De dood relativeert, no matter what

Op 4 november 2017 verloor ik een vriendin aan kanker. Een melanoom werd een hersentumor (met de veelbetekenende naam ‘Remi’), werd een uitzaaiing in het hersen- en ruggenmergvlies, werd de dood. Dat alles in een paar jaar tijd. De laatste fase ging echter zó enorm snel dat het insloeg als een bom.

Die bominslag kwam bij mij pas meer dan een dag later. Puur omdat ik de mededeling op Facebook niet meegekregen had. 6 November ’s ochtends, een half uur voor mijn tennisafspraak. Tóén wist ik het pas. En wist niet meer hoe ik het had. Ik ben toch naar de tennisbaan gegaan, heb mijn hart uitgestort, de ogen uit mijn kop gejankt in het bijzijn van mijn tennisvriendin en toen maar een potje keihard ballen over de baan gemept. Gewoon omdat het kon. Nóg kon. Nog kán.

God, wat relativeert dit. Ik besefte pas meer dan een etmaal later dat ze overleden was. Waarom? Omdat ik met mijn eigen – nu plotsklaps tot futiele proporties geslonken – sores bezig was. De bouw van een huis, waar natuurlijk van alles misgaat in de laatste fase. Een op stapel staande verhuizing die voor een hoop stress en chaos zorgt. Wat napijn van een gekneusde rib. Een rottige rechtszaak. Een niet aflatende berg werk waar ik me doorheen moet worstelen. Een naderende scheiding, niet alleen van mijn ex, maar ook van mijn bedrijf in München (dat ik al 17 jaar heb), omdat een bedrijfspartner het voor gezien houdt. Vijf websites die door moeten draaien. Kinderen met leerproblemen die veel begeleiding vergen.

Na de ochtend van 6 november zie ik dat alles anders. Bij al die dingen denk ik alleen nog maar: NOU EN!? Ik ben BLIJ met die idiote rechtszaak; zoiets stond toch al op mijn bucket list. BLIJ met alle andere ‘problemen’, die eigenlijk helemaal geen problemen, maar gewoon ‘leven’ zijn. BLIJ met alle drukte en stress die je laten voelen dat je er nog bent. Want ja, ik besef nu dat ik er ben nog ben om het allemaal mee te maken. Maar mijn vriendin is er niet meer. Haar trof dat verrotte noodlot veel te vroeg. Haar man en twee kinderen (net zo oud als de mijne) moeten nu zonder haar verder. Onvoorstelbaar, onvatbaar, onbegrijpelijk. Alles ‘on’.

En het egoïstische in deze is: ik heb spijt. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik, de keren dat ik in de buurt was, niet even belde of ik haar kon bezoeken. Dat ik niet even iets regelde om nog een kop thee op ’t terras met haar te kunnen drinken, om nog een keertje bij te kletsen. Want ik dacht steeds: ik heb nu zoveel te doen en ben maar zo kort in Nederland; dat doe ik de volgende keer wel. Maar er komt geen volgende keer meer. Nooit meer. Mijn ‘had ik maar’-gedachten nemen de overhand. Ik kan nu alleen nog maar in mijn eigen hoofd afscheid nemen en me voor mijn kop slaan dat ik dat niet gedaan heb, toen ze er nog was. Spijt is een bitch, net als de kanker die me mijn vriendin afgepakt heeft voordat ik nog een keer met haar afgesproken had.

En dat, dát relativeert. Enorm. Who cares? I care. Maar ik geef niks meer om die mafkees die samen met zijn juriste een berg geld van me wil. Die verhuizing doe ik met links; zal wel goed komen. Scheiden? Levert óók vrijheid op. En die vrijheid om te leven, die zie ik nu weer. Door mijn vriendin. Want ik leef nog, alleen besefte ik dat de laatste tijd niet echt meer. Nu wel. Alles is nu.

Dank je Sandra, voor jou. Voor wie je was, jij positief, liefhebbend, vechtend, übermooi en veelkleurig mens. Veelkleurig was je, van je Desigual-jurkjes tot aan je hardloopschoenen. En je ijsvogel, jouw symbool geworden. Als er iemand voor mij hét voorbeeld was van een doorzetter, een nooit-opgever, dan was jij dat wel. Dóórrr!! No matter what. Je was 15 jaar lang een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van ‘gewoon goed zijn zoals je bent’. Mijn afval-maatje was je ook. Alleen vrat ik het er allemaal weer aan en jij niet; jíj zette door. Zoals je altijd door wist te zetten. Tot de marathons aan toe.
Doorloper –> Hardloper –> Marathon(s)loper –> Wereldloper –> Ultraloper! –> Roparunloper.
Zo staat het ook op je rouwkaart. Want dat was jij ‘ten voeten uit’. Letterlijk. Het waren je – opeenvolgende – titels op ‘ons’ forum. Want lopen kon je. Je begon ermee en was meteen niet meer te stoppen. Tot nu. De allerlaatste finishlijn.

Ik zal je zo ontzettend missen. Gewoon, om wie jij was. Dankjewel dat je zelfs nu nog in staat bent om eigenwijze, tobbende, zelfdestructieve mensen zoals ik weer met twee benen op de grond te zetten. Mijn spijt zal ik nu zelf de kop in moeten drukken. Voorbij moeten lopen. Want jij zou met grote stelligheid gezegd hebben: “Je hebt echt niks aan ‘wat-als’ en ‘had ik maar’!” Je zou me een knuffel gegeven hebben. Me aangemoedigd hebben om de tranen te drogen en mijn schouders weer recht te trekken. “En dóórrrr!! Ja? Je kunt het!” Ik hoor het je nog zo zeggen.

Maar ik wil nu nog niet door. Ik wil nog even huilen. Om jou. Om het verlies van een prachtmens. Meehuilen met je lieve man en je schatten van kinderen. En dán ga ik weer door. Beloofd. Met een duizend keer beter besef van wat écht belangrijk is in mijn leven. En wat totaal niet. Ik zal weer lachen. Al was het maar omdat jij dat ook altijd deed, ‘no matter what’.
Dank je, lieve San-meis.

bron: pixabay.com (en die ene Kafka)


En nee, ik probeer hier niet te ‘scoren’ met het verdriet en verlies van een ander (zoals sommigen altijd weer schijnen te denken; eigenlijk te triest dat ik de noodzaak voel om dit hier te moeten vermelden). Dit is ook mijn verlies. Dit is mijn manier van afscheid nemen, mijn manier om het verdriet te uiten, mijn manier van dankjewel zeggen, mijn manier om haar liefsten en naasten te laten weten dat ik hier en nu met ze meeleef en meehuil. Ik kan niet bij de uitvaart zijn (gelukkig wel virtueel). Het laatste afscheid dat nu, op het moment dat deze blog verschijnt, plaatsvindt. Die 1000km afstand kan soms (nu) heel bitter zijn. Daarom doe ik het maar zo.
En de nacht werd weer dag.
Dag…

Ze worden zó snel groter. Tot ze het ineens niet meer worden.

Je merkt het niet, die tijd. Hij raast voorbij, zoals het cliché zegt. Tot je naar je kinderen kijkt. En ze alweer een jaar ouder zijn. Mijn oudste wordt vandaag 15. Hij is al een echte kerel: een lange slungel met de baard in de keel. Kijkt naar Game of Thrones en naar weet-ik-veel wat voor andere inhoud op YouTube. Game’t zich suf, maar Ego Shooter is gelukkig stom. GTA daarentegen…

Hij is met zijn veranderende lichaam bezig, maar voor het ouderlijk oog zijn meisjes nog totaal oninteressant. Zonder ouderlijk oog in de buurt is dat vast al anders. Ik hoef hem niet meer naar bed te brengen (liever niet, zelfs). Hij kan zelf eten koken.

Hij is een eerlijke, sociale, behulpzame vent met verantwoordelijkheidsgevoel geworden, die ’t nog steeds oké vindt dat zijn moeder hem van school op komt halen (“Vind je dat niet genant, dan?” “Nee, mam, vind ik juist cool! Ik heb een hartstikke coole mam!” – dat compliment stak ik maar glunderend in mijn bloemetjesschortzak).

En tegelijkertijd is hij nog zo’n kind… Het kind dat hij in mijn hoofd nog steeds is. Dat hummeltje dat maar niet fatsoenlijk aan de borst wil drinken. De peuter die leert lopen en pontificaal op zijn voortanden dondert. Het knulletje dat leert fietsen en zo de plomp in slingert. De ik-weet-alles-beter-achtjarige. De zoenen-is-bah-en-seks-is-ieuw-prepuber. En hij groeit maar door, uiterlijk én innerlijk.

Bij verjaardagen in het verleden betrapte ik mij erop dat ik wenste dat ze – mijn beide kinderen – nog even klein en knuffelig zouden blijven; ze worden zó snel groter en ouder… Ik besef nu dat dat een rare wens is. Eentje die ik sinds goed een jaar niet meer heb. Ik ben me er nu van bewust dat je dat niet, nóóit moet wensen. Iets meer dan een jaar geleden, augustus 2016, overleed lieve, kleine Floor, toen 6 jaar oud, aan kanker (neuroblastoom). Het was niet te bevatten. En dat is het nog steeds niet.

Als ik de foto’s en herinneringen op de profielpagina van haar moeder zie, komen meteen de tranen weer. En dan besef ik eens te meer: wens, als die kindertijd weer eens te snel aan je voorbij raast, nóóit of te nimmer dat ze ‘nog heel even klein’ blijven. Want in één tel van de tijd blijven ze zomaar ineens voor altijd klein en kunnen ze enkel in je hoofd en je hart nog verder groeien.

Als je al iets wenst, wens dan je kinderen – naast ‘gezond en gelukkig’ – groot. Groots. Altijd.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Klinkklare ikke (een selfie-sonate in f)

Wie ben ik? Wát ben ik? Ben ik mijn levensinstrument? Moet het dan tevens mijn doel zijn om mijzelf zo goed mogelijk te bespelen? Uit de toon vallen is geen punt, maar ergens naar klinken is een mooi streven. Niet te zacht, maar zeker ook niet te hard. Niet te snerpend, niet te lieflijk. Maar vooral niet vals.

Vertel eens, welke kleur krijgt een kameleon als je hem in een spiegelpaleis zet? Waaraan past zo’n dier zich aan als hij geen andere omgevingskleuren heeft dan die van zichzelf? Dat vroegen biologische cybernetici zich in de jaren ’70 ook al af. Behoudt een kameleon in zo’n geval zijn beginkleur? Wisselt hij tussen de verschillende kleurtonen? Of wordt hij door de overdaad aan zelfreflectie tot waanzin gedreven?

Vrouwtjes lijken redelijk kalm te blijven; hun kleur wordt enkel iets donkerder. Hooguit een rode gloed. Misschien zijn ze gewend om een spiegel voorgehouden te krijgen. Mannelijke kameleons raken daarentegen zwaar geïrriteerd door hun spiegelbeeld. De kleur verandert bij de eerste aanblik in geeloranje, soms zelfs knalrood, om zichzelf maar per nano-seconde te kunnen onderscheiden van de gereflecteerde, bedreigende ‘rest’, die zo hetzelfde is als hij. Rood. Alarm. Bij gebrek aan zelfbewustzijn is de eigen beeltenis afschrikwekkend. Pure schrik en stress door ontbrekende, maar oh zo noodzakelijke identiteit.

bron: pixabay.com

Met veel mensen gebeurt hetzelfde. In het spiegelpaleis der sociale media zien ze enkel nog zichzelf(ie), maar herkennen zich niet meer. Met elk zelfbeeld, elke selfie, ongewild gespiegeld aan duizenden, nee, miljoenen reflecterende anderen, drukt men zich steeds weer in een nieuwe rol. Neemt men gemakshalve toch maar weer een nieuwe kleur aan. Doelgericht aangepast aan de heersende normen en waarden, die een dag later al niet meer gelden. En hoe meer kleuren en rollen een mens tracht aan te nemen om de contouren van de identiteit na te trekken, des te moeilijker wordt het om te definiëren, wie hij nu werkelijk is.

Daarom klink ik liever.
Toonaarden herken ook met je ogen dicht.
Blind voor ongewenste reflectie, bespeel ik mijzelf.
Een selfie-sonate in f.


— Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

Dochter is stuk en mensen zijn best aardig

Met 120 scheur ik over de landweg waar ik laatst zelf een ongeluk had, doordat een tegenligger met rotsnelheid op mijn weghelft een onoverzichtelijk bocht om kwam scheuren. Toen reed ik maar de hoge berm in, met alle schade van dien.

Dit keer ben ik zelf degene die voor gek en onwijs rijdt. Naar de plek waar mijn dochter in de kreukels ligt. De plek waar al drie auto’s her en der in het gras geparkeerd staan en een overstuur vriendinnetje huilend naast mijn meiske zit, dat half liggend overeind en wakker gehouden werd door een vrouw. De plek onderaan de flinke berg waar ze zo lekker hard vanaf suisde. Totdat een auto haar rakelings passeerde, zij uit wilde wijken en haar wiel begon te zwabberen. Boem.

bron: pixabay.com

Ze kijkt me wazig en betraand aan.
“Mama…”
Meer zegt ze niet. Maar ze herkent me, godzijdank.

Haar vriendinnetje belt eerst de vader van mijn dochter (mijn ex-partner), maar die blijkt helaas te ver weg om meteen ter plaatse te kunnen zijn. Dan belt ze mij, met het mobieltje van mijn dochter.
“Hi, lieffie! What’s up?” roep ik als altijd in de telefoon, wanneer haar naam op mijn scherm verschijnt.
“Ik ben het. Lena… K. is over de kop geslagen en gevallen met haar fiets en er zit overal bloed. En ze weet helemaal niks meer… Kun je alsjeblieft gauw komen?”
De shockwave die bij zo’n bericht door je heen gaat, laat je hart je maag opslokken.

“Waar zijn jullie nu precies?” Daar en daar. Onderaan de berg.
“Is er iemand bij haar?” Ja, er zijn meerdere volwassenen gestopt en met haar bezig.
“Ik kom er nu aan.”

Het is raar om je kind daar zo in het gras te zien liggen. Als een kapotgescheurde vaatdoek. Haar been is bebloed. Haar achterhoofd ook een beetje: daar waar de knop van de helm door de val in haar schedel gedrukt is.
Ja, ze had een helm op. Nu ligt het ding van binnen en buiten gebroken in het gras. Ik ben die helm eeuwig dankbaar. Wat als ze hem niet op had gehad? Had ik dan nu geen dochter meer? Of een dochter die niets meer weet en niemand meer herkent vanwege een deuk in haar hoofd? Een deuk die nu in de helm zit?

De ‘kleinste’ schaafwond (knie). De rest mocht niet op de foto. (eigen foto LB)

Uiteindelijk komt haar papa ook aangereden. Hij is duidelijk net zo aangedaan en geschrokken. We praten even. Voor het eerst sinds lange tijd weer in real life. Dat is raar, maar eigenlijk ook heel oké. De aanleiding voor dit onverwachte gesprek stemt hem milder, blijkbaar.

We zetten dochter voorzichtig in de auto. De omstanders helpen waar ze kunnen en laden de kapotte fiets in de kofferbak. Ze hebben haar opgevangen, water gegeven, getroost en bij zinnen gehouden. Ook hen ben ik heel dankbaar. Het is zo ontzettend fijn om te merken dat mensen wel degelijk meteen stoppen en helpen. Iedereen is begaan met haar, met ons. Elke keer houden er auto’s stil en wordt er gevraagd of er nog hulp nodig is. De vrouw die haar de nodige eerste hulp heeft gegeven, ken ik zelfs. Ze informeerde ’s avonds op Facebook ook nog een keer naar haar toestand. Medeleven is fijn.

Het is in de huidige tijd van gescheld en gezeik bijna niet meer te geloven, maar mensen zijn echt heel aardig. Online, vooral op ‘social’ media, krijg je wel eens een andere indruk. Ook nu sta ik weer versteld van de behulpzaamheid, de bekommering, de steun die meteen gegeven wordt als mensen ‘in het wild’ en in real life een nare situatie meemaken. Situaties waarin iemand in nood is of verdriet heeft. Het doet me weer even beseffen dat wij mensen in feite best een heel sociaal en empathisch soort zijn.

Dochter is inmiddels aan de beterende hand. Ze heeft een lichte hersenschudding, een verrekte, mogelijk gescheurde pees in de nek (dat moet nog bekeken worden), een gekneusde arm en een hoop schaafwonden.
En ze heeft gigantisch veel geluk gehad. Dat ook.
Overmorgen wordt ze 12. Omdat het gisteren weer eens ‘nét goed’ gegaan is.

Het leven hangt aan elkaar van geluk. Want met een beetje pech ben je zo stuk.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken

Cashloze maatschappij? Nee, bedankt!

bron: publicdomainpictures.net

Stockholm. Ik sta bij een kiosk in de rij voor twee kopjes koffie. Voor me staat een man in uniform, waarschijnlijk de kapitein van één van de ontelbare rondvaartboten. Hij bestelt een blikje Fanta, trekt zijn pinpas uit zijn borstzakje, wappert ermee over een display en loopt weg. Betaald. Contactloos. Klaar. Kan hier ook al lang natuurlijk, niet bijzonders. Maar de meesten van ons leggen bij kleine bedragen als €2,00 ‘gewoon’ nog muntgeld op het plankje.

In Zweden zijn die plankjes verdwenen. Ik bestel mijn koffie en de kioskdame duwt het pinautomaatje onder mijn neus. Ik leg 200 kronen, 2 briefjes van honderd, neer. Ze kijkt me even verbaasd aan. Weer zo’n maffe toerist met ‘echt’ geld, zal ze gedacht hebben. Mijn Kronen-biljetten accepteert ze alsnog. Nóg.

Pin, contactloos of Swish?

Zweden zal binnenkort het eerste Europese land zijn, waar cashgeld compleet verdwenen is. Men schat dat het hooguit nog 5 jaar duurt. Cash is al bijna ‘verdacht’. Je vindt er ook nauwelijks nog pinautomaten: op het vliegveld is er eentje en ergens in de stad vind je er nog een paar (goed zoeken!), maar dan houdt het wel op. En er staan enkel niet-Zweden voor te wachten.

Bij het Vasa-museum koop je je ticket uit de muur; enkel de stomste toeristen gaan nog omslachtig in de rij staan voor die ene kassa die er nog is. In veruit de meeste café’s en restaurants moet je direct aan de bar bestellen en ook meteen afrekenen. Middels een restauranteigen lokaliseringssysteem – je moet een knipperend digi-plankje meenemen en op je tafel leggen – wordt het eet- en drinkwaar dan bij je tafeltje gebracht.

Je betaalt ouderwets met je pinpas, maar liever ‘gewoon’ contactloos of met Swish, het zeer snel en blijkbaar goed werkende Zweedse betaalsysteem via de smartphone. Inmiddels maakt ca. 90%(!) van de Zweedse bevolking onder de 30 jaar voor geldtransacties bij voorkeur gebruik van Swish. Voor de gehele bevolking ligt dat gebruik bij ca. 30%, sterk stijgend.

Alleen maar voordelen! Maar voor wie?

Alles gaat automatisch, alles gaat elektronisch. En alles wordt geregistreerd. Elke fles wijn die je koopt, elk pakje sigaretten, elk blikje Red Bull. Elk condoom, elke joint, elke milliliter (daar verboden) liquid voor je e-sigaret. Elk bezoekje aan een sekswerker, elke ‘spontaan’ ter plaatse geboekte hotelkamer. Maar ook elk boottochtje dat je maakt, elke taxi die je neemt, elke citybike die je huurt. En elke locatie waar je je bevindt. Om maar wat te noemen.

Tag-in-tag-out. De perfecte glazen burger. Handig? Zeker: het gaat allemaal razendsnel. En je hoeft nooit méér mee te nemen dan je pinpas en je smartphone. De oudjes in het hoge noorden van het land denken natuurlijk anders over dat ‘handig’. Lastige, ingewikkelde telefoons bedienen, slechte internetverbindingen, pincodes onthouden; voor de oudere mens in de wat meer afgelegen gebieden wordt het er zeker niet makkelijker op. De weerstand onder die bevolkingsgroep is dan ook groot.

Voor de overheid en de banken heeft de ontwikkeling echter alleen maar voordelen: alles ‘onder controle’. Geen zwartgeld meer, geen kosten meer voor het drukken, in omloop brengen, transport, tellen, en controleren van munten en biljetten, geen geldautomaten meer. Minder bankmedewerkers. Computers doen alles. En meer.

Heilig vertrouwen in banken en autoriteiten

Dé grote voorwaarde voor deze ontwikkeling: een heilig vertrouwen van de bevolking in de autoriteiten en banken. Opdat ze allemaal maar ‘fatsoenlijk’ met je geld en je gegevens om mogen gaan. Maar zonder cashgeld ben je ook per direct compleet afhankelijk van hen. Je MOET alles via een bankrekening doen. Kom maar door met die negatieve rentes en nóg hogere ‘service’-kosten. Want een keus heb je dan al lang niet meer.

Je moet daarnaast ook heel hard hopen dat de autoriteiten [overheid en belastingdienst, banken, controlerende en arbeidsinstanties, verzekeringsmaatschappijen…], die op deze manier werkelijk álles over je weten [koopgedrag, verblijfplaats, vrijetijdsbesteding,  verslavingen, donaties, medische problemen…], niets met die gegevens doen. Ach nee, dat zullen ze toch niet? Wie wil er nu een brave burger controleren? Juist. Niemand. Toch?

Oorlog tegen cash

Het is en blijft een beangstigende ontwikkeling. Denk er maar eens wat langer over na. Contant geld geeft je de vrijheid om iets aan te schaffen, zonder er eerst uitgebreid over na te hoeven denken. Het geeft je de vrijheid je geld te bewaren op een manier en een plek die jou het beste lijkt; desnoods begraaf je het in een gat in de achtertuin. Jouw keuze. Het geeft je ook de vrijheid om iemand te hulp te schieten door diegene een klein bedrag in de handen te drukken of een dakloze een paar euro te geven. Het geeft je de vrijheid om waarde te ruilen zónder dat er over je schouder meegekeken wordt.

bron: pixabay.com

De EU voert al sinds lange tijd ‘oorlog’ tegen contant geld. Cash zou enkel de financiering van terroristische aanslagen ten goede komen. Cash werkt het zwarte circuit in de hand. Cash is voor criminelen. Maar de werkelijke criminelen hebben al lang en breed andere financieringswegen gevonden, al dan niet met behulp van wat minder betrouwbare overheden. Daarnaast boomen anonieme en toezichtsvrije, virtuele betaalmiddelen (cryptogeld) zoals Bitcoin en Ethereum. Ook geliefd voor de wat minder vredelievende transacties.

Terroristen zal het inmiddels worst wezen of er nog cash is. De enige die door het afschaffen van contant geld daadwerkelijk getroffen wordt, is de normale doorsneeburger, wiens privacy en autonomie samen met het muntgeld compleet verdwijnen. Ook valsmunterij kan geen argument zijn: de 500- en 200-eurobiljetten zijn altijd al de minst vervalste biljetten, de vijftigjes en twintigjes daarentegen…

Afschaffen die hap, want?

In mei 2016 werd echter júíst dat 500-eurobiljet afgeschaft. De eerste grote stap. Het 200-eurobiljet wordt inmiddels eveneens al nauwelijks meer geaccepteerd en zal er binnenkort ook aan moeten geloven. Ook de kleine munten (1 en 2 cent, het ‘koper’) zijn in Nederland – net als in Finland overigens – inmiddels verdwenen. Maar goed, dat is nog tot daaraan toe. Valt mee te leven.

In februari dit jaar nam de EU-politiek de volgende stap: de restrictie van contante betalingen. Bedragen boven de 5.000 euro mogen niet meer (ongescreend) contant betaald (of geaccepteerd) worden. In – onder andere – België ligt dit bedrag bij 3.000 euro. Het verbieden van cash betalingen boven de 500 euro is inmiddels ook al ter sprake gekomen.

En de reden voor dit alles, volgens het door de EU opgestelde ‘manifest’, is inderdaad terrorisme. De strijd daartegen is vastgelegd in de zogenoemde European Consultation Strategy. Hoofdmotivatie:  terrorismebestrijding door afschaffing van cashgeld. Want, zo stelt het manifest: “Payments in cash are widely used in the financing of terrorist activities.” Dat (westerse) overheden zelf de grootste wapen- en middelenverschaffers in deze zijn, dáár hebben we het voor het gemak even niet over. Terrorisme, hét alibi voor alle privacy-vernietigende maatregelen. In naam der terrorismebestrijding is namelijk elke maatregel geoorloofd. Dit doel heiligt álle middelen.

Ik ga me maar eens verdiepen in Bitcoin en co. En investeren in lichtgevende speciaal-edities van 3-euromunten  met vleermuizen en tijgers erop. Die schijnen ook een hoop waard te worden in de toekomst. Alleen even afwachten of je die te zijner tijd überhaupt nog ergens in kunt wisselen. Want bankfilialen zijn er dan niet meer. Uiteindelijk kun je je geld dan alleen nog maar opvreten. Letterlijk. Ik vraag me af wat de voedingswaarde van een vijftigje is.

Enfin. Terug naar de middeleeuwse ruilhandel. Mijn koe tegen jouw varken. Wie biedt?

bron: pixabay

 

Zo snel en eindig is het

1 augustus 2017, 12:11h
“Mam, breng je ons nu eindelijk naar ’t zwembad?”
“Ja, schatje, één moment. Even dit nog afmaken.” Ik zucht. Stress. Werk. Zorgen. Teveel aan mijn hoofd. Veel te veel.
Ik adem diep door, klap mijn computer dicht, graai de autosleutels van het kastje en spring in de auto. Dochter voorin, zoon op de achterbank. Buiten is het 38°C, in de auto nog veel heter.

Ik draai het 4m brede slingerweggetje naar het dorp op. Aan weerskanten van de berm hoog, niet te overzien gras. Ik rij goed aan mijn kant; ik ken deze bochten. Mijn nog onzichtbare tegenligger, een grote SUV,  blijkbaar niet. Hij rijdt midden op de weg, zelfs deels op mijn toch al zo smalle weghelft. En veel te hard.

In een flits zie ik wat er gaat gebeuren als ik niet onmiddellijk ingrijp. Een frontale crash. 110km/u (minstens) tegen 80km/u. Op een landweggetje. Ik rem, stuur abrupt de berm in en kom net voor een paaltje tot stilstand. Ik weet dat de kinderen gegild hebben, maar ik heb het niet bewust gehoord. De tegenligger is met volle vaart doorgereden. Het was een metallic-grijze auto, vermoedelijk een BMW, maar het ging zó snel…

bron: eigen foto (LB)

Ik draai mijn auto weer de weg op. Alles is nog heel voor zover ik kan zien en voelen.
“Mama, als je nou niet zo razendsnel het gras ingereden was, waren we dan nu dood geweest?”
“Misschien. In ieder geval had je dan de airbag mogen kussen,” grap ik, met het hart nog steeds in de keel. Omwille van hen slik ik mijn schriktranen weg.

Ineens zijn al die zorgen, al het gedoe en geregel, alle problemen en juridische shit weer even heel nietig en onbelangrijk geworden. Hoofd leeg. Daar was dit incident dan wel weer goed voor.

1 augustus 2017, 13:01h
En doorrrr. Het mag nog.
Dank, beschermengel.

Zo snel gaat het.
Zo eindig is het.


Tegelijkertijd verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Kleuters en zandbakpolitiek – een analogie

Drie kleuters vermaken zich in een zandbak in de speeltuin. Ze bakken kledderige moddertaartjes op de betonnen omranding. De kleutertjes zijn het roerend met elkaar eens: deze hele zandbak is vanaf nu van hen. Hun wereld van bruine drab. Genoeg zand om mee te smijten. Er is dan ook écht geen plek voor de creaties van een ander.

Kleuter 4, een half jaartje ouder, zit in de andere hoek en bouwt daar in alle rust een bescheiden maar goed gefundeerd zandkasteel, geheel naar eigen inzicht, creativiteit en visie.

bron: pixabay

Oprotten!

Kleuters 1, 2 en 3 vinden nummer 4 dom. En het zandkasteel heel stom, want het staat daar te gloren in HUN zandbak. Kleuter 4 past niet in hun zandwereld. Al die rare bouwideeën zijn maar wát irritant. Daarom grijpt de eerste al snel een van de moddertaartjes en smijt het in de richting van het irritante zandkasteel. Kleuter 4 kijkt even geërgerd op en bromt: “Laat me met rust. Ik mag hier ook spelen. De zandbak is groot genoeg.”

“Jij moet je kop dicht houden, jankerd!”
De volgende, iets grotere moddertaart volgt prompt.
“Ga ergens anders spelen, stommerik, maar blijf bij ons superintelli’s uit de buurt!” gilt nummer één.
“Haha, moet je jou zien, hóé DOM kan iemand zijn om zo’n idioot prutskasteel te bouwen?” schampert nummer twee.
“WIJ bepalen hier wat er gebouwd wordt! En ook waar. Én waarom. JIJ moet gewoon lekker oprotten!” Nummer drie wijst priemend met zijn middelvingertje naar kleuter 4.

Jij bent dom

“Waarom dan?” waagt kleuter 4 – nog steeds kalm – te vragen. “Ik mag maken wat ik wil, wat ík goed vind. Deze zandbak is van iedereen, dus ik heb jullie toestemming helemaal niet nodig.”
“Jawel! Dat heb je wél. Jij mag hier niet zijn, want jij bent zó ontzettend giga dom!”
“Kun je misschien ook nog iets anders zeggen dan ‘dom’?” vraagt kleuter 4.
“Oh, ja hoor: jij stinkt! En je jankt de hele tijd.”
“Ik jank niet. Ik zeg gewoon zo nu en dan wat ik vind.”
“Há, maar je stinkt dus wel! Want dát ontken je niet. En jij vindt alleen maar rare dingen. Pas als jij doet en vindt, wat wij ook doen en vinden, dán mag je hier zitten en misschien zelfs nog iets zeggen.”
Ondertussen gaat het bombardement gewoon door.

bron: pixabay

Kleuter 4 bewaart stoïcijns de rust en reageert – ondanks alles wat haar naar ’t hoofd geslingerd wordt – niet meer. Kleuter 4 is namelijk al nét iets verstandiger dan de schreeuwertjes en weet, dat je andere dreinende, krijsende, tierende, wijzende en modder gooiende roeptoeterkleuters gewoon moet negeren. Een normale discussie is toch niet mogelijk. Wel alert blijven natuurlijk, maar niet meer reageren. Dan is de lol er vast gauw vanaf. Ze buigt zich weer over haar eigen werk.

Feet. Butt. No pain.

Helaas. Werkt niet. Nu gaan de pestkoppen helemaal over de rooie. Drie paar voeten, één reet. Echt pijn doet het niet. Het kriebelt een beetje. Watjes. Grinnikend draait ze zich om en kijkt, enigszins verbaasd, in drie inmiddels rood aangelopen, van haat verwrongen gezichten.

“Zal je leren, jij zeikwijf! Hysterisch mokkel! Leeghoofdig grietje! Emotioneel incontinente borderliner! Het is niet te geloven hoe iemand zó dom kan zijn. Luister, wij zéggen toch dat je DOM bent? Dan ben je het dus ook! Ga nou eens snel weg hier?!”

Stijlloos GeTrumpetter

Moment. Dat laatste is toch helemaal geen kleuterscheldpartij? Nee, dat is gewoon een zoveelste door-het-slijk-trek-actie van steeds weer dezelfde meute stijlloze scheldkoppen met schoolpleinmentaliteit. Volwassen kinderen die op zolderkamers achter laptops wegkwijnen en zich de socmed-vingers blauw typen, wegens gebrek aan echt léven. En aan enige doordachte, steekhoudende argumenten. Om het hardst schreeuwen en uitjouwen (daar is trouwens een nieuw werkwoord voor: ‘Trumpetteren’), dan bindt de rest met een beetje geluk wel in. Bij voldoende intimidatie houden ze misschien zelfs voorgoed hun klep. Hartstikke handig.

Schoolvoorbeeldje van ‘één op één’

Ook één op één willen kleuters nog wel eens hard gillen als ze denken dat ze hun virtuele achterban op die manier mee krijgen. Een – al dan niet vooropgezet en zo ja, in dat geval nog kinderachtiger – schoolvoorbeeld daarvan: de twee overgebleven metro-columnisten, die elkaar in de boksring troffen. De één zet zichzelf totaal te kakken door ongelooflijke arrogantie, badinerende opmerkingen, loze uitspraken en een argumentatie van niks. ‘IK heb mijn mening het éérst geschreven in ONZE krant en ik heb veel meer likes en retweets dan jij, dus jij mag mij daar – in ONZE krant – niet meer op aanspreken. Ga maar ergens anders heen, amateur!’

Qué? Wat is dat voor redenering? Juist! De ultieme kleuterargumentatie. Vertaald naar de zandbakpolitiek klinkt dat zo:
‘IK heb ’t eerst geschreeuwd, dus JIJ moet vanaf nu, hier in MIJN zandbak, je bek houwe. Want ik ben véél populairder en jij bent niks.’

Zo gaat dat. Maar: de één blijft door kalmte, openheid en alertheid nog steeds een goede columnist, de ander degradeert zichzelf tot een eeuwig hetzelfde liedje roeptoeterende jij-bakker. Hop, even flink afzeiken en uitschelden. Op de persoon, graag. Op de manier waarop dat bij iedereen gedaan wordt. Wiens opvatting niet bevalt. Wiens mening niet in ’t eigen straatje past. Want zulke meningen zíjn immers geen meningen, maar slechts uitermate ‘lastig en dom’. Toch?

Stelletje kleuters. Ga echte taarten bakken.
Grow up.

bron: pixabay


Deze blog is eerder verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Reality sucks (at being real)

bron: pixabay

“Wees nou eens realistisch!”
“Jij loopt ook eeuwig en altijd te dromen…”
“Waarom altijd  weer die angst? Dóé gewoon!”

“Het leven is leuk totdat de realiteit je bij de kladden grijpt.”

Zomaar wat dagelijkse uitroepen. Maar ‘realiteit’, wat is dat nou helemaal? Vraag drie verschillende mensen wat de ‘realiteit’ voor hen is en ze zullen alledrie iets anders antwoorden. Het concept der realiteit is dus juist níét wat de naam doet vermoeden. Het is niet reëel. Het zit slechts in het hoofd van een willekeurige persoon.

Wat is realiteit nu helemaal? En angst?
Realiteit is enkel gebaseerd op een specifiek leven. Ander leven = andere realiteit. Fictie voor de één is werkelijkheid voor een ander. Ofwel: wat voor de één reële, op diens realiteit gebaseerde, angst is, is voor de ander aluhoedje-materie, negatieve fantasie of juist iets spannends en uitdagends.

“Angst is een slechte raadgever,” zeggen ‘ze’ altijd. Wie is ‘ze’ in jouw beleving? Zijn ‘ze’ reëel? En verder klopt het inderdaad: Als je angstgevoel hoort bij jouw persoonlijke perceptie van de realiteit, dan moet je eerst gaan nadenken of die realiteit wel helemaal juist geïnterpreteerd door jou wordt. Is het écht zoals jij denkt dat het is? Zou het niet tóch anders kunnen zijn? Wat is het ergste dat er kan gebeuren in jouw angstsituatie?

Bang of angstig?
En ís het wel angst? Of ben je gewoon even bang?
Bang ben je in een specifieke situatie. Bang in het donker, bang voor een achtervolger, bang voor terrorisme, bang voor school, bang voor een gesprek, bang voor een motorbende, bang voor een asielzoekerscentrum in de buurt.

Angst, of liever gezegd: grote bezorgdheid en onrust, is veel existentiëler. Angst heeft te maken met je bestaan, je hele zijn. Met jóúw eigen realiteit dus, of die voor anderen nu reëel is of niet.

Kiezen is een keuze
In de huidige wereld wordt angst steeds minder geaccepteerd. Als je uitermate verontrust bent over iets, ligt dat meteen aan jou, aan jouw – al dan niet foute – perceptie en leefwereld. Niet aan de werkelijkheid van ‘de massa’. Je gaat dan al snel op zoek naar de weg van de minste weerstand. Neem een pilletje tegen je angst en floep, alles is weer afgevlakt en oké.

Het aantal mensen met een ‘overmatige angst’ is nu groter dan ooit. Ik denk dat dat komt doordat we steeds meer keuzevrijheid hebben: je moet continu levenskeuzes maken. Dag in dag uit ‘zinvolle’ richtingen kiezen. En elke keuze die je maakt, heeft invloed op je leven en op het leven van anderen. Met elke keuze definieer en kies je jezelf.En dat is eng. Keuzestress is het gevolg. Dan maar liever niet kiezen? Zoals de Grote Paul steeds weer zegt: Kiezen is een keuze!

Angststoornis
Niet willen kiezen en bang zijn voor de – gevreesde negatieve – gevolgen van een keuze uit zich – onder andere – in angststoornissen (die wederom met allerlei middelen – pillen, alcohol en drogerende middelen, you name it – onderdrukt worden). Angststoornissen worden algemeen gedefinieerd als ‘angst zonder reële grond’, die gepaard gaat met sociale problemen. En daar heb je het weer: WIE bepaalt welke grond reëel is? Wie bepaalt wanneer iets sociaal problematisch is? De media? De artsen? De experts? De maatschappij?

Nee. Jij.

Afgrond
Als je nooit in de afgrond hebt hoeven kijken, weet je ook niet wat angst voor vallen is. Maar wát een afgrond is, bepaal je nog altijd zelf. Wat voor jou een onoverkomelijke diepte zonder reling of vangnet is, is voor freerunner gewoon een uitdagend sprongetje waar hij met een salto in of zelfs overheen springt.

Misschien moet je, als je angst voelt, je eigen concept van de realiteit eens overdenken. Als je durft.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

SNEEUW!! Want Oostenrijk, hè! (Plogje)

Sneeuw9Sneeuw is al lang geen vaste prik meer, hier in het noorden van Oostenrijk. Er ligt elke winter wel wat, maar dat is in Nederland ook het geval. Af en toe.

Maar soms, heel soms, valt er – vaak op de meest ongunstige momenten – weer een enorme bak uit de lucht. En die blijft dan ook liggen. Zoals nu.

Ik heb vaak wat te mekkeren over Oostenrijk (en binnenkort zal ik eens het tegenovergestelde doen in een blogje, want Oostenrijk blijft een prachtig en fijn land, hoe je het ook draait of keert), maar die sneeuw, die is toch echt een fantastisch iets. Met sneeuw ga ik vaker wandelen. En dat is zo ontzettend goed voor je psyche… Bijna meditatief 😉

Sneeuw dus:

Sneeuw13

Paardenkoppel zonder paarden

Sneeuw14

Gesuikerde bomen

Sneeuw16

Altijd spannend rijden zo. Te voet is beter.

Geen weg meer te zien. Dan maar rechtdoor lopen naar de horizon.

Geen weg meer te zien. Dan maar richting de horizon.

Paard in zicht! #Sneeuwzee

Paard in zicht! #Sneeuwzee

Mijn kontafdruk op 't bankje. Natte broek, dat ook.

Mijn kontafdruk op ’t bankje.
Natte broek, dat ook.

Sneeuw8

Zie! De aarde is rond!

Hier is duidelijk wél gestrooid.

Hier is duidelijk wél gestrooid.

Bos hout voor de deur.

Bos hout voor de deur.

Sneeuw6

Zelfs hele boomstammen voor de deur.

Alles vloeit, ondanks alles.

Alles vloeit. Ondanks alles.

De strooiwagentjes zijn momenteel wat ondergedimensioneerd hier...

De strooiwagentjes zijn momenteel wat ondergedimensioneerd hier…

Sneeuw10

’t Is en blijft een uitzicht.


NB: Bron van alle foto’s: mijn Huawei P9 (zelf gemaakt dus). Mocht je er daadwerkelijk eentje ergens voor willen gebruiken: be my guest. Doe ermee wat je wilt.
Zou leuk zijn als je mijn naam (Lou Bartels) erbij noemt of naar mijn blog linkt, maar het hoeft niet per se. Zo aardig ben ik.

De Meditatiekneus

Ik ben de laatste tijd nogal moe. Heel erg moe. Intens moe. En toch kan ik niet slapen, niet ontspannen. Oh ja, en pijn. Die is er ook. Van al mijn suffe acties van de afgelopen veertien dagen. Ik heb pijn in mijn hoofd – geen hoofdpijn – van de duizenden kilometers reizen in een paar weken tijd. En van alle geregel, administratie en belastinggedoe. En van alle rompslomp rond werk en de kinderen en school. En met mafklappers die zomaar duur geld eisen. En, en, en….

Enfin. Om dat alles vond ik het gisteravond tijd om eens wat doelgerichte ontspanningsoefeningen te proberen, want mijn oogleden lagen op de spatiebalk. Men schijnt dat ook wel meditatie te noemen. Niks voor mij.

Efkes naar YouTube voor wat meditatieve muziek. Als werkelijk iedereen kan mediteren, kan ik, spiritueel afgekeurde mens, dat ook. Ah, hopla, een mini-sessie van drie minuten, dat moet te doen zijn voor een beginneling.

bron: pixabay

Ik leun achterover, sluit mijn ogen, leg mijn handen op de leuning van mijn bureaustoel (handpalmen naar boven) en luister.
En luister.
En hoor een plinkje van Twitter (retweet).
En luister.
En probeer mijn ogen uit alle macht gesloten te houden.
En luister.
En weer een plinkje. En een pokje, van whatsapp.
En luister.
En denk: ‘tjonge, dit werkt echt voor geen meter bij mij. Oh, ik moet morgen de aannemer nog bellen… Wanneer stopt die muziek nou ‘ns een keer? Volgende keer moet ik m’n mobielgeluid ook even uitzetten. Die drie minuten zijn toch al lang voorbij? Het gáát maar door… Oh ja, morgen ook nog een blikopener kopen, anders krijg ik dat blik kikkererwten zonder lipje nooit open. Sjezus, wat duurt dat lang. Zal ik hier een blog over schrijven?’

Ik kijk stiekem toch even door mijn wimpers en zie nu dat de meditatiemuziekvideo drie (3!!) uur duurt. Niet 3 minuten. Onbegonnen werk. En daar heb ik al meer dan zat van. Ik doe duidelijk iets heel erg fout.

Natuurlijk meld ik mijn meditatiedebacle meteen op social media (om therapeutische redenen, zeg maar), alwaar meteen de ‘mindfulness’ als goede raad om de hoek komt koekeloeren. Helaas heb ik een zware allergie ontwikkeld tegen alles wat met ‘mindful’ begint. Die allergie begint zelfs al uit te breiden naar alles wat ‘mind’  in zich heeft. En ‘box’. En ‘out’. Dat ook. Ik word kortademig van het het woord ‘flow’ en ga acuut trillen bij de term mindful(ness).

Ik wil geen mind full!
Ik wil juist mind empty!

Dan wordt mij op twitter de app ‘Headspace‘ warm aanbevolen. Een app voor meditatieve beginnelingen: lekker gestructureerd. Klinkt goed. Instant gedownload, natuurlijk.

Next try. Tien minuten ontspanning om meer ruimte in het hoofd te maken. Andy Headspace belooft het me.
Hij murmelt fanatiek in mijn oren.
“Feel your body… Feel the sensation of your stomach…” [Yes! Both definitely feel like they want a glass of wine. Now.]
“… and the tingling in your toes.” [Not. Maar ze kriebelen wel een beetje. Misschien maar eens schone sokken aantrekken.]
“Close your eyes now and count with every breath you take. In through the nose, out trough the mouth.” [Kakkerdekak, dat heb ik dus nooit gekund. Ik  vind dat stressig, dat bewust door je mond uitademen.]
“Feel the weight of your body…” [Ménnn, dat is nou juist iets wat ik absoluut NIET wil!]
“…and relax.” [Ja, hallo?!? Waarom denk je dat ik deze ‘oefening’ doe? Juist! Om DAT te leren!]
“Now open your eyes again.” [Whoops, ik had ze al open. En waar blijft die ontspanningsmuziek eigenlijk?]

En toen was ik er alweer klaar mee. Vervolgens moest ik de timer instellen voor de volgende, minutieus geplande ontspan-sessie. Daar kreeg ik het gelijk helemáál van op mijn heupen (uit! uit! uit! die timer), dus ook mijn heupomvang heeft vooralsnog geen baat bij de app.

Bron: commons.wikimedia.org

Aldus en al doende ben ik vooralsnog de meditatiekneus bij uitstek. Een ontspanningsprutser. Een stressprof. Maar ik geef niet zo snel op! Morgen sessie 2 met Max Headroom; ‘ns kijken wat ie dan te vertellen heeft.

En als mijn hoofdruimte er dan nog steeds niet groter en opgeruimder van gaat worden, neem ik maar een hete douche en een advilletje of twee. Dan slaap ik in ieder geval gewéldig, dat weet ik nu al. Zelfs zonder nieuw gecreëerde hoofdruimte.

 


Deze blog is eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

De 45-jarige en de spagaat

Nieuwjaarsdag. We zitten met de hele familie onderuitgezakt en lichtelijk brak op de bank. Mijn jonge, lenige nichtjes zijn er ook en zien er onmogelijk kwiek en fit uit. Natuurlijk hebben wij ouwen het over de lichamelijke gebreken die met de jaren steeds groter worden.

Vroeger, vroeger kon ik alles. Benen in de nek leggen, radslag, handstand, split, bruggetje achterover, spagaat, de hele mikmak. Maar nu, nu moet ik, als ik lang gezeten heb, eerst even ‘in de benen komen’. De eerste paar passen zijn vaak ietwat moeizaam. Eerst de stramme rug strekken en dan gaat het wel weer. We hebben stuk voor stuk uitermate brakke knieën, zere schouders en een vaak jammerende onderrug.

“Ik kan mijn benen wel in de nek leggen, hoor!” roept dochter (11) enthousiast, en demonstreert stante pede.
“Kan ik ook,” voegt nichtje (17) eraan toe.
“Nou, volgens mij kan ik best nog wel een spagaat,” mompel ik moedig.
“Ziehien!” wordt er meteen in koor geroepen. Why not. Ik sta dapper op en trek mijn legging recht. Ik heb elastisch spul aan, dus qua uitscheurende kleding moet het geen probleem zijn.

“Niet onopgewarmd doen, joh!” roept mijn zus nog. Ik denk enkel: ach wat, ik kon altijd al spagaat. Ik mag dan wat overgewichtig zijn, ik = lenig. Daar hoef ik echt niet voor op te warmen. Ik zie mezelf daar al staan, midden in de woonkamer, beetje op de plaats dribbelen en rek- en strekoefeningen doen. No way, dat moet ook zo kunnen, zelfs op mijn 45e. Ik ben jong, jonguh!! Ik ben soepel. Ik kan dat.

Ik doe mijn kunstje. En hoor een luide, duidelijke “knak!” in mijn achterwerk.
De spagaat lukt op formidabele wijze (wist ik toch), maar mijn rechterbil denkt daar heel anders over. Een paar spieraanhechtingen in die regio gillen het acuut uit. Ik inwendig ook. Verbeten sta ik op.
“En nu moet ik écht even naar de wc,” roep ik en hobbel zo soepel als ’t nog gaat weg, de rest in lichte be- en verwondering achterlatend.

Ik ken deze pijn. Ik heb dit al een paar keer gehad, nadat ik onopgewarmd een ferme doeltrap maakte tijdens het voetballen. Godnondeju wat steekt het. Mijn bil staat in brand.

De pijn is hels in de dagen die volgen. De achterkant van mijn bilpartij is licht blauwrood. Ik kan nauwelijks zitten, smeer klodders diclofenac onder mijn rechterbil, slik een paar pijnstillers. Niks helpt. Eens even googelen. Ik typ ‘Spagaat’, ‘bil’ en ‘pijn’ in de zoekbalk. En daar staat het: mijn hamstring is verrekt of mogelijk zelfs (in)gescheurd. Nou, fijn dan.

Maar ik weet het nu: ik ben officieel oud. Te oud om out of the blue een spagaatje te doen. Nu, dik anderhalve week later, kan ik nog steeds niet pijnloos zitten. Dus mocht u, veertigplusser, dit ook willen proberen, dan hier mijn op eigen ervaring gebaseerde advies: Doe het niet!! Uw achterwerk zal u dankbaar zijn. Het mijne haat mij momenteel.

Bron: pixabay


Deze blog is eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Kinderfilosofie

“Mam, wat nou als jij mij niet gekregen had… Had iemand anders mij dan gekregen?”
Poeh, da’s best wel een filosofische en spirituele vraag. En ik ben zo a-spiritueel en a-filosofisch als wat.

“Da’s een moeilijke, schatje. Als je bijvoorbeeld gelooft in reīncarnatie en in een ziel, dan zou het best zo kunnen zijn dat jouw ziel in het lichaam van een andere mens terecht zou zijn gekomen.”
“Dat snap ik niet. Dan zou ik ‘ik’ toch niet meer geweest zijn?”
“Het is maar hoe je het bekijkt. Dan ben je de ‘jij’ die je dan geworden zou zijn. Van de ‘jij’ die je nú bent, zou je dan nooit iets geweten hebben.”

“Maar… dat is toch erg? Dan had niemand mij ooit gekend zoals ik nu ben! En dan had jij me moeten missen!”
“Nee, want dan had IK jou nooit gehad. Dan zou ik je ook niet missen, omdat ik je nooit gekend zou hebben.”
Het begint wel wat ingewikkeld te worden nu.
“Maar, maar… als ik er niet geweest was, dan zou jouw wereld nu toch heel anders zijn? Of weet je dan niet eens dat ie anders is, omdat je niet weet dat ik óók had kunnen bestaan?”

Filosofie van de hoogste plank.
En dat voor een tienjarige…
Ze heeft bijna tranen in haar ogen, maar ze gaat door.
“En als jij papa nooit ontmoet zou hebben, dan waren wij er zelfs allebéí niet geweest…”

Zoon (13) mengt zich in het gesprek: “Ja, maar dan wéét je dat toch niet? Als je helemaal niet bestaat, mérk je toch ook niet dat je nooit bestaan hebt? En als je wel bestaan hebt en je bent doodgegaan, weet jij dat zelf toch óók niet? Dat weten alleen de anderen, die nog wél leven.”

“Daar wil ik niet over nadenken. Ik word hier heel verdrietig van.”
Zoon rolt met zijn ogen en zucht eens diep. En dan ratelt hij erop los.

bron: pixabay.com

bron: pixabay.com

“Als mama nooit geboren was, was jíj nooit geboren. En als oma nooit geboren was, was mam er ook niet geweest. En als de oerknal nooit gebeurd was, waren er helemaal nooit mensen geweest. Dan was alles gewoon nog lekker leeg, want dan was er niet eens een ‘alles’! En als je zo nodig in een God wilt geloven, en die God had toevallig een rotdag gehad en geen zin om van Adams rib nog even een vrouw te knutselen, dan waren er helemaal geen vrouwen geweest. Dan hadden mannen zichzelf moeten klonen of de hele mensheid was gewoon een foutje geweest. Is ie sowieso. En dan had jij óók niet bestaan.”

Dochter kijkt haar broer met grote, waterige ogen aan.
“Waar héb je het over?”

“Over het feit dat de wereld om de zon draait en niet om jou.”

Basta.


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl <- kijk daar voor meer artikelen, blogs en columns!

Van ietsje naar Nietzsche

…en van het minimalisme op naar het nihilisme.niets

Ja ja, ik ga mij bekeren tot het nihilisme. Wat ik zo geweldig vind aan nihilisme? Niets… Maar ik heb er ook niets op tegen. Ik ben een grote fan van niks. Bowie is inmiddels succesvol bekeerd tot het niets, Jackson en Prince ook. Dus waarom ik niet? Geen enkele reden. Zie, daar heb je het weer!

Eerder werd ik al zeer geïnspireerd door het minimalisme: het zo goed mogelijk leven met zo min mogelijk xyz [zelf in te vullen:’Dingen’ bijvoorbeeld. Of ‘materiële sores’. Of je vult gewoon helemaal niets in; dat is dan weer het prille begin van je nietsisme]. Dus enkel dat wat je nodig hebt. De rest elimineer je successievelijk uit je toch al loze bestaan.

Maar: met het minimalisme heb je tenminste nog íets. En de shit daarvan is, dat het verdoemde vergelijken dan weer opnieuw begint. Heb ik dit ene ‘iets’ echt nodig? Of toch juist dat andere daar? Moet dit beter? Of is dat eigenlijk wel voldoende voor mij? En van al dat gepieker raak je geheid in een pessimistisch minimalistische bui (‘ik flikker alles ’t raam uit!’), wat bijvoorbeeld anti-pessimist Nietzsche [spreek uit: Nietsje! What’s in a name…] weer helemaal niets vond. Hij sprak zich dan ook uit voor het volledige nihilisme: dat was voldoende.

Apropos, voldoende, weer zo’n begrip. Ben ik zelf voldoende? Ben ik überhaupt nog iets? Doe ik dan niets werkelijk goed, in vergelijking met anderen? Dan kijk ik dus meteen weer naar die andere net-niet-nihilisten en denk: nee, da’s óók niets… Daarom ben ik gestopt met het mezelf met anderen vergelijken middels facebooktestjes. En zie daar: nu ben ik zo’n 32% zelfbewuster dan mijn vrienden.

Ja, nihilisme is fijn! Simpelweg omdat het he-le-maal niks is.
Je hebt zelfs geweldige nihilistische moppen:



Enfin. Ik zag het volgende bij een zwaar nihilistische twitteraar.
Het treft ’t niet, maar het is wel aardig:

Roses are red
violets are blue
Life’s an illusion
Sentience is too
Nobody cares
None love you back
Please enjoy life
Then fade into black

Dus hou ik mij een leven lang bezig met futiliteiten tot er een fulminant ‘niets’ meer overgebleven is.
En dan ga ik daar lekker helemaal niets meer aan doen.

Niets is het nieuwe iets!

niets2


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl

STRESSKIP!!

Ik ben een zorgenmaak-expert. Een paniekvogel. Een piekeraar. De opperstresskip der stresskippen. Waar een ander denkt: ‘ach, zal allemaal wel in orde zijn, ik hoor ’t wel, geen bericht is goed bericht’, daar ben ik anders. Zo gauw iets afwijkt van het gebruikelijke, het afgesprokene, het verwachte of het normale, begin ik te piekeren over wat er allemaal aan de hand zou kunnen zijn. Als ik nagels zou bijten, was ik nu wel bij mijn polsen aanbeland.

Als mijn ouders van hier naar Nederland terugrijden (zo’n 1000km) en ze doen er langer dan 10 uur over zonder berichtje, ga ik piekeren. Als ik dan bel en ze zijn niet bereikbaar, zie ik ze al ergens tegen een boom geparkeerd staan. Als mijn zus een weekendje op stap is met een vriend en ik hoor na terugkomst niet binnen een paar dagen hoe het was (maakt niet uit hoe: whatsapp, facebookchat, telefoon, skype, alles kan), vermoed ik meteen dat ze daar gestrand is. Of erger. Als mijn lief op een familieweekend in het buitenland ineens een hele avond en nacht niks meer appt (en we hadden nog zó “tot straks!” gezegd om elkaar even goedenacht te wensen, zoals we altijd doen), kun je mij opvegen. Ik naai mezelf steeds verder op.

11pm – hmm, raar. Om 10.30pm ge-appt dat ik ook maar naar bed ga. Geen antwoord. Dat is zo ‘niet hem’… Hij doet dat altijd! Nu niet… Naja, hij zal wel even geen bereik hebben of zo…
[BINGO!! Daar had ik moeten stoppen].

0.00 –  Ik staar wezenloos in de ruimte. Bel hem op de ouderwetse manier. Telefoon staat blijkbaar uit. Dat is helemaal raar… Wat nou als… Ik ga maar een misdaadserie kijken: slapen kan ik nu toch niet.

2am – Ik stuur hem nog een zesde berichtje. ‘Joh, als je toevallig wakker wordt vannacht en dit ziet, laat me dan even weten dat alles oké is? Ik maak me zorgen.’ Zinloos. Weet ik. Die man slaapt zo vast… die wordt echt niet wakker van mijn piekerberichtjes. Scheiße. App komt helemaal niet aan! Eén grijs vinkje. Dan maar een SMS. Geen reactie. Kan toch niet? Die SMS-ploink móét ie toch horen? En met zulke sterke stressgolven als die van mij, die de hele wereld zowat nucleair omstraalt, moet hij dat daar in bed toch ook voelen? Omg, er is vast iets gebeurd…

Bron: pixabay.com

Bron: pixabay.com

4am – Ergens een uurtje geslapen, tussen het wekkerstaren door. Verder met malen. Jemig, dit is toch niet normaal…
Misschien is zijn telefoon in de wc gevallen en wilde hij niet nog iemand wakker maken om mij toevallig een berichtje te kunnen sturen… snap ik.
Of misschien heeft ie wel een hartstilstand gehad… dat gebeurt zo vaak tegenwoordig… oh nee zeg, ’t zal toch niet…
Of misschien is de bliksem ingeslagen daar en zitten ze nu zonder stroom-2G-3G-alles… Er was noodweer op komst…
Of misschien is er zelfs wel brand uitgebroken, weet jij veel… staan ze daar met een brandweerdekentje om de schouders bibberend hete thee te drinken en is alles kapot en hebben ze ternauwernood overleefd… Of niet… omg omg omg…

6am – bijna licht. Minstens een half uur geslapen. Ik zoek het telefoonnummer van zijn zus. Heb ik niet. Dan maar facebookberichtje. Of zij misschien even kan zeggen dat alles oké is? [Nee, natuurlijk niet: zij heeft net zo min bereik als hij]. Internetrecherche. Wie kan ik in geval van volledige, onstopbare paniek nog meer bellen? Het telefoonnummer van het verblijf daar heb ik inmiddels, maar dat gaat wel heel ver… En toch, dit is niet normaal…

8am – PLOINKKK! Bericht. Ik zit meteen rechtop.
“Sorry lief, helemaal nulkommanul bereik
hier, sinds gisteravond al 😦
Nu heb ik weer wifi in de ontbijtzaal.
Alles is oké hoor, JIJ STRESSKIP!!”
[kleine edit: ik moet toch even bekennen dat hij me geen stresskip noemde, dat was ik zelf. Hij was liever voor mij 😉 ]

Goffer. Waarom doe ik dit mijzelf aan? Waarom heb ik een hele nacht wakker gelegen om niks? Waarom lijkt alles in het donker tigmiljoenmiljard keer erger? Waarom kan ik niet anders dan piekeren als iets niet helemaal ‘normaal’ verloopt? IK ben duidelijke degene die hier niet normaal is. Een ster in het ‘de verkeerde kant op fantaseren’.

Ik ben blijkbaar overmatig en irreëel bang om degenen die ik lief heb, te verliezen. Ik wil niet alleen rationeel beredeneren dat ze veilig zijn, dat er niets aan de hand is, ik wil het wéten. Dat is het probleem.

Ik zielig opgeblazen zieltje. Ik moet dringend op zoek naar een zielenknijper :-/

Eng…

Ben ik een herdenkingsdissident?

Elk jaar sta ook ik op 4 mei even stil. En wel bij de vraag waarom we op deze dag nog steeds enkel een ‘nationale’ Dodenherdenking houden. Begrijp me niet verkeerd: iedereen mag herdenken wat/hoe/wanneer men wil. Maar de grootschalige relatering van deze officiële herdenking aan enkel Nederlandse slachtoffers in (hoofdzakelijk) de Tweede Wereldoorlog vind ik persoonlijk achterhaald. Ik heb alle respect voor het herdenken als zodanig en alle respect voor deze dag. Ook ik zal stil zijn. Desondanks vind ik dat onze Dodenherdenking in de huidige vorm te beperkt is en niet meegegaan met de tijd. 


Enkel Nederlandse slachtoffers?

dodenherdenking2

Bron: wikimedia.org

Sinds 1961 is de definitie van Dodenherdenking in theorie verbreed: Nederlandse gesneuvelden tijdens vredesoperaties in bijvoorbeeld Bosnië en Afghanistan en gevallenen in Nederlands-Indië worden nu eveneens herdacht. Maar de nadruk blijft heel duidelijk op dat ‘Nederlandse’ liggen.

De officiële tekst luidt: ‘Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
Nederlandse’ ontbreekt nu op diplomatieke wijze voor de woorden ‘burgers en militairen’, maar het gaat nog steeds enkel om slachtoffers van Nederlandse origine.

Waarom herdenken we niet ook al die gevallenen uit ándere landen? Gevallenen die net zo goed gestreden hebben en gestorven zijn voor de uiteindelijke bevrijding van Nederland? Waarom moet het ook nu nog steeds een puur Nederlandse aangelegenheid blijven?

Waarom blijven we vinden dat herdenking per definitie ook verzoening betekent? ‘Herdenken hoeft niet vergeven in te houden’, zoals antropoloog Hans Feddema drie jaar geleden al in zijn artikel stelde. Ook dan, zelfs dan, nee, júíst dan, zou je gezamenlijk moeten herdenken om niet te vergeten.

Hoogste tijd om deze herdenkingsdag eens te overdenken.

Gedwongen jaarlijkse bewustwording

In een multiculturele, geïnternationaliseerde samenleving en in een wereld waar nog steeds heftig gevochten, gefolterd, geterroriseerd en gemoord wordt, is onze Dodenherdenking niet meegegaan met de ontwikkelingen. Het herdenken van enkel ‘eigen’ slachtoffers in een ver verleden is te beperkt geworden. Te nationalistisch. Te egocentrisch.

De Nederlandse Dodenherdenking is verworden tot een nationaal stokpaard dat elk jaar opnieuw op een vast tijdstip van stal gehaald en bereden moet worden. Moet, ja. Wil je het anders doen en op veel bredere schaal herdenken, op een ander tijdstip terugdenken en herinneren, of leef je liever helemaal in het nu (met de zo populaire mindfulness en het huidige wereldse geweld in het achterhoofd), ben je al snel ‘heel fout’ bezig. Dat mag niet. Niet openlijk in ieder geval: dat is respectloos.

Onder het motto ‘opdat niet we niet zullen vergeten’ moet iedereen nog steeds elk jaar op dezelfde dag en om dezelfde tijd twee minuten stil zijn en het voorgeschrevene herdenken. In een keurslijf gedwongen bewustwording van enkel de nationale gevolgen van een oorlog, waarin zo onnoemelijk veel méér soldaten en burgers uit ándere landen gevallen zijn, óók voor de bevrijding van Nederland. Tegelijkertijd vergeet men daarnaast nadrukkelijk de slachtoffers van zo vele andere gruwelijke oorlogen waar Nederland bij betrokken was.

Ik vergeet niet. En zo velen met mij niet. Maar ik wil veel méér dingen niet vergeten dan alleen dat, wat er vandaag officieel herdacht wordt.

‘Deze oorlog was erger’

Je krijgt dan als herdenkingsdissident meteen het weerwoord: “Maar de Tweede Wereldoorlog was wél een stuk erger dan alle andere!” Ja. Qua aantallen slachtoffers absoluut. Maar de gruwelijkheid van een oorlog hangt niet per definitie af van hoeveel tientallen miljoenen erbij omgekomen zijn. Is een oorlog met 75 miljoen slachtoffers sec gezien 1,9 keer erger dan een oorlog met 40 miljoen doden? En vele recentere oorlogen zijn minstens zo opzienbarend en ‘herdenkingswaardig’ als het om gruwelijkheden, marteling, folter, experimenten en massamoord gaat.

Het Comité bepaalt

Opzienbarend is ook dat voor een steeds groter aantal joodse mensen de herdenking op 4 mei al veel te algemeen geworden is: zij hebben er ‘niets meer mee’ en herdenken vooral op hun eigen wijze en eigen tijdstippen. Zie bijvoorbeeld ook de reactie van Amiad onder het (al wat oudere) zeer kritische opinieblog van Victor Brenntice:
dodenherdenking-reactieAmiadVelen houden dus al lang hun eigen specifieke herdenking. Op hun eigen manier. Binnen gesloten muren, want anders grenst herdenken aan dissidentie. 4 mei zou daarom  juist heel geschikt zijn voor de algemene herdenking van álle gevallenen. Een dag waarop nadrukkelijk stilgestaan wordt bij alle onschuldige slachtoffers van welke oorlog dan ook. Een bij meer mensen en achtergronden passend bewustwordingsmoment. Een herdenking waar bijvoorbeeld ook Duitsers bij aanwezig mogen zijn. Duitsers zoals Thomas Läufer, die in 2010 (toen Duits ambassadeur in Nederland) verzocht om deel te mogen nemen aan de nationale Dodenherdenking. Hij mocht niet komen, want Duitser. Bijna driekwart van de Nederlandse bevolking vond het weliswaar prima om hem erbij te hebben (bron: duitslandinstituut.nl), maar het Nationaal Comité 4 en 5 mei wees hem af: niet welkom bij de Nederlandse ceremonie, in tegenstelling tot nationale WO-II-Dodenherdenkingen in vele andere landen, waar hij wél mocht deelnemen. Op 5 mei had hij dan wel weer mogen komen: meevieren dat we van hem en al die andere Duitsers bevrijd werden. Maar respectvol mee-herdenken? Nee, sorry. ‘Daar hoor jij niet bij‘.

Hypocriet

In mijn ogen is dát dus hypocriet: Het Comité bepaalt als een soort dictator wie wel en wie niet in Nederland mag herdenken en vooral ook wát en hóe er precies herdacht mag, nee, moet worden. Na de zaak Läufer is er in 2010 weliswaar kort gedebatteerd over het mogelijk meer internationale karakter dat de nationale herdenkingsdag zou moeten krijgen, maar tot nu toe is daar niets van terecht gekomen. De afwijzing van Läufer wekte destijds in ieder geval de indruk dat middels ‘onze’ nationale herdenkingsdag de wrok tegen Duitsland en Duitsers in stand moest worden gehouden. Het Comité haastte zich wel om te zeggen dat in principe geen enkele internationale vertegenwoordiger op 4 mei welkom is: Dodenherdenking moet vooral een ‘nationale aangelegenheid’ en puur Nederlands dingetje blijven.

Dissidente herdenker

Ik vermoed dat ik met dit artikel kritiek zal oogsten, net als Victor Brenntice met zijn opiniestuk van vier jaar geleden. Weliswaar had zijn artikel een duidelijk andere strekking en pleitte hij openlijk voor de complete afschaffing van Dodenherdenking, iets wat ik hier per definitie NIET wil doen. Maar als ‘dissidente herdenker’ vind ik dat we op een speciale gedenkdag als deze juist wél met de tijd mee moeten gaan en ál diegenen moeten herdenken die – waar ook ter wereld – de moed hadden om op te komen voor onze vrijheid, net als alle mensen die slachtoffer zijn geworden van juist het ontbreken daarvan. Ik vind ook dat we niemand mogen uitsluiten bij de officiële nagedachtenis aan al diegenen die door oorlogen om het leven zijn gekomen. En dat we stil moeten staan bij het feit dat er sinds de Tweede Wereldoorlog een nog steeds voortdurende periode van ‘relatieve’ vrede in Europa is (The Long Peace, bekijk o.a. hiervoor ook eens dit uiterst relativerende filmpje), die een daadwerkelijk, concreet gevolg is van WOII en de daaruit voortgekomen ontwikkelingen.

Dus herdenk ik, ondanks het streng voorgegeven kader, tóch op mijn eigen respectvolle manier en op door mij gekozen momenten. Laat mij. Want bij het voorgaande wil ik op een officiële dag als deze zelfs wel heel wat langer dan twee minuten stil blijven staan.

Feel free to disagree


Ook gepubliceerd op Hoevrouwendenken.nl

Afscheid van volwassenheid

“Volwassen worden is afscheid nemen van steeds meer vormen van jezelf die je ooit had kunnen zijn en de beperkingen aanvaarden van de persoon die je merkt te zijn geworden.”
(uit: “Een tafel vol vlinders” – Tim Krabbé)

afscheidvanvolwassenheidvlindersLBNou, ik merk niks. Toevallig. Niets van die vermeende volwassenheid, niets van de personen die ik allemaal niet geworden ben. Lichamelijk volwassen ben ik al lang. En breed ook. ‘Ervaringsvolwassen’ ben ik – vrees ik – eveneens. Alleen dat geestelijk volwassen worden, dat wil maar niet lukken.

Ik heb dan ook nooit echt afscheid genomen van al die persoonsvormen die ik had kúnnen worden, simpelweg omdat ik nooit heb stilgestaan bij wie ik allemaal geweest had kunnen zijn. Ik ken alleen de ik die ik nu ben, inclusief de beperkingen van die ene ik. Oh, de eenzaamheid… Ik kan dus eigenlijk alleen maar concluderen, dat ik ondanks alles nog steeds kind ben gebleven: een 14-jarige met 30 jaar ervaring. Misschien moet ik dan nu maar afscheid nemen van het algehele concept ‘volwassenheid’?

Mijn mama zei ooit: “je wordt pas écht volwassen als je ouders er niet meer zijn.” Ze sprak uit eigen ervaring. Ik denk dat het klopt. Het hoeft niet eens de fysieke afwezigheid, de dood van je vader en/of moeder te zijn; als je ouders geestelijk (bijvoorbeeld door psychische achteruitgang, dementie of zelfs amnesie) niet meer in jouw leven deel kunnen nemen, is degene die altijd verantwoordelijk voor jou was, ineens jouw verantwoordelijkheid geworden. DAT is volwassenheid door afscheid.


Eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Roadworst

Het is weer eens zo ver: ik mag weer naar Nederland! Ik heb mijn bolide volgestouwd met alles wat nodig zal zijn voor de komende tien dagen. Ik heb de kinderen van school opgehaald, van een boterham voorzien, laten plassen en ook in de auto gepropt. Eén voorin (die is van de ‘gekoeld-voer-bediening’) en één achter mij (die is van de zoetigheid-en-chips-bediening en de electronica-doorgave).

Naast elkaar op de achterbank zitten is al jaren een no-go: dan had ik een triplexplaten muurtje voor ertussen moeten figuurzagen en daar heb ik geen zin in. Dan maar zo. Vol goede moed gaan we op weg naar mijn geliefde landje. Zwaaien de Oostenrijkse koeien gedag.
Und tschüß!

“En, hebben we er zin in, lieffies?”
“Neeeeeeee,” klinkt het in koor.
Ze hebben wel zin in Nederland, hoor. En om bij opa en oma te logeren. En om naar Six Flags te gaan. En zin in zwemmen. Maar geen zin in zo’n 8,5 uur in de auto zitten.
“Ach, zal vast wel meevallen, ik doe aan laagvliegen, dat weten jullie. Misschien duurt het vandaag zelfs minder dan 8 uur, wie weet. En trouwens, JULLIE mogen lekker vakantie vieren. IK moet werken, toevallig.”
Ik probeer de moed niet meteen de grond in te boren. Het werkt niet.

Bij Linz: file. Vrijdagmiddag-avondspits (die Oostenrijkers houden er elke vrijdag namelijk rond het middaguur al mee op)

Ca. 60km na Linz kom ik erachter dat ik de identiteitskaarten van de kinderen ben vergeten. Ik ben zo stom om dat ook gelijk te vermelden: dochter volledig over de zeik, want “hoe moet dat dan zo meteen bij de grens? Straks pakken ze ons op, terwijl we geeneens vluchtelingen zijn!”

Bij Passau: file. Die ken ik. Die is standaard. De door dochter zo gevreesde vluchtelingengrenscontrole. Ik snap werkelijk niet hoe ze dat nu doen: Ze stoppen nooit iemand, zelfs geen vrachtwagens Daarom kon ik dochter ook geruststellen: “geen hond die dat merkt, lieverd. Ze laten alle mensen alleen 3km lang héél langzaam rijden, dan staat er een norse meneer en dan mogen we weer verder.” Heel zinvol.

Zoon merkt en passant op dat hij zijn beugel vergeten is. Geweldig. Na tien dagen staat de boel weer zoals drie maanden geleden. Ik calculeer alvast een reprimande van de orthodontist in, bij de controle direct na de vakantie.

De kinderen meppen elkaar de kop in omdat ze, ondanks 2 laptops, 2 tablets, 1  netbook, 1 phablet, 4 mobieltjes, 2 spelcomputers, 15 DVD’s en dito aantal films op 2 USB’s, allebei op hetzelfde moment dezelfde DVD op dezelfde laptop (namelijk mijn Mac) willen en moeten kijken.

“Je moet niet altijd alles willen hebben wat de ander heeft. Je moet ook niet altijd alles perfect willen hebben: het op-één-na-beste is óók nog altijd prima.” En ik gooi er nog even mijn levensmotto tegen aan: “Rookworst zonder -R- is…”
“Ook worst. Ja, ma, we  weten het,” grommen ze er in koor.
“Aha, en een file is dus een roadworst?” merkt zoon droog op.

Bij Regensburg: file. Vrachtauto is blijven hangen. Op de linkerbaan. Wat doet ie daar überhaupt? Het zou vrachtauto’s verboden moeten worden om in te halen op autobanen met twee rijstroken. Ze houden álles op, iedereen moet sterk afremmen. Vooral die aso Tsjechische, Roemeense en Hongaarse chauffeurs gooien hun kolos zonder pardon op de linker rijstrook. Lak aan het overige verkeer. Ze rijden hooguit 2km/h harder en moeten daarvoor pompen tot en met om die 86km/h te halen (uitlaatgassen!). Ze zouden zó veel meer besparen door gewoon achter een vrachtauto te blijven (nu juist extra dieselverbruik), besparen nauwelijks tijd met hun inhaalactie en de rest moet na voor de zoveelste keer sterk afremmen wéér optrekken (en dus wéér meer uitstoot/verbruik). Driebaanswegen: prima, haal lekker in als je dat zo graag wilt. Tweebaans: blijf er dan verdorie gewoon achter rijden! (Sorry eventuele vrachtwagenchauffeurs, maar dit is gewoon irritatiebron nummer één. Elke keer weer)

Bij Erlangen: file. Ik wil eraf, maar op de afrit staat een nóg langere file dus ik kies ervoor om door te rijden via Würzburg. Helaas: ik had het bord ‘omleiding naar Kassel via Erlangen’ gemist. Dat bord stond er niet voor niks: 5km verderop – tadaa – file. Stilstand. Autobahnsperre! Want vet ongeluk. Probeer dan maar eens 1,5 uur lang je kroost bij troost te houden. Ellende.

Würzburg: file. Je verwacht het niet…
Maar daarna reed het daadwerkelijk even door en kwamen we wat verder in de richting van Fulda.
“Mam, ik moet plassen.”
“Jij moet altijd plassen, kun je het nog ophouden?”
“Nee, ik moet NU!! METEEN!! Of ik plas je autostoel vol.” Shit. Een parkeerplaats zonder wc. Geen tankstation. Weer een parkeerplaats zonder wc. Dochter knijpt en jammert. Hè hè, een tankstation. Gelukkig, want tank nu ook leeg. En hongerrrr. Tanken, plassen, helaas geen eten. Het restaurant bleek voor personenauto’s na het tanken volledig onbereikbaar (of ik keek niet goed, maar dat is per definitie nooit het geval).

Doorrijden dus. Frustratie alom. Yes, een Autohof. Daar hebben ze altijd lekker eten. Op de afrit zie ik de volgende verdoemenis: De oprit terug naar de autosnelweg is geblokkeerd (Baustelle!), dus snel verder richting Kassel is na het eten geen optie meer. In het shabby restaurant waar vette schnitzels en een zwaar gebrek aan enig groenvoer overheersen, vraag ik hoe ik nu in vredesnaam naar Kassel kom.
“Oh ja, dát is heel lastig. Dan moet u door het Brombiebelebergse Woud en dan daarheen en zus en zo. Of u moet terug naar de vorige afslag en daar omdraaien, maar dat is nog véél verder om.” Bij gebrek aan wifi kijk ik met mijn buitenlandbundel op Google Maps hoe het zit. Dat was mijn buitenlandbundel. Next!

We starten onze expeditie door het donkere woud. Ik mis de juiste omleidingsafslag; de kinderen mekkeren over een film, ik ben afgeleid, mis tevens het bordje ’80’ en hopla: FLITSSS! 20km/h te hard. Nondeju in het kwadraat! Maar ik heb straks wel fijn post als ik thuis kom.

Dat is het geijkte moment om eens even lekker hard te schreeuwen in de auto. Het móét eruit, de mij verbouwereerd aankijkende kinderen ten spijt. Voor Kassel nog een beetje file (je verwacht het niet), nog twee plasbeurten en dan is het rustig, donker, liggen de kinderen voor pampus en kan ik fatsoenlijk doorjakkeren. Ein-de-lijk. Zoon hangt met zijn kussen tegen mijn schouder te slapen en ik kom ook wat tot rust. Na dik elf uur on the road geweest te zijn, vielen we de vertrouwdheid binnen.

“Ja mam, maar NU zijn we niet meer moe! Wij hebben in de auto geslapen!”
“Kan me geen ruk schelen. Je gaat maar liggen, wakker of slapend, het zal me worst wezen.”

Roadworst.

(ik heb trouwens de onderbroeken van zoon ook vergeten in te pakken.
Oh, en de cadeautjes voor daar waar ik op bezoek ga.
Oh, en de verplichte leesboeken van de kinderen.
Oh, en de sokken van dochter.
Oh, en nog iets, maar dat ben ik vergeten)

Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Keulen is klote

Keulen is al lang niet meer slechts een naam voor een stad.
Keulen is een zelfstandig begrip geworden.
Keulen. #Zeghet en iedereen weet direct waar je het over hebt.

Maar is dat wel zo? Weten we waar we het over hebben?

Voor de één is ‘Keulen‘ het lang verwachte armageddon dat door de massale toestroom van vluchtelingen met een ander geloof, een andere achtergrond en andere waarden en normen, veroorzaakt wordt. TPO, GeenStijl en co. lusten er, samen met een verlekkerde Geert en een juichende Trump, wel pap van. Het is koren op de rechtse molen.”Zie je wel? We zeiden het toch? Eerst wordt de boel dagenlang in de doofpot gestopt. Vervolgens komt de politie-k met een krom verhaal op de proppen en nu blijkt dat al die Islamobbers zich moedwillig hebben verzameld om ónze vrouwen te bespringen en ónze westerse vrijheden aan hun laars te lappen. Al die daders per direct het land uitzetten en de grenzen dicht voor nieuwe potentiële verkrachters, dat is de enige remedie tegen deze invasie van geweld en misbruik.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Voor de ander is ‘Keulen‘ een incident als vele andere. Dit keer helaas politiek erg brisant door de – al dan niet bekende – herkomst van de daders en de aanvankelijk nogal onhandige verdoezeling van de feiten. FrontaalNaakt, Krapuul en co. doen, samen met menig onthutst brabbelende linkse politicus, hun best om het zo op te tekenen. “Zie je wel? Nu het asielzoekers zijn, vliegt iedereen ineens in de hoogste boom. Waren het ‘gewone Duitsers’ geweest, had er geen haan naar gekraaid want dit soort dingen gebeuren overal. Kijk maar naar de aanrandingen van de serveersters op het alternatieve Oktoberfest in Alkmaar. Of naar de gang rapes op Britse en Amerikaanse universiteiten. Om van alle seriële verkrachtingen binnen familie- en vriendenkringen nog maar niet te spreken. #Zeghet werd afgedaan als zielig gejank, want daarbij ging het vooral om ‘eigen volk’ en dan moet je niet zeuren. Maar nu de daders van andere komaf zijn, is het ineens wél een rel vanjewelste en worden alle vluchtelingen over één kam geschoren. Hoe hypocriet wil je het hebben.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Dat dit soort dingen daadwerkelijk overal en altijd al gebeuren, kan ik – zij het enkel marginaal – bevestigen: ga voor de grap eens oud en nieuw vieren op het plein bij de Stephansdom in Wenen. Dan mag je blij zijn als je heelhuids, onberoofd, onaangerand en zonder voetzoeker in je nepbontkraagje weer thuis komt, ook zónder de aanwezigheid enige asielzoeker in de wijde omtrek. Dat was twintig jaar geleden al zo en dat is nu nog steeds zo. Ook heb ik menig Oktoberfest in München bezocht, waar ik dergelijke taferelen (massale beroving, geweld, aanranding door niet-asielzoekende daders) mocht aanschouwen. Maar daar gaat het niet om.

Waar het wel om gaat, is dat iedereen dénkt te weten wat er daar in Keulen gebeurd moet zijn en waarom dat gebeurd is. Iedereen – ik generaliseer nu zelf even, ik ben mij daarvan bewust – ziet er datgene in, wat hij/zij wíl zien. Iedereen zoekt precies die mediale berichtgeving die in zijn of haar straatje past. En iedereen heeft per definitie het eigen gelijk. Daarmee krijgt de gigantische wig die tussen ‘iedereen‘ en diens medemens gedreven wordt, nog een flinke klap met een moker na.

Op dit moment probeer ik enkel nog naar mijzelf te kijken en te doorgronden, wat dit alles het met mij en mijn overtuigingen doet. Ik was zoiets wat – niet bepaald liefdevol – als ‘Gutmensch‘ betiteld wordt. Gutmensch is al lang tot een scheldwoord verworden, een passende titel voor de naïeve en goedgelovige multiculti-knuffelaars onder ons. Voor mij dus. Maar ik kon en wilde simpelweg niet geloven dat een geloofsovertuiging dit soort excessen kan veroorzaken. Ik wilde niet geloven dat een groep mannen enkel op basis van een religie op zulk walgelijke wijze op een vrouw neer kan kijken en haar naar believen wenst te misbruiken.

En ik kan en wil dat nog stééds niet. Ook al weiger ik zelf in welke godheid dan ook te geloven (ik ben een ‘kufar‘, een atheïst, een ongelovige), ik ken te veel fijne, goede, vredelievende en respectvolle mensen van alle mogelijke geloofsovertuigingen om dermate te kunnen of te willen generaliseren. Ik wil zo graag blijven geloven dat ook ‘Keulen‘ een uitzondering, een losstaand incident was en dat ons beeld van wat er daar (en ook elders) gebeurd is, nog verre van compleet is. Maar ook ik, ja zélfs ik, word nu langzaamaan banger. Sceptischer. Wantrouwender? En het lullige is: ik ben zelfs bang om dát toe te geven.

Wat als.
Nee, dat kan niet.
Maar wat als…

Angst is een bitch.

Daarom is Keulen klote.

De onsterfelijkheid online

Bijna middernacht. Ik wil mijn computer afsluiten en nog even welterusten wensen op Facebook en Twitter. Een rare kronkel in mijn hoofd, want waarom doe ik dat eigenlijk? De meeste mensen die ik op deze manier goedenacht wens, ken ik ‘in het echt’ niet eens. Draagt het überhaupt iets bij aan de goedheid van de nacht van al die anderen op social media? Of toch enkel maar aan mijn eigen goede gevoel?

Plop. Een groot blok met dikke donkerblauwe omranding verschijnt midden op mijn beeldscherm; een notificatie van een app die ik voornamelijk heb om die gruwelijke FB-site aan te kunnen passen aan mijn wensen. Ik kan bepalen wat er verschijnt (timeline, feeds, filters), hoe het verschijnt (lettertypes, kleuren), waar het verschijnt (zijbalken etc.). Vind ik fijn. Ook al zo’n persoonlijke kronkel: waarom pas ik iets banaals en onbelangrijks als FB aan aan mijn visuele behoeften? Maar: de app deelt je ook op de meest idiote momenten mede wie er niet meer met je bevriend wil zijn. Aan de ene kant wel handig (soort van nieuwsgierigheidsbevrediging), aan de andere kant soms ronduit shocking. Dit was zo’n mededeling.

Deze ‘ontvriending’ kwam echter van een lieve vriendin, die al anderhalf jaar niet meer op deze wereld is. Dat raakte me onverwacht diep. Ik dacht ineens terug aan haar. Nu denk ik wel vaker zonder aanleiding aan mensen die ik al lang niet meer gezien of gelezen heb. Dan kijk ik out of the blue even op hun profiel, scroll er doorheen, like wat, zeg wat, en dan weet ik weer dat alles oké is. Ik denk ook met enige regelmaat aan degenen die er niet meer zijn, maar een directe aanleiding daartoe – zoals deze notificatie was – is er zelden. Het leverde een nieuw soort gevoel van herhaald afscheid nemen op. En ik snapte het niet, waarom was ze nú plots ook hier weg? Ik keek een laatste keer op haar profiel. Het was echt zo. “(+) Vriend toevoegen” stond er, maar dat vond ik not done. Taggen was niet ook meer mogelijk in de nachtelijke posting die ik daarop vanuit mijn hart schreef:

Het heeft iets onwerkelijks om kort voor middernacht ontvriend te worden door een vriendin, die anderhalf jaar geleden overleden is. Eind juni vorig jaar ging ze heen. Ik leefde mee in haar gevecht tegen kanker. Wat heb ik gehuild. Om haar, om haar zoontje, om haar dappere man, om het volledige wegblijven van enig antwoord op het ‘waarom’. De ondoorgrondelijke oneerlijkheid. Een verloren strijd. Ik volgde haar bruiloft, nog kort voor haar overlijden. We deelden, we schreven, we schreeuwden. We jankten.
       Ik weet niet wie haar account nu beheert, en het geeft ook niet dat diegene mij nu plots verwijderd heeft. Het is goed zo. Ik snap helemaal dat dingen afgesloten moeten worden. En dat andere dingen doorgaan. Ik zag mijn voortbestaande FB-vriendschap met haar als een soort van tribute, een herinnering die online doorleefde. Maar ze is er niet meer. Het is zoals het is. Ik zal me haar altijd herinneren als de dappere, lieve, moedige, immer levenslustige B., die zelf koos, zelfs het tijdstip van haar dood. Ik mag nu dan niet meer in haar kringen zijn, maar ze is en blijft in de mijne. Dag lieve B. In mijn hart is ruimte genoeg om altijd te blijven wonen, ook al is de gedenkwaardige FB-woning nu evident te klein geworden. Ik pink mijn tranen weg en denk even weer aan jou. Zoals ik wel regelmatig doe. Aan jou, mijn voorbeeld van een eeuwig dappere, sterke vrouw. Kus. Dag…

…en ik pinkte die tranen weg. Dacht terug aan haar, maar ook aan de mensen waar ik toen, in haar laatste dagen, veel mee sprak maar die nu jammer genoeg bijna allemaal weer uit mijn leven verdwenen zijn. Peinsde over hoe lang ik eigenlijk al niet meer aan haar gedacht had en dat het ergens best fijn was, om nu weer actief herinnerd te worden.

Maar wat bleek: de app is echt niet betrouwbaar. Althans, misschien ook wel, want de profielpagina was nu omgezet naar een In-Memoriam-pagina. Dat kan blijkbaar bij overledenen en dat registreerde de app, vermoed ik. Weer zo’n kronkel in mijn digitale wereld.

Mensen blijven online vaak sterker aanwezig dan ze in je echte leven ooit waren. Hun profielen blijven bestaan, hun accounts lopen – weliswaar vanzelfsprekend zonder updates – gewoon door alsof er niets gebeurd is. Ze blijven jarig, jaar in jaar uit. Henk Krol heeft dat ook al meerdere malen mogen ondervinden.

Online ben je dus nooit écht dood, je leeft digitaal verder. Je blijft bevriend met degenen die toen al bij je waren, blijft glimlachen en toekijken vanaf je profielfoto. Als niemand de toegang tot of het beheer over het account van de overledene heeft, niemand met een overlijdensbericht in de hand een aanvraag tot deactivatie indient, blijf je tot het einde der (FB-)tijden doorgaan met bestaan.

Deze ‘ontvriending’ (die er geen was) voelde als een fotoalbum dat zonder enige aanleiding uit de boekenkast donderde. Je schrikt even, pakt het verbaasd op, bladert er doorheen. En je herinnert je degenen die je dierbaar waren. In het echte leven kan me zoiets niet meer gebeuren: al mijn oldskool fotoalbums staan nog in een kast in een huis uit – hoe cru – een vorig leven. Daarom ben ik nu maar gewoon dankbaar dat er bij mij zo nu en dan, soms ongewild, altijd onverwacht, een digitaal album uit de FB-kast flikkert. Het houdt de herinnering levend.

Beschrijf je zusje

Zo luidt vandaag zoons oefenopdracht voor het vak Duits (als in: Nederlands voor Nederlandstalige kinderen, maar dan net even anders). Over twee weken het grote proefwerk: De Persoonsbeschrijving.

Ik zit te werken op mijn kantoortje, hij om de hoek aan de keukentafel, nog geen twee meter verderop. Ik hoor hem foeteren en ploeteren.

Persoonsbeschrijver“Ik beschrijf mijn zusje.

“Kolere, wat schrijf je nou over een zusje.”
“Mijn zusje heet Tina*. Ze is een meisje, maar dat had u vast al verwacht.”
Dochter grinnikt vanuit de woonkamer.
“Ze is toevallig ook nog het kind van mijn moeder. Net als ik.”

Ik schiet ook in de lach, maar luister nu wat preciezer naar zijn gemompel; zoon heeft duidelijk inspiratie. En een pesthumeur.
“Gossamme, hoe schrijf ik meer dan tweehonderd woorden over iets dat ik niet eens beschrijven wíl?”

Mijn zusje heeft een grote mond waar ze vaak vet veul eten in propt.
Luid protest vanuit de woonkamer dat die zin onmiddellijk ‘geinktwisserd’ moet worden. (“Héé! Das wirst du sofort tintenkillern! SOFORT!”)

Dan barst hij los, zoals altijd hardop denkend (waar ik mij dit keer echter zeer over verheug)

“Mijn zusje heet Tina. Ik zal het even spellen. We hebben een teeee. We hebben een iiiii, we hebben een ennn en natuurlijk hebben we ook nog de aaaa. Mijn zusje ziet er precies zo uit als mijn moeder, alleen kleiner.”
Ik hoor hem in zijn tas rommelen.
“Hier, heeft u een foto van mijn moeder.”
Ik grijns vertederd.
“Deze foto heeft net als alle foto’s vier hoeken en is nogal klein. Hij is geprint op fotopapier met een…”

“Maahaaam! Wat voor merk printer heb jij?”
“…Brother-printer. Die printer heeft mijn moeder natuurlijk ook bij Amazon gekocht.”

Stilte. Ik neem aan dat zijn hersenen even op adem moeten komen.
En het is me nu ook duidelijk dat ik veel te vaak iets bij Amazon bestel.

Amazon is een mega-groot bedrijf dat overal op de wereld een hoop rotzooi aan mensen verkoopt. Maar onze printer is geen rotzooi, die is goed. Dat ziet u wel aan deze foto. En mijn moeder zegt dat ook iedere dag. Amazon komt trouwens uit Amerika. Amerika noemen ze ook wel de Verenigde Staten maar eigenlijk is Amerika een continent en de Verenigde Staten gewoon een land van veel landen.”

“Ze hebben daar een vlag met strepen en sterren erop. Sterren staan ook aan de hemel. Maar de hemel zelf is een verzinsel. Het is gewoon ons zonnestelsel in het universum, waar we met zijn allen stom naar zitten te staren.


“Zo, nu weet u ook hoe mijn zusje eruit ziet.

“Hoeveel woorden heb ik nu”

“Ik reken mooi die gespelde letters ook als woorden.”

“Sjezus, nóg vijftig!” Hij tikt getergd met zijn pen op tafel, op zoek naar een oplossing.

“Mijn zusje stottert nogal. Ondanks dat praat ze toch irritant graag en veel. Als mijn zusje iets tegen mij zegt, dan gaat dat altijd zo: “Hey, hey, hey, hey, blijf blijf blijf blijf met met met met je je je je je vieze vieze vieze rot rot rot rot ving-ving-vingers van van van van de de de de af-af-af-afstands be-be-be-diening-ning af af af af af. AF!” Ja, mijn zusje kijkt erg graag naar de televisie.”

“Zo. Dat moet wel genoeg wezen.”





*) Die naam heb ik verzonnen. De rest niet. Ik heb getuigen. En nee, ‘Tina’ stottert niet.

Es ist, wie es ist

Schwer ist es.
Schwer, um genau das auf zu schreiben,
was ich wirklich sagen möchte.

Schwierig ist es auch.
Schwierig, mich zu äußern.
Schwierig, niemanden mehr zu verletzen
mit meiner persönlichen Verarbeitung vom ganzen Geschehenen.

Ich möchte den Einen auf keinen Fall verunsichern, dem Anderen aber irgendwie so gerne schildern, wie ich’s erfahre und bislang erfahren habe. Zeigen, dass es in meinem Herzen bei weitem nicht so eisig und kalt ist, wie es für die Außenwelt aussehen mag. Im Gegenteil.

Nein, ich bedauere nicht. Non, je ne regrette rien. Es ist, wie es ist und es ist gut so. Ich verdanke ihm so viel. Zwei fabelhafte, besondere Kinder und Dezennien des guten Lebens. Tausende Erinnerungen und Erfahrungen. Ich werde sie nie vergessen. Auch nie vergessen wollen. Oder können.

Aber irgendwann, vor einigen Jahren, fingen wir an, den Faden zu verlieren. Diesen Faden, der uns so lange zusammenhielt und der ganz langsam, ja, fast unmerklich, ausfranste. Schlussendlich brach er. Wir bemerkten es nicht einmal, aber unser Flickenteppich fiel in Zeitlupe auseinander. Die Fetzen waren immer weniger miteinander verbunden. Bis alles plötzlich in einzelne Stücke auf den Boden fiel. Die warme Decke war keine mehr. Irreparabel. Kaputt.

Wir haben unser Bestes getan. Alles, um es so gut wie’s ging, zu regeln. Und das ist uns auch gelungen. Es ist absolut erstaunlich, aber unser Nachwuchs gedeiht nach wie vor. Den beiden geht’s überraschend gut, mal abgesehen von den Schwierigkeiten, die sie sowieso schon immer hatten. Wir regeln das. Wir schaffen das. Und sie werden ihren Weg finden, koste es, was es wolle.

Ich sagte: “Ich bedauere nicht”. Stimmt auch weitestgehend. Aber irgendwie doch nicht ganz? Ich bedauere, wie es gelaufen ist. Die Art, die rasante Geschwindigkeit, die Brutalität. Wie eine Dampflokomotive. Er sagte: “Alles hat eine gewaltige Eigendynamik bekommen und jetzt ist der Zug nicht mehr zu stoppen. Er wälzt über alles drüber…”

Und so war es in der Tat.

Es so weit haben kommen lassen, dass es im Vorhinein schon keine Chance mehr hatte. Und ja, da bin ich sicherlich mehr Schuld. Ich hätte viel früher aufschreien müssen. Aus meiner Sicht habe ich das auch mehrmals getan, nur war’s wohl nicht laut genug… Darüber zu streiten hat jetzt keinen Sinn mehr. Es ist, wie es ist.

Wir sind nun beide zusehends glücklicher. Er mit der Seinen, ich mit dem Meinen. Sie gibt ihm wieder Halt. Sie ist mit Sicherheit eine tausend Mal bessere Frau für ihn als ich es je sein konnte oder sein würde. Das hoffe ich wirklich  aufrichtig. Und ich habe ebenfalls meinen Lebensmensch gefunden. Es ist irgendwie ein blödes Wort, ich weiß, aber es fühlt sich nun mal so an. Er ist gut für mich. Derjenige, der mir wieder Halt gibt. Das Ganze war möglich weil wir – er und ich, wir beide – zuschauten, während wir in den Abgrund schlitterten. Abgerutscht; von fast gar nichts schnurstracks hin zu einfach gar nichts mehr.

Desinteresse. Kritik. Gegenseitige Unzufriedenheit. Entfremdung. Verfremdung. Gleichgültigkeit.

Bis es irgendwann nur noch ein mehr oder weniger seelenloses nebeneinanderher Leben war.

Alles schien so perfekt… Liebe, intelligente, kreative, eigensinnige, besondere Kinder. Ein tolles Haus, niedrigstenergie sogar! Ich war sowas von stolz drauf. Wir hatten Luxus. Und keinerlei finanzielle Sorgen. Wir hatten alles. Nur einander nicht mehr…

So viel Vergangenheit, aber keine weitere Zukunft. Das tut mir aufrichtig Leid. Die Lawinen, ja, mehrere, rollten hier genauso unbarmherzig drüber, glaub’s mir. Die Verzweiflung. Was schmiss ich da über Bord? Nein. Wir!

Oh, und ICH vermisse auch. Meine Nachbarn, die jetzt keine Nachbarn mehr sind, nur noch Freunde. Mein schöner Garten, wo ich mit so viel Hingabe gearbeitet und geerntet habe. Aufs Rasenmähen konnte ich allerdings verzichten. Mein geregeltes Leben, wie es mal war. Auf einmal war alles weg. Durch mein – nein, unser – eigenes Zutun. Aber vor allem vermisse ich doch meine Schwägerinnen und Schwäger, meine Nichten und meinen Neffen, meine ‘zweite Mutter’.  Seit einem Vierteljahrhundert meine Familie, aber jetzt schon fast seit einem Jahr nicht mehr gesehen. Ich vermisse sie. Sehr sogar. Aber jetzt traue ich mich nicht mehr… Wie würden sie mich sehen? Würden sie mich überhaupt noch sehen wollen?? Ich sie schon… Ja, wirklich, dann kommen mir die Tränen.

Ich vermisse das Haus ebenfalls. Das Haus, das schon längst nicht mehr das meinige ist, aber es mal so sehr war. Das Leben in diesem Haus, wo alles (fast) perfekt war. So, wie wir es uns gewünscht hatten. Und wofür er so viel getan hatte. Ich schenkte ihm meine Hälfte. Konnte nicht ertragen, dass er dort, durch unser Auseinanderreißen, wegziehen müsste. Nicht ertragen, dass die Kinder auch noch dieses Zuhause verlieren würden. Das konnte nicht sein, das durfte einfach nicht passieren. Aber ich vermisse es. Doch es ist, wie es ist.

Wirklich, glaub’s mir, ich möchte es nicht anders. Zwei völlig neue Leben, um 180° gedreht. Neue Partner, neue Horizonten, neue Zukunft im Doppelpack. Aber das Wichtigste: den Kindern geht’s gut…

Doch manchmal weine ich nachts trotzdem bitterlich. Einfach so. Um das, was mal war. Und jetzt nicht mehr ist. Um alle, die – und alles, was – ich so sehr vermisse. Auch wenn’s jetzt gut ist, so wie es ist. Vielleicht sogar besser. Auch für ihn.

Ich hoffe lediglich noch, dass er das nun selbst auch erkennt.
Ich hoffe, dass die großen und kleinen Herzen jetzt, nach einem Jahr, nicht mehr so stark bluten…

Es ist, wie es ist.

Liet vrij

Al mijn ‘toen’. Dat was met jou.
Een verleden zwanger van ’t leven.
Door de jaren roerloos heengegaan.
Kunnen we ’t nu niets meer geven.

Jij wou die verre einden lopen
Ik wilde enkel hoger springen.
Jij wou niet praten, op meer hopen.
Ik wilde zó veel liever zingen…

Jij schoot wortels, meters diep
Ik had ineens vleugels gekregen.
En de stilte die ons zo luid riep
Hebben we samen bruut doodgezwegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Voelde me jonger. Wist niet waarom.
Jij voelde je misplaatst. Bal naast de stip
Zo vielen we tergend langzaam om.
Verloren we meer en meer de grip.

Ik snapte dat jij er niets van snapt.
Ik begreep dat jij het niet bevat.
Waarom was alles dan níets waard?
Er volgde een lawine. ’t Grote gat.

We vergaten enkel te bewegen.
Was ik ervoor, was jij ertegen.
En nu, nu gaan we dus toch
voorgoed gescheiden wegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Rest ons dat ene verstokte ritueel,
waar de één de ander vermijdt
Zien al niet meer, wat ons verbond,
enkel nog al dat, wat ons scheidt.

We moeten ademen en weer groeien
elkaar niet langer meer vermoeien
Daar waar we onszelf opnieuw ontmoeten
Krijgen wegen weer handen en voeten.

Wegen die altijd verbonden blijven
Alleen lopen wij ze nu niet meer samen
Al mijn ‘nu’ ligt ergens anders
We gingen sneller dan we ooit kwamen.

Ik liet je vrij. We blijven verbonden.
Ik liet je vrij. Laat jou weer je leven.
Ik liet mij vrij. Lik ons beider wonden.
Ik liet mij vrij. Kunnen we vergeven…

=================================

geïnspireerd door (en deels vertaald vanuit) de prachtige song van Andreas Bourani – Auf Anderen Wegen

Herkenbaar in de mist

Daar zit je dan. Kort na middernacht, een voor jouw doen relatief vroeg slapengaan-tijdstip. Rechtop in bed, laptop op schoot want anders kun je niet fatsoenlijk typen. Je neus maximaal achttien centimeter verwijderd van het beeldscherm omdat je met je -4,5 dioptrie niet meer kunt herkennen, wat je zoeven in je toetsenbord gestameld hebt en je daglenzen al in de plee liggen. Eigenlijk ben je doodop. Half ziek, hoestend plus – je durft het bijna niet toe te geven – ook nog een aardig lastige blaasontsteking. Net vijf dagen lang je nog ziekere kinderen 24/7 vertroeteld en bediend. Hun papa heeft ze vanmiddag opgehaald. Zijn beurt nu.

Je zou moeten slapen. Je kunt het niet. Watje. Je smeekt er vormelijk om maar je rood doorlopen ogen willen pertinent niet dicht gaan en je snot doorlopen neus niet open. Enkel meteen, lang, en vooral diep slapen, dat is alles wat je wilt. Als het even kan met een fijne, semi-erotische en vooral onthoudbare droom. Maar nee. Niks diepte voor jou. Dan maar oppervlakkigheid. Je kijkt een aflevering van de Vampire Diaries op je laptop. Liggend op je zij, met je laptop op z’n kant. Redelijk tricky want een bloedlip door een wat onhandig op je gezicht omvallend gevaarte is al lang geen onbekende ervaring meer voor jou.

Jij. Je wilt slapen? Je móet zelfs slapen! Helaas. De ondanks je strenge dieet van astronautenvoedingsblokken met water (en koffie… en thee… en lasagne…) toch verorberde halve zak paprika-chips – je wist in je lamlendige en mistige bui  écht niet wat je bezielde – ligt verrekte zwaar op de maag.

De trein waar je het gisteren zo uitgebreid over had, lijkt inmiddels met ’t volledige tonnage over je heen gedenderd te zijn. Werkelijk, geen genade, die NS. Oh hemel, dat klinkt raar. Je maakt er maar een Fyra van. Die rijdt tenminste helemáál nergens. Die strompelt. ‘Hemel’ klinkt óók raar, wetende dat de hemel enkel op aarde bestaat. En je mist maar door. Skype en Viber lieten je vandaag danig in de steek. Dat terwijl het zo ongeveer je lifelines zijn. Hoe dúrven ze?!? Maar misschien lag het wel aan je eigen wifi, wat ondanks middels gefrustreerd eruit rukken van de stroomkabel opnieuw opstarten van je modem, nog steeds hapert. Of het ligt toch aan het WLAN aan het andere einde, you never know. Alles wat jíj weet, is dat je mist.

Twee flinke glazen wijn maken het er ook niet beter op. Enkel nóg mistiger. Een stuk schrijven onder invloed van wat dan ook is nooit aan te raden. Er komt een hoop bullshit uit je vingers waarvan je de volgende ochtend niet eens meer weet of je het wel echt zelf en met de juiste overwegingen geschreven hebt. Je zou er met Stephen King in ieder geval een leuk woordje over kunnen babbelen. En hoewel de meeste mensen abominabel slecht zijn in het goed lezen en interpreteren van bijvoorbeeld satirische teksten, lezen ze vanzelfsprekend wél feilloos je state of mind tussen die stierenpoepregels door.

En je vraagt je af.
Wat je hiermee..
überhaupt eigenlijk …
ook alweer ….
wilde zeggen…..

Ach, je weet het niet meer.

Herkenbaar.

Werkezel met port

Het skypescherm open.
Groot. Een tweede laptop is fijn.
Hij tikt zich een breuk.
Krabt eens aan zijn neus. Zucht.
Hand in zijn nek, hoofd scheef.
Krabt nog een keer. Kijkt moeilijk.
Ik luister naar David.
Ground Control en zo.
Nip aan mijn glaasje port.
Hij ook.
Port in unison.
Af en toe koekeloer ik stiekem naar zijn voorhoofd.
Ik werk met onderbrekingen
aan mijn gedichtenbundel,
pak tussendoor ineens even een penseel
en verbeter wat aan mijn schilderij.
Nog lang niet af, maar voor de kerst moet het klaar.
Moet. Moet.
De tekst van Almalfi in mijn oren.
You put me in a trance.
Thanks Lucia. Je wordt steeds mooier…
Nog een slokje.
Soms heel even melancholisch.
Sommige dingen op facebook laten me toch lachen.
Don’t you forget about me.
Simpel. Don’t mind.
Ik loer weer steels naar hem.
Een meer dan serieus gezicht staart
nog steeds niets ziende
tegenover me naar het beeldscherm.
Werkezel.
Alles.
..
.

Drei Schweinshaxen, bitte!

Ik ben net even naar het winkeltje hier op de boerderij geweest. Elke donderdag verkopen ze ‘Ab Hof’ alles wat ze zelf van hun (bio)varkens, die in de stal 50 meter verderop rondwroeten, kunnen vervaardigen. Geen onderdeel van het varken gaat verloren, alles belandt in de winkel. Zelfs meerdere soorten verse, witte kaas, maar ik vermoed daar toch enige fraude m.b.t. de dierlijke oorsprong van de melk.

Het is een waar griezelkSchweinzeugsabinet. De varkenstongen hijgen nog na in de vitrine. De Sauschädel (gevulde varkenskoppen) grijnzen je aan, de gehakte Schweinshirne zijn zorgvuldig in een stuk darm geperst. Maar voor de algehele culturele ontwikkeling en lokale integratie is zo’n bezoekje wel goed. Ik leer er een hoop nieuwe woorden zoals ‘Blunzen’ (=bloedworst), ‘Kaspressknödel’ (soort van platgedrukt allegaartje van (oud) brood, kruiden, kaas en ik vermoed varkensvet), ‘Stelzn’ (gegrilde varkenspoten) en ‘Beuschl’ (lijkt op gemalen goulash maar dan van varkenslongen en ander orgaanvlees).

Toegegeven, een aantal van de lokale vleesbegrippen – Grammelknödel, Bauchspeck (inclusief het obligatoire gevolg: de Speckbauch), Knacker, Fleischlaberl, Geselchtes, Schmalz en Surbratl – kende ik inmiddels al. Maar toch sta ik elke keer opnieuw met volle verbazing te kijken naar die oude, gebochelde oervrouwtjes met gebloemde schort en rieten mandje aan de arm. Ze staan tot ver buiten de deur in de rij voor deze varkensspecialist en laten hun mandje glunderend vol stouwen met Schweinshaxe en co. Voor hen is het een delicatessenwinkel. Voor mij eerder een bezienswaardigheid. Ik ga maar voor de verse knoflookkaas. Van het zwijn.

Worm

Ken je dat? Dat je jezelf het liefst op wilt delen?

Een schouderpartij voor de nodige steun hier, een torso voor het zware werk daar, één bil voor in bed, een hersenhelft voor het nodige denkwerk, een stukje staart voor de huishouding en met de rest van je hoofd totáál ergens anders.

Zoiets.

Maar helaas. De mens is en blijft een centralistisch wezen. Een ondeelbare bovenkamer van waaruit de boel in het gunstigste geval nog een beetje gedelegeerd wordt.

Was ik maar wat decentraler georganiseerd.
Met de mindset van een regenworm.
Of een axolotl.

Even scannen a.u.b.

Een grote bobbel. Dat is wat ik merkte, een week of anderhalf geleden. Ik legde mijn handen op mijn buik, op de onderste ribben en voelde een behoorlijke asymmetrie. Links een soort van derde, tepelloze borst, rechts gewoon ‘plat’ (voor zover plat bij mij mogelijk is) en dacht: ‘What the f….???’ en daarna niks meer, alweer vergeten. Ik blondie kan dat.

Maar de bobbel bleef en viel zelfs mijn man ineens op. Gisteren dus een eerste  poging tot betasting door de huisarts ondernomen. Helaas: die bleek op vakantie. Doorgereden naar een mogelijk vervangende arts maar die had geen praktijk op donderdagen. Nou dan niet! Bekijk het maar. Zal wel loslopen.

Vandaag heb ik toch maar een nieuwe poging gedaan: een derde lokale arts. Een internist. Om tien voor half acht was ik er al. De wachtkamer was een paradijs voor mensenkijkers. SMS-ende punkers, dames met hondjes in tassen, een peuter die de boel systematisch afbreekt, überzielige pubers met dramatranen in de ogen en een lachend levensverhalen mompelende man met Down. Een uurtje of anderhalf wachten en hoppaaa, ik ben al aan de beurt.

De huisarts drukt eens op de bobbel. Auw man! Het enige wat hij zegt is: ‘hmm’. En nog een keer. ‘Hmm’. Ik kijk hem bedenkelijk en sterk afwachtend aan.
‘Uw onderste rib is gebroken. Een pathologische breuk.’
Nu kijk ik meer dan bedremmeld. Hoe is dat mogelijk?? Ik heb niets raars gedaan, geen ongeluk gehad, niemand heeft mij mishandeld (voor zover ik me kan herinneren), ik heb mezelf niet eens naar behoren op de borst geslagen de laatste tijd.
‘De meest voorkomende oorzaak bij jonge [oh Danke, Herr Doktor!] mensen als u is een gezwel onder het bot.”
BAM. Uit het lood geslagen. Fijn hoor, zo’n eerlijke edoch tactvolle dokter.
‘U moet nu naar de radiologie in Linz. Dit moet wel gecheckt worden.’
‘Kan dat eventueel ook anderhalve week wachten? Ik heb nu erg weinig tijd…’
‘Nee. U moet nu gaan.’
De dringendheid waarmee hij dat zegt, is voldoende. Met een verwijsbrief en een kloppend hart van de schrik scheur ik naar de radiologische praktijk in de stad.

Weer een wachtkamer. En meer wachten. Een klein kwartier later ben ik al aan de beurt. Een propperige, gezette dame met jampotglazen duwt me met nogal harde hand op het verticale röntgenplateau, derde borst tegen de witte plaat.
‘En nu diep inademen en niet meer uitademen!’ Alweer auw…
‘Omdraaien tot ik stop zeg, dan weer inademen en NIET uitademen!’
Ben ik even blij dat ik tussendoor toch stiekem nog wat uitgeademd heb, anders had ik nu niet eens meer in kunnen ademen voor Tante Pollewop. Duwen, sjorren, nog een keer duwen. Zij zegt ook ‘hmm’ en haalt de opperradioloog erbij. Het zweet breekt me uit. Sta je dan, halfnaakt en klotsend tegen zo’n witte plaat op te rijen. Ik weet leukere hobby’s.

‘Ik kan het niet goed zien, de foto’s moeten later nog beoordeeld worden. Ik moet nu eerst even een echo maken’, aldus de radioloog. Ik ga op het met papier bekleede brancard liggen en oogst daarvoor meteen een klodder koude gel op mijn buik. Met de scankop drukt hij hard op de abnormale plek. Ik kan het woord ‘hmm’ inmiddels niet meer horen en vraag zonder omwegen of hij nu wat ziet of niet, en zo ja, wat.
‘Een breuk, ja. Verder niets. Raar hoor.’
Alsof hij er graag van alles had zien zitten en nu bijna een beetje teleurgesteld is. Jammer zeg, wéér geen drama vandaag… Ik  hoor het hem denken en vraag nog een keer voor alle duidelijkheid of ik me nu echt geen zorgen meer hoef te maken. Hoef ik voorlopig niet. Ja die breuk, dat is raar. Ontzien. Geen al te wilde dingen doen, niet boksen, niet bungeejumpen. Oh jee… dat wordt afkicken de komende weken. De rest lijkt oké, maar ik moet nog wel even de uitslag van de röntgenfoto’s afwachten voor het uiteindelijke ‘O.K.’ Die komen volgende week met de post. Wat een opluchting. Om tien uur ben ik weer thuis en plof met een kop koffie op de loungebank op het terras.

Na een emotioneel rondje scannen nu dan  de rest van de oorspronkelijke plannen…

Blik kan doden

Mijn Audi roest. Een beetje. Hier en daar zelfs wat meer. Eén van de redenen die de APK -man aanvoert voor zijnRoestaudi oordeel: afgekeurd. Ik snap dat niet. Afgekeurd vanwege oxiderend ijzer. Als ik zie wat voor bruine bakken er wél op de weg mogen… Onbegrijpelijk. Roest wegwerken vergt wat inspanning en mijn man doet zijn uiterste best inzake reanimatie. Noeste arbeid steekt hij erin om roest, haperende remmen,  sturingsproblemen en kapotte lagers weer in het gareel te krijgen. Ik denk bij mezelf: “oh my god, daarmee ben ik met 200km/h naar München gescheurd…” maar wie ben ik om te klagen; ik leef nog. En ik kan het niet repareren dus ik houd mijn gemak en laat hem prutsen. Stukken blik worden met urenlang minutieus gepriegel gebogen en gevormd. De lokale garageflip moet die er dan aansluitend in gaan lassen.

Ik ben ook nuttig bezig geweest. Ik heb uitgebreid de tuin doorgeploegd. De hoeveelheid tuinafval is indrukwekkend en mag in ieder geval niet op onze oprit wegrotten, dus laad ik alle zakken, kratten, kisten en dozen in onze andere auto (een Skoda, zijn auto. Hahahaha). Op naar het afvalcentrum. Ook nog een oude fietsband, een ijzeren onding namens booglampenvoet, wat reststukken blik, een oude deken en een zak met vergaan plastic uit de garage ingeladen. Opruimen is mooi werk.

Na het afvalcentrum scheur ik door naar de Lidl, waar ik ineens zie dat ik vijf telefoontjes gemist heb. Ai. Meteen gaat foon alweer opnieuw over. Man. In paniek stamelt hij:  “WAAR IS DAT STUK BLIK WAT IK GEBOGEN HEB???” Ik antwoord bedremmeld dat ik werkelijk waar geen idee heb. Ik heb wat afvalstukken weg gesodemieterd, dat wel… “Het lag in een kist met spullen op de grond!” Oh… ja… die kist… die heb ik ook opgeruimd. Alles in de gigantische oudijzercontainer die al half vol was met groot en klein schroot. Ik hoor de vertwijfeling in zijn stem. Die jammert heel hard ‘neeeeee….’ Hij legt me melodramatisch uit dat hij daar gisteren de hééééle godsganselijke dag mee bezig is geweest (duh… maar twee uur. Ik weet dat) en dat ik NU METEEN naar huis moet komen omdat we SAMEN dat stukje blik in die rotcontainer gaan zoeken. Bevel is bevel. Zonder een verder overbodig woord laat ik de Lidl achter me en haal hem op. We rijden onder het genot van een gefrustreerd potje doodzwijgen terug naar het ASZ.

Daar kijkt hij verbouwereerd in de container. Acht meter breed, drie meter diep. En bovenop mijn ‘oud ijzer’ ligt al lang een nieuwe lading grof oud ijzer. We moeten erin. Ik haal zuchtend een ladder bij een medewerker. Handschoenen aan. In de container is het een enorme zooi met veel scherpe randen en acuut instortgevaar. De loodzware voorplaat van een gestorven sigarettenautomaat bedekt een verbogen winkelkarretje. Al dat spul is in nog geen kwartier erbij gekomen.. Daaronder nog meer chaos. Ik mompel dat dit onbegonnen werk is, vind maar eens een stukje plaatblik van twintig centimeter lang en en zes centimeter breed in deze metersdiepe ijzerpuinhoop. Man kijkt me pisnijdig aan. “JIJ hebt het weggegooid, terwijl het duidelijk géén afvalstuk was!! Zoeken!!” (Het woord ‘kreng’ dacht hij er met grote zekerheid achteraan). Voor mij was het overduidelijk wél een afvalstuk maar het lijkt me beter om dat nu maar even voor me te houden.

Na wat pijnlijk ijzerworstelen was ie daar dan toch. Het stuk blik van onschatbare waarde. Ik lever man thuis af, grom  iets te luid dat hij het ding vooral nog even goed moet knuffelen en oogst een zoveelste blik die kan doden.

Oh Lidl, ik kom eraan!!!

 

Weggeglipt kruis

Verbaasd staar ik in mijn onderbroek. Het ding is echt weg. Hoe is het mógelijk… Als ik nou een tanga aan had gehad, had ik me voor kunnen stellen dat het weg kon glippen maar mijn huidige figuurcorrigerende tentje had toch echt in staat moeten zijn om dergelijk inhoud op zijn plaats te houden. Niet dus. Ik voel tegen beter weten in gelijk maar even van binnen. Ach nee, dat kan niet… dat voel ik dan toch… Toch??

Een beetje beduusd kom ik toch maar een keer overeind, uitgeplast ben ik immers al lang. Licht grinnikend kijk ik om me heen. Onder het toilet, in mijn broekspijpen, in m’n haar. Check mijn achterkant in de spiegel. Stel je voor dat het ding daar ergens hangt en de man van de pakketdienst zijn lachen daarom maar ternauwernood kon onderdrukken… Hij was wel verhipte snel weer weg.

Verdwenen is het en verdwenen blijft het. Een waar mysterie. Ik vrees het ergste, namelijk dat het bij de vorige toiletgang tijdens het omlaag sjorren vaninlegkruisje mijn broek in de toiletpot geglipt is. Bij de eerstvolgende verstopping rukt mijn man vast mijn kop eraf, als hij de oorzaak vindt. Rest mij enkel nog voor het kruis te bidden. Op dat mijn inlegkruisje alle bochten tot de hoofdrioleringsbuis tóch heeft weten te halen. Dan dobbert het nu wel moederziel alleen rond in de wateren van de zuiveringsinstallatie drie kilometer verderop… Een wit streepje in bruinzwarte soep. Ik bid ook maar meteen voor groot absorptievermogen.

Getwijfeld over België

Luisterend naar het Goede Doel vraag ik me ernstig af, hoe een mens daadwerkelijk kan twijfelen over België. BelgIk vind Belgen leuk hoor, begrijp me niet verkeerd. Maar een land, dat het voor elkaar krijgt om ondanks het feit, dat de hele incestueuze EU in het eigenste eigen Brussel rond en in elkaar schijnt te kruipen, nog steeds zo onbetekenend kan zijn, zo’n land fascineert mij. Misschien ligt daarin dan ook wel weer de charme. Al een kwart eeuw (of langer?) kunstig balancerend op het randje van faillissement, een volledig gespleten persoonlijkheid die zich weerspiegelt in ziekelijk vlaams- cq. wallonisch patriotisme, lekkere patatten producerend, bewonderenswaardig corrupt (daar kan men nog iets van leren: mocht je daadwerkelijke een tweede witrood nummerbordje op je wagen willen – aan de voorkant bijvoorbeeld -, tel je gewoon een paar extra flappen neer), volledig vervallen tot mysterieuze, Transsylvaans aandoende ruïnes rond een paar bergen die wildwaterkanovaren, canyoning en survivallen als opperste attractie bieden, een zeikend manneke als landelijk symbool en voorzien van een flink stel stalen ballen. Ja, dat lijkt me wel wat. Ik ga toch nog eens even ernstig twijfelen over België. Oostenrijk is me te bieder gebleken.

Zouden ze in België ook een Samsungaccountsynchronisatieservice hebben?

Dopjesellende

Kwart over elf ’s ochtends. Ik ben klaar met het in de auto proppen van ski’s, schoenen, skistokken, kinderen, kleren en de hele santemekraam. My job. Voor mijn part kunnen we weg. Man mompelt dat we onderweg nog even in Machstadt bij een bedrijf langs moeten: hij heeft daar een 20-tal buisdopjes Navi1voor het luttele totaalbedrag van €1,40 besteld, die wil hij nog even ophalen. Dan kunnen we ons namelijk die tien euro verzendkosten te besparen en het is sowieso maar tien minuutjes om. Tuurlijk schat. Doen we.

Onderweg vraag ik voorzichtig of hij dan ook weet waar het ongeveer is. Hij kijkt me aan alsof ik hem net recht in zijn gezicht een lamme castraat genoemd heb. Natúúrlijk weet hij waar het is. Bij de afslag Machstadt begint het gedonder.
‘Hm. Volgens mij hadden we af gemoeten… Dit herken ik niet’
(Alsof hij ooit van tevoren in dit gat is geweest. Not.)
‘Wat raar. Hier had een weg moeten zijn volgens ’t kaartje.’
‘Welk kaartje.’
‘Dat op mijn telefoon, duhuhh. Maar ik weet het wel uit mijn hoofd.’
‘Jij hebt een káárt??? … Heb je ook het adres toevallig? Dan kan ik het in de navigatie intypen, nu we het toch niet kunnen vinden.’
‘Ik zei toch, ik wéét waar het is? Jij met je navi. Pffff…’

Ik graai zijn telefoon uit mijn (!) tas, waar ik het ding met mijn vooruitziend oog maar vast in gestopt heb omdat hij ‘m anders weer eens vergeten zou zijn, en grasduin door het oerwoud aan blauw-rood-groene windowsblokjes naar zijn notities alwaar ik een prachtig vanaf zijn laptopbeeldscherm gefotografeerd kaartje ontdek. WTF?? Daar staat nog geen miezerige straatnaam op, alleen een zigzagstreepje van de autobaan naar punt “A”. Het door hem genoteerde adres: Norderprischl 12. Ahah. Bingo. Zou je denken. Onze navi (ook liefdevol ‘naveltje’ genoemd) ziet in ieder geval nergens iets van een bingo. En Norderprischl bestaat niet, zegt ie ook. Man rijdt ondertussen lustig verder, zijn doel langzaam maar behoedzaam cirkelend besluipende. Foeterend staat hij ineens op één of andere rechter rijstrook terwijl hij toch echt linksaf had gemoeten. Links it is. Dáár moet het zijn. Hij snijdt een Twingo (ach, die hadden we toch bijna niet gevoeld als we ‘m geramd hadden) en slaat vol energieke frustratie alsnog linksaf. Ik word langzaamaan misselijk van het prutsen in mijn naveltje, die nog steeds niks vindt. Dan maar weer berustend en vooral mond houdend terug naar de navi-kaart en kijken hoe we onze rondjes draaien, op zoek naar een zakje buisdoppen.

‘Hè?? Daar is water!! Zie jij op míjn kaartje ergens water???’
‘Ik zie helemaal niks op jouw kaartje. Dat is geen kaartje, dat is hooguit een gruwelijk slechte foto.’
‘Aan jou heb ik ook niks.’
Grimmige blik.
‘Waarom heb je ze niet even gevraagd hoe je dan precies moest rijden?’
‘Aaaahhrgg!!! Omdat ik het al wist??? En het adres héb ik toch gevraagd, hoe denk je anders dat ik daar aan kom???’
‘Euh… nou… van de website of zo?’
Nog grimmigere blik.
‘Ik heb wel een Niederpirsching gevonden trouwens…’, mompel ik.
‘Nou dan typ je dat toch lekker in. Doe je best. Zonder kotsen graag.’
De navi meldt dat we 10km van ons doel af zitten.
‘Dat kan niet. Dat is sowieso fout’.
‘Maar waar zitten we NU dan volgens jou??’
‘JA WEET IK VEEL!!! OP DE WEG, MENS!! En wij zijn helemaal niet daar waar die navigatie zegt dat we zijn. Dat ding klopt voor geen ene meter.’

Ik zeg niks meer, smijt zijn (data- en navigatieloze) mobiel met prutsfotokaartje aan de kant en neem de mijne, doe GPS aan, start Google Maps en bekijk waar we volgens mijn mobiel dan nu zijn. Goh. Op het punt waar de navigatie ook al zegt dat we zijn. Verrassing…
‘Dat kan niet. Daar is een riviertje. We zíjn niet bij een riviertje.’
‘Lieverd, we zitten in midden in Wertz…’
‘Als we in Wertz zitten, laat ik de boel verdomme alsnog opsturen. Dat kan niet kloppen.’
‘Nee, de satelliet is vast een beetje van het padje, ik snap dat. Echt’
Dodelijke blik.
Dochter meldt zich luidkeels: ‘Ik moet heeeeeeeeel erg naar de WC!!!’
Zoon mompelt: ‘…en ik heb toevallig hartstikke erge honger’
Ik steun: ‘Ik heb hier geen zin meer in. Ik ben misselijk… dit alles voor rottige tien euro verzendkosten, dat zijn we nu al lang aan diesel kwijt…’
‘Ja halloooo, dat kon IK van tevoren toch niet weten???’
Waar hij gelijk heeft, heeft hij gelijk. Maar hij moppert al weer luidkeels verder dat hij nu wel weet dat hij in toekomstige noodsituaties ook helemaal niksnoppesnada aan ons zal hebben, met ons gezeur en gezeik. Als ik eens wat zoek in de toekomst, zal hij ook even lekker precies zo gaan emmeren en zeuren. Helaas voor hem gebeurt dat dus nooit, want a) noteer ik adressen zorgvuldig, b) heb ik een navigatiesysteem én een werkend mobieltje met Google Maps en c) ben ik een vrouw. Als ik het niet kan vinden, vráág ik gewoon.

Na absoluut niet overdreven een  uur en een kwartier lang rond gekard te hebben, flikkert hij de auto (mijn auto!) aan de kant en kijkt mij aan.
‘Goed. Dan zeg jíj maar hoe ik moet rijden.’
Eindelijk. Capitulatie. I’m loving it.
Het eindpunt van de zigzaglijn op zijn topkaartje bestudeerd hebbende, lijkt Niederpirsching voor mij toch echt te kloppen.
Ik klik op de routeberekening op mijn mobiel.
‘OK. Rechtsaf.’ En loods hem er linea recta naar toe.
Na een geweldige totaaltijd van dik anderhalf uur zijn we dan uiteindelijk toch bij het dopjesbedrijf, waar hij met grote stappen weg beent om zijn zakje plasticprut te halen.
Niederpirsching 12.
Met je Norderprischl…
Maar de 12 had hij tenminste goed.

De kinderen zijn inmiddels volledig gaar gekookt, we hebben allemaal honger en ik moet minstens een liter lichtgeel water lozen. Koffie drijft nu eenmaal vocht af. Conclusie: wij willen na deze odyssee naar de McDonalds. Man pertinent niet. En ik dan ben er klaar mee.
‘IK. Moet. Plassen. WIJ. Hebben. HONGER. En dus rijd JIJ nú naar de eerstvolgende McDonalds!!’
‘Grmpf.’

Navi2

Gelukkig zijn Macs duidelijk sneller te vinden dan dopjesbedrijven. Ik bestel een grote box chicken wings. Ik moet nu even ergens heel hard in bijten en het liefst tegelijkertijd een paar botten breken. Hij wil zich niet voor mijn behoeftes ter beschikking stellen en drinkt stoïcijns zijn protestkoffie.

De rest van de weg rijd ik.
Vakantie.
Met een toffe zak dopjes.
Hoezee.

“Heeft u een momentje?”

Tuudeleduudelduut…
“Goedenavond! Ik ben van de politieke onderzoeksinstelling en ben op zoek naar jonge, Oostenrijkse respondenten. Heeft u een momentje?”
“Nee.”
BAM.
Ik ben ten eerste meer dan stokoud en ten tweede zeker niet Oostenrijks. En bellen rond etenstijd is not done, ook al ben ik dan de enige Hollandse idiote in dit maffe land die ’s avonds pas warm eet op tafel pleurt.

Tuudeleduudelduut…
“Goedendag, ik bel u van de nationale consumentenvestiging, het gaat om het huidige misbruik van uw persoonlijke data.
“ooh jah!! Daar heb ik net al uitgebreid met een collega van u over gesproken!”
“Echt waar?? Hoe heette die?”
“Diana Nogwattia. Weet ik niet meer”
“Aha. Diana. En wat heeft ze genoteerd?”
“Dat ze me die flatscreen TV per omgaande gratis toestuurt omdat ze mijn data al onrechtmatig verkregen had en alles dus in orde was.”
“Euh… ja.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudelduut…
“Goedendag. Ik bel namens het marktonderzoekbureau Verteltuonsalles. Wij doen onderzoek naar schaamhaarscheermesjes [nou ja, eigenlijk zei hij “scheermesjes” maar dat staat er voor mij gelijk aan]. Heeft u een momentje?”
“Natuurlijk” [Daar weet ik namelijk alles van hè, dus dan heb ik wel een momentje om mijn expertise te delen].
Om vervolgens de heer in kwestie tot in den treure de oren vol te lullen over de scherpte van de mesjes, de stoppels, de jeuk en de pukkels die bij te snel bot geworden gereedschap gegarandeerd zijn, over het te snel roesten die bij chronisch gebruik onder de douche, over de merken die ik ken en natuurlijk niet te vergeten: mijn wedervraag over hoe hij zélf de schaamhaarcoiffure ervaart. The time of his life, gegarandeerd. We nemen als goede vrienden afscheid van elkaar.

Tuudeleduudelduut…
“Hallo! Wij bellen van Bureau Consutentenmest. Heeft u een momentje om wat vragen te beantwoorden?
“Hoe lang duurt dat momentje?”
“Hooguit vijf minuten”
“Dan nee.”
BAM.
Want vijf is minstens vijftien bij die lui. Als hij nou twee had gezegd…

Tuudeleduudeleduut….
“Firma MaxiLuxi, Schadeloosstellingsafdeling.”
“Haiii!!!”
“Mw. L.-B. het gaat om het volgende. U heeft in het verleden wel eens deelgenomen aan loterijen en nog nooit iets noemenswaardigs gewonnen in al die tijd.”
“Nee hoor. Ik heb al best vaak wat gewonnen. In 1998 zelfs al een keer 7000 gulden.” [dat was weliswaar met z’n vieren en we hebben dat geld gelijk verbrast aan gruwelijk dure sushi en wijn, maar goed.]
“Maar niks noemenswaardigs dus [euh… ok…] en daarom krijgt u nu een schadevergoeding van de Europese loterijvergoedingsorganisatie voor al die keren dat u niet gewonnen heeft.
“Ik vond het wel noemenswaardig hoor.”
“Ja… goed. Maar u heeft tóch recht op een schadevergoeding, omdat dat bij de normale loterij was en niet bij euh… euhm… telefoonloterijen.”
“Goh. Wat fijn. Hoeveel is dat?”
“Heeft u nog de laatste bevestiging van de laatst deelgenomen loterij?”
“Nee, natuurlijk niet.”
“Dan laat ik u een voucher toekomen voor 25 euro en die kunt u dan als bewijs voorleggen. Zo gauw u die heeft ontvangen, belt u het nummer op de voucher en dan krijgt u uw schadevergoeding.”
“En hoeveel ís dat dan?”
“Dat weet ik nu vanzelfsprekend nog niet, dat wordt dan vastgesteld aan de hand van wat u niet gewonnen heeft.”
“Mag ik uw naam en adres?” [met dramatische snik in de stem]
“… Waarom?”
“Omdat ik u een grote bos bloemen wil sturen voor zoveel oprechte naastenliefde en allesomvattende barmhartigheid. Uw werk maakt hele groepen mensen gevoelsmatig rijker dan ze ooit dachten te zijn, uw stem is zo zacht, zo mooi en zo… zo ontzéttend liefdevol. En het bedrijf waarvoor u werkt, verdient werkelijk waar een lintje. Een lintje voor onzelfzuchtige bedrijven. Ik heb nu letterlijk de tranen in de ogen van dit altruïstische gebaar dat u ogenschijnlijk tientallen malen per dag maakt, en zelfs vele collega’s daar met u. Wanneer komt die voucher? Dan kan ik daarmee alvast de bos bloemen kopen.”
tuut-tuut-tuut….

Tuudeleduudelduut…
“Goedenmorgen mevrouw! Mooie dag, vindt u ook niet?”
“Nee.”
BAM.
Welke telefoonidioot opent er nu zo een gesprek.

Tuudeleduudeleduut….
“Hallo?”
“Hallo, kan ik met Mw. Lou L-B. spreken?”
“Met wie spreek ik?”
“Met Anna Lucht van de Duitse Loterijmaatschappij. Spreek ik met Mw. Lou L-B.?”
“Momentje, ik moet éven kijken. Volgens mij is ze nu nét weer compulsief aan het overgeven. Ze heeft namelijk gisteravond kip gegeten bij haar schoonmoeder en sindsdien is ze niet meer van de WC af te krijgen. Spuitpoepen en kotsen alsof haar leven ervan afhangt. Doet het ook trouwens. U zou het moeten zien. De gelige kipstukjes die nu al aan de muur plakken. En de toestand van WC zelf… echt, ón-mó-ge-lijk. Heeft u beeldtelefoon?”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Hallo Mw. Lou, Ik ben Miep Gezelli van de Europese Voordeelsgemeenschap. Heeft u een momentje?”
“Nee.”
“Ik wil u namelijk graag mededelen dat uw lidmaatschap over drie maand afloopt en daarna staat u automatisch geregistreerd voor 79 euro per maand. Wilt u dit opzeggen?”
“Ik ben geen lid.”
“U bent wel lid.”
“Ik ben niet lid.”
“U bent wél lid.”
“Ik ben niet lid.”
“U bént wél lid!!!”
“Kunt u mij dan mijn lidmaatschapsbevestiging even doormailen? Op Miep@verarschtmich.de. Oh en stuur het directe telefoonnummer van uw supervisor ook gelijk even mee alstublieft.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Met Robin Wood van de Norddeutsche Klassenlotterie!”
“Ah Robin!! Wat geweldig leuk je weer te spreken!! Hoe is het met je twaalf kinderen? Leven ze allemaal nog? Ik zou dat met jouw callcentersalarisje rechtmatig kunnen betwijfelen natuurlijk.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Kan ik Mw. LLB spreken?”
“Spreekt u mee.”
“Ah mooi. Mw. Lou, ik moet even uw gegevens verifiëren…”
“Waarom?”
“Nou u staat hier in onze database en we willen even checken of uw geboortedatum klopt.”
“OK, roept u maar, dan zeg ik wel of ’t klopt.”
“Nee, dat is bij mij zwart afgedekt, dat kan ik niet zien.”
“Hoe kunt u dan vergelijken?”
(diepe zucht aan de andere kant) “Dan…euh dan gaat er hier op mijn display een groen lichtje branden, als het klopt.”
“31 juni 1964.”
(ze typt…)
“Prima, bedankt. Wilt u in onze database blijven? Dan krijgt u over uiterlijk over een maand weer een verificatietelefoontje. En een bevestigingsbrief. Daar heb ik even uw adres voor nodig.”
“Dat heeft u toch al? U hoeft toch enkel te vergelijken?”
“Nee, daar zit ook een balkje overheen.”
“Heeft u Windows?”
“Húh?”
“Nou, vanwege al die balkjes. Ik meende daar iets in te herkennen.”
“Geen idee.”
“Wat is uw geboortedatum eigenlijk? En waar woont u?”
“Dat is hier niet aan de orde.”
“Heeft u een hond? Wat is uw hondenbelastingnummer?”
“Godsamme. Er bestáát helemaal geen 31 juni…”
tuut-tuut-tuut….

Ik ben gek op dit soort telefoontjes. Puur genot. Beter dan fast food. En minder kilocalorieën.
NEXT PLEASE!!!

Keuzegemis

Hé mam… voelde jij je op je tweeënveertigste soms ook zo buiten alles, zo afzijdig als ik?mam
Zo, alsof je iets herkenbaars had moeten kleien van je leven maar dat het nu eenmaal die blobvorm kreeg, die er simpelweg in gedrukt werd?
Hunkerde je ook wel eens naar alles wat zo ontzettend verschrikkelijk uit den boze was? Naar dat wat zeker niet goed voor je was?
En ook naar het ‘wat als’ van al dat, wat je sowieso nooit van tevoren had kunnen weten?

Oh, en mam… heb je ook wel eens gedacht over hoe het was geweest als je dat had gedaan wat je moeder eigenlijk helemáál niet wou?
En vooral ook datgene, wat je pap je ten strengste verboden had?
Denk je wel eens over datgene wat er uit gekomen was, als je pak ‘m beet een halve eeuw geleden nét even anders gekozen had?

Ik mis ze soms heel erg.
Mijn keuzes van toen.
Ik zou ze zó graag nog eens terug zien…

Bea

zouze3Zou ze ooit één grijze haar onder haar hoedje uitrukken?
Zou ze ooit in de keuken de beslagkom leeg likken?
Zou ze ooit nog een keer een mindblowing orgasme hebben?
Of er ooit één hebben gehad, met veel heet gesteun en gesis?

Zou ze ooit in de auto keihard meeblèren op Lily’s “Fuck You”?
Zou ze ooit op de WC ongegeneerd in haar neus rondboren?
Zou ze ooit onder de dekens haar linkerbil even snel optillen,
zodat haar stinkende scheet niet zo snoeihard te horen is?

Zou ze ooit gedachten hebben: “Is dit nou werkelijk alles..”
Zou ze ooit uit die Bilderbergclan hebben willen ontsnappen?
Zou ze ooit nog een geile chat met de prins van Zamunda snel
wegklikken omdat haar PA weer loopt te zeiken als Manneke Pis?

Zou ze ooit haar beschoeide voeten op de salontafel pleuren?
Zou ze ooit snel haar paarse dildo schoonmaken onder de douche?
Zou ze ooit een enorm stuk in haar bontkraag zuipen, enkel
vanwege het anders aan creativiteit zo ondraagbaar grote gemis?

Zou ze ooit na het afvegen naar haar toiletpapiertje kijken?
Zou ze ooit het lopend buffet overgeven door haar neus?
Zou ze ooit eens bankhangend naar Kim Holland zappen.
Ach nee, toe zeg, kom nou, nevernooitniet, neen toch gewis…

de eerste

Dat is het alweer. De eerste februari 2014. Nog nooit was het vandaag, maar nu is het dan éindelijk zover. Als ik het gesprek – nou ja, gesprek, hoe noem je zo’n heen-en-weer-gedoetje op facebook – mag geloven, ben ik gezegend met het feit dat mijn man warm kan douchen en heb ik bovendien geleerd dat ‘simpele vrouw’ een pleonasme is. Maar als de man die het zei een beetje verder had gedacht, had hij zich gerealiseerd dat het eigenlijk geen pleonasme maar schier een onmogelijkheid was. Geen enkele vrouw valt als simpel te beschrijven. De mogelijke kans (oh, een pleonasme…) om een simpele vrouw (oh, nog eentje…) (maar die kenden we al) (of toch niet?) te vinden, is geminimaliseerd door het feit dat het wel degelijk aanwezige maar bewijsbaar lichtelijk kleinere brein van de vrouw mogelijk door meer hormonen beïnvloedt wordt dan het mannelijk brein, dat doorgaans zelfs twee plekken in het lichaam schijnt te kunnen bewonen.

Ach fuck it.
Ik ga slapen.

 

Schudtaart

Gisteren had ik een vergadering. Een vergaderingsgenote sprak na afloop lyrisch over een zogenaamde schudtaart. En wie ben ik om dat niet gelijk de volgende dag uit te proberen? Juist, diegene ben ik! Bij deze een fotoverslagje (recept inbegrepen):

Schudtaart1Schudtaart2Schudtaart3

aldimannetje

Door het smalle gangpaadje tussen de metershoge torens van plastic flessen jus en tetrapakken druivensap manoeuvreer ik mijn karretje naar de enige open kassa en duw de metaalspijlen neus van mijn aldi-limousine bijna in die van een oud manneke dat blijkbaar synchroon met mij bij kassa twee arriveert.

Breed grijnzend laat hij zijn kunstgebit even hoognodig luchten en stoot met zijn elleboog samenzwerend tegen mijn arm.
“Wij zijn net die twee vrachtauto’s, vanochtend op de A7. Alleen kon ik nog uitwijken en reed jij geen spook.”

Kassa één gaat ook open.
De redding is nabij.

huh

kon jij maar mij zijn jij
dan wist ik wel
dat ik mij wou.
kon jij maar mij zijn
dan kon ik zeggen
dat ik van mij hou.

maar als ik de vingers
van mijn rechterhand
op ‘t  toetsenbord één
plek naar links verschuif,
ben jij enkel nog maar

huh …?

.

.

© Lou

toedeledoki

geen hond die nu nog
aan jou denkt.
geen man en zelfs geen mens.

iedereen is weg.

geen kip die jou nog
aandacht schenkt.
aan je daden of jouw wens.

enkel van de leg.

geen vuige duivel die
je nu nog wenkt.
kom hier lief, in mijn hens?

let op wat ik zeg.

een zware tientonner die
plots uitzwenkt.
al geplet, schrik je je lens.

wat een pech…

weg.

.

.

© Lou

De slachting van Robbie

Ergens eind oktober had ik een grote hokkaidopompoen namens ‘Robbie’ van mijn schoonmoeder gekregen. Ja. Robbie. Het ding kreeg een naam, dit was ’t en niet anders.Robbie  Robbie was goed 4,5 kilo zwaar en heeft uiteindelijk bijna drie maand lang bij ons mogen bivakkeren. Het was een lief ding met een hoge gezelligheidsfactor en een frishollandse kleur die bij elke gang naar de keuken een beetje van mijn heimwee weg wist te nemen. Na een tijd in de keuken naast het fruit, op het afdruiprek, op het aquarium (dat was een uitdaging) en op een bolle vaas (een nog grotere uitdaging) gepronkt te mogen hebben, werd Robbie uiteindelijk wat weekjes. Hij voelde zich duidelijk verwaarloosd en zocht daarom de warmte en het innige gezelschap van enige bacteriën en schimmels aan zijn verkilde voeteneinde.

Wel. Robbie vond ik op zich best goed te hebben. Hij was rustig, keek gemoedelijk toe, bracht een beetje kleur in het keukenleven en als paper weight deed hij het ook niet slecht. De schimmelkoloniën vond ik daarentegen duidelijk minder. En daarom stond mijn besluit vast: Robbie moest vandaag dan toch maar geslacht worden. De schimmelvrienden heb ik met een dunschiller geëlimineerd en Robbie zelf van zijn ingewanden bevrijd. Mummificeren was hiermee dus ook nog een optie geweest maar dan had ie nog wéér zo lang in de weg gelegen…

Middels rituele slachting in stukken gehakt en professioneel in meerdere plastic zakken verpakt, verdween tweederde van Robbie vooralsnog in de diepvries. We konden hem niet in één keer opvreten, hij was simpelweg te pompeus. De overige kilo Robbievlees wilde ik vandaag nog tot iets lekkers (nou ja, eetbaars) omtoveren. In iets wat de kinderen in ieder geval niet meer als Robbie zouden herkennen. Een taart was snel gegoogeld. Pompoentaart. Dus.

Eerst moest ik Robbies in stukken gehakte vlees nog verder verkleinen. In mijn Tupperware-speedychefmaalding ging dat prima. Gehakte hazelnoten, twee eigelen, suiker, boter, stijfgeklopte eiwitten, zelfrijzend bakmeel, alles werd liefdevol met elkaar en met de Robbieprut gemengd. Ik mompelde in mezelf: “dit ziet er eigenlijk best wel uit als kots…” en de alleshorende kinderen riepen heel hard: “iiiiewwww!” om vervolgens een vinger door de smurrie te halen en me gerust te stellen dat ’t in ieder geval niet naar kots smaakte. Maar wat waren dan die oranje stukjes? Wortel? Euh… ja.

RobbietaartNa de voorgeschreven vijfenveertig minuten bij 175° in de oven was de Robbietaart nog steeds half vloeibaar. Nog maar ‘ns dertig minuten dan. Vervolgens tien minuten in de magnetron want Robbie hield de smurriefase krampachtig vast. Nog eens tien minuten in de oven. Toen was ik het zat. Ik zette de bakvorm op z’n kop op een bord (c.q. ’t deksel van de bakvorm) in de hoop dat de taart er gracieus uit zou ploppen. Helaas plopte alleen de ongare binnenkant plomp op het bord, de rand bleef muurvast in de vorm zitten. Het bord met de smurriebrokken gelijk maar weer in de oven gepleurd, de randen uit de vorm gebikt en met een flinke dosis poedersuiker zo goed als onherkenbaar aan de kinderen gevoerd.

De commentaren van de vakjury logen er niet om (in deze volgorde):
“Het ziet er nog steeds uit als kots. Gebakken kots.” (zoon)

“Maar het is te eten. Best aardig zelfs…” (zoon, bedenkelijk kauwend)
“Lekker!” (Dat was dochter. Die vindt alles wat ook maar enigszins zoet is, lekker)

“Ik hoef niet meer. Maar het was wel oké hoor!” (Dat was ook dochter, na twee kleine stukjes, mijn vlammende ogen ontduikend).
“Euh… zoals ik zei: het is eetbaar. Maar dit hoef je écht niet nog een keer te maken.” (zoon)

“Mam? Waar is Robbie?” (allebei)

De nagebakken smurriebrokken (zie afbeelding) waren helaas niet veel beter maar ik heb in ieder geval al wél een kilo Robbie weg weten te moffelen. Ik zal binnenkort vast wel in staat zijn om die overige twee kilo ook nog spoorloos te laten verdwijnen. Iemand nog suggesties? (en nee, soep is geen optie).

Net niet

Ik stond echt op ’t puntje om weer eens een nieuw leven te beginnen. Dat leven waarin ik zó veel van mijzelf houd. En ook nog van de rest van de wereld.  Waarin ik heel hard fuck you schreeuw en doe wat ik wil. En iedereen omarm. Maar ’t lukte even niet. Nét niet. Alweer niet.

Vanochtend sprong ik uit bed en dacht: ik voel me tóp!! Tot ik plotsklaps dubbelklapte en mijn ingewanden eruit spuugde. Ik hield ’t allemaal even niet meer binnen. Nét niet. Maar het duurde maar heel kort, tot die hervonden tiptop-status.

Vandaag wist jij me zowat te overtuigen dat alles nu weer goed is. Maar het mislukte, net als een te natte rozijnenpannenkoek. En ik blijf zien hoe het er echt voor staat. Kledderig. Klote. Maar helaas.

Ik dacht heel even hoopvol: “je bent dus tóch nog steeds diegene die je was, toen ik dacht, dat ik je kende.” Maar je was het niet meer. Al lang en nét niet meer.

Bijna had ik vandaag zelfs mijn oh zo noodzakelijke werk gedaan en de boel afgemaakt. Maar het ligt hier nog naast me in een rode map.
Het lukte net niet. En morgen is er in dit geval geen nieuwe dag. But hey, we’ve got the night…

Zo’n lelijke, grootse terugval schampte zomaar ineens rakelings aan mij voorbij. Alleen nét niet helemaal. En ik haalde die bocht lekker toch. Met een noodvaart zelfs. Ja, dat net weer wel.

Ik mijmerde over hoe mooi het allemaal geweest had kunnen zijn. Maar dat is het nu ook weer niet geworden. Nét niet. So what. Op naar het volgende wat zo mooi zou kunnen zijn.

Vandaag was het immers óók mijn dag.

Nét niet.

natuurlijk

natuurlijk kijk ik naar Ursulaursula
hoe ze haar schelp weer eens
uit de zee vist, ’t zand afveegt.

natuurlijk denk ik herhaaldelijk
“lulkoek, zo bang voor James”
hij flirt toch tot-ie een ons weegt?

natuurlijk gaat breinlief tekeer
dik 50 jaar oud, slecht geacteerd en
ik vind dat Ursula een beetje slist.

natuurlijk schiet een dendriet uit
naar die hersencel die verder denkt
aan jou en dat je me ook mist.

natuurlijk…

© Lou

De TupTupclub

Ik durf het bijna niet te zeggen maar ik heb een Tupperware-verleden. Het is ook echt een verleden: het was nooit wat en nu is het al jaren helemaal niks meer. Hier in Oostenrijk zijn allerhande ‘party’s’ heel populair. Je hebt Partylight-party’s (met kaarsen en andere decopruttel), Reinzeit-party’s (allerhande überfantastisch schoonmaakmateriaal en ook etherische oliën), Gonis-party’s (knutsel-/teken-/verfmaterialen), DildoFee-party’s (zegt genoeg), Wenatex-party’s (orthopedische bedsystemen en matrassen) en natuurlijk ook de – volgens mij – oudste in de partycategorie: Tupperware-party’s. Er zijn wel meer verkooppartyvarianten maar op bovengenoemde party’s ben ik allemaal al wel eens geweest. Ik muts. Maar ik moet toegeven: afgezien van het verkoopgedoetje is het best wel leuk. ’t Is net als bij skiën: je gaat stiekem éigenlijk toch gewoon voor het après 😛

Ooit heb ik me echter toch op de één of andere dubieuze manier laten strikken door een vriendin die ook tupperware-hostess was. Het was zooooo goed te combineren met kleine kinderen, het verdiende super (en ik wou wel wat bijverdienen want mijn eigen zaak werpt in plaats van sappige vruchten over het algemeen hier en daar een droge beukennoot af…) Ik kwam in haar hostessengroepje, ging mee naar een aantal verplichte T-bijeenkomsten en ik kan niet anders zeggen dan: wát een idioterie. Een klein beetje sekte-achtig, een zaal met werkelijk óveral het tupperware-logo, kunststof en een stuk of honderdvijftig dames (geen heren… goh, hoe zou dat nou komen) die elkaar op regelmatige tijdstippen toejuichen en strijden om de hoogste groepsomzet. De winnende groep krijgt vervolgens een bups stickertjes (en balpennen… what the…) en bij een x aantal stickers krijgen ze dan een vaag kadootje (nog meer balpennen). Ik moest gelijk aan mijn smiley-systeem voor de kinderen denken. Wat een happiness en wat een groepsgevoel. Alleen voelde ik dat helaas niet zo heel erg (of eigenlijk helemaal niet). Het was me toen al duidelijk dat ik niet geschikt ben voor een T-carrière. Ik naam mijn werkelijk enorme T-tas volgestouwd met T-pruttel met enige schroom in ontvangst,  propte er pro forma een stapel catalogi en bestelformuliertjes in, smeet alles in de kofferbak en scheurde hard weg. En dat was het einde van mijn T-loopbaan want een echte party hosten heb ik uiteindelijk nooit gedaan. Die drie keer dat dat moest (om nog meer T-waar in de wacht te slepen), heeft vriendin dat gedaan en stond ik als hostess op het papiertje. Dat was echt lief van haar, maar natuurlijk kreeg zij daardoor ook een fonkelnagelnieuwe T-auto onder haar achterste geschoven waarmee ze van party naar party mocht tuffen. Ik moet wel toegeven dat de tupperware-artikelen zelf écht hartstikke goed en duurzaam zijn. Maar ze zijn ook reteduur (en ik ken de marges…) en het is en blijft – hoe je het ook draait of keert – kunststof, niet bepaald mijn favoriete materiaal op deze aarde. Maar wel mooi en onkapotbaar kunststof. Dat wel.

En nu, nu gaf mijn buurvrouw dus zomaar ineens een T(ea)-party. Nadat ik het twee jaar succesvol uit mijn leven heb weten te weren, was de T ineens back. Buuf had, wetende van mijn licht tot matige T-allergie, in de SMS-uitnodiging van midden december heel geheimzinnig “verrassingsparty” geschreven dus ik hoopte lange tijd op een lingerie-party (die heb je ook en daar was ik nou nog nooit, lijkt me best geinig en de lingerie die ze dan verkopen is werkelijk waar om je vingers bij af te likken) of nog beter: een dildo-party (da’s sowieso altijd lachen-gieren-brullen), maar woensdag ervoer ik dus wat me echt te wachten stond. Weigeren kon ik niet want buurvrouw was ook op alle party’s die ik ooit in een vlaag van verstandsverbijstering gehouden had (welgeteld vier: twee keer Tupperware, één keer Gonis, één keer Partylight). Dan bak je een taart, zet je thee, koffie, wijn, sekt en een bak chips op tafel en dan komt de desbetreffende hostess jou en je medeslachtoffers vertellen wat je voorrrralllll allemaal moet kopen omdat het nu zo gewéldig in de aanbieding is.  Dat duurt een uurtje of anderhalf, moet je even doorheen. De rest van de avond is dan wel leuk.

Gisteren viel het echter heel erg mee. Het meeste van de T-waar heb ik al lang (tja…), ik heb wat vervangende onderdelen (je verliest wel ‘ns wat hè, en ik vrees dat de meeste missende onderdelen ergens in de biobak beland zijn :-S ) weten te ritselen, en gezien het feit dat ik geen alcohol meer gewend ben, kwamen de twee glazen rode wijn behoorlijk goed aan en vond ik alles best. Ik heb het bestelformuliertje natuurlijk nog hier thuis liggen, ter plekke bestellen is nooit een goed idee. De dame pakte na haar verhaaltje haar roze mega-T-tas op rolletjes weer in en kletste vervolgens gezellig mee in onze ronde van acht. Ze deed nog een magere poging om mij terug te winnen voor het T-bootcamp maar die dagen zijn vervlogen nadat ze er nooit geweest waren.

Ik heb genoeg duur(zaam) Tupperspul. Mijn kinderen hebben straks in ieder geval een leuke, onbreekbare erfenis.

Tupper

Sorry

… maar vandaag wordt ’t hem ook niet.

De kat is teruggekeerd (zat waarschijnlijk ergens in een muffe garage vast totdat de bezitter het ding vandaag tegen de middag weer open deed), alle laptops doen wat ze moeten doen, zoon leert Engels, het familiebezoek was best gezellig en kort genoeg, de peperdure coffeïne-shampoo die ik heb gekocht, doet daadwerkelijk wonderen (die zich in de vorm van een geëxplodeerd kapsel manifesteren), het is nog steeds mistig en miezerig buiten,  the time of the month has passed on once more. Dus. Nog steeds heen ene lol te beleven aan mij en ik voel me dan ook echt intens en verschrikkelijk saai.

Gisteren zei ik vol goede moed: “tot morgen”.
Dat zeg ik vandaag dan maar gewoon opnieuw.

Tot morgen.
Of overmorgen…

 

(en natuurlijk moest het GEEN ene lol zijn, maar goed, die ene lol is ook henen…)

De ondraaglijke leegte van het schrijven

Ik snap het niet. Ik zit hier al minstens een uur naar een leeg en wit wp-blok te koekeloeren. Kijk met een half oog naar een gruwelijke middeleeuwse film, kopieer de 36GB aan foto’s van mijn moeder van hot naar her (eerst vanuit de voor de ene computer niet leesbare image op de externe harde schijf naar mijn eigen computer die ze wel kan lezen – yeah man – en van de mijne als normale jpeg’s terug naar de externe harde schijf zodat ik ze op andere laptop, waar ze eigenlijk heen moeten, op kan slaan. Een proces wat ettelijke uren in beslag neemt), maak thee, lurk op facebook, whatsapp wat in het rond, zie Buzz Aldrin op TV offliften, bedenk me dat ik de was er nog uit moet halen, drink nog maar een kop thee. Maar schrijven lukt niet. Niet zoals ik het wil.

Er is zoveel gebeurd de afgelopen weken… Dingen die lange tijd een gegeven waren, zijn ineens niet meer. Weggevaagd. Dingen waarvan ik wist dat ze 2013 niet meer goed zouden komen, gaan in 2014 met volle zekerheid de fase van de positiviteit in. Alles komt tóch nog goed. Dingen die ik al lang verloren gegaan achtte, blijken ineens nog aanwezig te zijn. Floep, daar zijn ze. En dan staat het woord ‘Dingen’ voor veel meer dan enkel ‘dingen’. Het meeste ervan is sowieso niet tastbaar.

Buzz is alweer terug van zijn maantripje. Voor de zoveelste keer. Mijn galstenen zijn inmiddels ook klaar met hun potje Yahtzee. Sinds nieuwjaarsdag vonden ze het blijkbaar nodig om mij eens even te laten voelen hoe dat dobbelen écht moet. En dat voelde niet fijn, kan ik u verzekeren. Als ze nog een keer zo’n bui hebben, gaan ze d’r uit. Kunnen ze in een potje verder vegeteren. En ik, ik zit op de bank en denk na. Op mijn eigen chaotische wijze. Morgen is de laatste dag van de kerstvakantie. Ja echt, 6 januari is een feestdag hier hè. Die drie koningen moeten nog even voorbij hobbelen.

Maar het schrijven zelf wil nog steeds niet. Ik mis mijn humeurigheid. Het ontbreekt mij aan stemmingswisselingen. En aan de ‘highs’ die mij deden borrelen. Aan de diepe dalen die me met tranen in de ogen emotionele woorden lieten produceren. Aan de vlakheid die me liet ratelen over de meest onzinnige dingen.  Ik ben te zen… En dat zelfs ondanks het feit dat het weer zo’n geweldige tijd-van-de-maand is. Hoe is het mogelijk… Kan dit überhaupt? Man bemerkte het ook al. Toen ik hem mededeelde dat hij alle denkbare bedactiviteiten behalve slapen momenteel kon vergeten vanwege dattem, zei hij enkel: “Dat kan niet. Je bent helemaal niet explosief geïrriteerd…”. Nee, inderdaad. Maar alles is ‘gewoon oké’. Behalve dan dat er weer eens een kat van ons de hort op is en maar niet thuis wil komen, maar dat is nou ook niet de meest interessante lectuur voor de gemiddelde bloglezer.

Zogauw ik weer instabieler, emotioneler, geflipter of liefdesgestoorder raak, meld ik me weer.
Tot morgen.
Of overmorgen…

eet een worst

ik typ weer ‘ns een titel en denk enkel: “Fijn. En nu?”
Om vervolgens eerst maar weer een potje te gaan candycrushen (voor de nitwits onder ons: da’s een uitermate stom spelletje op de telefoon).

Momentje.

Sorry. Duurde even.  Achteraf gezien ben ik blij dat ik niet “Of je worst lust” als titel typte. Want blogtitels komen bij mij altijd het allereerst en dan schrijf ik het blog erachteraan. Titels zijn heilig voor mij: ze veranderen brengt ongeluk dus dat gebeurt niet. Maar de titel is dan ook niet geheel zonder aanleiding. Ik heb vandaag zoveel worsten in mijn handen gehad dat ik er vannacht vast van ga dromen. Worstje hier, worstje daar, is-ie bruin? Draaien maar! Hatsjikidee.

wurscht1 (Small)Het kerstfeest voor de jeugd van de voetbalvereniging is waarlijk een vleesrijk gebeuren. Worstenbroodjes met ketchup-ui-curry-smurrie (ook wel ‘Bosner’ genoemd), Leberkässemmel, Würstl mit Sauerkraut, alles hebben we in de aanbieding. Er schijnt ergens tegenover ons nog een standje met raclettekaasbroodjes te zijn, maar daar is ’t zwartegatachtig leeg. Na de speeches over de prestaties van de verschillende groepen bestormen er dan een stuk of tachtig kinderen van zes tot en met zestien jaar ons worstenstandje. Let them come to us…wurscht2 (Small)

Ik doe dit nu al een paar jaar, altijd in goed grilgezelschap van mijn buurman. Wij zijn dan een team, de buurman grilt geen worst zonder mij en ik smeer geen smurrie op broodjes zonder hem. Ondanks zijn lichtelijk afleidende werktenue maken we worstenbroodjes aan de goed gesmeerde lopende band. Kunnen wij. Beker Glühwein erbij en whoppa, die Bratwürstl smaken nóg een graadje beter.

Of je worst lust? Nee sorry.
Nu even niet meer.

wirwar

heftige en ijzige ochtend.warrig
beetje vreemd, wel lekker.
inpakken die hap.
het is tenslotte bijna ker(st)mis.
hé jij, wat doe je hier in mijn hoofd?
tijd om op te krassen, jochie.
maar dan is er niemand meer.
da’s ook wel weer heel stil.
oma kon niet achteruit rijden.
niet zonder schampschoten.
hoe een paal een twingo de das om doet.
dassen in die bijtende kou.
hé, rode golfjes
twingo’s bestaan blijkbaar niet.
een schip aan de golvende horizon wel?
als ik echt die vriendin was,
was ik het niet vergeten.
maar ik bén het niet vergeten.
ik heb er gewoon wat later aan gedacht…
te grote pepernotenkoekjes.
die eigenlijk kruidnotenkoekjes moeten heten.
de wereld is verwarrend.
ach, als je maar een beker mee hebt, schatje.
ik mis de man met de beker.
de wolverine achter het hele plot.
hij is onder de pannen en dat is acceptabel.
pannen zijn er nu eenmaal om onder te zitten.
katy flasht haar beugel nog maar een keer.
grof terugbrullend naar een knuffeltijger.
op een eiland met grotten vol met draken.
wij vormen de heerlijkheid aldaar.
horen bij elkaar, dus zie je maar.
ik ervaar mezelf als vreemd.
lana-achtig, breek me niet af.
hoe warrig mag een mens zijn?
ontwarren behoort niet tot mijn specialiteiten.
en hoe veel denken aan is eigenlijk gezond…
hangt er vanaf aan wie.
zeg jij. mij hoor je daar niet over.
je luistert enkel met die halve oren van je.
nee, liever niet. want dan wel.
maar alles waar te voor staat is té.
who cares, dan maar té.
te raar om jezelf van buiten te zien
terwijl je er toch continu binnenin zit.
zoiets als buiten jezelf zijn misschien.
maar de zinnen zitten er nog in.
dat blijkt wel weer.
ik leer langzaam te vliegen.
tussen al die regels door.
regels schreeuwen als meeuwen.
ik zou niet goed wijs zijn.
wat zeg je? precies.
dan maar slecht wijs, da’s ook wijs.
mijn gitaar lonkt naar mij.
ik lonk terug en gooi mijn benen over de stoel.
dan denk jij weer dat je mij kunt zeggen wie ik ben.
waarom zou ik überhaupt iemand zijn.
ik ben niet iemand als ik al ik ben.
waarom dan geen hoofdletters,
als het beestje wel een naam heeft?
zonder hoofdletters worden
de letters wirwar in je hoofd.
zonder hoofd ook.

πάντα ῥεῖ

The Puking Saga

Lang gevreesd, toch gekomen. Er waart hier sinds een paar weken één of andere mutant van het noro-virus rond. Dat had ik van de moeders en juffen op school duidelijk meegekregen en daarom hebben we hier thuis al een tijdje een handenwasmanie, een ziekenbezoekverbod en een elkedagschoneklerenaanvoorschrift. Het mocht niet baten. Dochter kwam vrijdagmiddag thuis van een middagje rondbalgen bij de buren en gilde enthousiast dat buurjongetje ook aan de kots was.  Oh. Fijn…

Gisteravond een heerlijk kerstdiner cq kerstfeest gehad. De kinderen hadden onder de liefdevolle begeleiding van ons buurmeisje ook een leuke avond gehad, vol gepropt met TV, chips, popcorn, fanta en kruidnootjes. Om twee uur lagen we in bed. Binnen een half uur sliepen we als ossen, om om drie uur wakker te worden van het gekrijs: “MAAAAHAAAAAAAMAAAAAAA IK HEB GEKOTST!!!” Ik realiseerde me niet meteen de volle betekenis van haar woorden, stommelde de kamer van dochter binnen en gleed uit. In  het overgeefsel dat dochter van haar (half)hoogslaper met vol geweld over de rand naar beneden had gespuugd. Ze wou niet in bed spugen want dan zouden haar barbies en knuffelbeesten vies worden. Op zich heel lovenswaardig, maar om het dan maar van anderhalve meter naar beneden te laten klateren is ook een niet de meest aangename optie. Voor mij dan. Binnen een straal (duh… straal…) van pak ‘em beet twee meter zat het werkelijk óveral. Op de muren, in de barbiekoets, op de bank, op de kledingkast, op en achter alle treetjes van haar bedtrapje, enzovoort. Ik mompel enkel ‘oh mijn god’, staar achtereenvolgens naar huilende dochter en naar mijn blote voeten in de kots, veeg ze af aan het groene mierentapijtje van ikea (die is namelijk wasbaar, zo wakker was ik dan wel weer 🙂 ) en stommel weer naar buiten. Emmer halen, ajax erin en dweilen maar. Alle losse dingen in de douchecel gemieterd en heet afgespoeld, dochter erachter aan. God wat goor. Bed verschonen, mijn voeten en handen desinfecteren (ik kon alleen maar anti-schimmelmiddel vinden maar dat werkt ook best goed als voetendesinfectans geloof ik. Het ruikt in ieder geval naar chloor.) Wat een zooi. Wat een ongelooflijke zooi. Maar toch: om half 4 lag ik weer in bed.

Vanochtend om een uur of half acht moest ze nog een keer overgeven maar dat deed ze als vanouds: keurig op de WC. Braaf meiske. Nu ligt ze voor oud vuil op de bank en ik heb zojuist opnieuw een uitgebreide dweilsessie gehouden. Zelfs uitgekotste paprikachips geeft oranje vetvlekken op witte muren, wat een vet goedje is dat… Ongelooflijk waar dat spul overal heen sputtert. Voordeel: de hele bovenverdieping (en de trap en de gang en de keukenvloer, want met je blote kotsvoeten overal naartoe banjeren is achteraf gezien ook niet echt aan te bevelen) is nu wel weer mooi schoon, dat was heel hard nodig.

Nu is het afwachten of en wanneer wij onze ingewanden weer eens intensief mogen reinigen… Hopelijk snel, dan zijn we voor de kerst weer klaar.

Walrusslacht

Nee nee, geen documentair verslag over jonge walrusjes die neergeknuppeld worden om wol van hun snorharen te spinnen. Nee, echt niet.  Leest u maar.

Vandaag, twee weken na mijn knieoperatie, toog ik vol goede moed en frisse zin naar het zwembad om eindelijk weer met mijn zwemtraining te beginnen. Het zwembad waar ik voorheen zwom, heeft op dinsdag absurde openingstijden dus ging ik dit keer naar een ander binnenbad (Linz heeft er een stuk of 4), iets dichterbij. Om kwart voor tien – de geruchten wilden dat men om die tijd al naar binnen zou mogen – stond ik in de hal bij de kassa. Met nog twintig  andere, mij sceptisch bekijkende (want te jong), bejaarden. En het werden er steeds meer… En nóg meer…  Stipt om tien uur ging de kassa open (niks kwart voor tien, duh) en stormde de meute waterhongerige oudjes  met hun abonnementskaartjes hoog in de lucht geheven naar binnen. Ik kocht braaf een normaal entreebewijs. De kassamiep casseerde vier euro terwijl ‘kort zwemmen’ (max. twee uur) maar €3,10 is, maar helaas, daar kwam ik achteraf pas achter. Namelijk toen ik de folder meenam om te kijken waar ik in vredesnaam wél fatsoenlijk zou kunnen zwemmen.

Afijn. Snel omkleden, douchen, zwembrilletje op en hoppa, baantjes trekken.
Dacht ik.
Echnie…

Stelt u zich een stinknormaal 25m-bad voor, 12,5m breed. Daarvan waren twee brede banen (zo’n 4m in totaal) afgesneden voor schoolklasjes. In de overige luttele achtmeternogwat peddelden zo’n zestig half-comateuze walrussen. Ik was totally in shock. Brilletje weer af. Kijken. Nee. Het werd er niet beter op.

Werkelijk waar, hele kuddes dames van 150 kilo en meer, stuk voor stuk met zo’n zwemhulpding op de rug gesjord en luidkeels ginnegappend over Maria die nu ineens met Hans in plaats van met Gerhard in kamer 138 had liggen te vozen en over eveneens heftig in het bad rondzwemmende lange haren die daar enkel en alleen waren omdat de jeugd van tegenwoordig allemaal zonder badmuts en zo asociaal onder water zwemt.  In ieder geval kwamen die haren tenminste nog stukje bij beetje vooruit in het water… Ik voelde me trouwens niet aangesproken want a) zwom ik helemaal niet (geen doorkomen aan) en b) heb ik mijn haar altijd samengebonden in een knot en daar nog een zwembrilletje overheen, daar komt geen haar meer vrij. A head like Alcatraz. En al zou er eentje uitbreken, viel die nog niet op tussen al die chronisch uitvallende grijze pluisharen die woest door de hal wapperden. (oh en c) ik kan mij helaas niet echt meer onder het begrip ‘jeugd’ scharen :-S). De meeste vrouwen zwommen overigens in volle entourage: met haarknipjes, brillen (incl. brillenkoordjes), make-up en oorbellen. Het hoofd komt toch niet onder water. Stel je voor zeg, de gedachte alleen al…

De mannen waren zo mogelijk nog erger. Ongedoucht wierpen ze hun stinkende oksels in de strijd. Oh zwom jij daar? Nou, nu dus niet meer.  BAFFF. Sowieso uitkijken voor rond wapperende velvleugels. Uitslaande benen. Lange teennagels die striemen op je schenen krabden. Kunstgebitten die als slagtanden in standje ‘aanvallen’ stonden. Diepbrommende snor- en baardharen (zoals het een goede walrus betaamt). Vuile blikken: ‘wat mot jij hier in mijn stukje zwembad.’

Ik heb zegge en schrijve zes baantjes ‘gezwommen’. Zigzaggend, armen, benen en boze blikken ontwijkend (omdat ik borstcrawl zwem: ik mag met mijn knieën niet schoolzwemmen, sorry). Mijn slag is werkelijk heel rustig, ik neem beduidend minder plek in beslag dan die ronddobberende galjoenen en ik ben ook nog eens veel flexibeler. Maar het was me duidelijk, ik hoorde daar niet thuis. Uiteindelijk heb ik het opgegeven en enkel nog een dik half uur lang oefeningen aan de rand gedaan. Benen-buik-armen. Ook dat kan ik. Maar zelfs aan de kant lag ik blijkbaar in de weg en kreeg spontaan heimwee naar mijn romaatje in het andere zwembad. Daar was het bij tijden weliswaar ook oorlog en ging het er eveneens hard aan toe maar toch was het volk duidelijk toleranter en minder anti-‘echtzwemmen’ dan hier.

Wel, lieve overjarige walrussen,
ik ben er alweer van tussen.
Heb nog veel plezier in uw pissoir.
U hebt het nu al voor elkaar:
Mij zult u in uw pierenbad niet meer zien.
Menschnochmal, elllllende voor tien…

Bucket List

Bij blogster Sandra de Koning – vd Pol stootte ik een tijd geleden al op haar opmerkelijke en vooral interessante Bucket List. Zo’n lijst met dingen die je ooit nog in je leven wilt doen voordat je de aardkloot eens van de binnenkant gaat bekijken (oftewel: ‘hit the bucket’ in het Engels). Geïnspireerd door Sandra voelde ik nu ook de behoefte om zelf eens zo’n lijst te maken. Waarom? Omdat je dan wat beter na gaat denken over wat je nog wilt in en van het leven. De grote dingen, maar ook de kleinere to-do’s. Er is zelfs een film namens ‘The Bucket List’ die hierover gaat, misschien moet ik die eerst maar eens kijken. Ter inspiratie. Een levenswensenlijst. Een dingen-die-ik-echt-nog-gedaan-moet-hebben-voordat-ik-de-pijp-uit-ga-lijst dus. Oh en ik weet het hoor, het klinkt als een actie voor een rasechte midlife crisislijder, maar geef toe:  het is wél leuk om na te denken over je eigen grote (en minder grote) wensen en things to do.

Er zijn een hele hoop dingen die ik al gedaan heb: kinderen krijgen (wel twee), in het buitenland werken (vele malen, zelfs een keer meer dan een jaar lang in Zwitserland), naar Israël reizen (gedaan voor mijn scriptieonderzoek), naar Australië (op mijn 16e, naar de World Jamboree), Tina Turner met Kim Wilde in één kapsel verenigen, trouwen (pas één keer gedaan maar dat loopt tot nu toe dan ook nog steeds redelijk tot goed), studeren (ook maar liefst twee keer), mijn klasgenoten van de lagere school weer zien (afgelopen zomer, na 30 jaar, hadden we daadwerkelijk een reünie!), zweefvliegen (vorig jaar april, wat een ervaring – valt hier te lezen: “I believe I can fly“), emigreren (been there, done that: weliswaar binnen Europa, maar toch), mijn duikbrevet halen (heb ik in 2000 gedaan, sindsdien nooit meer gedoken 😦 ) en nog een hoop dingen die me nu even zo snel niet te binnen schieten.

En er zijn dingen die ik weliswaar heel graag wil doen maar die echt nooit (meer) iets zullen worden, zoals een keer naar de maan vliegen (in het echie dan hè, niet figuurlijk, maar ik kan me niet voorstellen dat dat in mijn leven nog iets gaat worden), een marathon rennen (of dan tenminste een halve. Dat wil ik al heeeeeel lang, ik heb tijden lang hard gelopen, tot 10km, maar elke keer brak het me op en gingen mijn knieën verder achteruit. Nu is dat met mijn volledig kapotte knieën daadwerkelijk een utopie geworden: ik mag niet meer hardlopen van de dokter) en ik zou ook zo graag de puinzooi in Fukushima opruimen en repareren voordat we er allemaal aan creperen, maar ook dat ligt niet in mijn vermogen helaas. Daarom doe ik maar alsof de wereld nog even doordraait én ook minstens nog een paar jaar bewoonbaar blijft en denk na over de dingen die ik nog eens zou willen doen. Ik spreek met opzet niet over wat ik zou willen hebben (een Galaxy Tab 3, een Wii, een Porsche 911 cabrio… ), dat is materialistisch en volledig zinloos want als je het eenmaal hebt, wil je toch weer wat anders. Als je dingen uiteindelijk daadwerkelijk gedaan hebt, kan het hooguit zijn dat je het nóg een keer wilt doen, en dat is dan een terechte wens in mijn ogen. Ik heb er trouwens vanzelfsprekend een hoop ‘klassiekers’ en clichés bij zitten, dat krijg je nu eenmaal als je na gaat denken over dit soort dingen.

Bij deze.
In random order.

1. mijn kinderen als gelukkige c.q. met hun leven tevredene volwassenen ervaren (duurt nog een tijdje voordat ik deze af kan strepen, ik weet ‘t, maar het is een belangrijke).
2. naar Nieuw-Zeeland reizen (daar zijn mijn paps en mams namelijk op dit moment en nu wil ik, verwend nest, daar ook een keer heen)
3. letterlijk op de kast zitten (en dan op zo’n grote ouwe, houten linnenkast. Eerste vereiste daarvoor is wel bucket list item nr. 4…)
4. nog één keer een volledig normaal postuur hebben (niet reteslank, gewoon een ‘gezond BMI’. Wordt aan gewerkt, voor de tigste keer. En ja ik weet ‘t, ik ben goed zoals ik ben, maar ik wil het tóch)  en dan ook houden natuurlijk… (maar ik streep ‘m af als ik ‘normaal’ ben. Nog 20 kilo to go…)
5. koffieleuten met FB-vriendin I.
6. parachute springen (ehm, een tandemsprong dan hè, ik wil daarna nog verdere punten van mijn bucket list weg kunnen strepen en met mijn knieën krijg ik zelfstandig vast geen normale landing voor elkaar :-/ ).
7. op bezoek bij FB- en blog-vriendin N.
8. kamperen met de kinderen (we hebben al jaren álles in huis om te kamperen, alleen doen we het niet…)
9. met dames-midlife-crisis-vakantie in een luxe resort met vriendinnen H. en H.
10. een keer in elk werelddeel geweest zijn (Europa, Australië, Azië (Israel/Bombay/SingaporeTokyo), Noord-Amerika (USA) en Afrika (Egypte) kan ik afhaken. Zuid-Amerika en Antarctica to go…)
11. een stedentrip Moskou (liefst met vriendin C.)
12. sushi eten met vriendin K. (my treat hè 🙂 )
13. mijn 9120-stukjes puzzel – de toren van Babel van Breughel – leggen (en ook afmaken)
14. nog een keer naar een P!NK-concert (een ‘moetje’; ik móet haar nog een keer zien, mijn absolute idoolvrouw)
15. een buitenmuur vol (mooie!!) graffiti sprayen (eerst een cursus doen dan)
16. een bestaand record breken (lokaal, nationaal, wereldwijd, whatever)
17. een eigen schilderij voor meer dan €200 verkopen (tot nu toe heb ik ze enkel succesvol weg kunnen geven)
18. een boek schrijven (oww mén, hoe cliché… maar ik denk dat dat er nog wel een keer van gaat komen). Oh, én uitgeven. Dat ook.
19. mijn onzekerheid voor de volle 100% killen (kan ik dat…, durf ik dat…, en dan…)
20. nog een keer met Christie naar een Bon Jovi-concert
21. een kleine tattoo laten zetten (sorry, sorry mams… ik weet dat jij dat hé-le-maal niks en echt vreselijk vindt, maar ik wil het echt heel graag en ik ben nu eenmaal een volwassen deerne en en en… en je zult er niet veel van zien, beloofd) (durf ik dit te zeggen…) (oei…)
22. professionele zangles nemen (uhm, beter gezegd: krijgen – ik sta op de wachtlijst…) en dan ooit een keer voor publiek zingen (soooooo scary)
23. goed kunnen drummen (tot nu toe is dat bij Kinderkram  en op liedjes meerammen gebleven)
24. … en mijn gitaar weer enigszins acceptabel kunnen bespelen (oefenen, oefenen, oefenen)
25. een helikoptervlucht maken (lijkt me waaaaanzinnig)
26. een keer diepzeeduiken (het diepste tot nu toe was 25m, ik wil minstens naar de 50m)
27. mijn ouders spontaan verrassen
28. Spaans leren (ooit een paar jaar Spaans op de HEAO gehad, maar daar is verrekte weinig van blijven hangen)
29. naar Stonehenge en daar rond dansen in mijn zelf op de grond getekende triquetra
30. mijn huis uitmesten (en wel: de keukenkruidenla, de apothekerskast in de keuken, de medicijnkast in de badkamer, de berging, de zolder, mijn klerenkast en de kelderkasten – kan ik dan per item afstrepen)
31. het speelgoed van de kinderen (grotendeels) verkopen (maar dat mag nu dus nog niet.  Eeeeeven wachten nog…)
32. succesvol ‘vergeten groenten’ telen in de tuin (Ik heb al pogingen gedaan, maar die zijn nog niet echt wat geworden)
33. de fotoalbums van de jaren 2010 t/m 2013 samenstellen en af laten drukken
34. alle niet digitale foto-, kaarten- en herinneringsspul (hele ikea-bak vol) ordenen en inplakken
35. tachtig baantjes van 25m in één uur kunnen zwemmen (borstcrawl). Nou ja, ik ben met zestig ook tevreden (ik heb de 50 al gehaald) maar ‘twee kilometer’ klinkt zo mooi…
36. een relevante ontdekking doen (voor wie dat dan relevant is, dat beoordeel ik t.z.t. zelf)
37. een eigen (liefst internetgebaseerd) business idee uitwerken en realiseren (ik geef ’t toe, ik ben mijn huidige business behoorlijk zat, geen uitdaging meer)
38. zonder angst mijn (eh… ‘een’) smartphone rooten
39. een volledig eigen schilderstijl ontwikkelen (tot nu toe schilder ik vanalles en nogwat, van portretten tot nageschilderde dingen, van muurschilderingen tot zentangles, maar er zit absoluut geen lijn in)
40. bij een (pop)koor zingen
41. een armband van zelf gedraaide glaskralen maken (al eens een cursus gedaan, zulk prachtig werk…)
42. in een discussie/onenigheid met mijn man ooit eens een keer gelijk hebben (dat moet toch een keer lukken??)
43. met de kinderen naar Eurodisney Parijs (en dan ook een paar dagen in Parijs blijven) (man mag ook mee trouwens)
44. met mijn zus een superdooper luxe wellness-weekendje doen
45. nog een keer succesvol triops kweken (een hobby die weliswaar in meerdere aquaria ontaard is, maar de triops zijn er bij ten onder gegaan)
46. het aantal interne persoonlijkheden reduceren tot drie (well, who am I gonna kill…)
47. mijn bootring-hartenketting repareren en voorzien van het hartje dat ik van zoon gekregen heb
48. met mijn Dremel-dinges een paasei-kunstwerk maken
49. de komeet Ison in december dit jaar voorbij zien vliegen (moet heel spectaculair gaan zijn, zo fel als de volle maan).
50. de nu nog zwarte salontafels bordeauxrood spuiten
51. een nieuwe bank in de woonkamer kopen
52. van mijn in Italie verzamelde mini-schelpjes een mooie ketting of armband maken
53. mijn bucket list updaten en met meer realistische dingen aanvullen (makes it a neverending story 😛 )

Ik vind ’t voor nu wel genoeg. Nee nee, een cursus kunstgeschiedenis zit er niet bij. Ik vond Spaans wel voldoende voor deze middenlevenscrisis. En dan heb ik natuurlijk nog enkele dingen die ik niet in het openbaar neer kan en wil zetten hè, maar die -eh- ‘donkerzwarte’ levenswensen blijven toch echt bij mij en bij mij alleen 😛 (Nee, echt, sorry, smeken helpt ook niet). De lijst is dus ook niet eindig (zie punt 53); er komen vast nog een hoop nieuwe list items bij en ooit zal ik er misschien wel een paar weg kunnen strepen. Maar het is me nu in ieder geval duidelijk geworden dat ik nog heeeeeel lang moet leven, zo lang dat ik nu nog geen midlife crisis kán hebben omdat ik nog niet op ’t midden kan zijn als ik ook echt alles wil doen wat ik blijkbaar nog wil doen.

Hatsjikideeeee!

s(h)itting life

ik blog te weinig, ik weet het. Maar dat heeft een oorzaak: momenteel wind ik mij nergens over op en is mijn wereld verrekte klein. Dat eerste komt door de medicatie, vermoed ik. Van veel pijnstillers krijg je een betonnen plaat voor je kop. En van te weinig koffie word je een sufkop, dat ook. Goh, een taifoen… wat rot… 0,1% economische groei (ook wel stagnatie genoemd), wat prachtig… over een weekje gaat de wereld ten onder aan nucleaire straling… tja, ’t is niet anders hè, daarna zien we wel weer verder… Of niet. Oh en dat tweede komt door het feit dat ik al meer dan een week huisarrest heb. Ik mag niks. Liggen, zitten, liggen, naar de wc krukken. En weer terug.

Mijn hoofd is een vlakte. Een droge steppe. Ik heb m’n werk inmiddels actief en succesvol weten te verdringen. Geen zin in. Komt volgende week wel weer. Of ook niet. Ik doe een dutje als de kinderen de deur uit zijn, het liefst met één of twee slapende katten tegen me aan. Ik teken een zentangle of een zendoodle, schrijf wat en delete ’t dan weer (too boring, net als dit hier). Na de middag vragen de kinderen een hoop aandacht (school kills, had ik dat al gezegd?). Zoon vertelt en passant dat men zijn pennenetui met dagelijkse regelmaat door de klas heen keilt, maar ach, ze rapen het over het algemeen ook wel weer op. Goh, fijn. En hij heeft eindelijk een ‘echt’ vriendje gevonden. Dat is niet ‘goh, fijn’, dat is geweldig. Het is nog een aardig jong ook. zentanglecollage

Ik kijk naar de kat, die op dit moment onze koeienvlekkendeken probeert te slachten. En naar de zooi in de keuken. Als huisman is mijn man duidelijk net zo geschikt als een genarcotiseerde mol. Hij ziet niks, werkt de pruttel wat opzij, stopt bij tijden een noedel of een stuk oud brood in zijn mond, duwt af en toe wat in-de-weg-liggends aan de oppervlakte (zodat ik het weg kan ruimen) en graaft zich dan weer met verbazingwekkende snelheid in de onzichtbaarheid (namens ‘zijn werk’). Ik doe dus – ondanks de situatie – toch zo goed als alles, op mijn rollator – hatsjikideeee – en weet inmiddels ook welke kant-en-klare c.q. diepvriesmaaltijden geapprecieerd worden en welke niet. Het maakt mij geen bal uit: ik eet ze toch niet.

Ik teken wat meer, kijk naar Koffietijd (shocking) en de samenvatting van DWDD (saai gelul). Ik zie Miracle Blades, Magic Bullets, FabAbTrainers, wonderkorsetten en geweldige aztekische afvalpillen met de onuitspreekbare naam Alcachofa de Laon (Artisjokken in poedervorm voor maar vijftig euries per week!) bij Tommy Teleshopping en Tellsell (sorry, Netflix werkt niet in Oostenrijk). Dr. Google geneest mij snel weer van onverhoopt ontstane koopneigingen en ik dank de mensen die de moeite hebben genomen om de realiteit omtrent deze verzameling schroot en pseudo-hoopgevers in een recensie weer te geven. Thank you, thank you, thank you. Apropos, recensies. Ik schrijf nog wat meer. Recensies (hiero!) over seksboeken (zogenaamde ‘erotisch-pornografische romans’). Leuke bezigheid, moet ik toegeven, al behoor ik duidelijk tot het minder geschikte publiek voor dit literaire genre (over immuniteit gesproken…).

Het meest opwindende in mijn leven is momenteel de tijd die ik nodig heb om van de bank naar het toilet te komen. Die wordt namelijk steeds korter, naarmate ik mijn rollator met meer behendigheid en snelheid om de bocht kan manoeuvreren en met mijn krukken grotere sprongen kan maken (als ik zo doorga, mag mijn linkerknie straks ook geopereerd worden). Mijn rug gilt het elke avond uit van de excruciërende pijn. Ah… the blessings of a s(h)itting life. Ik verheug me inmiddels al op een heerlijk simpel rondje boodschappen doen. Vanmiddag onderneem ik ein-de-lijk weer eens een poging tot autorijden. Ik mis ‘m, mijn Oud-i… De kinderen moeten naar de gym resp. naar judo en er is niemand anders die dat kan doen, momenteel. Ja ja, dit wordt een topmiddag!!

kniegeknoei

Donderdag tien voor zes. Klaarwakker. Ik sta op, joggingbroek, shirt en vest aan. Kinderen wakker gemaakt, ontbijten. Ik enkel een glas water en een kop groene thee, nuchterheid is voorschrift. Om kwart voor zeven duw ik de kinderen de deur uit richting buuf die op de verdere gang naar school toeziet en stappen man en ik in de auto, op naar Linz.  Half acht, aanmelding op de orthopedische poli, samen met minstens twintig andere ongelukkigen. Ene kamertje in, paar dingen ondertekenen (de man vraagt naar mijn dubbele achternaam en of ik de volgorde zelf mocht kiezen. Zou hij ook binnenkort gaan trouwen of zo?) en weer naar buiten. Wachten, wachten.  Andere kamertje in. Daar leer ik mijn operateur kennen. Operatietijd: niet voor enen. Oef. Later dan ik gehoopt had, de honger loopt al aardig te keten. Op naar de afdeling met mijn hele hebben en houwen voor eigenlijke opname. Weer wachten. Een humoristische dame namens Greti begint alvast bij alle wachtenden hun eet- en drinkwensen in de computer in te voeren. Ineens hoor ik de verpleegsters en een OK-assistent over mij praten. “Dan maar naar kamer drie verhuizen, daar is nu een bed vrij. Ja nu.” Greti krijgt instructies om eerst mijn eetgegevens op te nemen omdat ik blijkbaar nu al geopereerd wordt. Joepie! Greti is heel snel klaar met mij en kan niet vatten dat ik echt helemaal niks wil. Nee, geen avondeten. Nee, geen Kuchen. Nee ook geen ontbijt. “Ook geen soep?? U moet toch iets eten?” Ik vertel haar dat ik een speciaal dieetprogramma doe en mijn eigen eten bij me heb. Ter geruststelling bestel ik voor na de operatie toch maar een Grießnockerlsuppe, dat is een heldere runderbouillon met een soort knödel van griesmeel en ei erin. Best lekker. “U bent wel een vreselijk goedkope patiënt zo hoor!!” Ja. Fijn hè.

In kamer drie moet ik mij volledig uitkleden, zo’n achtervastknoopoperatiejurkje aantrekken en wordt mijn linkerbeen van teen tot heup ingezwachteld. “Ter voorkoming van eventuele fouten [duhhh…] en tegen eventuele trombosevorming,” zegt ze. Eveneens in kamer drie ligt een oudere dame die, als ik eenmaal alleen in het bed lig te wachten, haar kans schoon ziet om even te kletsen over wat er allemaal misgelopen is bij haar. Een nieuwe knie, ging helaas niet zo lekker en bij het röntgen hebben ze haar vervolgens zo in positie gedraaid dat haar patellapees abrupt afgescheurd is. En nu ligt ze daar al drie weken te koekeloeren, mag het bed niet uit en men probeert alle fouten krampachtig te herstellen. Ik begin te snappen waarom zij inmiddels alleen op een kamer ligt: men wil misschien liever niet dat ze elke patiënt inlicht over medische missers…

Mahmud de beddentaxi komt breed lachend binnen stommelen, roept ‘aahh ben je alweer op de verteltoer Maria??’ en vraagt vervolgens ook al naar de afkorting van mijn naam (L…..-Ba. Meer staat er niet op het etiket op mijn bed want dat was blijkbaar te lang. LouLaBa was nog helemaal niet zo’n slechte afkorting eigenlijk), over haren op patiëntenknieën (heb ik niet!! Braaf geschoren!), over de te slome lift en nog veel meer. In het voorportaal van de OK komt de narcosearts me halen en merkt op dat hij mij kent. Huh?? Ik ben hier nog nooit geweest hoor. Nee, nee, maar hij woont in mijn dorp en zijn kinderen zaten bij mij op de voetbal. Ahaaaaaaa… ik herken hem nog steeds niet maar ik krijg van hem een spuit en een mooie roze handkatheter. Langzaam druppelen de knock-outdruppels in mij. Ik weet mijn geboortedatum nog te melden en dat ze vooral mijn rechterknie moeten nemen, ik mompel mijn adres nog half en rond tienen ben ik dan echt weg. Om half één schijn ik huilend van de pijn wakker geworden te zijn op de uitslaapkamer. Gelijk een infuus met pijnstillers erin en tsjakkaaaa foetsie ben ik weer. Om iets na tweeën  kom ik bij, om half drie ben ik op de kamer. Een andere kamer want naast mij ligt nu ineens Beatrix. Bea heeft een mobilisatie van haar kunstknie voor zich, het ding wil niet ver genoeg buigen. Dat gebeurt ook onder narcose want anders is het een vreselijk pijnlijke aangelegenheid. Ze is ook al sinds de avond ervoor nuchter en sterft van de honger en de dorst, maar ze mag niks want ze weet niet wanneer ze aan de beurt komt.

Ik moet plassen maar mag het bed niet uit vanwege de drainageslangen die nog in mij zitten. Minstens tot de ochtend in bed blijven. Uiteindelijk hou ik het niet meer uit en roep de verpleegster, hoe dat dan nu moet. Ze komt met een plastic ondersteek (hoe heet dat, een bedpan?). Die wurmt ze onder mijn kont (ik moet mij optrekken aan die bungelende steun boven het bed. Pijnnn!!) en zegt “Zo. En nu plassen.” Euh… tja… euh… liggend??? Ik kan niet liggend plassen. Ik hijs mezelf overeind en probeer wel vijf minuten lang er een druppel uit te persen. Bea kijkt discreet de andere kant op. Wat een ellende. Maar uiteindelijk komt het.

Om vijf uur ligt Trix nog naast me, met hoorbaar rommelende maag. Ik krijg mijn kop bouillon met griesknödel en kan het bijna niet eten omdat ik het zo sneu vind voor haar. Maar ik heb zo’n ongelooflijke zin in iets warms dat ik de bouillon inclusief knödel in no time naar binnen gewerkt heb. Wat een heerlijkheid. Een blok van mijn eigen astronautenvoer erachter aan en ik ben weer bijgetankt. Wat zal ik nu eens gaan doen, zo zonder foon… Beatrix slaapt. Goed idee.

Om 17:45 wordt Bea eindelijk opgehaald en kort na zevenen is ze alweer terug, nog volledig onder zeil maar het OK-personeel wilde naar huis ziekenhuiszentangledus moet ze maar op de kamer uitslapen. Ik teken wat aan mijn ziekenhuiszentangle en luister naar de radio. Roxette in bed. On the drip, slangetjes die voor mijn neus bungelen. Opnieuw de plasellende (de bouillon is doorgelopen). De nacht was oké (met slaaptablet) en het eerste wat ik ’s ochtends om kwart voor zes in het halfdonker voor me zie, is Christus aan ’t kruis. Die hangt direct voor mijn neus, net als bij alle anderen hier bij de Barmhartige Gezusters. Aangrenzend aan dit ziekenhuis is het hospitaal der Barmhartige Broeders. Dat was vroeger dus the place to go voor de mannen, nu is alles gefuseerd tot één groot gemengd ziekenhuis. Christus kan ’t vast ook aan mij zien: ik moet alweer vreselijk erg plassen. Zo nodig… Maar de drains zitten er nog in  dus ik mag nog steeds niet uit bed. Wéér op de ‘Schüssel’ (zo noemen ze dat ding hier, officieel is het een ‘Steckbecken’). Wat een verschrikking. Mijn buik is sinds 4 am een soloconcert aan het opvoeren. Zo luidruchtig dat ik er zelf meerdere keren wakker van word. Alle tonen, brom- en klopgeluiden en ik hoop maar dat buuf Bea het niet hoort. 6AM: bammm, het licht gaat aan. Ik krijg een glas water en twee tabletten: een maagbeschermer en een Voltaren. Wat een geweldig ontbijt. Licht uit.

Ik merk dat het beschermingsmatje waar ik – nog steeds onderbroekloos vanwege de slangen – op lig, inmiddels redelijk nat geworden is. Blijkbaar laten mijn bedpanplaskunsten nog duidelijk te wensen over. Yuck. Ik eet de maagbeschermer en mijn dieetvoederblok met een groot glas water erbij en hoop dat dat mijn buik een beetje milder stemt. Daarna wil ik de Voltaren slikken maar die floept uit het bakje en klettert met oorverdovend getik op de grond. Scheiße… Licht weer aan (sorry buuf) en ik buig me over alle kanten van het bed. Jah! Daar ligt-ie. Denk ik.  Met enige rek- en strekoefeningen (pijn) krijg ik ‘m te pakken en slik alsnog het kleine roze tabletje, in de hoop dat het echt de Voltaren is en niet iets anders wat toevallig nog daar op de grond lag. Beatrix mag met een loopkarretje naar de WC en ik ben jaloers. Ik wil ook.

Redelijk vroeg komt ons de afdelingsarts met zijn aanhang visiteren. Hij heeft meer belangstelling voor mijn tekengedoe dan voor mijn knie en vraagt of ik denk dat ik naar huis kan. Jaaaa!! Dat kan ik hoor!! Mogen dan nu die slangen eruit??? Dat mag. De zuster komt en met een paar korte maar uiterst pijnlijke, misselijkmakende rukjes ben ik eindelijk bevrijd.  Verbinden, handkatheter eruit en whoppaaaa naar de WC. Wat een opluchting…  Ik was me, kleed me aan, prop alles in de tas en om half tien ben ik bereid voor transport. Helaas kan mijn man me pas na tweeën ophalen dus regelt de zuster een ziekentransport voor me (“wordt vergoed hoor!”, zegt ze, en ik geloof haar). Die liet ook nog op zich wachten, maar rond twaalven ben ik dan toch eindelijk thuis. Home sweet home!!!

En nu, nu heb ik een heerlijk bedje in de woonkamer, een rollator, krukken en mij op mijn wenken bedienende kinderen. Ik had ’t slechter kunnen treffen. Maar het blijft een geknoei met die knie van mij…

.

Ik was nog niet klaar eigenlijk. 
Ik wou bij deze nog wel even de zusters, dokters en personeel van het ziekenhuis der Barmherzigen Schwestern in Linz bedanken voor hun goede zorg, snelheid, adequaatheid en vakkundigheid. Tot nu toe het beste ziekenhuis waar ik ooit gelegen heb. Niet dat jullie dit ooit lezen (en al helemaal niet in het Nederlands), maar ik wil het wel even gezegd hebben.

Hartkloppingen

noteEven checken. Waar is ie. Ik woel in mijn tas. Een typische vrouwenhandtas, groot, model zwart gat. Ik graaf. Borstel, stoffen zakje met EHBO-prut en make-up-spul, grote portemonnee, iets kleinere portemonnee, brillenetui nummer één (voor brillen), brillenetui nummer twee (voor de reservebatterijen van mijn mobiel), kauwgumpjes, paspoort, noodsetje (deo, muggenspul – hé dat kan eruit – en mondspray), zakdoekjes, alles moet SOFORT moven. Uit mijn weg. Waar is ie nou…

Mijn hart gaat sneller kloppen. Ik sta met mijn karretje midden in het gangpad van de Aldi en kan geen stap meer verzetten. Waar… Ik hyperventileer licht. Hij is er niet… Nergens te vinden… zal wel uit mijn zak gegleden zijn in de auto. Dat moet haast wel. Ik hou het niet meer uit, laat het muntloze karretje met drie produkten erin in het gangpad staan en draaf naar buiten. In de auto zit het hart in mijn keel: ik zie ‘m niet… Niet op de stoel, niet in de spleet ertussen, niet op de grond. Ik ga zitten en sluit mijn ogen en mompel hardop. “Kutfokkkkut, ik zal ‘m toch niet in het ziekenhuis verloren hebben… in het trappenhuis had ik hem nog, dat weet ik zeker. En die man bij de betaalautomaat in de parkeergarage, die stond wel verrekte dichtbij om me te helpen toen dat stomme apparaat mijn briefje van vijf niet wilde accepteren… oh nee… het zal toch niet, hè…” Mijn hart gaat te keer als dat van een hitsige kolibrie. Ik stop de sleutel in ’t contact, dan maar terug rijden naar het ziekenhuis. Op hoop van zegen dat ze ‘m toch ergens gevonden hebben… Als ik de gordel vast wil maken, zie ik een oranje streep achter dat klikding. ORANJE BOVEN!!! Mijn flipcover is namelijk oranje. Mijn gelukspoppetje bungelt gelaten ernaast.

De opluchting is bijna tastbaar. Ik aai ‘m (nou ja, quasi) en steek hem dan in mijn binnenzak. Rits dicht. Van mij. Mijn hersenen en mijn leidraad, mijn agenda en mijn personal organizer, mijn maatje en entertainmentapparaat. Dan merk je pas hoe verknocht je aan zo’n stom stuk techniek bent. Ziek…

Dream on…

Ik vroeg je wat er nou werkelijk mis was maar je antwoordde niet. Je keek me heel even intens aan en toen weer wezenloos naar buiten.

Een minuut of wat later zei je me, nog steeds naar buiten starend: “Lieverd, dat kán ik niet zeggen. Dat zou ons huwelijk abrupt om zeep helpen.” Gedachteloos meestarend informeerde ik je dat ik wat kortstondige, betekenisloze seks buiten de deur echt wel zou kunnen verkroppen. Things like that happen. Dat weet ik wel. Ja, ik weet dat echt. Maar je keek de andere kant alweer op, alsof het allemaal al veel te laat was. En nog veel later…

Uit pure wanhoop draaide ik om je nietsziende blik heen en probeerde je ogen te vangen.
“Wie is het dan? Waarom een ander? Wat was er dan zo mis? En waarom zijn ‘wij’ niet meer te repareren?”
“Lieverd… dat heb ik helemaal niet gezegd. ‘Wij’ zijn er nog steeds. En ik hou ook nog van je. Maar er miste iets. De geestelijke verbondenheid, denk ik. Die heb ik met mijn halfzusje wel…”

“Je halfzusje???”, schreeuwde ik. “Sinds wanneer heb jij een halfzusje? En sinds wanneer DOE jij het met een halfzusje???” Je draaide weer weg. De onbereikbaarheid werd groter.

Uiteindelijk knapte je. Gaf je toe. Natuurlijk was het niet zoals het zou moeten zijn, het was niet eens zoals het zou mógen zijn. Maar het gaf je alles wat je naast mij nog nodig had. De geborgenheid, de passie, de waardering, het respect. Alsof ik geen respect had. Dat stak. Diep.
“We hebben samen een klein appartementje in Losdorp. Daar ben ik regelmatig. Overdag tussen het werk door. Als ik ga fietsen. En tijdens de voetbal ook. Ze is mijn andere jou…”

Ik kreeg er geen woord meer uit. Flabbergasted. Maar je stopte niet.
“Zij betekent alles voor me. Ik heb haar pas een paar jaar geleden teruggevonden.”
Een paar jaar? EEN PAAR JAAR?? Hoe lang was dit dan al aan de gang dan… Je ging maar door.
“Het doet er niet eens toe. Ik heb jou. Ik houd jou. Ik wil jou. Ik blijf bij jou. En natuurlijk bij de kinderen. Maar ik wil haar erbij. Dan heb ik eindelijk alles wat ik nodig heb.”

En ergens…
ergens heel diep,
kon ik dat volledig begrijpen.
Dat was het meest verontrustende…

Vannacht droomde ik.

En jij lag rustig,
onschuldig,
onwetend,
gewetenloos,
naast me
te snurken.

.

.

400 word story.
FICTIEF!!

Steekwoord: Bedrog zijn dromen.

Zwemleed

Maaiende armen, uitslaande benen, boze blikken, blauwe schenen. Sinds een paar weken ga ik op maandagochtend zwemmen. Het is op dit moment zo ongeveer de enige sport die ik nog kan beoefenen met die verrotte knieën van mij en het is gewoon goed voor me. Het enige nadeel is dat ik a) op maandagochtend nu dus standaard in de file sta want het ‘vroegzwemmen’ is van 7 tot 9 am en om die tijd willen mensen normaal gesproken naar hun werk. En het b)-nadeel is dat ik tussen de bejaarden door moet harken.

Dat laatste kan ik inmiddels – beweer ik met gepaste trots – behoorlijk goed. Ik heb mezelf een redelijk ‘rustige’ en minimaal spetterende crawl-stijl aangeleerd en ik maak hier en daar een praatje met de ouwetjes om ze goedgezind te stemmen. Zo zwemt er een oud rimpelig mensje in knalrood badpak – ze ziet eruit als een doelloos ronddrijvend roma-tomaatje met armen – standaard op haar rug. Op zich geen probleem, ware het niet dat ze haar armen niet in zwemrichting beweegt maar in een hoek van 90° op haar bolle lichaampje op en neer peddelt en daarbij ook nog eens als een Aïda-lookalike het halve bad door kruist. In eerste instantie ergerde ik me daar ook mateloos aan, maar ze is een lief mensje, ze kan niet anders en ik duik er wel onder door als het nodig is. Vindt ze prima. Een minstens vijfentachtigjarige kale knakker zwaait altijd gelijk als ik binnen kom: ik mag wel in zijn baan zwemmen. Lief, maar ik blijf lekker bij mijn rooie cruiseschipje. Die zwemt zo langzaam dat ik daar volledig berekenend omheen en onderdoor kan. Bij die knakker vermoed ik daarentegen andere motieven.

zwembadwaterZigzaggend trek ik zo mijn baantjes. Het gaat ook duidelijk vooruit met mij: in het begin zwom ik vijftien baantjes in het vijfentwintigmeterbad en vond ik het wel ju. Vandaag heb ik er al zesendertig gezwommen. En volgende week zwem ik er veertig. Da’s dan wel mooi een kilometer! Plus de nodige beentraining aan de rand van het bad. Ik zwem. Zij zwemmen. Wij zwemmen. Gestaag en redelijk harmonieus maaien we gezamenlijk het bad door.

Tot er ineens een overmatig gespierde, hevig behaarde man – ik schat ‘m een jaar of vijfendertig – met nogal krap speedo-broekje (ja, ik let op dat soort dingen) en dito badmuts op de badrand staat en met vol geweld tussen ons bejaarden duikt. Hij zwemt zo agressief dat de ouwetjes verschrikt midden in het bad blijven hangen. Eén krijgt een mep tegen de elleboog, een ander verslikt zich in het opspattende water. Ik krijg terloops nog een wappertrap tegen mijn schenen. Hij maakt aan het eind van zijn baantje van die professionele duikeldraaibewegingen om zich dan hard tegen de rand af te zetten voor de retourreis. Dat kan op zich een heel gracieuze beweging zijn maar deze aap maait zo hard met zijn benen dat er bij elke draai een fontein van minstens tweehonderd liter badwater over de rand zwiept.

Rode oma vlucht naar de kant, kijkt mij wanhopig en hulpbehoevend aan. Eh… tja. Ik kan die man moeilijk zeggen dat hij hier niet mag zwemmen. Maar een beetje rekening houden met het andere, deels dobberende zwempubliek zou niet weg zijn… We praten even, over de “Rücksichtslosigkeit” van de jeugd van tegenwoordig, gheheheh (en ondertussen voel ik me stokoud). Ze moet duidelijk haar frustratie-ei even kwijt. Ik ginnegap dat het zwembad, als die kerel nog even zo doorzwemt, zo meteen sowieso leeg is. Ze kijkt enkel ietwat bedremmeld. Aangezien wij allemaal aan de kant hangen te koekeloeren, ziet meneer dat het zwembad nu redelijk mensenvrij is en begint abrupt met zijn vlinderslagtraining. Ik kijk naar Romaatje met een blik van: “Zie je wel! Al bijna leeg!” en zie nu tot mijn grote vreugde dat de badmeester op hoge poten naar de vlinderman loopt. Zo gauw die bij de rand aangekomen is, tikt hij hem niet al te zacht met zo’n zwemstang op zijn hoofd en zegt: “SO NICHT!!!” Vlinderslag mag namelijk alleen in de afgescheiden snelzwembanen, niet tussen ons sloomzwemmertjes door.
“Maar die banen zijn allemaal bezet!”
“Dan heeft u pech gehad; moet u maar wachten. Maar op deze manier zwemt u alle anderen hier overhoop”, waarna de badmeester met grote stappen en een norse blik weer weg beent.

Wij kijken allemaal vergenoegd en breedgrijnzend naar de nog nasputterende man, die zich vervolgens nergens iets van aantrekt en stoïcijns doorgaat met terreurzwemmen. Alleen niet meer in vlinderslag. Een mini-overwinning. Hopelijk gaat hij volgende week ergens anders fladderen.

geen titel

Ik kan effe geen titel meer bedenken. Ik ben leeg. Na twee volledig gestresste verjaardagdagen is de koek op. Deze hele week was al een crime, maar gisteren en vandaag spanden de kroon.

24-10-13. Zoonlief is jarig. 5:50h opstaan om om 6:30h aan het verjaardagsontbijt te zitten, want dat hoort zo: kadootjes en verse broodjes, een partykaarsje en een bloemetje naast het bord. Kort na zevenen de deur uit, schoolsores. Hij wil voor het naar buiten lopen nog wel even weten waarom hij op zijn verjaardag in vredesnaam naar school moet. Dat is toch onzinnig, op zo’n speciale dag??? Tja…

Half twaalf: na een hoop werk (zowel zaak als vrijwilligerswerk) scheur ik met een noodvaart naar de supermarkt want ik bedenk me dat ik daar vrijdag helemaal geen tijd meer voor heb én dat zaterdag hier een feestdag is (vergelijkbaar met bevrijdingsdag) dus alles dicht. De ene helft vind ik niet, de andere vergeet ik. Gaat lekker.

Half één: dochter komt thuis. Ik sta inmiddels wat klungelig voor te bereiden voor het verjaarspartijtje van dochter. Ik had bedacht dat we maar megakoekjes gaan versieren. Een bordvullend zandkoekje. Daar moet ik er dus ook nog even snel snel twaalf van fabriceren. En al mijn eetbare dekospul bij elkaar zoeken. Half twee: zoon ophalen. Als ik hem niet ophaal, heeft hij niet meer genoeg tijd om zijn huiswerk af te krijgen (met de bus duurt het drie kwartier langer). Samen leren voor de toets Engels van morgen (vrijdag dus). Elke keer opnieuw goed voor tranen. kwart voor vier: dochter in een sportbroek gehesen en naar de gym. Door naar de supermarkt om de vergeten cq. niet gevonden spullen nog in te slaan. Dochter opgehaald, kwart over vijf weer thuis. Zoon in sportbroek gestouwd en om kwart voor zes naar zijn allereerste judoles gebracht. Bleek dat de ouders moesten blijven. Al die tijd nog niks gegeten: geen tijd gehad. Ook niks gedronken, spreekt voor zich. Om kwart over zeven weer thuis. Ik flikker mijn tas in de hoek, smijt de friteuse aan (zoon wil frietjes en nuggets als verjaardagseten) en ik flans een koolsalade in elkaar. Om kwart voor acht eten we. Eindelijk. Lekker vet.

Bij het eten zie ik een klein flikkerend rondje, dit keer midden in mijn blikveld en weet ik al hoever het weer is… Ik neem drie paracetamollen tegelijk in. Ja drie, anders helpt ’t geen bal. Het rondje wordt groter en groter. Dan verdwijnt het en een minuut of tien later komt de hamer. BOEM. Gevloerd. Ik strompel het bed in. De hoofdpijn is nu – dankzij de para’s – een dof dreunen. Ik val met kleren aan in slaap, om kwart over tien word ik weer wakker. Naar beneden om nog het hoogstnodige te doen (tafel dekken voor vrijdag, vaatwasser aan zetten), douchen en dan echt slapen. Nog niks gedaan voor morgen… Maar ik kán simpelweg niet meer.

Vrijdag, 6:15h. Wakker met hoofdpijn. Gelijk weer twee paracetamollen erin. Een kop koffie en een cracker en dan moet het maar goed zijn. Man brengt zoon naar school. Om 7:15h is iedereen weg en wapper ik in mijn ochtendjas door het huis: opruimen, tafel leegruimen, stoelen van boven naar beneden en van de kelder omhoog slepen. Twaalf kinderen, da’s geen kattenpis…

Om half negen sta ik alweer in de school van zoon: ophalen voor een tweede gesprek met de kinderpsychologe. Half elf: zoon terug gebracht naar school. Tien over half elf: dochter en vriendinnetje ophalen van school, vriendinnetje naar huis brengen en dan als een haas naar huis om te beginnen met alles wat nog moet voor het verjaardagspartijtje van dochter (anderhalve maand later, maar dat is redelijk ‘snel’ voor mijn doen). Taart bakken (op bestelling van madam: Schwarzwälder-Erdbeerkuchen met veul chocolade) en maken. En natuurlijk decoreren. Tafel dekken voor twaalf. Voorbereiden. Matras naar beneden slepen voor de film. Drinken koud zetten, tafel versieren, etc.

Om twee uur zijn ze alle twaalf binnen. Taart met limo, kadootjes verstoppen en zoeken, de megakoekjes versieren, buiten verstoppertje spelen en voetballen, een film kijken met popcorn en chips (die overigens natuurlijk NIEMAND heeft afgekeken: toen de chips en de popcorn op waren, was het interesse weg en racete driekwart van de kids naar buiten. Ook prima; totally fine with me. Amuseer je maar lekker hoor.) Ik maak frieten en knakworstjes klaar, de meute eet weer eens wat (hoe past het er in vredesnaam nog in…). Er wordt nog halfenthousiast hier en daar gespeeld en om goed zes uur vertrekt de laatste (op één speciaal vriendinnetje, dat blijft slapen, na).

Puinruimen. Stofzuigen. Schoonmaken (vooral de WC, pfoehh eyy…). Bed maken voor vriendinnetje. Drie bakken fruit maken voor de kinderen, zodat ze toch nog íets gezonds eten vandaag. Verder opruimen. Dames in bed stoppen (Zoon gaat inmiddels zelf naar bed, yesss). En nu: Plof. Crash. Diepe zucht. Ik ben er helemaal klaar mee. Volledig. Morgen doe ik niks (nou ja, de hele dag huiswerk maken met zoon, maar verder…).

Oh en als u zich afvraagt waar man was in dit hele verhaal: die was mijn kapotte ruitenwisser repareren bij een vriend die dat soort dingen kan (koud lassen heet dat geloof ik).
En dat kon alleen op deze vrijdagmiddag.
Vanzelfsprekend…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.

glibberzen

Vandaan heb ik iets gedaan wat ik veel te zelden doe. Ik heb mezelf verwend én uitgebreid laten verwennen. En het was heeeeeerlijk.

Nee. Niet op de manier waaraan u nu denkt. Nee, nee, echt niet. Of misschien ook wel.

glibberzen2glibberzen1

Om kwart over zeven had ik de hele familiekudde de deur uit gewerkt, zoals gebruikelijk op een doordeweekse dag. Met een kopje koffie in mijn badjas – echt koud was ’t namelijk niet – naar buiten gehobbeld om naar de optrekkende mist en de opgaande zon te kijken. Wat schetst mijn verbazing: een prachtige regenboog. Om half acht ’s ochtends!! Wat foto’s gemaakt van al dat moois en toen maar ‘ns aangekleed. Want ik had een afspraak op ’t lichamelijke vlak 🙂

glibberzen3

Kort voor negenen loop ik met een grote tas de deur uit en rij naar ‘de grote stad’. Eerst een koffie en een bagel in het cafeetje naast het zwembad, in alle rust. Als ik de hal binnenkom, merk ik dat ik veel te vroeg ben: het zwembad gaat niet om negen maar om tien uur open. Fijn dan. Ik ga op de trap zitten en kijk wat rond op facebook (en lees dingen die ik al driekwart jaar geleden had moeten lezen, maar tja, doe alles ‘ns gelijk goed hè) terwijl de horde bejaarden me achterdochtig aankijkt. Ik behoor duidelijk niet tot de standaard zwemklandizie op dit tijdstip. Kan mij ’t bommen. Zwemmen is ook goed voor míj. Toevallig. Ik heb óók krakkemikkige botten. Toevallig.

Eenmaal in ’t water begint het gevecht met de rugzwemmende, nietsziende én nietsontziende ouwe knakkers en knakkerinnen pas echt. Ik zet mijn brilletje op en zwem zonodig onder de meute door. Aangezien ik geen schoolslag kan (vanwege mijn knie, zijwaartse bewegingen zijn klote) crawl ik alleen en dat vindt men ‘not done’ want dat spattert te veel. Je hoort ze denken: “die racende veertigers van tegenwoordig…”. Na vijftien baantjes en de ‘verplichte’ beenworkout verlaat ik hun element en droog me af. Want nu komt het relaxgedeelte: een algehele lichaamsmassage. De helft ervan heb ik vorige kerst van man kado gekregen als tegoedbon en in december is die bon niet meer geldig (ik wist niet dat dat nog mocht tegenwoordig, tegoedbonnen met maar een jaar geldigheid…) dus moest het er een keer van komen. En wel nu.

Ik ben geen mens voor professionele lichaamsfriemelarij (wel voor iedere andere friemelarij trouwens). Ik ben wel eens een keer of twee naar een schoonheidsspecialiste geweest. Eén keer naar de pedicure (nooooit weer, vreselijk). Manicure enkel eens door een vriend laten doen (vind ik ook niks). Massage was tot nog toe altijd doelgericht: vanwege gruwelijke rugpijn of lymfedrainage voor mijn knie. Een totale lichaamsmassage heb ik één keer eerder gehad en dat was in een fase waar ik heel goed (en slank) in mijn vel zat. Nu is dat – op zijn zachtst gezegd – een béétje anders. De redelijk streng ogende massagemadam begint. Ik kijk door het gaatje in de massagebank naar de vloer en denk enkel “oh jee, wat gaat ze doen, wat denkt ze wel niet…” Ik doe mijn ogen maar dicht, de vloer is toch niet mooi. Hawaï-klanken op de achtergrond, aloha-gewauwel, zeegeruis en hoela-hoela moeten blijkbaar voor strand- en vakantiegevoel zorgen. Eerst de rug. Prima. Maar blijkbaar ben ik zo verkrampt dat het meeste best pijnlijk is. Ze werkt langzaam naar beneden (yikes) en mijn benen worden bewerkt. En ik maal aan één stuk door…
“Niet in DIE vetjes knijpen! En in die daar óók niet!!”
“Shit, had ik nou mijn benen nog maar even geschoren…”
“Argh, mijn teennagellak is nog maar voor een derde aanwezig. Zou ze het zien?”
“Mens relax, dit doet ze tig keer per dag, die zíet jouw eelt- en andere bulten niet eens!”
“Ojeeojeee… mijn ellebogen zijn net de Rocky Mountains…”
“Hier moet ik straks echt wel even over bloggen.”
“Niet te hard drukken daar, pleazzzzeeee…”
“Ohw… ah nee hè… daar, ja precíes daar -auw- heb ik een opengekrabt plekje…”
“Blij dat ik net uit het zwembad kom, ben ik in ieder geval schoon.”
“Nou. Daar lig je dan, gekneed te worden…”
“Zou ze mijn borsten ook masseren??” [nee, deed ze niet, pfiewwww]
En in gedachten heb ik dit halve blog ook al lang geschreven.

Maar heel langzaam lukt het. Ik begin te ontspannen. Relaxxxx, woman… Eigenlijk is het best wel heel erg fijn. Ja. Heel erg. En ineens is het vijfenvijftig minuten later. Ze fluistert: “Dankeschön…” Euh… ja… graag gedaan maar moest ik dat eigenlijk niet tegen haar verzuchten?

Ik kleed me aan, bedank en betaal. En ik mompel dat dit wel heel erg aangenaam was en dat ik dit zeker vaker ga (laten) doen. “Ja”, zegt ze, “dat zou ik ook doen als ik u was, want er zit me daar toch een partij stress, kramp en spanning die nog dringend weggewerkt moet worden…” Gohhh, dat had ik nou nóóit gedacht, hè 😛

Op de weg naar huis glibber ik heen en weer in de auto. Mijn handen glibberen over het stuur, mijn billen glibberen in mijn slip, mijn voeten glibberen in mijn laarzen over ’t gaspedaal. Best lastig rijden zo. Maar ik, ik ben nu in ieder geval even hélemaal glibberzen. Gaan we vaker doen.

 

LY2?

Most of the people LiefI love
they love you.
Now should I be
envious? Or
should I complain?
Should I feel worried
that we are the same?
No I should not, cause
if they love you,
the only sensible thing
that I could ever do
is to see that you’re good
and do as they do.
Which means that I
simply will love you,
too.

.

© Lou

Two-face

Twee gezichten heb ik. Twee kanten. Letterlijk. Om van het aantal persoonlijkheden nu maar eens even niet te spreken. Ik beken: ik zal nooitneverniet zonder make-up de straat op gaan. Net zomin als ik naakt de deur uit zou lopen. Zonder make-up ben ik voor mijn gevoel namelijk ook nakend.

Ik zie best vaak mensen waarvan ik denk: “slechts een héél klein beetje oogschaduw hier en een likje mascara daar en je zou er een ander mens door worden.” Maar zo mag ik niet denken, want iedereen is van nature mooi. Gewoon mens én gewoon goed, zonder hulpmiddelen. Maar dan nog: je let toch ook op wat je aan hebt? Een beetje leuke kleding, een verzorgd uiterlijk, een enigszins bij je passend kapsel? Dan mag dat beetje make-up er ook best bij. Oké, de vergelijking gaat niet helemaal op want ik wandel rustig in een ouwe joggingbroek en met crocs aan mijn voeten (ja die dingesen) bij de buurvrouw naar binnen. Maar zonder make-up zou ik daar dus écht niet eens aan dénken.

Ik zie er namelijk slaperig uit zonder make-up. Heel. Erg. Slaperig. Niet meteen foeilelijk (neem ik aan), maar wel anders. Extreem basic. Vlak. Toen ik net 13 was, metamorfoseerde ik mezelf. Ik ontdekte de oogschaduw. Eerst het geijkte blauw met roze, soms groen met geel en meer van die afzichtelijke foute kleuren. Maar ze pasten niet bij mij en de boel werd al snel donkerder. Heel donker. Zwart zeg maar. Tegelijkertijd fabriceerde ik mijn punk- en  tina-turnerlook (maar da’s weer een ander blog: wilde haren…). Loesje werd ineens een ander mens. Bij mijn eerste vriendjes maakte ik me zelfs grote zorgen over het feit dat ze me ooit zonder make-up of getoupeerd haar zouden gaan zien. Want ohw-my-gawdddd, dat zou een regelrechte ramp zijn. Hoe moest dat dan later, als we samen zouden wonen??? Dan moest ik in vredesnaam maar met schmink op m’n falie slapen…

Het is toch nog goed gekomen. Ik durf nu wel afgeschminkt naast m’n man in bed te stappen. Ik durf zelfs zonder te ontbijten :-D. Als ik zestig ben, durf ik vast ook wel een stap buiten de deur te doen zonder extra opgedirkte ogen. Ik ben weliswaar geen lippenstiftmens (hou ik ab-so-luut niet van, van die smeerprut op mijn lippen, ook niet van lipgloss of labello. Gelukkig ben ik gezegend met een paar redelijk rode, volle lippen dus die laat ik maar zoals ze me gegeven zijn) en mijn gezicht blijft doorgaans ook redelijk ‘natural’ (geen geplamuurde kunstwerken op mijn wangen, no thanks). Maar mijn ogen, die maak ik sprekender. Altijd. Vanochtend heb ik eens een projectje gedaan. Ik heb één kant van mijn gezicht opgemaakt en de andere in mijn slaperige ochtendlook gelaten. Ik post de foto hier, maar u moet weten dat dit echt een coming-out voor mij is, eigenlijk zelfs een verschrikking. Een foto van mij, als two-face. Een foto out in the open, online, met één alledaagse, sprekende kant en één volledig ongecorrigeerde, blanco kant.

U mag slechts één keer raden welke kant dat is 😛

Twoface1a

Begrijpt u nu waarom?

kermis

Het is verbazingwekkend hoeveel mensen er in je leven zoal voorbij rollen.
Het ene moment zijn ze alles voor je, overdonderen je, laten je opleven. Geven je precies dat wat je nodig hebt. En jij hen.

Two worlds collided.kkerm

Je denkt dat diegene blijft. Voor eeuwig. Of in ieder geval tot aan het einde van de tijd van één van jullie. Dit zit goed. Verrijking. Liefde. Lot.

Never tear us apart.

Maar dan, dan ineens is je lotgenoot, je destiny, zomaar doorgelopen. Doorgehold, naar de volgende levensuitdaging. En toegegeven, je merkte het in eerste instantie niet eens… Het intense contact wordt langzaamaan weer oppervlakkig. En dan nihil…

Worlds drifted apart.

Ach wat nou voor werelden. Het is allemaal één en dezelfde aardkloot… Die personen lopen nog steeds om je heen, enkel nu in ietwat wijdere (of nóg wijdere) kringen. Niet meer in jouw golden circle. Enkel nog een bittere nasmaak, ergens achterop je tong…

Worlds collapsed.
(Maar dát zong Michael nou net weer niet)

Wat wil je nou… dat er om je na getreurd wordt? Dat er gerealiseerd wordt, wat voor onbetaalbare brok goud hij/zij zomaar links heeft laten liggen? Dat diegene éigenlijk spijt heeft als haren in een hooiberg, als stralen van de dark side of the moon, als een kip met een dubbele kop…

Ja.
Dat wil je.

Dus profileer je je opnieuw. Zoekt dat nieuwe daglicht dat jou kan beschijnen zoals het daglicht betaamt. Je blaat in het rond dat het voorrrralll beter voor jou is zo: “Oh my… your loss, dear!!” En dan vooral heel hard zelf geloven dat het ook daadwerkelijk een verlies is voor die ander. Daar wringt de pantoffel dan toch weer enigszins, want meestal is dat dus niet zo. Auw. Blaren. Enzo. Je gaat een “kijk mij, ik ben zelfs méér dan goed genoeg!!”-air vertonen. Vooral ook om je onzekerheid te bedekken onder een dun laagje goedkope glitternagellak. Je post een ongegeneerd portfolio aan hooggestylde foto’s op alle relevante social media, in de hoop dat de dumper ze ziet en denkt “ooooh… wat heb ik gedaan… waarom heb ik jou nu niet meer…” Als klapper op de vuurpijl word je in allerijl een slanke den, vastklampend hopende dat je nu dan eindelijk weer terug in de gratie valt [het moge aan de hand van dat laatste voorbeeld in ieder geval duidelijk zijn dat dit alles met de grootste zekerheid níet over mij gaat, ik val namelijk voor geen meter af. Oh en nee, het gaat ook niet over jóu 😉 Het gaat namelijk over de algehele onzekerheid in persona, het bijbehorende losergevoel en over de wereld die door rolt. Of zoiets].

Je probeert je algehele imago op te krikken.
Megacoole dingen doen.
Stoute dingen. Onwijze dingen.
In pure excessie.
I’m bad. Really, really bad.
Too bad.

Wat een verrekte kouwe kermis…

I told you that we could fly,
‘cause we all have wings.
But some of us don’t know why…

En dan kom je thuis.
Out excess.
Rotkermis…

_________________________________________
bron songtext: INXS – Never tear us apart

© Lou

forever young?

Alle wegen die we hadden moeten nemen, zijn vol met bochten…
Alle lichten die ons daarheen hadden moeten leiden, zijn enkel verblindend.
Er zijn zoveel dingen die ik je had willen zeggen, maar ik weet niet hoe.
Want misschien ben jij uiteindelijk tóch degene die mij gaat redden…

Alleen heb ik geen idee waar je bent, mijn schat.

Maar laten we eerst in stijl dansen, al is het maar voor heel even.
De hemel kan wel kort wachten terwijl wij de lucht bestuderen…
We hopen op het beste maar verwachten het ergste.
Ik zou voor altijd jong willen zijn, ja, dan zou ik ook wel altijd willen leven.

Althans, met jou. Maar toch ergens ook weer niet…

Ik kan me niks herinneren, weet niet of dit waar is of een droom.
Diep in mij wil ik enkel nog schreeuwen maar de stilte stopt me…
Nu de wereld weg is, ben ik enkel nog één. Sta me bij.
Ik kan niet leven maar ook niet sterven, gevangen in mij.

Niet dat dat een straf is. In mij is het goed.

Maar degene voor wie jij me waarschuwde, degene waarvan jij zei
dat ik wel zonder kon. Ik kan niet zonder. We zitten diep in de shit,
echt waar. Maar ga nu niet tegen me preken… Help mij??
Ik hou van hem. Echt, ik hou zoveel van hem…

Jemig, wat een ellende, die liefde. Maar het komt wel goed….

Haar haar herinnert me aan dat ene veilige plekje
waar ik me als kind kon verstoppen, hopend dat de donder
en de regen wel onopgemerkt aan mij voorbij zouden gaan…
Maar waar gaan we dan nu heen, lief kind van me??

Zover mijn ogen kunnen zien, schaduwen die op me afkomen.

En voor degenen die ik inmiddels heb achtergelaten
Ik wil dat jullie weten, dat jullie altijd in mijn diepste gedachten waren
Jullie volgen me waar ik ook ga… maar als ik oud en wijs ben,
Betekenen al die bittere woorden niks meer voor mij.

Herinner je enkel nog, dat je ooit een vriend van me was…

.

(Anyway, ik ben mij er natuurlijk geheel en al van bewust dat dit allemaal songtekstinterpretaties zijn met hier en daar een eigen tussenwerpsel. The tag says it all. Bij deze bedankt Oasis, Alphaville, Nirvana, Madonna, Guns ’n Roses en Alan Parsons Project).

Social shit

De pleuris, goffer, gadver, kak.
Wat ben je ook een slappe zak.
Een klojo zonder ruggengraat
die doelloos door het leven gaat.
Gezeik, gezeur, gescheld, gekloot.
Ga zuipen, eet shit uit de goot.
Tief op en get lost, jij idioot,
krijg tieten, stik en val toch dood.

Een nieuwe tweet en weer een wens
Liefdadigheid van mens tot mens.
Prachtnamen om elkaar te noemen.
Hard meedoen tot je kop gaat zoemen.
Social media maar dan asociaal
Ach schelden doen we toch allemaal…
Dus struikel voorzichtig, stomme trut.
Love you heaps, en zelfs dat is klote.

(C) Lou

Paardrijklets

paardkletslesVoor haar verjaardag had dochter een prachtige kadobon voor een ‘eerste paardrijles’ gekregen. Ik wist inmiddels ook al waar: een oude boerderij met paardenstallen en een manage, een goed kwartier rijden hier vandaan. Ik had gisteren gebeld of vandaag oké was en dat was ‘t. Joviale boer aan de lijn: “dan moej miene vrouw hebb’n, die goat over de afsproaken” (en dat dan op z’n Mühlviertlerisch hè). Mundart noemen ze dat. Mund-Art. Dialect. Ik heb er wel een jaartje of twintig over gedaan voordat ik zo’n beetje alles kon verstaan en nog zijn er veel woorden waar ik ineens weer van opkijk. Zo is bijvoorbeeld a neichtl zoiets als ‘een poosje’ of ‘eventjes’, een Bissgurn een ruziezoekende en altijd kijvende vrouw, Gschloder is slappe koffie/bocht en  een Schlampatatsch is een onordelijk persoon (een smeerderk 🙂 ). En zo kan ik nog wel even doorgaan. Op de vrijgezellenavond voor ons huwelijk moest ik van de buren een twintigtal woorden ‘ontcijferen’, anders mocht ik niet met een Oberösterreicher trouwen want dan zou ik mijn man nooit begrijpen. Gelukkig wist ik van het merendeel inmiddels al wel wat het was en met een beetje hulp van man wist ik de rest uiteindelijk ook. Maar van mijn man snap ik nog steeds geen bal. En het blijft elke keer opnieuw een avontuur om met een echte inboorling te converseren.

Zo ook vandaag. Rond kwart over drie komen we de rijhal binnen lopen, geen idee waar we ons moeten melden. Een aardige dame in rijbroek brengt ons naar het woonhuis zodat we kunnen beginnen. De boer des hoeves, ik schat hem op zo’n 75 jaar, zit in de keuken uitgebreid te kletsen met een buurboer. Over paarden en aardappels en de kwaliteit van het hooi. De dame laat ons in de keuken achter en wij wachten braaf tot meneer zich tot ons wendt. Mén wat duurt dat lang. Kort voor half vier merkt hij ineens dat we er nog steeds staan. “Ach jaaa, die Deerne die reiten lernen möchte. Mensch, mei… bist ’n du nu klan…” [“wat ben jij nog klein!”, een zinnetje waar dochter o.h.a. erg pissig van wordt] Er wordt een oude rijhelm tevoorschijn getoverd (one size fits all, one size smells all) en dan gaan we het paard zadelen. Het paard voor dochter heet Relief, zo staat het op de box. Ik dacht “oh. Opluchting, mooie naam, vast voor een rustig paard”. Toen bleek dat het als reliëf uitgesproken werd. Jeujjj… een hobbelpaard…

Relief blijkt wel gehoorzaam en geduldig. De man ratelt aan één stuk door. “Lady, je moet je bips optillen. Rechtop zitten. Paardrijden is geen lolletje, het is een sport, je moet je best doen. Paardrijden doe je met je benen en je houding, niet met je mond. Jij denkt dat je dat allemaal wel even snel kunt, maar zo werkt dat niet. Geduld. In de takt bewegen!! Nee, da’s te snel. Opletten!!” enzovoort. En dat allemaal in zwaar dialect. Dochter verstaat de helft niet maar doet alsof haar neus bloedt en gaat gewoon door. Af en toe zie ik haar even inkrimpen maar dan ook gelijk weer die rug recht en doorrrr. Ze vindt het zelfs leuk, lijkt het.

Na een dik half uur aan de longe rijdt ze op het paard terug naar de stal. Stop and Go kan ze in ieder geval al. Nu afzadelen. Man raakt in gesprek met de boer alias manegehouder. Das war ein Fehler… De man houdt niet meer op. Over werk en écht werk. Over alle managementfoezzies die overbodig zijn, de wereld heeft techneuten en paardrijders nodig. Het liefst paardrijdende techneuten. Die krijgen tenminste iets voor elkaar. En of boer huppeldepup in Schweinstein nog een tractor zus en zo heeft. Wat man doet voor werk. “Euh, leraar en techneut”. Aaaaah je ziet het boerengezicht opklaren. Een techneut! Helemaal goed. Kan man ook nog paardrijden? Nee. Oh. Da’s weer minder. Dochter gaat met een ander meisje mee, kijken hoe die paard rijdt. Ik versta alles wel maar ik ken al die boeren uit de omgeving niet én ik ben geen techneut dus ik sta er een beetje naast te dreutelen. Uiteindelijk, na een dik half uur mühlviertlerisch geratel, zegt hij ineens: “Oh ja. Betalen.” Man ziet z’n kans schoon en gaat snel kijken waar dochter uithangt. Ik ben de pineut en moet mee naar de keuken uit het jaar 1873. Betalen is mijn zaak blijkbaar. Oh wat zijn we heden blij…

De keuken is al een belevenis op zich. Een plafond waar ik bijna m’n hoofd stoot, een rioollucht van heb-ik-jou-daar, scheef hangende houten kastjes waar een houtworm nog geen droge spaander in zou kunnen vinden. Een eveneens eikenhouten kruis (mét Jezus eraan, natuurlijk) van bijna een meter lang aan de muur met een twintigtal overlijdensadvertenties sierlijk er omheen gedrapeerd. En een ouderwetsche spaarlamp boven de tafel. Mocht ook niet ontbreken natuurlijk. Gezelligheid ten top. Manegeboer gaat op de hoekbank aan tafel zitten en kijkt me ‘ns aan. “Du bist ja eh ned vo do, oda??” Nee, ik ben niet van hier. Ik kom uit Nederland. “Aaaaahhhh!!! Holland!! Na da muaß I di woas vazöhn.” [dan moet ik je even wat vertellen – Red.] Ik wíst het: ik had gewoon moeten zeggen dat ik doofstom ben. Niet van Nederland, ik stomme koe.

En daar gaat-ie weer.
Over zijn feestje in 1968 in Nederland. Zes Nederlanders en 3 Oostenrijkers. In Lelystad, dat toen net gebouwd werd volgens hem (klopt ook nog geloof ik). Er was net een café open en daar zaten ze, de bierzuipende Oostenrijkers met die drooggelegde Nederlanders. En met allemaal een 0,3l limonadeglaasje (“ein fluuu-ietje, whaahahaha“) pils voor hun neus. Waar ze dus ook met zijn zessen danig op keken, op die neus. Of de waard geen fatsoenlijk glas had. Nee, alleen dat ene 2-liter-sierglas van het Oktoberfest op een plank aan de muur. Nou, kom maar op dan, met dat glas. En die slappe pils, die drink je in één keer op. Ook twee liter. En nog een keer twee liter. En nog een keer. En die Nederlanders maar kijken. Oh en jemig, die Nederlanders zijn zoooo groot, hè!! Alle mannen zijn minstens twee meter. Hoe lang ben jij eigenlijk?? Ook wel minstens 1,90m hè? [euhh… nou euhh, ik ben wel groot maar niet zó groot]. Komt door al die overbemesting daar. Alles wordt megagroot. Mensen, Kartoffeln… Wel 200 liter pure mest per vierkante meter. In Oostenrijk is dat maximaal 80 liter. En dan krijg je zúlke Kartoffeln hè [zijn handen ongeveer 30cm uit elkaar houdend om ons hollands formaat aardappels aan te duiden] – allemaal voor die Kartoffelchips want daar heb je grooooote Kartoffeln voor nodig. En die grond daar in de polder, die is allemaal van de gemeente, en dan moeten de boeren wel duizend D-Mark (“Jullie hebben toch ook D-Mark??”) per maand aan pacht betalen en dan is het enige wat nog rendabel is, Kartoffeln. Hahahahaha…

Enzovoort. Godsamme ik moet naar de WC… en ik wil naar huis… hoe kom ik hier weg… Ineens houdt hij heel even op omdat zijn zoon binnen komt wandelen. Geen idee hoe die heet, ook Josef vermoed ik (aangezien drie van de vier Oostenrijkse mannen Josef heet: de vierde heet Heinz), maar in ieder geval heet-ie óók “mijn reddende engel”. Ik vraag snel hoeveel ik manegeboer verschuldigd ben. Veertien euro. Huh… aan de telefoon was het nog dertien. Nou ja, so what. Met deze man ga ik niet nóg eens in discussie, zeker niet over één euro. Ik leg het bedrag op tafel en wil hem bedanken, maar hij ratelt nog even door over de paarden, over dat dochter vooral geduld moet hebben (nou, dat leert ze bij hem vást wel, dat geduld hebben…) en niet te snel moet willen. En dat ze niet zo veel moet praten (mijn mond valt héél even open). En dat dit allemaal nog langgg geen paardrijden is maar gewoon wat rondhobbelen. En dat ze maar gauw weer moet komen. En oh ja. Veertien euro. Ik weet er tussenin te brengen dat mijn zoon alleen thuis is en ik nu écht weg moet maar dat we binnenkort zullen bellen om een nieuwe rij-afspraak te maken.

Ik vermoed over een jaartje of veertien.

Costa!

De Costa Concordia. Dat ene wrak daar. Iedereen heeft het erover. Nu of nooit, de laatste poging om het ding weer rechtop te krikken. De wereld is er live bij. Het lijkt wel een soap. Pure spanning. it’s now of never. In goede en in slechte tijden het ding rechtop krijgen (uhuhh). As The Ship Turns. En ook al zegt de baas van deze hele bergingsactie dat succes 100% verzekerd is, dan blijft nog steeds de vraag wat dat succes dan werkelijk is…. Er kan alsnog een hoop fout gaan. Het kan zijn dat de boel buigt tot het barst, dat het schip zó aan de rotsen vastgekluisterd zit dat het niet losgetrokken kan worden, dat er vanalles uit het schip omhoog kan komen (en dan hebben we het nog niet eens over die twee mensen die ze nooit gevonden hebben), dat het schip te ver doorschiet naar de andere kant, dat er een minivloedgolfje de haven in spoelt, enzovoort.

Een week of zes geleden lag ik naast dat kolos in de zee. Twee kolossen, gemoedelijk naast elkaar in het Gigliose kustwater (ghehehe, sorry, kon ’t niet laten). De oliebarrières in de haven en voor het strandje lieten al wel vermoeden dat La Costa niet helemaal dicht was. Hopelijk werken die dingen als er straks eventueel meer van vanallesennogwat uit komt. Het gemoedelijke, piepkleine haventje, toen bloedjeheet en loom onder de met wijnranken overgroeide terrasjes, nu in de koude slagregen, volgepropt met 350+ journalisten en fotografen. Toen we door Porto di Giglio heen liepen, stonden we bij een oude kademuur. Daar was de verleiding te groot: éven een fotootje maken waar je doet alsof je dat bootje wel even tussen duim en wijsvinger neemt en huppakeee, rechtop zet.

Ik moet toegeven, het is werkelijk een imposant ding. En nog imposanter als je nadenkt over hoe die stuurlui zo’n gigantisch schip zo gruwelijk hard langs de rotsen hebben kunnen laten schuren. Een gapend gat in de romp van wel zeventig meter lang. Over wie er schuld aan is en wat wie nu wel of niet had moeten doen, is alles al  wel gezegd geloof ik. Het blijft triest. De Costa Concordia ligt werkelijk vlák voor de haven van Giglio, griezelig dichtbij. Hoe hebben ze het voor elkaar gekregen…

Anyway. De berging verloopt vooralsnog blijkbaar volgens plan. De veerbootmaatschappijen die op Giglio varen, zullen er vast helemaal niet blij mee zijn. Ach. Was ik toch maar mooi één van die ontelbare ramptoeristen die in een warme julimaand naast een slagzijliggend cruiseschip hebben mogen zwemmen. Altijd nog beter dan een boottoerist die in een ijskoude januarimaand naast een slagzijliggend cruiseschip móet zwemmen…

Costa1Costa2 Costa3costa4

the other day

zo relaxed als gisteren en eergisteren waren, zo hectisch was vandaag.
De eerste schooldag na die oversized zomervakantie.
5 am. Man en ik schrikken wakker. De wind is een storm geworden en laat onze tuinstoelen, rolluiken en nog uitgerolde zonweringen letterlijk donderen. We rennen wat in het rond, maken alles z.g.a. stormveilig en vallen nog voor een half uurtje terug in bed. Tien voor zes ben ik klaarwakker en ga er dan toch maar uit, dit wordt niks meer. Even wat in mijn ochtend-uppie aanklooien (en een ongestoorde toiletgang, ik kan er écht niet tegen als er ‘s-ochtends al door twee behoeftige kinderen aan mijn toiletdeur lopen te rukken omdat ze ook moeten maar te lui zijn om beneden te gaan. Me-time on the toilet dus). Om half zeven maak ik de kinderen wakker. Bam, licht aan. Hard maar effectief. Ik jodel “EEEHEEEEERSTE SCHOOOOOOLDAAAAAG!!!” door het huis (in ’t duits dan, hè, dat werkt beter). Aankleden, ontbijten, zenuwen sussen, tanden poetsen.

10 over 7 schuif ik dochter de deur uit, die moet met de buurvrouw meerijden want ik moet zoon voor zijn allereerste dag op een middelbare school wegbrengen en daar wordt verwacht, dat minstens één ouder aanwezig is. Aangezien man zelf leraar is en óók in alle vroegte op zijn school aanwezig moest zijn, ging ’t effe niet anders. Sorry dochter. Forgive me. Bij de school van zoon is het een drukte van jewelste, geen parkeerplaats in een straal van een kilometer ofzo. Ik gooi zoon er voor de deur uit en rij in ’t rond tot de eerstvolgende parkeermogelijkheid op een onverharde parkeerplaats. Daar mág ik dus eigenlijk niet rijden want mijn auto is weer eens kapoet: de Getriebemanschetten (weet ik veel hoe die dingen in het nederlands heten) zijn gescheurd waardoor er steentjes in kunnen komen en dat zou dan de hele schakelbak ruïneren. Volgens man. Ik moest dan ook plechtig beloven om niet over steentjes en gruis te rijden. Ahum. Goed. OK schat :-/

Met m’n manke poot hobbel ik zo snel ik kan naar school. De kinderen worden afgeroepen. Gelukkig zit zoon in 1D en werden er voor hem nog 94 andere kinderen afgeroepen dus ik was op tijd. Allemaal mee de klas in. Alle instructies (bustrajectkaartaanvraag, brief voor vrijstelling godsdienstles en meer van dat soort ongein) voor de ouders aanhoren en deels opschrijven. Dan zijn we bevrijd. Ik besluit de auto maar te laten staan (zo min mogelijk rijden…) en te voet even naar de apotheek en de drogist te lopen voor wat noodzakelijke dingen. Best wel auw. Half tien kind weer ophalen. Ja, half tien. Toen was het alweer klaar voor vandaag.

huiswerk1Naar huis. Dochter komt gelukkig weer met buurvrouw mee. Even wat te drinken maken en natuurlijk ook praten over school. Ze hebben allebei een huiswerkopgaven dus hoppakee, gelijk aan het werk. Dochter moet in twee zinnen opschrijven wat ze het leukst vond in de vakantie en dat er dan bijtekenen. Zoon moet op drie papiertjes opschrijven waarover hij zich verheugt, waar hij bang voor is en wat hij zich voorneemt. Ze smeren wat af met hun hanepoten maar uiteindelijk wordt het nog wat. Vooral dochter blijkt heel ‘efficiënt’, met haar tekeningen van twee vlaggen… Ik werk ondertussen aan documenten voor vanavond (vergadering).huiswerk2

Eten koken (want vanavond geen tijd voor). Vissticks (ja sorry hoor), aardappelen en groente. Basic. Opruimen. Belsessies (scouting, judovereniging, busbedrijf over bustijden en overstappen voor zoons thuisreis in de gevallen dat hij niet fietst, sportvereniging, manege) en een korte koffiesessie met de buurvrouw om alles wat ik van de lagere school (dochter) heb gemist en nog moet weten door te spreken. Notulen voor vanavond voorbereiden en ook de lijsten voor de voorturners. Formulierenlayouts afmaken. Lijst met namen voetbalkinderen updaten. Enzovoort. Oh en de was tussendoor. Dat ook. Meer bellen. Kwart over vier: ballen, sporttas en andere pruttel in de auto en op naar het voetbalveld: F-jes training. Collega-trainster (degene die de trainings samenstelt) blijkt in een vergadering vast te zitten dus ik doe met andere medetrainster het uur op de bonnevooi. We doen maar wat en dat blijkt goed genoeg. De kleintjes zijn happy. Om half zeven drop ik de ballenzak in het materiaalhok en loop weer naar boven. Half uurtje pauze, ik kijk naar de wedstrijden van de wat ‘hogere’ koters (8-jarigen) op het veld en klets met een andere moeder van school. Zeven uur, vergadering van de turnsectie  van de sportvereniging. Veel te doen (ik doe de hele ledenadministratie, de financiële rompslomp en documentensantemekraam, en dus ook snel, snel even de notulen). Om half negen zijn we er wel klaar mee en rij ik naar huis. Kinderen nog even goeienacht zeggen. Kop koffie en een gebakken spiegelei (berehonger, sinds vanmiddag niet gegeten). Laptop aan. Lijsten aanpassen. De was uit de wasmachine in de droger. Notulen uitwerken. Begin maken met de maandafsluiting van de zaak.

Nu nog even de was uit de droger opvouwen.
Dan, na achttien uur doordouwen, eindelijk weer slapen.
En…. u verwacht het niet, hè, maar morgen wéér zo’n dag!!
Yiiiihaaaaaa!! 😀

Alles over Niets

Nou bij deze.
Hier.
Heb je alles.
En het gaat werkelijk over niets.
Want eigenlijk is alles gewoon niets.

Lekker zweverig hè.
Toegegeven, mijn allereerste gedachten bij ‘dat boek’ en ‘die film’ waren dan ook: “ah nee hè, wéér zo’n goeroeboek over zelfacceptatie en de zin vanallesoverniets het leven…”  En er staan bijdrages in, die naar mijn persoonlijke smaak daadwerkelijk een beetje te filosofloating zijn, maar ieder z’n ding. Het boek zelf was voor mij echter toch een eye-opener. Waarom? Omdat het me aanzette om eens na te denken over het “ik-begrip”, het beeld dat ik denk van mij te hebben, de persoon die ik denk te zijn. Wie bén ik nou helemaal?

Back to basics.
Wat maakt een mens menselijk? Voor mijn gevoel (en ook duidelijk voor anderen, zie boek) is dat de capaciteit tot zelfreflectie en het zich bewust zijn van een ‘ego’. Maar wie is dat dan? Wie ben ‘ik‘ nou eigenlijk helemaal? Deze (te) zeer uit de kluiten gewassen bundel cellen? (ik krijg acuut visioenen van ‘the blob’). En waar in mij zit die ‘ik‘ dan? Waarom praat ik over ‘mijn lichaam’ terwijl ik dat lichaam bén? Alleen dat getuigt al van dualiteit in mij: ik zie mijzelf in delen. Hier is mijn lichaam en ergens in de bovenkamer van dat lichaam huist mijn ‘ik‘. En die ‘ik‘ kijkt naar dat lichaam en denkt “mwahhh, dat kan beter…” Maar die ‘ik‘ IS mijn lichaam. Ik ben in feite helemaal niet duaal, ik ben non-duaal. Eén ding. Daar verwijst dus ook die ineens zo veelbesproken non-dualiteit naar: alles is één. Het wordt ook wel “a-dvaita” genoemd, wat zoveel betekent als: “alles in het universum is gemaakt van één en hetzelfde spul, namelijk energie” [citaat: Paul Smit, Alles over Niets]. Alles is één. Bij dit soort definities haak ik als nuchter en uitermate atheïstisch kalf over het algemeen al af, maar als ik me de oerknaltheorieën even voor de geest haal, klopt het ergens ook wel weer een beetje. Denk ik. Denk ik?

Alles ontstond gewoon.
Van het een kwam het ander, de ééncellige werd een meercellige, de spore een boom, en het groeide. Daar deed niemand iets aan, het was simpelweg zo. En is nog steeds zo! Alleen is het wezen namens mens met z’n hersenen vanaf een jaar of 1-2 ineens in staat om zichzelf te herkennen en aan de hand van dat groeiende ik-gevoel een zelfbewustzijn te creëren. En dán wordt het pas lastig. Want als ik ik ben, wie ben jij dan? En als jij anders bent, ben jij dan beter of slechter? Of enkel anders? Of eigenlijk hetzelfde maar toch niet helemaal? Floep, daar komt het concurrentiedenken om de hoek kijken. En ook het zich juist willen identificeren met anderen. Het ‘goed genoeg’ en vooral ‘goed bezig’ willen zijn. Vanaf dat moment maken we het onszelf dus verrekte moeilijk.

Goh. Herkenning. Tja. Hmmm. En nu?
Juist. NU. Daar gaat het dus om. Tien jaar geleden had ik heel andere dingen voor mij in gedachten. Tien jaar geleden dacht ik niet, dat ik als überstadsmens in een koeiendorp in Oostenrijk aan een houten eettafel blogjes zou zitten schrijven. Ik plande mijn carrière (mijn zaak verder op- en uitbouwen, zo snel mogelijk weer leuke en grote projecten gaan doen, stiekem veel geld verdienen…). Ik plande waar ik zou zijn (of liever gezegd, waar ik zou blíjven: in ons prachtige, grote appartement in München, met mijn vriendinnen om me heen en mijn zaak in het centrum van deze miljoenenstad, met een hoop voorzieningen, een tof uitgaansleven en een hamam en een delicatessensupermarkt om de hoek). Ik plande nog minstens twee kinderen erbij (zoon was 10 jaar geleden 10 maand oud en er kwam er uiteindelijk ‘maar’ eentje bij -dochter- en toen was het ook gewoon goed) en een volledige kinderdagopvang zodat ik weer 60 uur in de week kon werken (maar mijn kinderen maakten dat het allemaal anders kwam). Ik plande dat ik een boek zou schrijven (tot nu toe nog steeds niks van gekomen, maar dà ken nog, hè). Ik plande nog veel en veel meer. En nu, tien jaar later, is alles anders dan ik had gepland. Mijn leven kwam er zomaar ineens tussen…

En is dat dan goed, vraag je je…
Kijk, en dát maakt dus geen bal uit. Het is zoals het is. Het is gewóón simpelweg zo gegroeid. Vanzelf. Of ik ’t nou plande of niet. Het echte ‘leven’ als zodanig gebeurt je. Het ‘doet’ je. Je kunt natuurlijk je best doen om ‘verstandige beslissingen’ te nemen, maar zelfs van beslissingen is inmiddels in neurologische onderzoeken bewezen dat je die onderbewust (nanoseconden tot dagen tot weken) van te voren al genomen hebt voordat je ze uiteindelijk ook manifesteert. Hersenen zijn rare dingen. Maar door te reflecteren, door te kijken naar anderen, door zelfs te gaan nadenken over wat anderen van mij zouden vinden, kreeg ik stress, prestatiedrang, last van perfectionisme en werd ik steeds ontevredener met en onzekerder over mijzelf. Niet dat dat nou in één klap foetsie is hoor, helaas niet. In het boek noemt meneer Smit dit ‘kramp’. Ik heb geprobeerd mijn kramp weg te vreten. Werkte niet. Integendeel. Extreem afvallen deed de truc evenmin. Ik heb geprobeerd de boel dan maar te verdoven met alcohol. Werkte ook voor geen meter. Ik heb geprobeerd om er een hoop materieel spul tegenaan te gooien (mooie inrichting, kleren, electronische speledingetjes). Hielp niet. Ik heb meermaals geprobeerd het op te schrijven, mijn kramp te verwoorden. Lukte een beetje (vooral ook vanwege het gevoel van her- en erkenning dat dat schrijven genereerde) maar uiteindelijk zette het nog meer tot malen aan. En ik maal nog steeds. Maar nu in ieder geval met een ander grondbeginsel.

Het boek levert dan ook geen oplossingen, methoden of goeroe-denkwijzen. Alweer helaas, zou je zeggen. Maar dat had ik eerlijk gezegd ook niet verwacht. Enkel en alleen de inzichten die geleverd worden, zijn al bere-interessant. Ik zal nooit een heel spiritueel mens worden. Hoeft ook niet. Maar nadenken over mijn geestelijke krampen en tot het inzicht komen, dat ‘ik’ als zodanig enkel een idee, een concept van mijzelf ben, een imago dat in de loop der tijd in mijn hersenen gevormd is, dat werkt best wel heel erg bevrijdend. Het inzicht, dat enkel het nu telt en niet al die opgebouwde ik-omhulsels uit het verleden en ook niet al die geplande ik-vormen in de toekomst, zorgt voor meer acceptatie en bewustwording van het grotere geheel. Ja, my dear friend, dit is ik-denken op het allerlaagste nano-niveau. En zelfs dat is nog steeds te hoog. ..

I’ll get there.
Because there is no I.
And there is no there…

.

.

Blog n.a.v. het boek “Alles over Niets”, Samenstelling van Han van den Boogaard, Samsara uitgeverij bv 2013, ISBN: 978-94-91411-04-5
Een aanrader voor iedere hedendaagse, ik-denkende zoeker. De film is ook het verinnerlijken waard: hoge herkenningsfactor 😉

blog

Kom. Laat ik maar weer eens een blog schrijven.

Over de vakantie in Italië? Een blog over het huiske dat niet aan onze verwachtingen voldeed maar dat ik – op kosten van het resort – ‘verbeterd’ heb, over de gestoorde italianen die van service nog nooit gehoord hebben en rijden als maniakken, over de gekko’s die ’s avonds sprinkhanen vingen op de muur naast mij, over de Costa Concordia die nog steeds scheef ligt en over het strandje waar ik op de rotsen bijna gestorven ben? Ach nee…

Over mijn Nederlandtijd? Over vriendinnenbezoeken, #annelies, tranen met tuiten lachen, heerlijke dineetjes en een geweldige reünie van mijn lagere-schoolklas, waar ik mensen na bijna 30 jaar weer gezien heb en merkte, dat we gewoon nog hetzelfde zijn als toen en dat de school van binnen in werkelijkheid veel kleiner is dan ik in herinnering had? Ach nee…

Over de katten, mijn Stephen-King-obsessie, mijn stabiel mislukkende afvalpogingen, mijn zeker niet van de liefde knikkende rechterknie, mijn absolute chaostuin, mijn zomaar ineens whatsappende buurvrouw, mijn vreselijk onattente maar oh zo hard werkende en ondanks dat toch echt wel lieve man, mijn niet nader te noemen flirts, mijn stiekeme dingen die ik officieel niet heb,  mijn steeds slomer wordende en dus duidelijk aan een opruiming toe zijnde Nissan Note, mijn Audi met opvliegers in de vorm van ‘Motorsteuerungs’-problemen, de snelle maar wegens algeheel gebrek aan kinder-DVDs (in NL vergeten) slopende terugreis van Nederland naar huis, de overheerlijke opgewarmde zuurkoolstamppot met worst van mama die mijn heimwee vol geweld nieuw leven in blies, mijn persoonlijke en uitgesproken mening over Obama, Syrië, PRISM en de luierverwisselingsfrequentie van de hollandse bejaarden, de nieuwetijdse mummie van Nordrhein-Westfalen of mijn imminente salary cut.

Ach.
Nee.

Ik ga gewoon maar weer een lekker potje op mijn rug staan.
Knikkende knie incluis.

Hart verpand

aan Nederland.

Was altijd al zo, zal ook altijd zo blijven. Ik mag dan al zo’n zestien jaar weg zijn, ’t helpt geen bal inzake vaderlandsgevoel kwijtraken.
Ik hartje Nederland.

Vandaag zocht ik iets ‘rustigs’ om met de kinderen te doen. Iets waar ik geen kilometers voor hoefde te rijden (want geen eigen auto en snelkotsende kinderen), iets met een beetje natuur erin. Ik struikelde bij het zoeken naar ‘Uitjes in Dinkelland’ over het Lutterzand. Een paar handdoeken in een tas gepropt, kinderen in de auto (“Maham ik wil thuisblijven… Ik hou niet van wandelen. En niet van beekjes. En ook niet van vissen die in mijn tenen bijten”). Luttele 15km verderop stapten we uit.

Eén blik en de kinderen renden er gelijk op los. Een mul, grillig zandpad langs de Dinkel. Omgevallen boomstammen, zandduinen. Weinig mensen. 20130827_135055En veel zand. Heel veel geel zand. Heerlijk om met de blote voeten in te lopen. Bij de eerste inham van de Dinkel waar je bij het water kon komen, denderden ze naar beneden. Pootjebaaien in ’t gelige water, wat eigenlijk helemaal niet geel was maar kraakhelder. De gele zandondergrond gaf de kleur. Weer een stukje verder lopen. En weer een soort van strandje, dit keer groter. Onder de enorme loofbomen zat een heftig zoenend stelletje op een picknickdeken.
20130827_145042
“Mam, die wolln knutschen. Geh’ ma weida…” (oftewel: mam, die willen zoenen, lopen we een stukje verder). Hoe attent 🙂 Plek zat daar dus dat verder was ook een prima stukje natuur. Weer een baaitje. Een paar mensen lagen in het zand, een paar kinderen poedelden in het water. De mijne ook. En uiteindelijk ik eveneens. Wat een weelde. Het zacht stromende, heldere water over je voeten voelen glijden. De kinderen in hun element. Een lichte dennengeur van het gemengde bos. Grazende koeien in de wei ernaast. En een ijsje toe op het terras van het restaurant.

Thuis gekomen zet ik de samen met mijn mam alvast klaargemaakte pan met hummekessoep op het fornuis. Nog even wat fijngesneden prei en een verse rookworst erbij in. Oerhollandsche pot. En dubbelvla na.

Ja. Ik hou van Nederland.

20130827_135715   20130827_133419 20130827_133305  20130827_130448

20130827_131633

Mooie ziel

“Een mooie ziel gaat langer mee dan een mooi lichaam.”

Deze quote zag ik laatst op Facebook (dankjewel Sheila 😉 ). Dit zijn zinnen waar ik dan gelijk weer heftig over na moet denken. Klopt het wel? Ik geloof namelijk zelf niet in een hiernamaals of in het voorbestaan van de ziel als zodanig. En wat is een ziel überhaupt… Een forse bundel neuronen, synapsen en hersencellen die samen het bewustzijn van een menselijk wezen vormen. Staken die fysieke dingen hun werk, is er ook geen ziel meer…

Oh, en wat is dan een mooi lichaam? Een slank, gespierd, gazelle-achtig lichaam voor een vrouw? Een zo mogelijk nog gespierder, gestaald, sportief en gebruind instantsixpacklichaam inclusief sixpack voor de man? Feit is, dat lichamen die gezond en gespierd zijn, het over het algemeen (uitzonderingen daargelaten) langer doen dan het onfitte, slecht onderhouden lichaam. Maar zo’n perfect body hoeft dan dus weer niet per definitie een mooie ziel (ik prefereer: een mooi karakter of een mooi persoon) te herbergen. Dat is dan waarschijnlijk ook waar deze zin op doelt.

Ik weet wel, dat ik zelf geen ‘mooi lichaam’ heb. De boel doet het, maar daar houdt ’t ook mee op. Ik moet bekennen dat ik eigenlijk een bloedhekel aan sport heb, ik doe het omdat ’t mot. Het is ‘goed’ voor me. Ik heb veel pijn (geen idee wat de oorzaak is), ik heb volledig kapotte knieën (meerdere operaties, kruisbandplastiek, scheuren in de botten) en chronische, bij tijden meer dan heftige rugpijn (nu bijvoorbeeld). Als ik niet sport, wordt dat alles nog pijnlijker, dus ik móet wel. Ik ben naar de huidige BMI-maatstaven ook absoluut veel te zwaar. Maar!! Ik ben ook zacht en rond (“met veel knuffelvlees”, ook zo’n toffe facebookvondst). De hoop op dat slanke, gespierde lichaam laat ik onbewust maar des te realistischer en zekerder steeds meer varen. Oh, ik ben best gespierd hoor, jawel jawel. Alleen zitten die spieren in een verrekte goeie laag isolatie verpakt, dus je ziet ze niet. Maar geen jam- of augurkenpot die ik niet open krijg.

Met die langzaam maar gestaag van mij wegvarende hoop rest mij dus enkel nog het mooier maken van mijn ziel. Mens sana in corpore sano is ook niet meer mogelijk want mijn geest als zodanig is redelijk ziekelijk (ik noem even mijn heerlijke multiple personalities en mijn joy van een dirty mind, de minority reports laat ik gemakshalve maar achterwege), maar in de meeste opzichten dan wel op een prettige manier. En daar moet mijn lichaam het dan maar mee doen. Dus: hou ’t uit jonguh, want mijn ziel danst nog lang en vrolijk verder!!

…en dan

… en dan schreeuw ik mijn smart uit wronglove
maar je hoort het niet.

… en dan toon ik mijn innerlijkste aan jou
maar je ziet het niet.

… en dan werp ik mijn gevoel te grabbel
maar je begrijpt het niet.

… en dan vraag ik één enkele échte zoen
maar je geeft hem niet.

wrong time.
wrong place.
wrong person.

Next…

VAAKAAANSIE!

Mannnohmannnnn wat ben ik daar aan toe…

Voor man en kinderen is dat nu daadwerkelijk zover. Zomervakantie. Negen weken lang. NÉGEN weken! Ik durf het bijna niet te zeggen maar echt, dit is te lang… Vijfenzestig dagen lang (jaja, ik heb nageteld) vierentwintig/zeven echtgenoot en kroost om mij heen. Elk jaar weer een beproeving van en voor mijn opperste ikje. En van onze relatie, dat kan ik u wel vertellen. Het enige ‘vakantieïge’ hieraan voor mij is het feit dat ik minstens twee maanden lang niet om 6:15h op hoef te staan. Dat maakt veel goed. Maar dan nog is mijn neiging om te vluchten verdacht groot. Ik hoop maar dat man heel veel gaat racefietsen. En dat het heel mooi weer gaat worden (hopen mag, hè?) zodat ze veel in het zwembad liggen en niks van mij willen.

Vandaag bleek wel weer hoe erg ik aan vakantie toe ben: op hun laatste schooldag haalde ik de kinderen dus te laat op. In de vaste DespicableMeveronderstelling dat ze om 9:30h vrolijk de school uit zouden komen stormen deed ik nog gauw even de boodschappen (o.a. ijs en kinderchampagne om de vakantie goed in te luiden), bracht de boel nog snelsnel naar huis en zag om twaalf over negen dat er ondertussen iemand gebeld had. Onbekend nummer.  Ik belde meteen terug. De moeder van een klasgenootje van Dochter. “Ja, je dochter staat hier te huilen, kom je je kinderen alsjeblieft gauw ophalen??”
Kaaa!!!
Uuuuu!!!
Teeeee!!!
Niks half tien!! Negen uur dus. Met meer dan 100km/h de berg af naar school gesjeesd om mijn verdrietige kinderen met hun rapporten alsnog in de armen te sluiten (en de moeder, die gebeld had, met rode wangen van schaamte uitvoerig te bedanken…)

Dochter had al visioenen hoe man en ik alleen op vakantie zouden zijn gegaan. Zoon zei enkel droog dat-ie wel naar huis was gelopen maar dat zijn zus niet wou. Ze hadden alles afgezocht naar mij. Maar ik was er niet. Ook de gelegenheid om de juffen nog even een hand te geven en te bedanken was hiermee al lang en breed vervlogen. Tja. Oh, er zijn ergere dingen, absoluut. Maar geloof mij, ik voelde mij verschrikkelijk. Een slechte moeder. Een een chaotisch rund. Dat ook. Despicable me…

Om het weer een béétje goed te maken heb ik ze meegenomen naar de bioscoop. En wat keken we daar?? Juist. Despicable me 2. Hoe passend. Superleuke film. Chips, popcorn en fanta present. Helemaal goed. Én we hebben gelachen. Heel veel gelachen. Daarna nog een rondje Mc Donalds (Nee, echt, dat doen wij NIET elke week, hooguit eens per twee maanden maar de kinderen vinden het nog steeds geweldig en nu helemaal omdat er Minions bij de Happy Meals zaten. Een must, quasi…)

Nu hang ik achter mijn laptop, de kinderen hangen op de bank en kijken iCarly. Allemaal uitgeteld. Mijn vakantie is begonnen: Mijn massagemat kneedt mijn zere rug, ik moet even niks meer, de kinderen gaan zometeen zelf naar bed (kunnen ze), en dan pak ik een groot glas wijn.

Want het is vrijdag.
En zomervakantiebegin.
En al was het dat niet, dan nog.
Morgen uitslapen.
Mensch nochmal.
Wat wil een mens nog meer…

kokosnooit

Geen idee wat ik hier nu neer moet zetten. Ik ben leeg. En compleet vol. Vol van alles. Fed up. Zoiets. Helemaal moe. Mat. Op. Ik kan me niet herinneren me zo leeg en tegelijkertijd zo compleet zat van het geheel gevoeld te hebben. Het enige wat ik wil is weg. Even weg van alles om weer helemaal alleen te zijn. Alleen met mijzelf. Oh ik ken mezelf. In no time zou ik niet meer alleen willen zijn omdat ik mijn kinderen en mijn man en iedereen om me heen mis, maar nu wil ik het even. Heel erg. Alleen. Niks meer moeten. Aan een compleet verlaten strand zitten. Voeten in het zand wurmen en het zilte zeewater erover heen laten spoelen. Alleen. Niemand die wat van me wil. Niks wat ik nog moet regelen. Niemand waar ik voor moet zorgen. Niemand die me kan bekritiseren. Niemand die me erop wijst wat ik allemaal niet goed doe. Omdat ik niks hóef te doen. Dan kan ik ook niets fout doen. Niemand die ik tevreden hoef te stellen. Niemand die ik hoef te voeden. Behalve mezelf. Met een kokosnoot. Vanuit de hoogste boom. Direct op mijn voorhoofd. Boem. En zoals we allemaal weten: Boem = Ho. Laat ik nou toch kokosnooit typen…

(een eerstegedachtesblog. Zonder editing, zonder verbeteringen, gewoon zonder te kijken neertypen wat er in me opkwam. Dit dus.)

(NB: klopt niet. Toch editing: Ik heb de eerste kokosnooit zonder na te denken in kokosnoot veranderd. Damn, nu typte ik alweer kokosnooit. En meteen weer verbeterd…)

Do I bore you?

Tell me, do I bore you?bored

Adore me.
like you did back then.
Ignore me.
while you still can.
Explore me.
Come in and  find out.
Go for me.
will you still scream and shout?
War me.
fight love with all your might.
Ask for me.
when you’re lonely at night.
Whore me.
well, I would pay for myself…
So store me.
on your cramped asset shelf.
You swore me.
you played your last card.
Now floor me.
and crush my still devoted heart…

Tell me, am I really such a bore?
You’ll keep on leaving me,
just a bit more.
but please, darling, from now on,
use the back door?

.

.

(c) Lou

geflipt

Zojuist ben ik volledig uit mijn slof geschoten. Dat gebeurt me niet vaak, maar daarnet was het zover. Eerst een heerlijk rapportgesprek over dochter, met dochter erbij. Mij wordt verteld dat madam veel teveel praat, heel snel afgeleid is door haar eigen gerebbel, anderen van het werk houdt (om ze vervolgens uitgebreid te gaan helpen met hun opgaven maar haar eigen taken vergeet) en waarschijnlijk tóch dyslectisch is gezien haar stand van (niet) begrijpend lezen.

Thuis gekomen bestelt miep de troela een dubbel spiegelei op brood en een glas water. De huisslaaf doet haar werk. Daarna rukt huisslaaf de nintendo uit de dochterhanden en maant tot het maken van het huiswerk. Onder protest en met opgetrokken knieën neemt ze haar rekentaak voor zich. De eerste vraag:
“Een boer verkoopt 15 liter melk en 3 liter melk. Hoeveel liter melk heeft de boer verkocht?”
Dochter jammert erop los.
“Hoe moet ik dat nou weten? Ik kan niet met liters rekenen. Is dit een min- of een plussom?”
“Nou dát moet jij dit keer toch echt uitzoeken lieverd, dit ga ik niet voorkauwen”
“Wèèèh, nou dan is het een minsom.”
“Pfffffff echt… kijk. Ik verkoop jou vijf potloden [*5 potloden aan dochter geeft*] en nog eens 3 potloden [*nog drie potloden geeft*]. Hoeveel potloden heb ik jou nu verkocht?”
“Teveel om vast te houden!!!”
“Kom op zeg, hoeveel????” [*Het geluid van wegklaterend geduld hoort*]
“Euhm. Acht.”
“OK. was dat een min- of een plussom?”
“Een minsom”
[Met hoofd op tafel bonkt]
“Waarom?” [Hoe krijg ik die vraag er nog zo rustig uit??]
“Nou, je hebt ze toch verkocht? Dan heb je ze niet meer”
[Nog harder op tafel bonkt]
“Nee schatje, ik heb er jou vijf EN drie verkocht. Hoeveel heb ik je er in totaal verkocht?”
“Je hebt ze helemaal niet verkocht. Je hebt ze me gegeven.”
“HOEVEEL!?!?!?”
“Acht.”
“DUS????”
“Dus is het een maalsom. Want een minsom is het niet en een plussom ook niet.”
“AAAAARGHHH!!”

En toen sloeg ik kneiterhard met mijn hand op tafel (i.p.v. op haar hoofd, dat dan wel weer) en gilde dat ze dan de hele kolererotzooi maar op haar kamer moest gaan maken omdat ik dit soort onnadenkende opperstommiteit werkelijk niet langer kon verdragen, waarna dochter met huiswerk en al luid huilend de trap op denderde. Ik was geflipt. Zonder zelfs tot tien te tellen. Nou heeft dat afwezige lontje van mij absoluut weer iets te maken met de tijd van de maand (die dan weer niet komt waardoor ik nog sneller explodeer) maar dat maakt mijn reactie niet minder pedagogisch onverantwoord. I’m sorry. I’m only human. A menopausal pre-nonmenstrual human. Op dit soort tijden zou gewoon niemand in mijn buurt moeten komen.

Dochter bonkt stampend en schoppend door haar kamer, luid brullend. Na vijf minuten komt ze de trap weer af.
“Ik weet het nog steeds niet maar ik wil nu eerst knuffelen.”
Pfiewww. Er wordt geknuffeld.
“Het is een plussom hè?”
“Ja lieffie, er staat “EN” in de som. Dat is altijd plus.”
“Waarom zeg je dat dan niet gelijk…”

Zucht. Geduld is een schone zaak.
Op naar de volgende som…

Fietsen voor gevorderden

Daarnet moest ik Zoon ophalen van school. Hij heeft namelijk vandaag zijn fietsdiploma gehaald. Een kind van tien mag hier niet zomaar op straat fietsen: het moet daar een officieel fietsrijbewijs (een ambtelijk papiertje mét foto etc.) voor hebben. Heb je dat niet, mag je tot en met je twaalfde enkel onder begeleiding van een volwassene op de openbare weg fietsen.  En dat is – naast erg lastig voor de desbetreffende ouders – mega-uncool.

Nou moet ik bekennen dat ik hier in Oostenrijk geen fietsmens ben. In Nederland was ik dat wel: ik hou van fietsen op langgerekte, vlakke, brede fietspaden door de weilanden en langs de rivieren. Maar dat kleien tegen de berg op vind ik fietsronduit crimineel. Man is daarentegen een fietsfanaticus. Minstens drie keer per week zit hij op zijn supersonische racefiets of op zijn sooperdooper carbon-mountainbike en scheurt tientallen (honderden?) kilometers in de rondte. Per jaar zijn ’t er minstens anderhalf tot tweeduizend. Berg op, berg af. Er is niks mooiers volgens hem en daarom snapt hij er ook geen bal van dat IK dat nou net níet leuk vind. En dan is ‘niet leuk’ nog een understatement. Ik vind het oerstom (tegen een berg op lopen vind ik al niet echt geweldig, tegen een berg op fietsen is voor mijn het toppunt van onzinnigheid) en uiterst pijnlijk (geen zadel waar ik langer dan een half uur normaal op kan zitten zonder dat mijn zitbotten het uitschreeuwen). En de opmerking “oh maar dat went wel” kan ik ook al niet meer horen. Nee, het went niet!! Het blijft pijn doen en ik wil geen eelt op mijn zachte achterwerkvetlagen, om de geïrriteerde clitoris maar even buiten beschouwing te laten.  Ik had dan tot voor kort ook een perfect alibi om niet te fietsen: ik had geen geschikte fiets. Een oudhollandsche fiets met drie versnellingen is geen doen hier en de oude mountainbike van Man had Zoon inmiddels al. Dus: ik kon niet! Joepie!! Helaas. Man had afgelopen week bij de Aldi ineens een fiets in de aanbieding gekocht. Voor mij. Een Trekking Bike (m.a.w.: een normale, sportieve, redelijk lichte damesfiets met 24 versnellingen voor luttele tweehonderd eurootjes die we eigenlijk wel beter kunnen gebruiken op dit moment). Maar goed, nu kon ik dus ook fietsen. En oefenen met Zoon. Wel verdorie nog an toe.

Nou hebben wij de pech, zelf ook op een berg te wonen. Voor Oostenrijkse begrippen in ieder geval een heel behóórlijke heuvel. Eraf gaat prima, maar er tegenop is ronduit Scheiße. Het fietsparcours van de proef is echter beneden in ’t dorp. Daar staan dan op het moment suprême – naast een kunstmatig stopbord – een stuk of drie gebarende en grinnikende politieagenten om de kinderen te beoordelen op hun rijkunsten. En daar moesten wij dan dus ook heen met hem om te oefenen. Berg af, acht keer dat geijkte rondje kneuren (waar óók nog weer heuveltjes in zitten want hier is praktisch niks plat), een hoop geschreeuw en gevloek en dan weer de berg op. Driewerf bah. Maar ik moest wel: man had écht geen tijd en er moest toch geoefend worden. Niemand rijdt hier zonder helm (wat bergaf ook best zinvol is) dus ik in dit geval ook niet. Zwéten in dat ding joh! Uiterst kapselongunstig.

Tot mijn allergrootste vreugde is Zoon geslaagd vandaag. Smile van oor tot oor. Bij hem ook. En ik mocht hem natuurlijk weer op gaan halen. Met de fiets? Neuh. Man is niet thuis en ik heb toch een Oudi? Bovendien weet ik vanzelfsprekend héél goed hoe ik de achterbanken plat leg en een fiets erin moet proppen. Twee kinders op de voorste stoel (mag ook niet but so what) en ik kar heel gemoedelijk en blij de berg op. Wat een weelde. Ik ben voorlopig wel weer klaar met dat gefiets. Dit bergfietsen hier is fietsen voor gevorderden. Ik ben en blijf gewoon lekker een beginneling.

ah toe, lach ‘ns…

Nee.
Ik lach niet.
Niet standaard.
Niet op elke foto in ieder geval.

Elke keer wanneer ik mijn profielfoto op facebook verwissel, komen er opmerkingen over het feit dat ik niet (voldoende) lach. Voor mijn gevoel glimlach ik wel op de meeste foto’s maar blijkbaar niet zoveel dat mensen het herkennen. Ik kan mensen er dus niet van te overtuigen dat ik hieperdepiephoerahappy ben. Nou ben ik o.h.a. ook niet 24/7 himmelhochjauchzend glücklich; de meeste tijd ben ik gewoon neutraal. Alles OK, niet depressief, niet zielsgelukkig. Gewoon gewoon. Neutraal. En als ik mij neutraal voel, kijk ik ook neutraal. Alleen is het mijn pech dat mijn ‘neutrale’ blik mij er blijkbaar hoogst chagrijnig uit doet laten zien.

Ik heb nogal grote tanden (hoewel er bij de voortanden bijvoorbeeld al ca. 1,5 mm vanaf geslepen is door de tandarts, o.a. vanwege een ongevalletje met een wekker). En ik heb dik tien jaar lang een beugel gehad. Maar ook al weet ik dat ik nu prima tanden heb (door alle procedures redelijk recht, sterk en aardig wit, best mooi), in mijn hoofd zit nog steeds die drang om mijn mond dicht te houden, om de boel te bedekken. De foto’s waar ik dus daadwerkelijk breeduit lach, zijn erg schaars.

Lieve mensen, geloof mij. Ik ben best happy. Ik ben tevreden. Ik ben per definitie geen chagrijnig mens. Ik vind mijzelf enkel mooier/beter/interessanter/whatever met de mond dicht. Klappe zu. Daarmee zult u het dus moeten doen.
Maar ik ben de kwaaiste niet:  voor iedereen die mij elke keer opnieuw zo graag lachend zou willen zien, heb ik dus even een samenvatting van de ‘lachende Lou’ gemaakt.

Bij deze:

smile

En nu niet meer zeuren.
Ik kan het.
Ik kan lachen.
Ik doe het gewoon niet zo heel vaak.
Zo ben ik nu eenmaal.

Standaard zondag

Gewoon een standaard zondag.
In Oostenrijk toevallig ook vaderdag, een week eerder dan in Nederland maar ze zijn hier sowieso standaard vroeger met alles. Van opstaan tot kinderen krijgen, van uitgaan tot vaderdag, alles is vroeger. De ochtendseks was dus ook vroeger want ik moest nog samen met de kinderen tafeldekken voor de heer des huizes. Wij doen niet aan ontbijt op bed, daar hebben wij een gruwelijke hekel aan.  Het zelfgebakken brood geurde, de standaard knutseldingen waren verstopt, het standaard bloemetje uit de tuin stond naast zijn bord (en staat nu voor mijn neus te verleppen).

Dochter leest haar gedichtje voor, zoon mompelt ook (een standaard) iets. StandaardZondag3Man pakt vol enthousiasme zijn gevilte sleutelring en zijn placemet uit, om zich vervolgens – zoals altijd – uitgehongerd op het ontbijt te storten. Vervolgens mag hij doen waar hij zin aan heeft en dat is standaard klussen. Ik lig op de loungeset en kijk toe. Eigenlijk wou ik gelijk na het ontbijt hardlopen maar ik geef het toe: ik ben te lui. Nu nog althans. Zoon drentelt om man heen, wil koste wat ’t kost helpen. Dochter plonst al lang en breed samen met buurjongetje in het zwembad. De tuinspots moeten gemonteerd worden en zoon mag helpen om de draadjes aan elkaar solderen. Man vloekt: zoon soldeert zijn wijsvinger een beetje mee. Man legt de gloeiend hete soldeerbout even op de grond voor verder gebruik en zoon, inmiddels in zwembroek op weg naar het zwembad, stapt er met het volle gewicht op. Hij stort meteen ter aarde, schreeuwt het uit. Man ziet niet wat er gebeurd is en maant hem tot minder meisjesachtig gegil, hij is toch enkel gestruikeld? Ik denk “oh shit, hij heeft op een bij of wesp getrapt” en snel toe. Dan zien we de schade: een perfecte, lijkwitte, opzwellende afdruk van de soldeerbout onder zijn voet. Ai. Ik sleur hem naar het zwembad – lang leve het zwembad – en de trap op alwaar hij bijna drie kwartier lang met zijn voet in het nog koude water zit. En hartverscheurend huilt..StandaardZondag2.

Ik maak hem uiteindelijk een voetenbad met koud water, haal zijn boek, wat te drinken, paracetamol enzovoort en draag hem op mijn rug naar de tuinstoel waar ik hem installeer. Man voelt zich duidelijk enorm lullig op zijn vaderdag. “Had ik dat ding nou niet daar neergelegd, had ik ‘m maar in de standaard gezet… stom stom stom…” je hoort het hem denken. Ondertussen belt de moeder van het vriendinnetje waar dochter gisteren de hele middag was: “Ja sorry, maar wij hebben allemaal luizen, dus check je dochter ook even?”
Aargh…

De buurvrouw had me gisteren al om luizenshampoo gevraagd voor haar jongens en zoon zelf had ook al bultjes en jeuk op zijn hoofd. Ik denk nog steeds dat het muggenbulten zijn maar voor de zekerheid heb ik zijn haar gisterochtend al gemillimeterd. Daar is geen luis of neet meer op te bekennen, ook al hadden ze er gezeten. Maar aan de luizenkammerij ontkomen we niet. Dochter stuur ik naar boven om haren te wassen, spray haar vervolgens in met antiklitspul (klinkt dat… ehm… interessant) en ga met de netenkam aan de gang. Dochter vindt ’t prima, die is gek op alles wat met haargepruts te maken heeft. Of het nou een netenkam is of vlechtjes. Haarfriemelen is altijd goed. Gossie, wat lijkt ze toch op haar moeder.

Ik installeer zoon, inmiddels met behandelde en verbonden voet, StandaardZondag1op de bank voor de TV met een bak cereals en ga een standaard driekwartier sporten in de kelder. Daarna haren wassen en mezelf glink onder handen nemen met diezelfde luizenkam. Geen luis te bekennen, ook geen neet (bij dochter trouwens ook niet, pfiewwww). Maar wel een kop vol megagladde, superstatische haren. Opluchting alom. Wij zijn vooralsnog luisvrij. Preventief verwissel ik toch nog snel het beddengoed en gooi de boel op 90°C in de wasmachine. Je weet maar nooit hè… gespuis…

Man gaat fietsen met de buurman. Mag-ie mooi doen op vaderdag. Ik gooi een kip in de oven en zet de frituurpan klaar. Kip met frieten, zijn standaard lievelingseten. De obligatoire groente zoek ik zelf uit, die is sowieso onbelangrijk. Zoon is inmiddels naar het zwembad gestrompeld en peddelt op een luchtbedje rondjes door het water. Dochter speelt met buurjongetje badminton. De rust is wedergekeerd. Ik neem een roséetje en typ een blog. Bij deze. Een standaard blog.

Golden Earrings

earring-collageYep. Meervoud.

Ik heb deze week duidelijk een “terugvindweek”. Eerst mijn beestachtige rubbertriootje (zie vorig blog). En nu… Gistermiddag was ik boven op zolder in een doos (van de zolder van pap en mam naar berging in München (adres 1, 2, en 3) naar de zolder van schoonmoeders naar onze zolder, wat een hoop zolders…) aan ’t graven en stuitte mijn pink op een klein hardkartonnen doosje. Het zal toch niet waar wezen hè… ik vroeg me al tijden af waar ze ooit gebleven waren. Mijn eigen erfstukken. Mijn hoofdherinneringen aan vroegere prachttijden, mijnearring-meloentjesoorversiersels waar stamhoofden in Afrika jaloers op zouden moeten zijn.

En ineens waren ze er weer. Mijn slangen. Mijn meloenen. Mijn gitaartjes. Mijn gouden mega-ringen.
Mijn statussymbolen. Hoe groter hoe beter. Wat een lading onartistieke blingbling en metaalwaaiers had ik in de oren… Een vereiste was wel dat de oorlelversiersels ‘licht’ waren want ik had (heb) nogal gevoelige oren. En ik wilde absoluut geen hanglellen, dus geen zwaar geschut aan mijn hoofd.

Die slangen waren (en zijn) opperspeciaal. Die hebben mij in vele interessante situaties begeleid. Mijn nichtje zou ze zich theoretisearrings-snakesch ook moeten kunnen herinneren want mijn slangen waren erbij toen we op de Groningse indoor-kermis zesenveertig keer in ’t karretje van de ‘spin’ mochten blijven zitten. Procedure: Eerst heftig flirten met de kermis-boy en een attractiebakje spotten wat niet meer vanzelf ontgrendelt. Ieder drie muntjes kopen, zorgen dat je in dat bakkie komt te zitten en na drie keer heel lief vragen of je pllleeeassse nog ééééén keertje mag? En bij de vijfde keer dan heel wanhopig gebaren dat je er niet meer uit kunt. BINGO!! Meneer vond ’t klaarblijkelijk leuk en liet ons lekker zitten. Tot 46 keer toe. Daarna ben ik nooit meer in de spin geweesearring-gitaartjest. Niet met mijn oorslangen althans 🙂 Maar ik heb ze werkelijk heel erg veel in gehad tijdens mijn middelbare schooltijd. Menig jongenstong kwam er ook wanhopig mee in de knoop 😛 Maar mijn oppertrots waren toch wel de gitaartjes. Ik vond ze geweldig. En nog steeds… Alleen voel ik me nu raar genoeg  toch een beetje te oud om met deze dingen in de oren rond te gaan lopen. Al zou ik het gewoon moeten doen. Lak aan leeftijd. Ik ga mijn gitaarkunsten ook maar weer eens oppakken geloof ik.

Toch leuk dat een mens zoveel herinneringen op kan rakelen door een simpel kartonnen bakje met ouwe oorbellen… (god ik word echt oud :-S).

Rubber triootje

Met zo’n titel willen de pageviews vast wel komen. Maar daar gaat ’t natuurlijk niet om. Het gaat hier om nostalgie. Om jeugdsentiment. Ja, alweer. God ik word oud… Ach, gelukkig wel.Rubbertrio

Mijn ouders brachten laatst wat kisten en zakken met oud speelgoed van mij mee. Playmobil (inclusief prinses en indianentent), mijn oude legotrein, nog meer legospul en wat andere pruttel. Het staat nu alweer een tijdje boven op de overloop, ik wil het allemaal nog bekijken en uitsorteren. De trein evt. ‘renoveren’ (kapotte delen en wielrubbertjes bij Lego nabestellen). Gisteren hebben de kinderen er al in zitten graven. Logisch, als je bakken vol playmobil en lego op de gang laat staan, dan trekt dat. Vanochtend stommelde ik op zijn zondags naar de WC en ineens lag daar mijn rubberpaard (een schimmel, dat ook nog) op de grond. Ik keek stomverbaasd naar het ding en toen in de bak ernaast. Euforie.

Mijn rubbergiraf EN mijn rubberezel (hé, “rubberezel” bestaat blijkbaar in de Nederlandse thesaurus, de spellingscontrole accepteert het. Rubbergiraffen bestaan duidelijk minder, gezien het rode golflijntje) liggen er ook in. Mijn buigbare benenknoopbeesten!! Wat heb ik daar als klein kind veel mee gespeeld. Ik moet toegeven, ze zien er redelijk anorexia-achtig uit, maar het ijzerdraad was toen eenmaal niet dikker. En nu nog steeds niet trouwens. Dát was nog eens rubber van kwaliteit. Vol met die heerlijke ouderwetse, geweldig werkende weekmakers want het rubber is nu, dik 35 jaar later, minstens net zo buigzaam als toen. En mijn beessies ruiken ook zelfs nog precies zo rubberachtig! Ietwat minder nostalgisch daarentegen: de kauw- en sabbelsporen van toen zijn nog steeds zichtbaar…

Paard heeft zijn make-up nog steeds op: een prachtig groen pseudocirkeltje boven zijn linker wenkbrauw. Zelfgetekend. Ezel heeft wat extra zwarte strepen op hals en kop. Giraf mist al zijn giraffenvlekken. Die waren blijkbaar té lekker… Ik moet de hoeven ook duidelijk eens bijwerken. Dat deed ik toen al vol overgave: de boel mooi nakleuren met pa’s dikke eddingstift. Om dat er dan vervolgens weer lekker uitgebreid af te sabbelen. Het smaakte zo… zo… zo lekker naar eddingstift met rubber. Misschien is mijn huidige migraine wel een erfenis van mijn kinky hoefsabbelarij, who knows… Interesseert me ook niet, ik leef nog. En hoe. Mijn rubber triootje is weer present. Hoewel ik niet eens meer wist dat ik ze ooit had, heb ik ze echt gemist.

Ik ga spelen.

Applaus

Is mijn hand tot
een vuist gebald,
open jij mijn vingers en
legt je hand in mijn.
Je fluistert zinnen
zo goed doordacht
door al het lawaai heen
alsof ze een kompas zijn.

Applaus voor
al jouw woorden
zo waar en zacht.
Mijn hart opent zich
op het moment
dat jij lacht.

Is mijn aarde eens
een harde platte schijf
maak jij haar toch
weer heel en  rond.
Voert mij op
jouw tedere wijze
de verziendheid
uit jouw mond.

Applaus voor
jouw manier
die mij doet leven.
Ik wens zo zeer
dat je dit altijd
zult blijven geven…

Wil ik weer eens
met mijn harde hoofd
dwars door de muur,
druk jij mij een helm
en een hamer in de hand.

In jou brandt vuur…
.

.

.

Gebaseerd op de songtekst van “Applaus, applaus” van Sportfreunde Stiller.
.
prachtige song. Vind ik dan.

alfabetvragerij

Met dank aan Nanda ga ik nu iets doen wat ik (voor zover ik me kan herinneren) nog nooit eerder gedaan heb op m’n blog: een vragenlijst invullen. Over mezelf. Dat interesseert natuurlijk geen kip. En geen hond. En de hond wederom geen moer. Maar ach, leuk om te doen is het wel. Over jezelf nadenken en dingen weer in de herinnering roepen (zeg je dat in het Nederlands? Of maak ik mij nu weer schuldig aan een germanisme?).
Nou ja. Bij deze:
Lou from A to Z.

Age: Constructiebegin: ergens begin februari 1971, afwerking: ca. 9 maand later. Maakt mij 41,5 jaar en een paar weken oud at this very moment.

Best friend: Poeh. Moet ik nu namen noemen? Ik ben gezegend met meerdere heeeeeeeeeeeeeeeeeeel goeie en gewaardeerde vrienden en vriendinnen. Die me allemaal net dát stukje speciale liefde geven dat ik van diegene nodig heb en wat ik uit alle macht probeer te beantwoorden. Stuk voor stuk op hun eigen manier überbelangrijk voor mij. Dus namen noemen heeft geen zin.

Chore you hate: Bij uitstek: strijken. Extreem stom werk. Doe ik dan ook hooguit eens in de anderhalve maand, als man echt geen overhemd meer heeft om aan te trekken (En nee, hij strijkt niet. Hij trekt dan nog liever een vuil t-shirt aan naar zijn werk). Voor de rest: kreukels zijn best mooi. En mijn kleren zitten standaard zó strak dat als ik ze aantrek, strijken echt niet meer nodig is.

Dreamhouse: Eigenlijk woon ik daar al in… Het is precies de juiste grootte, knus maar met een ruim gevoel, eigen ontwerp en bouw, met een behoorlijke tuin, leuke buren en een mooi uitzicht. Het staat exact daar waar ik vaak het gevoel heb, dat de wereld nog een beetje in orde is.  De kinderen kunnen vrijelijk buiten spelen. Er zit precies voldoende comfort in dit huis. Een penthouse met terras, gelegen in een park in een grote stad vind ik ook wel wat hebben hebben hoor. Maar daar heb ik al tien jaar in gewoond. Dit huis is dus nóg beter. Het enige nadeel: het is zo’n klere-eind van Nederland vandaan…

Essential start of your day: De wekkerS. Anders start mijn dag pas een halve dag later. En dan… is er koffie…

Favorite colour: Groen. En dan vooral stoplichtengroen. En mosgroen (hebben we op de woonkamermuur). En warmrood (hebben we ook in de woonkamer). Qua kleding: zwart (hoe kan het anders hè, met mijn figuur…)

Gold or Silver: Gold. It really is all gold that glitters. And some other stuff too, but that doesn’t count.

Height: 177cm (blij dat ze Width niet vragen…)

Instruments I play: Gitaar (kon ik ooit redelijk goed, heb ik volledig laten verslonzen maar vind ’t nog wel steeds leuk) en drums (maar ik oefen te weinig…). Daarnaast kan ik blokfluit spelen en tweehandig Für Elise op de piano ook. Maar dat dan puur op gehoor. Noten lezen is nooit een sterke kant van mij geweest :-S

Job Title (most recent): Chefke. Boss van eigen toko. Een heul kleine toko, dat wel. En ‘huisslaaf’.

Kids: Een redelijk dochterachtige zoon van momenteel 10 en een zoonachtige dochter van 7.

Life is incomplete without: tja. Ik kan nu natuurlijk wel van alles roepen: mijn kinderen, mijn man, mijn familie, koffie… Maar mijn leven zou zonder mijzelf pas écht incompleet zijn… (oh en ja, life without laptop is ook ondenkbaar 😛 )

Music that you always listen to: Met stip op nummer één:  P!NK. Daarna volgen: Bon Jovi, Alanis Morissette, MUSE, Bruno Mars, Lana del Rey, Lily Allen, Genesis, HIM, Anastacia, Falco, Christina Perry, De Dijk, Bruce Springsteen, Prince, Lenny Kravitz, Dido, euhhh… need I go on? Heavy mainstream gedoe dus.

Nickname: Lou 😀 .
M’n duitse kliek: Luzie.
M’n mams en 1 vriendin: Loezie.
M’n mams alleen: Mien tuddeke.
M’n man: Loesje (en dat “-je” is soms best sarcastisch bedoeld)
Online fora: Lois (ja, die van Lane).
M’n kinderen: MAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAMAAAAAAAAAAAAAAA!!!
En verder: Hey Du da!

Overnight hospital stays: ergens in de 90-er jaren: een kruisbandplastiekoperatie (nieuwe kniekruisband, gevormd uit mijn patellapees, vastgezet met botpluggen). En als kind van een jaar of 3 (?) heb ik ooit eens een punaise opgevroten en is mijn mam met mij naar ’t ziekenhuis gerend, alwaar ik één of andere ontbijtkoek moest eten waarmee de punaise uiteindelijk de volgende dag weer naar buiten werd getransporteerd en mijn moeder deze in een zakje meekreeg. Voor hergebruik enzo. Verder zou ik het niet weten.
[EDIT: ja ja ik weet er nog eentje!! Bij de geboortes van de kinderen heb ik ook in het ziekenhuis gelogeerd. Dat was (en is) standaard in Duitsland. Ik was dus niet ziek, ik moest gewoon een kind op de wereld zetten.]

Phobias or fears: Ik ben als de dood voor bang zijn…

Quote of a movie: Uit Trainspotting: “Choose life. Choose a job. Choose a career. Choose a family. Choose a fucking big television, Choose washing machines, cars, compact disc players, and electrical tin can openers. Choose good health, low cholesterol and dental insurance. Choose fixed-interest mortgage repayments. Choose a starter home. Choose your friends. Choose leisure wear and matching luggage. Choose a three piece suit on hire purchase in a range of fucking fabrics. Choose DIY and wondering who the fuck you are on a Sunday morning. Choose sitting on that couch watching mind-numbing spirit-crushing game shows, stuffing fucking junk food into your mouth. Choose rotting away at the end of it all, pissing your last in a miserable home, nothing more than an embarrassment to the selfish, fucked-up brats you have spawned to replace yourself. Choose your future. Choose life . . . But why would I want to do a thing like that? I chose not to choose life: I chose something else. And the reasons? There are no reasons. Who needs reasons when you’ve got heroin?
Ik oefen nog steeds wekelijks om deze quote uit mijn hoofd te kunnen opdreunen. Dagelijks heb ik opgegeven.

Reason to smile: Life. (Reason to cry: Life too).

Siblings: My one and only, lovely, beautiful big sister.

Time you wake up:  Doordeweeks: Te laat. Ondanks lichtwekker (werkt voor geen meter in de zomer) en een extra radiowekker (die man aan zijn kant uit mag meppen). In het weekend: Te vroeg. Voor half 10 uit m’n nest komen is dan eigenlijk een no-go. But shit happens. Letterlijk…

Very important date this year: Morgen. Morgen is altijd het allerbelangrijkst dit jaar. Elke dag opnieuw.

Worst habit: Onzekerheid. Gék word ik er van. Altijd denken dat je het niet goed doet, niet goed genoeg bent, mensen je achter je rug om uitlachen om je naïviteit. Dingen niet durven omdat ik al bij voorbaat denk dat ik de mist in ga. Stiekem toch piekeren over wat mensen wel niet denken. Het zou me scheißegal moeten wezen, maar dat is het niet. Of toch? Hmmm… Oh eigenlijk is dit geen gewoonte maar een karaktertrek. Sjee, doe ik het alweer fout… *nagels bijt*

X-rays you’ve done: Een stuk of 5-6 MRI-scans van m’n rechterknie (valt dat onder X-ray?). Een hele zwik baby-in-de-buik-echo’s, nog een zwikje gyneacologische en tandheelkundige echo’s en röntgenfoto’s. En een mammografie alias borstenpletsessie.

Yummie food you make: Schnitzel, Kip-in-het-pannetje, lasagne, pannenkoeken… eigenlijk alles. Ik ben gék op koken. En eten.

Zoo animal: Olifant. Op de één of andere manier voel ik me daar thuis…

Wel. Genoeg over mij. Nu weet u weer een beetje meer. En toch nog steeds niks 🙂

niets

Zoon heeft zijn dagelijks middageten-vragen-en-feitenuurtje.
Wat heeft tweeënveertig ogen maar kan niet denken? Een dobbelsteen.
Duhh.
Een dobbelsteen heeft helemaal geen tweeënveertig ogen.
Oh ja.
Nou goed dan, dan zijn het twee dobbelstenen.
Dochter werpt er even wat tussen: Wat heeft honderdmiljardduizend ogen maar kan niet denken?
Zoon ratelt verder.
De lucht heeft helemaal geen ogen!
En áls de lucht ogen had, waren het er veel meer dan dat!!
En honderdmiljardduizend is sowieso geen getal.
Mam, wist je dat er een chinees meisje is, dat tegelijkertijd met de ene hand engels en met de andere chinees kan schrijven?
En er is iets dat wij niet meer kunnen maar wat de oermensen nog wel konden. Weet je wat?
Nee…
Slikken en ademen tegelijk!!! Háh!
Oh mam, wat is eigenlijk ‘het niets’?
En hoe groot is het universum?
Waarom wordt het nog steeds groter?
Wat is er dan daar, waarheen het zich uitbreidt? Is dat weer ‘het niets’?
Kun je je echt in laten vriezen zonder dat je cellen afsterven? Want als dat kan, kun je je in een ruimteschip in laten vriezen en duizenden lichtjaren ver reizen.
Mama ik ga me nu even aan jou vastlijmen.
Ik lust dit  (opgewarmde ovenschotel met gehakt, wortel en aardappelen) niet. Eergisteren nog wel, maar toen zat die smurrie er nog niet tussen. Welles. Nietes. Nou dan wel, maar dan nog lust ik het nu niet meer.
Mag ik vandaag de slakken in de sla doorknippen?
Nee.
Waarom niet?
Daarom niet.
Oh.

Hij eet. Met hernieuwde tegenzin.
Prikt met zijn vork de wortels en het gehakt er tussenuit.
Ik zucht en ruim de eetrotzooi op.
Verder met de orde van de dag…

.

.

PS: eigenlijk frappant dat ’t niemand opvalt dat je ogen hebt om te zien, niet per se om te denken… ik kwam er pas later op. Waarom zou iemand of iets met ogen per definitie ook moeten kunnen denken? Ach. Laat maar 🙂

mei zon dag

gewoon.

Gewoon een heerlijke dag. Uitgeslapen. Weliswaar wakker geworden met een onmeunige rugpijn van mijn plantenbakbeplantingsactie van gisteren maar twee advils doen wonderen. Uitgebreid ontbijten, koffie op ’t terras in de zachte kussens van de loungeset. In slaap gedommeld.

Een rondje tuin, wat onkruid getrokken, met m’n blote voeten het te hoge gras bevoeld. Heerlijk. Mijn werk van gisteren bewonderd, de daaruit resulterende rugpijn vervloekend. Ja, toch ook heerlijk. Meer koffie, kletspraat met de buurvrouwen. De kinderen duiken bij buren A in het zwembad. Komen terug voor wat brandstof (lunch) en duiken vervolgens bij buren B in het volgende zwembad. Ons eigen zwembad is duidelijk nog te koud. Ik denk dat ik er morgen maar ‘ns een litertje of 40 kokend water in ga gooien, anders hangen ze nog wekenlang bij de buren rond…

Meer terrashangen. En vooral ook: meer niksdoen. De kinderen komen binnenvallen. “GAAN WE VANAVOND BBQ-en????” Nou, ehh, pffff… kweenie… Ik heb niks in huis en ik heb al gekookt vanmiddag dus eigenlijk: NEE.

bbq3 Maar ik ga toch eens graven in de vriezer. Misschien heb ik nog wel wat spul wat nodig op moet. Een paar knakworsten en een rol eeuwenoud pizzadeeg.  Hout uit de kist in de schuur gegraaid. Zoon – “ik ben bij de scouting hoor!!!” – bouwt een tipi-vuurtje. Hij zegt er niet bij dat hij er éigenlijk helemaal niet meer naar toe wil; voor dit vuurtje is de scouting dan toch nog weer goed genoeg. Ruzie om wie de hens erin mag steken. Ook een standaarbbq2d discussiepunt.

De boel brandt. En rookt. Ik schenk een wit wijntje in en duw de inmiddels ontdooide worsten op een uitschuifbare spies. Een reep pizza-deeg  om een andere en grillen maar. De kinderen vinden het geweldig. Elke keer opnieuw. Ik kijk toe. How bbq4relaxing…

“Krijgen we straks ook marshmallows in een koekie???”
“Nee. Genoeg zoetigheid gehad vandaag, het is goed met jullie.”
“Wèèèhh!!”

Ik kan niet tegen ‘wèèèh’ dus duik ik de gangkast in. Daar ligt daadwerkelijk nog een nieuwe zak marshmallows. Van de Haribo nog wel. En een pak koekjes. Ach soit.
Overstag. De kinderen jubelen. “JIJ bent de liefste mama van alle mama’s, mama!!”. Tuurlijk. Als je maar met marshmallows op de proppen komt. Vanzelfsprekend verbrandt het eerste paar schromelijk maar het volgende gaat altijd beter. Ik hou ’t maar bij witte wijn qua avondetenbbq1. bbq5Werkt ook prima, qua koolhydraten dan.

Ja. Dit was een mooie zondag.
Bevrijdingsdag…
Sterfdag van mijn oma…
En toch ook gewoon
een mooie zondag in mei.

Dagplanning

Vandaag werd ik er weer met mijn neus ingeduwd:
Plan niks want ’t komt er toch niet van.

Gepland:
Kinderen naar school, sport, boodschappen doen, tuin (véél tuin), beetje werken, wat tussendoor kletsen met vrienden, huiswerk begeleiden bij de kids, koken, relaxen.

Not.

Real life:
Bij ’t ontbijt kwam zoon op de proppen met het feit dat hij toevállig nog een dictee had vandaag. Om 7am dus nog wat woorden geoefend maar dat was natuurlijk volledig zinloos. Kinderen de deur uit gewerkt, ik in m’n sportkloffie klim op de hometrainer. Twee minuten later belt bedrijfspartner in paniek: Er worden dingen van onze rekening afgeboekt die niet kloppen. Ik klim weer van de fiets af en in plaats daarvan dan maar in de telefoon. De vroegere GEZ (Gebühreneinzugszentrale, zoiets als de instantie voor kijk- en luistergeld) heeft sinds dit jaar een andere naam en denkt daarmee ineens het zevenvoudige bedrag per maand te kunnen innen. Maar het centrale servicenummer kun je vanuit het buitenland niet bellen. Dan maar via het impressum op de website de centrale bellen om te laten verbinden. Helaas. Niet bereikbaar. Ik zoek de boel uit en schrijf uiteindelijk maar een email. Een telefoontje met de belastingdienst waar ik al een paar weken tegenaan zit te hikken, doe ik er gelijk maar even achteraan.

Een vriendin belt, in paniek. Er gaat iets niet goed. Een goed half uur later een beetje opluchting maar ook weer een half uur verder. Ik spring in de auto om de boodschappen te doen, tegen de middag moet er een grote levering komen en dan staan de kinderen ook weer voor de deur dus opschieten. Ik sjees door de Billa en de Lidl. Er piept iets in de auto (Te weinig koelwater? Te weinig ruitenlapwater? I don’t care). Thuis opgeruimd, de was gedaan, brood gebakken, een jammerlijk mislukte poging tot mijn anderhalfmaandelijkse strijksessie (telefoon, twee belangrijke emails, weer telefoon). Mobiel brult: de levering komt over ca. 1,5 uur. De kinderen stuiven naar binnen. HONGER!!! Eten maken. Zelfgebakken brood met nutella en hagelslag, het moet maar effe.

Om kort voor twee de deurbel. Ik denk “oooh shit ja!! Drumles!!” maar nee, het was de levering. Twee meer dan 5 meter lange en al heel lang verwachte zonweringen die voor schaduw op ’t terras moeten gaan zorgen. De – naar mijn bescheiden mening duidelijk poolse – vrachtwagenchauffeur doet de klep open en ik zie twee compleet krom liggende, volledig kapotte verpakkingen (á ca. 80 kilo per stuk…) waar onze zonweringen in moeten zitten. Gapende gaten, loshangende kartondelen. Na enig getelefoneer en geharrewar met chefs en verkopers maak ik nog even snel foto’s van de ravage en krabbel ik op het leveringsformulier dat ik niet kan inschatten of de artikelen kapot zijn en ik de hele levering bij deze niet aanneem. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ook geen idee had hoe ik die dingen samen met die chauffeur uit de vrachtauto had moeten krijgen. Wat een zóói daarbinnen… Weg ermee.

Ondertussen komt de drumleraar alsnog aanscheuren. Ik dirigeer ‘m samen met zoon naar de kelder, voor mij geen drumles 20130502_141712vandaag. Dochter maakt tegelijkertijd een zooi van haar huiswerk en belt eigenhandig een vriendinnetje om te vermelden dat ze daar vanmiddag komt spelen. Ik graai de telefoon uit haar handen en spreek met de moeder af dat ik haar rond drieën kom brengen. Vriendinnetje woont echter in de middel of absoluut nergens, zelfs de navigatie vindt het niet. Om iets na drie uur is ze er dan toch en scheur ik met een noodvaart terug naar huis om nog op tijd een nieuwe afspraak met de drumleraar te kunnen maken. Verder met m’n werk, de tuin moet maar wachten. Zoon maakt ook een prutteltje van zijn huiswerk én heeft de helft vergeten dus dat wordt weer een verhaaltje voor de juf schrijven in het postschrift. Tussen de bedrijven door zie ik een DYAC-link op FB waar ik echt tranen met tuiten om heb gelachen én zie ik een muziekvideo op youtube (via FB) die me vreselijk raakt, wederom tot tranen toe. Facebook meteen maar weer uit… Om 5 uur dochter weer ophalen want die heeft haar huiswerk dus nog voor geen meter af. Terug naar huis rijden (met navigatie :-S), eten koken. Terwijl het kookt zaai ik in de tuin en in de regen nog even snel een nieuw bloemperk in. Dat met die wortels uitzaaien en met m’n minivijver wordt i.i.g. niks meer vandaag. Man belt dat het laat wordt. Hoe laat? Geen idee. Laat. Oké. Fijn. “Je zonweringen heb ik trouwens ook teruggestuurd schat.” “Wáááát???” Gheheheh.

Zoon springt op van het eten en wil toch even laten weten dat hij uitgerekend heeft hoe groot de oppervlak van onze net afgemaakte Van-Haasteren-puzzel is, namelijk 7.300. Zo ongeveer in ieder geval. Fijn lieverd, dat heb ik nou altijd al willen weten.

En nu? Nu typ ik weer een zinloos blog.
En de conclusie van dit blog?
Zoals ik al zei.
Plan nooit iets.
Het komt er toch niet van.

koningin van gisteren

Nooit verwacht maar ineens was ’t daar. Dat vaderlandsgevoel. Ook ik keek mee in m’n Oostenrijkse Hütte. Oh grutjes, we hebben een koning… In eerste instantie dacht ik nog: “wat een heisa om een verouderd ambt” en “wie heeft dat koningshuis nou nog nodig? Kost een hoop geld…” Ik plande onderbewust om er toch vooral maar niks op uit te doen. Maar toen de fitnesstrainer belde dat er om 9 uur al een plek vrij was i.p.v. om tienen was ik stiekem ineens een beetje blij. “Yesss! Dan kan ik om tien uur  toch nog de abdicatie en de speech kijken.” Huh?? Ik??  Wtf….koningsdag2

Afijn. Ik pink een traantje tijdens Bea’s emotionele afscheidswoorden. Aandoenlijk hoe ze  even de hand van Willlem-Alex pakte. Die blikken van Máxima… Ach wat mooi. Ja toch wel. Ineens krijg ik ’t op m’n heupen. Wáár is die verhipte vlag? Ik had toch een vlag? In de kelder graaf ik mijn WK-oranjespul weer uit. Twee boa’s, een kroontje met vlechtjes, rood-wit-blauwe kettingen en een hoop vlaggetjesslingers die ik voor ’t huis in de planten en de aan de koningsdag1regenpijp drapeer. De boa’s er ook maar aan. Het kroontje en de kettingen blijven bij mij hangen.

Dochter komt thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand schat, we hebben een nieuwe koning.”
“Hebben we hier in Oostenrijk ook koningen dan???”
Nee, die hebben we hier niet. Maar in Nederland nu wel…
Zoon komt een uurtje later ook thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand lieverd, maar in Nederland is er een nieuwe koning, de eerste koning sinds 123 jaar dus dit is een historisch iets.”
(ik dacht, laat ik even wat uitgebreider antwoorden dan daarnet).
“Wat een onzin zeg… wanneer mag ik dan Phineas en Ferb kijken??”

Ik merk ook dat ik ergens een steek in de opvoeding heb laten vallen: in beide kinderen zit, hoewel ze allebei officieel Nederlanders zijn, werkelijk geen greintje Hollandgevoel. Niets. Het mijne daarentegen laait met de minuut hoger op. Ik vind ’t geweldig om het enthousiasme van die oranjegekleurde meute te zien. Hoe men samen viert, blij is. De uitbundigheid en ergens ook een soort teruggevonden verbondenheid die al sinds tijden mijlenver te zoeken was. Praktisch geen noemenswaardige incidenten. Een land, nee MIJN land viert feest. En ik zit hier…  Ondertussen koningsdag3heeft dochter toch een prachtig miniboeketje voor de kroonloze koning in elkaar geflanst. “Speciaal voor die meneer daaro, mam. Die kan wel wat bloemen gebruiken toch?” Ja, nou dat vind ik ook wel. En een biertje of zo.

Ik ben trouwens geen groot fan van het koningshuis. Ik vind ’t geheel als nationale institutie enkel acceptabel. Het kost een bom duiten maar dat kost een president nu eenmaal ook. Een koning of koningin doet zijn of haar best op handelsmissies en representeert het volk. Die eer is dus nu aan Willem Alexander. Maar het maakt niet uit wat de aanleiding was: een dag uit je bol gaan, je vaderland liefhebben, lekker gek doen en uitbundig feestvieren is simpelweg gezond. Zoon ziet dat anders: “Mam, wanneer haal je die suffe vlaggetjes nou weer weg? Ik vind ’t maar gênant… En doe dat kroontje af!! Stel je voor dat de buren binnen komen…” OK dan. Nu blijft de boel natuurlijk helemáál hangen tot de volgende koningsdag. En mijn kroontje doe ik misschien eventueel mogelijkerwijs in bed af. Maar ook dat is nog niet zeker.

Oh en dat rare koningslied?
Dat is nog steeds een groot stuk verdriet.
Bekoren kan het mij dus écht niet…
Maar ook dat interesseert niemand ene biet.
Stom lied.

beugelbekkie

Ik heb een beugelbekkie voor m’n eigen bestwilbeugel2
Da’s goed voor later, oh, daar twijfel ik niet aan
En op m’n neus – die ook niet mooi is – staat die pestbril
Dus ga ik steeds opnieuw weer voor de spiegel staan
Dan denk ik: Maakt het nou wat uit hoe ik eruit zie
Dan denk ik: Ja natuurlijk en dan denk ik: Nee
Want zonder bril weet ik heel goed, dat ik geen fluit zie
En rare tanden krijgen, da’s geen goed idee.
Oh nee…

Nou, probeer dat zoon maar ‘ns in te peperen. Het is voor je eigen bestwil, lieverd. (“Mijn bestwil wil dit niet!”). Je krijgt straks véél mooiere tanden. “Ik héb mooie tanden. Ze staan alleen een beetje scheef”). En het maakt toch niet uit hoe je eruit ziet? (“Ja wat nou, ik moet mooiere tanden maar eigenlijk maakt ’t geen bal uit??”).

Ik heb zelf bijna tien jaar lang een beugel gehad. Op mijn achtste was al duidelijk dat mijn gebit een plaatselijke ramp was. Letterlijk. Te weinig plek, dubbele tandenrijen, een overbeet waar je onder kon schuilen, enorme hazetanden en alles maar dan ook alles schots en scheef. Als ik in een appel beet, kon je de prachtige kartelrandjes bewonderen. Er werden vier melkkiezen getrokken. En gelijk daarna ook de daaropvolgende blijvende kiezen. Alles om maar meer plek te creëren. Ik had dubbele hoektanden, dus die melkhoektanden moesten er ook uit zodat de blijvende hoektanden naar beneden konden zakken (m.b.v. een beugel natuurlijk). Ik heb plaatjesbeugels, blogbeugels, beugels met hekjes (tegen ’t duimen :-S), plakkertjesbeugels (met ringetjes en elastiekjes), kapjesbeugels en weet ik veel wat voor beugels nog meer gehad. Toen ik 18 was, was de reconstructie wel ongeveer klaar. En daar zal ik m’n ouders altijd en eeuwig dankbaar voor zijn want ik weet niet hoe ik er anders had uitgezien vandaag de dag. Maar goed, zoon is er vooralsnog absoluut niet dankbaar voor.

‘Vroegah’ waren alle beugels roze. Nu niet meer. Hij mocht zelf kiezen in welke kleur hij zijn beugel wilde (blauw) en er werd zelfs een plaatje naar wens op gedrukt (in zijn geval een motor). Vroeger moesten we uuuuuuuuuuuuuuurenlang wachten op onze afspraak, hele namiddagen zaten we daar in die (enorme) wachtkamer. Nu niet meer: om half 3 stond de afspraak, om half 3 aan de beurt, om tien over half 3 stonden we weer buiten met beugel, beugelsleutel en beugelbakkie. Vroeger moesten we voor iedere aanpassing weer op komen draven. Nu niet meer: we mogen de beugels (hij heeft onder en boven zo’n plaatje met een stangetje) zelf om de vijf dagen met de beugelsleutel aandraaien dus de volgende afspraak is pas over goed 6 weken.

Het enig overgebleven probleem: Als ‘echte man’ is zoon nogal kleinzerig en overgevoelig (understatement of the year).
“Ik kan nief pfafen mef daf ding.”
“Hiebf doef ef feeerr” (‘Hier doet het zeer’ – een plekje boven zijn hoektand aanwijzend)
“Ik vind dif ech nie aangenaam, hoof…” (nooit gezegd dat ’t aangenaam zou zijn, lieffie…)
“Ik kan nief eenf ffflikken mef daf ding” (nee, maar met ’t eten mag-ie ook uit).
“wwwaaromm zif dif dingefje hier…” (een metalen uitstulpinkje met de tong aanwijzend)
“Mijn wehemelfe doef bijn” (“Mijn gehemelte doet pijn”. Oh. OK. En nu?? Platstampen ’t ding?)
“Hoe lang moef ik ‘m dan nog dragen?” (Nou, euh, nog een half jaar ofzo? En elke dag een uur of 14-16?)
Kreunsteunjammerklaag. En dat al na welgetelde twéé uur beugeldragen… Hij slurpt zich een ongeluk want “die beugel zit precíes op mijn speekselklieren en dan kan alle kwijl dus niet weg”. Uhuhh… OK, dit herken ik wel van mezelf van vroeger, maar elke 15-20 seconden heftig zuigend geslurp heeft toch best een behoorlijk negatieve uitwerking op je irritatietolerantie.

Yep. Dit wordt nog leuk, zeker weten.
Ik peper ‘m gewoon elke keer opnieuw in met de beugelverhalen en -ellende uit mijn jeugd.
TOEN was alles pas écht erg. Enzo.
En dan vooral die ene zin:
Later zul je me er dankbaar voor zijn…

transmission ends

Ik kijk naar een gezapig TV-program.
Maar jij bent er niet.
Vandaag was het bíjna echt zomer. Echt.
Maar jij bent er niet.
Nieuws explodeert in mijn blikveld.
Maar jij bent er niet.
Ik luister zo graag naar jouw hartslag.
Maar jij bent er niet.
Ik zie een vallende ster. En nog één.
Maar jij bent er nog steeds niet.
Ik zal altijd en eeuwig van je houden.
Maar jij blijft weg.

Einde uitzending…

(uitzending gemist??)

Stoelendans

Na een maandje of twee knock-out te zijn geweest, heb ik nu zó veel te doen en nog meer in te halen dat ik inmiddels chronisch afwezig ben op het hele arsenaal social media. Heel gezond bij tijden, maar ik mis ook heel erg veel. Er zijn ergere dingen, weet ik. Weet ik. Maar ik wil nu eenmaal niks missen… Onmogelijk met dit weer. God wat is het mooi weer… Vandaag was het 26 graden. Heeeeeeeeeeeeerlijk. Het is nu nog warm buiten. En met die lente in de bol moest en zou ik die nieuwe, strakke, mooie maar vooral prijstechnisch ook héél aantrekkelijke aluminium tuinstoelen van de Aldi op mijn terras hebben.

Helaas dachten dat minstens 38 andere mensen met mij, die ook allemaal om tien voor acht met hun kar in de aanslag voor de glazen deur stonden te douwen. Als je niet beter zou weten, zou je gedacht hebben, dat er vandaag om 8am een spontane twee-minuten-gratis-shoppen-actie plaats zou vinden. Ik was nog naïef genoeg om te denken (hopen) dat deze mensen vást niet voor die tuinstoelen kwamen maar die hoop vervloog al gauw. Mijn Aldi (heet hier overigens niet Aldi maar Hofer, maar dat terzijde, het is gewoon een Aldi) kennende stonden de tuinstoelen in de derde gang achteraan. Het was racesteppen en karretjebeuken om maar zo snel mogelijk vast te mogen stellen dat er op die plek inderdaad een twaalftal stoelen opgestapeld stond.

TWAALF!! Hoe kúnnen ze… Uiteindelijk wist ik één stoel te bemachtigen. ÉÉNTJE!! Wat moet een mens nou met één stoel… Iedereen wou er zes. Of acht. En maar rukken. En duwen. En vloeken. En vuil kijken. Eén stoel stond zelfs nog zielig in de gang, die was door alle getrek al uit ’t fatsoen gerukt. En eigenlijk wou ik dus die met zwarte bekleding, niet deze grijze. Ellende.

Maar ik ben niet op één tuinstoel te vangen. Ik gaf mijn grijze stoel, vanzelfsprekend uit pure liefdadigheid, aan de meneer die er toch maar mooi even vijf had weten te bemachtigen en die nu helemaal happy naar de kassa karde. Even over mijn vers geoogste blauwe plekken op de heup wrijvend sloop ik heimelijk met kar naar het magazijn om de dame aldaar te vragen of ze niet nog ergens een stapel zwarte had. Ze keek me meewarig grinnikend aan en zei: “mevrouw, we wilden simpelweg die unieke stoelenrace van acht uur niet missen en ik kan u verzekeren, het was ’t waard. Maar we hebben nog minstens twintig palletten met stoelen hier staan hoor. U wilde zes van die zwarte? Alstublieft.” En dumpt zes stoelen op mijn winkelkarretje.
Oh, how nice…

Pokkezooi

Dat is het hier. En dat komt omdat ik aan ’t opruimen ben. Aangezien ik vandaag werktechnisch niks op ’t program had en best wat energie over, moest ik vandaag maar ‘ns door met mijn uitmest-en-opruim-project. Ik had al eerder geblogd dat ik bezig was, en dat gaat nu, na alle ziekte en gedoe, éindelijk verder.  Vanochtend heb ik eerst de keuken schoongemaakt, daarna een rondje vibrogym in de fitnessstudio. Maar toen was ’t toch echt hoog tijd. Ik ben namelijk aan ’t kastenswappen. Wij hebben een heul ouwe Ikea-kastenwand (“Bonde”, sinds 2010 uit het assortiment verdwenen. Verdullemie!) in de woonkamer. Of liever gezegd: in de ‘bibliotheek’ annex ‘speelhoek. Dat is een oorspronkelijk aparte kamer waar de hele speelzooi van de kinderen uitgestald ligt en wij ook nog een paar planken voor boeken ter beschikking hebben.

Door chronisch gebrek aan opbergruimte wilde ik een stuk aan de kastenwand bijbouwen, maar tja. Bonde was kassiewijle. Prima, dan maar Besta (met een rondje op de -a- maar dat wil mijn laptop niet en ik heb geen zin om nu in de ascii-tabel te gaan neuzen), zolang het maar Ikea is. Een Ikea-fan moet Ikea hebben. En ik ben bekennend Ikea-fan. Dus Besta kwam er. Maar nu blijkt Besta helemaal voor geen meter bij Bonde te passen. Dat is klote want als ik ergens een hekel aan heb, zijn het niet bij elkaar passende meubels. Voor de kinderkamers had ik ook per stuk twee Besta-kasten besteld (die staan nu nog steeds in de verpakking) maar ik heb á là minute omgepland: De kinderen krijgen allebei de helft van onze Bonde-kastenwand en de rest van de Besta-kasten komt mooi ook in de woonkamer. Dat vonden de kinderen vanzelfsprekend absoluut niet geweldig maar da’s pokkezooidan maar jammer. Mama bepaalt. Enig nadeel: de Besta had de nodige witte achterwanden (de kasten op de kinderkamers komen namelijk vrij te staan dus je ziet de achterkant), de Bonde-kasten hebben lelijke bruine spaanplaatachterkanten. Wat nu.

No problem. De kasten heb ik schoongemaakt en wat gerenoveerd (opgekalefaterd), de achterwanden eraf gesloopt en vandaag uitgebreid met witte muurverf gewit. Ze zien er nu dus uit als witte muren, helemaal mooi. Daarnaast komt er op de achterkant dus bij beide een schilderij naar wens. Ze hebben het al uitgezocht: een kat (dochter) en een skateboarder (zoon, dus). Op de zijkant komt bij allebei een lange spiegel. Gelukt: kids helemaal happy met de nieuwe ouwe kasten.

En dat heb ik dus vandaag gedaan: achterwanden gewit. En aangezien ik toch al bezig was, heb ik ook nog maar even de muur bij de eettafel weer toonbaar gemaakt (daar is een maandje of 2 geleden een vol glas rode wijn tegenaan geslingerd, op zich best een origineel patroon, maar ik vond ‘gewoon wit’ nu ook wel weer een keertje leuk. Dochter vond ’t daarentegen jammer (“ik vond opa’s versiering hartstikke mooi!!!”) maar zoals ik zei: mama bepaalt. En wit de muur. Help, mijn vrouw is klusser 😀 Maar man vindt ’t gelukkig helemaal prima, mijn klusambities.

Morgen verder. Het is hier nog steeds één grote pokkezooi hier, maar vandaag ben ik weer een stapje verder op weg naar mijn Ikea-droomhuis. Als ’t klaar is, zal ik foto’s showen van al mijn klus- en opruimwerk.

KiddySocca

kiddysocca ik heb ’t al wel ‘ns vaker uit de doeken gedaan maar ik heb dus een geheime carrière. Als voetbaltrainster. Samen met drie andere gedreven (*kuch*) dames stomen wij de kindsterretjes (liefdevol Bambini’s genoemd) van onze lokale voetbalvereniging (FC Schweinstein) klaar voor het echte werk bij de U8. Oftewel, in goed Nederlands: wij hobbelen met de F-jes over het veld tot ze eindelijk zeven zijn en naar de E-tjes mogen. Bij ons beginnen ze alleen nog nét iets vroeger dan in Nederland: niet pas met vijf maar met vier jaar al. Gezellig elke maandag een uur lang een meute 4- tot 6-jarigen over het gras jagen, wat een mens al niet voor z’n lol doet.

Vandaag begon het seizoen weer. Ik heb er de héle winter lang met smart naar uit gekeken en jaja, vandaag was het zover. (Ik kuch nog even door). Nu hebben wij een bambiniopperhoofd – laten we haar Lydia noemen – dat praktisch altijd voor het programma (“Lydia, wat doen we eigenlijk vandaag?”), het fluitje (om de meute bijeen te krijgen) en het pedagogische overwicht (ze is zelf gymlerares) zorgt. Simpelweg onmisbaar dus. Vanmiddag belde Lydia op. Bij het eerste kraken van haar stem was het duidelijk: Lydia was hartstikke ziek. Oh hemel… wat nu… geen programma, geen fluitje en vooral: geen pedagogisch overwicht en dat uitgerekend bij de allereerste training van het semester waar over het algemeen het halve dorp met kind en kegel uitloopt om het maar weer eens te proberen (“Ooit mot dat kind ’t toch leuk gaan vinden??”). Mijn hart schoot even in de zesde versnelling. De sleutel van het materiaalhok was snel opgehaald. Maar toen.

Stipt half vijf stond ik in dat hok, plompverloren zoekende naar wat bruikbare ballen en een paar als doelpalen dienende grasspiesen. De U9- en U10-tjes hadden het meeste al weggegraaid. Wat half lekke ballen weer even opgepompt (kijk dát zijn de dingen die ik wel kan) en gaan met die banaan. Mijn collega-dames kwamen ook aanzetten, thankheavens.

Wij hebben een redelijk strakke rolverdeling. Lydia is, zoals gezegd, het strenge opperhoofd. Lydia bepaalt wat er gebeurt en roept ons allemaal regelmatig tot de orde. Manuela is onze nog piepjonge meerenster, die vol overgave deelneemt aan alle spelletjes die we zoal verzinnen. Lisa is de liefdevolle begeleidster die de veters strikt en de rijtjes kinderen in het gareel houdt. En ik ben zoiets als het vervangend opperhoofd maar eigenlijk toch meer de pleisterplakster, de wc-begeleidingsdame en hoofd administratie. Ik kan best een balletje trappen hoor, maar ik ben in andere dingen nu eenmaal duidelijk beter.

Afijn. Tien voor vijf. De eerste kindekes drentelen het veld op, de hand van moeders krampachtig omklemmend. Ik geef de ouders en ’t kind een hand en druk meteen een vet naametiket goed zichtbaar op het kind. Da’s ook iets wat ik goed kan. Etiketjes op kinderen plakken. Drie Sarah’s, vier Tobiassen en twee Yannicks verder weet ik al lang niet meer wie wie is maar daar zijn dan ook die etiketjes voor. Uiteindelijk staan krap dertig stuks van het grut in een kringetje en proberen we het eerste spel uit te leggen. Lukt nog niet, ze tetteren alles bij elkaar dus eerst maar ‘ns een rondje om het hele voetbaltrainingsveld (110 bij 120 meter) jagen en wat opwarmoefeningen doen. Daarna ploffen ze dan automatisch neer en kiddysocca2luisteren stúkken beter. We doen vanalles. Zo ook dribbelen en de bal dan over de ‘krokodillengracht’ schieten. Alleen waren er al snel meer krokodillen in de gracht dan ballenredders. We speelden verstenen-met-verlossen: als je gevangen bent moet je versteend wijdbeens gaan staan en als er iemand onderdoor kruipt, ben je weer verlost. Lievelingsspelletje van Manuela die zich vol elan steeds opnieuw op de grond werpt en tussen de peuterbeentjes doorrobt om ze te bevrijden, en natuurlijk doeltrappen waarbij Lisa en ik in de doelen stonden. Dan trappen ze namelijk duideijk harder om ons vooral goed en gevoelig te raken. De meisjes durven echter de bal zelf al nauwelijks pijn te doen, de jongens daarentegen nemen een aanloop van minstens 20 meter om de bal vervolgens afketsend op mij het hek over te schieten. Ik trap iedere bal quasi-nonchalant terug naar het desbetreffende kind. Dit keer helaas ook één keer iets te nonchalant, ik glibber voorover over de bal heen en stort ter aarde voor de voeten van de toekijkende ouders. Ach. Ik ben de afgangen inmiddels wel gewend, iemand moet de clown zijn toch? Oh, wat een lol…

Aan het eind spelen we steevast een stief kwartiertje ‘chaosvoetbal’. De kleine meisjes haken nu echt af en staan wat bedremmeld langs de kant te kijken. Sorry girls, het is niet anders: er moet ook gevoetbald worden. Maar het ís ook pure chaos: drie doelen, 5 ballen (6, 7…) en nog een stuk of zesentwintig overgebleven, door elkaar sjezende koters, sommige daarvan bloedjefanatiek, andere verbitterd huilend omdat ze de bal nooohooohoooit krijgen. Dat worden steevast de afvallers. Volgende week zijn het er vást nog maar zeventien…

eigenlijk raar

Raar eigenlijk, hoe de mens kan verdringen.
Verdrinken.
Opdat het ooit slijt.

Mooi dat het verstand weet hoe te vergeten.
Vergeven.
Ineens is het kwijt.

Gelukkig dat het gevoel over kan stappen.
Omschakelen.
De ervaring nooit af.

Goed dat het hart in staat is te omvatten.
Omarmen.
Wat ooit eens liefde gaf.

Blij dat ik steeds opnieuw door kan gaan.
Opzoeken.
Wat mij vervult.

En dat ik nu eindelijk feilloos herken
dat jij nog steeds
uit je nek lult.

.

.

(c) Lou

kadoooootje!

Zoals u inmiddels misschien wel tussen de regels door mee heeft gekregen, heb ik een werkelijk überattente man. Altijd heeft hij de leukste spontane ideeën, krijg ik elke week een andere kleur roos bij ’t zondags ontbijt op bed, brengt hij minstens maandelijks een spetterende verrassing voor mij mee, regelt hij zeker vier keer per jaar een romantisch verrassingsweekendje voor ons tweetjes in een wellnesshotel en zorgt hij altijd ruim op tijd voor de meest originele cadeaus voor al zijn familie en vrienden. Jaja, ik heb wat dat betreft werkelijk een lot uit de loterij getrokken met mijn eega (niet per definitie het winnende lot maar goed, het is er eentje).

Maar nu is dan toch het onvoorstelbare gebeurd: hij is deze keer voor de verjaardag  van z’n moeder daadwerkelijk de mist in gegaan. Zo’n drie weken geleden attendeerde ik hem er onopvallend op dat we dus over geschatte drie weken naar z’n mam zouden gaan – de lieve vrouw werd 76 – en dat een cadeau in dit geval niet zou misstaan. Wij hebben wat giften en geschenken betreft de stilzwijgende afspraak ‘jij jouw familie, ik de mijne’. En die afspraak werkt. Bijna nooit. Nooit. Zo werd het dus stilaan toch de dag van eergisteren. En ik SMS-de hem op deze goede vrijdagmiddag en passant én diplomatiek: “schat, als je straks toch nog dat cadeautje voor je moeder bij de Aldi gaat kopen, neem dan gelijk nog een waveboard mee want ze slaan hier elkaar de kop in om dat ene ding.”

Normaal gesproken is manlief absoluut onbereikbaar tijdens werktijden. Maar nu blafte binnen 2 seconden mijn telefoon. Jawel, jawel: man aan de lijn.
“Heb jíj nog niks dan??? Ik weeeeeeet niks… oh hemel, wat kunnen we [WE!!] haar nou geven…”
Opperste vertwijfeling. Heerlijk.
Ik opperde nog nonchalanter: “Och, als IK wat voor haar moest bedenken, zou ik voor haar bijvoorbeeld zo’n verhoogde groentetuin maken. Ze kan nog maar zó moeilijk bukken maar wil toch nog zó graag haar eigen sla, tomaten aardbeien en wortels verbouwen, dat zou voor haar écht optimaal zijn…” Hier heet zo’n ding trouwens een ‘Hochbeet’: een soort megaplantenbak, 80-90cm diep (hoog), een meter breed en een meter of 2-3 lang, meestal van hout. En ze zijn loeiduur als je ze kant-en-klaar koopt maar man is naast überattent ook nog eens verhipte handig en kan zulke dingen heel goed zelf maken.

Man was nog wat sceptisch, maar goed, het wás ‘een idee’. kadooooootje
“Maar hoe maak je zo’n ding dan?? Weet jij dat?”
Ik alles uitgezocht, hoe het ding te fabriceren, hoe te bekleden (woelmuisproof, houtrotproof), hoe te vullen (met die verschillende lagen etc.).
“Ja jemig, dat red ik dus nooit meer voor zondag…” (het was vrijdagmiddag, hè).
“Nee natuurlijk niet. Hallo… Maar dan geef je toch gewoon een tegoedbon? Voor één Hochbeet op gewenste maat, gemaakt door jou?”
Ja. Dat vond hij nu zelfs toch best een ‘goed’ idee.
“Ach, kun jij niet even zo’n tegoedbon maken? Dat kun jij zoveel beter dan ik…”
Tuurlijk joh. Kan ik.
Tegoedbon gemaakt, op fotopapier uitgeprint. Met nog een A4-tje vol tips en voorbeelden erbij zodat schoonmoe zich er ook wat bij voor kon stellen. Ik waagde het te vermelden dat het wel aardig zou zijn om er nog iets van bloemen bij te doen want dat maakt het een leuker geheel om te geven. Het werd geregistreerd.

Gisterochtend moest ik nog wat boodschappen doen. Man zag weer zijn kans schoon:
“Ach, kun jij dan niet nog even dat bloemetje meenemen? Dat geeft toch wat leuker hè…”
Tuurlijk joh. Kan ik.
Prachtige bloembak vol lenteblommen gehaald. Bon – in cellofaan ingepakt – in de bloembak, bloembak – in cellofaan ingepakt – voorzien van een mooie strik en glanzend lint. Een weldaad.

Vandaag hebben we schoonmoe verrast met haar bloembak-met-tegoedbon-voor-een-bloembak. Ze was er helemaal blij mee en verheugde zich stante pede op haar verhoogde moestuin. Ze begon zelfs gelijk met plannen waar het ding moest komen en hoe groot het moest worden. Een schot in de roos dus. Op de terugweg glimlachte man en zei: “dat was een goed idee van ons hè?”

Ja, mijn lieve, attente schat, dat heb je zoals altijd weer gewéldig geregeld.
Echt.
Geweldig.

Paasbrunch

Pasen. Synoniem voor “lekker eten”. Bij ons wel in ieder geval. Normaal gesproken hebben wij hier thuis bij paps en mams op Paasbrunch2  eerste paasdag ons traditioneel paasontbijt. Dit jaar wilde mams wel eens wat anders en vatte het idee op om dan te gaan paasbrunchen bij Van Der Valk in Hengelo. Ik verslikte me in eerste instantie een beetje in mijn koffie toen ik het hoorde want tjee, bij Van Der Valk… Ik had nog steeds ergens het image van “urenhotel” voor ogen, de beetje louche zaak waar collega’s bij tijd en wijle twee uurtjes voedingsmiddelenvrij gaan ‘lunchen’. Sorry for that, maar da’s mijn associatie met deze hotelketen. Een waakzame toekan op ’t dak die uitkijk houdt naar allerhande achterdochtig aan komen scheurende echtgenotes. Zat ik er even vet naast…

Hoe dan ook, het leek me sowieso een hoogst interessant gebeuren. We kwamen om iets voor elven aan en liepen achter de meute aan het hotel in. En toen vielen m’n ogen bijna uit de kassen. Wat megagroot! Wat een logistiek! En wat sjiek! Alles was perfect geregeld. Mooi gedekte tafels. Maar ook ongelooflijk véél tafels… En nóg meer mensen… Iedereen werd naar de juiste gereserveerde tafel begeleid.
“Jij bedient in wijk 7.” (oh, we brunchen in wijken)
“28, jij doet nu eerst koffie en thee” (jee, ze hebben nummers…)
“12, bij tafel G1 moet nog een bord bijgedekt worden” (dat was bij ons, we waren toch echt met zijn negenen. En floepdiewoep, stond er al een stoel en bord bij). Ondertussen zocht ik snel even op waarom een toekan nou het logo van een valkachtig iets kan worden.

Het was een fascinerend geheel, werkelijk waar. Drie zalen vol mensen. Gróte zalen ook: ik denk dat er alleen in ‘onze’ zaal wel zo’n 800 mensen zaten. De zaalmeester dirigeerde erop los. In het midden het enorme buffet, helemaal volgepakt met de mooist opgemaakte schalen met de lekkerste dingen. Ik keek m’n ogen uit. Alles werd in staat van paraatheid gebracht en Meneer de Zaalmeester (die me overigens een beetje aan MePaasbrunch1neer Cactus deed denken) sprak in de microfoon dat we georganiseerd los mochten. “We nodigen u per tafel uit”. OK… wij waren de eerste tafel in de zaal dus dat kon nog goed komen. De geijkte buffetstress bleef binnen de perken want er werd werkelijk voortdurend bijgevuld. Er was zoveel lekkers… Zalm met asperges, gekonfijte gehaktballetjes, alle denkbare watergespuis (van zoute haring tot rivierkreeftjes), de lekkerste kaassoorten, ontelbare broodsoorten (ik heb overigens uit praktische overwegingen geen brood gegeten: zonde van de ‘vulling’: daar waar brood zit, kan geen ander lekkers meer zitten en brood kan ik thuis ook eten), jammetjes, salades, tapas, carpaccio, rosbief, saucijzebroodjes, allerhande warme schotels, soepen, sappen, en nog meer. Je kon ’t niet afkijken. En al helemaal niet eten, wetende dat er om ca. 1pm ook nog een “dessertbuffet” opgediend zou worden. Wáár in mijn binnenste kon ik nog een reservegat daarvoor creëren?? De kinderen deden zich te goed aan het kinderbuffet (poffertjes, wafels, slush, kipnuggets, minifrikandellen, frietjes, in die volgorde genuttigd) en mixten alles vervolgens goed door elkaar op de 2 gigantische luchtspringkussens in de hal. Dochter liet zich tot paashaas schminken maar zweette dat geheel er al springende in no time ook weer af.

Wij verbaasden ons nog even door over de enorme organisatie. “Dan moet eigenlijk iedere zaal wel een eigen keuken hebben, zPaasbrunch3ou wel raar zijn als dit allemaal uit één keuken kon komen voor zoveel duizend mensen”… Het bleek daadwerkelijk uit één keuken te komen. “Ja, ook raar dat hier beneden het mannentoilet links zit, maar boven rechts…” opperde man en passant. “Dan zou er theoretisch wel eens iemand het damestoilet binnen kunnen stappen… theoretisch…”
“Whahaha, en toen keken al die vrouwen je raar aan??”
“Nee, als er vrouwen hadden gestaan, had ik ’t wel gelijk gemerkt… Maar ineens hoorde ik al bezig zijnde wel vrouwenstemmen binnenwandelen. Dat was wel even wennen.”
Uhuhh…

Het desertbuffet was ook niet te versmaden. Met een hoop sterrenflikkers en ander vuurspuitend spul werd het opgediend en mochten we voor de tweede keer los. Ik was nog steeds naarstig op zoek naar dat reservegat in mijn maag waar nog een bord vol bavarois, caramel-notenijs, slagroomsoesjes, petit fourtjes en zwarte-bessenparfaît in zou passen.

Op de terugweg waren we nog getuige van het optakelen en wegslepen van een op de snelweg uit de zelf gecreëerde bocht gevlogen auto (“die heeft vast geen zalige eerstepaasdag…”) en toeterden de kinderen ons achterin de oren vol met onzin. En ik moet zeggen, het image van Van Der Valk wat ik had, heb ik moeten laten varen. Het verliep vlekkeloos en je hoefde nergens werkelijk lang te wachten, ondanks het echt wel massale geheel. Iedereen was even vriendelijk en alles was even lekker (nee, overheerlijk gewoon). En nu zitten we hier thuis een heftig potje uit te buiken. Geen paasdiner meer nodig, past echt niet meer. Het was een leuke ervaring. En vooral een hele lékkere ervaring. Ik heb er persoonlijk niks op tegen om volgend jaar weer te gaan. Maar aan de andere kant is een knus traditioneel paasontbijt in alle rust en kleinschaligheid dan ook wel weer een keer leuk.

Verbitterd

Ik ben, naast een gezegend mens (zie vorig blog), ook een uiterst verbitterd mens…

En dat niet eens qua gemoedstoestand maar in de absoluut letterlijke zin van het woord. Het is werkelijk niet te geloven hoe smerig medicijnen kunnen zijn. Mijn huidige antibiotica (waar ik inmiddels licht allergische reacties op vertoon maar met de gebruikelijke antihistaminica blijft ’t gelukkig nog binnen de perken) is zó ontzettend bitter dat alles in mij nu ook bitter is. Mijn bloed is bitter, mijn huid smaakt bitter, mijn speeksel is ’t allerbitterst. Waarschijnlijk is zelfs mijn vagina inmiddels verbitterd maar dat heb ik nog niet laten testen *kuch*.

Verbitterder kan ik niet zijn…

Lang leve de suikervrije mintdrops die ik zelfs in mijn slaap sabbel omdat ik anders dat bittere speeksel niet meer weg krijg. De shit is, dat de dingen die ik normaal gesproken lekker vind (koffie, (groene) thee, chocola, volkoren brood, gehaktballen enzo) nu óók bitter smaken. Alleen zoetigheid smaakt nog steeds zoet.

Nog een bitterzoet weekje voor de boeg…

.

Your touch so bittersweet
Baby, don’t forget my name
When the morning breaks us…

 

 

(Ellie Goulding – Bittersweet)

moor letoh ylenol
a ni dloc dna toh
uoy snrub ti wonk I
dna dloc dna toh

(hot and cold and
I know it burns you
hot and cold in a
lonely hotel room)

Overleven

Hoe gaat het? Het gaat. Het is nog niet gestopt in ieder geval.

Ik sleep me van de bank naar de tafel, van de tafel naar de keuken, van de keuken naar de wc, van de wc naar de bank, en vice versa. Oh en ’s avonds sleep ik me de trap op en het bed in. Dat ook.

Ik ben ’t redelijk zat, dat ziek zijn (understatement of the year) want ik moet nog naar Ikea, kastdeurtjes omruilen. Ikea hijgt zogezegd in mijn nek (geen idee hoe lang de omruiltijd is daar, maar veel meer dan een maand zal ’t wel niet zijn?). Ik ben nu al dik vier weken op en af ziek. Eerst de ene griep, toen een opleving (waarin man en de kinderen ziek waren, dus dat kwam mooi uit) en daarna de tweede griep. En dáárvoor had ik ook nog die sullige hersenschudding in combinatie met een verrekte binnenknieband als gevolg van mijn acrobatische skikunsten. Eigenlijk ben ik nu dus al zo’n twee maand aan ’t kwakkelen. Kan ik niet doen wat ik allemaal zo graag wíl doen, mis ik steeds opnieuw mijn vibrogym, val ik om de haverklap volledig knock-out in slaap en voel me allerellendigst. Elke dag denk ik ’s ochtends: “NU wordt het beter. Ik voel het.” En tegen de middag crash ik dan weer op de bank. Ergens tussendoor doe ik nog het huishouden (zo goed als mogelijk), ga ik met de kinderen naar de therapie (want dat moet toch ook doorgaan), draai weer een wasmachine met kotswas, kook een pan spaghetti met saus, help zoon bij zijn huiswerk, stofzuig een beetje verdwaasd voor me uit. Het enerverende bestaan van een zieke Hausmutti.

Van werken komt sowieso niks, de error rate zou veel te hoog liggen. Wat wil je, met een (weliswaar lichte, maar toch) longontsteking. Door het hoesten verschieten m’n wijsvingers standaard van de f naar de r en van de j naar de u, om van de telefoon maar niet te spreken. Lang leve de autocorrectie. Daarnaast word ik er inmiddels daadwerkelijk ook ietwat incontinent van: m’n bekkenbodemspieren trekken ’t allemaal niet meer (sorry if T.M.I.) Lang leve de Tena Lady inlegkruisjes 😦 En mijn hoofd bonkt door alle geblaf als een drilboor. Lang leve de aspirine complex i.c.m. paracetamol. Maar voor mij blijft ’t nog even overleven.

Voordeel is wel, dat er relatietechnisch nu gelijk ook een hoop geëscaleerd en op tafel gekomen is (ik had er nu tijd voor hè 😀 ). Dat dan wel weer. Love is definitely still living here, in ieder geval. En Hope trekt er ook weer bij in. Ik heb inmiddels, in alle drang om beter te worden, een vakantie voor de zomer geboekt (Italy, here we come). En ik heb toegegeven aan mijn onbedwingbare kooplust en de bestellingen, incl. kinky boots, net binnengekregen. Heel tevredenstellend. (Nu alleen nog betalen :-S maar dat doe ik wel als ik weer beter ben gheh). Dochter luistert boven naar een barbie-CD, zoon scheurt op z’n waveboard om het huis heen. Nou ik nog op de been en dan komt alles uiteindelijk toch weer goed.

’t Is verdorie nét een sprookje.

Lang leven

Dochter speelt buiten, schommelt in de hangstoel. Ineens komt ze naar binnen gestormd.
“Mam, hoe lang kan men eigenlijk nog leven?”
“Jee, meis, dat is heel verschillend. Sommige mensen leven maar heel kort en andere mensen weer heel erg lang…”
“Oh. Cool”
“Cool?”
“Ja. Ik ben er zoeentje die heel lang leeft, dus ik kan nog heel erg lang schommelen.”

Ah. Life is so simple…