg.

Ik probeer het ze steeds weer geduldig uit te leggen. Ik heb de taal in rap tempo meer dan goed geleerd, ik heb mijn uiterste best gedaan om fatsoenlijk te integreren. En dat is ook gelukt: ik ken al veel mensen, heb een eigen netwerkje. Ik heb mijn eigen ‘zaakjes’ opgebouwd, waarmee ik de eindjes aan elkaar knoop, samen met wat ondersteuning van lieve familie. Ik ben hoog opgeleid, wat men nauwelijks kan of wil geloven, want: “wat heeft een immigrant met twee universitaire diploma’s hier bij ons überhaupt te zoeken wat ie niet ‘thuis’ kan vinden?” En nee, ik krijg geen uitkering of ondersteuning van de staat. Van geen enkele staat. Echt niet. Ze vinden het allemaal maar verdacht. Dat voel ik aan mijn allochtone water. Want een autochtoon zoals zij zal ik híer immers nooit worden.

Ik blijf ze dankbaar. Blij dat ik hier mag zijn. Ik heb nu op dit erf rust gevonden, een onderdak en mijn kinderen voelen zich hier inmiddels ook best thuis. De mensen zijn aardig, ik word enigszins getolereerd en ik zie weer mogelijkheden om een gelukkiger bestaan op te bouwen. Maar toch… toch wil ik ooit terug naar mijn vaderland.

Je eigen geluk zoeken én vinden blijft hard werken. Levenslang.

Overgankelijk

Hoezee, ik ben ongesteld!*

Het heeft even geduurd voor ik het teken, dat er zo geruststellend op duidt dat ik nog nét niet midden in de grootste ellende aller menopauzes zit, compleet onverwacht in mijn onderbroek aantrof. Maar na zo’n drie maand afwezige baarmoederontlading weet je het: dit is onmiskenbaar het begin. Ik heb de vierenveertig nog maar amper bereikt en het omen manifesteert zich genadeloos. De helse voortekenen zijn daar. Wat heet: grote uitroeptekens in de vorm van zichtbaar wordende hamsterwangzakjes, lichte rimpels bij mijn ooghoeken, vooral als ik mijn ogen samen knijp of lach, en hele fijne maar overduidelijke groefjes vlak boven mijn lip. Het haar wordt dunner, mijn handen veranderen in die van mijn moeder. Ze worden zo veel zachter. De aders, lijntjes, poriën en kleine donkere vlekjes zichtbaarder. Vroeger riep ik altijd dat ik wel ouder maar zeker niet oud wilde worden. Nu is het zover.

Steeds meer last van kwaaltjes ook. Niet door een slecht immuunsysteem maar door slijtage. Die onderrug die het niet meer trekt na een uitgebreide sportsessie. Die schouders die continu vast zitten. Die knieën die ’t regelmatig een seconde of twee begeven en chronisch pijn doen. Dat bekken dat zorgwekkend kraakt als ik na een uurtje werken uit mijn bureaustoel opsta (en niet alleen dan). Ik moet tegenwoordig ook eerst even strekken voordat ik weer soepel en rechtop kan lopen. De opdoemende behoefte aan een leesbril. En héét dat ik het bij vlagen heb. Parels op mijn bovenlip, stroompjes uit mijn oksels. Dat zweet ruikt ook duidelijk anders dan vroeger. Ouder.

Het onwillekeurig piekeren over de grootsheid van en voldoening in je leven. Ze zeggen dat ’t er ook bij hoort. Vluchtig bladeren in het boek, dat je alledaagse, nietige bestaan beschrijft. Veel van wat er in een mensenleven te hebben, te zien en te doen valt, heb ik gehad, gezien en gedaan. Jeugdliefdes, lange-afstandsrelaties. Studies, ontgroeningen, verre reizen. Eetstoornissen, een inmiddels marginaal misbruiktrauma. Werknemer- en ondernemerschap.

Geëmigreerd, twee kinderen op de aardkloot gezet (dát is pas ouder). Nog een stuk verder gemigreerd (ja inderdaad, ik was en ik ben óók zo’n geluk zoekende migrant). Grond gekocht, huis gebouwd. En dat is allemaal al lang weer weg. Met mijn neus keihard op de vergankelijkheid van alles gedrukt. Maar ook op de misbaarheid ervan. Met elke verloren zaak komt de realisatie en acceptatie van het niet langer nodig hebben een stapje dichterbij. Sommige dingen blijven altijd, blijven bij me. Verdriet. Gemis. Verlies. Ziekte. Scheiding. Afscheid van wat eens was. Maar juist ook: nieuwe doelen, nieuwe levenslust, nieuwe liefde en de begroeting van alles wat nog komen gaat.

Het enige wat ik niet heb, is dat alom verguisde, deprimerende middenlevensgevoel. Dat gevoel dat je schijnt samen te kunnen vatten in één enkel zinnetje: “Is dít het nou?” Ja, het IS precies dit! Het werk dat ik nu doe, het leven dat ik nu leid (en zeker niet lijd), de bergen van liefde die ik nu geef én krijg, de lol die ik nu heb, de groeiende innerlijke vrede met hoe het nu is. Dát is mijn eigen kleine, darwinistische evolutie. De overwinning op mijn zijn.

En het is pas nu, dat ik mijn grotendeels nog prachtig gekleurde bladeren daadwerkelijk begin te zien. Ze dwarrelen één voor één uit mijn levensboom omlaag. Ik staar naar de grond voor mijn voeten en zie hoe ze langzaam roodbruin worden. Sommige verdorren te snel. Uiteindelijk waaien ze weg. En ik klink als een honderdjarige. Zelfs dat weet ik in het nu.

De mooiste bladeren raap ik op. Maak er een kunstwerkje van. Ze blijven bij me, als een aanschouwelijke compilatie van al het groen dat in vier decennia kon groeien aan de takken van een volumineus geworden boom. En weet je, ik ben een sterke boom; er komen nog steeds ontelbare nieuwe, frisgroene, fraai gevormde blaadjes bij. Mijn gesnoeide takken lopen telkens opnieuw uit. Ik sta misschien wat onregelmatiger in bloei, toch doe ik het voor een boom niet slecht.

In bomenjaren ben ik namelijk nog piepjong.


ik word oud.
Ik hoop het zo.






*) ‘de openingszin die ik wist dat ooit ging komen’

 

Beschrijf je zusje

Zo luidt vandaag zoons oefenopdracht voor het vak Duits (als in: Nederlands voor Nederlandstalige kinderen, maar dan net even anders). Over twee weken het grote proefwerk: De Persoonsbeschrijving.

Ik zit te werken op mijn kantoortje, hij om de hoek aan de keukentafel, nog geen twee meter verderop. Ik hoor hem foeteren en ploeteren.

Persoonsbeschrijver“Ik beschrijf mijn zusje.

“Kolere, wat schrijf je nou over een zusje.”
“Mijn zusje heet Tina*. Ze is een meisje, maar dat had u vast al verwacht.”
Dochter grinnikt vanuit de woonkamer.
“Ze is toevallig ook nog het kind van mijn moeder. Net als ik.”

Ik schiet ook in de lach, maar luister nu wat preciezer naar zijn gemompel; zoon heeft duidelijk inspiratie. En een pesthumeur.
“Gossamme, hoe schrijf ik meer dan tweehonderd woorden over iets dat ik niet eens beschrijven wíl?”

Mijn zusje heeft een grote mond waar ze vaak vet veul eten in propt.
Luid protest vanuit de woonkamer dat die zin onmiddellijk ‘geinktwisserd’ moet worden. (“Héé! Das wirst du sofort tintenkillern! SOFORT!”)

Dan barst hij los, zoals altijd hardop denkend (waar ik mij dit keer echter zeer over verheug)

“Mijn zusje heet Tina. Ik zal het even spellen. We hebben een teeee. We hebben een iiiii, we hebben een ennn en natuurlijk hebben we ook nog de aaaa. Mijn zusje ziet er precies zo uit als mijn moeder, alleen kleiner.”
Ik hoor hem in zijn tas rommelen.
“Hier, heeft u een foto van mijn moeder.”
Ik grijns vertederd.
“Deze foto heeft net als alle foto’s vier hoeken en is nogal klein. Hij is geprint op fotopapier met een…”

“Maahaaam! Wat voor merk printer heb jij?”
“…Brother-printer. Die printer heeft mijn moeder natuurlijk ook bij Amazon gekocht.”

Stilte. Ik neem aan dat zijn hersenen even op adem moeten komen.
En het is me nu ook duidelijk dat ik veel te vaak iets bij Amazon bestel.

Amazon is een mega-groot bedrijf dat overal op de wereld een hoop rotzooi aan mensen verkoopt. Maar onze printer is geen rotzooi, die is goed. Dat ziet u wel aan deze foto. En mijn moeder zegt dat ook iedere dag. Amazon komt trouwens uit Amerika. Amerika noemen ze ook wel de Verenigde Staten maar eigenlijk is Amerika een continent en de Verenigde Staten gewoon een land van veel landen.”

“Ze hebben daar een vlag met strepen en sterren erop. Sterren staan ook aan de hemel. Maar de hemel zelf is een verzinsel. Het is gewoon ons zonnestelsel in het universum, waar we met zijn allen stom naar zitten te staren.


“Zo, nu weet u ook hoe mijn zusje eruit ziet.

“Hoeveel woorden heb ik nu”

“Ik reken mooi die gespelde letters ook als woorden.”

“Sjezus, nóg vijftig!” Hij tikt getergd met zijn pen op tafel, op zoek naar een oplossing.

“Mijn zusje stottert nogal. Ondanks dat praat ze toch irritant graag en veel. Als mijn zusje iets tegen mij zegt, dan gaat dat altijd zo: “Hey, hey, hey, hey, blijf blijf blijf blijf met met met met je je je je je vieze vieze vieze rot rot rot rot ving-ving-vingers van van van van de de de de af-af-af-afstands be-be-be-diening-ning af af af af af. AF!” Ja, mijn zusje kijkt erg graag naar de televisie.”

“Zo. Dat moet wel genoeg wezen.”





*) Die naam heb ik verzonnen. De rest niet. Ik heb getuigen. En nee, ‘Tina’ stottert niet.

Kwestie van vertrouwen

Gisteren bracht ik mijn twaalf jaar oude boots naar de schoenmaker. Ik kon er niet meer omheen: de laarzen waren kliko-rijp, maar ze weggooien, dat kan ik echt niet over mijn hart verkrijgen. Ze zitten zó fijn, zijn zo lekker stoer en ze horen simpelweg bij mij. De gang naar de lokale laarzendokter was dus obligatoir. Mijn hoop was op hem gevestigd, op deze oer-Oostenrijkse 70-plusser van het oude ambacht.

Het is een piepklein winkeltje: als je de deur opent, doe je nog één pas naar voren en dan sta je voor de toonbank annex kassa annex werkbank annex koffietafel annex hele winkel. BootsAchter die met papieren, schaafsel, verweesde schoenen, schoensmeer en gereedschap bezaaide ‘balie’ staat meneer Schuhmacher zijn ding te doen met een paar bejaarde faalbeige gezondheidsinstappers. Je kunt dan rustig even gaan facebooken want hij laat je standaard minstens vijf minuten wachten; eerst afmaken waar hij mee bezig was, dan pas ben jij aan de beurt.

“Wat kan ik voor u doen?” mompelt hij, je niet eens aankijkend want die halve zool moet nog bijgesneden worden.
“Mijn lievelingslaarzen zijn kapot. Ik ben erg aan ze verknocht, dus er moeten nieuwe ritsen in en nieuwe zolen onder.” Meneer Schuhmacher pakt mijn meest kapotte linkerlaars en kijkt me dan tóch ineens, zij het zwaar medelijdend, in de ogen.
“Weet u zeker dat u dat nog wilt laten doen? Deze laarzen kunt u beter liefdevol begraven als u er zo aan gehecht bent.”
Ik kijk hem ontzet aan en vraag of hij niet toch nog mogelijkheden tot reanimatie ziet.
“Jawel, maar dat kost u minstens tachtig euro, plus nieuwe zolen, komt u op [Schuhmacher pakt overjarige calculator erbij] zo’n honderd euro. Nog een paar euro erbij en u kunt nieuwe kopen. Dat zijn deze laarzen toch niet meer waard?”
Hij snapt mij niet. Ik had van deze man meer passie voor oude schoenen verwacht. Toch blijf ik bij mijn reparatiewens. Met een laatste onbegrijpende zucht pakt hij mijn boots, draait ze voor zijn neus om, en legt ze op de all-in-one-schoenmakersmachine achter hem. Als ik ze daar moedeloos zie liggen, schiet ik bijna vol.

“Mag ik die honderd euro dan gelijk even incasseren?”
Ik frummel mijn bankpas tevoorschijn.
“Nee, alleen contant, sorry.”
Ik leg het geld op de toonbank en wacht op mijn bonnetje. Dat komt niet. Achter mij staat een oudere dame te grinniken om mijn onwetendheid: deze man doet noch aan kwitanties, noch aan enige technologie buiten zijn werkmachine en calculator om, noch aan schoenenadministratie.
“Ehm, heb ik dan geen afhaalbewijs of iets dergelijks nodig?”
Hij staat alweer met zijn rug naar me toe en buigt zich over mijn comateuze boots.
“Nee hoor, ik weet wel dat deze van u zijn. Vrijdagochtend zijn ze klaar. Tot ziens!”

Geen bonnetje. Maar ik heb er het volste vertrouwen in.

Blijft de vraag in mijn achterhoofd hangen:
Had ik er ook zo veel blind vertrouwen in gehad, als de man géén oer-Oostenrijker was geweest?

Vluchteling in de bus

Dochter (10) komt ’s middags met de schoolbus naar huis. Ze knalt de deur dicht, smijt haar tas in de hoek en roept meteen: “Mam! Weet je wat? Vandaag zat er een vluchteling in de bus! En IK zat naast hem!!”

Tja, dat kan gebeuren: nog geen vijfhonderd meter verderop is een net gerenoveerd hotel annex restaurant met nog veel vrije kamers en gastenappartementen in no time omgetoverd tot een opvanghuis annex AZC voor de vóór de Duitse grens gestrande vluchtelingen. Inmiddels zitten er een stuk of vijftig, waarvan circa tien kinderen bij dochter op school zitten. Ze wonen daar heel erg mooi, met een zwemmeertje [‘oh jee…’ dacht ik. (vergeef me)], een prachtig beekje [meer oh jee’s misschien?], een speelplaats met leuke wipwappen en bungeltoestellen en alle benodigde faciliteiten tot hun beschikking. Een persoonlijk initiatief van de hotelier met (financiële en psychische) ondersteuning van de lokale Diakonie. Zelfs een eigen bus is inmiddels geregeld om te voorkomen dat de oorlogsvluchtelingen ter plekke in een isolement raken; er rijdt daar [‘in deze negorij hier’ denk ik dan (vergeef me opnieuw)] immers geen ‘normale’ busdienst. En misschien worden het er binnenkort wel honderd, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niets van ze gemerkt [ja, ik hoor ’t u vragen: “móet dat dan?” Nee.]. Niets gezien; geen incidenten, geen bedreigde vrouwen, geen inbraken, geen vechtpartijen, geen iPhones, geen overlast, he-le-maal niets. Tot vandaag.

Dochter vertelt honderduit over haar ‘dispuutje’ met ‘de vluchteling in de bus’. Een jochie van een jaar of acht.
“We hebben van die enkele en dubbele zitplaatsen in de bus, maar hij ging dus op een dubbele zitten en ik ben gewoon maar eens naast hem gaan zitten want hij zag er best heel interessant uit.” Helemaal goed, schatje. Geen xenofobische trekjes in ieder geval.

Maar het geijkte obstakel doemde klaarblijkelijk al snel op: ’t jochie sprak geen woord Duits en dochter helaas geen Syrisch (of was het toch Ghanees?). Het mocht niet deren: als dochter wil communiceren, wordt er gecommuniceerd. Punt. Het jochie schoof wat op en trok vervolgens zijn voeten in kleermakerszit onder zich op het zitvlak de stoel.

“Ja, en dát, mam, DAT kon dus écht niet hè!! Hij had vreselijk gore schoenen aan, vol met modder! [‘van het rondploeteren in dat zwemmeertje??’ denk ik dan. (Vergeef mij nog maar eens een keer…)] En sowieso mag je in de bus niet met je vieze schoenen op de zitting. Dat mag thuis toch ook niet? Van Harry [=de buschauffeur] mag dat dus al helemáál niet niet! Maar die zag dat niet want die moest rijden en hij was aan het telefoneren en zijn sigaret aan het maken tegelijk, en…” Dochter kakelt aan één stuk door. Ik smeer een boterham, aanhoor haar en denk enkel: “Morgen eens even een woordje met die Harry wisselen over telefoons en sigaretjes-rollen tijdens het rijden.”

“…dus zeg ik tegen hem: ‘Hé jij, vluchtelingenjongetje! Dat mag niet van Harry, hoor!’ Nou, hij keek me toch een potje raar aan… Toen wist ik het: hij verstónd me helemaal niet! Dus deed ik mijn voeten óók heel even onder me op de stoel en toen wees ik ernaar, keek hem hartstikke boos aan en schudde heel hard m’n hoofd en wijsvinger voor z’n neus. Toen zette ik mijn voeten weer op de grond, wees ernaar en knikte lachend naar hem. Mét duim omhoog. En weet je wat, mam? MET DIE DUIM HIJ SNAPTE HET INEENS!!! Hij deed meteen z’n voeten omlaag. Hij keek me héél even weer zo raar vragend aan maar ik knikte blij, zo van ‘ja jochie, zo is ’t goed’. Toen lachte hij zelfs naar me! Lief hè? Ik vond ‘m echt heel aardig. En hij heeft hele mooie tanden! Maar weet je, als je een vluchteling gewoon zégt – nou ja, zoiets van zeggen dan hè, dat snap je wel – wat er hier allemaal niet mag, dan doen ze dat dus ook niet meer! Ze wéten het alleen niet, want bij hun thuis was dat anders. Dus je moet het ze zéggen! Én je duim omhoog doen. Tof hè?”

Afijn. Samenvatting niet nodig, lijkt me.

_______________________________________

WAARSCHUWING n.a.v. een posting van Tiny S. op FB: Wees voorzichtig met die duim!! Misinterpretatie is mogelijk 🙂 Tiny schrijft: “Een duim omhoog is een veilig positief gebaar, zolang je niet in Latijns-Amerika, West-Afrika, Griekenland, Rusland of in het Midden-Oosten bent. Daar betekent een duim omhoog ongeveer hetzelfde als een middelvinger hier. Volgende keer dus eerst even goed nadenken wie je op Facebook een ‘like’ met een duimpje omhoog geeft.” 

En een kleine aanvulling m.b.t. de context van dit blogje: Hier (dat is dus in Oostenrijk en dan vooral in het deel waar ik woon), zijn erg weinig (lees: praktisch geen) buitenlanders. Anders getinte mensen – ik weet niet hoe ik het anders kan/mag omschrijven -kom je hier nauwelijks tegen. Op de school met pak-em-beet 220 leerlingen zaten tot voor kort welgeteld 3 kinderen die niet Oostenrijks-katholiek zijn: een Jehova’s getuige, een Turks jongetje en een ‘ongelovige’ (=dochter). Een vluchteling is dus daadwerkelijk een exoot hier, en daarom ‘interessant’; men ként het (ze) gewoon niet. Misschien is dit ook de reden voor de grotendeels afwezige agressie tegen en/of allergie voor alles wat met vluchtelingen/asielzoekers te maken heeft. Dochter was in dit geheel enkel onbevangen, niet vooringenomen en open voor ‘nieuwe aapjes’ (zoals het op facebook genoemd werd). Dit blog is niet denigrerend bedoeld, het is enkel een anekdote in genoemde context.

VVM – Weense Wijven (1)

Picture this. Een romantisch hotelletje, net buiten Wenen. Zes dames van middelbare leeftijd die op een idyllische binnenplaats een royaal ontbijt naar binnen werken. Ze moeten de bodem leggen voor een nieuwe dag vol Weense indrukken, week wijvengewauwel, moeizame wandelwegen en vooral: vól Weense Witte Wijn. Hashtag WWW.

FotoApotheekWenen“Heeft één van jullie nog een tramadolletje voor me? Mijn artroseknieën zijn na gisteren niet te harden.” De vraag geeft een goed beeld de groepsleeftijd. Ik ben het overduidelijke kuiken van ons zessen. Met mijn drieënveertig lentes zo’n tien jaar jonger dan de rest. De oudste is maar liefst vijfenvijftig en de dames gedragen zich bij tijden dan ook alsof ze hoogbejaard zijn.

“Zeg, waarmee hars jij je nou bovenlip? Kijk, deze lange harde. Ja, kijk dan! Hier! Die wil dus maar niet weg, wat ik ook probeer…”
“Waar gaan we vanavond eten? Ik wil wel naar een vega-restaurant want ik kan écht niet tegen ei, granen, varkensvlees, vis, melk, spinazie en plastic tandenstokers. Dan ga ik acuut dood.”
“Oh, alsjeblieft zeg, geen vet eten hoor!  Dan speelt mijn gal zo op, ik ben nog niet half hersteld van mijn galblaasoperatie.”
“Heb jij al je kniebanden eigenlijk nog wel?”
“Als je zo snel praat, kan ik je écht niet meer volgen. En als jullie allemaal door elkaar praten al helemáál niet. M’n linkeroor is sinds de geboorte van mijn zoon doof, dusseh, één voor één graag, ja? JA??”

Ik aanhoor alles met liefde. Ik zou hier en daar best nog een schepje bovenop die Mount Everest aan ziekelijke aandoeningen kunnen doen, maar dat lijkt me zinloos: het kan bij de rest toch altijd weer een graadje erger. Bovendien voel ik me, naarmate de gesprekken vorderen, innerlijk in gestaag tempo jonger worden en ik moet toegeven: dat is best heul lekker! Het krakkemikkige-ikke-gevoel verdwijnt als sneeuw voor de zon, om van dikke ikke maar niet te spreken. Vooral niet beginnen over mijn eerste tekenen van de overgang. Dan gaan ze daar weer vol overgave op los en ik heb totaal geen zin in gruwelverhalen over klotsende oksels, emotionele instabiliteit, ziekelijke rimpelvorming en vaginale droogheid. Ik ben jong, ik ben fris, en vooral heel fruitig. Relatief gezien. En dat blijft mooi nog even zo.

hawelkaWe lopen gezusterlijk door de imposante binnenstad. De één trekt iets met haar rechterbeen, de ander loopt hijgend en zwetend een meter of veertig achter ons. Na een kwartiertje is het hoog tijd voor een kop koffie (“Eine Wiener Mélange, bitte?”) op het terras van het wereldberoemde Café Hawelka, dat al meer dan een halve eeuw niet gerenoveerd is. De koffie smaakt precies zo. Enthousiast krakeelt één van de dames: “Oh, echte Hawelka-koffie! Delen we samen een kannetje? Ik bedoel de koffie hoor: het kannetje moet heel blijven! Ha ha ha!” Het is als vloeken in de kerk, maar ik neem bij nader inzien toch maar een glas Prosecco.

Een groep Japanners schuifelt achter een parapluutje richting Hofburg. Wij hobbelen er gedwee achteraan. Bij de Spaanse rijschool staat waarachtig een kudde van die beroemde Fiaker-koetsen op ons te wachten. FiakerpaardenDe dames willen een ritje maken, maar ik pas: mij niet gezien in zo’n paardenmartelding. Selfies met een paardenkop in je nek blijken een absolute must, dus ik wacht geduldig in de schaduw. De paardenkeutelopvangzakken worden nog even nauwkeurig geïnspecteerd en van schijtende paarden komen we als vanzelf op sproeiende koeien, waarbij er droogjes opgemerkt wordt dat koeienschijt én -scheten veruit de grootste bijdrage aan het gat in de ozonlaag leveren. Zo leer je nog eens wat.

Ik wil naar het Zentralfriedhof. Daar ligt namelijk mijn jeugdliefde Falco begraven en als ware Falcofiel moet je toch één keer in je leven bij dat verhipte graf geweest zijn. Volgens de lady’s is dat een klere-eind met de S-Bahn en nog verder lopen, dus dat wordt ‘m niet. Dan liever naar de Naschmarkt, daar valt tenminste wat te kanen. We kwijlen elkaars besjaalde colbertjes vol bij de aanblik van op kleur gesorteerde jumbo-olijven, gloeiende oriëntaalse kruiden, Aziatische kaasspecialiteiten, Hindoestaanse regenboog-baklava en toonbanken vól met exotische noten, zaden, vruchten, vissen, varkenskoppen en andere etenswaardigheden.
“Ja ja, het ziet er allemaal práchtig uit, maar nee, niks voor mij, ik krijg er vreselijk smerige etterbulten van.”
Ik neem demonstratief een olijf met ansjovisvulling van de heftig flirtende marktkoopman aan. Lekker. De olijf ook.

Eigenlijk zouden we allemaal regelmatig op stap moeten met een clubje “ouderen”: je innerlijke jeugdigheid gaat er kilometers op vooruit. Ik huppel lustig verder, de meesmuilende meute achter mij latend. Jawohl, das Leben ist schön!
___________________________________________________

Ook gepubliceerd op VerbodenVoorMannen.net

Is Karma echt zo’n bitch?

In twee seconden getwitterd, in twee seconden je carrière om zeep? Mia dacht even niet na over de impact van haar tweet. Een zwaar kraanongeval in Mekka, 60 doden, ca. 80 gewonden en zij zegt daarop: “[…] Karma is a bitch. #9/11.” Mia weet blijkbaar niet dat hastags met getallen niet werken, maar dat doet er niet toe. Niet meer. Wat zij werkelijk bedoelde met haar uitspraak, ook niet.

MiaSliwinski“Het lot kan harteloos zijn.” Dat was alles wat ze ermee had willen zeggen. Had ze 9/11 weggelaten, was de lawine misschien slechts een oversized sneeuwbal geweest. Had de hashtag daadwerkelijk gewerkt, was ze nu waarschijnlijk al lang ondergedoken of doodgestoken.

Maar: had IK dit getwitterd, was er niets gebeurd. Ik zou wellicht een paar mensen over me heen hebben gekregen die gevonden zouden hebben dat dit dus écht niet kan. Een paar fanatiekelingen zouden me waarschijnlijk ontvolgen en klaar. Iedere no-name mag roepen wat ie wil, de ergste verwensingen, de grootste racistische uitingen, de meest gruwelijke vergelijkingen. Niemand die daar nog van opkijkt. Het internet staat er vol mee. Het verschil met Mia? Zij heeft, als partijraadslid en docente Nederlands, een zogenaamde voorbeeldfunctie waardoor het behoud van haar functies afhankelijk is van andermans mening over haar. En die kan zomaar ineens volledig veranderen, dat blijkt.

Zo gauw je een maatschappelijke positie hebt, waar andere mensen in jou een voorbeeld zouden kunnen gaan zien, is je vrijheid om je mening te uiten volledig verdwenen. Op de eerste de beste ondoordachte uiting in de vorm van een snelle tweet, een meervoudig interpreteerbare zin in een interview of een simpele status op Facebook wordt je keihard afgerekend.

Zo bestaat er nu zelfs een Facebookgroep “Wij eisen ontslag Mia Sliwinski.” Ja, echt. En nee, geen link. Ik weiger een bijdrage te leveren aan dit soort stupiditeit. De domheid aldaar is werkelijk stuitend. Men gelooft zelfs in zelfverzonnen sprookjes: “De Gemeente Spijkenisse en haar partij gaat bij 10.000 likes een einde maken aan de werkzaamheden van Mia! Deel de pagina met jong en oud en vergeet niet te liken!” aldus de site. Mag ik even lachen? Alsof een gemeente haar ontslagbeleid gaat afstemmen op het aantal likes op een idiote Facebookpagina. Ook de school waar ze werkt, werd blijkbaar bestookt en gedwongen tot een reactie, die gelukkig enigszins ‘verstandig’ uitviel.

Mia’s tweet valt natuurlijk in het niet bij uitspraken zoals die van Dhr. Werner Fayman, onze Oostenrijkse bondskanselier, die de massale ‘deportatie’ per trein van in Hongarije aangekomen vluchtelingen vergeleek met de Holocaust. Deze uitspraak was misschien diplomatiek gezien niet erg handig, zeker niet met een buurhaai als Viktor Orbán in je nek, maar het is wél waar iedereen bij het zien van de beelden aan denkt. Alleen mag je het in díe positie níet meer zeggen. En dat vindt iedereen heel normaal.

Conclusie:
Ben je een nobody? Roep wat je wilt, er is toch niemand die een voorbeeld aan jou neemt. Je bent hooguit een paar vrienden of tweeps armer.
Ben je niet afhankelijk van een werkgever die waarde hecht aan marktimago en uitspraken van medewerkers? Gooi er vooral uit wat je niet binnen kunt of wilt houden. Het zal anderen worst wezen.
Ben je zo iemand die alles aan de afgetrapte laars lapt en vindt dat ie sowieso niks te verliezen of te verbergen heeft? Hou je niet in en smijt heerlijk iedere opwelling verbaal op het net.
Ben je dat allemaal niet? Dan ben je per definitie maatschappelijk bezit en moet je je mening te allen tijde inslikken, want bij jou is Karma pas écht een bitch.

De vrijheid van meningsuiting is dood.
Lang leve de vrijheid van meningsuiting.

David en Billy

David zingt.
“Love me, love me, love me, love me, say you do
Let me fly away with you?”
Ik kan niet vliegen.
Meevliegen met mij zit er dus ook niet in.

In gedachten lukt het steeds beter.
’s Nachts. Vooral ’s nachts vliegt het fijn.
Waarom ben ik hier? Wat heb ík nou echt gepresteerd?
Waarom zou iemand überhaupt van míj willen houden?
Ik heb al zo veel mensen ongelukkig gemaakt.
Ze hebben geleden door mijn toedoen. Actief overspoeld.
Of simpel weggeëbd in de tijd.
Waarom lijden ze dan? Omdat ik weg gegaan ben?
Dat kan toch niet? Wie ben ik om gemist te worden?
Is het wel het missen van mij, als persoon?
Is het niet dat, wat ik ze aangedaan heb door weg te gaan?
Is het juist al dat, wat ik weggenomen heb?
Dat ooit intacte wereldbeeld, vergruizeld.
Die verloren visie van hoe het had moeten zijn.

Ik wist wél waar ik heen ging, toen ik mij verwijderde.
Misschien is dat dan, wat het meeste steekt…
Zij wisten niet wat over zou blijven.
Een soort van niks? Enkel een waarom?
Was dat wat was zo weinig waard dat ik het weg kon gooien?
Daar ligt de denkfout. Het was me niet te weinig waard.
Integendeel. Het was zó veel waard, dat ik ’t vrij moest laten
omdat het door de tijd heen steeds minder bij mij hoorde.
Tot ik niets meer hoorde.

David zingt nog steeds.
“Don’t you know, you’re life itself!”
Ben ik dat? Ik ben toch enkel mijn leven.
Maar ik ben ook het leven van mijn kinderen.
Ik mis ze, de dagen dat ze niet om mij heen draaien.
Maar die dagen ben ik weer die, die ik ooit was.
Waarom wil ik mijn oertype nu en dan terug?
Omdat de eerste ik niet wist, hoe pijn te doen.
Ik wist toen slechts hoe gelukkig te maken.

Back to core business. Of midlife crisis.
That core now contains a lot more.
Een harde kern, toch plotsklaps gespleten.
Steeds wijdere cirkels rond de dode planeten
Maar ik heb waardevolle manen meegekregen.

In de spiegel kijken andere ogen me aan.
Gegroeid is die, die ik zie. Wat ooit
een beginsel was, is nu mens met diep verleden.
Met een nieuw gezicht dat in de toekomst blikt.
Maar ik zal mijzelf nooit missen.
David geeft het stokje door aan Billy.

Billy zingt.
“Eyes without a face.”
Ja. Ik zie het ook.
Ik begin oud te worden.
Fijn.

Lintworm

Zondags ontbijt.
Dochter neemt een grote hap van haar broodje filet americain. Ze kauwt genoeglijk.
LintwormOnderwijl oppert zoon nonchalant: “Hey mam, lintwormen zitten in rauw vlees, hè?”
“Euh, ja. Ook.”
Ik kijk hem scheef aan, snap heel goed waar hij heen wil met zijn vraag.
“En als je een lintworm hebt, dan vreet ie alles in je darmen op, toch?”
Alsof hij dat niet zou weten. Het jong weet sowieso alles.

Ik leg zo zakelijk en droog mogelijk uit dat lintwormen bij mensen maar héél zelden voorkomen, bij dieren die rauw vlees eten en vaak vlooien (overdragers van dergelijk gespuis) hebben, zoals katten, wel wat vaker. Dat koeien die wormen en hun eitjes in hun darmen kunnen hebben door gras met besmette ontlasting te eten. Dochter stopt met kauwen.
“Yuck!! Kunnen jullie het niet éven over iets anders hebben?”

Maar zoon weet van geen ophouden.
“Joh, maak je niet druk. Als jij een lintworm hebt, word je eindelijk slank. Mooi toch?”
Dochter kijkt verongelijkt naar haar buik.
“En als je niet genoeg eten in je buik hebt, begint ie gewoon met je ingewanden. Dan word je van binnen helemaal uitgehold. Oh, en hij legt ook eitjes die naar je hersenen kunnen gaan. Dan word je nog gekker dan je nu al bent.”
Dochter wordt bleek.
“Ja, echt! En koeien hebben het nu ook nog heel vaak hoor! En dan zitten de eitjes in het vlees. In gehakt en zo. Lekker joh!”

Ik kijk zoon vermanend aan. Nú stoppen of in de woonkamer verder eten. Met de deur dicht a.u.b.
Zoon staart stoïcijns terug en mompelt tussen neus en lippen door: “Nou zeg, ik wou alleen maar even waarschuwen. Dat wat zij nu eet – hoofdknikje richting dochter – is ook hartstikke rauw, gemalen koeienvlees.”
Dochter racet naar de badkamer.

Elke keer weer gezellig, dat zondagse ontbijt.

Es ist, wie es ist

Schwer ist es.
Schwer, um genau das auf zu schreiben,
was ich wirklich sagen möchte.

Schwierig ist es auch.
Schwierig, mich zu äußern.
Schwierig, niemanden mehr zu verletzen
mit meiner persönlichen Verarbeitung vom ganzen Geschehenen.

Ich möchte den Einen auf keinen Fall verunsichern, dem Anderen aber irgendwie so gerne schildern, wie ich’s erfahre und bislang erfahren habe. Zeigen, dass es in meinem Herzen bei weitem nicht so eisig und kalt ist, wie es für die Außenwelt aussehen mag. Im Gegenteil.

Nein, ich bedauere nicht. Non, je ne regrette rien. Es ist, wie es ist und es ist gut so. Ich verdanke ihm so viel. Zwei fabelhafte, besondere Kinder und Dezennien des guten Lebens. Tausende Erinnerungen und Erfahrungen. Ich werde sie nie vergessen. Auch nie vergessen wollen. Oder können.

Aber irgendwann, vor einigen Jahren, fingen wir an, den Faden zu verlieren. Diesen Faden, der uns so lange zusammenhielt und der ganz langsam, ja, fast unmerklich, ausfranste. Schlussendlich brach er. Wir bemerkten es nicht einmal, aber unser Flickenteppich fiel in Zeitlupe auseinander. Die Fetzen waren immer weniger miteinander verbunden. Bis alles plötzlich in einzelne Stücke auf den Boden fiel. Die warme Decke war keine mehr. Irreparabel. Kaputt.

Wir haben unser Bestes getan. Alles, um es so gut wie’s ging, zu regeln. Und das ist uns auch gelungen. Es ist absolut erstaunlich, aber unser Nachwuchs gedeiht nach wie vor. Den beiden geht’s überraschend gut, mal abgesehen von den Schwierigkeiten, die sie sowieso schon immer hatten. Wir regeln das. Wir schaffen das. Und sie werden ihren Weg finden, koste es, was es wolle.

Ich sagte: “Ich bedauere nicht”. Stimmt auch weitestgehend. Aber irgendwie doch nicht ganz? Ich bedauere, wie es gelaufen ist. Die Art, die rasante Geschwindigkeit, die Brutalität. Wie eine Dampflokomotive. Er sagte: “Alles hat eine gewaltige Eigendynamik bekommen und jetzt ist der Zug nicht mehr zu stoppen. Er wälzt über alles drüber…”

Und so war es in der Tat.

Es so weit haben kommen lassen, dass es im Vorhinein schon keine Chance mehr hatte. Und ja, da bin ich sicherlich mehr Schuld. Ich hätte viel früher aufschreien müssen. Aus meiner Sicht habe ich das auch mehrmals getan, nur war’s wohl nicht laut genug… Darüber zu streiten hat jetzt keinen Sinn mehr. Es ist, wie es ist.

Wir sind nun beide zusehends glücklicher. Er mit der Seinen, ich mit dem Meinen. Sie gibt ihm wieder Halt. Sie ist mit Sicherheit eine tausend Mal bessere Frau für ihn als ich es je sein konnte oder sein würde. Das hoffe ich wirklich  aufrichtig. Und ich habe ebenfalls meinen Lebensmensch gefunden. Es ist irgendwie ein blödes Wort, ich weiß, aber es fühlt sich nun mal so an. Er ist gut für mich. Derjenige, der mir wieder Halt gibt. Das Ganze war möglich weil wir – er und ich, wir beide – zuschauten, während wir in den Abgrund schlitterten. Abgerutscht; von fast gar nichts schnurstracks hin zu einfach gar nichts mehr.

Desinteresse. Kritik. Gegenseitige Unzufriedenheit. Entfremdung. Verfremdung. Gleichgültigkeit.

Bis es irgendwann nur noch ein mehr oder weniger seelenloses nebeneinanderher Leben war.

Alles schien so perfekt… Liebe, intelligente, kreative, eigensinnige, besondere Kinder. Ein tolles Haus, niedrigstenergie sogar! Ich war sowas von stolz drauf. Wir hatten Luxus. Und keinerlei finanzielle Sorgen. Wir hatten alles. Nur einander nicht mehr…

So viel Vergangenheit, aber keine weitere Zukunft. Das tut mir aufrichtig Leid. Die Lawinen, ja, mehrere, rollten hier genauso unbarmherzig drüber, glaub’s mir. Die Verzweiflung. Was schmiss ich da über Bord? Nein. Wir!

Oh, und ICH vermisse auch. Meine Nachbarn, die jetzt keine Nachbarn mehr sind, nur noch Freunde. Mein schöner Garten, wo ich mit so viel Hingabe gearbeitet und geerntet habe. Aufs Rasenmähen konnte ich allerdings verzichten. Mein geregeltes Leben, wie es mal war. Auf einmal war alles weg. Durch mein – nein, unser – eigenes Zutun. Aber vor allem vermisse ich doch meine Schwägerinnen und Schwäger, meine Nichten und meinen Neffen, meine ‘zweite Mutter’.  Seit einem Vierteljahrhundert meine Familie, aber jetzt schon fast seit einem Jahr nicht mehr gesehen. Ich vermisse sie. Sehr sogar. Aber jetzt traue ich mich nicht mehr… Wie würden sie mich sehen? Würden sie mich überhaupt noch sehen wollen?? Ich sie schon… Ja, wirklich, dann kommen mir die Tränen.

Ich vermisse das Haus ebenfalls. Das Haus, das schon längst nicht mehr das meinige ist, aber es mal so sehr war. Das Leben in diesem Haus, wo alles (fast) perfekt war. So, wie wir es uns gewünscht hatten. Und wofür er so viel getan hatte. Ich schenkte ihm meine Hälfte. Konnte nicht ertragen, dass er dort, durch unser Auseinanderreißen, wegziehen müsste. Nicht ertragen, dass die Kinder auch noch dieses Zuhause verlieren würden. Das konnte nicht sein, das durfte einfach nicht passieren. Aber ich vermisse es. Doch es ist, wie es ist.

Wirklich, glaub’s mir, ich möchte es nicht anders. Zwei völlig neue Leben, um 180° gedreht. Neue Partner, neue Horizonten, neue Zukunft im Doppelpack. Aber das Wichtigste: den Kindern geht’s gut…

Doch manchmal weine ich nachts trotzdem bitterlich. Einfach so. Um das, was mal war. Und jetzt nicht mehr ist. Um alle, die – und alles, was – ich so sehr vermisse. Auch wenn’s jetzt gut ist, so wie es ist. Vielleicht sogar besser. Auch für ihn.

Ich hoffe lediglich noch, dass er das nun selbst auch erkennt.
Ich hoffe, dass die großen und kleinen Herzen jetzt, nach einem Jahr, nicht mehr so stark bluten…

Es ist, wie es ist.

Liet vrij

Al mijn ‘toen’. Dat was met jou.
Een verleden zwanger van ’t leven.
Door de jaren roerloos heengegaan.
Kunnen we ’t nu niets meer geven.

Jij wou die verre einden lopen
Ik wilde enkel hoger springen.
Jij wou niet praten, op meer hopen.
Ik wilde zó veel liever zingen…

Jij schoot wortels, meters diep
Ik had ineens vleugels gekregen.
En de stilte die ons zo luid riep
Hebben we samen bruut doodgezwegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Voelde me jonger. Wist niet waarom.
Jij voelde je misplaatst. Bal naast de stip
Zo vielen we tergend langzaam om.
Verloren we meer en meer de grip.

Ik snapte dat jij er niets van snapt.
Ik begreep dat jij het niet bevat.
Waarom was alles dan níets waard?
Er volgde een lawine. ’t Grote gat.

We vergaten enkel te bewegen.
Was ik ervoor, was jij ertegen.
En nu, nu gaan we dus toch
voorgoed gescheiden wegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Rest ons dat ene verstokte ritueel,
waar de één de ander vermijdt
Zien al niet meer, wat ons verbond,
enkel nog al dat, wat ons scheidt.

We moeten ademen en weer groeien
elkaar niet langer meer vermoeien
Daar waar we onszelf opnieuw ontmoeten
Krijgen wegen weer handen en voeten.

Wegen die altijd verbonden blijven
Alleen lopen wij ze nu niet meer samen
Al mijn ‘nu’ ligt ergens anders
We gingen sneller dan we ooit kwamen.

Ik liet je vrij. We blijven verbonden.
Ik liet je vrij. Laat jou weer je leven.
Ik liet mij vrij. Lik ons beider wonden.
Ik liet mij vrij. Kunnen we vergeven…

=================================

geïnspireerd door (en deels vertaald vanuit) de prachtige song van Andreas Bourani – Auf Anderen Wegen

Gestrand

Ain’t nothin’ anybody could’ve done…
Een hemelse zin. Zoiets als ‘Que será, será‘.
Laat het gebeuren. Liefst harder
en eerder dan je ooit beseffen kon.

Het komt toch zoals het komt.
Leg je erbij neer. That awkward moment between birth and death will hit you sometime anyway. Men zoekt wanhopig de diepte en wordt met de dag oppervlakkiger. Maar wij niet. Wij niet.
Verdomd…

Ik heb er geen zin meer in.
Onderdrukken wat open moet springen. Ik wil weer voelen zonder ertoe gedwongen te zijn. Ik wil weer ademen zonder te moeten. Ik wil mijn hand leggen op de jouwe. Omstrengelen jouw voeten.
Dat is pas het begin.

Het brandt.
En niemand die er ooit iets aan kan doen. Nu laait ’t verder op. Vlammen te veel, te hoog om nog te blussen. Sporen te groot om uit te wissen. Golven die het zand steeds weer overspoelen. Bloeien doet wat bloeien moet.
Ik ben in jou gestrand.

Hij slaapt

Ik hoor een kind krijsen buiten.
Buurmeisje van bijna twee heeft er geen lol in vandaag.
Het raam staat open. Ik laat het maar zo.
Dichtdoen zou de rust enkel écht verstoren.
Hij slaapt.

Guus Meeuwis krakeelt op de achtergrond:
Het komt door jou, het komt gewoon door jou.
Je hart zit heel dicht bij mij. Je hart zit heel diep in mij

Ik zing de waarheid zachtjes mee. Hij hoort het niet.
Hij slaapt diep.

De thermosfles met thee kraakt een beetje.
Ik zou de dop wat losser kunnen draaien…
En ook wat zachter proberen te typen.
Maar het hoeft niet. Van wakker worden geen sprake.
Hij slaapt heel vast.

Ik kijk steels om het hoekje naar mijn belegen bed.
Eindelijk hier. Zo fijn dichtbij als hij is.
En toch zo ontzettend ver weg, in ’t rustend hoofd.
Zal ik gaan koken? Dat maakt vast té veel lawaai.
Hij slaapt nog. Zo mooi.

Dat jij.

Dat ik je kuste.
En alles al wist.
Dat ik je zag, me
Niet had vergist.
Dat ik je omhelsde.
Jou had gevonden.
Dat ik je wilde.
Vol. Onomwonden.

Dat ik je begreep.
En alles ertoe deed.

Dat ik je nodig heb.
Dicht bij me weet.

Dat ik je mis.
Als jij er niet bent.
Dat ik jou bevat.
Zoals niemand je kent.
Dat ik je voel.
Wat jij met me doet.
Dat ik je lief heb.
Het is zo goed.

De Conchita’s dezer tijd

Echt, het zal me Wurst wezen.Conchita2
Je heet Conchita en je wilt wat.
Vrouw zijn.
Travestiet of nymphomaniac.
Whatever.
It’s all in the name, toch?

Met het songfestival voor de deur (nog maar krap vijf weekjes!!!) keren we langzaam op Twitter terug, want voor The Big Event moeten we natuurlijk wel weer totally in the picture zijn. ‘We‘. Wat een heerlijk woord. Met z’n allen voor één (of was het nou toch ‘tegen‘?) . WE!!! Alleen dat ‘één voor allen’-principe werkt nog niet zo goed.

Conchita Nummer Twee is net weg van twitter (weg van alles, eigenlijk… jammer), omdat ze deed wat bedrijfs-ethisch gezien niet helemaal door de beugel kon. Een beetje erbij hobbyen als topmanager is tegenwoordig niet meer toegestaan.
Conchita Nummer Eén kijkt nog handenwringend uit naar haar grote optreden op 23 mei.
Conchita Twee kijkt enkel terug en denkt: “Dat was lekker. Dát gaan we vanaf nu vaker doen!”
Misschien wel gezellig samen met Conchita Eén.

Beiden kijken uit naar het fulltime uitoefenen van hun hobby: een liedje zingen als een échte volbloed vrouw.
Zij het een liedje van stevige, harde seks of een liedje van een phoenix die steeds weer uit de as herrijst, who cares.

Ze  zouden elkaars liedjes kunnen zingen.
Als ze hun activiteiten maar braaf melden bij de belastingdienst.
Dan komt alles goed.

Leuker kunnen we het écht niet meer maken…

Niet rennen?

Je ligt in je bed en typt verwoed op je mobiel. Niet kijkend naar typfouten, niet kijkend naar de autocorrectie of de woordsuggesties. Kan jou ’t bommen wat eruit rolt.

Je hebt net afscheid genomen van je lief. Op afstand. Grote afstand. Véél te grote afstand. Gelukkig enkel voor de nacht.

De regen tikt met minuscule tikjes tegen het raam. De hond van de buren blaft. Mag ie van jou. Als ie t morgenochtend om half 7 maar laat. Kutbeest.

Je voormalige partner heeft je mail beantwoord. Turboscheiden. Dat moet ‘m worden? Okay dan. Je wilt enkel weer jij zijn. Jij. Met je meisjesnaam, jouw dromen en je eigen aardigheden. It’ s all in you. All of you. All you.

Een van je lieve vriendinnen krijgt out of the blue een hartaanval. Een ander kampt met groot verdriet door verlating maar vecht zich erdoor heen. Ren… Ren nooit zo maar in het wilde weg. Maar ook niet van.

Een vliegtuig stort neer. De piloot wilde niet meer. En besloot dat het voor de 149 anderen ook wel genoeg was geweest. Wie was hij, om dat te bepalen…

De shock doet soms zo zeer. Zoals nu. Wordt t zo veel te veel. En jij emotioneel. Behoefte aan een arm om je heen. Iemand die zegt: morgen weer een dag, lief, alles komt goed.

Hij zei dat.
En ik vertrouw op hem.

Duisternis

Ik was gefascineerd. De hysterie om een zonsverduistering die niet eens volledig was. Mensen keken weer eens massaal door commerciële plastic-brilletjes naar de hemel en riepen enthousiast: “Kijk, kijk!! Er is al een hapje uit!” en “Volgens mij fluiten de vogels al een stuk minder! Wat gaat er nóg allemaal gebeuren?” Ik snap het niet.duisternis

Stroombedrijven vreesden een spontane uitval van energievoorziening doordat er plotsklaps dertig minuten lang minder licht op het hele arsenaal zonnepanelen zou vallen. Maar wat is dan het verschil met sterk bewolkte, regenachtige dagen? Ik snap het niet.

Wereldondergangsfans riepen wederom enthousiast, dat het nu wel eindelijk zou gaan gebeuren. En wanneer niet nu, dan zeker in 2018. Of anders in 2026? Ik snap dat niet.

Maar: de mensen keken ook dit keer weer eens collectief naar de hemel en dachten tenminste na over de meest verschillende dingen die ze niet snappen. Dát snap ik dan wel weer. Dat deed ik namelijk zelf ook.

Die maan. Voor onze zon. In ons zonnestelsel. In onze galaxie. In ons universum. Zou er eigenlijk nog een ander universum zijn? Heeft het universum, als een ballon die op knappen staat, toch ergens een absolute grens? En wat komt er dan na dat einde? Waar groeit het heen als daar voor die tijd helemaal niks was? En waarom blijven hemellichamen na miljarden jaren nog steeds zo betrouwbaar en constant in hun banen draaien?

In ieder geval heeft dat laatste wel een heel geruststellende werking. Als de mensheid er namelijk iets over te zeggen had, zouden ze daar al lang niet meer hun cirkels trekken; genoeg mensen die zichzelf goddelijk genoeg vinden om de wereld, het zonnestelsel en, indien nodig, het hele universum te willen veranderen. Met de eeuwige jachtgelden (nee, geen spelfout) in het vizier. Een möchtegern-dictator die koste wat het kost een eigen ster aan het firmament wil, met zijn staatsieportret en een vet logo erop, in een mooie orbit rond de aarde, zodat iedereen hem altijd kan en moet bekijken. De milieufetisjisten zullen vervolgens de afstand van de aarde tot de zon willen vergroten om de aardopwarming te stoppen, alles onder het mom van “dat zijn we onze kinderen verschuldigd!”

Een grotere omloopbaan, dus ook een beduidend langer jaar? Fijn! Meer tijd om te werken. Maar dan in de cao wél minstens vijf vakantiedagen meer vastleggen, alstublieft. En de maan, die moet vanzelfsprekend dezelfde orbit houden, anders kloppen al die verdomde Inca-kalenders niet meer. De oppositiepartij roept meteen: “Eigen volk eerst!! Stem op ons, dan gaan wij voor u, proletariaat, de as van de aarde zó zetten, dat eindelijk ook eenvoudige, berooide burgers in ons land kunnen genieten van een mediterraan klimaat zonder meteen een peperduur vliegticket te moeten kopen. Die vliegtuigen hebben we sowieso hard nodig om de regen doelgerichter neer te schieten.”

Dát zou pas ware duisternis zijn.

Laten we in 2018 maar gewoon weer naar de volgende partiële zonsverduistering kijken en heel hard nadenken over de dingen die we nooit zullen snappen.

Hart in de brievenbus

Ik slof in mijn ochtendjas naar de voordeur om de krant te halen. Verrast staar ik naar de brievenbus: er hangt een hart aan. Een versierd taaitaaihart. Eentje zoals ze op het Oktoberfest in München verkopen. Een verdwaald valentijnshart kan het niet zijn; dan was het pas echt taaie taai. Zou dit hart werkelijk voor mij zijn?hdr

Binnen sla ik, met het hart in mijn hand, de krant open en zie daar: de ietwat minder romantische maar duidelijke uitleg. Gisteren was het “Liebstattsonntag“. Een dag waarvan ik tot nu toe het bestaan niet kende. Ik weet inmiddels al sinds een paar jaar wat die Steak-and-Blowjobdag inhoudt en ook dat het afgelopen vrijdag wereldslaapdag was, wat ik uitbundig gevierd heb. Maar wat is dan in vredesnaam Liebstattsonntag?

In 1641 was er hier in Oberösterreich een bisschop, Leopold Wilhelm van Oostenrijk genaamd. Hij richtte het broederschap “Corpus Christi” op. Dit broederschap nodigde elk jaar op de vierde zondag van de vastentijd de armsten onder de bevolking uit om te komen eten, om hen zo voor hun liefde voor de kerk te belonen (“um ihre Liebe abzustatten“).

Door de eeuwen heen veranderde dit typisch Opper-Oostenrijkse gebruik: in plaats van de armen voor een etentje uit te nodigen, bakte de bevolking nu zelf koekharten om deze, al dan niet anoniem, aan mensen te geven die veel liefde voor hun medemensen getoond hadden. Maar ook aan degenen, die wel “een hart onder de riem” konden gebruiken vanwege pijn die ze in het afgelopen jaar geleden hadden. De bijbehorende slogan: “Gegen jede Art von Schmerz hilft ein Liebstattherz!

Ik heb de buurvrouw gevraagd of zij weet van wie het hart komt. Ze heeft geen flauw idee. Niemand weet het. Iemand heeft me een hart gegeven en ik ben er maar gewoon blij mee.

Bergen van liefde, hier op het land.

Kreukels

vouwtjes
Wist jij al hoe het zou lopen?
Dat wij groeiden tot een wonder?
Elkaars wegen doorkruisten,
Tegen oordelen indruisten,
nu op een leven samen hopen?

Denk aan hoe goed je me kent en
mij leest. ‘k Wil niet meer zonder,
Besef nu, keer op keer
ik wil dit, wil jou meer
bij me, jij haalt terug wie ik ben.

Strijk jij mijn kreukels weer glad
vijlt scherpste kanten ronder.
Geen aarzeling, geen twijfel,
Als íets goed is, dan wij wel.
De zin die ik zocht en niet had.

Je warmt me. ‘k Had het zo koud.
Jij, unicum, mooi en bijzonder
goed in ‘t me op waarde wijzen.
Wist me op het droge te hijsen.
Je handen om de mijne vouwt.

Méér had ik niet nodig. Enkel dat.
Mijn aanlegsteiger. Mijn vlonder
waar ik veilig af kon meren,
’t gat in mijn boeg repareren
Ik heb je altijd al lief gehad.

Herkenbaar in de mist

Daar zit je dan. Kort na middernacht, een voor jouw doen relatief vroeg slapengaan-tijdstip. Rechtop in bed, laptop op schoot want anders kun je niet fatsoenlijk typen. Je neus maximaal achttien centimeter verwijderd van het beeldscherm omdat je met je -4,5 dioptrie niet meer kunt herkennen, wat je zoeven in je toetsenbord gestameld hebt en je daglenzen al in de plee liggen. Eigenlijk ben je doodop. Half ziek, hoestend plus – je durft het bijna niet toe te geven – ook nog een aardig lastige blaasontsteking. Net vijf dagen lang je nog ziekere kinderen 24/7 vertroeteld en bediend. Hun papa heeft ze vanmiddag opgehaald. Zijn beurt nu.

Je zou moeten slapen. Je kunt het niet. Watje. Je smeekt er vormelijk om maar je rood doorlopen ogen willen pertinent niet dicht gaan en je snot doorlopen neus niet open. Enkel meteen, lang, en vooral diep slapen, dat is alles wat je wilt. Als het even kan met een fijne, semi-erotische en vooral onthoudbare droom. Maar nee. Niks diepte voor jou. Dan maar oppervlakkigheid. Je kijkt een aflevering van de Vampire Diaries op je laptop. Liggend op je zij, met je laptop op z’n kant. Redelijk tricky want een bloedlip door een wat onhandig op je gezicht omvallend gevaarte is al lang geen onbekende ervaring meer voor jou.

Jij. Je wilt slapen? Je móet zelfs slapen! Helaas. De ondanks je strenge dieet van astronautenvoedingsblokken met water (en koffie… en thee… en lasagne…) toch verorberde halve zak paprika-chips – je wist in je lamlendige en mistige bui  écht niet wat je bezielde – ligt verrekte zwaar op de maag.

De trein waar je het gisteren zo uitgebreid over had, lijkt inmiddels met ’t volledige tonnage over je heen gedenderd te zijn. Werkelijk, geen genade, die NS. Oh hemel, dat klinkt raar. Je maakt er maar een Fyra van. Die rijdt tenminste helemáál nergens. Die strompelt. ‘Hemel’ klinkt óók raar, wetende dat de hemel enkel op aarde bestaat. En je mist maar door. Skype en Viber lieten je vandaag danig in de steek. Dat terwijl het zo ongeveer je lifelines zijn. Hoe dúrven ze?!? Maar misschien lag het wel aan je eigen wifi, wat ondanks middels gefrustreerd eruit rukken van de stroomkabel opnieuw opstarten van je modem, nog steeds hapert. Of het ligt toch aan het WLAN aan het andere einde, you never know. Alles wat jíj weet, is dat je mist.

Twee flinke glazen wijn maken het er ook niet beter op. Enkel nóg mistiger. Een stuk schrijven onder invloed van wat dan ook is nooit aan te raden. Er komt een hoop bullshit uit je vingers waarvan je de volgende ochtend niet eens meer weet of je het wel echt zelf en met de juiste overwegingen geschreven hebt. Je zou er met Stephen King in ieder geval een leuk woordje over kunnen babbelen. En hoewel de meeste mensen abominabel slecht zijn in het goed lezen en interpreteren van bijvoorbeeld satirische teksten, lezen ze vanzelfsprekend wél feilloos je state of mind tussen die stierenpoepregels door.

En je vraagt je af.
Wat je hiermee..
überhaupt eigenlijk …
ook alweer ….
wilde zeggen…..

Ach, je weet het niet meer.

Herkenbaar.

Amo ergo sum

Soms – ja ja, ik weet dat ik echt niet de enige ben – vergelijk ik mijn leven met een rollende trein. Bij vertrek nog heel langzaam, bijna onmerkbaar op gang komend. Het spoor leidt. De snelheid neemt gestaag toe en al gauw is er niemand meer, die het gevaarte nog kan stoppen, zelfs ik niet. Geen noodremmen. En dat is geen bouwfout.

tracksssHet leven. Een treinreis. Zo vreselijk cliché, ik ben me ervan bewust. Mijn traject. Met alle stations, omwegen, ergernissen, vertragingen en ongelukken die bij een treinreis horen. Zelfs met mensen die er ineens voor springen. Met onverwacht oponthoud, door werkzaamheden aan het spoor of door kapotte bovenleidingen, dat mijn planning weer eens volledig overhoop schopt. Maar ook met alle tempoversnellingen die het tijdsverlies weer een beetje goed maken.

We stappen in. We zien onze ouders zitten en gaan ervan uit dat ze voor altijd met ons mee zullen reizen. Maar op een onbeduidend, half vergeten dorpsstationnetje stappen ze plots uit en moeten we onze reis zonder hen vervolgen. We kunnen niet anders. Zo vele andere passagiers blijven wel zitten en nieuwe reizigers stappen in. Zussen, broers, geliefden, vrienden, wegbegeleiders, soulmates, familie, nog meer vrienden, zelfs de liefde van je leven. Enkelen van hen vragen beleefd of die plek nog vrij is, anderen ploffen zonder veel omhaal en met een hoop bagage naast je neer op een lege stoel.

Velen verlaten de trein na een tijd weer, soms gepland, soms totaal out of the blue. Laten een grote leegte achter waar je mee om moet leren gaan. Maar raar genoeg merken we van een groot deel van de passagiers niet eens, dat ze alweer uitgestapt zijn. Eigenlijk is het een voortdurende reis vol begroetingen en afscheid, vol interactie, lol en leed. De treinreis wordt duidelijk aangenamer en mooier als je in staat bent om de verhoudingen met je mede-passagiers goed te houden.

Maar het grootste mysterie blijft je ook in jouw trein achtervolgen. Je weet namelijk nooit op welke halte je zélf uit zult moeten stappen. Het YOLO-principe is wat mij betreft voor watjes, maar toch zit er ook wel wat in. Want met elke uitgestapte, geliefde medereiziger besef je weer dat jouw reis óók zo maar ineens afgelopen kan zijn. Daarom moet je leven. Liefhebben. Tolereren. Genieten. Vergeven. En vooral het beste van jezelf geven. Er komt definitief een punt, waarop dat alles niet meer, nooit meer kan. Als dat moment daar is, als je bij jouw persoonlijke uitstaphalte bent aangekomen en jouw éigen plek ineens leeg blijft, zouden slechts mooie gedachten aan jou bij de andere passagiers achter moeten blijven. Gedachten die voor altijd in de trein verder reizen.

Tot nu toe had ik al vele medereizigers, stuk voor stuk fijne mensen.Veruit de meesten daarvan zitten nog gezellig bij mij in de coupé. Sommigen zijn definitief uitgestapt. En ik mis ze. Enkelingen zijn overgestapt op andere, misschien wel veel snellere, stiptere en luxere  treinen. Ook dat kan. Voor diegenen hoop ik enkel maar dat de verdere reis óók weer vol liefde, gezondheid en gelukkige momenten zal zijn. Dat ze hun gewenste bestemming bereiken. Dat ze sterk kunnen zijn. Mensen die hun leven weer op de rit krijgen én houden. En dat ze – zelfs al is dat met tranen in de ogen – kunnen zeggen: “Ja, ik ben toch echt helemaal oké!” Want dat waren ze. En dat blijven ze. In de gedachten in mijn trein.

Descartes had het vet mis.
Het is niet het denken
dat je werkelijk doet leven.
Het is het liefhebben.

Amo ergo sum.

Mijn zaad is op.

MinecraftIk lig in bed. Zondagochtend, veel te vroeg wakker door mijn eeuwig lawaaiige buren. Dit keer een heftig stampende bovenbuurvrouw. Zoon en dochter zitten al lang en breed in de woonkamer, TV aan. Klinkt als StarWars. Keuvelende kinderen, niks leukers om stiekem naar te luisteren.

“Tjeeeee, jij bent ook zo’n jonkie hè, toen jij in deze wereld kwam, was ik al zesentwintig.”
[Huh? Echnie. Je was nog net geen drie toen je zusje kwam. Zesentwintig, tssss…]
“Zal ik jóu eens wat vertellen over de andere wereld? Ik kan je er wel even naar toe helpen, hoor.”
[Hola, wat zijn we van plan? Mijn ogen worden groter. Even naar de andere wereld helpen, da’s toch geen typische zondagochtendactiviteit…]
“Rot op, ik kan het echt wel alleen in dit leven.”
[Dat is nog eens een statement. Go for it, girl.]
“Als jij zo oud en zo ver bent als ik, moet je met heel andere bazen vechten. Jouw bazen zijn watjes. Je koopt ze zo. Met boter.”
“Mijn baas is toevallig Het Einde. En hij heeft een coole draak.”
[Oh, wacht eens…]

“Zo maar eens even met de dorpelingen onderhandelen. Ik heb nog een paar diamanten over.”
“Emeralds doen het veel beter, hoor.”
“Je moet naar andere dimensies gaan. Dán kom je pas echt verder. Veel meer boter daar, ook.”
“Ja, maar sommige dimensies zijn de hel…”

“Hey, ik heb nieuwe wapens gemaakt, kijk. Met mijn dolk kun je ook nog eens supersnel oogsten. En in no time vet killen.”
“Jemig joh, je moet het echt langer volhouden, hoor!! Langer! Blijven steken! Nog langer! Ja!! Jaaa!!!!”
“Nou, ik heb mijn schuilhut toevallig wel mooi af. Nog even een bed bouwen en dan ben ik weer veilig. Je mag wel in mijn bed straks. Zijn we eigenlijk alweer verbonden?”
“Jij met je hutten en je grotten. Ik heb een gigamegakasteel gebouwd, kijk dan!?!”

“Mijn hongerrepen zijn op. Heb jij nog wat te kanen? Ruilen?”
“Als je nou eens een boerderij begint, heb je zat te vreten voor de rest van je leven.”
“Hmmm. Heb jij dan nog wat zaad voor mij?”
“Nee, mijn zaad is hartstikke op. Ik ga hout hakken.”

Ah… Aha.
Minecraft, de digitale legoversie.
Even verlang ik terug naar de 1.0-blokkendozentijd.
Toen kon je nog gewoon horen hoe ze elkaars kastelen omver trapten.

Niets méér

Ik was zoekende
toen ik niets meer vond.
Dolende, maar
raasde niet langer rond.

Ik rustte
toen ik niet meer vocht.
Ik vond je
toen ik niet meer zocht.

Ik keek pas
toen ik niks meer zag.
En voelde
hoe #alles ter aarde lag.

Ik zag je
toen ik niet meer keek.
Ik aardde
toen ik niets meer ontweek.

Ik leef weer.
Zonder het berouw.
Ik kan niets
méér zijn. Zonder jou.

 

© Lou

Turbulentie

Kijkend naar morgen
laat ik al het vandaag
meer dan al te graag
vliegen.

Jij telde al de dagen,
en samen tellen we
de nog verblijvende
uren.

Elke dag niet samen
is onsamenhangend.
Zijn we, zo verlangend,
bijeen.

Turbulentie is mooi.
De lucht beweegt vrij.
Vloeit. Net als ik en jij,
golvend.

Kijkend naar morgen
is elk uur me te lang.
Vlieg je hoog, onbang,
naar mij.

..

Klein

Ik luister naar Mayday van Klein.
Een nietszeggend bandje.
Maar die stem.
En die tekst,
zó onder de huid.
Vooral op dagen als deze.
Dagen waarop ik alles
echt liever zou vergeten.
En enkel nog die ene arm
om me heen wil.
En die andere ook.

Wat als we alles
gewoon vergeten
En ik even niets zeg.
Nee…
Sla je dan je armen
om
mij heen,
of zou je weg lopen?

Zo veel indrukken.
Zo veel haat.
Zo veel angst.
Maar toch ook
zó veel liefde…

Kun je me even vast houden
zodat ik zelf niet los laat…
Zoals je me zei:
Houd je wensen dicht bij je
want wie weet…

Ik weet heel goed
wat mijn wensen zijn.
Wat ik wil.
Jou.
Jij. Alles.
Dus houd ik jou
voor altijd
heel dicht
bij mij.

Want wie weet?

_____________________________________

Move on

IMG_20150108_211318
Terugblikken op gemaakte keuzes.
Mais non, je ne regrette rien.
Bedauere wirklich nichts von allem.
Fate is only a question of ‘when‘.

Deux enfants, ils sont entre nous.
Prachtmensjes, zo mooi. Zo warm.
Sind alles. Für dich wie für mich.
Lets keep ‘em loved. Safe from harm?

Je te souhaite le meilleur absolu.
Alle goeds. Ik wens het je oprecht.
I hope she’s a much better person for you
und ich in allen Augen nicht ewig schlecht.

Je was, je blijft mijn langste verleden.
Aber in Zukunft kämpft jeder für sich.
Proud of you, for so long I’ve been.
Du leider nicht ebenso stolz auf mich.

De onophoudelijke distantiëring
Wunschloses Unglück. Und etwas Rost.
Passivité, discontinuité. Liberté.
Interest, finally and totally lost.

Samen, nu slechts nog voor de kinderen.
Wollte dir wirklich nie so weh tun.
À partir d’été, nos mondes sont séparés.
I just, I just had… my own pride, too…

Never meant to drift away.
So quickly.

Tried for so long to heal it all.
To be one.

But I couldn’t hold it up forever.
Forgive me.

Ich habe soeben genau
das getan.

C’est tout.
And we’ll move on.

Lezen en schrijven = dood

Oh en tekenen. Vooral tekenen. Dat = óók dood. Dus vooral geen satirische cartoons in de reacties a.u.b.

Hè verdorie. Juist die dingen die ik het liefst doe. Ja ja, als je éven niet oplet wat je tekent of schrijft – of eigenlijk juist wel – zijn activiteiten als deze werkelijk “levensgevaarlijk”. Dat is vandaag wel weer gebleken. Maar is dat echt wel zo? Natuurlijk, wat er vandaag in Parijs gebeurd is, maakte mij aanvankelijk ook bang. Heel bang. Je gaat toch automatisch denken: “oh jeminee, stel je voor dat ik morgen langs de redactie van één of ander satirisch magazine loop en dan ineens overhoop geschoten word…” Of: “ik ga niet meer met de metro hoor, de aanslagen zijn vanaf nu niet meer van de lucht…”

Bij nader inzien is die angst dus behoorlijk overtrokken: de kans is namelijk verrekte klein. De kans dat een geschifte spookrijder je op je dagelijkse rit op de autosnelweg moedwillig dood rijdt, is vele malen groter. Maar niemand die bang is, als ie de oprit morgenochtend weer op scheurt. De kans dat je dood gaat aan een enge ziekte, bijvoorbeeld als gevolg van roken, is nóg veel groter. Maar toch wordt de volgende sigaret bedenkingsloos weer opgestoken. De kans dat je op je ochtendwandeling door de gekke, maar de jou tot nu toe onbekende buurman te grazen wordt genomen (en al dan niet achttien jaar lang in zijn speelkelder met bunkerdeur wordt opgesloten), is waarschijnlijk óók groter. En vroeger (een paar eeuwen terug, hè) was de kans dat je als heidense heks of ongelovige Thomas op de brandstapel van een of andere enthousiaste Spaanse inquisiteur belandde, helemáál levensgroot.

Ja, mijn reactie was dezelfde als die van vele anderen vandaag. Jezus, waar moet dit heen... Oh shit, Jezus kan niet. Jantje, waar moet dit heen… Wat een wereld, wat een wereld. Deze is kapot, ik wil een nieuwe. En zo. Maar een relativerend gesprek met mijn lief liet me de dingen dan toch wel weer enigszins in perspectief zien. De overtrokken reacties, de haat en de fobieën die mensen in de media tentoonspreiden, zijn vele malen angstaanjagender…

Een (franse) antisemitische reactie van @RedaCteurr op Twitter (vertaald): “ik hoop dat de agenten Joden waren. #CharlieHebdo #headshots
Een plaatje op facebook dat als een lopend vuurtje rond gaat, daarop een doodshoofd en de woorden ‘Ban Islam‘.
Mensen die heel hard roepen, vooral niet bang te zijn. Not afraid! Not afraid!! Maar ondertussen…

De wederzijdse haat is inmiddels bijna tastbaar. Duizenden voorbeelden. Social Media to the max. Dit is dé beloning voor de terroristen van vandaag. Het is weer gelukt. De splinter is weer een stukje verder in de open wond der angst geduwd. De wig, die oh zo nodig is voor de ‘gerechtvaardigde’ Jihad-voering, weer een stuk harder tussen de fronten der samenleving gedrukt. Oorlogsverklaringen. Olie op het toch al aangewakkerde vuur van Wilders en Nanninga (Jalta), van Le Pen en consorten. Wilders, ja DIE mag pas echt bang zijn voor een aanslag na vandaag.

Oorlog is business. Oorlog is economische groei. Wapenleveranciers knijpen weer vergenoegd in hun handjes. De beurzen mekkeren even, maar dan gaat het uiteindelijk ook bergopwaarts. Die ouwe Rothschilds en Rockefellers kijken goedkeurend vanaf hun wolkjes toe (oh wacht, wolkjes? Mijn hemel…). Praktisch alle oorlogen ontspruiten uit religieuze of extremistische overtuigingen. Deze ‘oorlog’ ook. In naam van het geloof worden nog steeds de meeste mensen vermoord. Ban Islam? Ban religie…

Ik blijf religie als zodanig dan ook iets engs vinden (mijn mening hoor, please don’t shoot me!). Op de zevende dag schiep de mens een god. Of gelijk een dozijn goden. En profeten, niet te vergeten. En die hebben natuurlijk altijd (ALTIJD!!) gelijk. Een god is mijn ogen enkel hét perfecte excuus voor foute daden, een fantastisch iets om dingen te verklaren waar men bang voor of onzeker over is en vooral een hoopgever voor het ‘niets’ na de dood. Het universum breidt zich nog steeds uit. Waarheen? Juist. Naar het niets. Wat was er dan überhaupt daar, waar voorheen het universum nog niet was? Juist. Niets! En dat Niets noemen we dan ook maar god. Het concept niets is inderdaad moeilijk te bevatten: hoe kan iets daarheen groeien, waar voorheen niets was? Het woord ‘geloof’ zegt het al: het is enkel geloof. Het verschil tussen dingen weten en dingen geloven is het verschil wat zovele extremisten angstaanjagend maakt: de al dan niet foute interpretatie van één of ander vaag boek, zij het de Koran, zij het de Bijbel of welk menselijk nevelachtig schrijfsel dan ook, laat zulke mensen de ruimte om te geloven dat ze het zeker weten. Nou, is dat niet extreem ‘eng’?

[Aanvulling 08-01-2015: Ik wil niemand zijn of haar geloof ‘ontnemen’. De meeste mensen belijden hun geloof of overtuiging volledig vreedzaam. Alles wat goed doet, is goed. Ik ken veel gelovigen, van islamiet tot jehova’s getuige, van katholiek tot jood. Allemaal prima mensen die mij als totaal niet-gelovige ook in mijn waarde laten, zoals ik hun in hun waarde laat. Ieder zijn of haar ding. Mijn hierboven beschreven rotgevoel wordt enkel door de extremistische vormen gegenereerd. Laat men elkaar met rust v.w.b. waarde, geloof en overtuiging, is er niks aan de hand. Maar laat het nou juist daar duidelijk aan schorten. Wat is dan nog verdraagzaamheid…]

As said. Mijn mening. Mag ik hebben. Nog steeds. Laten we ons niet gek maken, we zijn het toch al lang. Doe mij maar een bloedige vampierfilm. Dat is vrediger: doelgerichte doodslag met een duidelijk rechtvaardigende reden. Je moet toch íets eten hè.

Anders ga je dood.

#reallife

Kwaaie vlieg

Rust zacht. Dat wens ik je. Ja, ik óók. Ik ken jou niet. Niet meer. Ik dacht je te kennen maar wat is dat nou helemaal, ‘kennen’ op al die huidige social media. Ik voerde hele chatgesprekken met je. Steunde je toen je in een relatiecrisis van reusachtige proporties zat. Aanhoorde alles, stuurde je knuffels. Gaf raad, was er steeds weer voor je. Ook diep in de nacht. Toen ik merkte, dat je borderline-achtige trekken vertoonde, praatten we erover. Geen doekjes erom, duidelijke woorden, fijne gesprekken. Ik vond je een lief, intens mens.
Jij, die werkelijk nooit een vlieg kwaad zou doen.

En nu, nu moet ik via onze ‘gemeenschappelijke vrienden’ horen, dat je onverwacht bent heen gegaan. Een goed jaar geleden deed je mij er plotseling uit. Alleen mij. Weg ermee. De overige eenenzestig gemeenschappelijkheden mochten kennelijk blijven. Ik vroeg je, direct op de vrouw af, wat ik misdaan had. Dat doe ik wel eens. Ik leer namelijk graag van mijn fouten. Na drie weken kwam er per mail een berichtje terug: ik was gewoon een vervelend mens dat steeds in het middelpunt zou willen staan. En ik wist te veel. Ondertussen snapte ik het nog steeds niet. Wát had ik dan precies nu ineens fout gedaan? Het raakte mij. Ik delete de mail en daarmee ook maar de vriendschap.
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Onaangenaam getroffen door het bericht van je dood, zal ik er nooit meer achter komen, wat er nu zo mis was met mij. Behalve dan dat ik een vervelend mens ben. Hetzelfde gevoel dat ik destijds had bij het overlijden van mijn exschoonvader. Hij heeft me nooit gemogen, ik was precies dat: vervelend. Lastig. Te eigenzinnig. Te dwars? Een vlieg in de schone soep.  Achteraf gezien zal iedereen in mijn exschoonfamilie vast beamen, dat hij het bij het rechte eind had. En goedmaken zit er nu ook niet meer in. Als ik maar wist, wát ik dan goed had kunnen maken?
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Rust zacht.
Ik wens het je hard.
Met heel mijn hart.
Rust zacht.

Momentje.
Even een verdwaalde wintervlieg doodslaan.

Kerstover

Het is alweer half kerstover. Oké, tweede kerstdag nog. Maar in principe hebben we het weer gehad.
Vandaag is het meubelboulevarddag, toch?

Kerstmis. Ik geef er dus niet om. Maar ik had in ieder geval wél mooie dagen en de warmte rond deze tijd vind ik wel aangenaam. Ik was bij mijn ouders, dat was echt fijn. Heel relaxed en gezellig. En toch, toch blijft het op de één of andere manier raar, op deze dagen zo zonder de kinderen te zijn. Juist ook daarom was ik blij, dat ik even onder de vleugels van mijn pap en mam kon vluchten. Bijkletsen, wat ouderwets puzzelen (met echte stukjes, ja ja…), thee met rum en gourmetten (wie niet…) op de teppanyakiplaat, een potje kaarten en lekker niksen. Ja, dit was óók goed. Dank jullie wel, lieve pap en mam. Voor alles.
image

Zo meteen zie ik mijn kinderen weer. Vanmiddag wat leuks doen. Zwemmen en naar de bioscoop. Morgen breng ik ze weer weg en rijd zelf door naar Nederland. Gek op autorijden, 9 uur meditatie met muziek. Eindelijk naar mijn lief, naar mijn ouders en vooral ook naar mijn zus. Eindelijk weer zien. Vasthouden en even de ogen sluiten om te beseffen hoe rijk ik ben.

Voor nu leg ik mijn cynisme maar eens kort naast me neer.
Vergeet heel even, wat nog niet goed is. Zie wat wel. En waardeer.

Iedereen bedankt voor alle steun en liefde die jullie me het afgelopen jaar hebben gegeven.
Ik wens jullie een fijne eindejaarsweek en een prachtig, knallend begin van 2015. Geniet ervan.

Wat moet je dan nog zeggen?

Eerste kerstdag, half acht. Dat ‘eerste kerstdag’ kan me zo goed als niks schelen. Dat ‘half acht’ eigenlijk ook niet, hoewel ik uit wilde slapen. Gezien de laatste weken is half acht best acceptabel als wakkerwordtijd. Nu zit ik rechtop in het logeerbed en hoor mijn vader luidkeels snurken in de kamer hiernaast. Ik lees een berichtje van de mama van Floor. Er biggelt een traan over m’n wang (ja. echt). Honderdduizend gedachten door elkaar, maar vooral eentje die steeds terug komt: “Dit mag toch niet?

Iedereen viert maar weer eens uitbundig dat letterlijk fantastische, elk jaar weer als herboren kindeke Jezus maar ondertussen wordt kindeke Floor zieker en zieker…Het berichtje hakte erin, zo ’s ochtends vroeg. Dit mag toch niet? Waarom gebeurt dit? Iedereen loopt te mekkeren dat er geen rooie cent meer te besteden valt en de zorg catastrofaal duur wordt, maar ondertussen vliegt het geld eruit voor gekonfijte vliegenzwammen en roomkaas met truffelaroma voor het kerstdiner en worden er voortijdig al miljoenen aan vuurwerk de lucht in geëjaculeerd. Mekker dan niet, eet een boterham en besteed dat geld aan onderzoek naar bijv. Neuroblastoom, wat kleine Floor heeft?

En dan dat hele Serious Request-gedoe. Ik snap het niet. Waarom smijten we met de kerst ineens dik twaalf miljoen op tafel voor vrouwen die ergens in oorlogsgebieden seksueel misbruikt zijn? Ik kan de mensen die gelijk ‘eigen volluk eerst’ schreeuwen echt niet velen. Maar zie ik niet in, waarom men juist met de kerst plots zo vreselijk begaan is met het lot van deze mensen. Oorlog is het overal. Drie dagen lang niet eten en in een doorkijkhuis gaan zitten om vervolgens zelfvoldaan – want ‘oh wat waren wij weer goed’ – met de kerst de gordijnen dicht te trekken en je vol te vreten. Hoe hypocriet wil je het hebben?

Oostenrijk heeft nu eveneens een glazen huis. Het ‘Ö3 [dat is de nationale radiozender] Weihnachtswunder’ (het engelse ‘Serious Request’ snappen ze hier niet, denk ik) haalt vol trots 6 tonnetjes binnen, bestemd voor families in nood in Oostenrijk. Schattig. Peanuts. Maar afgezien daarvan, wat moet die hele actie? De kerstinzamelactie ‘Licht ins Dunkel’ beoogt al 42 jaar lang precies hetzelfde doel en haalt krap 6 miljoen op. Voor het omliggende buitenland en voor natuurcatastrofes e.d. hebben ze hier ‘Nachbar in Not’. Werkt ook goed. In België en Portugal gaat het serieuze verzoeksgeld naar baby’s resp. kinderen die onder de armoedegrens leven, in Zweden naar HIV-bestrijding. Nobele doelen die toch nét iets meer down to earth zijn voor mij. Begrijp me niet verkeerd, ik heb met die vrouwen daar te doen. Iedereen lijdt.

Maar het is en blijft zo hypocriet…
Waarom met de kerst wél en verder lekker niet?
Ik geef als ik dat nodig vind. Niet omdat het kerst is en het dan ineens zo nodig moet.
Ik heb sowieso helemaal niks met het concept kerst.
Doe mij maar een midwinterfeestje met veel vuur om omheen te dansen. Ik heks.
Nee, ik zit op eerste kerstdag om half acht ’s ochtends in mijn uppie in bed op mijn laptop te rammen.
Een gloedjenieuwe laptop, dat dan wel weer.
Joepiedepoepie.

Vrolijk kerstfeest, mensen.
U heeft weer goed gedaan…

oud

Grote bek maar
zo onzeker
Vraag het hemd
van het lijf
Vraag van ander
en zelf níet doen
Staat ellende
buiten kijf.

Te vulgair en
onnadenkend
Te veel ongein
zo niet mij…
Kweenie wat me
daar bezielde
Kannie verder
Waar ben jij…

Wilnie goedpraten
wat zo fout was
Was mezelf niet,
ben een oen.
Kweenie wat ik
nu nog doen kan
Heb je echt nooit
pijn willen doen.

Kzie wel wat
er nu zo mis was
Wilde herstellen
deed het fout
Bijna v’loren maar
heb hoop weer.
Word ik nu toch
met jou oud?

Terugblik 2014

Terugblik (mét kerstige noot):

‘Godsallejezusnogantoe wat een jaar.

Daar wil ik het ook verder bij laten want ik háát terugblikken.

Ik hoop enkel maar dat het komende jaar (en de jaren daarna ook, ben ik in één klap klaar voor de komende tijd) een stúk gelukkiger en mooier wordt (of: in het geval van ‘de jaren daarna’: worden).
Voor iedereen.
Laten we een beetje meer voor elkaar zorgen (want wat dat betreft hebben we toch geen keus).

Zo.

Ik vind mijn terugblik best goed gelukt.

Fijne feestdagen.

Werkezel met port

Het skypescherm open.
Groot. Een tweede laptop is fijn.
Hij tikt zich een breuk.
Krabt eens aan zijn neus. Zucht.
Hand in zijn nek, hoofd scheef.
Krabt nog een keer. Kijkt moeilijk.
Ik luister naar David.
Ground Control en zo.
Nip aan mijn glaasje port.
Hij ook.
Port in unison.
Af en toe koekeloer ik stiekem naar zijn voorhoofd.
Ik werk met onderbrekingen
aan mijn gedichtenbundel,
pak tussendoor ineens even een penseel
en verbeter wat aan mijn schilderij.
Nog lang niet af, maar voor de kerst moet het klaar.
Moet. Moet.
De tekst van Almalfi in mijn oren.
You put me in a trance.
Thanks Lucia. Je wordt steeds mooier…
Nog een slokje.
Soms heel even melancholisch.
Sommige dingen op facebook laten me toch lachen.
Don’t you forget about me.
Simpel. Don’t mind.
Ik loer weer steels naar hem.
Een meer dan serieus gezicht staart
nog steeds niets ziende
tegenover me naar het beeldscherm.
Werkezel.
Alles.
..
.

Ik ben te verliezen

Het niet praten hakte er hard in.brug
Het niet horen, wat ik uitschreeuwde
nog zo veel erger.

Het niets meer zeggen. Het zei je niets.
Onmisbaar is tenslotte geen mens,
enkel een begrip.

Het oppervlakkige van nooit echt kiezen.
Slechts in acceptatie van mijn tekort
was ik tóch te verliezen.

Toen koos ik.

Huilen mag.

Ik zou niks moeten zeggen. Stil en berustend moeten wachten tot ook deze storm weer overwaait. Maar ik kan het niet laten. De openlijke agressie maakt me bang. De agressie, die mensen tentoonspreiden naar aanleiding van een simpel stukje tekst. Je kunt het ermee eens zijn of niet. Je mag het belachelijk vinden en dat uiten. Je mag er natuurlijk kwaad om worden. Je mag te allen tijde je gal spuwen over de inhoud en de – in jouw ogen – minderwaardige kwaliteit van het stuk. Je mag woest worden over volgens jou niet kloppende ‘feiten’ en proberen een discussie aan te gaan met argumenten. Allemaal prima. Zo gaat en hoort dat in de hedendaagse samenleving. Let it all out.

Maar de realiteit is zo schrikbarend… Het blijft namelijk niet bij discussiëren of argumenteren Het blijft niet bij simpele, al dan niet getemperde woede en onenigheidsuitingen. Schrijf je vandaag de dag een tekst over een gevoelig onderwerp (abortus? De doodstraf? Feminisme? Terrorisme? Ik noem maar wat hoor!), over een penibel persoon (Zwarte Piet?) of een op zijn minst dubieuze groepering (euh… Hooligans? ISIS? Nee, laten we voor de zekerheid maar even iets rustigers als de Hell’s Angels of de Japanse Maffia nemen), kun je ervan uitgaan dat je de komende weken minstens acht keer per dag hartstikke deaud (DOOOOOOD!!!) moet. Dat je een vette NSB-er bent. Dat je de kankerteringtyfus moet krijgen, je moeder een kk-k*thoer is (en je oma natuurlijk ook), dat ze écht wel weten waar jouw huis woont en je binnenkort een kogel door je kop gaat krijgen. Je mag hard hopen dat je niemand van de aanhangers tegen zult komen want dan kun je voortaan vanaf een wolkje op hunne koppen spugen. Men (ver)vloekt, tiert en bedreigt, men wenst de langzame dood, hels verderf en eeuwige verdoemenis. De brandstapel is uit; men komt je wel eigenhandig de nek omdraaien met een meegebrachte bankschroef. Dat alles in bewoordingen die je ogen doen bloeden, om het maar even niet over het Nederlands taalgebruik als zodanig te hebben.

Ik vind het eng. Zijn dit echt mensen die in onze samenleving ‘functioneren’? Waarom wordt er dermate overtrokken gereageerd op een stuk tekst, waarin een overduidelijke problematiek kort en pregnant belicht wordt, in combinatie met een aantal op het moment van schrijven nog geldende feiten? Waarom is men door een summiere column (een column nota bene!! geen journalistieke tekst!) zó zeer op de gevoelige pik getrapt? Misschien omdat het onderhuids toch jeukt dat er een kern van waarheid in steekt? Omdat er wel degelijk een probleem is, wat men – read no evil, see no evil – liever niet wil erkennen? Of omdat men bij een eenvoudig “Oh, maar zó ben ik niet, wat een lulkoek en wat jij roept, is stierenpoep” geen genoegdoening meer voelt? Al deze mateloos overtrokken agressie laat alleen maar zien dat de tekst tóch een heel gevoelige plek raakt bij de betreffende groep. Een groep waarvan het gros duidelijk niet (meer) over normale meningsuitingscapaciteiten beschikt. De laagbijdegrondse bewoordingen en de ongenuanceerde uitbarstingen laten enkel zien dat de heersende vooroordelen over de meute in kwestie helemaal geen vooroordelen zijn: ze kloppen gewoon…

Met openlijke bedreigingen en iemand dood wensen kom je helemaal nergens.

Hooguit voor de rechter.

Huilen mag.

(Moet ik nu ook dood?)

Doe mij niets?

Niets lukt.
Niets werkt.
Niets gaat zoals ’t moet.

Niets is fijn.
Niets is easy.
Niets doet echt goed.

Doe mij dan maar niets.
Alsjeblieft, doe me niets?
Wou dat je me niets deed.
Maar dat zou ook weer
niets zijn.

© Lou

Vrij?

Ik blog niet meer. Of – gezien mijn blogpoepbehoefte – in ieder geval veel te weinig. Zo veel dingen die ik hier graag op zou willen schrijven. Maar ik durf niet meer, voel me gecensureerd. Lezers zijn fijn. Lezers zijn alles voor een blog. Ik ben blij met iedere lezer hier, echt waar. Maar ik merk ook dat ik steeds meer rekening ben gaan houden met diegenen, waarvan ik weet, dat ze mijn blog met andere ogen lezen dan die van de ‘gewone, geïnteresseerde blogvolger’.

Vroeger plempte ik hier alles. Alles wat er in me op kwam: alle  zielenroerselen, iedere gevoelsuiting, elke gedachtekronkel, iedere opwelling. Gespuid in een gedicht, al dan niet fictief. Of een simpel stukje tekst over hoe ik me voelde. Ik schreef over de kinderen, het leven hier, over de grootse liefde, over verdriet. Over alles. Dat was ooit. Ik voel me nu niet meer vrij genoeg.

Ik zou ’t lak moeten hebben aan wat anderen denken of vinden. Maar dat heb ik niet.
Ik zou me niets aan moeten trekken van reacties of oordelen. Maar dat doe ik wel.
Ik zou zonder aarzelen alles neer moeten pennen en niet nadenken over andermans gevoeligheden.
Ik zou me vrij moeten voelen om te schrijven wat ik wil en hoe ik wil. Maar zo voel ik me niet.

En daarom ben ik stil.
Tot ik me weer in staat voel
om te schreeuwen
wat en zoals ik wil.

De pot verwijt de ketel…

…dat ie zwart ziet. Kan die uitspraak eigenlijk nog vandaag de dag, met al die ZP-ellende? De pot en de ketel zijn allebei zwart van het roet, maar de pot maakt de ketel daar dus verwijten over.

Ik voel me soms ook zo’n pot. Ik was vroeger namelijk de attentheid zelve. Kaartjes en cadeautjes sturen vond ik heerlijk, mensen verrassen ook. Een soort van hobby. Ik dacht werkelijk aan alle verjaardagen, wenste sterkte en beterschap bij de vleet, in kaartvorm of in de chat, stuurde felicitaties voor huwelijken, heette nieuwgeboren kindekes welkom op de wereld, leefde intens mee met alles wat er gebeurde. Ik had altijd cadeautjes bij me als ik ergens op bezoek ging, zei op de juiste momenten en op gepaste wijze ‘dankjewel’, belde mijn zus/familie/beste vrienden zeer regelmatig om even bij te kletsen, vroeg mensen oprecht belangstellend hoe het met ze ging en bood altijd een luisterend oor als daar behoefte aan was. Zelfs midden in de nacht. Maar aan de andere kant verweet ik sommigen dan soms toch heimelijk ook een beetje, dat ze op hun beurt op bepaalde – voor mij belangrijke momenten – níet aan mij dachten. Geen moeite deden om mij óók eens te verrassen. Geen belangstelling voor mij toonden en enkel met hun eigen sores en leven bezig waren En dáár ging ik de fout in…

Verwachtingen scheppen op basis van wat je zelf doet (deed), op basis van wat je zelf als vanzelfsprekend ofwel belangrijk acht, is een weg die onvermijdelijk tot teleurstellingen leidt en die relaties erg kan laten bekoelen. Verwachtingen zijn eigenlijk rotdingen. Verwacht gewoon niks en de teleurstellingen zijn uit je leven verdwenen. En alles wat dan wél komt, is ineens een fijne verrassing, want je had het immers niet verwacht.

Maar nu, nu ben ik zelf ineens in de ketelpositie. Ik ben met mijn eigen sores bezig, vergeet verjaardagen compleet, denk er simpelweg niet meer aan om mensen te vragen hoe het met hen gaat (ook al denk ik wél heel regelmatig aan ze), ben chaotisch, verward, te druk, te moe, te zeer in gedachten. Ik heb inmiddels lieve vrienden dermate ‘verwaarloosd’ dat ik vermoed dat ik ze inderdaad min of meer verloren heb. Mijn leven (en niet alleen dat van mij…) is in korte tijd volledig op zijn kop gezet, grotendeels door eigen toedoen. De relaxte alledaagsheid, de alledaagse relaxtheid maar vooral ook de zeeën van tijd zijn plots weg. Waar ik vroeger momenten te over, ja zelfs te veel had voor mijn werk, hobby’s (tekenen/schilderen/schrijven/zingen/drummen), kinderen, vrienden, chatten, facebook enzovoorts, moet ik nu – ondanks de chaos en intense vermoeidheid in mijn hoofd – heel hard schipperen om de boel nog enigszins op een rijtje te krijgen.

Het gevoel dat ik mensen van wie ik houd, chronisch verwaarloos, groeit en groeit… Soms voel ik me een ware loser, iemand die praktisch alles fout doet en zelfs de belangrijkste dingen vergeet. Iemand die steeds ongewild de foute dingen zegt, vooral te weinig zegt en dan ook nog vergeet wat ze nu wel of niet gezegd heeft. Iemand die zich niet meer voldoende om anderen bekommert en mensen teleurstelt.

Het knaagt aan mij. Ik wíl dat helemaal niet. Ik wil er juist wél zijn voor anderen. Ik bén helemaal niet zoals ik nu ben. Ik ben enkel in een soort van – hopelijk tijdelijke – geestelijke noodtoestand, maar eigenlijk klinkt dat ook weer te zwaar. Tegelijkertijd kijk ik naar mijn twee met “TO DO’s” volgekalkte A4-tjes, vragen de kinderen wanneer we nu eindelijk dat beloofde spelletje gaan spelen (ik kies steevast ‘Mens-erger-je-niet’), staat de vaat torenhoog op het (nieuwe) aanrecht, moet ik de was (om 1:15AM…) nog ophangen en mijn zakenconnectie dringend bellen (morgen) om nu eindelijk eens vooruit te komen met het project, wil ik nog een blog schrijven, vijf portretten tekenen en een hond schilderen, een tekst redigeren, vertaalwerk doen, een business-idee uitwerken en een gedichtenbundel produceren, moet ik een jaar- én een maandafsluiting voor de zaak maken, verzekerings- en ziektekostengedoe uitzoeken, een auto importeren, solliciteren (en mijn CV bijwerken), het verjaardagsfeestje van dochter plannen en regelen (twee maand later, jawel…), tig afspraken maken die meer dan dringend zijn, de verenigingsadministratie doen en lijsten naar cursusleiders sturen en tegelijkertijd ook nog even aan nog 238 andere dingen én mensen denken. En mijn lief wil ik zo af en toe toch ook nog even spreken…

Dan zucht ik maar eens diep, kijk met waterige blik naar mijn laptop, dan naar mijn kinderen en ga vervolgens toch maar een spelletje met ze spelen. Ik noteer op een aparte lijst (met pen… op papier…) wie ik allemaal nog wil bellen, mailen of een kaartje sturen. Misschien werkt dat…

Ik ben niet langer die pot die de ketel verwijt.
Ik weet nu echt wel hoe het komt, dat zwart zien…

Sorry.

Over een uur…

over een uur, twaalf jaar geleden.
was hij er ineens.
floep. zo uit mij gegleden.
nou ja, zo makkelijk was het niet…
een sterrenkijker in de wereld zetten
is toch best moeizaam.
maar kijk hem nu, knul van twaalf.

en toch…
dit keer niet bij mij. niet heel even
over zijn bol strijken om half één.
twaalf jaar geleden om deze tijd.
ja, twaalf jaar is een eeuwigheid.
alles is anders, niets blijft hetzelfde.
behalve mijn liefde voor hem

twaalf jaar geleden, over een uur
nee, drie kwartier nu. toen was ie er.
schreeuwend en goed drie weken
te vroeg. maar ik, ik lag daar.
hevig nabloedend genietend van
een fijngeperst mensenkind.
mijn.
de wereld een wonder rijker.
en ik ook.

 

Drei Schweinshaxen, bitte!

Ik ben net even naar het winkeltje hier op de boerderij geweest. Elke donderdag verkopen ze ‘Ab Hof’ alles wat ze zelf van hun (bio)varkens, die in de stal 50 meter verderop rondwroeten, kunnen vervaardigen. Geen onderdeel van het varken gaat verloren, alles belandt in de winkel. Zelfs meerdere soorten verse, witte kaas, maar ik vermoed daar toch enige fraude m.b.t. de dierlijke oorsprong van de melk.

Het is een waar griezelkSchweinzeugsabinet. De varkenstongen hijgen nog na in de vitrine. De Sauschädel (gevulde varkenskoppen) grijnzen je aan, de gehakte Schweinshirne zijn zorgvuldig in een stuk darm geperst. Maar voor de algehele culturele ontwikkeling en lokale integratie is zo’n bezoekje wel goed. Ik leer er een hoop nieuwe woorden zoals ‘Blunzen’ (=bloedworst), ‘Kaspressknödel’ (soort van platgedrukt allegaartje van (oud) brood, kruiden, kaas en ik vermoed varkensvet), ‘Stelzn’ (gegrilde varkenspoten) en ‘Beuschl’ (lijkt op gemalen goulash maar dan van varkenslongen en ander orgaanvlees).

Toegegeven, een aantal van de lokale vleesbegrippen – Grammelknödel, Bauchspeck (inclusief het obligatoire gevolg: de Speckbauch), Knacker, Fleischlaberl, Geselchtes, Schmalz en Surbratl – kende ik inmiddels al. Maar toch sta ik elke keer opnieuw met volle verbazing te kijken naar die oude, gebochelde oervrouwtjes met gebloemde schort en rieten mandje aan de arm. Ze staan tot ver buiten de deur in de rij voor deze varkensspecialist en laten hun mandje glunderend vol stouwen met Schweinshaxe en co. Voor hen is het een delicatessenwinkel. Voor mij eerder een bezienswaardigheid. Ik ga maar voor de verse knoflookkaas. Van het zwijn.

Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.

 

Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?

 

Tijd heelt alle wonden

Wat een mythe. Tijd heelt helemaal niets. Tijd kan hooguit een licht gaasverbandje leggen op dat wat zo verschrikkelijk schrijnt. De wond blijft open. En dat is pas te begrijpen als je zelf in het bezit bent van zo’n gapend, bloedend gat. Rottijd.

Achter de wolken schijnt de zon?  Ik hoef geen zon. Ik verbrand in de zon. Ik blijf liever janken naar de maan.

Alle verlies went?  Nee, het went nooit. Maar fabeltjes zijn natuurlijk altijd leuk om te vertellen.

Life goes on?  Maybe. HET leven op zich wel. Maar de zin ervan moet toch steeds weer opnieuw gedefinieerd worden.

Wees verstandig, bekijk het rationeel. Weeg alle voors en tegens af, analyseer de werkelijke kans van slagen. Ja hoor, doe ik. Zo gauw iemand mij even wijst, waar mijn “gevoel-uit-verstand-aan-knop” zit. Ik vind het ding echt niet. Misschien is dat het enige wat de tijd ooit kan doen. Je een knopje in jezelf laten vinden. Of misschien is mijn gevoel wel mijn verstand?

Máák wat van je leven, je leeft maar één keer. Maar dan wel graag binnen de kaders waar je jezelf in de loop der tijd in hebt weten te persen. Muren zijn er om te doorbreken en voor alles is een oplossing. ‘Het leven’ hangt aan elkaar van clichés. Wat is dat leven überhaupt…

Ik wacht wel op die openbaring.

Ik wacht wel.

Moeder moet

Moeder moet liefhebben.
Onvoowaardelijk steunen.
De juiste raad weten.
Op zich laten leunen.
Moeder moet behoeden
En altijd beschermen.
Zich vol overgave
over alles ontfermen.
Moeder moet alles.
Accepteren, berusten.
Niet klagen. Dragen.
Lasten en lusten.

In het Duits klinkt de benaming duidelijk passender.

Moeter.

De Liefde – revisited

Vandaag is het dan toch zover: ik heb weer twee kinderen. Het ene heeft zich stierlijk verveeld omdat ze vijf dagen lang niemand had om haar ergernissen op bot te vieren. Het andere was een midweek op schoolkamp en is nu ineens als een halve puber terug gekomen.

Om half één rijd ik de parkeerplaats op, direct achter de bus waar met koeienletters “Alles wird Gut” op de achterruit staat. We hopen het maar. Door de letters heen zwaaien er een paar kinderen enthousiast naar alles wat rijdt. Ze leven nog, dat is een goed teken. Verstoppen onder de stoelen is er blijkbaar al niet meer bij.

Zoon komt scheef grijnzend de bus uit springen, mompelt iets van: “eyy mam,” en loopt linea recta naar de bagageruimte waar hij zijn weekendtas uit de massa opgraaft. Hij laat zich een korte ‘mama-moet-nu-toch-echt-éven-knuffelen-sessie’ welgevallen en na een fatsoenlijk afscheid c.q. bedankje aan de docente rijden we naar huis. Liefde

Hij vertelt niet veel. Ik moet alles eruit trekken, mocht ik echt iets willen weten. Maar ineens houdt hij het niet meer uit en barst los: “ik heb nóg een brief gekregen!!” M. heeft hem nu officieel de liefde verklaard, maar dan wel in het geheim. Een geheime liefde. Hij duwt me zijn portemonnee in de handen, waar alle briefjes, inclusief die, die hij op mijn commando uit de prullenbak heeft gevist, ingepropt zijn.

Ik ontfrommel ze, strijk ze een beetje glad. De evolutie van het liefdesgebeuren wordt duidelijk zichtbaar. Het eerste briefje is een cool aftasten: “Hallo, hoe gaat ie. Groetjes, M.”  Tja. Wat móet je ermee als elfjarige… Iets antwoorden van “Hey, ja goed hoor, maar nu dus net even iets minder – en bedankt hè!”  is ook not done. Het tweede briefje is in het geniep door een vriendinnetje in zijn jaszak gestopt: “jij bent  cool.”  Dát is nog eens een statement. Een groter compliment kun je een jongen op die leeftijd niet maken. Vooral niet als de knul in kwestie met duidelijke coolnessmankementen te kampen heeft. Het derde briefje heeft zoon door de telefoon al beschreven. De keuzemogelijkheden van het algemene aardig vinden: JA of NEE. Eigenlijk zou hij dit briefje al niet meer in bezit moeten hebben: aankruisen en terug ermee. Klaar. Makkelijkste methode. Het vierde briefje is duidelijk van een ander, intenser kaliber: “Ik hou van jou, T. [hartje]. Als jij ook van mij, geef me een teken. En het is geheime liefde (niet doorvertellen a.u.b.) [hartje][hartje]”

God wat een moed. Ik bewonder M. Zo jong en toch al zó dapper in liefdesaangelegenheden. Ik vraag zoon losjes of hij haar dan al iets geantwoord heeft. “Ja ja. Ik heb een brief terug gestuurd!” Vol goede hoop informeer ik wát hij dan geschreven heeft. “Nou gewoon: ‘Ik weet het nog niet. Ik moet er nog even over nadenken,’” en hij kijkt mij triomfantelijk aan. “Je kunt niet gelijk toegeven hè, dat hóórt niet!”

Een harde noot, die zoon van mij.
Een zomaar ineens bijna puberale noot.
Komt goed.