De dood relativeert, no matter what

Op 4 november 2017 verloor ik een vriendin aan kanker. Een melanoom werd een hersentumor (met de veelbetekenende naam ‘Remi’), werd een uitzaaiing in het hersen- en ruggenmergvlies, werd de dood. Dat alles in een paar jaar tijd. De laatste fase ging echter zó enorm snel dat het insloeg als een bom.

Die bominslag kwam bij mij pas meer dan een dag later. Puur omdat ik de mededeling op Facebook niet meegekregen had. 6 November ’s ochtends, een half uur voor mijn tennisafspraak. Tóén wist ik het pas. En wist niet meer hoe ik het had. Ik ben toch naar de tennisbaan gegaan, heb mijn hart uitgestort, de ogen uit mijn kop gejankt in het bijzijn van mijn tennisvriendin en toen maar een potje keihard ballen over de baan gemept. Gewoon omdat het kon. Nóg kon. Nog kán.

God, wat relativeert dit. Ik besefte pas meer dan een etmaal later dat ze overleden was. Waarom? Omdat ik met mijn eigen – nu plotsklaps tot futiele proporties geslonken – sores bezig was. De bouw van een huis, waar natuurlijk van alles misgaat in de laatste fase. Een op stapel staande verhuizing die voor een hoop stress en chaos zorgt. Wat napijn van een gekneusde rib. Een rottige rechtszaak. Een niet aflatende berg werk waar ik me doorheen moet worstelen. Een naderende scheiding, niet alleen van mijn ex, maar ook van mijn bedrijf in München (dat ik al 17 jaar heb), omdat een bedrijfspartner het voor gezien houdt. Vijf websites die door moeten draaien. Kinderen met leerproblemen die veel begeleiding vergen.

Na de ochtend van 6 november zie ik dat alles anders. Bij al die dingen denk ik alleen nog maar: NOU EN!? Ik ben BLIJ met die idiote rechtszaak; zoiets stond toch al op mijn bucket list. BLIJ met alle andere ‘problemen’, die eigenlijk helemaal geen problemen, maar gewoon ‘leven’ zijn. BLIJ met alle drukte en stress die je laten voelen dat je er nog bent. Want ja, ik besef nu dat ik er ben nog ben om het allemaal mee te maken. Maar mijn vriendin is er niet meer. Haar trof dat verrotte noodlot veel te vroeg. Haar man en twee kinderen (net zo oud als de mijne) moeten nu zonder haar verder. Onvoorstelbaar, onvatbaar, onbegrijpelijk. Alles ‘on’.

En het egoïstische in deze is: ik heb spijt. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik, de keren dat ik in de buurt was, niet even belde of ik haar kon bezoeken. Dat ik niet even iets regelde om nog een kop thee op ’t terras met haar te kunnen drinken, om nog een keertje bij te kletsen. Want ik dacht steeds: ik heb nu zoveel te doen en ben maar zo kort in Nederland; dat doe ik de volgende keer wel. Maar er komt geen volgende keer meer. Nooit meer. Mijn ‘had ik maar’-gedachten nemen de overhand. Ik kan nu alleen nog maar in mijn eigen hoofd afscheid nemen en me voor mijn kop slaan dat ik dat niet gedaan heb, toen ze er nog was. Spijt is een bitch, net als de kanker die me mijn vriendin afgepakt heeft voordat ik nog een keer met haar afgesproken had.

En dat, dát relativeert. Enorm. Who cares? I care. Maar ik geef niks meer om die mafkees die samen met zijn juriste een berg geld van me wil. Die verhuizing doe ik met links; zal wel goed komen. Scheiden? Levert óók vrijheid op. En die vrijheid om te leven, die zie ik nu weer. Door mijn vriendin. Want ik leef nog, alleen besefte ik dat de laatste tijd niet echt meer. Nu wel. Alles is nu.

Dank je Sandra, voor jou. Voor wie je was, jij positief, liefhebbend, vechtend, übermooi en veelkleurig mens. Veelkleurig was je, van je Desigual-jurkjes tot aan je hardloopschoenen. En je ijsvogel, jouw symbool geworden. Als er iemand voor mij hét voorbeeld was van een doorzetter, een nooit-opgever, dan was jij dat wel. Dóórrr!! No matter what. Je was 15 jaar lang een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van ‘gewoon goed zijn zoals je bent’. Mijn afval-maatje was je ook. Alleen vrat ik het er allemaal weer aan en jij niet; jíj zette door. Zoals je altijd door wist te zetten. Tot de marathons aan toe.
Doorloper –> Hardloper –> Marathon(s)loper –> Wereldloper –> Ultraloper! –> Roparunloper.
Zo staat het ook op je rouwkaart. Want dat was jij ‘ten voeten uit’. Letterlijk. Het waren je – opeenvolgende – titels op ‘ons’ forum. Want lopen kon je. Je begon ermee en was meteen niet meer te stoppen. Tot nu. De allerlaatste finishlijn.

Ik zal je zo ontzettend missen. Gewoon, om wie jij was. Dankjewel dat je zelfs nu nog in staat bent om eigenwijze, tobbende, zelfdestructieve mensen zoals ik weer met twee benen op de grond te zetten. Mijn spijt zal ik nu zelf de kop in moeten drukken. Voorbij moeten lopen. Want jij zou met grote stelligheid gezegd hebben: “Je hebt echt niks aan ‘wat-als’ en ‘had ik maar’!” Je zou me een knuffel gegeven hebben. Me aangemoedigd hebben om de tranen te drogen en mijn schouders weer recht te trekken. “En dóórrrr!! Ja? Je kunt het!” Ik hoor het je nog zo zeggen.

Maar ik wil nu nog niet door. Ik wil nog even huilen. Om jou. Om het verlies van een prachtmens. Meehuilen met je lieve man en je schatten van kinderen. En dán ga ik weer door. Beloofd. Met een duizend keer beter besef van wat écht belangrijk is in mijn leven. En wat totaal niet. Ik zal weer lachen. Al was het maar omdat jij dat ook altijd deed, ‘no matter what’.
Dank je, lieve San-meis.

bron: pixabay.com (en die ene Kafka)


En nee, ik probeer hier niet te ‘scoren’ met het verdriet en verlies van een ander (zoals sommigen altijd weer schijnen te denken; eigenlijk te triest dat ik de noodzaak voel om dit hier te moeten vermelden). Dit is ook mijn verlies. Dit is mijn manier van afscheid nemen, mijn manier om het verdriet te uiten, mijn manier van dankjewel zeggen, mijn manier om haar liefsten en naasten te laten weten dat ik hier en nu met ze meeleef en meehuil. Ik kan niet bij de uitvaart zijn (gelukkig wel virtueel). Het laatste afscheid dat nu, op het moment dat deze blog verschijnt, plaatsvindt. Die 1000km afstand kan soms (nu) heel bitter zijn. Daarom doe ik het maar zo.
En de nacht werd weer dag.
Dag…

Ze worden zó snel groter. Tot ze het ineens niet meer worden.

Je merkt het niet, die tijd. Hij raast voorbij, zoals het cliché zegt. Tot je naar je kinderen kijkt. En ze alweer een jaar ouder zijn. Mijn oudste wordt vandaag 15. Hij is al een echte kerel: een lange slungel met de baard in de keel. Kijkt naar Game of Thrones en naar weet-ik-veel wat voor andere inhoud op YouTube. Game’t zich suf, maar Ego Shooter is gelukkig stom. GTA daarentegen…

Hij is met zijn veranderende lichaam bezig, maar voor het ouderlijk oog zijn meisjes nog totaal oninteressant. Zonder ouderlijk oog in de buurt is dat vast al anders. Ik hoef hem niet meer naar bed te brengen (liever niet, zelfs). Hij kan zelf eten koken.

Hij is een eerlijke, sociale, behulpzame vent met verantwoordelijkheidsgevoel geworden, die ’t nog steeds oké vindt dat zijn moeder hem van school op komt halen (“Vind je dat niet genant, dan?” “Nee, mam, vind ik juist cool! Ik heb een hartstikke coole mam!” – dat compliment stak ik maar glunderend in mijn bloemetjesschortzak).

En tegelijkertijd is hij nog zo’n kind… Het kind dat hij in mijn hoofd nog steeds is. Dat hummeltje dat maar niet fatsoenlijk aan de borst wil drinken. De peuter die leert lopen en pontificaal op zijn voortanden dondert. Het knulletje dat leert fietsen en zo de plomp in slingert. De ik-weet-alles-beter-achtjarige. De zoenen-is-bah-en-seks-is-ieuw-prepuber. En hij groeit maar door, uiterlijk én innerlijk.

Bij verjaardagen in het verleden betrapte ik mij erop dat ik wenste dat ze – mijn beide kinderen – nog even klein en knuffelig zouden blijven; ze worden zó snel groter en ouder… Ik besef nu dat dat een rare wens is. Eentje die ik sinds goed een jaar niet meer heb. Ik ben me er nu van bewust dat je dat niet, nóóit moet wensen. Iets meer dan een jaar geleden, augustus 2016, overleed lieve, kleine Floor, toen 6 jaar oud, aan kanker (neuroblastoom). Het was niet te bevatten. En dat is het nog steeds niet.

Als ik de foto’s en herinneringen op de profielpagina van haar moeder zie, komen meteen de tranen weer. En dan besef ik eens te meer: wens, als die kindertijd weer eens te snel aan je voorbij raast, nóóit of te nimmer dat ze ‘nog heel even klein’ blijven. Want in één tel van de tijd blijven ze zomaar ineens voor altijd klein en kunnen ze enkel in je hoofd en je hart nog verder groeien.

Als je al iets wenst, wens dan je kinderen – naast ‘gezond en gelukkig’ – groot. Groots. Altijd.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Collectieve empathie of simpel emotioneel exhibitionisme?

Ik heb er even over getwijfeld of ik dit zou schrijven, omdat ik me echt totaal in kan leven in… Oh nee. Dat kan ik blijkbaar niet, dat inleven. Omdat ik mijn visie heb gegeven op de – in míjn ogen! – overmatige collectieve compassionele reactie die weer eens ontstond na de vondst van het lichaam van Anne Faber, word ook ik bij voorbaat veroordeeld. Ik heb totáál geen empathie, ik laat mensen niet ‘in hun waarde’, ik probeer een punt te maken scoren over de rug van een vermoord meisje. En dat, terwijl ik me in feite enkel afvroeg, of ik zélf eigenlijk wel helemaal normaal ben wanneer ik dit soort massale reacties ietwat overdreven (op het hysterische af) vind.

Reacties als ‘Mafkees. Wie ben jij om zelf zo te oordelen. Als het je niet bevalt, doe je je telefoon maar uit’ of ‘je hoeft hier [ = op FB] niet te zijn, hè!’ lieten niet lang op zich wachten. Zo makkelijk: ten eerste oordeel ik niet: ik schets enkel míjn gevoel, net als iedereen dat blijkbaar doet. Ik vertel hoe het op mij overkomt: als bijna ziekelijk. Ten tweede is ‘als het je niet bevalt, ga dan weg’ de dooddoener bij uitstek: synoniem voor ‘wil je niet zien wat wij doen, kijk dan de andere kant op’. Moet dat dan ook maar gelden als je iets doet wat echt niet mag?

Emotioneel incontinent? Ik dan ook

Ik heb wél inlevingsvermogen. Ik kan mij zelfs zó goed inleven dat ik bij iedere ietwat emotionele film al de tranen in de ogen krijg. Ook ben ik al eens ‘emotioneel incontinente borderliner’ genoemd, een titel die ik als vrouw met gepaste trots draag. Dus ja, ik voel wel degelijk mee. En dan vooral met mijn naasten en liefsten; met de mensen die ik werkelijk kén. Maar er zijn grenzen aan het uiten van compassie voor alles, iedereen en de hele wereld. Natuurlijk staat het buiten kijf dat ook ik het absoluut verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Wie niet.

Ook de enorme woede over ‘hoe heeft dit kunnen gebeuren’ is begrijpelijk. Die woede is nu allereerst vooral gericht op ons rechtssysteem, dat overigens nog altijd één van de beste en meest humane rechtssystemen ter wereld is. En waar dus ook fouten gemaakt worden: geen enkel systeem met menselijke factoren werkt feilloos. In alle medeleven moet er nu stante pede een schuldige, een boetedoener gezocht en aangewezen worden. Men is niet enkel meer meelevend, maar ook ‘meewoedig’ (dank aan Petra de Boevere voor deze term).

Meeleven? Eitje!

Vanzelfsprekend mag iedereen zijn of haar gevoelens uiten. Maar dan mag ik ook zeggen dat ik een ongemakkelijk gevoel krijg bij deze massale, collectieve over-empathie, die vooral op social media te zien is. Je kúnt er niet eens omheen. Profielfoto’s veranderen in Anne-ode’s of nog erger: Gif-jes. Mensen huilen in woorden, plaatsen virtuele kaarsjes, roepen massaal ‘RIP!’, ‘Sterkte’ en ‘Wáárom?’ Ze posten gedichtjes voor Anne en rouwen omdat ‘we’ haar verloren hebben. Er worden massaal plaatjes gedeeld waarop staat dat ‘Iedereen die avond met haar zou zijn meegefietst om haar veilig thuis te brengen’. Dan denk ik: sure. Was jij echt op je fiets gestapt en 25km met haar meegereden in de stromende regen, omdat er wel eens iets zou kunnen gebeuren? Get real. Maar het is zo eenvoudig om het te roepen. Social media maken ‘intens meeleven’ een eitje. Ongemakkelijk gemakkelijk.

Kende jij haar?

Al die mensen kenden Anne totaal niet. Net zomin als die twee jongetjes, Ruben en Julian, die in 2013 door hun vader vermoord en in een afvoerbuis gedumpt werden. Of An en Eefje, het ‘geval Dutroux’ (al langer terug: 1995. Toen was er nog geen Facebook voor heftig medelijdende uitingen). Of  het aangespoelde vluchtelingenjongetje. Of Eberhard. Of Theo. Of Madeleine McCann. Laatste is nog steeds niet gevonden: de zoektocht moest wegens gebrek aan donaties zelfs bijna opgegeven worden, ware daar niet de Britse politie (!) die op het laatste moment met 154.000 pond bijsprong om verder te kunnen zoeken. De mensen zelf waren na 10 jaar wel klaar met doneren. Blijkbaar komt ook aan compassie een einde.

Maar ook in real life is het massale medeleven een feit: men zwermt in groten getale naar de plekken des onheils (bij Anne is de vindplaats inmiddels verboden terrein, afgezet wegens teveel ‘belangstellenden’). Men belaagt begrafenissen die de ware naasten en familie in stilte hadden willen houden, men loopt stille tochten. Zoals een goede week geleden: een bescheiden stille tocht voor de op 22 september in Vlaardingen doodgestoken Graciële Gomez Rodrigues (21). Haar broer zoekt nog naar gerechtigheid en getuigen. Maar wie denkt er verder überhaupt nog aan haar? Sorry Graciële, je was niet voldoende in het nieuws. Dan ‘leef’ je niet bij de mensen.

En voor wie het voorgaande allemaal teveel werk is, is er dus social media. Even een berichtje posten en de profielfoto veranderen; kleine moeite, groot… ach nee, laat maar. Voor mij (!) staat dat gevoelsmatig gelijk aan virtueel ramptoerisme. Online laten zien dat je er extreem dichtbij staat. En vooral: heel hard meevoelen om er verder maar niet over na te hoeven denken. Laten zien dat je betrokken bent, omdat dat voor je gevoel zo hoort en omdat – bijna – iedereen het doet. Het ‘ik was erbij’-gevoel, de ‘nu komt het wel héél dichtbij’-sensatie, maar ook het ‘kijk mij eens een goed mens zijn’-gedrag. Je Suis. Als je je gevoel of medeleven níét per direct openlijk toont en bewijst, ben je per definitie niet betrokken en een slechte, kille, veroordelende mens.

Virtueel exhibitionisme

Maar dat ben ik niet. Ik weiger enkel mee te gaan in dit emotionele exhibitionisme. Overigens:
“Het begrip exhibitionisme wordt ook in niet-seksuele zin gebruikt wanneer men veel over zichzelf prijsgeeft aan vreemden en/of graag veel aandacht krijgt, bijvoorbeeld door middel van het laten zien van zijn of haar website of door zich veelvuldig te tonen in een televisieprogramma. Iemand die daarmee behept is, wordt wel ‘mediageil’ genoemd.” (bron: wikipedia)
Aandacht en ‘meedoen’ lijken inmiddels veel belangrijker dan oprecht medeleven. Let wel: lijken (pun not intended). Er zijn vast ook velen die geheel oprecht hun medeleven willen betuigen en werkelijk geen andere manier weten dan hun profielfoto te veranderen en R.I.P. te roepen.

Kuddedieren

Dat de mensheid als zodanig collectieve gevoelens heeft, is natuurlijk niet nieuw. De mens is nu eenmaal een kuddedier, en gevoelens worden in grote mensenmassa’s intenser ervaren. Dat is het overweldigende bij concerten, de gekte bij de gaypride, groepsgedrag bij voetbalwedstrijden, motorclub-sektes, you name it. Allemaal kuddes met groepsgevoel. Ergens – geheel legitiem – bij willen horen, meegedragen willen worden. Want in je uppie ronddolen is eng; het maakt je kwetsbaar.

Aan de andere kant van het spectrum vind je inmiddels ook de tegenbeweging: degenen die zich te allen tijde krampachtig willen onderscheiden van de massa door per definitie naar links te hollen als ‘het kuddevolk’ (niet mijn terminologie) naar rechts (‘weg van het vuur’) rent. Ja, dat kan óók ‘ziekelijk’ genoemd worden.

Goede kanten van empathie

Maar ik ben de beroerdste niet: ook ik zie best de mooie kanten van zoveel betrokkenheid en medeleven. Een fijne, inhoudelijke reactie op mijn facebookposting kwam van Nicole: “Ik denk heel Nederland in shock is door deze gruwelijke daad van deze moordenaar en iedereen op zijn of haar eigen manier daar invulling aan geeft. Bovendien vind ik het prachtig om te zien dat door de kracht van deze zogenaamde ‘massahysterie en nep-empathie’ hele groepen lieve mensen zich inzetten om deze jonge vrouw te zoeken. Ik vind het jammer om het gevoel van mensen te betitelen als ‘nep’. Tenslotte heeft deze gruweldaad tot gevolg gehad dat het onderwerp weer hoog op de politieke agenda staat. Nee, ik ben juist BLIJ met deze compassie van miljoenen Nederlanders op social media en in real-life.”

Ik heb overigens het woord ‘nep’ niet gebruikt. Wel ‘hysterie’ en ‘over-empathie’. En dat is waar het me om gaat: de massale, bijna maniakale behoefte om je afgrijzen, woede en shock meteen zo verreikend mogelijk tentoon te spreiden, om de wereld te laten weten dat ook jij keihard meeleeft. Vooral nu het totaal geen moeite meer kost om dat medeleven ‘even snel’ te betuigen.

Misschien heeft al deze empathie en compassie inderdaad geholpen bij het vinden van Anne. Ik betwijfel het. Maar dat doet er niet toe: morgen gebeurt er weer iets anders waarover men in shock is. Dan is het volgende compassie-object daar en is Anne zo weer vergeten. Dát is pas triest.

Verbonden zijn of verbonden worden

Vroeger kon je je medeleven enkel betuigen als je ook enige binding met de persoon in kwestie had. Je kende het slachtoffer, vrienden of iemand in de familie. Of je woonde in de buurt. Als je iets wilde zeggen of steun wilde betuigen, stuurde je een condoleance-kaart of een open brief naar de plaatselijke krant. Tegenwoordig is dat anders: ieder nieuwswaardig slachtoffer wordt – of je wilt of niet – mediaal met jou verbonden. Je kunt door alle ‘live’ berichtgeving, profielschetsen, videomateriaal bijna niet anders dan het gevoel krijgen, dat je diegene als het ware écht kent. Alles raakt iedereen. Dagelijks in duizendvoud. En met jou je buurvrouw. Collectieve angst en afschuw: groepsgevoel ten top.

Ik hoop nu enkel nog maar dat de familie van Anne tenminste met rust gelaten wordt, een wens die ze zelf heel duidelijk geuit hebben. Maar het zal wel niet; compassie moet nu eenmaal getoond worden vandaag de dag. Of jij als naaste rouwende die compassie nu wilt of niet. Het is een basisbehoefte geworden. Een recht op meeleven.

Feit blijft dat, wanneer je op de een of andere manier van het heersende groepsgevoel afwijkt of daar zelfs maar een kritische noot bij durft te plaatsen, je blijkbaar je mond moet houden en weg moet kijken. Ik wacht op het moment dat je een werkstraf opgelegd krijgt omdat je niet conform de opgelegde norm meeleeft, handelt en spreekt.

Rest mij niets anders dan in mijn eentje een stille tocht te lopen voor de vermoorde individualiteit.


— Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

Klinkklare ikke (een selfie-sonate in f)

Wie ben ik? Wát ben ik? Ben ik mijn levensinstrument? Moet het dan tevens mijn doel zijn om mijzelf zo goed mogelijk te bespelen? Uit de toon vallen is geen punt, maar ergens naar klinken is een mooi streven. Niet te zacht, maar zeker ook niet te hard. Niet te snerpend, niet te lieflijk. Maar vooral niet vals.

Vertel eens, welke kleur krijgt een kameleon als je hem in een spiegelpaleis zet? Waaraan past zo’n dier zich aan als hij geen andere omgevingskleuren heeft dan die van zichzelf? Dat vroegen biologische cybernetici zich in de jaren ’70 ook al af. Behoudt een kameleon in zo’n geval zijn beginkleur? Wisselt hij tussen de verschillende kleurtonen? Of wordt hij door de overdaad aan zelfreflectie tot waanzin gedreven?

Vrouwtjes lijken redelijk kalm te blijven; hun kleur wordt enkel iets donkerder. Hooguit een rode gloed. Misschien zijn ze gewend om een spiegel voorgehouden te krijgen. Mannelijke kameleons raken daarentegen zwaar geïrriteerd door hun spiegelbeeld. De kleur verandert bij de eerste aanblik in geeloranje, soms zelfs knalrood, om zichzelf maar per nano-seconde te kunnen onderscheiden van de gereflecteerde, bedreigende ‘rest’, die zo hetzelfde is als hij. Rood. Alarm. Bij gebrek aan zelfbewustzijn is de eigen beeltenis afschrikwekkend. Pure schrik en stress door ontbrekende, maar oh zo noodzakelijke identiteit.

bron: pixabay.com

Met veel mensen gebeurt hetzelfde. In het spiegelpaleis der sociale media zien ze enkel nog zichzelf(ie), maar herkennen zich niet meer. Met elk zelfbeeld, elke selfie, ongewild gespiegeld aan duizenden, nee, miljoenen reflecterende anderen, drukt men zich steeds weer in een nieuwe rol. Neemt men gemakshalve toch maar weer een nieuwe kleur aan. Doelgericht aangepast aan de heersende normen en waarden, die een dag later al niet meer gelden. En hoe meer kleuren en rollen een mens tracht aan te nemen om de contouren van de identiteit na te trekken, des te moeilijker wordt het om te definiëren, wie hij nu werkelijk is.

Daarom klink ik liever.
Toonaarden herken ook met je ogen dicht.
Blind voor ongewenste reflectie, bespeel ik mijzelf.
Een selfie-sonate in f.


— Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

Dochter is stuk en mensen zijn best aardig

Met 120 scheur ik over de landweg waar ik laatst zelf een ongeluk had, doordat een tegenligger met rotsnelheid op mijn weghelft een onoverzichtelijk bocht om kwam scheuren. Toen reed ik maar de hoge berm in, met alle schade van dien.

Dit keer ben ik zelf degene die voor gek en onwijs rijdt. Naar de plek waar mijn dochter in de kreukels ligt. De plek waar al drie auto’s her en der in het gras geparkeerd staan en een overstuur vriendinnetje huilend naast mijn meiske zit, dat half liggend overeind en wakker gehouden werd door een vrouw. De plek onderaan de flinke berg waar ze zo lekker hard vanaf suisde. Totdat een auto haar rakelings passeerde, zij uit wilde wijken en haar wiel begon te zwabberen. Boem.

bron: pixabay.com

Ze kijkt me wazig en betraand aan.
“Mama…”
Meer zegt ze niet. Maar ze herkent me, godzijdank.

Haar vriendinnetje belt eerst de vader van mijn dochter (mijn ex-partner), maar die blijkt helaas te ver weg om meteen ter plaatse te kunnen zijn. Dan belt ze mij, met het mobieltje van mijn dochter.
“Hi, lieffie! What’s up?” roep ik als altijd in de telefoon, wanneer haar naam op mijn scherm verschijnt.
“Ik ben het. Lena… K. is over de kop geslagen en gevallen met haar fiets en er zit overal bloed. En ze weet helemaal niks meer… Kun je alsjeblieft gauw komen?”
De shockwave die bij zo’n bericht door je heen gaat, laat je hart je maag opslokken.

“Waar zijn jullie nu precies?” Daar en daar. Onderaan de berg.
“Is er iemand bij haar?” Ja, er zijn meerdere volwassenen gestopt en met haar bezig.
“Ik kom er nu aan.”

Het is raar om je kind daar zo in het gras te zien liggen. Als een kapotgescheurde vaatdoek. Haar been is bebloed. Haar achterhoofd ook een beetje: daar waar de knop van de helm door de val in haar schedel gedrukt is.
Ja, ze had een helm op. Nu ligt het ding van binnen en buiten gebroken in het gras. Ik ben die helm eeuwig dankbaar. Wat als ze hem niet op had gehad? Had ik dan nu geen dochter meer? Of een dochter die niets meer weet en niemand meer herkent vanwege een deuk in haar hoofd? Een deuk die nu in de helm zit?

De ‘kleinste’ schaafwond (knie). De rest mocht niet op de foto. (eigen foto LB)

Uiteindelijk komt haar papa ook aangereden. Hij is duidelijk net zo aangedaan en geschrokken. We praten even. Voor het eerst sinds lange tijd weer in real life. Dat is raar, maar eigenlijk ook heel oké. De aanleiding voor dit onverwachte gesprek stemt hem milder, blijkbaar.

We zetten dochter voorzichtig in de auto. De omstanders helpen waar ze kunnen en laden de kapotte fiets in de kofferbak. Ze hebben haar opgevangen, water gegeven, getroost en bij zinnen gehouden. Ook hen ben ik heel dankbaar. Het is zo ontzettend fijn om te merken dat mensen wel degelijk meteen stoppen en helpen. Iedereen is begaan met haar, met ons. Elke keer houden er auto’s stil en wordt er gevraagd of er nog hulp nodig is. De vrouw die haar de nodige eerste hulp heeft gegeven, ken ik zelfs. Ze informeerde ’s avonds op Facebook ook nog een keer naar haar toestand. Medeleven is fijn.

Het is in de huidige tijd van gescheld en gezeik bijna niet meer te geloven, maar mensen zijn echt heel aardig. Online, vooral op ‘social’ media, krijg je wel eens een andere indruk. Ook nu sta ik weer versteld van de behulpzaamheid, de bekommering, de steun die meteen gegeven wordt als mensen ‘in het wild’ en in real life een nare situatie meemaken. Situaties waarin iemand in nood is of verdriet heeft. Het doet me weer even beseffen dat wij mensen in feite best een heel sociaal en empathisch soort zijn.

Dochter is inmiddels aan de beterende hand. Ze heeft een lichte hersenschudding, een verrekte, mogelijk gescheurde pees in de nek (dat moet nog bekeken worden), een gekneusde arm en een hoop schaafwonden.
En ze heeft gigantisch veel geluk gehad. Dat ook.
Overmorgen wordt ze 12. Omdat het gisteren weer eens ‘nét goed’ gegaan is.

Het leven hangt aan elkaar van geluk. Want met een beetje pech ben je zo stuk.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken

Cashloze maatschappij? Nee, bedankt!

bron: publicdomainpictures.net

Stockholm. Ik sta bij een kiosk in de rij voor twee kopjes koffie. Voor me staat een man in uniform, waarschijnlijk de kapitein van één van de ontelbare rondvaartboten. Hij bestelt een blikje Fanta, trekt zijn pinpas uit zijn borstzakje, wappert ermee over een display en loopt weg. Betaald. Contactloos. Klaar. Kan hier ook al lang natuurlijk, niet bijzonders. Maar de meesten van ons leggen bij kleine bedragen als €2,00 ‘gewoon’ nog muntgeld op het plankje.

In Zweden zijn die plankjes verdwenen. Ik bestel mijn koffie en de kioskdame duwt het pinautomaatje onder mijn neus. Ik leg 200 kronen, 2 briefjes van honderd, neer. Ze kijkt me even verbaasd aan. Weer zo’n maffe toerist met ‘echt’ geld, zal ze gedacht hebben. Mijn Kronen-biljetten accepteert ze alsnog. Nóg.

Pin, contactloos of Swish?

Zweden zal binnenkort het eerste Europese land zijn, waar cashgeld compleet verdwenen is. Men schat dat het hooguit nog 5 jaar duurt. Cash is al bijna ‘verdacht’. Je vindt er ook nauwelijks nog pinautomaten: op het vliegveld is er eentje en ergens in de stad vind je er nog een paar (goed zoeken!), maar dan houdt het wel op. En er staan enkel niet-Zweden voor te wachten.

Bij het Vasa-museum koop je je ticket uit de muur; enkel de stomste toeristen gaan nog omslachtig in de rij staan voor die ene kassa die er nog is. In veruit de meeste café’s en restaurants moet je direct aan de bar bestellen en ook meteen afrekenen. Middels een restauranteigen lokaliseringssysteem – je moet een knipperend digi-plankje meenemen en op je tafel leggen – wordt het eet- en drinkwaar dan bij je tafeltje gebracht.

Je betaalt ouderwets met je pinpas, maar liever ‘gewoon’ contactloos of met Swish, het zeer snel en blijkbaar goed werkende Zweedse betaalsysteem via de smartphone. Inmiddels maakt ca. 90%(!) van de Zweedse bevolking onder de 30 jaar voor geldtransacties bij voorkeur gebruik van Swish. Voor de gehele bevolking ligt dat gebruik bij ca. 30%, sterk stijgend.

Alleen maar voordelen! Maar voor wie?

Alles gaat automatisch, alles gaat elektronisch. En alles wordt geregistreerd. Elke fles wijn die je koopt, elk pakje sigaretten, elk blikje Red Bull. Elk condoom, elke joint, elke milliliter (daar verboden) liquid voor je e-sigaret. Elk bezoekje aan een sekswerker, elke ‘spontaan’ ter plaatse geboekte hotelkamer. Maar ook elk boottochtje dat je maakt, elke taxi die je neemt, elke citybike die je huurt. En elke locatie waar je je bevindt. Om maar wat te noemen.

Tag-in-tag-out. De perfecte glazen burger. Handig? Zeker: het gaat allemaal razendsnel. En je hoeft nooit méér mee te nemen dan je pinpas en je smartphone. De oudjes in het hoge noorden van het land denken natuurlijk anders over dat ‘handig’. Lastige, ingewikkelde telefoons bedienen, slechte internetverbindingen, pincodes onthouden; voor de oudere mens in de wat meer afgelegen gebieden wordt het er zeker niet makkelijker op. De weerstand onder die bevolkingsgroep is dan ook groot.

Voor de overheid en de banken heeft de ontwikkeling echter alleen maar voordelen: alles ‘onder controle’. Geen zwartgeld meer, geen kosten meer voor het drukken, in omloop brengen, transport, tellen, en controleren van munten en biljetten, geen geldautomaten meer. Minder bankmedewerkers. Computers doen alles. En meer.

Heilig vertrouwen in banken en autoriteiten

Dé grote voorwaarde voor deze ontwikkeling: een heilig vertrouwen van de bevolking in de autoriteiten en banken. Opdat ze allemaal maar ‘fatsoenlijk’ met je geld en je gegevens om mogen gaan. Maar zonder cashgeld ben je ook per direct compleet afhankelijk van hen. Je MOET alles via een bankrekening doen. Kom maar door met die negatieve rentes en nóg hogere ‘service’-kosten. Want een keus heb je dan al lang niet meer.

Je moet daarnaast ook heel hard hopen dat de autoriteiten [overheid en belastingdienst, banken, controlerende en arbeidsinstanties, verzekeringsmaatschappijen…], die op deze manier werkelijk álles over je weten [koopgedrag, verblijfplaats, vrijetijdsbesteding,  verslavingen, donaties, medische problemen…], niets met die gegevens doen. Ach nee, dat zullen ze toch niet? Wie wil er nu een brave burger controleren? Juist. Niemand. Toch?

Oorlog tegen cash

Het is en blijft een beangstigende ontwikkeling. Denk er maar eens wat langer over na. Contant geld geeft je de vrijheid om iets aan te schaffen, zonder er eerst uitgebreid over na te hoeven denken. Het geeft je de vrijheid je geld te bewaren op een manier en een plek die jou het beste lijkt; desnoods begraaf je het in een gat in de achtertuin. Jouw keuze. Het geeft je ook de vrijheid om iemand te hulp te schieten door diegene een klein bedrag in de handen te drukken of een dakloze een paar euro te geven. Het geeft je de vrijheid om waarde te ruilen zónder dat er over je schouder meegekeken wordt.

bron: pixabay.com

De EU voert al sinds lange tijd ‘oorlog’ tegen contant geld. Cash zou enkel de financiering van terroristische aanslagen ten goede komen. Cash werkt het zwarte circuit in de hand. Cash is voor criminelen. Maar de werkelijke criminelen hebben al lang en breed andere financieringswegen gevonden, al dan niet met behulp van wat minder betrouwbare overheden. Daarnaast boomen anonieme en toezichtsvrije, virtuele betaalmiddelen (cryptogeld) zoals Bitcoin en Ethereum. Ook geliefd voor de wat minder vredelievende transacties.

Terroristen zal het inmiddels worst wezen of er nog cash is. De enige die door het afschaffen van contant geld daadwerkelijk getroffen wordt, is de normale doorsneeburger, wiens privacy en autonomie samen met het muntgeld compleet verdwijnen. Ook valsmunterij kan geen argument zijn: de 500- en 200-eurobiljetten zijn altijd al de minst vervalste biljetten, de vijftigjes en twintigjes daarentegen…

Afschaffen die hap, want?

In mei 2016 werd echter júíst dat 500-eurobiljet afgeschaft. De eerste grote stap. Het 200-eurobiljet wordt inmiddels eveneens al nauwelijks meer geaccepteerd en zal er binnenkort ook aan moeten geloven. Ook de kleine munten (1 en 2 cent, het ‘koper’) zijn in Nederland – net als in Finland overigens – inmiddels verdwenen. Maar goed, dat is nog tot daaraan toe. Valt mee te leven.

In februari dit jaar nam de EU-politiek de volgende stap: de restrictie van contante betalingen. Bedragen boven de 5.000 euro mogen niet meer (ongescreend) contant betaald (of geaccepteerd) worden. In – onder andere – België ligt dit bedrag bij 3.000 euro. Het verbieden van cash betalingen boven de 500 euro is inmiddels ook al ter sprake gekomen.

En de reden voor dit alles, volgens het door de EU opgestelde ‘manifest’, is inderdaad terrorisme. De strijd daartegen is vastgelegd in de zogenoemde European Consultation Strategy. Hoofdmotivatie:  terrorismebestrijding door afschaffing van cashgeld. Want, zo stelt het manifest: “Payments in cash are widely used in the financing of terrorist activities.” Dat (westerse) overheden zelf de grootste wapen- en middelenverschaffers in deze zijn, dáár hebben we het voor het gemak even niet over. Terrorisme, hét alibi voor alle privacy-vernietigende maatregelen. In naam der terrorismebestrijding is namelijk elke maatregel geoorloofd. Dit doel heiligt álle middelen.

Ik ga me maar eens verdiepen in Bitcoin en co. En investeren in lichtgevende speciaal-edities van 3-euromunten  met vleermuizen en tijgers erop. Die schijnen ook een hoop waard te worden in de toekomst. Alleen even afwachten of je die te zijner tijd überhaupt nog ergens in kunt wisselen. Want bankfilialen zijn er dan niet meer. Uiteindelijk kun je je geld dan alleen nog maar opvreten. Letterlijk. Ik vraag me af wat de voedingswaarde van een vijftigje is.

Enfin. Terug naar de middeleeuwse ruilhandel. Mijn koe tegen jouw varken. Wie biedt?

bron: pixabay

 

Het Nieuwe Wilhelmus (zelf ingezongen!)

Het Wilhelmus, heden ten dage weer in ons aller monde, is sterk verouderd. De tekst ronduit onbegrijpelijk. Daarom heeft uw nederige dienares besloten om een nieuwe, tijdsconforme versie op te stellen, met een thema dat iedere hedendaagse man waarschijnlijk wel kan waarderen: drank in combinatie met vrouwengezeik. Ook de lengte is teruggebracht naar slechts 7 coupletten. Hoezee.

Gelieve mindestens de eerste drie coupletten hiervan uit uw hoofd te leren, dan wel erin te stampen.

Ter ondersteuning uwer oefening heb ik het geheel even uitermate onprofessioneel, met veel dramaturgie en een bij tijden overmatige vibrato(r) ingezongen. In ene keer in mijn mobiel gejammert. Dan weet u dat. Ook de overgangen zijn vanzelfsprekend zo abominabel mogelijk gedaan.
De tekst zelf kunt u hieronder meelezen/-zingen.


Wilhelmus was verkouwe
hij rochelde fluim en bloed.
Zijn neus, die was zeer blauwe
“Ik blijf erin, ik ga dood….”
Door een flinke borrel
[hier speelde mijn eigen borrel me even parten]
is hij weer opgeveerd.
Oranjebitter van De Kuyper
heeft hij altijd vereerd.

In vrouwenvrees te leven
heeft Wilhelm nooit iets gebracht.
Zo heeft hij haar verdreven,
van zijn landgoed, onverkracht.
“Zal haar nu altijd negeren,
ze heeft toch geen rooie cent,
De bijstand die zal haar leren,
zure pruim, stomme krent.”
[let vooral op die -t-! Arrrrticulatie moet!]

Wilhelmus voelde zich verlaten
woede had zich in hem vergaard,
Zijn neus was in alle staten,
was zo’n wijf dat nu wel waard?
Die Oranjebitter hielp even,
[whoops, iets te snel. Soit.]

maar zij zeek nacht en dag,
dat bier hem nu kracht zal geven,
dat een neut helpen mag.

Lijf ende goed tezamen
bleef Wilhelm nooit verschoond,
zijn broers, nu hoog van namen
en steeds met boni beloond
Maar zij wilden hem niets geven
zo toog hij terug naar ’t drinkgelag,
[sorry, hier kwam ik even in de problemen. Stomme tekst ook.]
zijn ziel voor altijd gegeven,
voor de borrel overstag.

Beneveld en laaggeboren,
vol gezeik en ook gedram,
en vorstelijk verloren,
’t UWV doet niets voor die man,
Baudets woord geprezen,
heeft hij zelfs onversaagd,
zijn vrouw de deur gewezen
toen het hem had behaagd.

Wilhelmus zit nu te rouwen
waar is zij, oh god dat doet zeer,
Die neus, eerst nog zo blauwe,
is nu rood, hè bah, dikke peer.
“Zal ‘k toch weer een vrouw inlijven,
een dienaar t’aller stond,
de eenzaamheid verdrijven,
voor mijn neus en mijn kont…”
[mind the -t-!!]

Wilhelmus kwam weer tot bedaren
in ’t vervolg liet hij ’t zo zijn,
Hij moest zijn eer toch bewaren
een trouwe dienaar zijn,
van vrouw en volk,
daarvoor had hij toch wel de moed?
Ach, één borreltje kan toch best nog
en dan is alles weer goed.
[klaar, pfff.]


eerder verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Zo snel en eindig is het

1 augustus 2017, 12:11h
“Mam, breng je ons nu eindelijk naar ’t zwembad?”
“Ja, schatje, één moment. Even dit nog afmaken.” Ik zucht. Stress. Werk. Zorgen. Teveel aan mijn hoofd. Veel te veel.
Ik adem diep door, klap mijn computer dicht, graai de autosleutels van het kastje en spring in de auto. Dochter voorin, zoon op de achterbank. Buiten is het 38°C, in de auto nog veel heter.

Ik draai het 4m brede slingerweggetje naar het dorp op. Aan weerskanten van de berm hoog, niet te overzien gras. Ik rij goed aan mijn kant; ik ken deze bochten. Mijn nog onzichtbare tegenligger, een grote SUV,  blijkbaar niet. Hij rijdt midden op de weg, zelfs deels op mijn toch al zo smalle weghelft. En veel te hard.

In een flits zie ik wat er gaat gebeuren als ik niet onmiddellijk ingrijp. Een frontale crash. 110km/u (minstens) tegen 80km/u. Op een landweggetje. Ik rem, stuur abrupt de berm in en kom net voor een paaltje tot stilstand. Ik weet dat de kinderen gegild hebben, maar ik heb het niet bewust gehoord. De tegenligger is met volle vaart doorgereden. Het was een metallic-grijze auto, vermoedelijk een BMW, maar het ging zó snel…

bron: eigen foto (LB)

Ik draai mijn auto weer de weg op. Alles is nog heel voor zover ik kan zien en voelen.
“Mama, als je nou niet zo razendsnel het gras ingereden was, waren we dan nu dood geweest?”
“Misschien. In ieder geval had je dan de airbag mogen kussen,” grap ik, met het hart nog steeds in de keel. Omwille van hen slik ik mijn schriktranen weg.

Ineens zijn al die zorgen, al het gedoe en geregel, alle problemen en juridische shit weer even heel nietig en onbelangrijk geworden. Hoofd leeg. Daar was dit incident dan wel weer goed voor.

1 augustus 2017, 13:01h
En doorrrr. Het mag nog.
Dank, beschermengel.

Zo snel gaat het.
Zo eindig is het.


Tegelijkertijd verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Kleuters en zandbakpolitiek – een analogie

Drie kleuters vermaken zich in een zandbak in de speeltuin. Ze bakken kledderige moddertaartjes op de betonnen omranding. De kleutertjes zijn het roerend met elkaar eens: deze hele zandbak is vanaf nu van hen. Hun wereld van bruine drab. Genoeg zand om mee te smijten. Er is dan ook écht geen plek voor de creaties van een ander.

Kleuter 4, een half jaartje ouder, zit in de andere hoek en bouwt daar in alle rust een bescheiden maar goed gefundeerd zandkasteel, geheel naar eigen inzicht, creativiteit en visie.

bron: pixabay

Oprotten!

Kleuters 1, 2 en 3 vinden nummer 4 dom. En het zandkasteel heel stom, want het staat daar te gloren in HUN zandbak. Kleuter 4 past niet in hun zandwereld. Al die rare bouwideeën zijn maar wát irritant. Daarom grijpt de eerste al snel een van de moddertaartjes en smijt het in de richting van het irritante zandkasteel. Kleuter 4 kijkt even geërgerd op en bromt: “Laat me met rust. Ik mag hier ook spelen. De zandbak is groot genoeg.”

“Jij moet je kop dicht houden, jankerd!”
De volgende, iets grotere moddertaart volgt prompt.
“Ga ergens anders spelen, stommerik, maar blijf bij ons superintelli’s uit de buurt!” gilt nummer één.
“Haha, moet je jou zien, hóé DOM kan iemand zijn om zo’n idioot prutskasteel te bouwen?” schampert nummer twee.
“WIJ bepalen hier wat er gebouwd wordt! En ook waar. Én waarom. JIJ moet gewoon lekker oprotten!” Nummer drie wijst priemend met zijn middelvingertje naar kleuter 4.

Jij bent dom

“Waarom dan?” waagt kleuter 4 – nog steeds kalm – te vragen. “Ik mag maken wat ik wil, wat ík goed vind. Deze zandbak is van iedereen, dus ik heb jullie toestemming helemaal niet nodig.”
“Jawel! Dat heb je wél. Jij mag hier niet zijn, want jij bent zó ontzettend giga dom!”
“Kun je misschien ook nog iets anders zeggen dan ‘dom’?” vraagt kleuter 4.
“Oh, ja hoor: jij stinkt! En je jankt de hele tijd.”
“Ik jank niet. Ik zeg gewoon zo nu en dan wat ik vind.”
“Há, maar je stinkt dus wel! Want dát ontken je niet. En jij vindt alleen maar rare dingen. Pas als jij doet en vindt, wat wij ook doen en vinden, dán mag je hier zitten en misschien zelfs nog iets zeggen.”
Ondertussen gaat het bombardement gewoon door.

bron: pixabay

Kleuter 4 bewaart stoïcijns de rust en reageert – ondanks alles wat haar naar ’t hoofd geslingerd wordt – niet meer. Kleuter 4 is namelijk al nét iets verstandiger dan de schreeuwertjes en weet, dat je andere dreinende, krijsende, tierende, wijzende en modder gooiende roeptoeterkleuters gewoon moet negeren. Een normale discussie is toch niet mogelijk. Wel alert blijven natuurlijk, maar niet meer reageren. Dan is de lol er vast gauw vanaf. Ze buigt zich weer over haar eigen werk.

Feet. Butt. No pain.

Helaas. Werkt niet. Nu gaan de pestkoppen helemaal over de rooie. Drie paar voeten, één reet. Echt pijn doet het niet. Het kriebelt een beetje. Watjes. Grinnikend draait ze zich om en kijkt, enigszins verbaasd, in drie inmiddels rood aangelopen, van haat verwrongen gezichten.

“Zal je leren, jij zeikwijf! Hysterisch mokkel! Leeghoofdig grietje! Emotioneel incontinente borderliner! Het is niet te geloven hoe iemand zó dom kan zijn. Luister, wij zéggen toch dat je DOM bent? Dan ben je het dus ook! Ga nou eens snel weg hier?!”

Stijlloos GeTrumpetter

Moment. Dat laatste is toch helemaal geen kleuterscheldpartij? Nee, dat is gewoon een zoveelste door-het-slijk-trek-actie van steeds weer dezelfde meute stijlloze scheldkoppen met schoolpleinmentaliteit. Volwassen kinderen die op zolderkamers achter laptops wegkwijnen en zich de socmed-vingers blauw typen, wegens gebrek aan echt léven. En aan enige doordachte, steekhoudende argumenten. Om het hardst schreeuwen en uitjouwen (daar is trouwens een nieuw werkwoord voor: ‘Trumpetteren’), dan bindt de rest met een beetje geluk wel in. Bij voldoende intimidatie houden ze misschien zelfs voorgoed hun klep. Hartstikke handig.

Schoolvoorbeeldje van ‘één op één’

Ook één op één willen kleuters nog wel eens hard gillen als ze denken dat ze hun virtuele achterban op die manier mee krijgen. Een – al dan niet vooropgezet en zo ja, in dat geval nog kinderachtiger – schoolvoorbeeld daarvan: de twee overgebleven metro-columnisten, die elkaar in de boksring troffen. De één zet zichzelf totaal te kakken door ongelooflijke arrogantie, badinerende opmerkingen, loze uitspraken en een argumentatie van niks. ‘IK heb mijn mening het éérst geschreven in ONZE krant en ik heb veel meer likes en retweets dan jij, dus jij mag mij daar – in ONZE krant – niet meer op aanspreken. Ga maar ergens anders heen, amateur!’

Qué? Wat is dat voor redenering? Juist! De ultieme kleuterargumentatie. Vertaald naar de zandbakpolitiek klinkt dat zo:
‘IK heb ’t eerst geschreeuwd, dus JIJ moet vanaf nu, hier in MIJN zandbak, je bek houwe. Want ik ben véél populairder en jij bent niks.’

Zo gaat dat. Maar: de één blijft door kalmte, openheid en alertheid nog steeds een goede columnist, de ander degradeert zichzelf tot een eeuwig hetzelfde liedje roeptoeterende jij-bakker. Hop, even flink afzeiken en uitschelden. Op de persoon, graag. Op de manier waarop dat bij iedereen gedaan wordt. Wiens opvatting niet bevalt. Wiens mening niet in ’t eigen straatje past. Want zulke meningen zíjn immers geen meningen, maar slechts uitermate ‘lastig en dom’. Toch?

Stelletje kleuters. Ga echte taarten bakken.
Grow up.

bron: pixabay


Deze blog is eerder verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Tóch een béétje bang. Mag dat?

Ik ben iemand die graag roept dat je je leven vooral niet door angst (voor aanslagen, ziektes, ongelukken) moet laten regeren. Als je overal bang voor bent en je huis bij wijze van spreken niet meer uitkomt, leef je niet meer. Je wacht enkel nog tot je uitgeademd bent. Immers, waarom heet het dan nog ‘een leven’ en niet gewoon ‘de wachtkamer voor de dood’?

Ik ga dus ook vol vertrouwen en zonder bedenkingen naar grote concerten en evenementen, stap dagelijks in mijn auto en regelmatig in het vliegtuig, eet niet bepaald als een gezondheidsgoeroe, geniet van een wijntje op een vol terras, loop zonder bedenken door Stockholm, London en Parijs (als het even kan).

Maar. Dat doe IK. Ik vrees niet voor mijn EIGEN leven. Wrong place, wrong time? So be it. Kan overal gebeuren en is iets van alle tijden. Leven is levensgevaarlijk en zo. Echter, als het op mijn kinderen aankomt, is het meteen een heel ander verhaal. Dan komt ogenblikkelijk het beschermingsinstinct om de hoek kijken. Is mijn kroost wel veilig? Als mijn dochter meer dan een uur lang niet te vinden is, terwijl ze al thuis had moeten zijn, flip ik. Als mijn zoon een week in Wenen is met school, vraag ik me elke dag meermaals af hoe het hem vergaat. Of hij wel oké is. Natuurlijk belt of appt hij niet; dat is niet cool. Dus blijf ik achter, met al mijn onzekerheid en negatieve fantasieën.

Bron: Lou Bartels

“Pas je op?”
“Doe je wel voorzichtig?”
“Wel goed insmeren hoor! Anders verbrand je.”
“Zou je dat nu wel doen? Lijkt me niet zo verstandig…”
Zinnen die ik regelmatig inslik en NIET zeg, omdat ik niet wil dat ze overbeschermd en -bemoederd – en dus niet zelfstandig – opgroeien. Mijn kinderen (11 en 14) zijn – naar mijn bescheiden moedermening – juist erg zelfstandig. Ze kunnen eten voor zichzelf maken, hele dagen en avonden alleen zijn (en toch hun huiswerk en eventuele opgedragen huishoudelijke taken voltooien), zelf op een schappelijke tijd naar bed gaan, 10 kilometer fietsen naar het zwembad (en ook weer terugkomen), hun zaakjes zelf regelen als het moet. Ze hebben een fatsoenlijk verantwoordelijkheidsgevoel, doen geen rare dingen, zijn (nog…) redelijk onbevattelijk voor groepsgedrag. Zélf beslissen kunnen ze ook prima. Dus wie ben ik om dan iets als ‘lijkt me niet zo verstandig’ te zeggen…

En tóch ben ik soms een beetje bang. Zo gaan ze binnenkort een week naar Londen. Zonder mij. Ja, naar dat Londen, dat steeds weer in de media opduikt wegens allerhande terroristische incidenten. Ik betrap mezelf erop, dat ik dat bij tijden tóch best ‘eng’ vind. En daar schaam ik me dan weer voor, want dat druist in tegen mijn eigen principes. Die principes van ‘laat je vooral niet bang maken door alles wat je in de media ziet, leest en hoort’.

Mijn favoriete ‘huisfilosoof’ Ron Jacobs stelt echter, dat het mag, dat ‘bang zijn’. Dat het zelfs juist goed is:
“Schouderophalend doorleven nadat iemand is ingereden op het winkelend publiek, is […] een naïef advies. Bovendien wordt het een janboel als iedereen zijn angsten wegstopt en niet meer toont. Wat als dit een collectief patroon wordt? Geen enkel beleid is dan mogelijk. Simpelweg omdat we niets meer van elkaar weten wanneer we elkaars angsten niet kennen.” (Opiniestuk Volkskrant 21 juni 2017)

Maar wat schiet je ermee op? Als ik jouw angsten ken en jij de mijne, kennen we elkaar dan werkelijk zoveel beter? Wordt de maatschappij er echt vrijer en een mindere ‘janboel’ van, als we allemaal breed uitmeten waar we zo ontzettend bang voor zijn? Ik betwijfel het. Daarom druk ik mijn angst om mijn kinderen toch maar de kop in. Ik wil mijn leven niet in bubble plastic leven. En ik wil ook niet dat zij dat moeten, omwille van mij.

Dus denk ik steevast: het zal wel goed gaan. Wat moet je anders?

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

I talked 2 Cleo!

Cleo is een machtig mooi mens. We volgen elkaar al vanaf de prille Twitterbegintijden. Cleo is ook de Dutch Podcast Queen: ze interviewt de meest diverse (Twitter)mensen en weet altijd hun bijzondere kanten op de voorgrond te plaatsen.

Interviewen is trouwens niet het juiste woord: ze kletst er gewoon op los en trekt haar gesprekspartner en passant mee. Spontaniteit en authenticiteit zijn dé vereisten voor een mooie en interessante conversatie.

Ik heb nu dus ook de eer gehad om ‘gepodcast’ te worden door Cleo. Ze heeft in haar tijd als podcast queen al met meer dan 170 mensen gesproken (ik was nummertje 173), waaronder ook heel veel Engelstaligen en relatief bekende personages. Toen ze mij in de Twitter-DM vroeg, was mijn directe wedervraag dan ook: “Why me?” Het antwoord verraste me (niet):
“Jij bent gek. Daarom!”
Ik beschouw het als een compliment. Het klopt ook. Niks fijners dan gek zijn, vooral online. En ik ben op ’t net niet anders dan in het echt. Trek hier uw conclusies en sluit aan in de rij.

Want: interessant genoeg wijkt de online identiteit, de perceived identity, vaak wel degelijk af van de realiteit in real life. Het ‘mooi-weer’-gedrag viert hoogtij. Onze Marga heeft het daar ook al een paar keer over gehad hier op HVD (hier en hier).

Je ware zelf laten zien, dus ook online zijn zoals je bent, is eng. De angst daarop afgerekend en veroordeeld te worden door wijzende familie en (ont)vriend(d)en is groot. En bij wat verdergaande uitgesproken meningen komen ook nog eens de grote blaat-en-janktanks der social media om de hoek piepen. Maar: in een intiem, persoonlijk gesprek kún je haast niet anders dan praten zoals je bent. Tenzij je goed kunt acteren. En dat kan ik niet.

Het verbaast me steeds weer dat derden je, ondanks dat ze je nog nooit een blik waardig hebben gegund, toch menen te kennen, pretenderen te weten hoe jij bent. En dat, terwijl ze in dezelfde zin – ja, in dezelfde ademtocht – duidelijk stellen dat ze je juist totaal níét kennen, zelfs niet eens wíllen kennen. (“Ik ken je niet, maar ik heb de indruk dat je […vul maar in…] bent” – van die zinnen). Vertel me, hoe kun je die indruk überhaupt krijgen als je nog nooit hebt gekeken naar wat diegene écht zegt of schrijft? Als je beweert absoluut niet geïnteresseerd te zijn in die persoon? Waarom dan wel gelijk een oordeel ad persona?

Daarom was ik blij met het podcast-gesprek van Cleo. Het was ontzettend leuk om ‘gewoon jezelf’ te kunnen zijn in een interview, dat helemaal geen interview is maar een open en eerlijke conversatie. Cleo weet je meteen op je gemak te stellen, is heel spontaan en extravert, vertelt zelf ook veel. Daarmee geeft ze haar gesprekspartner nieuwe mogelijkheden tot in- en aanhaken, tot verder vertellen, tot méér van jezelf laten zien. En zo kwam het gesprek als vanzelf op de liefde, op mijn nieuwe project *Klunst!*, op HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, mijn vertaal- en schrijfbedrijfje SoGraTex en mijn firma in München, maar ook op de personificatie van ongekookte aardappelen, moederdagverrassingen, Oostenrijk, drietaligheid, en mijn liefde voor auto’s en autorijden. Ik had nog véél meer te vertellen, maar dan zou het gesprek uren gaan duren en dat wil je je luisteraars niet aandoen.

Enfin. Wilt u niet alleen online lézen hoe ik ben, maar ’t ook eens een keer horen? Voilà:

Mag u daarna oordelen of uw indruk van mij een juiste was.

Dikke zoen voor Cleo!!


ook verschenen op HoeVrouwenDenken

“Ik WIL helemaal niet volwassen worden!”

Dochter (11) zit na schooltijd aan tafel. Ze staart bedremmeld voor zich uit. Het is overduidelijk dat er iets aan de hand is, dus ik vraag het ook maar meteen. Meestal werkt dat voor geen meter. Als ik vraag: “Wat is er, lieffie? Waarom kijk je zo zorgelijk?”, krijg ik steevast het antwoord: “Ach, niks. Laat maar even…” Nu dus ook. Maar in ieder geval weet zij nu dat ik aan haar kan zien dat er wél iets is.

Ik maak een kop koffie en ga bij haar aan de eettafel zitten. Doe mijn koffielepel vol melkschuim en hou die voor haar mond. Normaal gesproken hapt ze gelijk: vindt ze heerlijk. Nu niet.
“Zie! Er is écht wat! Ik wist het wel. Wil je het me echt niet zeggen? Je weet toch dat je mij alles kunt vertellen, hè?”
“Ja, weet ik. Maar ik heb het er gewoon liever even niet over.”

Oké. Dat wordt raden. Want als ik juist raad, kan ze niet ontkennen. Ik ken mijn dochter.
“Heb je op school voor het eerst een jongen gezoend?”
“Neeee zeg! Yuck!”
“Heb je per ongeluk iets kapot gemaakt of iets stoms vergeten?” Dochter lijkt erg op mij, dus deze dingen gebeuren met enige regelmaat.
“Nee, natuurlijk niet.”
Dan schiet me ineens ons gespreksthema van vorige week te binnen. Over ‘vrouw worden’ en zo.
“Zeg, ben je misschien ongesteld geworden?”
“…”

Ik grijns vertederd. Dát is het dus. Zo heb je het er ginnegappend over en zo is het al zo ver. Mijn kleine meiske heeft haar eerste menstruatie te pakken. En dat nog wel tijdens schooltijd, arm kind. Geen kleine meid meer. Niet langer mijn tuddeke. Ik knuffel haar. Er glinstert iets in de ooghoeken. De hare en de mijne.

bron: eigen foto (LB)

“Mijn onderbroek is vie-hie-hies…” Tranen.
“Kom, skattie, gaan we even naar de badkamer.” Ik pak haar hand en ze loopt – enigszins wijdbeens – met me mee.

Op ’t toilet frommelt ze de lappen wc-papier uit haar onderbroek. Goed gedaan meisje; aan oplossend vermogen geen gebrek.
“Ik had gym en ik wilde niet dat iemand het aan mijn legging zou kunnen zien…”
Ik trek de kast open waar het maandverband en de inlegkruisjes liggen. “Híér moet je wezen,” knipoog ik en laat haar zien hoe ’t werkt met de plakstrip. En waar de beste plakplek in de onderbroek is. En dat je je onderbroek vooral niet uit moet rekken tijdens het bevestigen, anders heb je een harmonica-ribbelverbandje tussen je benen en da’s niet fijn. En meer van dat soort praktische zaken.

bron: pixabay

“Nooit in de wc gooien hè! Altijd in de prullenbak. Anders heb ik straks een andere overstroming hier.”
“Jahaa… Ik ben niet gek. En hoe werkt dat dan met die trappers?” Ze wijst naar het pakje in de kast.
“Tampons, lieverd, tampons. Dat zijn een soort van dikke wattenstaafjes met een draadje eraan. Die duw je in je vagina. Als ie vol is, trek je hem er aan ’t draadje weer uit.”
“Ieuw. Die dingen hoef ik niet.”
“Nee, nu zeker nog niet. Dat komt later wel een keer. Ze zijn wel handig bij ’t sporten en zwemmen en zo. Maar voor nu is een maandverbandje prima.”
“Ik vind het niks, zo’n mini-luier in m’n broek. Maar het is beter dan toiletpapier.”
Stiekem denk ik: Joh, dit is niks. Straks, als je 45 bent, twee kinderen hebt gehad en met jodelende bekkenbodemspieren moet dealen, loop je tijdens het sporten regelmatig met incontinentie-verband in je broek. Dát zijn pas luiers…

Terug aan tafel zit ze bij mij op schoot te sippen.
“Lieverd, het is écht niks om je voor te schamen, hoor! Het is zelfs de normaalste zaak van de wereld. Ieder meisje wordt ongesteld als ze in de puberteit komt en volwassen wordt.”
“Ik WIL helemaal niet volwassen worden! Ik wil gewoon kind blijven.”
“Wel, je hebt nu weer een luier in je broek, dus dat zit vast wel goed met dat kind blijven.”
Ze grinnikt en slaat haar armen om mijn nek. Ik ben blij dat ze er nog een beetje om kan lachen.
“Weet je, dat gaat allemaal vanzelf, dat heb je niet in de hand. Het is in ieder geval heel geruststellend dat bij jou alles gewoon ‘in orde’ is. Stel je voor dat je helemáál niet ongesteld wordt, dan kun je heel waarschijnlijk ook nooit kinderen krijgen… Je bent vanaf nu vruchtbaar, dat weet je, hè?”
“Alsof ik ooit van mijn leven seks ga hebben. Mooi niet. Getver.”

En natuurlijk volgt daarop weer een giebelgesprek over jongens en seks, over zaadjes en eitjes. Het zoveelste gesprek, maar dat is juist goed. Ze moet weten waar ze aan toe is. Maar waar het mij vooral om gaat, is dat ze weet dat ze altijd naar me toe kan komen als ze vragen heeft, zich zorgen maakt of wil praten over voorbehoedsmiddelen. Anytime, anyplace, anywhere. Want ook al is ze nog maar 11 (en een half), ik wil dat ze weet dat ik echt niets gek vind.

Ze weet het. En tóch is er nog een restje onnodige schaamte.
“Ehm, mam, wil jij het alsjeblieft voor mij aan papa vertellen?”


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Gelukkig Kippetje

Avondeten. Zoonlief (14) vreet weer eens als een bootwerker en pakt het derde (flinke!) stuk gekruide kalkoen met lekker veel knoflook.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gromt dochter hem toe.
“Hou je erbuiten. Je bent m’n moeder niet,” bitst hij terug.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gooi ik er maar gelijk achteraan.
“Ja.”
Oh.

bron: commons.wikimedia.org (licence CC 2.0)

“Mam, vroeger was T. toch ooit een tijdje vegetariër?”
Jee, dat ze dat nog weet. Ze moet 6 geweest zijn of zo. Zoon was toen 9 en zat onder de ritalin. Een compleet verkeerde keuze destijds, hoewel het in het begin zo goed leek te gaan. Voor ons was het sowieso niet nodig (zoon is een geweldige, lieve, rustige en verstandige jongen), maar voor hem zelf wilden we álles proberen. Alles waardoor hij zich maar een beetje beter en vooral minder chaotisch, minder ‘anders’, meer geaccepteerd en minder verloren zou kunnen gaan voelen. Het werd helemaal niet beter, enkel slechter. Ook Strattera en Medikinet bleken geen uitkomst. Naast de nachtmerries, de lusteloosheid, de hartkloppingen, de gejaagdheid en de depressieve fases had hij ook nog eens totaal geen eetlust meer. Vel over been was hij. Na een jaar ‘proberen’ was het punt bereikt: weg met die rottige pillen.

“Ja, lieffie, klopt. T. wilde een tijd lang helemaal geen vlees eten. Door de ritalin vond hij alles vies, dus ook vlees. Daarnaast dacht hij ineens over álles na. En dus ook over waar ’t beest op zijn bord vandaan kwam. Als ik een gebraden kip op tafel zette, was het eerste wat hij bulderde: “Is dit wel een gelukkig kippetje geweest?” Als in bio-vrije-uitloop-kip. Daarop antwoordden wij dan natuurlijk bevestigend. En dan nóg at hij niks. Waar je al niet allemaal over nadenkt met die pillen…”

“Dat kwam helemaal niet door die pillen. Dat kwam door jullie,” mompelt zoon.
Die zag ik niet aankomen. Huh? Wij?
“Ja, jullie. Ik was toen weer eens ziek en jullie moesten allebei even weg, dus parkeerden jullie mij op de bank met één of andere suffe kinderuitzending op tv en legden vervolgens, zoals altijd, de afstandsbediening boven op de kast. Maar toen de serie afgelopen was, kwam er een documentaire. Over kippenfokkerijen. En ik had geen afstandsbediening en geen zin om van de bank af te komen, dus heb ik die hele docu afgekeken. Vanaf toen wilde ik geen ongelukkige kip meer eten.”
Aha. Oké dan. Daar kan ik me niets meer van herinneren.

“Nou, eh, deze kalkoen was echt een hele gelukkige bio-kalkoen, hoor!” stotter ik.
“Kan mij ’t bommen. Als ie maar lekker is. En dat is ie.”

Zoon begint aan zijn vierde stuk. Opdat hij maar een potige kerel mag worden.
Hij is in ieder geval goed op weg, mijn nu prima in zijn vel zittende, gelukkige haantje.
Zónder ritalin & co, welteverstaan.

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Het juiste gaatje

bron: commons.wikimedia – Licence 2.0. Author Carl Bednorz – Adapted (Text)

Dochter begint te puberen. Ze wordt dit jaar 12 en zaken als menstruatie en seks komen steeds vaker aan bod. Zo ook praktisch elke avond voor het slapen gaan. Het hele oeuvre aan baarmoederslijmvlies-, eitjes-, en kinderkrijg-verhalen hebben we inmiddels meermaals doorlopen. Die puberteit gaat in ieder geval hand in hand met een hoop geklets.

“Je moet er wel rekening mee houden dat er binnenkort wat gaat gebeuren, lieffie. Dat je ongesteld gaat worden. Ik weet natuurlijk niet precies wanneer, maar bij mij was het rond mijn twaalfde, en bij je nichtje zelfs eerder, dus het kan best binnenkort gebeuren. Als het zover is, krijg je waarschijnlijk buikpijn en zie je vanzelf wat bloed of bruine prut in je onderbroek verschijnen.”
“Yuckerdeyuck… Maar hoe weet ik dan of ik ongesteld ben of dat ik gewoon drie dagen lang vergeten ben mijn onderbroek te wisselen? Lijkt het een beetje op een vet remspoor?”

Hè bah. Zo heb ik mijn kroost toch niet opgevoed?
“Djiezus, kind. Je moet ELKE DAG een schone onderbroek aan doen, dat weet je toch? Dan zie je vanzelf het verschil. Remsporen zitten meer achterin. Dit zit in het midden. En als het dan zover is, kom je bij mij, dan krijg je een maandverbandje en alles wat verder nog nodig is, oké?”
“Oké dan…” Het klinkt niet overtuigd.
“En nu slapen. Hou van je, skattie.”
“Ik van jou, mammie.”
Licht uit.

“Ma-ham… joehoe, máám, ben je er nog?! Uit welk gat komt het dan ook alweer?” roept ze vanuit de slaapkamer.
Dit hebben we dus óók al tig keer besproken, maar wat menstruatie betreft heerst er iedere keer weer acute amnesie.
“Dat weet je toch? Uit het K-gat. Het middelste gat. Plasgat – Kindergat – poepgat.
Dochter is Duitstalig  en in het Duits klinkt het allemaal nét iets lolliger: ‘Pipiloch – Kinderloch – Arschloch’.
En hoppa, ze komt niet meer bij. Het is zo makkelijk…
“Hahaha, Arschloch!! Daar kun je toch geen kinderen uitpersen?”
“Nou, gezien jouw drollen zal het best mogelijk zijn.”
Dochter heeft het niet meer. Voor de zoveelste keer.

bron: pixabay

“Als mannen kinderen zouden krijgen, zouden ze de baby door hun piemelgat eruit moeten persen,” vervolgt ze bloedserieus, nog nahikkend in haar hoogslaper.
“Daarom krijgen mannen geen kinderen. Niemand wil een ballonpiemel.”

“Als ik goed tel, heb ik wel 8 gaten! En uit maar eentje kan dat hele kindergedoe komen! Best wel onhandig.”
“Je ogen zijn ook gaten hè.”
“Welja, dan huil ik straks kinderen!”
Hopsakee, weer drie minuten niet aanspreekbaar wegens lachtranen.
“Nu slapen! Zo lang je nog niet ongesteld bent, ben je nog mijn kleine tuddeke. En tuddeke’s moeten om 9 uur hun nest in. Toevallig.”

Ik ben blij dat we er nog een lolletje van kunnen maken.
De ware ernst van de zaak ‘vrouw worden’ steekt snel genoeg de kop op.


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Mijn voetbalkindekes, ik zal ze missen

Negen jaar lang heb ik het gedaan.
Elke maandag. Elk voorjaar, elk najaar.
Wat dan, vraag je je af? Voetbalkindjes trainen bij de lokale dorpssportclub.

bron: eigen foto (LB)

De allerkleinsten. De F-jes. De ‘bambini’s’ onder de voetbaljeugd. De vier- t/m zesjarigen. Maar aan het eind van dit voorjaarsseizoen ga ik afscheid nemen. Met twee kinderen, twee bedrijven in twee buitenlanden en een partner 1000 km verderop (mijn auto is mijn tweede thuis) kan ik de voetbaltrainingen simpelweg niet meer bolwerken. Daarnaast verhuis ik in de herfst ook nog eens naar de big city. Dan zou ik voor de training iedere maandag drie kwartier in de file moeten gaan staan. Voor mij een no go.

Maar ach, ze zijn zo schattig, mijn bambini’s…
Meestal heb ik ’s maandags totáál geen zin. Eigenlijk moet ik dan koken voor ’t hongerige kroost thuis en ben ik daarnaast druk aan het werk. Toch hijs ik me om half vijf alsnog in een clubtrainingspak en scheur naar het voetbalveld.

Maar als ik er dan eenmaal ben en al die koters – gemiddeld 20 tot 22 stuks –  in de zon over het veld zie hobbelen met een junior-bal, dan vind ik het tóch weer hartstikke leuk en loop ik vervolgens een uur lang te grijnzen en mee te rennen, wat op zich voor mij helemaal niet zo slecht is.

bron: eigen foto (LB)

Eerst de warming up. Jumping Jacks blijken elke keer weer ondoenlijk voor die kleintjes. Links en rechts uit elkaar houden is ook een dingetje. Dan doen we een loopspelletje (meestal tikkertje met verlos of iets van dien aard). Daarna volgt de loop- en behendigheidstraining: slalommen. Zonder bal (gaat prima, ze lopen alles overhoop en de stangen worden ook meteen meegenomen) en met bal (gaat voor geen meter: botsingen en chaos voorgeprogrammeerd).

Vervolgens komt ’t hoogtepunt: doeltrappen! Op het grotemensendoel, natuurlijk. Daar staan wij (trainer en helpers) dan in, liefst met ons achterste – het eigenlijke doel – naar de kinderen toegekeerd zodat ze daar zo hard mogelijk tegenaan kunnen trappen. ‘Raak de kont!’ Vinden ze gewéldig. Afsluitend 20 minuten chaosvoetbal. Dat is met minstens 3, liever 4 paaldoelen, waarbij je in elk van die doelen mag scoren, behalve in je eigen doel. Dat laatste blijkt over het geheel genomen uitermate lastig, dus goals in eigen doel tellen ook positief mee. Ieder kind telt gewoon de eigen doelpunten, maakt niet uit waar je ze gemaakt hebt. Zou voor Danny Blind een verademing geweest zijn. Te laat!

bron: eigen foto (LB)

bron: eigen foto (LB)

Vanzelfsprekend zitten er altijd een aantal lastpakken bij. Jochies die sneaky ieder ander op hun pad omver duwen of een stomp geven. Meiskes die om de haverklap naar de wc moeten (en dan moet je natuurlijk mee; alleen durven ze niet) of die gewoon in jurkje en zondagse schoentjes meerennen. Mennekes met glimmende nieuwe voetbalschoenen inclusief glibbergladde veters die continu en ondanks dubbele knoop weer los raken (ik strik dus minstens tien paar schoenen in dat uur). Knullekes die voor geen meter opletten en in alle richtingen staan te turen, behalve in de richting van de bal. Boink = brullen. Het aantal gestelpte bloedneuzen tijdens mijn ‘voetbalcarrière’ is al niet meer te tellen.

Enfin. Het is weer eens maandag. En het is weer bal.
Ik draaf tussen de pak-‘m-beet 20 krioelende kinderen, in een nutteloze poging om van het geharrewar op het veld iets van voetbal van te maken.

Een ieniemini jochie, Tobie heet ie (of Ronaldo, volgens zijn T-shirt), wil per se in één van de doelen staan. Prompt ontvangt het ukkie een bal in zijn onderbuikzone. Ik zie hem ineenkrimpen, ren erheen, aai ‘m over zijn bol en vraag of het erg pijn doet. Dat is de standaard vraag. ‘Gaat het nog?’ moet je vooral níét meteen vragen, want dan brullen ze er stante pede op los om aan te tonen dat het echt helemáál niet meer gaat. ‘Gaat het nog’ komt pas later. Dus:
“Doet ’t pijn, Tobie?”
“Ja-haa! Mega!” en hij pinkt een moeizaam uitgeperste krokodillentraan weg.
“Waar doet het pijn? In de buik?”
“Nee! Hier!” Hij rukt zijn joggingbroekje omlaag, trekt de rand van zijn onderbroek naar voren en wijst naar zijn blootgelegde pielemansje. Aha. Duidelijk. Ja. Goed. Nee. Niet goed.
“Eh, ja, dát kan pijn doen inderdaad. Joh, gaat wel weer over. Topvoetballers gaan ook gewoon door…”
Even blijf ik bij hem staan terwijl ik simultaan zijn doel verdedig. Dan volgt de heikele vraag:
“Gaat het nu weer een beetje, knul?”
“YO!!” En weg is Tobie, mij in het doel achterlatend.

Ze blijven geweldig, die kleine, enthousiaste fanatiekelingen.
Ik zal ze in de herfst stiekem best gaan missen.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Huilhaar

bron: eigen foto (LB)

Voor de LINDA worden blijkbaar vrouwen gezocht die stevig balen van hun haar. Vrouwen die elke ochtend wanhopig een traan wegpinken als ze voor de spiegel staan en naar hun natuurlijke hoofdbedekking staren. Die met geen mogelijkheid ook maar enig fatsoen in hun vlaskapsel weten te brengen. Of die praktisch kaal zijn (waarbij ik dan denk: die balen toch niet van hun haar? Die balen van géén haar!). En die vrouwen zijn ogenschijnlijk nérgens te vinden!

Wel, IK baal! Want ik heb huilhaar. Héél dun, slierterig, altijd in de knoop, eeuwig piekerig. Hoe vaak ik het ook bij laat knippen. En  aalglad is ’t ook: geen land mee te bezeilen. Mijn haar is zo ongeveer het enige aan mij wat iel en dun is, dus het steekt ook nog eens extra af tegen de rest van mij.

Als ik mijn haar ‘in model’ föhn, is het uiterlijk na een half uur weer modelletje verzopen-cavia-in-een-bloempot. Dus föhnen doe ik ook niet meer. Zinloos.
Ik heb een kruin die een kale plek op mijn achterhoofd in volle glorie laat shinen. Ik zie die plek weliswaar niet, maar ik weet dat ie er is.
In elke door mij bereide maaltijd bevinden zich minstens drie tot vijf van mijn hoofdharen, want haaruitval hoort nu eenmaal bij ouderdom. Zeker na het wassen. Maar goed, het is wel schoon, gewassen haar, daar in dat eten. Dat dan wel weer.

bron: eigen foto (LB)

Het enige wat ik doe als ik héél erg van mijn hoofdbegroeiing – en van alles eigenlijk – baal: de boel knalrood verven. Dan voel ik me weer even heel lekker in mijn haar. Tot de uitgroei begint.

Ik ben dan ook – niet eens stiekem – stíkjaloers op al die mooie, golvende, dikke haardossen van mijn medevrouwen. Ik heb al over extensions nagedacht, maar die moet je ook weer ergens aan bevestigen. En aan superdun, uitvallend haar blijven die (peperdure) haarstukken vast niet lang plakken.

Ik leg me er dus maar bij neer. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ik beschik dan weer over een prachtige bos haar op de tong. En op de tanden. Misschien moet ik die maar in model gaan föhnen.

(PS: heb jij ook huilhaar? Meld JIJ je dan maar naar LINDA. Ik ga mijn piekhaarprobleem in ieder geval niet meer dan nodig tentoonspreiden. Deze blog is wel voldoende.)


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Reality sucks (at being real)

bron: pixabay

“Wees nou eens realistisch!”
“Jij loopt ook eeuwig en altijd te dromen…”
“Waarom altijd  weer die angst? Dóé gewoon!”

“Het leven is leuk totdat de realiteit je bij de kladden grijpt.”

Zomaar wat dagelijkse uitroepen. Maar ‘realiteit’, wat is dat nou helemaal? Vraag drie verschillende mensen wat de ‘realiteit’ voor hen is en ze zullen alledrie iets anders antwoorden. Het concept der realiteit is dus juist níét wat de naam doet vermoeden. Het is niet reëel. Het zit slechts in het hoofd van een willekeurige persoon.

Wat is realiteit nu helemaal? En angst?
Realiteit is enkel gebaseerd op een specifiek leven. Ander leven = andere realiteit. Fictie voor de één is werkelijkheid voor een ander. Ofwel: wat voor de één reële, op diens realiteit gebaseerde, angst is, is voor de ander aluhoedje-materie, negatieve fantasie of juist iets spannends en uitdagends.

“Angst is een slechte raadgever,” zeggen ‘ze’ altijd. Wie is ‘ze’ in jouw beleving? Zijn ‘ze’ reëel? En verder klopt het inderdaad: Als je angstgevoel hoort bij jouw persoonlijke perceptie van de realiteit, dan moet je eerst gaan nadenken of die realiteit wel helemaal juist geïnterpreteerd door jou wordt. Is het écht zoals jij denkt dat het is? Zou het niet tóch anders kunnen zijn? Wat is het ergste dat er kan gebeuren in jouw angstsituatie?

Bang of angstig?
En ís het wel angst? Of ben je gewoon even bang?
Bang ben je in een specifieke situatie. Bang in het donker, bang voor een achtervolger, bang voor terrorisme, bang voor school, bang voor een gesprek, bang voor een motorbende, bang voor een asielzoekerscentrum in de buurt.

Angst, of liever gezegd: grote bezorgdheid en onrust, is veel existentiëler. Angst heeft te maken met je bestaan, je hele zijn. Met jóúw eigen realiteit dus, of die voor anderen nu reëel is of niet.

Kiezen is een keuze
In de huidige wereld wordt angst steeds minder geaccepteerd. Als je uitermate verontrust bent over iets, ligt dat meteen aan jou, aan jouw – al dan niet foute – perceptie en leefwereld. Niet aan de werkelijkheid van ‘de massa’. Je gaat dan al snel op zoek naar de weg van de minste weerstand. Neem een pilletje tegen je angst en floep, alles is weer afgevlakt en oké.

Het aantal mensen met een ‘overmatige angst’ is nu groter dan ooit. Ik denk dat dat komt doordat we steeds meer keuzevrijheid hebben: je moet continu levenskeuzes maken. Dag in dag uit ‘zinvolle’ richtingen kiezen. En elke keuze die je maakt, heeft invloed op je leven en op het leven van anderen. Met elke keuze definieer en kies je jezelf.En dat is eng. Keuzestress is het gevolg. Dan maar liever niet kiezen? Zoals de Grote Paul steeds weer zegt: Kiezen is een keuze!

Angststoornis
Niet willen kiezen en bang zijn voor de – gevreesde negatieve – gevolgen van een keuze uit zich – onder andere – in angststoornissen (die wederom met allerlei middelen – pillen, alcohol en drogerende middelen, you name it – onderdrukt worden). Angststoornissen worden algemeen gedefinieerd als ‘angst zonder reële grond’, die gepaard gaat met sociale problemen. En daar heb je het weer: WIE bepaalt welke grond reëel is? Wie bepaalt wanneer iets sociaal problematisch is? De media? De artsen? De experts? De maatschappij?

Nee. Jij.

Afgrond
Als je nooit in de afgrond hebt hoeven kijken, weet je ook niet wat angst voor vallen is. Maar wát een afgrond is, bepaal je nog altijd zelf. Wat voor jou een onoverkomelijke diepte zonder reling of vangnet is, is voor freerunner gewoon een uitdagend sprongetje waar hij met een salto in of zelfs overheen springt.

Misschien moet je, als je angst voelt, je eigen concept van de realiteit eens overdenken. Als je durft.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Megaloos maxistische dinnerconversaties

Weekend. Avondeten. Friet met een tartaartje en boontjes, hoezee.
Ik zie dat dochter (11) ergens mee zit maar wacht het rustig af. Komt vanzelf.

“Mam, Max wil een spreekbeurt houden over Trump. En hij wil dat samen met mij doen. Wat nu?”

Daar heb je het al. Ik vraag me meteen af waar dat ‘Wat nu’ op slaat. Op het spreekbeurt houden zelf, op de samenwerking met Max of op het feit dat de spreekbeurt over Trump moet gaan.
Diplomatiek als ik ben, antwoord ik: “Nou joh, leuk toch?”
“Nee. Max is een grote eikel.”

bron: pixabay

Ah, dáár hebben we ware het probleem.
Ik blijf op mijn hoede. “Waarom is Max dan een eikel?”
“Nou, omdat hij een hoop rottige dingen zegt tegen de andere meisjes van de klas. Vooral tegen Ishlah. Over dat ze maar fijn terug moet gaan en zo. Iedereen moet ook altijd precies doen wat hij wil. En hij overdrijft alles, hij is een megaloze [huh? Heb ik zojuist een nieuw woord geleerd? Een combinatie van megalomaan en weergaloos?] opschepper en hij maakt steeds van die super-overdreven bewegingen met zijn handen als hij praat. Alsof hij je wil slaan. Oh, en hij liegt altijd en zegt dat dat, wat anderen zeggen, niet waar is en dat hij het niet gedaan heeft.”
Da’s een prachtige, ellenlange opsomming van tekortkomingen.
Volgens mij ken ik nog een paar van die types ergens in de huidige wereldpolitiek.

“Waarom wil Max dan samen met jóú een spreekbeurt houden? Vindt hij je stiekem misschien heel aardig?”
“Nee, natuurlijk niet! Tjee zeg. Max weet gewoon dat ik dan wel weer alles doe. Hij gaat in z’n neus zit te boren en ik kan het goede cijfer binnenslepen. Lekker makkelijk voor hem.”

Oh.

Mijn immer ambitieuze dochter laat zich inderdaad vaak voor allerhande karretjes spannen. Ze moet eens leren dat samenwerken inhoudt dat iederéén iets doet voor het gezamenlijke doel, niet alleen zij. Maar goed, dit keer heeft ze duidelijk géén zin in die dienstbare rol. En het verheugt mij om te zien dat ze inmiddels een flinke dosis zelfkennis heeft opgedaan.

“Nou, dan doe je het toch gewoon niet?”
Dochter zucht. Ma altijd met haar oplossingen…
Stilte.

“Mam, vind jij Trump ook een eikel? Max vindt hem mega-geweldig, maar verder vindt iedereen ‘m een klootzak. Jij ook?”
Ai. Ik dacht dat Trump hier niet de issue was. Helaas. Fout gedacht.
“Nou eh, ik weet nog niet zo goed wat ik ervan moet vinden. Trump is eigenlijk best wel een beetje als Max. Misschien vindt Max hem daarom wel zo – eh – megaloos?”
“Hoe bedoel je, ‘als Max’…” [Hah! Ik heb het woord megaloos blijkbaar goed gebruikt, want dát valt haar niet op].

“Nou, Trump overdrijft nogal eens en hij zegt vaak dat dat, wat anderen zeggen, niet waar is. ‘Fake!’ noemt ie dat.”
Over z’n rare ‘wijsvinger-raakt-duim-en-dan-gaat-de-handpalm-dramatisch-open’-handbewegingen ga ik het maar niet hebben, dat voert te ver.

bron: pixabay

“Ja maar… dat doen toch ál die presidenten. Daarom is ie nog lang geen eikel, zoals Max?”
“Heb je helemaal gelijk in. Maar hij heeft ook nogal absurde ideeën over wat goed is voor het eigen volk en voor de hele wereld. Hij drijft zijn wil door en hij is behoorlijk uit op winst ten koste van heel veel anderen.”
Ik voeg er nog snel “…vind ík dan…” aan toe, beseffende dat ik hier nogal aan het uitweiden ben over zaken die niet veel meer met Max te maken hebben.

Dochter denkt zichtbaar na. Ik klets ietwat voorzichtiger door: “Trump doet ook wel iets goed, hoor… Hij houdt zich namelijk aan al zijn beloftes, en dat doen niet veel mensen tegenwoordig. Zeker politici niet. Die beloven voor de verkiezingen van alles en nog wat, en na de verkiezingen maken ze daar niks van waar. Trump wel. Die doet alles wat hij beloofd had, en wel meteen. Hoe stom dat dan ook mag zijn. En hij weet te delegeren en overal zijn voordeel uit te slaan. Da’s best knap.”

bron: pixabay

Dat vindt dochter overduidelijk een interessante visie. “Delegeren. Dat is als je andere mensen dingen voor je laat doen, hè? Misschien moet ik het dan toch maar doen, die spreekbeurt met Max. Dan zeg ik hem gewoon wat HIJ allemaal moet doen en zeggen, in plaats van dat ik alles doe. Handig!” Mooi. Opgelost.
Go for it, girl! It’s gonna be great. Huge! Megalistical.

Enfin. Ik zit nog gezapig de laatste frietjes weg te kanen. Dochter staat op en pakt het bord met friet. Ik protesteer gelijk.
“Ik ben nog niet klaar hoor, laat dat bord nog maar mooi effe staan.”
“Hè mam, ik wilde het bord alleen maar even in het midden zetten zodat ik er óók bij kan en jij niet alles in je eentje opvreet.” Ze kijkt me met een licht spottende grijns aan.
“Dacht je nu écht dat IK de tafel ging afruimen? Haha, daar ben JIJ toch voor?”


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

“Wel even melden hoor!”

Heel vroeger, toen ik nog jong en wild was (en thuis woonde), ging ik in het weekend vaak tot diep in de nacht stappen. Mijn ouders lieten mij een mijn zus behoorlijk vrij: ze hadden vertrouwen in ons. Er was wel één voorwaarde: Wij moesten ons wél melden als we ’s nachts om 3 uur weer naar binnen kwamen strompelen. Altijd. Want alleen dan had mijn moeder ook weer peace of mind en kon zij eindelijk ook met een gerust hart gaan slapen.

bron: pixabay

Ik vond het destijds ietwat overdreven (want wat kon er nu misgaan…), maar ik was me ervan bewust dat ma wakker zou liggen tot ze wist dat haar kroost  weer veilig thuis was. Dus meldde ik me met liefde af bij de slaapkamerdeur, hard fluisterend: “Mahaam, we zijn thuis hoor!! Alles oké!”
“Mooi zo. Slaap lekker,” klonk het dan prompt (en erg wakker) terug.

Nu, bijna drie decennia later, is dat nog steeds niet anders. Kar ik van Nederland terug naar Oostenrijk (of vice versa) of onderneem ik een andere, langere reis, moet ik me bij aankomst op bestemming zo snel mogelijk melden.
“Ik ben over hoor, alles oké! Weer een hoop ongelukken gezien onderweg!! :-p ”

Toch is er een verschil met toen: mijn ouders moeten het nu óók, dat afmelden. Want wij kinderen maken ons inmiddels net zoveel zorgen over hen als zij over ons. En mijn ouders reizen veel. Erg veel. De hele wereld rond. Zeventigplussers on the road.

Pap en mam melden zich dan ook braaf: ze weten immers hoe het is om in onzekerheid te zitten over geliefden. Zijn ze aangekomen, komt er steevast een whatsappje: “Wij zijn [er, hier, daar, over, in Kaapstad/Tokyo/Helsinki, in het hotel, wherever], slaap lekker!” Altijd.

bron: pixabay

Gisteren niet. Ze waren weer eens onderweg van hot naar her, dat wisten we (een aangekondigde reis). Maar sinds vertrek geen bericht meer over de aankomst. En geen bericht is met de huidige constante bereikbaarheid al lang geen goed bericht meer. Integendeel. De voorstellingen van wat er allemaal gebeurd kan zijn, denderen weer eens door mijn hoofd. Ik piekerkont. Ik zoek vluchtig het internet af, even kijken of er op de weg – daar waar zij zouden rijden – nog ‘iets’ voorgevallen is. Niks te vinden.

Om half 1 ’s nachts whatsapp ik in onze familiechatgroep: “Zeg lui, hoe zit dat, zijn jullie goed aangekomen? Geen bericht… is alles oké?” Geen reactie. Vanochtend, na een wat onrustige nacht, ook niet. Ik whatsapp zus met de vraag of zij iets gehoord heeft. Nee, niks. Zorgelijk.
“Nou, om 9 uur ga ik ze bellen, hoor! Dan bel ik ze maar uit bed.”
(Bellen is tegenwoordig altijd de laatste optie, hè).

Om 5 voor 9: floep, een berichtje.
Hoera, het is m’n pa. “Ja. De wifi deed het niet. Nu wel weer. Alles oké.”
Pfff, opluchting! Ze zijn weer veilig thuis.

De goede man erop wijzen dat hij ook 3G én SMS op zijn telefoon heeft…
Ach, dat doe ik later wel een keer.


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

De Meditatiekneus

Ik ben de laatste tijd nogal moe. Heel erg moe. Intens moe. En toch kan ik niet slapen, niet ontspannen. Oh ja, en pijn. Die is er ook. Van al mijn suffe acties van de afgelopen veertien dagen. Ik heb pijn in mijn hoofd – geen hoofdpijn – van de duizenden kilometers reizen in een paar weken tijd. En van alle geregel, administratie en belastinggedoe. En van alle rompslomp rond werk en de kinderen en school. En met mafklappers die zomaar duur geld eisen. En, en, en….

Enfin. Om dat alles vond ik het gisteravond tijd om eens wat doelgerichte ontspanningsoefeningen te proberen, want mijn oogleden lagen op de spatiebalk. Men schijnt dat ook wel meditatie te noemen. Niks voor mij.

Efkes naar YouTube voor wat meditatieve muziek. Als werkelijk iedereen kan mediteren, kan ik, spiritueel afgekeurde mens, dat ook. Ah, hopla, een mini-sessie van drie minuten, dat moet te doen zijn voor een beginneling.

bron: pixabay

Ik leun achterover, sluit mijn ogen, leg mijn handen op de leuning van mijn bureaustoel (handpalmen naar boven) en luister.
En luister.
En hoor een plinkje van Twitter (retweet).
En luister.
En probeer mijn ogen uit alle macht gesloten te houden.
En luister.
En weer een plinkje. En een pokje, van whatsapp.
En luister.
En denk: ‘tjonge, dit werkt echt voor geen meter bij mij. Oh, ik moet morgen de aannemer nog bellen… Wanneer stopt die muziek nou ‘ns een keer? Volgende keer moet ik m’n mobielgeluid ook even uitzetten. Die drie minuten zijn toch al lang voorbij? Het gáát maar door… Oh ja, morgen ook nog een blikopener kopen, anders krijg ik dat blik kikkererwten zonder lipje nooit open. Sjezus, wat duurt dat lang. Zal ik hier een blog over schrijven?’

Ik kijk stiekem toch even door mijn wimpers en zie nu dat de meditatiemuziekvideo drie (3!!) uur duurt. Niet 3 minuten. Onbegonnen werk. En daar heb ik al meer dan zat van. Ik doe duidelijk iets heel erg fout.

Natuurlijk meld ik mijn meditatiedebacle meteen op social media (om therapeutische redenen, zeg maar), alwaar meteen de ‘mindfulness’ als goede raad om de hoek komt koekeloeren. Helaas heb ik een zware allergie ontwikkeld tegen alles wat met ‘mindful’ begint. Die allergie begint zelfs al uit te breiden naar alles wat ‘mind’  in zich heeft. En ‘box’. En ‘out’. Dat ook. Ik word kortademig van het het woord ‘flow’ en ga acuut trillen bij de term mindful(ness).

Ik wil geen mind full!
Ik wil juist mind empty!

Dan wordt mij op twitter de app ‘Headspace‘ warm aanbevolen. Een app voor meditatieve beginnelingen: lekker gestructureerd. Klinkt goed. Instant gedownload, natuurlijk.

Next try. Tien minuten ontspanning om meer ruimte in het hoofd te maken. Andy Headspace belooft het me.
Hij murmelt fanatiek in mijn oren.
“Feel your body… Feel the sensation of your stomach…” [Yes! Both definitely feel like they want a glass of wine. Now.]
“… and the tingling in your toes.” [Not. Maar ze kriebelen wel een beetje. Misschien maar eens schone sokken aantrekken.]
“Close your eyes now and count with every breath you take. In through the nose, out trough the mouth.” [Kakkerdekak, dat heb ik dus nooit gekund. Ik  vind dat stressig, dat bewust door je mond uitademen.]
“Feel the weight of your body…” [Ménnn, dat is nou juist iets wat ik absoluut NIET wil!]
“…and relax.” [Ja, hallo?!? Waarom denk je dat ik deze ‘oefening’ doe? Juist! Om DAT te leren!]
“Now open your eyes again.” [Whoops, ik had ze al open. En waar blijft die ontspanningsmuziek eigenlijk?]

En toen was ik er alweer klaar mee. Vervolgens moest ik de timer instellen voor de volgende, minutieus geplande ontspan-sessie. Daar kreeg ik het gelijk helemáál van op mijn heupen (uit! uit! uit! die timer), dus ook mijn heupomvang heeft vooralsnog geen baat bij de app.

Bron: commons.wikimedia.org

Aldus en al doende ben ik vooralsnog de meditatiekneus bij uitstek. Een ontspanningsprutser. Een stressprof. Maar ik geef niet zo snel op! Morgen sessie 2 met Max Headroom; ‘ns kijken wat ie dan te vertellen heeft.

En als mijn hoofdruimte er dan nog steeds niet groter en opgeruimder van gaat worden, neem ik maar een hete douche en een advilletje of twee. Dan slaap ik in ieder geval gewéldig, dat weet ik nu al. Zelfs zonder nieuw gecreëerde hoofdruimte.

 


Deze blog is eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

De 45-jarige en de spagaat

Nieuwjaarsdag. We zitten met de hele familie onderuitgezakt en lichtelijk brak op de bank. Mijn jonge, lenige nichtjes zijn er ook en zien er onmogelijk kwiek en fit uit. Natuurlijk hebben wij ouwen het over de lichamelijke gebreken die met de jaren steeds groter worden.

Vroeger, vroeger kon ik alles. Benen in de nek leggen, radslag, handstand, split, bruggetje achterover, spagaat, de hele mikmak. Maar nu, nu moet ik, als ik lang gezeten heb, eerst even ‘in de benen komen’. De eerste paar passen zijn vaak ietwat moeizaam. Eerst de stramme rug strekken en dan gaat het wel weer. We hebben stuk voor stuk uitermate brakke knieën, zere schouders en een vaak jammerende onderrug.

“Ik kan mijn benen wel in de nek leggen, hoor!” roept dochter (11) enthousiast, en demonstreert stante pede.
“Kan ik ook,” voegt nichtje (17) eraan toe.
“Nou, volgens mij kan ik best nog wel een spagaat,” mompel ik moedig.
“Ziehien!” wordt er meteen in koor geroepen. Why not. Ik sta dapper op en trek mijn legging recht. Ik heb elastisch spul aan, dus qua uitscheurende kleding moet het geen probleem zijn.

“Niet onopgewarmd doen, joh!” roept mijn zus nog. Ik denk enkel: ach wat, ik kon altijd al spagaat. Ik mag dan wat overgewichtig zijn, ik = lenig. Daar hoef ik echt niet voor op te warmen. Ik zie mezelf daar al staan, midden in de woonkamer, beetje op de plaats dribbelen en rek- en strekoefeningen doen. No way, dat moet ook zo kunnen, zelfs op mijn 45e. Ik ben jong, jonguh!! Ik ben soepel. Ik kan dat.

Ik doe mijn kunstje. En hoor een luide, duidelijke “knak!” in mijn achterwerk.
De spagaat lukt op formidabele wijze (wist ik toch), maar mijn rechterbil denkt daar heel anders over. Een paar spieraanhechtingen in die regio gillen het acuut uit. Ik inwendig ook. Verbeten sta ik op.
“En nu moet ik écht even naar de wc,” roep ik en hobbel zo soepel als ’t nog gaat weg, de rest in lichte be- en verwondering achterlatend.

Ik ken deze pijn. Ik heb dit al een paar keer gehad, nadat ik onopgewarmd een ferme doeltrap maakte tijdens het voetballen. Godnondeju wat steekt het. Mijn bil staat in brand.

De pijn is hels in de dagen die volgen. De achterkant van mijn bilpartij is licht blauwrood. Ik kan nauwelijks zitten, smeer klodders diclofenac onder mijn rechterbil, slik een paar pijnstillers. Niks helpt. Eens even googelen. Ik typ ‘Spagaat’, ‘bil’ en ‘pijn’ in de zoekbalk. En daar staat het: mijn hamstring is verrekt of mogelijk zelfs (in)gescheurd. Nou, fijn dan.

Maar ik weet het nu: ik ben officieel oud. Te oud om out of the blue een spagaatje te doen. Nu, dik anderhalve week later, kan ik nog steeds niet pijnloos zitten. Dus mocht u, veertigplusser, dit ook willen proberen, dan hier mijn op eigen ervaring gebaseerde advies: Doe het niet!! Uw achterwerk zal u dankbaar zijn. Het mijne haat mij momenteel.

Bron: pixabay


Deze blog is eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Oostenrijk en het hoofddoekjesdebat

bron: pixabay

De Oostenrijkse minister Sebastian Kurz (Buitenlandse Zaken en Integratie) heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend om ambtenaren te verbieden een hoofddoek te dragen bij uitoefening van hun functie in scholen en overheidsinstellingen. Het debat loopt al tijden, maar is nu door het nieuwe wetsvoorstel weer aangescherpt.

“Oostenrijk is weliswaar een religie-vriendelijk land, maar ook een seculaire staat,” zegt Minister Kurz. Vooral op scholen moet het dragen van een hoofddoek daarom verboden worden; daar bestaat immers een voorbeeldwerking en wordt invloed op jonge mensen uitgeoefend, aldus de minister. En die invloed mag dus maar vanuit één religieuze hoek komen: de katholieke.

Seculaire christelijkheid ten top

Ik heb er mijn bedenkingen bij: het is namelijk meer dan dubbel. Hypocriet zelfs. Ik woon al bijna tien jaar in Oostenrijk. En ja, Oostenrijk is inderdaad – nog steeds – een uitermate katholiek en seculair land. Staat en religie zijn sinds jaar en dag innig met elkaar verbonden. In Oostenrijk vind je nauwelijks openbare scholen; praktisch alle scholen zijn katholiek. Enkel in de echt grote steden vind je nog ‘alternatieven’ en hier en daar een Montessori-school.

Mijn kinderen zijn echter niet gedoopt: ze zijn ‘niks’. Daar staan veel Oostenrijkers in mijn directe omgeving nog steeds van te kijken: Hoe kún je je kinderen niet dopen? Dan komen ze toch in de hel? Dan zijn ze na hun dood toch verloren schapen? Als ik zeg dat ik ‘niets’ ben (als in: ongelovig, atheïstisch), vragen andere moeders mij zelfs in alle ernst hoe ik in vredesnaam zo kan leven. Wel, ik leef. Ook zonder goddelijke hulp. Het kan dus.

Katholiek of joods: dan mag je wel een hoofddoekje om

Bron: pixabay

Er zijn zelfs nog steeds katholieke scholen waar deels door nonnen onderwezen wordt. Mét traditionele hoofdbedekking. Er zijn enkele Joodse scholen, waar men ‘gewoon’ met Kippa (keppeltje) op mag onderwijzen. Want, zo de minister, dat is immers ‘historisch gegroeid’. En dan mag het. Je vindt hier geen klaslokaal zonder kruisbeeld, geen school zonder verplichte godsdienstles (‘Religion’). Een vak als ethiek of maatschappijleer, waarbij alle geloven en maatschappelijke overtuigingen aan bod komen, is er praktisch niet.

“Dan ga je toch terug naar eigen land?”

Aan het begin en eind van ieder schooljaar moeten alle kinderen naar de kerk voor een katholieke mis. Ja, alle. Ook de niet-gelovigen en anders-gelovigen: het is verplicht. Dat stoort mij enorm: Ik en mijn kinderen krijgen de sterk overkoepelende staatsreligie vormelijk opgedrongen. Want zo is nu eenmaal de Oostenrijkse cultuur. Zolang het maar om het katholicisme gaat, is de voorbeeldwerking en het beïnvloeden van jonge mensen dus prima in orde. Soms krijg ik dan te horen: “Als het je niet bevalt, ga je toch weg? Dan ga je maar terug naar je eigen land.” Maar dat kan ik niet. Mijn ex-partner is Oostenrijker, mijn kinderen zijn hier opgegroeid. Ik wil ze niet losrukken uit hun omgeving. Ik mág ze niet eens meenemen naar ‘mijn’ land. En ik wil ze hun vader ook niet ontnemen. Zo gaat het velen met mij.

Religieuze vrijheid ammehoela

Waar is dan die aangeduide religieuze vrijheid in hemelsnaam gebleven? Waarom wil de staat per se bepalen wat iemand wel of niet mag dragen (en geloven)? En waarom gaat er van een hoofddoek van een ander geloof dan het eigene ineens zo’n enorme dreiging uit? Waarom wordt de islamitische hoofddoek als een teken van onderdrukking gezien, terwijl de meeste moslima’s zelf, uit vrije wil, graag hun hoofd willen bedekken? Waarom mag een katholieke non op school wel een hoofddoek dragen en een islamitische onderwijzeres niet? Blijkbaar dus omdat het katholicisme hier historisch verankerd is. Omdat het aanhangen van andere religies – of zelfs helemaal géén religie aanhangen – nog steeds totaal niet geaccepteerd is. Niks religie-vriendelijk.

Voor het gemak vergeet men daarbij dat de Oostenrijkse economie in elkaar zou storten als alle buitenlanders en andersgelovigen zouden vertrekken omdat ze elders wél in hun waarde worden gelaten. Goed geïntegreerde mensen hier laten werken en leven, zeggen dat je ze accepteert en zelfs wéten dat je ze hard nodig hebt, gaat absoluut niet samen met het hen verbieden, naar hun eigen wensen, cultuur en overtuiging te leven. Een opgedrongen geloof, maakt niet uit welk, dát is pas echt eng. En ja, dat opdringen van het geloof is inderdaad wat er in ettelijke niet-westerse landen plaatsvindt, maar hier in Oostenrijk dus blijkbaar net zo hard.

Haal dan ALLES weg?

Begrijp me niet verkeerd: ik ben geen fan van de islam. Ik ben namelijk afkerig van iedere vorm van religie. Ik vind het griezelig (of liever gezegd: doodeng) dat mensen werkelijk in iets als een imaginaire god kunnen en willen geloven. Ik vind het eng dat er (zo veel) mensen zijn die hun hele handelen en bestaan baseren op een of ander oud, door andere mensen verzonnen boek. Als de gemiddelde Oostenrijker zo wil leven en geloven, omdat dat geloof toevallig een leidraad, troost of vertrouwen biedt, prima; als ik het maar niet hoef.

Dus als je dan al een verbod op religieuze uitingen in het schoolsysteem wilt opleggen, doe dat dan alsjeblieft voor ALLE religieuze uitingen? Geef mijn kinderen de vrijheid om zélf een beeld te vormen, om te geloven (of niet) wat en hoe ze willen, zonder gedwongen godsdienstlessen en kerkdiensten van één enkele, geïnstitutionaliseerde geloofsovertuiging? Haal dan ook al die ‘historisch gegroeide’ kruisbeelden uit het klaslokaal? Richt openbare scholen op voor degenen die níét door enkel katholieke denkbeelden beïnvloed willen worden?

Als je zo’n vrij en geloofsvriendelijk land meent te zijn, laat dan ALLE mensen die daar wonen, werken en bijdragen, in hun waarde. Oók degenen die niet van oudsher met het katholicisme opgegroeid zijn, maar wél geïntegreerd en aangepast bijdragen aan de economie. Want wat u nu doet, meneer Kurz, dat is pas échte discriminatie.


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Naïviteit is een zege. (Scheurkalenderdebacle)

Ik ben een goedgelovig mens. Sinds 1 december ben ik ook officieel een gruwelijk naïef mens: ik heb het bewijs mogen ontvangen (niet dat ik dat nodig had, maar goed).

bron: eigen foto van betreffende kalender (ik heb geen zin in copyrightshizzle hoor!! Ik beroep mij meteen op ’t citaatrecht in deze!)

Ergens eind vorig jaar kreeg ik van mijn mama een scheurkalender voor 2016. De Schrikkelkalender, van de auteurs Ronald Snijder en Fedor van Eldijk. Geen idee wie die heren waren, nog nooit van gehoord, maar er dringen sowieso maar weinig ‘BN’ers’ door tot mijn Oostenrijkse berghütte.

Mijn zus kreeg de kalender destijds ook en merkte het als eerste op: er stond 31 november. Tjonge, dacht ik. Tjonge!! Dat klopt niet!! Ik keek even verder. Ja echt, daar waar donderdag 1 december had moeten staan, stond donderdag 31 november. En warempel, alles daarna was óók fout! De maand december telde lekker in die trant verder, met verkeerde dagen.

Ik fotografeerde wat blaadjes, postte vanzelfsprekend op Facebook, want: grappig! Dat was het. Alleen achteraf op iets andere manier.

wéér eigen foto. Van 25 januari.

wéér eigen foto. Dit keer van 25 januari.

Nu moet ik bekennen dat ik sinds 25 januari al geen blaadje meer afgescheurd heb (zie bewijsfoto ergens links). Ik keek niet meer in de scheurkalender, die vanaf die dag ietwat verloren achter me op het richeltje van ’t toilet lag te liggen. Oorzaak: ik vond mijn telefoon interessanter tijdens het poepen.

Ik heb dus ook bijvoorbeeld niet opgemerkt dat 1 april miste. Of dat 6 januari op 17 april stond, omdat één van de auteurs een 17-april-fobie heeft. En er viel me waarschijnlijk nog véél meer niet op. Pas toen mijn lieve zus zei: “hé, 31 november, haha!” wierp ik weer een blik in het vermaledijde ding…

Ronald Snijders nam natuurlijk meteen een loopje met mij (en mijn posting). Op Instagram. En op Twitter. En op Facebook zelf natuurlijk. En terecht: zou ik ook doen als mijn grap zó goed gelukt was!

Had ik de strekking (en humor) van de kalender het hele jaar door gevolgd, had ik tijdens dat proces misschien enige naïviteit verloren. Maar gelukkig verloor ik niks: ik heb het allemaal nog! Ik geloof nog steeds alles, ik stink in iedere grap, ik zit in no time bovenop welke kast dan ook. Wilt u iemand in het ootje nemen? Neem mij. Succes gegarandeerd.

Auteur Ronald Snijders was zo lief om mijn vriendschapsverzoek te accepteren en mijn naïviteit overal tentoon te spreiden. Ik ben hem daar eeuwig dankbaar voor. Want ik wil volgend jaar wéér zo’n kalender en dan heerlijk met beide benen en in alle goedgelovigheid opnieuw in iedere grap stinken. #LEKKER!!!
(En ik beloof hierbij plechtig, in 2017 ieder blaadje af te scheuren en te bestuderen).


Maar. Ho. Stop. Is het allemaal misschien toch niet nét even anders?
Eén zin hierboven was niet geheel volledig.
“Ronald Snijders nam natuurlijk meteen een loopje met mij (en mijn posting).”
Dat moet natuurlijk zijn:
“Ronald Snijders nam, zoals gehoopt, natuurlijk meteen een loopje met mij (en mijn posting).”
Want het écht fijne aan dit alles is, dat Ronald míjn intenties niet doorzag.
(Ik doorzag ze zelf niet eens, maar nu natuurlijk wel.)
Ik? Serieus? Hahaha. Oh, de ironie en de satire… En ondertussen heeft hij mij gedeeld op Instagram, Twitter, Facebook, etc.

Yay, gelukt!
Publiciteit!

Awel. Laten we het maar op deze laatste versie van het gebeurde houden.
Beter voor mijn gemoedsrust.

#naïefiszofijn
#dtz
#achterafsatire

(En bedankt hè, Ronald, jonguh! Blijven we nu wel vriendjes?)

Bron: screenshot van instagram van screenshot van mijn eigen Facebook-posting. Hoe zit het hier met copyright?

Bron: screenshot van instagram van R.Snijders van screenshot van mijn eigen Facebook-posting. Hoe zit het hier eigenlijk met ’t copyright?

Hand in eigen boezem – over ‘NON. NO. NEIN.’ (EU)

bron: europa.eu

bron: europa.eu

27% EU-Europeanen vindt het oké (‘justifiable’) dat vrouwen in sommige situaties seksueel misbruikt worden. Als een vrouw bijvoorbeeld dronken is of zich uitdagend kleedt, als ze niet duidelijk ‘nee’ heeft gezegd en geen verzet geboden heeft, vindt minstens 1 op de 4 Europeanen het begrijpelijk als ze daardoor tot seks gedwongen wordt. 

Dat meldde Europees Commissaris van Justitie Vera Jourova in een toespraak in Brussel, tijdens de opening van de campagne ‘Vrouwen tegen Seksueel Geweld’.

Ik moest even gaan liggen toen ik dat las. En ik dacht er meteen achteraan: ik ben nu gaan liggen; zou dat óók als teken gezien kunnen worden, dat ik nu wel even genomen mag worden? Ik ben per slot van rekening wél op mijn rug gaan liggen…

Hoe is het mógelijk? 27%! Dat getal staat in een gisteren verschenen rapport van de Eurobarometer. 25 November, afgelopen vrijdag, was de Internationale Dag tegen Geweld tegen Vrouwen. Het op die dag gestarte EU-project is weer een nieuw initiatief, wéér een poging, om het – al dan niet seksuele – geweld tegen vrouwen in te dammen.

Want het gebeurt nog steeds. Kijk ik alleen al in mijn directe ‘real life’ omgeving (of zelfs naar mijzelf), zie ik vrouwen die binnen hun huwelijk tot seks gedwongen werden, vrouwen die door hun partner regelmatig in elkaar geramd worden, vrouwen die verkracht of meermaals aangerand zijn, vrouwen die op het werk met seksuele intimidatie te maken hebben. Dat is blijkbaar ‘real life’ voor heel veel vrouwen in de EU (JA, IN DE EU!).

Ik noem even wat factsheet-cijfers uit genoemde EU-studie.
– 1 op de 3 vrouwen (van 15 jaar of ouder) heeft te maken gehad met seksueel en/of fysiek geweld
– 1 op de 3 vrouwen is psychisch mishandeld door een intieme partner
– 1 op de 5 vrouwen wordt gestalkt
– meer dan de helft van de vrouwen (55%) is slachtoffer van seksuele intimidatie
– driekwart van de vrouwen wordt op het werk regelmatig seksueel lastiggevallen.
– 1 op de 20 vrouwen is verkracht

bron: wikimedia.commons

bron: wikimedia.commons

En het écht enge is: een kwart van de Europeanen in de EU vindt dat dus in sommige gevallen ook nog prima te verantwoorden!

‘Jij hebt wel een erg kort rokje aan, meiske. Je vráágt er ook gewoon om, hè.’
‘Heb je iets teveel gezopen, meid? Dan merk je er toch niet veel meer van, dus hoppa. Eigen schuld, dikke bult.’
‘Je zei toch geen ‘nee’? Je stribbelde niet eens fatsoenlijk tegen! Dus wat wil je nou?’
‘Liefje, wil jij zo graag die promotie? Laat dan maar eerst eens zien of je er lichamelijk wel fit genoeg voor bent…’

‘Kun je je klep weer eens niet fatsoenlijk dichthouden, schatje? Geen probleem, dan sla ik hem wel even dicht.’
‘Wat kijk je sexy op je profielfoto! Dan mag ik je in de chat toch wel vragen of je even een potje komt neuken? Kom op zeg!’

Alom geaccepteerde uitspraken, blijkbaar. Dát is everyday real life. Nog steeds.

Naast heel eng is het ook nog eens enorm hypocriet. Wij Europeanen wijzen namelijk maar al te graag met het vingertje naar andere buitenlanden (inclusief niet-EU-Europa) of naar asielzoekerscentra en vluchtelingen. Dat zijn de machtswellustelingen, de vrouwonvriendelijken en de geweldenaars, de verkrachters van onze dochters en de misbruikers. Een half jaar geleden was er bijvoorbeeld publieke commotie over India, waar harde maatregelen werden genomen om van het image ‘Land van Verkrachters‘ af te komen, terwijl Nederland relatief gezien nog vele malen erger was (is).

Maar nu, nu zijn er dus weer nieuwe cijfers over onszelf, die geen haar beter zijn. En die cijfers zijn ook nog eens vertaald naar ‘kosten voor de gemeenschap’. Dan hakken ze er pas echt in. Het (seksueel) geweld tegen vrouwen kost de EU gemiddeld zo’n 226 miljard euro per jaar (gebaseerd op een berekeningsmethode van Day/McKenna/Bowles, uitgelegd in dit rapport). Want naast de zorgkosten (eerste hulp, behandeling, therapie) en de hoge justitiële kosten, zijn er ook grote economische kosten: vrouwen vallen door het geweld weg uit het arbeidsproces, leveren niks meer op, so to speak. Duur!

Als ik deze cijfers zo zie – cijfers van ons eigen, oh zo geciviliseerde en fatsoenlijke Europa – kunnen we dus beter eerst maar eens doorgaan met flink opruimen in eigen huis. En moeten we ook van die blijkbaar nog steeds heersende, gruwelijk enge visie af, dat vrouwen al dat (seksueel) geweld in sommige gevallen aan zichzelf te danken hebben en dat het dus oké is. Geweld is nooit oké.

Dus steek die hand eens in eigen boezem, in plaats van in die van anderen.


[Eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl]

Van ietsje naar Nietzsche

…en van het minimalisme op naar het nihilisme.niets

Ja ja, ik ga mij bekeren tot het nihilisme. Wat ik zo geweldig vind aan nihilisme? Niets… Maar ik heb er ook niets op tegen. Ik ben een grote fan van niks. Bowie is inmiddels succesvol bekeerd tot het niets, Jackson en Prince ook. Dus waarom ik niet? Geen enkele reden. Zie, daar heb je het weer!

Eerder werd ik al zeer geïnspireerd door het minimalisme: het zo goed mogelijk leven met zo min mogelijk xyz [zelf in te vullen:’Dingen’ bijvoorbeeld. Of ‘materiële sores’. Of je vult gewoon helemaal niets in; dat is dan weer het prille begin van je nietsisme]. Dus enkel dat wat je nodig hebt. De rest elimineer je successievelijk uit je toch al loze bestaan.

Maar: met het minimalisme heb je tenminste nog íets. En de shit daarvan is, dat het verdoemde vergelijken dan weer opnieuw begint. Heb ik dit ene ‘iets’ echt nodig? Of toch juist dat andere daar? Moet dit beter? Of is dat eigenlijk wel voldoende voor mij? En van al dat gepieker raak je geheid in een pessimistisch minimalistische bui (‘ik flikker alles ’t raam uit!’), wat bijvoorbeeld anti-pessimist Nietzsche [spreek uit: Nietsje! What’s in a name…] weer helemaal niets vond. Hij sprak zich dan ook uit voor het volledige nihilisme: dat was voldoende.

Apropos, voldoende, weer zo’n begrip. Ben ik zelf voldoende? Ben ik überhaupt nog iets? Doe ik dan niets werkelijk goed, in vergelijking met anderen? Dan kijk ik dus meteen weer naar die andere net-niet-nihilisten en denk: nee, da’s óók niets… Daarom ben ik gestopt met het mezelf met anderen vergelijken middels facebooktestjes. En zie daar: nu ben ik zo’n 32% zelfbewuster dan mijn vrienden.

Ja, nihilisme is fijn! Simpelweg omdat het he-le-maal niks is.
Je hebt zelfs geweldige nihilistische moppen:



Enfin. Ik zag het volgende bij een zwaar nihilistische twitteraar.
Het treft ’t niet, maar het is wel aardig:

Roses are red
violets are blue
Life’s an illusion
Sentience is too
Nobody cares
None love you back
Please enjoy life
Then fade into black

Dus hou ik mij een leven lang bezig met futiliteiten tot er een fulminant ‘niets’ meer overgebleven is.
En dan ga ik daar lekker helemaal niets meer aan doen.

Niets is het nieuwe iets!

niets2


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl

Ben ik een herdenkingsdissident?

Elk jaar sta ook ik op 4 mei even stil. En wel bij de vraag waarom we op deze dag nog steeds enkel een ‘nationale’ Dodenherdenking houden. Begrijp me niet verkeerd: iedereen mag herdenken wat/hoe/wanneer men wil. Maar de grootschalige relatering van deze officiële herdenking aan enkel Nederlandse slachtoffers in (hoofdzakelijk) de Tweede Wereldoorlog vind ik persoonlijk achterhaald. Ik heb alle respect voor het herdenken als zodanig en alle respect voor deze dag. Ook ik zal stil zijn. Desondanks vind ik dat onze Dodenherdenking in de huidige vorm te beperkt is en niet meegegaan met de tijd. 


Enkel Nederlandse slachtoffers?

dodenherdenking2

Bron: wikimedia.org

Sinds 1961 is de definitie van Dodenherdenking in theorie verbreed: Nederlandse gesneuvelden tijdens vredesoperaties in bijvoorbeeld Bosnië en Afghanistan en gevallenen in Nederlands-Indië worden nu eveneens herdacht. Maar de nadruk blijft heel duidelijk op dat ‘Nederlandse’ liggen.

De officiële tekst luidt: ‘Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
Nederlandse’ ontbreekt nu op diplomatieke wijze voor de woorden ‘burgers en militairen’, maar het gaat nog steeds enkel om slachtoffers van Nederlandse origine.

Waarom herdenken we niet ook al die gevallenen uit ándere landen? Gevallenen die net zo goed gestreden hebben en gestorven zijn voor de uiteindelijke bevrijding van Nederland? Waarom moet het ook nu nog steeds een puur Nederlandse aangelegenheid blijven?

Waarom blijven we vinden dat herdenking per definitie ook verzoening betekent? ‘Herdenken hoeft niet vergeven in te houden’, zoals antropoloog Hans Feddema drie jaar geleden al in zijn artikel stelde. Ook dan, zelfs dan, nee, júíst dan, zou je gezamenlijk moeten herdenken om niet te vergeten.

Hoogste tijd om deze herdenkingsdag eens te overdenken.

Gedwongen jaarlijkse bewustwording

In een multiculturele, geïnternationaliseerde samenleving en in een wereld waar nog steeds heftig gevochten, gefolterd, geterroriseerd en gemoord wordt, is onze Dodenherdenking niet meegegaan met de ontwikkelingen. Het herdenken van enkel ‘eigen’ slachtoffers in een ver verleden is te beperkt geworden. Te nationalistisch. Te egocentrisch.

De Nederlandse Dodenherdenking is verworden tot een nationaal stokpaard dat elk jaar opnieuw op een vast tijdstip van stal gehaald en bereden moet worden. Moet, ja. Wil je het anders doen en op veel bredere schaal herdenken, op een ander tijdstip terugdenken en herinneren, of leef je liever helemaal in het nu (met de zo populaire mindfulness en het huidige wereldse geweld in het achterhoofd), ben je al snel ‘heel fout’ bezig. Dat mag niet. Niet openlijk in ieder geval: dat is respectloos.

Onder het motto ‘opdat niet we niet zullen vergeten’ moet iedereen nog steeds elk jaar op dezelfde dag en om dezelfde tijd twee minuten stil zijn en het voorgeschrevene herdenken. In een keurslijf gedwongen bewustwording van enkel de nationale gevolgen van een oorlog, waarin zo onnoemelijk veel méér soldaten en burgers uit ándere landen gevallen zijn, óók voor de bevrijding van Nederland. Tegelijkertijd vergeet men daarnaast nadrukkelijk de slachtoffers van zo vele andere gruwelijke oorlogen waar Nederland bij betrokken was.

Ik vergeet niet. En zo velen met mij niet. Maar ik wil veel méér dingen niet vergeten dan alleen dat, wat er vandaag officieel herdacht wordt.

‘Deze oorlog was erger’

Je krijgt dan als herdenkingsdissident meteen het weerwoord: “Maar de Tweede Wereldoorlog was wél een stuk erger dan alle andere!” Ja. Qua aantallen slachtoffers absoluut. Maar de gruwelijkheid van een oorlog hangt niet per definitie af van hoeveel tientallen miljoenen erbij omgekomen zijn. Is een oorlog met 75 miljoen slachtoffers sec gezien 1,9 keer erger dan een oorlog met 40 miljoen doden? En vele recentere oorlogen zijn minstens zo opzienbarend en ‘herdenkingswaardig’ als het om gruwelijkheden, marteling, folter, experimenten en massamoord gaat.

Het Comité bepaalt

Opzienbarend is ook dat voor een steeds groter aantal joodse mensen de herdenking op 4 mei al veel te algemeen geworden is: zij hebben er ‘niets meer mee’ en herdenken vooral op hun eigen wijze en eigen tijdstippen. Zie bijvoorbeeld ook de reactie van Amiad onder het (al wat oudere) zeer kritische opinieblog van Victor Brenntice:
dodenherdenking-reactieAmiadVelen houden dus al lang hun eigen specifieke herdenking. Op hun eigen manier. Binnen gesloten muren, want anders grenst herdenken aan dissidentie. 4 mei zou daarom  juist heel geschikt zijn voor de algemene herdenking van álle gevallenen. Een dag waarop nadrukkelijk stilgestaan wordt bij alle onschuldige slachtoffers van welke oorlog dan ook. Een bij meer mensen en achtergronden passend bewustwordingsmoment. Een herdenking waar bijvoorbeeld ook Duitsers bij aanwezig mogen zijn. Duitsers zoals Thomas Läufer, die in 2010 (toen Duits ambassadeur in Nederland) verzocht om deel te mogen nemen aan de nationale Dodenherdenking. Hij mocht niet komen, want Duitser. Bijna driekwart van de Nederlandse bevolking vond het weliswaar prima om hem erbij te hebben (bron: duitslandinstituut.nl), maar het Nationaal Comité 4 en 5 mei wees hem af: niet welkom bij de Nederlandse ceremonie, in tegenstelling tot nationale WO-II-Dodenherdenkingen in vele andere landen, waar hij wél mocht deelnemen. Op 5 mei had hij dan wel weer mogen komen: meevieren dat we van hem en al die andere Duitsers bevrijd werden. Maar respectvol mee-herdenken? Nee, sorry. ‘Daar hoor jij niet bij‘.

Hypocriet

In mijn ogen is dát dus hypocriet: Het Comité bepaalt als een soort dictator wie wel en wie niet in Nederland mag herdenken en vooral ook wát en hóe er precies herdacht mag, nee, moet worden. Na de zaak Läufer is er in 2010 weliswaar kort gedebatteerd over het mogelijk meer internationale karakter dat de nationale herdenkingsdag zou moeten krijgen, maar tot nu toe is daar niets van terecht gekomen. De afwijzing van Läufer wekte destijds in ieder geval de indruk dat middels ‘onze’ nationale herdenkingsdag de wrok tegen Duitsland en Duitsers in stand moest worden gehouden. Het Comité haastte zich wel om te zeggen dat in principe geen enkele internationale vertegenwoordiger op 4 mei welkom is: Dodenherdenking moet vooral een ‘nationale aangelegenheid’ en puur Nederlands dingetje blijven.

Dissidente herdenker

Ik vermoed dat ik met dit artikel kritiek zal oogsten, net als Victor Brenntice met zijn opiniestuk van vier jaar geleden. Weliswaar had zijn artikel een duidelijk andere strekking en pleitte hij openlijk voor de complete afschaffing van Dodenherdenking, iets wat ik hier per definitie NIET wil doen. Maar als ‘dissidente herdenker’ vind ik dat we op een speciale gedenkdag als deze juist wél met de tijd mee moeten gaan en ál diegenen moeten herdenken die – waar ook ter wereld – de moed hadden om op te komen voor onze vrijheid, net als alle mensen die slachtoffer zijn geworden van juist het ontbreken daarvan. Ik vind ook dat we niemand mogen uitsluiten bij de officiële nagedachtenis aan al diegenen die door oorlogen om het leven zijn gekomen. En dat we stil moeten staan bij het feit dat er sinds de Tweede Wereldoorlog een nog steeds voortdurende periode van ‘relatieve’ vrede in Europa is (The Long Peace, bekijk o.a. hiervoor ook eens dit uiterst relativerende filmpje), die een daadwerkelijk, concreet gevolg is van WOII en de daaruit voortgekomen ontwikkelingen.

Dus herdenk ik, ondanks het streng voorgegeven kader, tóch op mijn eigen respectvolle manier en op door mij gekozen momenten. Laat mij. Want bij het voorgaande wil ik op een officiële dag als deze zelfs wel heel wat langer dan twee minuten stil blijven staan.

Feel free to disagree


Ook gepubliceerd op Hoevrouwendenken.nl

Afscheid van volwassenheid

“Volwassen worden is afscheid nemen van steeds meer vormen van jezelf die je ooit had kunnen zijn en de beperkingen aanvaarden van de persoon die je merkt te zijn geworden.”
(uit: “Een tafel vol vlinders” – Tim Krabbé)

afscheidvanvolwassenheidvlindersLBNou, ik merk niks. Toevallig. Niets van die vermeende volwassenheid, niets van de personen die ik allemaal niet geworden ben. Lichamelijk volwassen ben ik al lang. En breed ook. ‘Ervaringsvolwassen’ ben ik – vrees ik – eveneens. Alleen dat geestelijk volwassen worden, dat wil maar niet lukken.

Ik heb dan ook nooit echt afscheid genomen van al die persoonsvormen die ik had kúnnen worden, simpelweg omdat ik nooit heb stilgestaan bij wie ik allemaal geweest had kunnen zijn. Ik ken alleen de ik die ik nu ben, inclusief de beperkingen van die ene ik. Oh, de eenzaamheid… Ik kan dus eigenlijk alleen maar concluderen, dat ik ondanks alles nog steeds kind ben gebleven: een 14-jarige met 30 jaar ervaring. Misschien moet ik dan nu maar afscheid nemen van het algehele concept ‘volwassenheid’?

Mijn mama zei ooit: “je wordt pas écht volwassen als je ouders er niet meer zijn.” Ze sprak uit eigen ervaring. Ik denk dat het klopt. Het hoeft niet eens de fysieke afwezigheid, de dood van je vader en/of moeder te zijn; als je ouders geestelijk (bijvoorbeeld door psychische achteruitgang, dementie of zelfs amnesie) niet meer in jouw leven deel kunnen nemen, is degene die altijd verantwoordelijk voor jou was, ineens jouw verantwoordelijkheid geworden. DAT is volwassenheid door afscheid.


Eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Waar kan ik ze ruilen?

“Mama, werd ik te vroeg of te laat geboren?”
Ontbijtgesprek op zondagmorgen. In alle rust antwoord ik:
“Je bent precíes op het goede moment geboren, lieffie.”
“Nee, dat bedoel ik niet. Was ik al ver over de houdbaarheidsdatum?”

screenshot_377

bron: pixabay.com

Ik sproei zowat mijn koffie over de krant.
De uitgerekende datum bedoelt ze, de datum waarop je je kind officieel niet meer binnen zou moeten kunnen houden.
“Ja, je zat er een dagje of tien overheen. Maar dat geeft niks, de meeste kinderen komen niet precies op de uitgerekende datum ter wereld. Je broer kwam drie weken te vroeg en daar is ook niks mis mee.”

“Maar… ben ik daarom te dik? Heb jij mij te lang gekweekt?”
Daar is de koffie. Door mijn neus.
“Meiske toch, nee joh! Ik heb jou gewoon te veel van mijn genen meegegeven. Vooral mijn molligheidsgenen.”
Even stilte. Ze denkt na.
Zoon kijkt haar verwachtingsvol aan: hij weet dat ze naar een oplossing zoekt.

“Waar kan ik die genen ruilen? Ik wil ze niet.”

Zoon grinnikt: “Heb je het bonnetje nog?”
En dan:
“Hopelijk heeft mam ze niet van de V&D want dan kun je naar je genen-garantie fluiten!”

De krant is doorweekt.
Dan maar een nieuwe kop koffie.


ook gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl