Collectieve empathie of simpel emotioneel exhibitionisme?

Ik heb er even over getwijfeld of ik dit zou schrijven, omdat ik me echt totaal in kan leven in… Oh nee. Dat kan ik blijkbaar niet, dat inleven. Omdat ik mijn visie heb gegeven op de – in míjn ogen! – overmatige collectieve compassionele reactie die weer eens ontstond na de vondst van het lichaam van Anne Faber, word ook ik bij voorbaat veroordeeld. Ik heb totáál geen empathie, ik laat mensen niet ‘in hun waarde’, ik probeer een punt te maken scoren over de rug van een vermoord meisje. En dat, terwijl ik me in feite enkel afvroeg, of ik zélf eigenlijk wel helemaal normaal ben wanneer ik dit soort massale reacties ietwat overdreven (op het hysterische af) vind.

Reacties als ‘Mafkees. Wie ben jij om zelf zo te oordelen. Als het je niet bevalt, doe je je telefoon maar uit’ of ‘je hoeft hier [ = op FB] niet te zijn, hè!’ lieten niet lang op zich wachten. Zo makkelijk: ten eerste oordeel ik niet: ik schets enkel míjn gevoel, net als iedereen dat blijkbaar doet. Ik vertel hoe het op mij overkomt: als bijna ziekelijk. Ten tweede is ‘als het je niet bevalt, ga dan weg’ de dooddoener bij uitstek: synoniem voor ‘wil je niet zien wat wij doen, kijk dan de andere kant op’. Moet dat dan ook maar gelden als je iets doet wat echt niet mag?

Emotioneel incontinent? Ik dan ook

Ik heb wél inlevingsvermogen. Ik kan mij zelfs zó goed inleven dat ik bij iedere ietwat emotionele film al de tranen in de ogen krijg. Ook ben ik al eens ‘emotioneel incontinente borderliner’ genoemd, een titel die ik als vrouw met gepaste trots draag. Dus ja, ik voel wel degelijk mee. En dan vooral met mijn naasten en liefsten; met de mensen die ik werkelijk kén. Maar er zijn grenzen aan het uiten van compassie voor alles, iedereen en de hele wereld. Natuurlijk staat het buiten kijf dat ook ik het absoluut verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Wie niet.

Ook de enorme woede over ‘hoe heeft dit kunnen gebeuren’ is begrijpelijk. Die woede is nu allereerst vooral gericht op ons rechtssysteem, dat overigens nog altijd één van de beste en meest humane rechtssystemen ter wereld is. En waar dus ook fouten gemaakt worden: geen enkel systeem met menselijke factoren werkt feilloos. In alle medeleven moet er nu stante pede een schuldige, een boetedoener gezocht en aangewezen worden. Men is niet enkel meer meelevend, maar ook ‘meewoedig’ (dank aan Petra de Boevere voor deze term).

Meeleven? Eitje!

Vanzelfsprekend mag iedereen zijn of haar gevoelens uiten. Maar dan mag ik ook zeggen dat ik een ongemakkelijk gevoel krijg bij deze massale, collectieve over-empathie, die vooral op social media te zien is. Je kúnt er niet eens omheen. Profielfoto’s veranderen in Anne-ode’s of nog erger: Gif-jes. Mensen huilen in woorden, plaatsen virtuele kaarsjes, roepen massaal ‘RIP!’, ‘Sterkte’ en ‘Wáárom?’ Ze posten gedichtjes voor Anne en rouwen omdat ‘we’ haar verloren hebben. Er worden massaal plaatjes gedeeld waarop staat dat ‘Iedereen die avond met haar zou zijn meegefietst om haar veilig thuis te brengen’. Dan denk ik: sure. Was jij echt op je fiets gestapt en 25km met haar meegereden in de stromende regen, omdat er wel eens iets zou kunnen gebeuren? Get real. Maar het is zo eenvoudig om het te roepen. Social media maken ‘intens meeleven’ een eitje. Ongemakkelijk gemakkelijk.

Kende jij haar?

Al die mensen kenden Anne totaal niet. Net zomin als die twee jongetjes, Ruben en Julian, die in 2013 door hun vader vermoord en in een afvoerbuis gedumpt werden. Of An en Eefje, het ‘geval Dutroux’ (al langer terug: 1995. Toen was er nog geen Facebook voor heftig medelijdende uitingen). Of  het aangespoelde vluchtelingenjongetje. Of Eberhard. Of Theo. Of Madeleine McCann. Laatste is nog steeds niet gevonden: de zoektocht moest wegens gebrek aan donaties zelfs bijna opgegeven worden, ware daar niet de Britse politie (!) die op het laatste moment met 154.000 pond bijsprong om verder te kunnen zoeken. De mensen zelf waren na 10 jaar wel klaar met doneren. Blijkbaar komt ook aan compassie een einde.

Maar ook in real life is het massale medeleven een feit: men zwermt in groten getale naar de plekken des onheils (bij Anne is de vindplaats inmiddels verboden terrein, afgezet wegens teveel ‘belangstellenden’). Men belaagt begrafenissen die de ware naasten en familie in stilte hadden willen houden, men loopt stille tochten. Zoals een goede week geleden: een bescheiden stille tocht voor de op 22 september in Vlaardingen doodgestoken Graciële Gomez Rodrigues (21). Haar broer zoekt nog naar gerechtigheid en getuigen. Maar wie denkt er verder überhaupt nog aan haar? Sorry Graciële, je was niet voldoende in het nieuws. Dan ‘leef’ je niet bij de mensen.

En voor wie het voorgaande allemaal teveel werk is, is er dus social media. Even een berichtje posten en de profielfoto veranderen; kleine moeite, groot… ach nee, laat maar. Voor mij (!) staat dat gevoelsmatig gelijk aan virtueel ramptoerisme. Online laten zien dat je er extreem dichtbij staat. En vooral: heel hard meevoelen om er verder maar niet over na te hoeven denken. Laten zien dat je betrokken bent, omdat dat voor je gevoel zo hoort en omdat – bijna – iedereen het doet. Het ‘ik was erbij’-gevoel, de ‘nu komt het wel héél dichtbij’-sensatie, maar ook het ‘kijk mij eens een goed mens zijn’-gedrag. Je Suis. Als je je gevoel of medeleven níét per direct openlijk toont en bewijst, ben je per definitie niet betrokken en een slechte, kille, veroordelende mens.

Virtueel exhibitionisme

Maar dat ben ik niet. Ik weiger enkel mee te gaan in dit emotionele exhibitionisme. Overigens:
“Het begrip exhibitionisme wordt ook in niet-seksuele zin gebruikt wanneer men veel over zichzelf prijsgeeft aan vreemden en/of graag veel aandacht krijgt, bijvoorbeeld door middel van het laten zien van zijn of haar website of door zich veelvuldig te tonen in een televisieprogramma. Iemand die daarmee behept is, wordt wel ‘mediageil’ genoemd.” (bron: wikipedia)
Aandacht en ‘meedoen’ lijken inmiddels veel belangrijker dan oprecht medeleven. Let wel: lijken (pun not intended). Er zijn vast ook velen die geheel oprecht hun medeleven willen betuigen en werkelijk geen andere manier weten dan hun profielfoto te veranderen en R.I.P. te roepen.

Kuddedieren

Dat de mensheid als zodanig collectieve gevoelens heeft, is natuurlijk niet nieuw. De mens is nu eenmaal een kuddedier, en gevoelens worden in grote mensenmassa’s intenser ervaren. Dat is het overweldigende bij concerten, de gekte bij de gaypride, groepsgedrag bij voetbalwedstrijden, motorclub-sektes, you name it. Allemaal kuddes met groepsgevoel. Ergens – geheel legitiem – bij willen horen, meegedragen willen worden. Want in je uppie ronddolen is eng; het maakt je kwetsbaar.

Aan de andere kant van het spectrum vind je inmiddels ook de tegenbeweging: degenen die zich te allen tijde krampachtig willen onderscheiden van de massa door per definitie naar links te hollen als ‘het kuddevolk’ (niet mijn terminologie) naar rechts (‘weg van het vuur’) rent. Ja, dat kan óók ‘ziekelijk’ genoemd worden.

Goede kanten van empathie

Maar ik ben de beroerdste niet: ook ik zie best de mooie kanten van zoveel betrokkenheid en medeleven. Een fijne, inhoudelijke reactie op mijn facebookposting kwam van Nicole: “Ik denk heel Nederland in shock is door deze gruwelijke daad van deze moordenaar en iedereen op zijn of haar eigen manier daar invulling aan geeft. Bovendien vind ik het prachtig om te zien dat door de kracht van deze zogenaamde ‘massahysterie en nep-empathie’ hele groepen lieve mensen zich inzetten om deze jonge vrouw te zoeken. Ik vind het jammer om het gevoel van mensen te betitelen als ‘nep’. Tenslotte heeft deze gruweldaad tot gevolg gehad dat het onderwerp weer hoog op de politieke agenda staat. Nee, ik ben juist BLIJ met deze compassie van miljoenen Nederlanders op social media en in real-life.”

Ik heb overigens het woord ‘nep’ niet gebruikt. Wel ‘hysterie’ en ‘over-empathie’. En dat is waar het me om gaat: de massale, bijna maniakale behoefte om je afgrijzen, woede en shock meteen zo verreikend mogelijk tentoon te spreiden, om de wereld te laten weten dat ook jij keihard meeleeft. Vooral nu het totaal geen moeite meer kost om dat medeleven ‘even snel’ te betuigen.

Misschien heeft al deze empathie en compassie inderdaad geholpen bij het vinden van Anne. Ik betwijfel het. Maar dat doet er niet toe: morgen gebeurt er weer iets anders waarover men in shock is. Dan is het volgende compassie-object daar en is Anne zo weer vergeten. Dát is pas triest.

Verbonden zijn of verbonden worden

Vroeger kon je je medeleven enkel betuigen als je ook enige binding met de persoon in kwestie had. Je kende het slachtoffer, vrienden of iemand in de familie. Of je woonde in de buurt. Als je iets wilde zeggen of steun wilde betuigen, stuurde je een condoleance-kaart of een open brief naar de plaatselijke krant. Tegenwoordig is dat anders: ieder nieuwswaardig slachtoffer wordt – of je wilt of niet – mediaal met jou verbonden. Je kunt door alle ‘live’ berichtgeving, profielschetsen, videomateriaal bijna niet anders dan het gevoel krijgen, dat je diegene als het ware écht kent. Alles raakt iedereen. Dagelijks in duizendvoud. En met jou je buurvrouw. Collectieve angst en afschuw: groepsgevoel ten top.

Ik hoop nu enkel nog maar dat de familie van Anne tenminste met rust gelaten wordt, een wens die ze zelf heel duidelijk geuit hebben. Maar het zal wel niet; compassie moet nu eenmaal getoond worden vandaag de dag. Of jij als naaste rouwende die compassie nu wilt of niet. Het is een basisbehoefte geworden. Een recht op meeleven.

Feit blijft dat, wanneer je op de een of andere manier van het heersende groepsgevoel afwijkt of daar zelfs maar een kritische noot bij durft te plaatsen, je blijkbaar je mond moet houden en weg moet kijken. Ik wacht op het moment dat je een werkstraf opgelegd krijgt omdat je niet conform de opgelegde norm meeleeft, handelt en spreekt.

Rest mij niets anders dan in mijn eentje een stille tocht te lopen voor de vermoorde individualiteit.


— Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken

Kleuters en zandbakpolitiek – een analogie

Drie kleuters vermaken zich in een zandbak in de speeltuin. Ze bakken kledderige moddertaartjes op de betonnen omranding. De kleutertjes zijn het roerend met elkaar eens: deze hele zandbak is vanaf nu van hen. Hun wereld van bruine drab. Genoeg zand om mee te smijten. Er is dan ook écht geen plek voor de creaties van een ander.

Kleuter 4, een half jaartje ouder, zit in de andere hoek en bouwt daar in alle rust een bescheiden maar goed gefundeerd zandkasteel, geheel naar eigen inzicht, creativiteit en visie.

bron: pixabay

Oprotten!

Kleuters 1, 2 en 3 vinden nummer 4 dom. En het zandkasteel heel stom, want het staat daar te gloren in HUN zandbak. Kleuter 4 past niet in hun zandwereld. Al die rare bouwideeën zijn maar wát irritant. Daarom grijpt de eerste al snel een van de moddertaartjes en smijt het in de richting van het irritante zandkasteel. Kleuter 4 kijkt even geërgerd op en bromt: “Laat me met rust. Ik mag hier ook spelen. De zandbak is groot genoeg.”

“Jij moet je kop dicht houden, jankerd!”
De volgende, iets grotere moddertaart volgt prompt.
“Ga ergens anders spelen, stommerik, maar blijf bij ons superintelli’s uit de buurt!” gilt nummer één.
“Haha, moet je jou zien, hóé DOM kan iemand zijn om zo’n idioot prutskasteel te bouwen?” schampert nummer twee.
“WIJ bepalen hier wat er gebouwd wordt! En ook waar. Én waarom. JIJ moet gewoon lekker oprotten!” Nummer drie wijst priemend met zijn middelvingertje naar kleuter 4.

Jij bent dom

“Waarom dan?” waagt kleuter 4 – nog steeds kalm – te vragen. “Ik mag maken wat ik wil, wat ík goed vind. Deze zandbak is van iedereen, dus ik heb jullie toestemming helemaal niet nodig.”
“Jawel! Dat heb je wél. Jij mag hier niet zijn, want jij bent zó ontzettend giga dom!”
“Kun je misschien ook nog iets anders zeggen dan ‘dom’?” vraagt kleuter 4.
“Oh, ja hoor: jij stinkt! En je jankt de hele tijd.”
“Ik jank niet. Ik zeg gewoon zo nu en dan wat ik vind.”
“Há, maar je stinkt dus wel! Want dát ontken je niet. En jij vindt alleen maar rare dingen. Pas als jij doet en vindt, wat wij ook doen en vinden, dán mag je hier zitten en misschien zelfs nog iets zeggen.”
Ondertussen gaat het bombardement gewoon door.

bron: pixabay

Kleuter 4 bewaart stoïcijns de rust en reageert – ondanks alles wat haar naar ’t hoofd geslingerd wordt – niet meer. Kleuter 4 is namelijk al nét iets verstandiger dan de schreeuwertjes en weet, dat je andere dreinende, krijsende, tierende, wijzende en modder gooiende roeptoeterkleuters gewoon moet negeren. Een normale discussie is toch niet mogelijk. Wel alert blijven natuurlijk, maar niet meer reageren. Dan is de lol er vast gauw vanaf. Ze buigt zich weer over haar eigen werk.

Feet. Butt. No pain.

Helaas. Werkt niet. Nu gaan de pestkoppen helemaal over de rooie. Drie paar voeten, één reet. Echt pijn doet het niet. Het kriebelt een beetje. Watjes. Grinnikend draait ze zich om en kijkt, enigszins verbaasd, in drie inmiddels rood aangelopen, van haat verwrongen gezichten.

“Zal je leren, jij zeikwijf! Hysterisch mokkel! Leeghoofdig grietje! Emotioneel incontinente borderliner! Het is niet te geloven hoe iemand zó dom kan zijn. Luister, wij zéggen toch dat je DOM bent? Dan ben je het dus ook! Ga nou eens snel weg hier?!”

Stijlloos GeTrumpetter

Moment. Dat laatste is toch helemaal geen kleuterscheldpartij? Nee, dat is gewoon een zoveelste door-het-slijk-trek-actie van steeds weer dezelfde meute stijlloze scheldkoppen met schoolpleinmentaliteit. Volwassen kinderen die op zolderkamers achter laptops wegkwijnen en zich de socmed-vingers blauw typen, wegens gebrek aan echt léven. En aan enige doordachte, steekhoudende argumenten. Om het hardst schreeuwen en uitjouwen (daar is trouwens een nieuw werkwoord voor: ‘Trumpetteren’), dan bindt de rest met een beetje geluk wel in. Bij voldoende intimidatie houden ze misschien zelfs voorgoed hun klep. Hartstikke handig.

Schoolvoorbeeldje van ‘één op één’

Ook één op één willen kleuters nog wel eens hard gillen als ze denken dat ze hun virtuele achterban op die manier mee krijgen. Een – al dan niet vooropgezet en zo ja, in dat geval nog kinderachtiger – schoolvoorbeeld daarvan: de twee overgebleven metro-columnisten, die elkaar in de boksring troffen. De één zet zichzelf totaal te kakken door ongelooflijke arrogantie, badinerende opmerkingen, loze uitspraken en een argumentatie van niks. ‘IK heb mijn mening het éérst geschreven in ONZE krant en ik heb veel meer likes en retweets dan jij, dus jij mag mij daar – in ONZE krant – niet meer op aanspreken. Ga maar ergens anders heen, amateur!’

Qué? Wat is dat voor redenering? Juist! De ultieme kleuterargumentatie. Vertaald naar de zandbakpolitiek klinkt dat zo:
‘IK heb ’t eerst geschreeuwd, dus JIJ moet vanaf nu, hier in MIJN zandbak, je bek houwe. Want ik ben véél populairder en jij bent niks.’

Zo gaat dat. Maar: de één blijft door kalmte, openheid en alertheid nog steeds een goede columnist, de ander degradeert zichzelf tot een eeuwig hetzelfde liedje roeptoeterende jij-bakker. Hop, even flink afzeiken en uitschelden. Op de persoon, graag. Op de manier waarop dat bij iedereen gedaan wordt. Wiens opvatting niet bevalt. Wiens mening niet in ’t eigen straatje past. Want zulke meningen zíjn immers geen meningen, maar slechts uitermate ‘lastig en dom’. Toch?

Stelletje kleuters. Ga echte taarten bakken.
Grow up.

bron: pixabay


Deze blog is eerder verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Ik WIL helemaal niet volwassen worden!”

Dochter (11) zit na schooltijd aan tafel. Ze staart bedremmeld voor zich uit. Het is overduidelijk dat er iets aan de hand is, dus ik vraag het ook maar meteen. Meestal werkt dat voor geen meter. Als ik vraag: “Wat is er, lieffie? Waarom kijk je zo zorgelijk?”, krijg ik steevast het antwoord: “Ach, niks. Laat maar even…” Nu dus ook. Maar in ieder geval weet zij nu dat ik aan haar kan zien dat er wél iets is.

Ik maak een kop koffie en ga bij haar aan de eettafel zitten. Doe mijn koffielepel vol melkschuim en hou die voor haar mond. Normaal gesproken hapt ze gelijk: vindt ze heerlijk. Nu niet.
“Zie! Er is écht wat! Ik wist het wel. Wil je het me echt niet zeggen? Je weet toch dat je mij alles kunt vertellen, hè?”
“Ja, weet ik. Maar ik heb het er gewoon liever even niet over.”

Oké. Dat wordt raden. Want als ik juist raad, kan ze niet ontkennen. Ik ken mijn dochter.
“Heb je op school voor het eerst een jongen gezoend?”
“Neeee zeg! Yuck!”
“Heb je per ongeluk iets kapot gemaakt of iets stoms vergeten?” Dochter lijkt erg op mij, dus deze dingen gebeuren met enige regelmaat.
“Nee, natuurlijk niet.”
Dan schiet me ineens ons gespreksthema van vorige week te binnen. Over ‘vrouw worden’ en zo.
“Zeg, ben je misschien ongesteld geworden?”
“…”

Ik grijns vertederd. Dát is het dus. Zo heb je het er ginnegappend over en zo is het al zo ver. Mijn kleine meiske heeft haar eerste menstruatie te pakken. En dat nog wel tijdens schooltijd, arm kind. Geen kleine meid meer. Niet langer mijn tuddeke. Ik knuffel haar. Er glinstert iets in de ooghoeken. De hare en de mijne.

bron: eigen foto (LB)

“Mijn onderbroek is vie-hie-hies…” Tranen.
“Kom, skattie, gaan we even naar de badkamer.” Ik pak haar hand en ze loopt – enigszins wijdbeens – met me mee.

Op ’t toilet frommelt ze de lappen wc-papier uit haar onderbroek. Goed gedaan meisje; aan oplossend vermogen geen gebrek.
“Ik had gym en ik wilde niet dat iemand het aan mijn legging zou kunnen zien…”
Ik trek de kast open waar het maandverband en de inlegkruisjes liggen. “Híér moet je wezen,” knipoog ik en laat haar zien hoe ’t werkt met de plakstrip. En waar de beste plakplek in de onderbroek is. En dat je je onderbroek vooral niet uit moet rekken tijdens het bevestigen, anders heb je een harmonica-ribbelverbandje tussen je benen en da’s niet fijn. En meer van dat soort praktische zaken.

bron: pixabay

“Nooit in de wc gooien hè! Altijd in de prullenbak. Anders heb ik straks een andere overstroming hier.”
“Jahaa… Ik ben niet gek. En hoe werkt dat dan met die trappers?” Ze wijst naar het pakje in de kast.
“Tampons, lieverd, tampons. Dat zijn een soort van dikke wattenstaafjes met een draadje eraan. Die duw je in je vagina. Als ie vol is, trek je hem er aan ’t draadje weer uit.”
“Ieuw. Die dingen hoef ik niet.”
“Nee, nu zeker nog niet. Dat komt later wel een keer. Ze zijn wel handig bij ’t sporten en zwemmen en zo. Maar voor nu is een maandverbandje prima.”
“Ik vind het niks, zo’n mini-luier in m’n broek. Maar het is beter dan toiletpapier.”
Stiekem denk ik: Joh, dit is niks. Straks, als je 45 bent, twee kinderen hebt gehad en met jodelende bekkenbodemspieren moet dealen, loop je tijdens het sporten regelmatig met incontinentie-verband in je broek. Dát zijn pas luiers…

Terug aan tafel zit ze bij mij op schoot te sippen.
“Lieverd, het is écht niks om je voor te schamen, hoor! Het is zelfs de normaalste zaak van de wereld. Ieder meisje wordt ongesteld als ze in de puberteit komt en volwassen wordt.”
“Ik WIL helemaal niet volwassen worden! Ik wil gewoon kind blijven.”
“Wel, je hebt nu weer een luier in je broek, dus dat zit vast wel goed met dat kind blijven.”
Ze grinnikt en slaat haar armen om mijn nek. Ik ben blij dat ze er nog een beetje om kan lachen.
“Weet je, dat gaat allemaal vanzelf, dat heb je niet in de hand. Het is in ieder geval heel geruststellend dat bij jou alles gewoon ‘in orde’ is. Stel je voor dat je helemáál niet ongesteld wordt, dan kun je heel waarschijnlijk ook nooit kinderen krijgen… Je bent vanaf nu vruchtbaar, dat weet je, hè?”
“Alsof ik ooit van mijn leven seks ga hebben. Mooi niet. Getver.”

En natuurlijk volgt daarop weer een giebelgesprek over jongens en seks, over zaadjes en eitjes. Het zoveelste gesprek, maar dat is juist goed. Ze moet weten waar ze aan toe is. Maar waar het mij vooral om gaat, is dat ze weet dat ze altijd naar me toe kan komen als ze vragen heeft, zich zorgen maakt of wil praten over voorbehoedsmiddelen. Anytime, anyplace, anywhere. Want ook al is ze nog maar 11 (en een half), ik wil dat ze weet dat ik echt niets gek vind.

Ze weet het. En tóch is er nog een restje onnodige schaamte.
“Ehm, mam, wil jij het alsjeblieft voor mij aan papa vertellen?”


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Het juiste gaatje

bron: commons.wikimedia – Licence 2.0. Author Carl Bednorz – Adapted (Text)

Dochter begint te puberen. Ze wordt dit jaar 12 en zaken als menstruatie en seks komen steeds vaker aan bod. Zo ook praktisch elke avond voor het slapen gaan. Het hele oeuvre aan baarmoederslijmvlies-, eitjes-, en kinderkrijg-verhalen hebben we inmiddels meermaals doorlopen. Die puberteit gaat in ieder geval hand in hand met een hoop geklets.

“Je moet er wel rekening mee houden dat er binnenkort wat gaat gebeuren, lieffie. Dat je ongesteld gaat worden. Ik weet natuurlijk niet precies wanneer, maar bij mij was het rond mijn twaalfde, en bij je nichtje zelfs eerder, dus het kan best binnenkort gebeuren. Als het zover is, krijg je waarschijnlijk buikpijn en zie je vanzelf wat bloed of bruine prut in je onderbroek verschijnen.”
“Yuckerdeyuck… Maar hoe weet ik dan of ik ongesteld ben of dat ik gewoon drie dagen lang vergeten ben mijn onderbroek te wisselen? Lijkt het een beetje op een vet remspoor?”

Hè bah. Zo heb ik mijn kroost toch niet opgevoed?
“Djiezus, kind. Je moet ELKE DAG een schone onderbroek aan doen, dat weet je toch? Dan zie je vanzelf het verschil. Remsporen zitten meer achterin. Dit zit in het midden. En als het dan zover is, kom je bij mij, dan krijg je een maandverbandje en alles wat verder nog nodig is, oké?”
“Oké dan…” Het klinkt niet overtuigd.
“En nu slapen. Hou van je, skattie.”
“Ik van jou, mammie.”
Licht uit.

“Ma-ham… joehoe, máám, ben je er nog?! Uit welk gat komt het dan ook alweer?” roept ze vanuit de slaapkamer.
Dit hebben we dus óók al tig keer besproken, maar wat menstruatie betreft heerst er iedere keer weer acute amnesie.
“Dat weet je toch? Uit het K-gat. Het middelste gat. Plasgat – Kindergat – poepgat.
Dochter is Duitstalig  en in het Duits klinkt het allemaal nét iets lolliger: ‘Pipiloch – Kinderloch – Arschloch’.
En hoppa, ze komt niet meer bij. Het is zo makkelijk…
“Hahaha, Arschloch!! Daar kun je toch geen kinderen uitpersen?”
“Nou, gezien jouw drollen zal het best mogelijk zijn.”
Dochter heeft het niet meer. Voor de zoveelste keer.

bron: pixabay

“Als mannen kinderen zouden krijgen, zouden ze de baby door hun piemelgat eruit moeten persen,” vervolgt ze bloedserieus, nog nahikkend in haar hoogslaper.
“Daarom krijgen mannen geen kinderen. Niemand wil een ballonpiemel.”

“Als ik goed tel, heb ik wel 8 gaten! En uit maar eentje kan dat hele kindergedoe komen! Best wel onhandig.”
“Je ogen zijn ook gaten hè.”
“Welja, dan huil ik straks kinderen!”
Hopsakee, weer drie minuten niet aanspreekbaar wegens lachtranen.
“Nu slapen! Zo lang je nog niet ongesteld bent, ben je nog mijn kleine tuddeke. En tuddeke’s moeten om 9 uur hun nest in. Toevallig.”

Ik ben blij dat we er nog een lolletje van kunnen maken.
De ware ernst van de zaak ‘vrouw worden’ steekt snel genoeg de kop op.


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Huilhaar

bron: eigen foto (LB)

Voor de LINDA worden blijkbaar vrouwen gezocht die stevig balen van hun haar. Vrouwen die elke ochtend wanhopig een traan wegpinken als ze voor de spiegel staan en naar hun natuurlijke hoofdbedekking staren. Die met geen mogelijkheid ook maar enig fatsoen in hun vlaskapsel weten te brengen. Of die praktisch kaal zijn (waarbij ik dan denk: die balen toch niet van hun haar? Die balen van géén haar!). En die vrouwen zijn ogenschijnlijk nérgens te vinden!

Wel, IK baal! Want ik heb huilhaar. Héél dun, slierterig, altijd in de knoop, eeuwig piekerig. Hoe vaak ik het ook bij laat knippen. En  aalglad is ’t ook: geen land mee te bezeilen. Mijn haar is zo ongeveer het enige aan mij wat iel en dun is, dus het steekt ook nog eens extra af tegen de rest van mij.

Als ik mijn haar ‘in model’ föhn, is het uiterlijk na een half uur weer modelletje verzopen-cavia-in-een-bloempot. Dus föhnen doe ik ook niet meer. Zinloos.
Ik heb een kruin die een kale plek op mijn achterhoofd in volle glorie laat shinen. Ik zie die plek weliswaar niet, maar ik weet dat ie er is.
In elke door mij bereide maaltijd bevinden zich minstens drie tot vijf van mijn hoofdharen, want haaruitval hoort nu eenmaal bij ouderdom. Zeker na het wassen. Maar goed, het is wel schoon, gewassen haar, daar in dat eten. Dat dan wel weer.

bron: eigen foto (LB)

Het enige wat ik doe als ik héél erg van mijn hoofdbegroeiing – en van alles eigenlijk – baal: de boel knalrood verven. Dan voel ik me weer even heel lekker in mijn haar. Tot de uitgroei begint.

Ik ben dan ook – niet eens stiekem – stíkjaloers op al die mooie, golvende, dikke haardossen van mijn medevrouwen. Ik heb al over extensions nagedacht, maar die moet je ook weer ergens aan bevestigen. En aan superdun, uitvallend haar blijven die (peperdure) haarstukken vast niet lang plakken.

Ik leg me er dus maar bij neer. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ik beschik dan weer over een prachtige bos haar op de tong. En op de tanden. Misschien moet ik die maar in model gaan föhnen.

(PS: heb jij ook huilhaar? Meld JIJ je dan maar naar LINDA. Ik ga mijn piekhaarprobleem in ieder geval niet meer dan nodig tentoonspreiden. Deze blog is wel voldoende.)


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Mijn favoriete… (lijstjesalarm!)

Door een blog van ons aller Zuster Klivia viel mijn oog op het volgende, inmiddels op vele andere blogs circulerende lijstje. Een soort van ‘doorgeefstokje’, dit keer oorspronkelijk opgesteld door Melody. Nu heb ik niet echt iets met invullijstjes (ik heb enkel een waslijst van to-do dingen) en heb ik op mijn blog – volgens mij – nog nooit een lijstjesding gedaan. Maar voor alles is een eerste keer! Bij deze.


Wat is je favoriete…

1) Auto
Eentje die het altijd doet en waar je relaxed hele grote afstanden mee af kunt leggen. Klein beetje luxe moet ie dus ook zijn. Ik heb momenteel een Mercedes, echt een droom van een auto. Ik ben er als het ware mee vergroeid. Bij het uitstappen moet ik mij altijd losrukken. Ik werk thuis en rijd toch zo’n vijf tot zesduizend kilometer per maand (allemaal lange afstanden dus). Zonder auto ben ik nergens en kom ik nergens (wegens ‘in the middle of nowhere’ wonen). Ik ben echt gek op mijn auto en op autorijden; de auto is mijn alles. Bijna mijn derde kind. Gestoord. Ik weet het.

2) Kleur
Qua kleding: zwart. Ik loop de hele dag optisch te rouwen. Heerlijk. Geen bloemetjes aan mijn lijf.
Qua haar: rood. Hartstikke.
Qua inrichting: zwart/wit, rood, hout.
Vroeger was mijn favoriete kleur jarenlang ‘stoplichtgroen’. Ik vraag me af waarom.

3) BN-er
Probleem. Ik ken praktisch geen BN-ers. Die die ik ken, vind ik niet aardig of wil ik zelfs liever niet kennen. Ik kijk geen TV, alleen soms ‘uitzending gemist’. Maar als ik moet kiezen: Arjen Lubach, vanwege het ‘ik wou dat ik zo was’-effect, maar ja, ben al geen man, dus dat schiet niet op. En Ronald Snijders van ‘Normale Mensen’ omdat hij me vreselijk beet heeft gehad met die idiote schrikkelkalender (nu is mij beetnemen niet bepaald moeilijk is, maar toch). En hij heeft wel een leuke kop.

4) TV-programma (binnen- & buitenland)
Daar hebben we weer die TV die ik niet kijk. Maar als ik een serie zou mogen kiezen: Black Mirror. Een Britse SF-serie over de technologische, mediale en sociaal-maatschappelijke issues waar we mee te kampen gaan krijgen (of al hebben). Losse afleveringen (mini-movies) die elke keer weer je haren overeind laten staan omdat ze zó onder de huid gaan. ‘Ja, zo zou het binnen afzienbare tijd kunnen zijn… Of nee, zo ís het eigenlijk al!’ Geweldig goed gemaakt. Briljant, zou ik zeggen. Maar dat woord mag niet.

5) Maaltijd
Alles met eieren. Ik ben een eier-ulk eerste klas. En biefstuk. Ik wil mijn cholesterol-level dan ook niet weten. Interne kop-in-‘t-zand-politiek.

6) Jaargetijde
Dat hangt van het jaargetijde af. Is het zomer, wil ik winter (want in de zomer heb ik het heet en ik kan mijn laarzen niet aan). Is het winter, wil ik zomer (want in de winter heb ik het koud en kan ik niet buiten zitten). Lente en herfst zijn beide wel oké (mooie kleuren). Ik ben dan ook een ‘Herfst-type’.

7) Hobby
Oh hemel. Dit is een lijstje op zich. Schilderen. Tekenen. Schrijven (blogs, HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, andere artikelen, privé-dingen, gedichten). Drummen. Zingen. Lezen. Skiën. Tennissen. Fotograferen en foto’s bewerken (Instagram!).
Maar die tijd, hè. Die tijd…

loudrawsyou

8) Persoon
In mijn geval: Personen (mv):
Uitgegroeid: Luuk.
Nog niet helemaal uitgegroeid: mijn kinderen (Geen link. Sorry. Mag niet.)

9) Dier
Ik had ooit een hoop Red Fire-dwerggarnalen. Die zijn inmiddels allemaal dood. Eentje overleefde er toch nog heel erg lang. Die heette ‘Frau Prieler’. Helaas had ze een lage aaibaarheidsfactor. Daarom is Frau Prieler inmiddels ook al lang en breed (kort en smal) in de porseleinen hemel beland. Nu heb ik dus geen favoriete dieren meer.

10) Dagdeel
Bestaat een dag uit meer dan twee delen? Ik heb enkel een wakkergedeelte en een slaapgedeelte. Ik vind ze allebei even leuk, maar het slaapgedeelte is over het algemeen veel te kort en gaat meestal onbewust aan mij voorbij. Dan maar het wakkergedeelte.

11) Fruit
Granaatappel en mango. Gék op die granaatappelpitjes: Tandenknarsen galore! Jammer dat het zo’n geklooi is om een granaatappel te slachten. Mango is in alle vormen lekker. Schillen en erin duiken. Tot op de pit.

12) Drankje
Zonder alcohol: koffie.
Met alcohol: rode wijn (Cabernet en Montepulciano) en whiskey (Monkey Shoulder).

13) Uitje
Rood. Of lente-.

Ketting met reservehart

Ketting met reservehart

14) Sieraad
Mijn hartenketting. Bijna altijd om en dus volledig afgesleten; hij was ooit zilverkleurig maar het goedkope koper eronder heeft zichzelf inmiddels blootgelegd. Soort van metalen reservehart aan een touwtje. Als ik mijn dochter knuffel voor het slapen gaan, rilt ze soms even en zegt: “Mam, je hart is zo koud…” Oh en tweede sieraad: mijn ringen. Allemaal tekenen van verbondenheid en liefde.

15) Bloem
Amaryllis. Ideale bloem. Stop je in een pot met klein beetje mos (of watten) op de bodem. Niks meer aan doen. Geen water geven (of echt heeeeeel weinig) en hoppa, een tros gigantische, mooie bloemen staat ineens voor je neus als je weer terugkomt van een reis. Beter kan het niet.

16) Vervoermiddel
Stomme vraag. Zie 1)

17) Accessoire
Mijn bruine leren schoudertas. De grabbelton der grabbeltonnen. Soms leeg ik ‘m op de keukentafel en dan vind ik allemaal geweldige dingen waarvan ik helemaal niet meer wist dat ik ze had.

18) Luxe-artikel
De auto uit 1) en de biefstuk uit 5)

19) Muziekgenre
No music no life. Muziek is enorm belangrijk voor mij. Maar hoe die genres nu heten, geen idee. Ik ben gek op Melissa Etheridge, Pink, Bon Jovi, Lady Gaga, Hooverphonic, The Cure, Nathalie Merchant, Alanis Morissette, Bruno Mars, Lady Gaga, Bruce Springsteen, Waterboys… gaat u maar door. Maar bestaat daar een genre-naam voor? Oldie-pop of zo?

20) Kledingstuk
Een zwart jurkje met fijn lang vest of colbertje eroverheen. En laarzen. In de zomer heb ik dus een probleem.

21) Tijdverdrijf buitenshuis
Tennissen (doe ik veel te weinig), skiën (doe ik nóg minder, wegens gedoe en verrotte knie), wandelen (zou ik nog wat meer moeten doen), bioscoop met de kinderen (doe ik vaak genoeg), uit eten gaan met lief (mag nog véél vaker). En autorijden.

22) Schoonheidsritueel
Ik ben altijd retesnel in de badkamer. Ik kan verbazingwekkend rap douchen (ik heb getuigen!). ’s Ochtends heb ik – na het speeddouchen – ook niet meer dan 5 minuten nodig. Tanden poetsen, oogschaduw op, lijntje, mascara, deo in de okselgrotten, klaar. En ik heb een grondige hekel aan rituelen.

23) Rusthouding
Ogen dicht. Buikslaper. Liefst met de armen onder de romp gefrommeld. Uitermate charmant.

24) Toetje
Ben & Jerry’s Cookie Dough.

25) Tijdverdrijf thuis
Zie de binnenshuizige hobby’s bij 7).
En werken. Veel werken. En series kijken ter ontspanning.
Aan huishouden heb ik een bloedhekel, dus dat doe ik zo min mogelijk.


Bij deze weet u weer wat meer over mij. Het is een doorgeefstokje, dus U mag ‘m jatten, die lijst. Graag zelfs. Wie volgt?

Retraite

20140527_175512-1Het balkon van een vakantiewoning in een minuscuul plaatsje waar 99,99% van de wereldbevolking nog nooit van gehoord heeft. ‘Brede bron’, zo heet het gehucht vertaald. Een brede bron van wat? Inspiratie? Verlichting? Gemoedsrust? Beslissingen? Niets van dat alles. En hoe breed kan een bron überhaupt zijn?

20140527_14657Op dat balkon zit ik. Naast me op tafel mijn gedachteboekje en mijn schetsblok, een paar potloden, een glas wijn. Mijn telefoon mag hier weer puur telefoon zijn, want 3G of wifi bestaat in deze uithoek nog niet. Een deken over mijn benen en wat taai geworden ovenchips. Daar moet ik het mee doen. Maar is het voldoende om ’t leven weer op orde te denken?


Doelloos schets ik de haven met wat bootjes. Schrijf een tiental opzetten voor artikelen, blogs, gedichten en gedachtes op. Ik drink de fles in mijn uppie leeg en denk uit zelfbescherming maar niet meer al te veel verder.

20140527_143237-1Wat dóe ik hier? Ja, officieel ben ik in retraite.
“Denk maar eens goed na over waar je in vredesnaam allemaal mee bezig bent!” Die overbodige raad kreeg ik mee.

Geen internet, geen mensen om me heen, wandelingen langs de waterkant. Bibberend kiekjes maken van blauwe bierflessen en kinderslippers op het zand van een slordig opgespoten strand. Assepoester grijnst vanaf het voetbed naar mij. Het ziet eruit alsof de flipflops daar opzettelijk neergezet zijn, zo mooi in de pas staan ze. Uitgeglipt tijdens het wegrennen.

20140527_142856-1


Mijn momentele leven is een grote chaos en daar veranderen een paar dagen aan een miezerig meertje in de Duitse rimboe ook niets aan. Mentaal hard door blijven rennen, dat zal de enige remedie zijn. Ook al raak ik dan misschien zelf in de slip.

Tussen de keien aan de oever staat een lege PET-fles. Oók al zo zorgvuldig geplaatst. Het lijkt wel of iedereen hier alle rotzooi ordelijk neerzet om het vervolgens nutteloos en vervuilend achter te laten. Niet meer naar omkijken. Misschien moet ik dat dan ook doen.

Ik werp weemoedig een blik op mijn oude biker boots. Kapotte ritsen, rafelige randen, gescheurde zolen. Als ik al geen afstand kan doen van een paar versleten laarzen, hoe moet dat dan met de rest van mijn puinhoop?20140527_143642


Vannacht slaap ik weer in het onderste deel van het stapelbed op de kinderkamer. Om het de krakkemikkige verhuurster makkelijker te maken; slechts één bed verschonen is altijd nog beter dan twee. Maar ook omdat ik het luxe tweepersoonsbed sowieso niet aan durf te raken.

Bij de buren denderen de rolluiken omlaag. Totaal ongepast in deze setting. De belletjes aan de masten van de boten rinkelen als die van heftig grazende bergschapen. Dat past beter.


Een bries over het water. Krekels. Véél krekels. En eenden. Geen autogeronk. Geen mensenstemmen. Geen indrukken meer, enkel nog verloren afdrukken. De stilte gromt als een motorzaag in mijn oren. Misschien is totale eenzaamheid het enig werkzame dieet voor een volgevreten ziel.

Ik trek de deken nog dichter om me heen.

Eigenlijk is ’t niet eens zo koud.
Maar het is zó ontzettend koud.

20140527_175103

 


Deze tekst schreef ik meer dan 2,5 jaar geleden in mijn gedachteboekje.
Inmiddels heb ik het weer een heel stuk warmer en mijn laarzen op laten knappen.
Zo goed als nieuw.

Van ietsje naar Nietzsche

…en van het minimalisme op naar het nihilisme.niets

Ja ja, ik ga mij bekeren tot het nihilisme. Wat ik zo geweldig vind aan nihilisme? Niets… Maar ik heb er ook niets op tegen. Ik ben een grote fan van niks. Bowie is inmiddels succesvol bekeerd tot het niets, Jackson en Prince ook. Dus waarom ik niet? Geen enkele reden. Zie, daar heb je het weer!

Eerder werd ik al zeer geïnspireerd door het minimalisme: het zo goed mogelijk leven met zo min mogelijk xyz [zelf in te vullen:’Dingen’ bijvoorbeeld. Of ‘materiële sores’. Of je vult gewoon helemaal niets in; dat is dan weer het prille begin van je nietsisme]. Dus enkel dat wat je nodig hebt. De rest elimineer je successievelijk uit je toch al loze bestaan.

Maar: met het minimalisme heb je tenminste nog íets. En de shit daarvan is, dat het verdoemde vergelijken dan weer opnieuw begint. Heb ik dit ene ‘iets’ echt nodig? Of toch juist dat andere daar? Moet dit beter? Of is dat eigenlijk wel voldoende voor mij? En van al dat gepieker raak je geheid in een pessimistisch minimalistische bui (‘ik flikker alles ’t raam uit!’), wat bijvoorbeeld anti-pessimist Nietzsche [spreek uit: Nietsje! What’s in a name…] weer helemaal niets vond. Hij sprak zich dan ook uit voor het volledige nihilisme: dat was voldoende.

Apropos, voldoende, weer zo’n begrip. Ben ik zelf voldoende? Ben ik überhaupt nog iets? Doe ik dan niets werkelijk goed, in vergelijking met anderen? Dan kijk ik dus meteen weer naar die andere net-niet-nihilisten en denk: nee, da’s óók niets… Daarom ben ik gestopt met het mezelf met anderen vergelijken middels facebooktestjes. En zie daar: nu ben ik zo’n 32% zelfbewuster dan mijn vrienden.

Ja, nihilisme is fijn! Simpelweg omdat het he-le-maal niks is.
Je hebt zelfs geweldige nihilistische moppen:



Enfin. Ik zag het volgende bij een zwaar nihilistische twitteraar.
Het treft ’t niet, maar het is wel aardig:

Roses are red
violets are blue
Life’s an illusion
Sentience is too
Nobody cares
None love you back
Please enjoy life
Then fade into black

Dus hou ik mij een leven lang bezig met futiliteiten tot er een fulminant ‘niets’ meer overgebleven is.
En dan ga ik daar lekker helemaal niets meer aan doen.

Niets is het nieuwe iets!

niets2


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl

Ben ik een herdenkingsdissident?

Elk jaar sta ook ik op 4 mei even stil. En wel bij de vraag waarom we op deze dag nog steeds enkel een ‘nationale’ Dodenherdenking houden. Begrijp me niet verkeerd: iedereen mag herdenken wat/hoe/wanneer men wil. Maar de grootschalige relatering van deze officiële herdenking aan enkel Nederlandse slachtoffers in (hoofdzakelijk) de Tweede Wereldoorlog vind ik persoonlijk achterhaald. Ik heb alle respect voor het herdenken als zodanig en alle respect voor deze dag. Ook ik zal stil zijn. Desondanks vind ik dat onze Dodenherdenking in de huidige vorm te beperkt is en niet meegegaan met de tijd. 


Enkel Nederlandse slachtoffers?

dodenherdenking2

Bron: wikimedia.org

Sinds 1961 is de definitie van Dodenherdenking in theorie verbreed: Nederlandse gesneuvelden tijdens vredesoperaties in bijvoorbeeld Bosnië en Afghanistan en gevallenen in Nederlands-Indië worden nu eveneens herdacht. Maar de nadruk blijft heel duidelijk op dat ‘Nederlandse’ liggen.

De officiële tekst luidt: ‘Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
Nederlandse’ ontbreekt nu op diplomatieke wijze voor de woorden ‘burgers en militairen’, maar het gaat nog steeds enkel om slachtoffers van Nederlandse origine.

Waarom herdenken we niet ook al die gevallenen uit ándere landen? Gevallenen die net zo goed gestreden hebben en gestorven zijn voor de uiteindelijke bevrijding van Nederland? Waarom moet het ook nu nog steeds een puur Nederlandse aangelegenheid blijven?

Waarom blijven we vinden dat herdenking per definitie ook verzoening betekent? ‘Herdenken hoeft niet vergeven in te houden’, zoals antropoloog Hans Feddema drie jaar geleden al in zijn artikel stelde. Ook dan, zelfs dan, nee, júíst dan, zou je gezamenlijk moeten herdenken om niet te vergeten.

Hoogste tijd om deze herdenkingsdag eens te overdenken.

Gedwongen jaarlijkse bewustwording

In een multiculturele, geïnternationaliseerde samenleving en in een wereld waar nog steeds heftig gevochten, gefolterd, geterroriseerd en gemoord wordt, is onze Dodenherdenking niet meegegaan met de ontwikkelingen. Het herdenken van enkel ‘eigen’ slachtoffers in een ver verleden is te beperkt geworden. Te nationalistisch. Te egocentrisch.

De Nederlandse Dodenherdenking is verworden tot een nationaal stokpaard dat elk jaar opnieuw op een vast tijdstip van stal gehaald en bereden moet worden. Moet, ja. Wil je het anders doen en op veel bredere schaal herdenken, op een ander tijdstip terugdenken en herinneren, of leef je liever helemaal in het nu (met de zo populaire mindfulness en het huidige wereldse geweld in het achterhoofd), ben je al snel ‘heel fout’ bezig. Dat mag niet. Niet openlijk in ieder geval: dat is respectloos.

Onder het motto ‘opdat niet we niet zullen vergeten’ moet iedereen nog steeds elk jaar op dezelfde dag en om dezelfde tijd twee minuten stil zijn en het voorgeschrevene herdenken. In een keurslijf gedwongen bewustwording van enkel de nationale gevolgen van een oorlog, waarin zo onnoemelijk veel méér soldaten en burgers uit ándere landen gevallen zijn, óók voor de bevrijding van Nederland. Tegelijkertijd vergeet men daarnaast nadrukkelijk de slachtoffers van zo vele andere gruwelijke oorlogen waar Nederland bij betrokken was.

Ik vergeet niet. En zo velen met mij niet. Maar ik wil veel méér dingen niet vergeten dan alleen dat, wat er vandaag officieel herdacht wordt.

‘Deze oorlog was erger’

Je krijgt dan als herdenkingsdissident meteen het weerwoord: “Maar de Tweede Wereldoorlog was wél een stuk erger dan alle andere!” Ja. Qua aantallen slachtoffers absoluut. Maar de gruwelijkheid van een oorlog hangt niet per definitie af van hoeveel tientallen miljoenen erbij omgekomen zijn. Is een oorlog met 75 miljoen slachtoffers sec gezien 1,9 keer erger dan een oorlog met 40 miljoen doden? En vele recentere oorlogen zijn minstens zo opzienbarend en ‘herdenkingswaardig’ als het om gruwelijkheden, marteling, folter, experimenten en massamoord gaat.

Het Comité bepaalt

Opzienbarend is ook dat voor een steeds groter aantal joodse mensen de herdenking op 4 mei al veel te algemeen geworden is: zij hebben er ‘niets meer mee’ en herdenken vooral op hun eigen wijze en eigen tijdstippen. Zie bijvoorbeeld ook de reactie van Amiad onder het (al wat oudere) zeer kritische opinieblog van Victor Brenntice:
dodenherdenking-reactieAmiadVelen houden dus al lang hun eigen specifieke herdenking. Op hun eigen manier. Binnen gesloten muren, want anders grenst herdenken aan dissidentie. 4 mei zou daarom  juist heel geschikt zijn voor de algemene herdenking van álle gevallenen. Een dag waarop nadrukkelijk stilgestaan wordt bij alle onschuldige slachtoffers van welke oorlog dan ook. Een bij meer mensen en achtergronden passend bewustwordingsmoment. Een herdenking waar bijvoorbeeld ook Duitsers bij aanwezig mogen zijn. Duitsers zoals Thomas Läufer, die in 2010 (toen Duits ambassadeur in Nederland) verzocht om deel te mogen nemen aan de nationale Dodenherdenking. Hij mocht niet komen, want Duitser. Bijna driekwart van de Nederlandse bevolking vond het weliswaar prima om hem erbij te hebben (bron: duitslandinstituut.nl), maar het Nationaal Comité 4 en 5 mei wees hem af: niet welkom bij de Nederlandse ceremonie, in tegenstelling tot nationale WO-II-Dodenherdenkingen in vele andere landen, waar hij wél mocht deelnemen. Op 5 mei had hij dan wel weer mogen komen: meevieren dat we van hem en al die andere Duitsers bevrijd werden. Maar respectvol mee-herdenken? Nee, sorry. ‘Daar hoor jij niet bij‘.

Hypocriet

In mijn ogen is dát dus hypocriet: Het Comité bepaalt als een soort dictator wie wel en wie niet in Nederland mag herdenken en vooral ook wát en hóe er precies herdacht mag, nee, moet worden. Na de zaak Läufer is er in 2010 weliswaar kort gedebatteerd over het mogelijk meer internationale karakter dat de nationale herdenkingsdag zou moeten krijgen, maar tot nu toe is daar niets van terecht gekomen. De afwijzing van Läufer wekte destijds in ieder geval de indruk dat middels ‘onze’ nationale herdenkingsdag de wrok tegen Duitsland en Duitsers in stand moest worden gehouden. Het Comité haastte zich wel om te zeggen dat in principe geen enkele internationale vertegenwoordiger op 4 mei welkom is: Dodenherdenking moet vooral een ‘nationale aangelegenheid’ en puur Nederlands dingetje blijven.

Dissidente herdenker

Ik vermoed dat ik met dit artikel kritiek zal oogsten, net als Victor Brenntice met zijn opiniestuk van vier jaar geleden. Weliswaar had zijn artikel een duidelijk andere strekking en pleitte hij openlijk voor de complete afschaffing van Dodenherdenking, iets wat ik hier per definitie NIET wil doen. Maar als ‘dissidente herdenker’ vind ik dat we op een speciale gedenkdag als deze juist wél met de tijd mee moeten gaan en ál diegenen moeten herdenken die – waar ook ter wereld – de moed hadden om op te komen voor onze vrijheid, net als alle mensen die slachtoffer zijn geworden van juist het ontbreken daarvan. Ik vind ook dat we niemand mogen uitsluiten bij de officiële nagedachtenis aan al diegenen die door oorlogen om het leven zijn gekomen. En dat we stil moeten staan bij het feit dat er sinds de Tweede Wereldoorlog een nog steeds voortdurende periode van ‘relatieve’ vrede in Europa is (The Long Peace, bekijk o.a. hiervoor ook eens dit uiterst relativerende filmpje), die een daadwerkelijk, concreet gevolg is van WOII en de daaruit voortgekomen ontwikkelingen.

Dus herdenk ik, ondanks het streng voorgegeven kader, tóch op mijn eigen respectvolle manier en op door mij gekozen momenten. Laat mij. Want bij het voorgaande wil ik op een officiële dag als deze zelfs wel heel wat langer dan twee minuten stil blijven staan.

Feel free to disagree


Ook gepubliceerd op Hoevrouwendenken.nl

Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

HoeVrouwenDenken!

hvd-HVDJa, ik ben wat stilletjes de laatste tijd. Maar die stilte heeft een reden in de vorm een nieuw schrijfproject, waarvoor ik nu in alle heftigheid stukjes aan ’t neertikken ben. Want:

Vanaf 1 februari a.s. ploft er post van een heel nieuwe versie van een al wat oudere site op uw virtuele deurmat:

HoeVrouwenDenken.nl!

Deze bijzondere site bestond in 2014 al heel eventjes maar hield er na een krap half jaar officieel weer mee op wegens dingen. Onze broeders van HoeMannenDenken.nl weenden bittere mannentranen om dit verdrietige sterfgeval. Maar zie daar: hun zusje is nu herrezen, als een Phoenix uit de as! Met volledige amnesie weliswaar (ze is het verleden totaal kwijt), maar zeker zo leuk én lekker. En vooral: NIEUW!

Ja jongens, SIS IS BACK!!
(nou ja, bíjna dan; nog maar een paar daagjes!)

Met een (vooralsnog) zeskoppig team beginnen we weer met een totaal maagdelijke site en laten we jullie middels allerhande blogartikelen meekijken naar wat er zoal omgaat in het hoofd van een willekeurig vrouwelijk wezen: soms zin, meestal onzin en hier en daar een bijzin.

HoeVrouwenDenken.nl is de enige écht essentiële site vóór mannen, dóór vrouwen. Maar: wij zouden geen vrouwen zijn als we niet ook van vrouwen houden! De dames dezer aarde mogen dus natuurlijk altijd meelezen en kijken of het allemaal een beetje klopt, wat wij daar neertikken (Graag zelfs! En: zelf meedoen mag ook altijd! Zie (straks) daar, voor meer info)

Wij zijn natuurlijk óók te vinden op het alwetende Facebook en op den Twitter!
Heren en dames, u zou mij (ons!) een gigantisch plezier doen als u ons daar even wilt liken en volgen.

BRING IT ON!!

Muggenbulten

“Mam, weet je wel dat jij nog steeds muggen hier in huis hebt?”
Zoon (13) krabt demonstratief aan zijn benen.
“Echt, ik heb óveral muggenbulten. Ze jeuken niet zo erg, maar toch ook wel een beetje. En soms doen ze zelfs pijn…”
Hij trekt er een gruwelijk meelijwekkend gezicht bij.

Ik weet heel zeker dat er geen muggen meer in huis zijn. Het is nota bene eind november, buiten vriest het en ik heb zelf al weken geen mug, vlieg of ander ongedierte meer gezien. Enkel joekels van herfstspinnen en een verloren fruitvliegje.

“Nou, laat eens zien dan?”
Hij showt z’n been. Ik zie een klein rood restplekje.
“Die was vorige week nog écht groter, hoor! Maar op de één of ander manier is ie nu ineens weer bijna weg.”
Ik vraag of hij er dan misschien nog meer heeft. Hij keert me letterlijk de rug toe.
“Kijk! Hier! Een hele grote, rare. Met een bobbeltje. Ik voel ‘em!”

Ik grinnik vertederd.
Mijn puber krijgt puistjes.

Ik, gelukszoeker

Het is nu iets meer dan een jaar geleden dat ik – nou ja, laten we het maar zo noemen – vluchtte. Ik had het in de jaren ervoor niet echt slecht, hoor. Helemaal niet. Ik had een mooi huis, mijn vaste taken, de nodige spullen, zelfs de onnodige luxe, en geen gebrek aan geld. Maar ik was niet gelukkig. Dat werd uiteindelijk zelfs ‘zeer ongelukkig’. Ik voelde me opgesloten, gejaagd, ondergewaardeerd, kreeg hartkloppingen, angsten en andere lichamelijke symptomen. Ik maakte me zorgen over mijn toekomst en over wat er van mijn verdere leven moest worden. Ik creëerde mijn eigen virtuele wereld waarin ik af en toe weg kon vluchten, maar dat was geen houdbare situatie.

Dus ging ik op zoek. Op zoek naar geluk. En ik vond het, op behoorlijke afstand van waar ik toen leefde. Maar dat gevonden geluk maakte mijn leven op mijn oude woonplek nog onmogelijker dan voorheen. Ik kón daar niet meer zijn, voelde me als een vreemde in mijn eigen huis, soms zelfs bedreigd, zag geen uitweg en al helemaal geen mogelijkheden om dat verre geluk ook daadwerkelijk na te jagen en ooit vast te kunnen houden. Dus ik vluchtte. Ja, halsoverkop en redelijk ondoordacht. Alleen het hoogstnodige nam ik mee: wat kleren, mijn mobiele telefoon, een paar kleine persoonlijke bezittingen, mijn bankpas en mijn paspoort.

Maar waar moest ik zo snel heen? Waar kón ik heen? Zomaar weggaan en alles achter je laten, zoiets dóe je simpelweg niet. In ieder geval niet in de cultuur die heerst, waar ik nu ben. Je wordt al snel gezien als een paria, een rare, een andersdenkende. Ik vond asiel bij een lokale boer. Hij vroeg weliswaar een meer dan aanzienlijk bedrag voor het onderkomen op zijn erf, maar het was oké; het moest maar zo. Ik had ineens helemaal niets meer; alles daarginds achtergelaten, zelfs mijn kinderen in eerste instantie. Ik wilde zó graag dat ze bij mij zouden kunnen komen, maar ik kon ze niets bieden, zelfs geen fatsoenlijk bed of warm eten. Dus ik regelde ik het allemaal zo goed en zo snel als ik kon. Zelf. Het kostte een duit en een paar blauwe duimen (aan mijn twee linkerhanden), maar na een goede maand heb ik mijn kinderen na kunnen laten komen.

Ze kijken me nog steeds met een scheef oog aan. Ik ben ‘die buitenlander’ die haar gezin in de steek liet om haar geluk elders te beproeven. Die andersgelovige en andersdenkende dissident. Ik word geduld, maar meer ook niet. Ze praten liever niet met mij, vinden me éigenlijk zelfs een beetje eng. Ze vragen zich af wat ik in vredesnaam de hele dag doe als ik hier in mijn opvangcentrumpje ben. Willen stiekem ook heel graag weten wat ik de rest van al die dagen doe, als ik er níet ben. Heel af en toe doen ze een poging om informatie uit mij te porren. Hoe ik me die auto kan veroorloven. Of die smartphone. Wat ik dan doe om aan het nodige geld te komen. En of en vooral waar ik belasting betaal. Het liefst zouden ze tot in de puntjes noteren, welke uitkeringen en subsidies ik – die geluk zoekende vreemdeling – allemaal krijg.

Ik probeer het ze steeds weer geduldig uit te leggen. Ik heb de taal in rap tempo meer dan goed geleerd, ik heb mijn uiterste best gedaan om fatsoenlijk te integreren. En dat is ook gelukt: ik ken al veel mensen, heb een eigen netwerkje. Ik heb mijn eigen ‘zaakjes’ opgebouwd, waarmee ik de eindjes aan elkaar knoop, samen met wat ondersteuning van lieve familie. Ik ben hoog opgeleid, wat men nauwelijks kan of wil geloven, want: “wat heeft een immigrant met twee universitaire diploma’s hier bij ons überhaupt te zoeken wat ie niet ‘thuis’ kan vinden?” En nee, ik krijg geen uitkering of ondersteuning van de staat. Van geen enkele staat. Echt niet. Ze vinden het allemaal maar verdacht. Dat voel ik aan mijn allochtone water. Want een autochtoon zoals zij zal ik híer immers nooit worden.

Ik blijf ze dankbaar. Blij dat ik hier mag zijn. Ik heb nu op dit erf rust gevonden, een onderdak en mijn kinderen voelen zich hier inmiddels ook best thuis. De mensen zijn aardig, ik word enigszins getolereerd en ik zie weer mogelijkheden om een gelukkiger bestaan op te bouwen. Maar toch… toch wil ik ooit terug naar mijn vaderland.

Je eigen geluk zoeken én vinden blijft hard werken. Levenslang.

Vluchteling in de bus

Dochter (10) komt ’s middags met de schoolbus naar huis. Ze knalt de deur dicht, smijt haar tas in de hoek en roept meteen: “Mam! Weet je wat? Vandaag zat er een vluchteling in de bus! En IK zat naast hem!!”

Tja, dat kan gebeuren: nog geen vijfhonderd meter verderop is een net gerenoveerd hotel annex restaurant met nog veel vrije kamers en gastenappartementen in no time omgetoverd tot een opvanghuis annex AZC voor de vóór de Duitse grens gestrande vluchtelingen. Inmiddels zitten er een stuk of vijftig, waarvan circa tien kinderen bij dochter op school zitten. Ze wonen daar heel erg mooi, met een zwemmeertje [‘oh jee…’ dacht ik. (vergeef me)], een prachtig beekje [meer oh jee’s misschien?], een speelplaats met leuke wipwappen en bungeltoestellen en alle benodigde faciliteiten tot hun beschikking. Een persoonlijk initiatief van de hotelier met (financiële en psychische) ondersteuning van de lokale Diakonie. Zelfs een eigen bus is inmiddels geregeld om te voorkomen dat de oorlogsvluchtelingen ter plekke in een isolement raken; er rijdt daar [‘in deze negorij hier’ denk ik dan (vergeef me opnieuw)] immers geen ‘normale’ busdienst. En misschien worden het er binnenkort wel honderd, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niets van ze gemerkt [ja, ik hoor ’t u vragen: “móet dat dan?” Nee.]. Niets gezien; geen incidenten, geen bedreigde vrouwen, geen inbraken, geen vechtpartijen, geen iPhones, geen overlast, he-le-maal niets. Tot vandaag.

Dochter vertelt honderduit over haar ‘dispuutje’ met ‘de vluchteling in de bus’. Een jochie van een jaar of acht.
“We hebben van die enkele en dubbele zitplaatsen in de bus, maar hij ging dus op een dubbele zitten en ik ben gewoon maar eens naast hem gaan zitten want hij zag er best heel interessant uit.” Helemaal goed, schatje. Geen xenofobische trekjes in ieder geval.

Maar het geijkte obstakel doemde klaarblijkelijk al snel op: ’t jochie sprak geen woord Duits en dochter helaas geen Syrisch (of was het toch Ghanees?). Het mocht niet deren: als dochter wil communiceren, wordt er gecommuniceerd. Punt. Het jochie schoof wat op en trok vervolgens zijn voeten in kleermakerszit onder zich op het zitvlak de stoel.

“Ja, en dát, mam, DAT kon dus écht niet hè!! Hij had vreselijk gore schoenen aan, vol met modder! [‘van het rondploeteren in dat zwemmeertje??’ denk ik dan. (Vergeef mij nog maar eens een keer…)] En sowieso mag je in de bus niet met je vieze schoenen op de zitting. Dat mag thuis toch ook niet? Van Harry [=de buschauffeur] mag dat dus al helemáál niet niet! Maar die zag dat niet want die moest rijden en hij was aan het telefoneren en zijn sigaret aan het maken tegelijk, en…” Dochter kakelt aan één stuk door. Ik smeer een boterham, aanhoor haar en denk enkel: “Morgen eens even een woordje met die Harry wisselen over telefoons en sigaretjes-rollen tijdens het rijden.”

“…dus zeg ik tegen hem: ‘Hé jij, vluchtelingenjongetje! Dat mag niet van Harry, hoor!’ Nou, hij keek me toch een potje raar aan… Toen wist ik het: hij verstónd me helemaal niet! Dus deed ik mijn voeten óók heel even onder me op de stoel en toen wees ik ernaar, keek hem hartstikke boos aan en schudde heel hard m’n hoofd en wijsvinger voor z’n neus. Toen zette ik mijn voeten weer op de grond, wees ernaar en knikte lachend naar hem. Mét duim omhoog. En weet je wat, mam? MET DIE DUIM HIJ SNAPTE HET INEENS!!! Hij deed meteen z’n voeten omlaag. Hij keek me héél even weer zo raar vragend aan maar ik knikte blij, zo van ‘ja jochie, zo is ’t goed’. Toen lachte hij zelfs naar me! Lief hè? Ik vond ‘m echt heel aardig. En hij heeft hele mooie tanden! Maar weet je, als je een vluchteling gewoon zégt – nou ja, zoiets van zeggen dan hè, dat snap je wel – wat er hier allemaal niet mag, dan doen ze dat dus ook niet meer! Ze wéten het alleen niet, want bij hun thuis was dat anders. Dus je moet het ze zéggen! Én je duim omhoog doen. Tof hè?”

Afijn. Samenvatting niet nodig, lijkt me.

_______________________________________

WAARSCHUWING n.a.v. een posting van Tiny S. op FB: Wees voorzichtig met die duim!! Misinterpretatie is mogelijk 🙂 Tiny schrijft: “Een duim omhoog is een veilig positief gebaar, zolang je niet in Latijns-Amerika, West-Afrika, Griekenland, Rusland of in het Midden-Oosten bent. Daar betekent een duim omhoog ongeveer hetzelfde als een middelvinger hier. Volgende keer dus eerst even goed nadenken wie je op Facebook een ‘like’ met een duimpje omhoog geeft.” 

En een kleine aanvulling m.b.t. de context van dit blogje: Hier (dat is dus in Oostenrijk en dan vooral in het deel waar ik woon), zijn erg weinig (lees: praktisch geen) buitenlanders. Anders getinte mensen – ik weet niet hoe ik het anders kan/mag omschrijven -kom je hier nauwelijks tegen. Op de school met pak-em-beet 220 leerlingen zaten tot voor kort welgeteld 3 kinderen die niet Oostenrijks-katholiek zijn: een Jehova’s getuige, een Turks jongetje en een ‘ongelovige’ (=dochter). Een vluchteling is dus daadwerkelijk een exoot hier, en daarom ‘interessant’; men ként het (ze) gewoon niet. Misschien is dit ook de reden voor de grotendeels afwezige agressie tegen en/of allergie voor alles wat met vluchtelingen/asielzoekers te maken heeft. Dochter was in dit geheel enkel onbevangen, niet vooringenomen en open voor ‘nieuwe aapjes’ (zoals het op facebook genoemd werd). Dit blog is niet denigrerend bedoeld, het is enkel een anekdote in genoemde context.

Lintworm

Zondags ontbijt.
Dochter neemt een grote hap van haar broodje filet americain. Ze kauwt genoeglijk.
LintwormOnderwijl oppert zoon nonchalant: “Hey mam, lintwormen zitten in rauw vlees, hè?”
“Euh, ja. Ook.”
Ik kijk hem scheef aan, snap heel goed waar hij heen wil met zijn vraag.
“En als je een lintworm hebt, dan vreet ie alles in je darmen op, toch?”
Alsof hij dat niet zou weten. Het jong weet sowieso alles.

Ik leg zo zakelijk en droog mogelijk uit dat lintwormen bij mensen maar héél zelden voorkomen, bij dieren die rauw vlees eten en vaak vlooien (overdragers van dergelijk gespuis) hebben, zoals katten, wel wat vaker. Dat koeien die wormen en hun eitjes in hun darmen kunnen hebben door gras met besmette ontlasting te eten. Dochter stopt met kauwen.
“Yuck!! Kunnen jullie het niet éven over iets anders hebben?”

Maar zoon weet van geen ophouden.
“Joh, maak je niet druk. Als jij een lintworm hebt, word je eindelijk slank. Mooi toch?”
Dochter kijkt verongelijkt naar haar buik.
“En als je niet genoeg eten in je buik hebt, begint ie gewoon met je ingewanden. Dan word je van binnen helemaal uitgehold. Oh, en hij legt ook eitjes die naar je hersenen kunnen gaan. Dan word je nog gekker dan je nu al bent.”
Dochter wordt bleek.
“Ja, echt! En koeien hebben het nu ook nog heel vaak hoor! En dan zitten de eitjes in het vlees. In gehakt en zo. Lekker joh!”

Ik kijk zoon vermanend aan. Nú stoppen of in de woonkamer verder eten. Met de deur dicht a.u.b.
Zoon staart stoïcijns terug en mompelt tussen neus en lippen door: “Nou zeg, ik wou alleen maar even waarschuwen. Dat wat zij nu eet – hoofdknikje richting dochter – is ook hartstikke rauw, gemalen koeienvlees.”
Dochter racet naar de badkamer.

Elke keer weer gezellig, dat zondagse ontbijt.