Goede meenemens

Elk jaareinde steekt het gezever weer de kop op: “En? Nog goede voornemens?” Groundhog day in de vorm van een immer op identieke wijze wederkerende nieuwjaarsplanning.

De bijdehante troela antwoordt meteen: “Ja, natuurlijk! Ik neem me voor om me dit jaar helemaal niks voor te nemen! Gaat me lukken! Oh nee, toch niet.” De twijfelaar meent er toch nog even over na te moeten denken, het optimistische type zegt: “JA! Dit jaar ga ik [vul zelf in]!” Dat kan zijn: een paar kilo aankomen, de vuilnis binnen zetten, beginnen met roken, een kind baren, wat minder sporten, lekkerder eten, het wegkwijnende bonsaiboompje snoeien, whatever. En de pessimist bromt: “Natuurlijk niet. Alles wat een mens zich voorneemt, is uiterlijk na twee en een halve week alweer vergeten. Goede voornemens zijn voor losers die al lang weten dat ze de dingen, die ze eigenlijk altíjd zouden moeten doen, sowieso niet doen gedurende de rest van het jaar. Dan maar één keer per jaar – het liefst aan ’t begin – expliciet benoemen, dan heb je dat ook weer gehad. Forget it.”

Eigenlijk is de laatste helemaal geen pessimist maar een realist. Want geef toe: zo werkt het toch? Je weet eind augustus immers net zo goed wat je allemaal zou moeten doen en laten. Daar heb je geen nieuw jaarbegin voor nodig. Maar elke laatste week van het jaar wordt de mens tóch weer mediaal doodgegooid met artikelen over wát er allemaal zou moeten, hóe dat dan moet en hoe dat eventueel langer dan die paar weken vol te houden is. De top drie van nutteloze voornemens is voorgeprogrammeerd.

Met stip op één: “De smartphone het raam uit sodemieteren”. Unpluggen. Afkicken. Want: je smartphone schijnt jou te ‘maken’, te vormen en te kneden tot dat wat je nooit wilde zijn: een schermstarende, grootogige, slape- en libidoloze zombie. Laat ik dat nou zonder mijn (twee…) smartphone(s) ook al zijn. I’m a lost case. Ik ga voor de casting van de Walking Dead. Next!

Nummer twee: “Meer en regelmatig sporten”. Awel, ‘meer’ sporten is niet moeilijk, ik doe momenteel sowieso praktisch niks dus als ik íets doe, is dat meer. Ik ben nu eenmaal geen sportmens: Ik doe enkel verwoede pogingen tot. Elke maand opnieuw. Omdat het moet. Behalve skiën en tennissen: dat vind ik wel leuk. Maar de regelmaat in de uitvoering van deze twee activiteiten is eveneens ver te zoeken. De rest van mijn beweging bestaat uit huishoudelijk werk, toetsenbordtoetsen indrukken, naar het koffiezetapparaat lopen (en weer terug), naar de auto lopen (en weer terug, soms zelfs met zware boodschappenkratten), gaspedaal c.q. rem intrappen, ver na middernacht naar mijn bed wankelen (en ’s ochtends helaas weer terug), en friemelen met mijn vingers. Daar ben ik echt goed in. Ik heb gelezen dat dat heel gezond kan zijn, dus laat mij rustig friemelen alstublieft.

Nummertje drie: “Gezonder eten, minder alcohol en véél meer water drinken”. Tja. Gezond eten doe ik eigenlijk al, maar bij mij wordt alles wat ik in mijn mond stop per definitie omgezet in een grotere buik-benen-billenomvang, of dat nou een komkommer is of een patatje kapsalon. Mijn lichaam zal in barre, voedselarme tijden (die op de één of andere manier nooit komen) nog jarenlang op de overvloedige reserves kunnen teren. Maar dat ‘meer water’ moet ik voor elkaar kunnen krijgen. Koffie is tenslotte ook water met een smaakje, toch?

En dan zijn er nog de geijkte dingen als “meer slapen en ontspannen” (ik doe mijn uiterste best om meer dan 5 uur slaap per nacht te krijgen maar het blijft een lastig dingetje), en “positiever in het leven staan” (gezeik. Ik vind mezelf positief zat voor deze verrotte wereld. Basta).

Ik vermoed dat ik dus tot de verdoemde groep pessirealisten behoor. Want: als ik me niks voorgenomen heb, is alles wat  me gedurende het komende jaar wél lukt, mooi meegenomen.

Ik doe enkel nog aan goede meenemens.

 

Navelprutputten en dwangdoorgangen

Woorden als deze ploppen te pas en te onpas in mijn hoofd omhoog als ik ’s nachts niet slapen kan. Ik mompel ze dan in mijn memo-recorder en de volgende ochtend moet ik gruwelijk mijn best doen om te ontcijferen wat ik ’s nachts in vredesnaam allemaal uitgekraamd heb.

Maar waarom borrelen juist deze non-woorden in mij op? En waarom in het holst van de nacht? Is er een diepere betekenis? En wat moet een mens met een navelprutput? Alle nog te oogsten navelpluis erin dumpen en wachten op de echo als het spulletje neerstort? En dan het werkelijk verontrustende: de spellingscontrole ziet navelprutput als een bestaand woord. Dwangdoorgangen kunnen daarentegen goedkeuring van de autocorrectie niet wegdragen. Blijkbaar toch fantasieloos, die spellingscontrole. Mijn hoofd absoluut niet:

——

… onderin de navelprutput is een dwangdoorgang. Eenmaal op de bodem van de put neergedwarreld ziet het – gemakshalve gepersonifieerde – navelpluisje een kleine opening. Een navelprutputbreuk? Waarschijnlijk de enige uitgang, wil het pluisje ooit het daglicht nog weer zien. De dwang om de doorgang te verkennen is enorm. Maar er komt geen licht doorheen, dat belooft niet veel goeds over wat er aan de andere zijde van de opening ligt. Dan ontdekt het navelpluisje de oorzaak van de afwezige rode buiklichtgloed. Een tot een dik hard balletje opgerold snotje heeft al eerder dezelfde poging gewaagd om de doorgang te bedwingen en zit nu hartstikke klem. 

Op de bodem van de navelprutput kijkt een wanhopig navelpluisje in de afwezige lodderogen van een in de dwangdoorgang klem geraakt snotballetje. Ze beginnen om ‘t hardst te huilen. Het snotballetje wordt week en floept door de opening terwijl het pluisje – drijvend op het snotpluishuilwateroppervlak – nu alle moeite moet doen om nog kopje-onder te gaan, om zo bij de navelprutputbreukdwangdoorgang te geraken. Zinloos. Voorgoed buiten pluisbereik…

Uit plots hervonden navelprutsolidariteit grijpkleeft het snotje zichzelf uit alle macht vast aan de rand van de ingang van de dwangdoorgang en snottert vol overgave door. Het huilwaterpeil stijgt. Het navelpluisje bereikt al opdrijvende de rand van de put en laat zich over de ronde welving naar beneden glijden, alwaar een venusheuveloerwoud van zwarte kroesharen het opvangt. De schaamluizen verwelkomen het navelpluisje met open luizenpoten. Je hoort ze denken: “Vetmesten, dat wanhopige navelprutpluisje. Onze stofluisfamilie onder het bed zal ons straks dankbaar zijn voor dit bijzondere fraaie feestmaal.”

——

Enfin. Snotpluishuilwateroppervlak schijnt óók een goed Nederlands woord te zijn.
Even mijn neus snuiten.

 

Vluchteling in de bus

Dochter (10) komt ’s middags met de schoolbus naar huis. Ze knalt de deur dicht, smijt haar tas in de hoek en roept meteen: “Mam! Weet je wat? Vandaag zat er een vluchteling in de bus! En IK zat naast hem!!”

Tja, dat kan gebeuren: nog geen vijfhonderd meter verderop is een net gerenoveerd hotel annex restaurant met nog veel vrije kamers en gastenappartementen in no time omgetoverd tot een opvanghuis annex AZC voor de vóór de Duitse grens gestrande vluchtelingen. Inmiddels zitten er een stuk of vijftig, waarvan circa tien kinderen bij dochter op school zitten. Ze wonen daar heel erg mooi, met een zwemmeertje [‘oh jee…’ dacht ik. (vergeef me)], een prachtig beekje [meer oh jee’s misschien?], een speelplaats met leuke wipwappen en bungeltoestellen en alle benodigde faciliteiten tot hun beschikking. Een persoonlijk initiatief van de hotelier met (financiële en psychische) ondersteuning van de lokale Diakonie. Zelfs een eigen bus is inmiddels geregeld om te voorkomen dat de oorlogsvluchtelingen ter plekke in een isolement raken; er rijdt daar [‘in deze negorij hier’ denk ik dan (vergeef me opnieuw)] immers geen ‘normale’ busdienst. En misschien worden het er binnenkort wel honderd, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niets van ze gemerkt [ja, ik hoor ’t u vragen: “móet dat dan?” Nee.]. Niets gezien; geen incidenten, geen bedreigde vrouwen, geen inbraken, geen vechtpartijen, geen iPhones, geen overlast, he-le-maal niets. Tot vandaag.

Dochter vertelt honderduit over haar ‘dispuutje’ met ‘de vluchteling in de bus’. Een jochie van een jaar of acht.
“We hebben van die enkele en dubbele zitplaatsen in de bus, maar hij ging dus op een dubbele zitten en ik ben gewoon maar eens naast hem gaan zitten want hij zag er best heel interessant uit.” Helemaal goed, schatje. Geen xenofobische trekjes in ieder geval.

Maar het geijkte obstakel doemde klaarblijkelijk al snel op: ’t jochie sprak geen woord Duits en dochter helaas geen Syrisch (of was het toch Ghanees?). Het mocht niet deren: als dochter wil communiceren, wordt er gecommuniceerd. Punt. Het jochie schoof wat op en trok vervolgens zijn voeten in kleermakerszit onder zich op het zitvlak de stoel.

“Ja, en dát, mam, DAT kon dus écht niet hè!! Hij had vreselijk gore schoenen aan, vol met modder! [‘van het rondploeteren in dat zwemmeertje??’ denk ik dan. (Vergeef mij nog maar eens een keer…)] En sowieso mag je in de bus niet met je vieze schoenen op de zitting. Dat mag thuis toch ook niet? Van Harry [=de buschauffeur] mag dat dus al helemáál niet niet! Maar die zag dat niet want die moest rijden en hij was aan het telefoneren en zijn sigaret aan het maken tegelijk, en…” Dochter kakelt aan één stuk door. Ik smeer een boterham, aanhoor haar en denk enkel: “Morgen eens even een woordje met die Harry wisselen over telefoons en sigaretjes-rollen tijdens het rijden.”

“…dus zeg ik tegen hem: ‘Hé jij, vluchtelingenjongetje! Dat mag niet van Harry, hoor!’ Nou, hij keek me toch een potje raar aan… Toen wist ik het: hij verstónd me helemaal niet! Dus deed ik mijn voeten óók heel even onder me op de stoel en toen wees ik ernaar, keek hem hartstikke boos aan en schudde heel hard m’n hoofd en wijsvinger voor z’n neus. Toen zette ik mijn voeten weer op de grond, wees ernaar en knikte lachend naar hem. Mét duim omhoog. En weet je wat, mam? MET DIE DUIM HIJ SNAPTE HET INEENS!!! Hij deed meteen z’n voeten omlaag. Hij keek me héél even weer zo raar vragend aan maar ik knikte blij, zo van ‘ja jochie, zo is ’t goed’. Toen lachte hij zelfs naar me! Lief hè? Ik vond ‘m echt heel aardig. En hij heeft hele mooie tanden! Maar weet je, als je een vluchteling gewoon zégt – nou ja, zoiets van zeggen dan hè, dat snap je wel – wat er hier allemaal niet mag, dan doen ze dat dus ook niet meer! Ze wéten het alleen niet, want bij hun thuis was dat anders. Dus je moet het ze zéggen! Én je duim omhoog doen. Tof hè?”

Afijn. Samenvatting niet nodig, lijkt me.

_______________________________________

WAARSCHUWING n.a.v. een posting van Tiny S. op FB: Wees voorzichtig met die duim!! Misinterpretatie is mogelijk 🙂 Tiny schrijft: “Een duim omhoog is een veilig positief gebaar, zolang je niet in Latijns-Amerika, West-Afrika, Griekenland, Rusland of in het Midden-Oosten bent. Daar betekent een duim omhoog ongeveer hetzelfde als een middelvinger hier. Volgende keer dus eerst even goed nadenken wie je op Facebook een ‘like’ met een duimpje omhoog geeft.” 

En een kleine aanvulling m.b.t. de context van dit blogje: Hier (dat is dus in Oostenrijk en dan vooral in het deel waar ik woon), zijn erg weinig (lees: praktisch geen) buitenlanders. Anders getinte mensen – ik weet niet hoe ik het anders kan/mag omschrijven -kom je hier nauwelijks tegen. Op de school met pak-em-beet 220 leerlingen zaten tot voor kort welgeteld 3 kinderen die niet Oostenrijks-katholiek zijn: een Jehova’s getuige, een Turks jongetje en een ‘ongelovige’ (=dochter). Een vluchteling is dus daadwerkelijk een exoot hier, en daarom ‘interessant’; men ként het (ze) gewoon niet. Misschien is dit ook de reden voor de grotendeels afwezige agressie tegen en/of allergie voor alles wat met vluchtelingen/asielzoekers te maken heeft. Dochter was in dit geheel enkel onbevangen, niet vooringenomen en open voor ‘nieuwe aapjes’ (zoals het op facebook genoemd werd). Dit blog is niet denigrerend bedoeld, het is enkel een anekdote in genoemde context.

Mijn zaad is op.

MinecraftIk lig in bed. Zondagochtend, veel te vroeg wakker door mijn eeuwig lawaaiige buren. Dit keer een heftig stampende bovenbuurvrouw. Zoon en dochter zitten al lang en breed in de woonkamer, TV aan. Klinkt als StarWars. Keuvelende kinderen, niks leukers om stiekem naar te luisteren.

“Tjeeeee, jij bent ook zo’n jonkie hè, toen jij in deze wereld kwam, was ik al zesentwintig.”
[Huh? Echnie. Je was nog net geen drie toen je zusje kwam. Zesentwintig, tssss…]
“Zal ik jóu eens wat vertellen over de andere wereld? Ik kan je er wel even naar toe helpen, hoor.”
[Hola, wat zijn we van plan? Mijn ogen worden groter. Even naar de andere wereld helpen, da’s toch geen typische zondagochtendactiviteit…]
“Rot op, ik kan het echt wel alleen in dit leven.”
[Dat is nog eens een statement. Go for it, girl.]
“Als jij zo oud en zo ver bent als ik, moet je met heel andere bazen vechten. Jouw bazen zijn watjes. Je koopt ze zo. Met boter.”
“Mijn baas is toevallig Het Einde. En hij heeft een coole draak.”
[Oh, wacht eens…]

“Zo maar eens even met de dorpelingen onderhandelen. Ik heb nog een paar diamanten over.”
“Emeralds doen het veel beter, hoor.”
“Je moet naar andere dimensies gaan. Dán kom je pas echt verder. Veel meer boter daar, ook.”
“Ja, maar sommige dimensies zijn de hel…”

“Hey, ik heb nieuwe wapens gemaakt, kijk. Met mijn dolk kun je ook nog eens supersnel oogsten. En in no time vet killen.”
“Jemig joh, je moet het echt langer volhouden, hoor!! Langer! Blijven steken! Nog langer! Ja!! Jaaa!!!!”
“Nou, ik heb mijn schuilhut toevallig wel mooi af. Nog even een bed bouwen en dan ben ik weer veilig. Je mag wel in mijn bed straks. Zijn we eigenlijk alweer verbonden?”
“Jij met je hutten en je grotten. Ik heb een gigamegakasteel gebouwd, kijk dan!?!”

“Mijn hongerrepen zijn op. Heb jij nog wat te kanen? Ruilen?”
“Als je nou eens een boerderij begint, heb je zat te vreten voor de rest van je leven.”
“Hmmm. Heb jij dan nog wat zaad voor mij?”
“Nee, mijn zaad is hartstikke op. Ik ga hout hakken.”

Ah… Aha.
Minecraft, de digitale legoversie.
Even verlang ik terug naar de 1.0-blokkendozentijd.
Toen kon je nog gewoon horen hoe ze elkaars kastelen omver trapten.

Drei Schweinshaxen, bitte!

Ik ben net even naar het winkeltje hier op de boerderij geweest. Elke donderdag verkopen ze ‘Ab Hof’ alles wat ze zelf van hun (bio)varkens, die in de stal 50 meter verderop rondwroeten, kunnen vervaardigen. Geen onderdeel van het varken gaat verloren, alles belandt in de winkel. Zelfs meerdere soorten verse, witte kaas, maar ik vermoed daar toch enige fraude m.b.t. de dierlijke oorsprong van de melk.

Het is een waar griezelkSchweinzeugsabinet. De varkenstongen hijgen nog na in de vitrine. De Sauschädel (gevulde varkenskoppen) grijnzen je aan, de gehakte Schweinshirne zijn zorgvuldig in een stuk darm geperst. Maar voor de algehele culturele ontwikkeling en lokale integratie is zo’n bezoekje wel goed. Ik leer er een hoop nieuwe woorden zoals ‘Blunzen’ (=bloedworst), ‘Kaspressknödel’ (soort van platgedrukt allegaartje van (oud) brood, kruiden, kaas en ik vermoed varkensvet), ‘Stelzn’ (gegrilde varkenspoten) en ‘Beuschl’ (lijkt op gemalen goulash maar dan van varkenslongen en ander orgaanvlees).

Toegegeven, een aantal van de lokale vleesbegrippen – Grammelknödel, Bauchspeck (inclusief het obligatoire gevolg: de Speckbauch), Knacker, Fleischlaberl, Geselchtes, Schmalz en Surbratl – kende ik inmiddels al. Maar toch sta ik elke keer opnieuw met volle verbazing te kijken naar die oude, gebochelde oervrouwtjes met gebloemde schort en rieten mandje aan de arm. Ze staan tot ver buiten de deur in de rij voor deze varkensspecialist en laten hun mandje glunderend vol stouwen met Schweinshaxe en co. Voor hen is het een delicatessenwinkel. Voor mij eerder een bezienswaardigheid. Ik ga maar voor de verse knoflookkaas. Van het zwijn.

Worm

Ken je dat? Dat je jezelf het liefst op wilt delen?

Een schouderpartij voor de nodige steun hier, een torso voor het zware werk daar, één bil voor in bed, een hersenhelft voor het nodige denkwerk, een stukje staart voor de huishouding en met de rest van je hoofd totáál ergens anders.

Zoiets.

Maar helaas. De mens is en blijft een centralistisch wezen. Een ondeelbare bovenkamer van waaruit de boel in het gunstigste geval nog een beetje gedelegeerd wordt.

Was ik maar wat decentraler georganiseerd.
Met de mindset van een regenworm.
Of een axolotl.

Getwijfeld over België

Luisterend naar het Goede Doel vraag ik me ernstig af, hoe een mens daadwerkelijk kan twijfelen over België. BelgIk vind Belgen leuk hoor, begrijp me niet verkeerd. Maar een land, dat het voor elkaar krijgt om ondanks het feit, dat de hele incestueuze EU in het eigenste eigen Brussel rond en in elkaar schijnt te kruipen, nog steeds zo onbetekenend kan zijn, zo’n land fascineert mij. Misschien ligt daarin dan ook wel weer de charme. Al een kwart eeuw (of langer?) kunstig balancerend op het randje van faillissement, een volledig gespleten persoonlijkheid die zich weerspiegelt in ziekelijk vlaams- cq. wallonisch patriotisme, lekkere patatten producerend, bewonderenswaardig corrupt (daar kan men nog iets van leren: mocht je daadwerkelijke een tweede witrood nummerbordje op je wagen willen – aan de voorkant bijvoorbeeld -, tel je gewoon een paar extra flappen neer), volledig vervallen tot mysterieuze, Transsylvaans aandoende ruïnes rond een paar bergen die wildwaterkanovaren, canyoning en survivallen als opperste attractie bieden, een zeikend manneke als landelijk symbool en voorzien van een flink stel stalen ballen. Ja, dat lijkt me wel wat. Ik ga toch nog eens even ernstig twijfelen over België. Oostenrijk is me te bieder gebleken.

Zouden ze in België ook een Samsungaccountsynchronisatieservice hebben?

Uitgebrand?

Vandaag zag ik er weer één.  En vorige week woensdag ook. Net als al zovele keren daarvoor. Een zogenaamd uitgeblust, opgebrand persoon. Iemand met een burn-out. Ik heb al meerdere keren gedacht dat ik zelf zoiets als een burn-out zou kunnen hebben, maar ik heb inmiddels sterk het vermoeden dat ik dat niet kan, dat opgebrand raken. Depressief worden kan ik wel degelijk (heel goed zelfs, maar dat is ook weer zoiets wat je éigenlijk niet hardop mag zeggen hè…) maar volledig en totaal uitgeblust raken, schijnt mij een onmogelijkheid. Ligt misschien aan de mate waarin het brein in staat is, zichzelf te amuseren, te bedotten en te verwarren… Het mijne kan dat in ieder geval verschrikkelijk goed. Maar waarom zijn er dan tegenwoordig zó veel mensen die zomaar ineens niet meer verder kunnen? Geen stap meer? Bij wie de accu leeg is, de energie verbruikt, de vlam uit? Waarom is die ingebouwde oplaadbare batterij ineens totaal lamgelegd, rijp voor het afvalstoffencentrum? En waar haal je dan in hemelsnaam een nieuwe?

Geen idee. Ik denk persoonlijk wel dat burn-out-patiënten eigenlijk de geijkte slachtoffers van onze van het padje geraakte maatschappij zijn. Iedereen wordt onderhand voor het overgrote deel van zijn of haar leven gecontroleerd, gestuurd en beheerd. Passief vegeteren omwille van het bestaan versus actief de dingen (be)leven die men ook werkelijk beleven wíl. Zo gezien zijn mensen met een burn-out eigenlijk de voorboden van de uiteindelijk onvermijdbare systeemcrash zelf. Een systeem waarin steeds meer mensen een baan met een extreem intensieve en vooral heel ver reikende sociale omgeving hebben. De werktechnische sociale invloeden komen nu van veel verder weg, in veel grotere getale en zijn in veel intensievere mate aanwezig dan ooit het geval was. Tegenwoordig wordt de samenleving vooral gedomineerd door de prestaties van sterk narcistische individuen die enkel nog hun eigen ikje dwangmatig celebreren. Het gemeenschapsgevoel ontbreekt, overal wordt tegenaan geschopt, niets is meer goed, niet eens meer goed genoeg. En dat zowel op maatschappelijk macro-niveau als in de directe sociale micro-omgeving. Men loopt maar door in zijn of haar eigen verchroomde tredmolentje. En ook al heeft dat gepolijste looprad dan alle nodige blingbling en luxe, het blijft een tredmolen en je moet doorhollen, of je nu wilt of niet.

De vraag is: hoe breek je uit? Ik heb een gloeiende pesthekel aan dat boek van Elizabeth George (na drie pogingen heb ik ’t aan de kant gesmeten, geen doorkomen aan) maar in die titel, “Eat, pray, love”, daar zit wel wat in. Eten moet je en daarvoor moet je dus werken (als je in het gelukkige bezit van een baan bent tenminste). Hoe je het ook draait of keert, er moet op de één of andere manier geld binnenkomen. Is nu eenmaal zo en de ruilhandel is helaas al uitgestorven. Maar de tijd die je met werken doorbrengt, zou eigenlijk ook zinvolle tijd moeten zijn en geen moeizame kwelling. Geen zich erdoorheen moeten slepen tot het volgende weekend. Die luxe heeft niet iedereen: werk is werk per slot van rekening; je mag blij zijn als je een baan hebt. Daarom moet er in de eerste plaats tijd náást het werk vrij geschoffeld worden én die tijd zou dan volgens de experts vooral benut moeten worden om na te denken over zichzelf, de wereld en het grote ‘waarom’. Het ‘Pray’, zeg maar.  Vroeger werden vragen hieromtrent vooral door de verschillende religies beantwoord maar vandaag de dag is de relevantie van het geloof an sich bij veel mensen al lang en breed weggevaagd.  Zoals vroeger de religie voorschreef wat en vooral hoe te denken en wat de zin van het leven was, zo moet en wil men dat nu lekker fijn zelf invullen. En dat is niet makkelijk, levenszin vinden zonder voorgekauwde kerkse lariekoek (zo zie ik ‘t, ieder zijn mening). Daar komt dan ook meteen de ‘love’ om de hoek koekeloeren. Op z’n positiviteitsgoeriaans gezegd: “Liefde, in de vorm van het vermogen om de relevante dingen in het hier en nu zowel bij anderen als bij zichzelf aan te voelen, op te merken én te waarderen en in de vorm van de capaciteit om niet langer simpel voorbij te gaan aan wat is, te laten rusten wat was en uit te kijken naar wat nog kan komen.” En juist dát schijnt heden ten dage steeds opnieuw geleerd te moeten worden…

No love, no life.
’t Is net muziek.

En daarom haat ik positiviteitsgoeroes.
Want hemeltjelief, wás het maar zo eenvoudig.
Gooi die blonde manen in de wind en doe voorrrrrallll wat je moet doen.
En de rest niet. En zo.
Waarom moet ik nu in vredesnaam ineens aan Adam Curry denken…
Sorry Adam.

Schudtaart

Gisteren had ik een vergadering. Een vergaderingsgenote sprak na afloop lyrisch over een zogenaamde schudtaart. En wie ben ik om dat niet gelijk de volgende dag uit te proberen? Juist, diegene ben ik! Bij deze een fotoverslagje (recept inbegrepen):

Schudtaart1Schudtaart2Schudtaart3

De TupTupclub

Ik durf het bijna niet te zeggen maar ik heb een Tupperware-verleden. Het is ook echt een verleden: het was nooit wat en nu is het al jaren helemaal niks meer. Hier in Oostenrijk zijn allerhande ‘party’s’ heel populair. Je hebt Partylight-party’s (met kaarsen en andere decopruttel), Reinzeit-party’s (allerhande überfantastisch schoonmaakmateriaal en ook etherische oliën), Gonis-party’s (knutsel-/teken-/verfmaterialen), DildoFee-party’s (zegt genoeg), Wenatex-party’s (orthopedische bedsystemen en matrassen) en natuurlijk ook de – volgens mij – oudste in de partycategorie: Tupperware-party’s. Er zijn wel meer verkooppartyvarianten maar op bovengenoemde party’s ben ik allemaal al wel eens geweest. Ik muts. Maar ik moet toegeven: afgezien van het verkoopgedoetje is het best wel leuk. ’t Is net als bij skiën: je gaat stiekem éigenlijk toch gewoon voor het après 😛

Ooit heb ik me echter toch op de één of andere dubieuze manier laten strikken door een vriendin die ook tupperware-hostess was. Het was zooooo goed te combineren met kleine kinderen, het verdiende super (en ik wou wel wat bijverdienen want mijn eigen zaak werpt in plaats van sappige vruchten over het algemeen hier en daar een droge beukennoot af…) Ik kwam in haar hostessengroepje, ging mee naar een aantal verplichte T-bijeenkomsten en ik kan niet anders zeggen dan: wát een idioterie. Een klein beetje sekte-achtig, een zaal met werkelijk óveral het tupperware-logo, kunststof en een stuk of honderdvijftig dames (geen heren… goh, hoe zou dat nou komen) die elkaar op regelmatige tijdstippen toejuichen en strijden om de hoogste groepsomzet. De winnende groep krijgt vervolgens een bups stickertjes (en balpennen… what the…) en bij een x aantal stickers krijgen ze dan een vaag kadootje (nog meer balpennen). Ik moest gelijk aan mijn smiley-systeem voor de kinderen denken. Wat een happiness en wat een groepsgevoel. Alleen voelde ik dat helaas niet zo heel erg (of eigenlijk helemaal niet). Het was me toen al duidelijk dat ik niet geschikt ben voor een T-carrière. Ik naam mijn werkelijk enorme T-tas volgestouwd met T-pruttel met enige schroom in ontvangst,  propte er pro forma een stapel catalogi en bestelformuliertjes in, smeet alles in de kofferbak en scheurde hard weg. En dat was het einde van mijn T-loopbaan want een echte party hosten heb ik uiteindelijk nooit gedaan. Die drie keer dat dat moest (om nog meer T-waar in de wacht te slepen), heeft vriendin dat gedaan en stond ik als hostess op het papiertje. Dat was echt lief van haar, maar natuurlijk kreeg zij daardoor ook een fonkelnagelnieuwe T-auto onder haar achterste geschoven waarmee ze van party naar party mocht tuffen. Ik moet wel toegeven dat de tupperware-artikelen zelf écht hartstikke goed en duurzaam zijn. Maar ze zijn ook reteduur (en ik ken de marges…) en het is en blijft – hoe je het ook draait of keert – kunststof, niet bepaald mijn favoriete materiaal op deze aarde. Maar wel mooi en onkapotbaar kunststof. Dat wel.

En nu, nu gaf mijn buurvrouw dus zomaar ineens een T(ea)-party. Nadat ik het twee jaar succesvol uit mijn leven heb weten te weren, was de T ineens back. Buuf had, wetende van mijn licht tot matige T-allergie, in de SMS-uitnodiging van midden december heel geheimzinnig “verrassingsparty” geschreven dus ik hoopte lange tijd op een lingerie-party (die heb je ook en daar was ik nou nog nooit, lijkt me best geinig en de lingerie die ze dan verkopen is werkelijk waar om je vingers bij af te likken) of nog beter: een dildo-party (da’s sowieso altijd lachen-gieren-brullen), maar woensdag ervoer ik dus wat me echt te wachten stond. Weigeren kon ik niet want buurvrouw was ook op alle party’s die ik ooit in een vlaag van verstandsverbijstering gehouden had (welgeteld vier: twee keer Tupperware, één keer Gonis, één keer Partylight). Dan bak je een taart, zet je thee, koffie, wijn, sekt en een bak chips op tafel en dan komt de desbetreffende hostess jou en je medeslachtoffers vertellen wat je voorrrralllll allemaal moet kopen omdat het nu zo gewéldig in de aanbieding is.  Dat duurt een uurtje of anderhalf, moet je even doorheen. De rest van de avond is dan wel leuk.

Gisteren viel het echter heel erg mee. Het meeste van de T-waar heb ik al lang (tja…), ik heb wat vervangende onderdelen (je verliest wel ‘ns wat hè, en ik vrees dat de meeste missende onderdelen ergens in de biobak beland zijn :-S ) weten te ritselen, en gezien het feit dat ik geen alcohol meer gewend ben, kwamen de twee glazen rode wijn behoorlijk goed aan en vond ik alles best. Ik heb het bestelformuliertje natuurlijk nog hier thuis liggen, ter plekke bestellen is nooit een goed idee. De dame pakte na haar verhaaltje haar roze mega-T-tas op rolletjes weer in en kletste vervolgens gezellig mee in onze ronde van acht. Ze deed nog een magere poging om mij terug te winnen voor het T-bootcamp maar die dagen zijn vervlogen nadat ze er nooit geweest waren.

Ik heb genoeg duur(zaam) Tupperspul. Mijn kinderen hebben straks in ieder geval een leuke, onbreekbare erfenis.

Tupper

Sorry

… maar vandaag wordt ’t hem ook niet.

De kat is teruggekeerd (zat waarschijnlijk ergens in een muffe garage vast totdat de bezitter het ding vandaag tegen de middag weer open deed), alle laptops doen wat ze moeten doen, zoon leert Engels, het familiebezoek was best gezellig en kort genoeg, de peperdure coffeïne-shampoo die ik heb gekocht, doet daadwerkelijk wonderen (die zich in de vorm van een geëxplodeerd kapsel manifesteren), het is nog steeds mistig en miezerig buiten,  the time of the month has passed on once more. Dus. Nog steeds heen ene lol te beleven aan mij en ik voel me dan ook echt intens en verschrikkelijk saai.

Gisteren zei ik vol goede moed: “tot morgen”.
Dat zeg ik vandaag dan maar gewoon opnieuw.

Tot morgen.
Of overmorgen…

 

(en natuurlijk moest het GEEN ene lol zijn, maar goed, die ene lol is ook henen…)

De ondraaglijke leegte van het schrijven

Ik snap het niet. Ik zit hier al minstens een uur naar een leeg en wit wp-blok te koekeloeren. Kijk met een half oog naar een gruwelijke middeleeuwse film, kopieer de 36GB aan foto’s van mijn moeder van hot naar her (eerst vanuit de voor de ene computer niet leesbare image op de externe harde schijf naar mijn eigen computer die ze wel kan lezen – yeah man – en van de mijne als normale jpeg’s terug naar de externe harde schijf zodat ik ze op andere laptop, waar ze eigenlijk heen moeten, op kan slaan. Een proces wat ettelijke uren in beslag neemt), maak thee, lurk op facebook, whatsapp wat in het rond, zie Buzz Aldrin op TV offliften, bedenk me dat ik de was er nog uit moet halen, drink nog maar een kop thee. Maar schrijven lukt niet. Niet zoals ik het wil.

Er is zoveel gebeurd de afgelopen weken… Dingen die lange tijd een gegeven waren, zijn ineens niet meer. Weggevaagd. Dingen waarvan ik wist dat ze 2013 niet meer goed zouden komen, gaan in 2014 met volle zekerheid de fase van de positiviteit in. Alles komt tóch nog goed. Dingen die ik al lang verloren gegaan achtte, blijken ineens nog aanwezig te zijn. Floep, daar zijn ze. En dan staat het woord ‘Dingen’ voor veel meer dan enkel ‘dingen’. Het meeste ervan is sowieso niet tastbaar.

Buzz is alweer terug van zijn maantripje. Voor de zoveelste keer. Mijn galstenen zijn inmiddels ook klaar met hun potje Yahtzee. Sinds nieuwjaarsdag vonden ze het blijkbaar nodig om mij eens even te laten voelen hoe dat dobbelen écht moet. En dat voelde niet fijn, kan ik u verzekeren. Als ze nog een keer zo’n bui hebben, gaan ze d’r uit. Kunnen ze in een potje verder vegeteren. En ik, ik zit op de bank en denk na. Op mijn eigen chaotische wijze. Morgen is de laatste dag van de kerstvakantie. Ja echt, 6 januari is een feestdag hier hè. Die drie koningen moeten nog even voorbij hobbelen.

Maar het schrijven zelf wil nog steeds niet. Ik mis mijn humeurigheid. Het ontbreekt mij aan stemmingswisselingen. En aan de ‘highs’ die mij deden borrelen. Aan de diepe dalen die me met tranen in de ogen emotionele woorden lieten produceren. Aan de vlakheid die me liet ratelen over de meest onzinnige dingen.  Ik ben te zen… En dat zelfs ondanks het feit dat het weer zo’n geweldige tijd-van-de-maand is. Hoe is het mogelijk… Kan dit überhaupt? Man bemerkte het ook al. Toen ik hem mededeelde dat hij alle denkbare bedactiviteiten behalve slapen momenteel kon vergeten vanwege dattem, zei hij enkel: “Dat kan niet. Je bent helemaal niet explosief geïrriteerd…”. Nee, inderdaad. Maar alles is ‘gewoon oké’. Behalve dan dat er weer eens een kat van ons de hort op is en maar niet thuis wil komen, maar dat is nou ook niet de meest interessante lectuur voor de gemiddelde bloglezer.

Zogauw ik weer instabieler, emotioneler, geflipter of liefdesgestoorder raak, meld ik me weer.
Tot morgen.
Of overmorgen…

glibberzen

Vandaan heb ik iets gedaan wat ik veel te zelden doe. Ik heb mezelf verwend én uitgebreid laten verwennen. En het was heeeeeerlijk.

Nee. Niet op de manier waaraan u nu denkt. Nee, nee, echt niet. Of misschien ook wel.

glibberzen2glibberzen1

Om kwart over zeven had ik de hele familiekudde de deur uit gewerkt, zoals gebruikelijk op een doordeweekse dag. Met een kopje koffie in mijn badjas – echt koud was ’t namelijk niet – naar buiten gehobbeld om naar de optrekkende mist en de opgaande zon te kijken. Wat schetst mijn verbazing: een prachtige regenboog. Om half acht ’s ochtends!! Wat foto’s gemaakt van al dat moois en toen maar ‘ns aangekleed. Want ik had een afspraak op ’t lichamelijke vlak 🙂

glibberzen3

Kort voor negenen loop ik met een grote tas de deur uit en rij naar ‘de grote stad’. Eerst een koffie en een bagel in het cafeetje naast het zwembad, in alle rust. Als ik de hal binnenkom, merk ik dat ik veel te vroeg ben: het zwembad gaat niet om negen maar om tien uur open. Fijn dan. Ik ga op de trap zitten en kijk wat rond op facebook (en lees dingen die ik al driekwart jaar geleden had moeten lezen, maar tja, doe alles ‘ns gelijk goed hè) terwijl de horde bejaarden me achterdochtig aankijkt. Ik behoor duidelijk niet tot de standaard zwemklandizie op dit tijdstip. Kan mij ’t bommen. Zwemmen is ook goed voor míj. Toevallig. Ik heb óók krakkemikkige botten. Toevallig.

Eenmaal in ’t water begint het gevecht met de rugzwemmende, nietsziende én nietsontziende ouwe knakkers en knakkerinnen pas echt. Ik zet mijn brilletje op en zwem zonodig onder de meute door. Aangezien ik geen schoolslag kan (vanwege mijn knie, zijwaartse bewegingen zijn klote) crawl ik alleen en dat vindt men ‘not done’ want dat spattert te veel. Je hoort ze denken: “die racende veertigers van tegenwoordig…”. Na vijftien baantjes en de ‘verplichte’ beenworkout verlaat ik hun element en droog me af. Want nu komt het relaxgedeelte: een algehele lichaamsmassage. De helft ervan heb ik vorige kerst van man kado gekregen als tegoedbon en in december is die bon niet meer geldig (ik wist niet dat dat nog mocht tegenwoordig, tegoedbonnen met maar een jaar geldigheid…) dus moest het er een keer van komen. En wel nu.

Ik ben geen mens voor professionele lichaamsfriemelarij (wel voor iedere andere friemelarij trouwens). Ik ben wel eens een keer of twee naar een schoonheidsspecialiste geweest. Eén keer naar de pedicure (nooooit weer, vreselijk). Manicure enkel eens door een vriend laten doen (vind ik ook niks). Massage was tot nog toe altijd doelgericht: vanwege gruwelijke rugpijn of lymfedrainage voor mijn knie. Een totale lichaamsmassage heb ik één keer eerder gehad en dat was in een fase waar ik heel goed (en slank) in mijn vel zat. Nu is dat – op zijn zachtst gezegd – een béétje anders. De redelijk streng ogende massagemadam begint. Ik kijk door het gaatje in de massagebank naar de vloer en denk enkel “oh jee, wat gaat ze doen, wat denkt ze wel niet…” Ik doe mijn ogen maar dicht, de vloer is toch niet mooi. Hawaï-klanken op de achtergrond, aloha-gewauwel, zeegeruis en hoela-hoela moeten blijkbaar voor strand- en vakantiegevoel zorgen. Eerst de rug. Prima. Maar blijkbaar ben ik zo verkrampt dat het meeste best pijnlijk is. Ze werkt langzaam naar beneden (yikes) en mijn benen worden bewerkt. En ik maal aan één stuk door…
“Niet in DIE vetjes knijpen! En in die daar óók niet!!”
“Shit, had ik nou mijn benen nog maar even geschoren…”
“Argh, mijn teennagellak is nog maar voor een derde aanwezig. Zou ze het zien?”
“Mens relax, dit doet ze tig keer per dag, die zíet jouw eelt- en andere bulten niet eens!”
“Ojeeojeee… mijn ellebogen zijn net de Rocky Mountains…”
“Hier moet ik straks echt wel even over bloggen.”
“Niet te hard drukken daar, pleazzzzeeee…”
“Ohw… ah nee hè… daar, ja precíes daar -auw- heb ik een opengekrabt plekje…”
“Blij dat ik net uit het zwembad kom, ben ik in ieder geval schoon.”
“Nou. Daar lig je dan, gekneed te worden…”
“Zou ze mijn borsten ook masseren??” [nee, deed ze niet, pfiewwww]
En in gedachten heb ik dit halve blog ook al lang geschreven.

Maar heel langzaam lukt het. Ik begin te ontspannen. Relaxxxx, woman… Eigenlijk is het best wel heel erg fijn. Ja. Heel erg. En ineens is het vijfenvijftig minuten later. Ze fluistert: “Dankeschön…” Euh… ja… graag gedaan maar moest ik dat eigenlijk niet tegen haar verzuchten?

Ik kleed me aan, bedank en betaal. En ik mompel dat dit wel heel erg aangenaam was en dat ik dit zeker vaker ga (laten) doen. “Ja”, zegt ze, “dat zou ik ook doen als ik u was, want er zit me daar toch een partij stress, kramp en spanning die nog dringend weggewerkt moet worden…” Gohhh, dat had ik nou nóóit gedacht, hè 😛

Op de weg naar huis glibber ik heen en weer in de auto. Mijn handen glibberen over het stuur, mijn billen glibberen in mijn slip, mijn voeten glibberen in mijn laarzen over ’t gaspedaal. Best lastig rijden zo. Maar ik, ik ben nu in ieder geval even hélemaal glibberzen. Gaan we vaker doen.

 

LY2?

Most of the people LiefI love
they love you.
Now should I be
envious? Or
should I complain?
Should I feel worried
that we are the same?
No I should not, cause
if they love you,
the only sensible thing
that I could ever do
is to see that you’re good
and do as they do.
Which means that I
simply will love you,
too.

.

© Lou

Two-face

Twee gezichten heb ik. Twee kanten. Letterlijk. Om van het aantal persoonlijkheden nu maar eens even niet te spreken. Ik beken: ik zal nooitneverniet zonder make-up de straat op gaan. Net zomin als ik naakt de deur uit zou lopen. Zonder make-up ben ik voor mijn gevoel namelijk ook nakend.

Ik zie best vaak mensen waarvan ik denk: “slechts een héél klein beetje oogschaduw hier en een likje mascara daar en je zou er een ander mens door worden.” Maar zo mag ik niet denken, want iedereen is van nature mooi. Gewoon mens én gewoon goed, zonder hulpmiddelen. Maar dan nog: je let toch ook op wat je aan hebt? Een beetje leuke kleding, een verzorgd uiterlijk, een enigszins bij je passend kapsel? Dan mag dat beetje make-up er ook best bij. Oké, de vergelijking gaat niet helemaal op want ik wandel rustig in een ouwe joggingbroek en met crocs aan mijn voeten (ja die dingesen) bij de buurvrouw naar binnen. Maar zonder make-up zou ik daar dus écht niet eens aan dénken.

Ik zie er namelijk slaperig uit zonder make-up. Heel. Erg. Slaperig. Niet meteen foeilelijk (neem ik aan), maar wel anders. Extreem basic. Vlak. Toen ik net 13 was, metamorfoseerde ik mezelf. Ik ontdekte de oogschaduw. Eerst het geijkte blauw met roze, soms groen met geel en meer van die afzichtelijke foute kleuren. Maar ze pasten niet bij mij en de boel werd al snel donkerder. Heel donker. Zwart zeg maar. Tegelijkertijd fabriceerde ik mijn punk- en  tina-turnerlook (maar da’s weer een ander blog: wilde haren…). Loesje werd ineens een ander mens. Bij mijn eerste vriendjes maakte ik me zelfs grote zorgen over het feit dat ze me ooit zonder make-up of getoupeerd haar zouden gaan zien. Want ohw-my-gawdddd, dat zou een regelrechte ramp zijn. Hoe moest dat dan later, als we samen zouden wonen??? Dan moest ik in vredesnaam maar met schmink op m’n falie slapen…

Het is toch nog goed gekomen. Ik durf nu wel afgeschminkt naast m’n man in bed te stappen. Ik durf zelfs zonder te ontbijten :-D. Als ik zestig ben, durf ik vast ook wel een stap buiten de deur te doen zonder extra opgedirkte ogen. Ik ben weliswaar geen lippenstiftmens (hou ik ab-so-luut niet van, van die smeerprut op mijn lippen, ook niet van lipgloss of labello. Gelukkig ben ik gezegend met een paar redelijk rode, volle lippen dus die laat ik maar zoals ze me gegeven zijn) en mijn gezicht blijft doorgaans ook redelijk ‘natural’ (geen geplamuurde kunstwerken op mijn wangen, no thanks). Maar mijn ogen, die maak ik sprekender. Altijd. Vanochtend heb ik eens een projectje gedaan. Ik heb één kant van mijn gezicht opgemaakt en de andere in mijn slaperige ochtendlook gelaten. Ik post de foto hier, maar u moet weten dat dit echt een coming-out voor mij is, eigenlijk zelfs een verschrikking. Een foto van mij, als two-face. Een foto out in the open, online, met één alledaagse, sprekende kant en één volledig ongecorrigeerde, blanco kant.

U mag slechts één keer raden welke kant dat is 😛

Twoface1a

Begrijpt u nu waarom?

the other day

zo relaxed als gisteren en eergisteren waren, zo hectisch was vandaag.
De eerste schooldag na die oversized zomervakantie.
5 am. Man en ik schrikken wakker. De wind is een storm geworden en laat onze tuinstoelen, rolluiken en nog uitgerolde zonweringen letterlijk donderen. We rennen wat in het rond, maken alles z.g.a. stormveilig en vallen nog voor een half uurtje terug in bed. Tien voor zes ben ik klaarwakker en ga er dan toch maar uit, dit wordt niks meer. Even wat in mijn ochtend-uppie aanklooien (en een ongestoorde toiletgang, ik kan er écht niet tegen als er ‘s-ochtends al door twee behoeftige kinderen aan mijn toiletdeur lopen te rukken omdat ze ook moeten maar te lui zijn om beneden te gaan. Me-time on the toilet dus). Om half zeven maak ik de kinderen wakker. Bam, licht aan. Hard maar effectief. Ik jodel “EEEHEEEEERSTE SCHOOOOOOLDAAAAAG!!!” door het huis (in ’t duits dan, hè, dat werkt beter). Aankleden, ontbijten, zenuwen sussen, tanden poetsen.

10 over 7 schuif ik dochter de deur uit, die moet met de buurvrouw meerijden want ik moet zoon voor zijn allereerste dag op een middelbare school wegbrengen en daar wordt verwacht, dat minstens één ouder aanwezig is. Aangezien man zelf leraar is en óók in alle vroegte op zijn school aanwezig moest zijn, ging ’t effe niet anders. Sorry dochter. Forgive me. Bij de school van zoon is het een drukte van jewelste, geen parkeerplaats in een straal van een kilometer ofzo. Ik gooi zoon er voor de deur uit en rij in ’t rond tot de eerstvolgende parkeermogelijkheid op een onverharde parkeerplaats. Daar mág ik dus eigenlijk niet rijden want mijn auto is weer eens kapoet: de Getriebemanschetten (weet ik veel hoe die dingen in het nederlands heten) zijn gescheurd waardoor er steentjes in kunnen komen en dat zou dan de hele schakelbak ruïneren. Volgens man. Ik moest dan ook plechtig beloven om niet over steentjes en gruis te rijden. Ahum. Goed. OK schat :-/

Met m’n manke poot hobbel ik zo snel ik kan naar school. De kinderen worden afgeroepen. Gelukkig zit zoon in 1D en werden er voor hem nog 94 andere kinderen afgeroepen dus ik was op tijd. Allemaal mee de klas in. Alle instructies (bustrajectkaartaanvraag, brief voor vrijstelling godsdienstles en meer van dat soort ongein) voor de ouders aanhoren en deels opschrijven. Dan zijn we bevrijd. Ik besluit de auto maar te laten staan (zo min mogelijk rijden…) en te voet even naar de apotheek en de drogist te lopen voor wat noodzakelijke dingen. Best wel auw. Half tien kind weer ophalen. Ja, half tien. Toen was het alweer klaar voor vandaag.

huiswerk1Naar huis. Dochter komt gelukkig weer met buurvrouw mee. Even wat te drinken maken en natuurlijk ook praten over school. Ze hebben allebei een huiswerkopgaven dus hoppakee, gelijk aan het werk. Dochter moet in twee zinnen opschrijven wat ze het leukst vond in de vakantie en dat er dan bijtekenen. Zoon moet op drie papiertjes opschrijven waarover hij zich verheugt, waar hij bang voor is en wat hij zich voorneemt. Ze smeren wat af met hun hanepoten maar uiteindelijk wordt het nog wat. Vooral dochter blijkt heel ‘efficiënt’, met haar tekeningen van twee vlaggen… Ik werk ondertussen aan documenten voor vanavond (vergadering).huiswerk2

Eten koken (want vanavond geen tijd voor). Vissticks (ja sorry hoor), aardappelen en groente. Basic. Opruimen. Belsessies (scouting, judovereniging, busbedrijf over bustijden en overstappen voor zoons thuisreis in de gevallen dat hij niet fietst, sportvereniging, manege) en een korte koffiesessie met de buurvrouw om alles wat ik van de lagere school (dochter) heb gemist en nog moet weten door te spreken. Notulen voor vanavond voorbereiden en ook de lijsten voor de voorturners. Formulierenlayouts afmaken. Lijst met namen voetbalkinderen updaten. Enzovoort. Oh en de was tussendoor. Dat ook. Meer bellen. Kwart over vier: ballen, sporttas en andere pruttel in de auto en op naar het voetbalveld: F-jes training. Collega-trainster (degene die de trainings samenstelt) blijkt in een vergadering vast te zitten dus ik doe met andere medetrainster het uur op de bonnevooi. We doen maar wat en dat blijkt goed genoeg. De kleintjes zijn happy. Om half zeven drop ik de ballenzak in het materiaalhok en loop weer naar boven. Half uurtje pauze, ik kijk naar de wedstrijden van de wat ‘hogere’ koters (8-jarigen) op het veld en klets met een andere moeder van school. Zeven uur, vergadering van de turnsectie  van de sportvereniging. Veel te doen (ik doe de hele ledenadministratie, de financiële rompslomp en documentensantemekraam, en dus ook snel, snel even de notulen). Om half negen zijn we er wel klaar mee en rij ik naar huis. Kinderen nog even goeienacht zeggen. Kop koffie en een gebakken spiegelei (berehonger, sinds vanmiddag niet gegeten). Laptop aan. Lijsten aanpassen. De was uit de wasmachine in de droger. Notulen uitwerken. Begin maken met de maandafsluiting van de zaak.

Nu nog even de was uit de droger opvouwen.
Dan, na achttien uur doordouwen, eindelijk weer slapen.
En…. u verwacht het niet, hè, maar morgen wéér zo’n dag!!
Yiiiihaaaaaa!! 😀

Koeientreinen

Gisteren ben ik in de trein gestapt. De laatste keer dat ik in Nederland in de trein zat, is alweer driekwart jaar geleden. Daarvoor was het zelfs minstens een decennium terug…trein3

Onderweg moet ik al toegeven: ik geniet. Midden tussen de stadse huizen een weiland vol met zwart-witte koeien, daarnaast een kudde goed over het groene gras verdeelde schapen. Roodbonte koeien. Witte koeien. Zwarte koeien. En toen was daar ineens Almelo. Graffiti op de muren, op de wagons, op de glazen geluidswerende panelen, op de brug, op stroomkastjes, op alles. Een volledig verroeste colonne goederenwagons, het voorste gedeelte – locomotief incluis – ook weer geheel in kleurige gigaletters gedompeld. De trein staat nog geen minuut stil en glijdt bijna onhoorbaar weer verder.

Oude loodsen, industrieterreinen, meer koeien, conducteur. Oh. Conducteur! Ik tover met een goed geweten mijn blijkbaar van chip voorziene dalurendagkaart van de blokker (tip van en gekocht door sweet sis, die me zo dik 25 euro bespaarde) tevoorschijn en hij houdt ‘m tegen zijn apparascandinges aan. Wat een techniek… bij ons heb je nog gewoon een man met een tang die een gaatje in je kaartje boort. In ieder geval heb ik blijkbaar goed ingecheckt want hij mompelt “bedankt” en ik mag blijven zitTrein1ten, verder boemelend op een treintraject wat ik in mijn studententijd wel kon dromen.

Nederland stikt van de rotondes. Het valt echt op. En de rijbanen zijn o.h.a. te smal. Dat ook. Een trekker draait gemoedelijk zijn rondjes. Kilometerslange maïsvelden en een windmolen in een privéwolkje. Een minispoorwegovergang mét slagbomen voor enkel een fietspad. Twee fietsers staan al kletsend te wachten. Moestuintjes, rijtjeshuisjes, volgekalkte trafokastjes. Koeien. Altijd weer koeien.

Bij het volgende station gaat ineens de airco aan. Godsenegriebels wat koud. Naast me, aan de andere kant van het gangpad, zit een werkende moeder met haar – ik schat niet ouder dan 4-jarige dochtertje – en tussen haar telefoontjes door bediscussiëren ze liefdevol wat de op reis gaande Sanne allemaal in haar koffer heeft. Ze looft haar dochter. Zo schattig om te horen. Volgende belletje en moeders moet zich even wegdraaien van kakelende dochter om iets te kunnen verstaan. Een bewaakte fietsenstalling met wel duizend fietsen. De IJssel. Mét uiterwaarden. Een caravanboer. Geen tunnel onbeklad. Nog meer volkstuintjes. Ik kan er geen genoeg van krijgen.trein2

De werkende moeder blijkt ineens niet de moeder te zijn maar een goed onderhouden of gewoon nog zeer jonge oma want kindeke noemt haar zo. Perfect gekleed, felblauw jurkje met prachtige rode handtas en dito schoenen, slank en sportief. Ik schat haar echt nog geen 45 :-S. Dochtertje graait de mobiel van oma van het klaptafeltje. Voordat oma “ja is goed” kan zeggen, mept het meiske al op de toetsen en belt spontaan met haar mama. “Met wie spreek ik?? Mama?? Ik versta d’r bijna hélemaal níks van hoor… Maar mama? Ik hou van jou! Mama? Waar ben je nu? … Mama? Veel plezier hoor!! Ja. … Ja. Jahaaa… Over één, twee, drie, víer nachtjes gaan we op vakantie hè? … Ja ik ook. Ja doeiiiii!! Mama? Ik hou van jou!!! Mama… jíj zou toch ophangen? Ja. Doe nou. Ja. Doehoeiiii!!!” Ik grijns me suf.

Amersfoort. Plek van overdracht, zo blijkt. Oma stapt uit, papa stapt in. Ze gaan nu op een raamplek twee stoelen voor me zitten. Oma zwaait en meiske gebaart met veel omhaal “Ik hou van jou” naar oma, wijst naar zichzelf, maakt met haar vingertjes een hartje en wijst dan naar oma. Ik heb wel eens afvallig geblogd over treinreizen. Maar ik neem alles terug. Treinreizen in Nederland is best goed te doen (als die dingen op tijd rijden tenminste) en bij tijden zelfs echt leuk.

De terugweg was wel wat minder. Te vroeg… maar ondanks dat toch te donker om wat te zien buiten, een te volle blaas en een pleevrije trein. En ik had blijkbaar uit moeten checken en weer in moeten checken enzo. En dan weer uitchecken. Ik snap ‘em niet. Ik heb toch een dagkaart? Inchecken, één dag geldig, klaar. Maar nee. Je moet uitchecken. Dat is dan óók weer Nederland…

Reces?

Éigenlijk wou ik een puur therapeutisch blog schrijven. Weer eens over de kinderen. En daarover dat ze nog absoluut NIET gewend zijn aan het feit dat ze recesnu daadwerkelijk vakantie hebben. Dat ze enkel rondhangen en zich dood vervelen. Ja, nu al. Dat ze enkel met elkaar aan het klieren zijn, alleen maar TV willen kijken of uuuurenlang met de nintendo/iPod/mijn Note ( 😦 ) op de bank hangen. Dat ze qua humeur allebei niet te genieten zijn. Enzo.

En dan natuurlijk ook nog wat eveneens hoogtherapeutisch geblaat over mijn man de leraar die er net zo niet aan kan wennen. Of juist teveel. Enkel slapend en snurkend op de bank ligt. Of buiten op de loungeset. En als-ie daar niet ligt, is-ie weg. Met collega’s de hort op (Jonguhhh, je hebt eindelijk vakantie van die hele schoolmeute! Dan ga je toch niet met collega’s op stap??) of werken bij z’n moeder (tegels zetten, elektra vernieuwen, stal opruimen, muurtjes bouwen, etc.). Of hele dagen fietsen. Zulke dingen doe je toch niet op de eerste dagen van je vakantie? Hij wel.

Maar ja. Wat doe IK dan die eerste dagen? Ik ben zelf niet veel beter… Ik maak de schoolspullen voor het komende schooljaar in orde. Hele waslijsten aan spullen, schriften, stiften, geodriehoeken, handvaardigheidsdozen, boeken, mappen. Zelfs the looks van het benodigde gummetje zijn voorgeschreven: Wit en 6cm lang. Ik werk me een slag in de rondte. Ik hou grote schoonmaak. Ik doe de administratie van de afgelopen anderhalf jaar  (*kuch*). Ik ploeter voort in de tuin. Ik maak thuis-schoolmappen voor de kinderen (want ik zeg ’t je, die hersenfuncties worden in die negen weken geminimaliseerd als je er niks mee doet). En ik heb nog een hele hoop vergelijkbare dingen op mijn bucket list. Bloggen staat er niet op trouwens… Ik ben daar ook niet echt voor in de stemming momenteel. Te veel in mijn hoofd, te veel dingen die gebeuren, te veel moeten, te veel ‘vrij’. Ik moet eerst weer naar beneden komen geloof ik. Down to earth. Mocht er nou toevallig toch nog iemand zijn die me mist (zou ja kunnen, theoretisch…), maak u geen zorgen. I’m OK. Just don’t feel like blogging. Got a writersblog 😛

Nee, klopt ook niet. Ik zal zo af en toe echt nog wel bloggen hoor. Als ’t moment past. Maar de frequentie zal even wat lager zijn. Een blogvriendin noemde het ‘reces’. Zomerreces. Zoiets dus. Ik zit niet zonder inspiratie, absoluut niet. Maar het komt er op dit moment even niet van. Reces dus. Ik wens jullie bij deze in ieder geval een heerlijke zomer. Ik fladder wel voorbij, zo nu en dan. Nu eerst in die vakantiestemming zien te komen. Laters!!!

Fietsen voor gevorderden

Daarnet moest ik Zoon ophalen van school. Hij heeft namelijk vandaag zijn fietsdiploma gehaald. Een kind van tien mag hier niet zomaar op straat fietsen: het moet daar een officieel fietsrijbewijs (een ambtelijk papiertje mét foto etc.) voor hebben. Heb je dat niet, mag je tot en met je twaalfde enkel onder begeleiding van een volwassene op de openbare weg fietsen.  En dat is – naast erg lastig voor de desbetreffende ouders – mega-uncool.

Nou moet ik bekennen dat ik hier in Oostenrijk geen fietsmens ben. In Nederland was ik dat wel: ik hou van fietsen op langgerekte, vlakke, brede fietspaden door de weilanden en langs de rivieren. Maar dat kleien tegen de berg op vind ik fietsronduit crimineel. Man is daarentegen een fietsfanaticus. Minstens drie keer per week zit hij op zijn supersonische racefiets of op zijn sooperdooper carbon-mountainbike en scheurt tientallen (honderden?) kilometers in de rondte. Per jaar zijn ’t er minstens anderhalf tot tweeduizend. Berg op, berg af. Er is niks mooiers volgens hem en daarom snapt hij er ook geen bal van dat IK dat nou net níet leuk vind. En dan is ‘niet leuk’ nog een understatement. Ik vind het oerstom (tegen een berg op lopen vind ik al niet echt geweldig, tegen een berg op fietsen is voor mijn het toppunt van onzinnigheid) en uiterst pijnlijk (geen zadel waar ik langer dan een half uur normaal op kan zitten zonder dat mijn zitbotten het uitschreeuwen). En de opmerking “oh maar dat went wel” kan ik ook al niet meer horen. Nee, het went niet!! Het blijft pijn doen en ik wil geen eelt op mijn zachte achterwerkvetlagen, om de geïrriteerde clitoris maar even buiten beschouwing te laten.  Ik had dan tot voor kort ook een perfect alibi om niet te fietsen: ik had geen geschikte fiets. Een oudhollandsche fiets met drie versnellingen is geen doen hier en de oude mountainbike van Man had Zoon inmiddels al. Dus: ik kon niet! Joepie!! Helaas. Man had afgelopen week bij de Aldi ineens een fiets in de aanbieding gekocht. Voor mij. Een Trekking Bike (m.a.w.: een normale, sportieve, redelijk lichte damesfiets met 24 versnellingen voor luttele tweehonderd eurootjes die we eigenlijk wel beter kunnen gebruiken op dit moment). Maar goed, nu kon ik dus ook fietsen. En oefenen met Zoon. Wel verdorie nog an toe.

Nou hebben wij de pech, zelf ook op een berg te wonen. Voor Oostenrijkse begrippen in ieder geval een heel behóórlijke heuvel. Eraf gaat prima, maar er tegenop is ronduit Scheiße. Het fietsparcours van de proef is echter beneden in ’t dorp. Daar staan dan op het moment suprême – naast een kunstmatig stopbord – een stuk of drie gebarende en grinnikende politieagenten om de kinderen te beoordelen op hun rijkunsten. En daar moesten wij dan dus ook heen met hem om te oefenen. Berg af, acht keer dat geijkte rondje kneuren (waar óók nog weer heuveltjes in zitten want hier is praktisch niks plat), een hoop geschreeuw en gevloek en dan weer de berg op. Driewerf bah. Maar ik moest wel: man had écht geen tijd en er moest toch geoefend worden. Niemand rijdt hier zonder helm (wat bergaf ook best zinvol is) dus ik in dit geval ook niet. Zwéten in dat ding joh! Uiterst kapselongunstig.

Tot mijn allergrootste vreugde is Zoon geslaagd vandaag. Smile van oor tot oor. Bij hem ook. En ik mocht hem natuurlijk weer op gaan halen. Met de fiets? Neuh. Man is niet thuis en ik heb toch een Oudi? Bovendien weet ik vanzelfsprekend héél goed hoe ik de achterbanken plat leg en een fiets erin moet proppen. Twee kinders op de voorste stoel (mag ook niet but so what) en ik kar heel gemoedelijk en blij de berg op. Wat een weelde. Ik ben voorlopig wel weer klaar met dat gefiets. Dit bergfietsen hier is fietsen voor gevorderden. Ik ben en blijf gewoon lekker een beginneling.

ah toe, lach ‘ns…

Nee.
Ik lach niet.
Niet standaard.
Niet op elke foto in ieder geval.

Elke keer wanneer ik mijn profielfoto op facebook verwissel, komen er opmerkingen over het feit dat ik niet (voldoende) lach. Voor mijn gevoel glimlach ik wel op de meeste foto’s maar blijkbaar niet zoveel dat mensen het herkennen. Ik kan mensen er dus niet van te overtuigen dat ik hieperdepiephoerahappy ben. Nou ben ik o.h.a. ook niet 24/7 himmelhochjauchzend glücklich; de meeste tijd ben ik gewoon neutraal. Alles OK, niet depressief, niet zielsgelukkig. Gewoon gewoon. Neutraal. En als ik mij neutraal voel, kijk ik ook neutraal. Alleen is het mijn pech dat mijn ‘neutrale’ blik mij er blijkbaar hoogst chagrijnig uit doet laten zien.

Ik heb nogal grote tanden (hoewel er bij de voortanden bijvoorbeeld al ca. 1,5 mm vanaf geslepen is door de tandarts, o.a. vanwege een ongevalletje met een wekker). En ik heb dik tien jaar lang een beugel gehad. Maar ook al weet ik dat ik nu prima tanden heb (door alle procedures redelijk recht, sterk en aardig wit, best mooi), in mijn hoofd zit nog steeds die drang om mijn mond dicht te houden, om de boel te bedekken. De foto’s waar ik dus daadwerkelijk breeduit lach, zijn erg schaars.

Lieve mensen, geloof mij. Ik ben best happy. Ik ben tevreden. Ik ben per definitie geen chagrijnig mens. Ik vind mijzelf enkel mooier/beter/interessanter/whatever met de mond dicht. Klappe zu. Daarmee zult u het dus moeten doen.
Maar ik ben de kwaaiste niet:  voor iedereen die mij elke keer opnieuw zo graag lachend zou willen zien, heb ik dus even een samenvatting van de ‘lachende Lou’ gemaakt.

Bij deze:

smile

En nu niet meer zeuren.
Ik kan het.
Ik kan lachen.
Ik doe het gewoon niet zo heel vaak.
Zo ben ik nu eenmaal.

Standaard zondag

Gewoon een standaard zondag.
In Oostenrijk toevallig ook vaderdag, een week eerder dan in Nederland maar ze zijn hier sowieso standaard vroeger met alles. Van opstaan tot kinderen krijgen, van uitgaan tot vaderdag, alles is vroeger. De ochtendseks was dus ook vroeger want ik moest nog samen met de kinderen tafeldekken voor de heer des huizes. Wij doen niet aan ontbijt op bed, daar hebben wij een gruwelijke hekel aan.  Het zelfgebakken brood geurde, de standaard knutseldingen waren verstopt, het standaard bloemetje uit de tuin stond naast zijn bord (en staat nu voor mijn neus te verleppen).

Dochter leest haar gedichtje voor, zoon mompelt ook (een standaard) iets. StandaardZondag3Man pakt vol enthousiasme zijn gevilte sleutelring en zijn placemet uit, om zich vervolgens – zoals altijd – uitgehongerd op het ontbijt te storten. Vervolgens mag hij doen waar hij zin aan heeft en dat is standaard klussen. Ik lig op de loungeset en kijk toe. Eigenlijk wou ik gelijk na het ontbijt hardlopen maar ik geef het toe: ik ben te lui. Nu nog althans. Zoon drentelt om man heen, wil koste wat ’t kost helpen. Dochter plonst al lang en breed samen met buurjongetje in het zwembad. De tuinspots moeten gemonteerd worden en zoon mag helpen om de draadjes aan elkaar solderen. Man vloekt: zoon soldeert zijn wijsvinger een beetje mee. Man legt de gloeiend hete soldeerbout even op de grond voor verder gebruik en zoon, inmiddels in zwembroek op weg naar het zwembad, stapt er met het volle gewicht op. Hij stort meteen ter aarde, schreeuwt het uit. Man ziet niet wat er gebeurd is en maant hem tot minder meisjesachtig gegil, hij is toch enkel gestruikeld? Ik denk “oh shit, hij heeft op een bij of wesp getrapt” en snel toe. Dan zien we de schade: een perfecte, lijkwitte, opzwellende afdruk van de soldeerbout onder zijn voet. Ai. Ik sleur hem naar het zwembad – lang leve het zwembad – en de trap op alwaar hij bijna drie kwartier lang met zijn voet in het nog koude water zit. En hartverscheurend huilt..StandaardZondag2.

Ik maak hem uiteindelijk een voetenbad met koud water, haal zijn boek, wat te drinken, paracetamol enzovoort en draag hem op mijn rug naar de tuinstoel waar ik hem installeer. Man voelt zich duidelijk enorm lullig op zijn vaderdag. “Had ik dat ding nou niet daar neergelegd, had ik ‘m maar in de standaard gezet… stom stom stom…” je hoort het hem denken. Ondertussen belt de moeder van het vriendinnetje waar dochter gisteren de hele middag was: “Ja sorry, maar wij hebben allemaal luizen, dus check je dochter ook even?”
Aargh…

De buurvrouw had me gisteren al om luizenshampoo gevraagd voor haar jongens en zoon zelf had ook al bultjes en jeuk op zijn hoofd. Ik denk nog steeds dat het muggenbulten zijn maar voor de zekerheid heb ik zijn haar gisterochtend al gemillimeterd. Daar is geen luis of neet meer op te bekennen, ook al hadden ze er gezeten. Maar aan de luizenkammerij ontkomen we niet. Dochter stuur ik naar boven om haren te wassen, spray haar vervolgens in met antiklitspul (klinkt dat… ehm… interessant) en ga met de netenkam aan de gang. Dochter vindt ’t prima, die is gek op alles wat met haargepruts te maken heeft. Of het nou een netenkam is of vlechtjes. Haarfriemelen is altijd goed. Gossie, wat lijkt ze toch op haar moeder.

Ik installeer zoon, inmiddels met behandelde en verbonden voet, StandaardZondag1op de bank voor de TV met een bak cereals en ga een standaard driekwartier sporten in de kelder. Daarna haren wassen en mezelf glink onder handen nemen met diezelfde luizenkam. Geen luis te bekennen, ook geen neet (bij dochter trouwens ook niet, pfiewwww). Maar wel een kop vol megagladde, superstatische haren. Opluchting alom. Wij zijn vooralsnog luisvrij. Preventief verwissel ik toch nog snel het beddengoed en gooi de boel op 90°C in de wasmachine. Je weet maar nooit hè… gespuis…

Man gaat fietsen met de buurman. Mag-ie mooi doen op vaderdag. Ik gooi een kip in de oven en zet de frituurpan klaar. Kip met frieten, zijn standaard lievelingseten. De obligatoire groente zoek ik zelf uit, die is sowieso onbelangrijk. Zoon is inmiddels naar het zwembad gestrompeld en peddelt op een luchtbedje rondjes door het water. Dochter speelt met buurjongetje badminton. De rust is wedergekeerd. Ik neem een roséetje en typ een blog. Bij deze. Een standaard blog.

toeval?

Het blijft maar in mijn hoofd spoken. Was het écht toeval? Of was dit nou intuïtie?
Is er toevallig tóch meer tussen hemel en aarde? Ik blijf het raar vinden.
Waarom? Waarom was ik wakker?

Wekenlange zondvloedachtige regen.
Vol vertrouwen in je nieuwe huis.
Terecht ook. Ons kan niks gebeuren.

Ik, degene die standaard slaapt als een marmot.
Ik, degene die gaat liggen en ‘weg’ is.
Tot het ochtendgloren. Ik ben een echte slaapexpert.

En toch. Deze nacht niet.
Zondagochtend in alle vroegte.
Om half vier wakker en niet meer kunnen slapen.
De eerste stroomstoring op het moment zelf merken.
Niet meer in slaap kunnen vallen, dan maar even naar de WC.
Het licht aan doen, absoluut uitzonderlijk.
Doe ik dus nooit ’s nachts. Maar het licht floepte uit.
En maakte de tweede stroomstoring gelijk merkbaar…

Dan gaat alles snel. De storing is dus niet meer enkel buiten maar nu in de kelder.
In het pikkedonker horen we de waterval, het water dat naar binnen klettert en in het stopcontact spettert. De oorzaak van de tweede storing. Dynamozaklamp zoeken en de watergeklater beter bekijken. En dan: Hooooozen!!! En de brandweer bellen. Eén keer kelder en afvoerschacht leegpompen alstublieft!!

De brandweer was er daadwerkelijk binnen vijf minuten, ook dat was een mazzel van jewelste. Vijf minuten later en ze waren ze allemaal op weg naar huis geweest, net terug van de laatste ‘klus’ en klaar met hun dienst. Een uurtje of twee later ontdekt en onze hele kelder had blank gestaan. Met enorme schade.

Waarom kon ik, opperslaapster, deze nacht niet slapen? Vanwaar die onrust? En dat zweten?
Waarom deed ik in vredesnaam deze nacht het licht aan in de WC? So not me…
Waarom moest ik überhaupt naar het toilet? Dat moet ik echt praktisch nooit ’s nachts…
Waarom merkte ik zowel die eerste als ook de tweede stroomstoring (een uur later) vrijwel meteen?
Waarom stond het water in de kelder precies tot de drempel, daar waar we ons laminaat, de tapijten en de meubels nog nét konden redden?
Waarom stond de brandweer naast hun wagen bij de centrale, net terug van de vorige klus en op punt om naar huis te gaan?
Zesvoudig toeval? Of toch niet…
Misschien kwam ’t wakker zijn ook wel gewoon door mijn naderende menopauze… is dat tenminste nog ergens goed voor.
Om half zeven ’s ochtends was alles alweer onder controle.
Bij ons wel…

Bij tigduizenden anderen mensen hier in Oostenrijk en in Zuid-Duitsland niet. Bij hen kwamen de rivieren naar binnen rollen.
Een paar kilometer verderop gaat alles ten onder in de watermassa’s.
Wat een ellende, verdriet, gemis.
Wat een oerkracht.

Mijn hart gaat uit naar al die mensen, landgenoten, waarvan de existentie door het water ineens is weggevaagd. Die mensen, die de nietsontziende kracht van het water letterlijk aan den lijve ondervinden. Met ons hier gaat het prima, hier op onze bult. Dat beetje wateroverlast wat wij hadden, is al bijna vergeten. Jullie, een paar kilometer van ons vandaan, moeten afzien…  Het water trekt zich inmiddels langzaamaan terug. Nu komt het opruimen. Afgezien van geld overmaken (al lang gedaan) kan ik niks doen. Maar als ik wat zou kunnen doen, zou ik het meteen doen…

.

.

Viel Kraft und Mut Euch allen. Halte durch…
Hochwasser

Rubber triootje

Met zo’n titel willen de pageviews vast wel komen. Maar daar gaat ’t natuurlijk niet om. Het gaat hier om nostalgie. Om jeugdsentiment. Ja, alweer. God ik word oud… Ach, gelukkig wel.Rubbertrio

Mijn ouders brachten laatst wat kisten en zakken met oud speelgoed van mij mee. Playmobil (inclusief prinses en indianentent), mijn oude legotrein, nog meer legospul en wat andere pruttel. Het staat nu alweer een tijdje boven op de overloop, ik wil het allemaal nog bekijken en uitsorteren. De trein evt. ‘renoveren’ (kapotte delen en wielrubbertjes bij Lego nabestellen). Gisteren hebben de kinderen er al in zitten graven. Logisch, als je bakken vol playmobil en lego op de gang laat staan, dan trekt dat. Vanochtend stommelde ik op zijn zondags naar de WC en ineens lag daar mijn rubberpaard (een schimmel, dat ook nog) op de grond. Ik keek stomverbaasd naar het ding en toen in de bak ernaast. Euforie.

Mijn rubbergiraf EN mijn rubberezel (hé, “rubberezel” bestaat blijkbaar in de Nederlandse thesaurus, de spellingscontrole accepteert het. Rubbergiraffen bestaan duidelijk minder, gezien het rode golflijntje) liggen er ook in. Mijn buigbare benenknoopbeesten!! Wat heb ik daar als klein kind veel mee gespeeld. Ik moet toegeven, ze zien er redelijk anorexia-achtig uit, maar het ijzerdraad was toen eenmaal niet dikker. En nu nog steeds niet trouwens. Dát was nog eens rubber van kwaliteit. Vol met die heerlijke ouderwetse, geweldig werkende weekmakers want het rubber is nu, dik 35 jaar later, minstens net zo buigzaam als toen. En mijn beessies ruiken ook zelfs nog precies zo rubberachtig! Ietwat minder nostalgisch daarentegen: de kauw- en sabbelsporen van toen zijn nog steeds zichtbaar…

Paard heeft zijn make-up nog steeds op: een prachtig groen pseudocirkeltje boven zijn linker wenkbrauw. Zelfgetekend. Ezel heeft wat extra zwarte strepen op hals en kop. Giraf mist al zijn giraffenvlekken. Die waren blijkbaar té lekker… Ik moet de hoeven ook duidelijk eens bijwerken. Dat deed ik toen al vol overgave: de boel mooi nakleuren met pa’s dikke eddingstift. Om dat er dan vervolgens weer lekker uitgebreid af te sabbelen. Het smaakte zo… zo… zo lekker naar eddingstift met rubber. Misschien is mijn huidige migraine wel een erfenis van mijn kinky hoefsabbelarij, who knows… Interesseert me ook niet, ik leef nog. En hoe. Mijn rubber triootje is weer present. Hoewel ik niet eens meer wist dat ik ze ooit had, heb ik ze echt gemist.

Ik ga spelen.

Drukst

Geen snelle WA-gesprekjes meer. Sorry. Echt. Te druk.
Goeiemorgen lieverds, ik ga weer aan ’t werk. Ik moet nog zoveel doen…
Geen tijd meer voor de wat meer aandachtslurpende dingen.
Kun je morgen even terugbellen? Ik moet nu echt weg.
Tweeëntachtig nieuwe blogs te lezen en de krant nog niet eens gezien.
Bellen met de belastingdienst. Bellen met de paardrijschool.
Email aan de ouders van de klas. Email aan bedrijfspartner.
Shit, vergeten kadootje te kopen. Oh, ik moet naar de sport.
Een nieuwe maand dus afsluiting voor de oude maand moet eruit.
En oh hemel, het is al mei… ik moet nog wortels zaaien. En sperziebonen.
Anders hoeft ’t allemaal niet meer…

Drukst.
En ik ben niet de enige, merk ik. Ondanks dat ik zelf door ’t leven hol, mis ik het contact.
Ook al is het maar even. Kort. Sommige mensen vallen ineens compleet weg. Stil.
Drukst.

Eerst maar eens kop koffie pakken.
De radio uit. Mezelf op het terras in de kussens nestelen.
Luisteren.
Vogels. Licht autogeruis in de verte. Zachte bries door de bomen.
Opsnuiven.
De geur van dauw en melisse. Vers gemaaid gras. Koffie.
Het miezert.
Even ontdrukken…

koningin van gisteren

Nooit verwacht maar ineens was ’t daar. Dat vaderlandsgevoel. Ook ik keek mee in m’n Oostenrijkse Hütte. Oh grutjes, we hebben een koning… In eerste instantie dacht ik nog: “wat een heisa om een verouderd ambt” en “wie heeft dat koningshuis nou nog nodig? Kost een hoop geld…” Ik plande onderbewust om er toch vooral maar niks op uit te doen. Maar toen de fitnesstrainer belde dat er om 9 uur al een plek vrij was i.p.v. om tienen was ik stiekem ineens een beetje blij. “Yesss! Dan kan ik om tien uur  toch nog de abdicatie en de speech kijken.” Huh?? Ik??  Wtf….koningsdag2

Afijn. Ik pink een traantje tijdens Bea’s emotionele afscheidswoorden. Aandoenlijk hoe ze  even de hand van Willlem-Alex pakte. Die blikken van Máxima… Ach wat mooi. Ja toch wel. Ineens krijg ik ’t op m’n heupen. Wáár is die verhipte vlag? Ik had toch een vlag? In de kelder graaf ik mijn WK-oranjespul weer uit. Twee boa’s, een kroontje met vlechtjes, rood-wit-blauwe kettingen en een hoop vlaggetjesslingers die ik voor ’t huis in de planten en de aan de koningsdag1regenpijp drapeer. De boa’s er ook maar aan. Het kroontje en de kettingen blijven bij mij hangen.

Dochter komt thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand schat, we hebben een nieuwe koning.”
“Hebben we hier in Oostenrijk ook koningen dan???”
Nee, die hebben we hier niet. Maar in Nederland nu wel…
Zoon komt een uurtje later ook thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand lieverd, maar in Nederland is er een nieuwe koning, de eerste koning sinds 123 jaar dus dit is een historisch iets.”
(ik dacht, laat ik even wat uitgebreider antwoorden dan daarnet).
“Wat een onzin zeg… wanneer mag ik dan Phineas en Ferb kijken??”

Ik merk ook dat ik ergens een steek in de opvoeding heb laten vallen: in beide kinderen zit, hoewel ze allebei officieel Nederlanders zijn, werkelijk geen greintje Hollandgevoel. Niets. Het mijne daarentegen laait met de minuut hoger op. Ik vind ’t geweldig om het enthousiasme van die oranjegekleurde meute te zien. Hoe men samen viert, blij is. De uitbundigheid en ergens ook een soort teruggevonden verbondenheid die al sinds tijden mijlenver te zoeken was. Praktisch geen noemenswaardige incidenten. Een land, nee MIJN land viert feest. En ik zit hier…  Ondertussen koningsdag3heeft dochter toch een prachtig miniboeketje voor de kroonloze koning in elkaar geflanst. “Speciaal voor die meneer daaro, mam. Die kan wel wat bloemen gebruiken toch?” Ja, nou dat vind ik ook wel. En een biertje of zo.

Ik ben trouwens geen groot fan van het koningshuis. Ik vind ’t geheel als nationale institutie enkel acceptabel. Het kost een bom duiten maar dat kost een president nu eenmaal ook. Een koning of koningin doet zijn of haar best op handelsmissies en representeert het volk. Die eer is dus nu aan Willem Alexander. Maar het maakt niet uit wat de aanleiding was: een dag uit je bol gaan, je vaderland liefhebben, lekker gek doen en uitbundig feestvieren is simpelweg gezond. Zoon ziet dat anders: “Mam, wanneer haal je die suffe vlaggetjes nou weer weg? Ik vind ’t maar gênant… En doe dat kroontje af!! Stel je voor dat de buren binnen komen…” OK dan. Nu blijft de boel natuurlijk helemáál hangen tot de volgende koningsdag. En mijn kroontje doe ik misschien eventueel mogelijkerwijs in bed af. Maar ook dat is nog niet zeker.

Oh en dat rare koningslied?
Dat is nog steeds een groot stuk verdriet.
Bekoren kan het mij dus écht niet…
Maar ook dat interesseert niemand ene biet.
Stom lied.

Pokkezooi

Dat is het hier. En dat komt omdat ik aan ’t opruimen ben. Aangezien ik vandaag werktechnisch niks op ’t program had en best wat energie over, moest ik vandaag maar ‘ns door met mijn uitmest-en-opruim-project. Ik had al eerder geblogd dat ik bezig was, en dat gaat nu, na alle ziekte en gedoe, éindelijk verder.  Vanochtend heb ik eerst de keuken schoongemaakt, daarna een rondje vibrogym in de fitnessstudio. Maar toen was ’t toch echt hoog tijd. Ik ben namelijk aan ’t kastenswappen. Wij hebben een heul ouwe Ikea-kastenwand (“Bonde”, sinds 2010 uit het assortiment verdwenen. Verdullemie!) in de woonkamer. Of liever gezegd: in de ‘bibliotheek’ annex ‘speelhoek. Dat is een oorspronkelijk aparte kamer waar de hele speelzooi van de kinderen uitgestald ligt en wij ook nog een paar planken voor boeken ter beschikking hebben.

Door chronisch gebrek aan opbergruimte wilde ik een stuk aan de kastenwand bijbouwen, maar tja. Bonde was kassiewijle. Prima, dan maar Besta (met een rondje op de -a- maar dat wil mijn laptop niet en ik heb geen zin om nu in de ascii-tabel te gaan neuzen), zolang het maar Ikea is. Een Ikea-fan moet Ikea hebben. En ik ben bekennend Ikea-fan. Dus Besta kwam er. Maar nu blijkt Besta helemaal voor geen meter bij Bonde te passen. Dat is klote want als ik ergens een hekel aan heb, zijn het niet bij elkaar passende meubels. Voor de kinderkamers had ik ook per stuk twee Besta-kasten besteld (die staan nu nog steeds in de verpakking) maar ik heb á là minute omgepland: De kinderen krijgen allebei de helft van onze Bonde-kastenwand en de rest van de Besta-kasten komt mooi ook in de woonkamer. Dat vonden de kinderen vanzelfsprekend absoluut niet geweldig maar da’s pokkezooidan maar jammer. Mama bepaalt. Enig nadeel: de Besta had de nodige witte achterwanden (de kasten op de kinderkamers komen namelijk vrij te staan dus je ziet de achterkant), de Bonde-kasten hebben lelijke bruine spaanplaatachterkanten. Wat nu.

No problem. De kasten heb ik schoongemaakt en wat gerenoveerd (opgekalefaterd), de achterwanden eraf gesloopt en vandaag uitgebreid met witte muurverf gewit. Ze zien er nu dus uit als witte muren, helemaal mooi. Daarnaast komt er op de achterkant dus bij beide een schilderij naar wens. Ze hebben het al uitgezocht: een kat (dochter) en een skateboarder (zoon, dus). Op de zijkant komt bij allebei een lange spiegel. Gelukt: kids helemaal happy met de nieuwe ouwe kasten.

En dat heb ik dus vandaag gedaan: achterwanden gewit. En aangezien ik toch al bezig was, heb ik ook nog maar even de muur bij de eettafel weer toonbaar gemaakt (daar is een maandje of 2 geleden een vol glas rode wijn tegenaan geslingerd, op zich best een origineel patroon, maar ik vond ‘gewoon wit’ nu ook wel weer een keertje leuk. Dochter vond ’t daarentegen jammer (“ik vond opa’s versiering hartstikke mooi!!!”) maar zoals ik zei: mama bepaalt. En wit de muur. Help, mijn vrouw is klusser 😀 Maar man vindt ’t gelukkig helemaal prima, mijn klusambities.

Morgen verder. Het is hier nog steeds één grote pokkezooi hier, maar vandaag ben ik weer een stapje verder op weg naar mijn Ikea-droomhuis. Als ’t klaar is, zal ik foto’s showen van al mijn klus- en opruimwerk.

KiddySocca

kiddysocca ik heb ’t al wel ‘ns vaker uit de doeken gedaan maar ik heb dus een geheime carrière. Als voetbaltrainster. Samen met drie andere gedreven (*kuch*) dames stomen wij de kindsterretjes (liefdevol Bambini’s genoemd) van onze lokale voetbalvereniging (FC Schweinstein) klaar voor het echte werk bij de U8. Oftewel, in goed Nederlands: wij hobbelen met de F-jes over het veld tot ze eindelijk zeven zijn en naar de E-tjes mogen. Bij ons beginnen ze alleen nog nét iets vroeger dan in Nederland: niet pas met vijf maar met vier jaar al. Gezellig elke maandag een uur lang een meute 4- tot 6-jarigen over het gras jagen, wat een mens al niet voor z’n lol doet.

Vandaag begon het seizoen weer. Ik heb er de héle winter lang met smart naar uit gekeken en jaja, vandaag was het zover. (Ik kuch nog even door). Nu hebben wij een bambiniopperhoofd – laten we haar Lydia noemen – dat praktisch altijd voor het programma (“Lydia, wat doen we eigenlijk vandaag?”), het fluitje (om de meute bijeen te krijgen) en het pedagogische overwicht (ze is zelf gymlerares) zorgt. Simpelweg onmisbaar dus. Vanmiddag belde Lydia op. Bij het eerste kraken van haar stem was het duidelijk: Lydia was hartstikke ziek. Oh hemel… wat nu… geen programma, geen fluitje en vooral: geen pedagogisch overwicht en dat uitgerekend bij de allereerste training van het semester waar over het algemeen het halve dorp met kind en kegel uitloopt om het maar weer eens te proberen (“Ooit mot dat kind ’t toch leuk gaan vinden??”). Mijn hart schoot even in de zesde versnelling. De sleutel van het materiaalhok was snel opgehaald. Maar toen.

Stipt half vijf stond ik in dat hok, plompverloren zoekende naar wat bruikbare ballen en een paar als doelpalen dienende grasspiesen. De U9- en U10-tjes hadden het meeste al weggegraaid. Wat half lekke ballen weer even opgepompt (kijk dát zijn de dingen die ik wel kan) en gaan met die banaan. Mijn collega-dames kwamen ook aanzetten, thankheavens.

Wij hebben een redelijk strakke rolverdeling. Lydia is, zoals gezegd, het strenge opperhoofd. Lydia bepaalt wat er gebeurt en roept ons allemaal regelmatig tot de orde. Manuela is onze nog piepjonge meerenster, die vol overgave deelneemt aan alle spelletjes die we zoal verzinnen. Lisa is de liefdevolle begeleidster die de veters strikt en de rijtjes kinderen in het gareel houdt. En ik ben zoiets als het vervangend opperhoofd maar eigenlijk toch meer de pleisterplakster, de wc-begeleidingsdame en hoofd administratie. Ik kan best een balletje trappen hoor, maar ik ben in andere dingen nu eenmaal duidelijk beter.

Afijn. Tien voor vijf. De eerste kindekes drentelen het veld op, de hand van moeders krampachtig omklemmend. Ik geef de ouders en ’t kind een hand en druk meteen een vet naametiket goed zichtbaar op het kind. Da’s ook iets wat ik goed kan. Etiketjes op kinderen plakken. Drie Sarah’s, vier Tobiassen en twee Yannicks verder weet ik al lang niet meer wie wie is maar daar zijn dan ook die etiketjes voor. Uiteindelijk staan krap dertig stuks van het grut in een kringetje en proberen we het eerste spel uit te leggen. Lukt nog niet, ze tetteren alles bij elkaar dus eerst maar ‘ns een rondje om het hele voetbaltrainingsveld (110 bij 120 meter) jagen en wat opwarmoefeningen doen. Daarna ploffen ze dan automatisch neer en kiddysocca2luisteren stúkken beter. We doen vanalles. Zo ook dribbelen en de bal dan over de ‘krokodillengracht’ schieten. Alleen waren er al snel meer krokodillen in de gracht dan ballenredders. We speelden verstenen-met-verlossen: als je gevangen bent moet je versteend wijdbeens gaan staan en als er iemand onderdoor kruipt, ben je weer verlost. Lievelingsspelletje van Manuela die zich vol elan steeds opnieuw op de grond werpt en tussen de peuterbeentjes doorrobt om ze te bevrijden, en natuurlijk doeltrappen waarbij Lisa en ik in de doelen stonden. Dan trappen ze namelijk duideijk harder om ons vooral goed en gevoelig te raken. De meisjes durven echter de bal zelf al nauwelijks pijn te doen, de jongens daarentegen nemen een aanloop van minstens 20 meter om de bal vervolgens afketsend op mij het hek over te schieten. Ik trap iedere bal quasi-nonchalant terug naar het desbetreffende kind. Dit keer helaas ook één keer iets te nonchalant, ik glibber voorover over de bal heen en stort ter aarde voor de voeten van de toekijkende ouders. Ach. Ik ben de afgangen inmiddels wel gewend, iemand moet de clown zijn toch? Oh, wat een lol…

Aan het eind spelen we steevast een stief kwartiertje ‘chaosvoetbal’. De kleine meisjes haken nu echt af en staan wat bedremmeld langs de kant te kijken. Sorry girls, het is niet anders: er moet ook gevoetbald worden. Maar het ís ook pure chaos: drie doelen, 5 ballen (6, 7…) en nog een stuk of zesentwintig overgebleven, door elkaar sjezende koters, sommige daarvan bloedjefanatiek, andere verbitterd huilend omdat ze de bal nooohooohoooit krijgen. Dat worden steevast de afvallers. Volgende week zijn het er vást nog maar zeventien…

kadoooootje!

Zoals u inmiddels misschien wel tussen de regels door mee heeft gekregen, heb ik een werkelijk überattente man. Altijd heeft hij de leukste spontane ideeën, krijg ik elke week een andere kleur roos bij ’t zondags ontbijt op bed, brengt hij minstens maandelijks een spetterende verrassing voor mij mee, regelt hij zeker vier keer per jaar een romantisch verrassingsweekendje voor ons tweetjes in een wellnesshotel en zorgt hij altijd ruim op tijd voor de meest originele cadeaus voor al zijn familie en vrienden. Jaja, ik heb wat dat betreft werkelijk een lot uit de loterij getrokken met mijn eega (niet per definitie het winnende lot maar goed, het is er eentje).

Maar nu is dan toch het onvoorstelbare gebeurd: hij is deze keer voor de verjaardag  van z’n moeder daadwerkelijk de mist in gegaan. Zo’n drie weken geleden attendeerde ik hem er onopvallend op dat we dus over geschatte drie weken naar z’n mam zouden gaan – de lieve vrouw werd 76 – en dat een cadeau in dit geval niet zou misstaan. Wij hebben wat giften en geschenken betreft de stilzwijgende afspraak ‘jij jouw familie, ik de mijne’. En die afspraak werkt. Bijna nooit. Nooit. Zo werd het dus stilaan toch de dag van eergisteren. En ik SMS-de hem op deze goede vrijdagmiddag en passant én diplomatiek: “schat, als je straks toch nog dat cadeautje voor je moeder bij de Aldi gaat kopen, neem dan gelijk nog een waveboard mee want ze slaan hier elkaar de kop in om dat ene ding.”

Normaal gesproken is manlief absoluut onbereikbaar tijdens werktijden. Maar nu blafte binnen 2 seconden mijn telefoon. Jawel, jawel: man aan de lijn.
“Heb jíj nog niks dan??? Ik weeeeeeet niks… oh hemel, wat kunnen we [WE!!] haar nou geven…”
Opperste vertwijfeling. Heerlijk.
Ik opperde nog nonchalanter: “Och, als IK wat voor haar moest bedenken, zou ik voor haar bijvoorbeeld zo’n verhoogde groentetuin maken. Ze kan nog maar zó moeilijk bukken maar wil toch nog zó graag haar eigen sla, tomaten aardbeien en wortels verbouwen, dat zou voor haar écht optimaal zijn…” Hier heet zo’n ding trouwens een ‘Hochbeet’: een soort megaplantenbak, 80-90cm diep (hoog), een meter breed en een meter of 2-3 lang, meestal van hout. En ze zijn loeiduur als je ze kant-en-klaar koopt maar man is naast überattent ook nog eens verhipte handig en kan zulke dingen heel goed zelf maken.

Man was nog wat sceptisch, maar goed, het wás ‘een idee’. kadooooootje
“Maar hoe maak je zo’n ding dan?? Weet jij dat?”
Ik alles uitgezocht, hoe het ding te fabriceren, hoe te bekleden (woelmuisproof, houtrotproof), hoe te vullen (met die verschillende lagen etc.).
“Ja jemig, dat red ik dus nooit meer voor zondag…” (het was vrijdagmiddag, hè).
“Nee natuurlijk niet. Hallo… Maar dan geef je toch gewoon een tegoedbon? Voor één Hochbeet op gewenste maat, gemaakt door jou?”
Ja. Dat vond hij nu zelfs toch best een ‘goed’ idee.
“Ach, kun jij niet even zo’n tegoedbon maken? Dat kun jij zoveel beter dan ik…”
Tuurlijk joh. Kan ik.
Tegoedbon gemaakt, op fotopapier uitgeprint. Met nog een A4-tje vol tips en voorbeelden erbij zodat schoonmoe zich er ook wat bij voor kon stellen. Ik waagde het te vermelden dat het wel aardig zou zijn om er nog iets van bloemen bij te doen want dat maakt het een leuker geheel om te geven. Het werd geregistreerd.

Gisterochtend moest ik nog wat boodschappen doen. Man zag weer zijn kans schoon:
“Ach, kun jij dan niet nog even dat bloemetje meenemen? Dat geeft toch wat leuker hè…”
Tuurlijk joh. Kan ik.
Prachtige bloembak vol lenteblommen gehaald. Bon – in cellofaan ingepakt – in de bloembak, bloembak – in cellofaan ingepakt – voorzien van een mooie strik en glanzend lint. Een weldaad.

Vandaag hebben we schoonmoe verrast met haar bloembak-met-tegoedbon-voor-een-bloembak. Ze was er helemaal blij mee en verheugde zich stante pede op haar verhoogde moestuin. Ze begon zelfs gelijk met plannen waar het ding moest komen en hoe groot het moest worden. Een schot in de roos dus. Op de terugweg glimlachte man en zei: “dat was een goed idee van ons hè?”

Ja, mijn lieve, attente schat, dat heb je zoals altijd weer gewéldig geregeld.
Echt.
Geweldig.

Verbitterd

Ik ben, naast een gezegend mens (zie vorig blog), ook een uiterst verbitterd mens…

En dat niet eens qua gemoedstoestand maar in de absoluut letterlijke zin van het woord. Het is werkelijk niet te geloven hoe smerig medicijnen kunnen zijn. Mijn huidige antibiotica (waar ik inmiddels licht allergische reacties op vertoon maar met de gebruikelijke antihistaminica blijft ’t gelukkig nog binnen de perken) is zó ontzettend bitter dat alles in mij nu ook bitter is. Mijn bloed is bitter, mijn huid smaakt bitter, mijn speeksel is ’t allerbitterst. Waarschijnlijk is zelfs mijn vagina inmiddels verbitterd maar dat heb ik nog niet laten testen *kuch*.

Verbitterder kan ik niet zijn…

Lang leve de suikervrije mintdrops die ik zelfs in mijn slaap sabbel omdat ik anders dat bittere speeksel niet meer weg krijg. De shit is, dat de dingen die ik normaal gesproken lekker vind (koffie, (groene) thee, chocola, volkoren brood, gehaktballen enzo) nu óók bitter smaken. Alleen zoetigheid smaakt nog steeds zoet.

Nog een bitterzoet weekje voor de boeg…

.

Your touch so bittersweet
Baby, don’t forget my name
When the morning breaks us…

 

 

(Ellie Goulding – Bittersweet)

moor letoh ylenol
a ni dloc dna toh
uoy snrub ti wonk I
dna dloc dna toh

(hot and cold and
I know it burns you
hot and cold in a
lonely hotel room)

maar ’t stinkt zo…

Ik ben er helemaal aan gewend inmiddels, aan het emmertje sjouwen, emmertje omspoelen, slokjes water geven, emmertjekotz weer aanreiken, over haren aaien terwijl de sproeikak in de toiletpot gekatapulteerd wordt, druipend achterwerk afvegen, emmertje weer aangeven, emmertje omspoelen… enzovoort. No problem. Ik heb geen emetofobie, ik verricht dit soort handelingen met stoïcijnse rust. Maar NIET als ik zelf ook misselijk ben…

Het stinkt zo… Het stinkt zó enorm dat ik zelf begin te kokhalzen en zoon en ik dan maar weer een professionele synchroonspuugact opvoeren: Hij zittend op de wc met het emmertje op schoot, ik staand ernaast, hand aaiend op zijn kruin en meespugend in hetzelfde emmertje. En een lol dat we hebben…

Het huis ruikt naar ziekte. Overal ruik ik die zure, indringende geur van overgeefsel, aan mijn vingers (vers geschrobd), mijn kleren (schoon), de bank (het doekje met dettol ligt ernaast), het bed (3x verschoond). Man had duidelijk die andere, rondwarende griepvorm: die met keelpijn, hoofdpijn, koorts en pijnlijke ledematen. Ik had die variant ook, de week ervoor, maar bij mij was het blijkbaar niet erg genoeg om écht mee te tellen in de huiselijke griepstatistieken. Met man nog zwetend boven in bed werd dochter vorige week woensdag ook ziek. Dit keer de andere variant: keelpijn, hoofdpijn, overgeven (véél overgeven, vooral ‘s-nachts en vooral náást het emmertje en in bed), spuitpoep van jewelste en enorme buikpijn. Vier dagen lang heeft ze – tot grote irritatie van man die zijn plek ingenomen zag – uitgeteld en bleekjes op de bank gelegen. Toen ging ’t weer een beetje. Gisteren uiteindelijk toch weer naar school, nog niet lekker. Vandaag belde de directrice op: of ik haar op kon halen want het ging echt niet goed.

Ondertussen crashte zoon gisteravond, nadat hij al dagen had lopen pochen dat het hem allemaal niks deed: hij was zo gezond als een vis. Die gezonde makreel kreeg dus gisteren op school ook nog even zijn DKTP-inenting en dat was de druppel: ’s avonds kwam alles eruit. En nog een keer. En nog een keer. En de hele nacht lang. Vier bedverschoningen lang. En nu nog. Vanochtend heb ik hem op m’n rug de trap af gedragen zodat hij op de bank kon liggen (de helende straling van die TV hè, die is nodig). Mocht u zich afvragen waar manlief in dit geheel is: die is skiën. Mijn eigen schuld hoor, vanochtend mompelde ik in mijn slaapdelirium dat ik het wel zou redden. Hij bood aan om thuis te blijven, vroeg of het echt wel goed ging. “Echt, ga maar schat, is goed voor je, een dagje in de frisse lucht, ik red ’t hier wel”. Dus daar klaag ik verder niet over. Nee nee, echt niet.

Dus. Nu liggen er twee kinderen te kermen op de bank. Zoon geeft nog steeds in regelmatige afstanden over (en kermt absoluut het hardst van allemaal, zoals het een echte man betaamt) (oh sorry, dat laatste floepte er zomaar uit… zoals zoveel deze dagen…), bij mij is het enkel nog misselijkheid zonder echte braakneigingen. Twee keer spugen en één keer de al door de darmen geprocesseerde rest er aan de andere kant uit knallen was genoeg voor mij. Hoop ik dan maar. En ik red ’t ook wel hoor. Heb net een pan echte kippensoep gekookt (getrokken van echte niet-plofkip (ontplofkip haahahaha)). Dochter eet ‘t. Had ik ook wel verwacht. Zoon wil niks. Had ik ook wel verwacht. Dus we sudderzieken hier gezellig nog even verder.

Ach, alles gaat voorbij. Ook dit.
Maar ’t stinkt zo hè…

.

PS: 2x spugen en 1x spuitpoepen bleek toch niet genoeg. De rest kwam vannacht. En vandaag de hele dag door. En morgen waarschijnlijk ook nog. Wat kan een mens zich belabberd voelen zeg…

op jou…

Op jou sleep
lig ik.
Met mijn ogen dicht.
Ik sluimer, voel
hoe je meegeeft.
Je aanpast aan mij.
Mijn warmte weerkaatst.

Op jou
droom ik.
Laat ik me gaan.
Al die jaren zonder jou.
De pijn werd ondraagbaar.
Je tropische kern laat mij
voelen wat goed is…

Op jou
kom ik.
Eindelijk tot rust.
Jij uiterst kostbaar stuk.
Maar wat je mij geeft
is echt onbetaalbaar,
lieve nieuwe matras…

Öpdät

Oftewel: een update. Van mijn opruimwoede. Het heeft gewerkt. Niet te geloven maar het heeft gewerkt. Waar die box-met-stereoinstallatie-woede van man al niet goed voor is. Gisteren ben ik, geheel zoals beloofd, meteen verwoed begonnen met opruimen. Wenn schon, denn schon. De woonkamer is nu redelijk tiptop. Bérgen stof verwijderd, één bank (de slaapbank) weg, die staat nu bij dochter op de kamer, weet-ik-hoeveel pruttel weggemieterd. De auto zit voor de 2e keer deze week vol met spul dat naar het afvalcentrum moet. Inclusief bejaard computerbeeldscherm van man, de ouwe hometrainer waar hij ook nog aan wou ‘sleutelen’ en een heeeeele hoop oud papier en kapotte spelletjes. Ik ben in een weggooimood en dat moet uitgebuit worden (wie weet wanneer ik in de komende 10 jaar weer zo weggooierig ben).

Onze bedbank was éigenlijk kapot en stond in de weg. Ik had al foto’s gemaakt voor ‘gratis af te halen’. Tot dochter gilde dat zij ‘m wel wilde hebben want een bank op je kamer is coooooool. Man repareerde het ding stante pede, ik sopte ‘m af en voilá: mooie bank. Dan maar gelijk dochters kamer onderhanden nemen. Weer een hoop weggegooid, nog een paar ton stof verwijderd, bank geplaatst en opgeruimd. Helemaal gelukkig was ze toen ze uit school naar boven stommelde om te kijken. Jubelend gelukkig. En dit is nog maar de helft: ze krijgt binnenkort een eigen bureau en nog een grote opbergkast waar ik op de achterkant een mooie ‘wand’-schildering ga maken en met een spiegel op de zijkant.  Wordt mooi.

Waar dochter, daar ook zoon. Die kon vanzelfsprekend niet achterblijven. Dus ook zijn kamer onder handen genomen. Zo gauw we een nieuw bankstel hebben, krijgt hij de loungestoel als leesstoel op zijn kamer. Voor nu heb ik voor hem een prachtigmooie ‘bank’ uit matrassen en kussens gebouwd. Ook hij krijgt een kast met wandschildering en spiegel. En alles is schoon en afgestoft.  Wat een heerlijkheid. Vond hij ook gelukkig.

En dan aan de online planning bij Ikea: de kastenwand in de kamer, de kasten van de kinderen, etc. etc. Ik heb ’t boodschappenlijstje nu ook klaar.  Nu nog twee keer heen en weer karren (want dat gaat nooooooit in één keer passen, zelfs niet met de imperial erop) en alles in elkaar zetten.  En dan….roffelderoffelderoffel… krijgen jullie de ‘na’-foto’s.  De ‘voor’-foto’s heb ik sowieso vergeten. Oh en de boxen van man bevallen me ook steeds beter. Ze zijn best heul cool eigenlijk. En aangezien ik hier de grotere muziekfreak in huis ben, ben ik stiekem best wel een beetje blij met die nieuwe stereo-installatie. Niet in de laatste plaats omdat het de aanzet voor deze total home make-over was.

Dössöhh… mocht u me mössen, dan ben ik klössen.

(Wat een vreselijk oninteressant blog is dit eigenlijk. Maar goed, moet ook zo af en toe. Anders worden jullie verwend.)

Rustig aan

“Rustig aan hoor!”
“Laat alles gewoon liggen en doe even niks meer.”
“Laat je helpen. Dan moet je man maar wat meer doen…”
“Even een paar dagen niks nu, alles laten vallen.”

Maar vooral dat “even niks doen en alles laten”, dat werkt niet. Allemaal goed bedoelde, lieve adviezen. Ik wéét dat ik het rustig aan moet doen maar gewoon alles uit je handen laten vallen, op de bank gaan zitten en er drie dagen niet meer vanaf komen, dat gaat ‘m niet worden.

Gisteren was bijvoorbeeld het verjaardagspartijtje van dochter. Na bijna vijf maand uitstel wilde ik haar niet wéér teleurstellen. Dat zou haar hart breken. Iedere genodigde kon en ik had het al zo vaak verschoven… Dat ik zo stom ben om op mijn kop te donderen, tja, eigenlijk mijn probleem. En als ik niks meer had gekund, was het duidelijk geweest maar ik kan nog best heel veel en dat ziet zij ook…

Dus toch doorgezet. Man nog erop uitgestuurd voor de laatste boodschappen. Altijd weer spannend waar hij dan uiteindelijk mee thuis komt. Het viel mee. Twee moeders belden een uur van tevoren nog af voor hun kinderen, spontaan ziek, één of andere maag-darm-infectie. Kan gebeuren en ik was er stiekem wel blij mee: nu nog maar 9 kinderen om te entertainen. De muffins/soesjes kwamen matig aan, het kadootjesspelletje viel goed. Het bekers beschilderen was wat moeizaam maar leverde erg leuke resultaten op. Daarna kwam het voor mij aangenamere gedeelte: “bioscoopje spelen”. Alvin en de Chipmunks moest ’t worden. Shock: de DVD-speler begaf het. Horten en stoten en toen niks meer. Gelukkig hielp de Lou-methode: een goedgeplaatste mep erop (zal ‘m leren te haperen) en de stekker eruit en er weer in en toen deed hij ’t alsnog. Pfiewww, ik zag me al 1,5 uur lang 9 kindekes entertainen. Popcorn, chips, cola en fanta (hoe verantwoord…) erbij en ik ging even zitten en uitblazen met een kop koffie. Na de film nog friet met knakworst (hoe kregen ze het weg, maar het ging), nog twintig minuten rondracen, gillen en joelen en toen werd de eerste alweer opgehaald. Klaaaaar…

Denk je. Not. Dochter loopt lijkbleek naar de WC en gooit haar muffinknakworstfrietenchipspopcorncolabrij er weer uit. “Teveel door elkaar gegeten schat?” Ze kreunt maar wat terwijl ik haar haar naar achteren houd om verdere vervuiling te voorkomen. Vriendinnetje dat mag blijven logeren kijkt wat meewarig toe terwijl ze vermeldt dat ze die kotserij vorige week al gehad heeft. Op dat moment berouwde ik mijn opmerking over het teveel doorelkaar al. Dit was toch duidelijk dat maag-darmgedoetje…  ‘s-Nachts nog twee keer het bed volgespuugd en één keer volgepoept (de spuitpoeperij kon vanzelfsprekend niet uitblijven) maar ach, ik slaap vanwege mijn knie toch al heel slecht momenteel dus een paar bedden verschonen en wat middernachtelijke douchesessies konden er ook wel bij door. Vriendinnetje sliep ondanks de actie gelukkig gewoon door en de dames waren om half zes wakker. Fijnnnn….

Vandaag doen we het dan ter afwisseling inderdaad maar eens “rustig aan”. Dochter ligt op de bank, zoon hangt er in de stoel naast en ze ruziën gebroederzusterlijk over wat er op TV moet. Ik hang achter de (momenteel verbazingwekkend functionerende!!!) laptop. Man zit aan onze Van Haasteren-puzzel te puzzelen. Een nieuwe verslaving van hem. Eindelijk eens een leuke. Morgen rapportgesprekken op school, een bezoekje aan de schoolarts (voor zover dochter dan weer beter is) en een kleine na-vergadering na de middag (gemiste zitting van afgelopen week even bijpraten). De rest van de week is ook alweer volgepland. Het kan niet anders. Alles uit m’n handen laten vallen en drie dagen slapen, nee, dat gaat ‘m duidelijk toch écht niet worden. Hoe graag ik ook zou willen. Sorry.

 

S-s-saukalt

dat is het. Saukalt. Gisteren al. Vannacht gaat ’t richting de -15. Zeggen ze. Dat is op zich niet zo erg maar het heeft ook nog ‘ns enorm gesneeuwd. Eergisteravond begon het en vanmiddag is ’t gestopt. Er is nu zo’n centimeter of zestig-zeventig gevallen, niet overdreven, eerder onderdreven. OK, als dat allemaal bovenop elkaar valt, wordt de laag vanzelf weer dunner omdat het inzakt, dus nu is het nog zo’n 30-40cm. Een leuk laagje zeg maar. Ik heb gisteren maar liefst vier keer sneeuw geruimd. Nou ben ik redelijk gek op die sneeuwschuiverij (vooral nu we zo’n prachtig gladde, perfect schuifbare oprit hebben) dus dat is dan weer mazzel voor Hausmeisterin Lou, maar uiteindelijk wist ik toch niet meer zo goed waar ik die bulten sneeuw nou nog heen kon schuiven. Ja, steeds hogerop gaan, dat kon nog. Maar alle sneeuw die je aan de kant schuift ook nog eens op een berg van 1,5 meter moeten scheppen, dat werd me dan toch ook weer iets te gortig. Maar het is gelukt. Er is ook niet echt iets te merken geweest van ontwricht verkeer. Misschien een kilometer of 50 meer aan file en een hier of daar wat sterker vertraagde trein, maar geen dingen die het nieuws haalden, behalve dan de hoeveelheid sneeuw zelf.

Heel Oostenrijk verzucht: eindelijk sneeuw. Zoals Nederland elk jaar toch weer met smart wacht op een elfstedentocht, zo smacht men hier naar een flinke berg sneeuw. Na maanden van regen en föhnwind, van storm en gure, natte buien is er eindelijk sneeuw. En nu heb ik dus ook geen kind meer aan de kinderen: die maken in no time hun huiswerk (als ze na schooltijd überhaupt al binnen komen) en dan zijn ze verdwenen. Sleeën, burchten bouwen, sneeuwpoppen maken. Tegen vijven of halfzessen komen ze knalrood en zeiknat binnengestrompeld, vallen voor de TV neer, eten hun eten zonder boeh of bah op en uiterlijk half acht liggen ze voor pampus in bed. Ideaal. ‘s-Winters een berg sneeuw of zomers lekker warm zwemweer (en dan natuurlijk een zwembad in je tuin hebben hè). Alles er tussenin is prut.

Oh ja. Een paar plaatjes leverde het ook nog op, die sneeuw.

winter2 winter3 winter4 winter5 winter6 winter7 winter8 winter9

monday monday…

…no good to me…

Ach eigenlijk ook wel, zo erg is het allemaal niet. Het normale leven is weer begonnen. Kwart over zes, mijn lichtwekker simuleert braaf het ochtendgloren. Maar verder is ’t stikdonkere nacht. Een keertje kreunen en hoppaaaa, de voetjes op de koude laminaatvloer. Stampen maar: “Waaaaaakker worden!!!” en ik stamp vervolgens linea recta door naar de WC, alwaar ik mijn buikkramp verlicht. Misschien was die eend van gisteren toch niet helemaal goed gaar. Of ik heb op de één of andere manier toch weer teveel koemelk binnen gekregen, who knows. Ik wou dat ik m’n vetrollen er net zo makkelijk af kon poepen.

Zoon draait zich fijn nog een keer om, dochter prevelt een heel verhaal over kapotte vlinders en haar knuffelbeesten die haar niet beschermen konden vannacht. Nee, die liggen beneden op hun onderhoudsbeurt te wachten. Door de meerdere gaten in hun kruisgebied komen de doorzichtige vulkogeltjes naar buiten donderen. Zo gelijk maar even doen.

Zoon krabt zich een ongeluk, heeft nog meer bultjes dan gisteren. Eén of andere rare netelroosuitslag? Ik dacht eerst aan vlooien of bedwantsen o.i.d. maar ik heb zelf niks (en vlooien moeten echt áltijd eerst mij hebben) en ik heb gisteren maar gelijk alles schoongemaakt, van bed (mét speciale antistofmijtenhoezen) tot kleding, alles op 60+ graden gewassen, alles volledig ongedierteloos. Vanmiddag maar even naar de dokter…

Dochter jammert over haar knuffels. Waarom ik nog stééds niks gedaan heb. Ja sorry hoor, ik heb de opdracht pas gisteravond gekregen, op een zondag nota bene. Eerstmogelijke uitvoeringsdatum is dan toch echt maandag. Nou goed, of ik het dan zometeen maar gelijk even in orde wil gaan brengen. “Alsjealsjealsjeblieft mamma…

Zoon stommelt naar beneden en laat gelijk de katten binnen. Samen met een sloot aan hun poten en vel hangend HuntiHasimodderwater. Fijn. Ik moest inderdaad nog de vloer dweilen. Het dagelijks kattenafdroogritueel volgt met veel gespartel en gesis. Ze vreten, drinken en gaan vervolgens op elkaar los. Galopperende, parcoursrennende katten bij ’t ontbijt, nog zo’n heerlijkheid. Ik schop ze (figuurlijk dan) gelijk maar weer naar buiten want dit verdraag ik niet op de vroege ochtend. Zoon wurgt zijn toast naar binnen, dochter prikt in haar broodje en mompelt dat ze dan nu, bij het ontbijt, ook maar eens begint met minder eten. Tanden poetsen, gezicht wassen, anti-jeukzalf op de bultjes smeren, schoenen en jas aan en naar buiten, waar precies op dat moment de schoolbus al aan komt sjezen. Veertien minuten over zeven. En weg zijn ze.

Ik maak nog maar een kop koffie en stort me op het eerste absoluut noodzakelijke project van vandaag: Knuffel-EHBO. Hunti en Hasi houden hun ingewanden weer binnen.
Nou ik nog…

Rot

 

De kerstboom gaat uit. Dat heb je met lampjes die veroordeeld zijn tot het werken met een tijdschakelaar. Maar zo’n drie tot vier weken per jaar word ik elke avond rond deze tijd een beetje melancholisch. Pats. De lieflijke lichtjes doven. Te vroeg. Waarom ik die verhipte schakelaar niet gewoon op een uur later uitgaan zet, beats me. Misschien heb ik het nodig, deze melancholie voor het naar bed gaan. Lenny Kravitz bromt in m’n oren dat ik de love moet laten rulen. Ga ik zo doen. Ik voel m’n rug, nog een teken dat ik oud word.

Rotrug. Rotlampjes. Rotmelancholie. Rotslaap.

Gelukkig ben ik gek op Rot.
Schön Rot ist nicht häßlich.
Toch?

één-januari-blues

Een doffig gevoel oliebol
Een wolwarrig hoofd
geen kater of intern gejoel
gewoon nieuwjaarsverdoofd…

Alles wat ik nu nog wil
Koffie in een emmer,
een jaaropstartpil
en een hersentemmer…

Miezerregen past perfect
bij loslopend gedachtenwild
loomlamme ogen afgedekt
Alle energie gekild…

Een aangevroten oliebol
Een weigerende sterreflikker
De maag nog steeds overvol
Pens nóg een beetje dikker.

Wéér een jaar voorbij
Wéér zo’n nieuwe start
Samen brak maar wel trilvrij
En iets met halve smart…

Een weigerende strotteklep
vingers maken mengelmoes
ik geloof echt dat ik het heb
die één-januari-blues…

 

Happy world

Happyworld1Een hoofdmassage én vlechtjes-met-ingeharkte-luizenkam krijgen van je dochter.

Je verheugen op het aansteken van de échte kaarsjes in je kerstboom en op het feest van licht&liefde.

Samen met je kinderen een lachstuip krijgen van een feelgood-filmpje op youtube.

Je neus in een glas volle rode wijn dompelen en met het puntje het vhappyworld4loeistofoppervlak raken.

Opgaan in een gezamenlijke kerstdrumsessie, ook al kun je er dan geen hout van.

Koffie drinken en het laatste lokale nieuws bekletsen met twee lieve buurvrouwen tegelijk.

Zonder muts buiten staan, je ogen sluiten en voelen hoe sneeuwvlokjes tussen je haren en op je huid smelten.

Met z’n allen kaplakunstwerken bouwen en dan met stuiterballen omver schieten.

Dochter die met de hoofdmassagespin op haar hoofd brult: “woohooo ik ben een Alien en ik ga je meeeeeenemen!!!”

Een megagrote bak lychees leeg eten tot je ellebogen er letterlijk van lekken.

Een dankbaarheidskusje van je kat op je neus krihappyworld2jgen voor dat extra lekkere stukje spek.

Met je supermarktspaarpunten die knuffel-ui krijgen waarvan je zomaar ineens wist, dat je daar nou altijd al naar gezocht hebt.

De schilderijen-in-opdracht bíjna klaar hebben maar nét die laatste climax steeds weer uit kunnen stellen.

Noghappyworld3 maar drie zakjes die aan het adventskalenderlint bungelen. Samen met een geknutselde eekhoorn.

Lachen om de Maya-prijzen in een reclamespot op TV. Zo laag dat ze bijna ten onder gaan.

De lichtjes in je kerstboom zien en beseffen hoe goed je het hebt.
En hoezeer niks te klagen…

.

Happy world binnen een straal van 30 meter.
Oh.
Binnen een straal van één meter valt de wereld in duigen.
Dochter piest zoon over de voeten.

Happyworld5

okee okee…

Genoeg gevloekt voor vandaag. Was lekker. Of nee, eigenlijk ook niet. Maar soms heb je van die dagen. Ik ben ook maar ’n mens hè. Dan
gaan de dingen niet bepaald zoals je wil, willen mensen dingen van je die jij niet wil doen, doe je dingen waar je een minuut later alweer spijt van hebt, heb je dagen waar alles mis gaat, gaat niks zoals het moet, moet je vanalles wat je niet wil, etc. Dat dus. En ik vind “fuck you” gewoon ontzettend lekker klinken, hoe maf dat ook klinkt. Ik weet ‘t, ik ben raar. Maar ik ben een zoiets als een lichaamfunctievloeker. Aangelegenheden als poepen (kak, Scheiße, shit), stinken (rot toch op), urineren (gore zeikerd) en ja, ook de liefdesdaad an sich moeten er op zulke dagen wel ‘ns aan geloven en mij dan nederig dienen als inspiratie voor mijn frustratieuitroepen. Geen mens is eeuwig de lieflijkheid zelve… [dit herlezende, klinkt het alsof ik dagelijks een potje vloek, maar dat is dus absoluut niet het geval  hoor! Ik vloek eigenlijk zelden. Echt heel zelden. Maar áls ik het doe, dan zo… dat u dat even weet]

Ik weet ‘t.
Ik zou mij veel meer moeten beheersen. Doe ik ook wel, op mijn manier: over het algemeen roep ik de grovere varianten enkel binnenshuis en dan ook nog bij voorkeur als ik alleen ben. De kinderen mogen het f-woord enkel in de auto – raampjes gesloten – roepen (en zingen: ik heb Lily Allen met haar “Fuck You” in de auto, heerlijk om knetterhard op mee te joelen, dochter kent de tekst al uit haar hoofd, net als Pink met “So What”) omdat ik het dan ook doe en dat is dan o.h.a. ook nog enkel en alleen de schuld van stuntelende medeweggebruikers die al lang niet meer in het bezit van een rijbewijs hadden moeten zijn. [en ook dit komt allemaal zonder regelmaat voor. Of met andere woorden: het komt ‘wel eens’ voor, maar niet vaak. #zucht]

Ja ja, ik weet ‘t.
Ik zou mij als goede moeder beschaafder uit moeten drukken in zulke situaties, maar aangezien ik gewoon moeder ben en niet per definitie goed, mogen de kinderen ook het botte gedeelte van mij af en toe ervaren. Welcome to the real world. Zoiets. Hard religieus vloeken doe ik niet en dat vind ik al heel goed van mezelf. Een “jezus” wil er heel soms nog wel eens uitvliegen (of een afgeleide daarvan: jemig), maar ik kan moeilijk een god aanroepen om mij te verdoemen als ik niet eens in een god geloof. Dat doen we dus niet.

Maar toch. Zo af en toe moet ik dus ook even.
Hoe vreselijk het ook klinkt. I’m a bad person.
Vloeken. Als ’t allemaal precies zó gaat als ik níet wil.
So sue me.
MENS nog an toe!

fuck you

fuck you.fuckyou
oh, mag dat niet?
bepaal zelf wel wat ik doe.
fuck you.
zoals je ziet.
pech gehad. klep toe.
fuck you.
krijg toch fijn
’t heen en weer. ben moe.
fuck you.
laat me zijn
wie ik ben: kiekeboe.

doet’t-ertoe
toedeloe
jioe-jitsoe
hengelroe
opperzoeloe
kerstmoe
maraboe
blindekoe
nie goe?
fuck you!
.
.
.
.

(háh!! lekker was dat :-))

Sleepless in the battle

Kinderloos kerstfeestmenu met acht gangen. beddenboel
Yum.
Hotel Schoonmoe plus kindersitterservice.
Deken-, luchtbed- en kussenslachtvelden.
Volgevroten en bezopen in luchtig bed vallen.
Kunnen wij.

Luchtbed blijkt niet werkelijk luchtdicht.
Auw.
Heftigst pompen om halfdrie ‘s-nachts.
Gaskachel die zich tegen ’t warmen weert.
IJskoude neus en ademdonderwolkjes.
Hebben wij.

Half uur verwarming repareren. Zinloos.
Prut.
Houtkachel aangooien bij min tien graden.
Laatste reanimatiepoging van luchtloosbed.
Kwart over vier in lichtblauw op Nissan Note.
Zien wij.

Woelen. Vechten tegen de kou en harde vloer.
Zucht.
Gebroken en kapotstuk bij ’t ochtendgloren.
Drie uur non-slaap, oorlogswintergevoel.
Opstaan. Kop pikzwarte koffie. Allerbrakst.
Zijn wij.
.
Dat zijn nou ónze oorlogen.

Schoenensint

Sint was toch nog niet helemáál klaar…

Vanavond deden we een poging om die Sint toch nog onze kant op te lokken, een kleine omweg op zijn terugreis naar Spanje. Via Rijn, Neckar, een klein stukje klunen met de boot, Naab en Donau kan dat best. Gisteren, Sinterklaasavond, konden we door logistieke omstandigheden geen schoen zetten. Dit jaar hebben we Sinterklaas, zoals we het tot nu toe vierden, eigenlijk sowieso helemaal opgegeven. Nou ja, IK heb ’t opgegeven. Want de enige die het zó graag in stand wilde houden, was ik. Ik met mijn oerhollandsche sinterklaasgevoel…

Al die jaren las ik de kinderen weken van tevoren sinterklaasboeken voor. Ik plantte ze dagelijks voor het Sinterklaasjournaal in de hoop dat ze de hele toestand inclusief Diewertje’s gebrabbel een beetje snapten. Ik bakte pepernoten, speculaas en taaitaai met ze. Ik kocht kadootjes (en mijn mams ook, elk jaar, zo lief), speelde theater. Regelde een zak-en-wasmanden-neerzetter als wij op sinterklaasavond “even lekker gingen wandelen”.

Het mocht allemaal niet baten. Het gevoel zit er simpelweg niet in. Sinterklaas leeft hier niet zo, ook al is-ie al eeuwen dood. Ja, op school krijgen ze een chocosinterklaas in hun schoen. Fijn zelf geregeld, ouderverenigingslid zijnde. Er huppelt hier jaarlijks op 5 en 6 december ‘s-avonds een horde gruwelijk slecht verklede bisschoppen van Myra door het dorp (zo slecht dat je de baardelastieken size XXL achter hun oren ziet zitten), die huizen vol angstige kindertjes aandoen om te vertellen wie zij nu wel niet waren in vroegere tijden en dat de kindertjes vooral braaf moeten zijn. Vervolgens krijgen ze een hand vol pinda’s (het vroegere schoenalternatief voor pepernoten) en een mandarijn en dan is Sint weer met de noorderzon vertrokken. Gracias pero non gracias…

Daarom heb ik de kinderen verteld, dat de Nederlandse Sinterklaas gezegd heeft, dat hij op de terugweg naar Spanje misschien nog wel even langs Oostenrijk zou komen om de Nederlandse kinderen aldaar nog iets in de schoen te stoppen. Maar dan moesten ze wel braaf schoen zetten. Voor de (schoorsteenloze) kachel. En hárd zingen a.u.b.

Dat hoefde ik geen twee keer te zeggen. Alle schoenen die ze hadden werden in no time aangesleept.
“Nee lieverds, één schoen. Anders weet de Sint niet waar hij z’n spul in moet doen.”
De koelkast werd geplunderd: mandarijnen en wortels en chocola rond de schoenen gedrapeerd.
“Nee schatjes, IN de schoen. En geen chocola. Da’s niet goed voor Piets witte tanden.” (en haar lijn…)
De kaarsjes werden aangestoken. Daar zag ik geen probleem in dus dat mocht.
Maar dan wel zingen nu.
“Klingggg klokje, klingelingelinggggg….”
Zucht…
Zinloos…

Ik heb zelf maar even uitbundig alle sinterklaaskapoentjes en -bonnebonnebonnes door de ether geschald en ze zongen vlijtig mee, moet ik toegeven. Ik heb Kinderpunsch (een soort alcoholvrije Glühwein) gemaakt en brokken speculaas met ze gegeten (oh wat een ellende 🙂 ).

Nu is man net thuis gekomen en ga ik de onder-elf-jarigen in dit huis maar ‘ns een etage hogerop duwen.

‘ns kijken of de goedheiligman toch nog een waterig omweggetje voor ons maakt…

Morgen ga ik een kerstboom kopen.
.

EPILOOG:
Het is gelukt. Hij kwam in een sneaky moment, die Gutheiligmann. Kindertjes happy vanochtend. Ik ook.
Dank u Sintisklaarsje!!!
dankusintisklaartje Sintisklaar2

wake up – de tweede

Zo, dat was even lekker (afgezien van de muisingewanden waar ik uitgebreid in rondstampte toen ik in de kelder m’n snowboots ging halen… yuccckkkkkk). Ben niet lang buiten geweest (want het sneeuwregenhagelde alweer en dan is de lol voor mij er wel vanaf) maar wel wat leuke dingen gezien. Ik zal u even mee laten genieten…

I feel so lonely... #iApple

I feel so lonely… #iApple

The Three Trees

The Three Trees

Ik was zo graag nog een roosje geworden...

Ik was zo graag nog een roosje geworden…

Cornus Alba

Cornus Alba

Sneeuwduif

Sneeuwduif

Hoe lang moet ik nog...

Hoe lang moet ik nog…

Ouwe besjes

Ouwe besjes

Kouwe Reiger

Kouwe Reiger

Winterhout

Winterhout

fout gedacht

Elke avond steeds opnieuw
geef ik  jou een mega duw.
In de afgrond oh zo groot
stort ik jou in de eeuwige dood.
Hang ik je vol genoegen op
aan m’n zelfgevlochten strop.
Snijd ik je keel zomaar door,
met een mes je hart doorboor.
Haal ik de trekker lekker over
die knal, een echte oorverdover.
In de kiem word jij gesmoord,
want jij bent NIET prettig gestoord.
Precies wat ik altijd al verwachtte,
jij rottige, negatieve gedachte…

Katten en muis

Gisternacht, kwart voor twaalf. Ik was al halverwege de trap naar boven, op kousevoeten en moemoemoe. De hele avond waren onze katten al in de weer geweest, onrustig, een hoop herrie makend. Ik keek er niet meer van op. Maar nu ineens spitste ik daadwerkelijk toch even de oren.

Gestommel in de kelder. Gesis. Heel zacht gepiep.
Ah neeeee hè…
Niet weer…
Wel weer.
Een muis. De kat (Koschka) had een muis mee naar binnen gesleept. Een heel erg levende muis welteverstaan. Normaalgesproken zijn die beestjes (half) dood als ik ze vind, maar ook een levende exemplaren heb ik in ’t verleden al in onze kelder gesignaleerd maar die waren tot nog toe binnen no time gecopperfield (foetsie). En ik heb ook al eens een heleboel grijze veertjes gevonden… Zo langzaamaan raak ik gewend aan die half uitgekauwde of uitgekotste veldbeesten: plastic zakje over je hand, de boel oppakken (niet te hard knijpen, yuckkk), zakje eroverheen stulpen, dichtknuppen en in de kliko. Net hondenpoep. Maar levende beestjes, daar moet ik toch steeds opnieuw aan wennen… Die kan ik niet zomaar in de kliko mieteren :-S

Onze katten krijgen duidelijk teveel te vreten: de meegebrachte trofeeën dienen enkel nog voor het vertier. Met een welgeplaatste pootzwieper vliegt ’t beestje van de ene hoek naar de andere en de kat schiet vergenoegd erachteraan. Even de tanden erin (niet te hard bijten), poot erop (niet te hard drukken) en whoppaaaa daar vloog weer een grijs bolletje naar de andere kant. Dit keer was het muisje echter de sauna in gevlucht (deur open laten staan, dom dom dom…) en was daar nu samen met Koschka de weldaad van een koud damphok aan ’t bestuderen. En dát hoorde ik dus. Naar beneden gelopen en de situatie meteen scannende deed ik de saunadeur dicht. Inmiddels kwam kat nummer twee (Kitty) ook beneden en zat aan de andere kant van de saunadeur toe te kijken. Toen de muis een moment van het deurricheltje af was, heb ik haar er ook maar ingelaten, konden ze samen even lekker muisdollen. Ik hoopte op deze manier het beest wat sneller uit zijn lijden te verlossen (m.a.w. dat één van de beiden iets sneller toe zou bijten). Maar nee, het werd een gezellig potje muistennis. Uiteindelijk was de muis zo suf dat-ie enkel nog in het midden zat te wachten op de volgende zwieperd. Toen kon ik ’t niet meer aanzien en heb ’t beestje gepakt om ‘m naar buiten te gooien (bovendien wou ik eindelijk ‘ns een keer naar bed. Muistennis is saai om naar te kijken). De katten denderden achter mij en hun afgepakte speelgoed aan de trap op. Ik gooi ’t beest de voordeur uit en de katten schieten er achteraan. Deur dicht, klaar.

Eigenlijk had ik de muis dood moeten slaan want zó werd het lijden nog langduriger en overleven zou hij dit geheel sowieso niet (total shock, kapot gekauwde staart, van hersenbloedinkjes etc. maar niet te spreken). Maar ik kon het niet… Zo’n klein warm diertje, dat ratelende hartslagje, die kleine kraaloogjes die me aankeken…) In de hoop dat de katten ‘m nu toch maar snel op zouden vreten ging ik tanden poetsen en handjes wassen (jaja, was nodig). Nog geen 5 minuten later hoorde ik wéér gestommel in de kelder. En jawel, daar zat Koschka weer met haar voetbalmuis. Fijn, die katten. Echt heerlijk.
*duizend bommen en granaten vloekend*

Nu was ik het zat, heb de kat met muis en al hardhandig opgepakt, het beest uit de bek getrokken, de kat bij de voordeur naar buiten gesodemieterd en de muis met een enorme boog een heeeeeeeel eind het grote veld, dat 20m achter ons huis ligt, in gegooid (het was volle maan dus ik kon zien waar ik ‘m naartoe keilde. En het veld is een halve kilometer breed dus dat kon haast niet missen). Daar mocht hij naar hartelust en in alle waardigheid sterven wat mij betreft (als-ie z’n boogvlucht überhaupt al overleefd had).

Kattenluik op slot.
Slapen.
Eindelijk.

Vobbele

Dinsdagavond. Championsleague-avond. Ik snap er letterlijk de ballen van. Wie speelt nu waarvoor? UEFA-cup, Championsleague, de 28e Divisie, Huppeltrut-Liga, allemaal één pot nat. WK’s en EK’s, dáár kan ik wat mee. Dan weet ik tenminste nog om welke koek ’t gaat. Maar de rest is voor mij enkel een hoop groen met kans op mooie benen.

Ik snap voetbal als sport op zich wel hoor. Ik zal wel moeten. Ik ben ‘officieel’ trainster bij de voetbalvereniging, inclusief gesponsord voetbalpakkie. Maar on the other hand, ik train de allerállerkleinsten: van 4 t/m 6 jaar, samen met nog 3 andere dames. Da’s gewoon leuk en vooral heel erg lollig. Van voetbal kun je niet echt spreken, hooguit het laatste kwartier chaosvoetbal met drie teams, drie doelen en (minstens) drie ballen in één veldje van 20 bij 20 meter. En een lol dat we hebben (ja, WE, wij ouwetjes doen o.h.a. gewoon lekker mee, dat kwartiertje). Doeltrappen mogen ze natuurlijk ook, onze bambini’s, waarbij wij dan in ’t doel staan en ze vreselijk hun best doen om vooral ONS te raken i.p.v. iets suffigs als een doelpunt te maken. Lou in d’r waffel schieten, dát is pas écht leuk voetbal.

Juventus tegen Chelsea daarentegen (momenteel op de beeldbuis) is een nogal Asamoa-geconcentreerd gehobbel. Veel ogen-en-neus-wrijvende Chelsea-spelers. Ze hebben niet voor niks blauwe tenuetjes aan, dan vallen de blauwe plekken niet zo op. En ’t past mooi bij de gele kaarten. Dat ook.  Ik blijf ’t een saai iets vinden om naar te kijken. Tenzij Nederland voor ’t WK/EK speelt. Of Oostenrijk (whaaaaaaaaaaaaaahahahahah geintje).

Laat ze maar lekker vobbele, die mennekes.
Als ze maar wel hun benen fatsoenlijk ontharen.

Goddelijke vingers

“ah schat…masseer je m’n nek even, het zit daar echt helemaal vast…”
“neuh.”
“oh.”

OK. Schat heeft duidelijk geen zin in masseren. Niet in nekmasseren tenminste. Daarom heb ik ’t geld maar weer eens in eigen hand genomen en hem gezegd dat hij niet verder hoefde te zoeken naar een verjaardagskadootje voor mij. Zoals elk jaar heeft hij mij dus ook nu weer iets gegeven wat ik écht wil en wat hij dan ook níet zelf heeft hoeven kopen. Valt altijd goed: hoe minder moeite de bok voor ’t huisschaap mot doen, hoe beter. Dat weet ik inmiddels en ik kan daar ook heel goed mee leven omdat ik nu mezelf gelukkig kan maken. En als er iets is wat ik goed kan, dan is het mijzelf de juiste dingen kado geven.

Dit jaar waren dat dus twee goddelijke shiatsu-nekmassagevingers. Vastgemaakt aan een massage-expert met roterende, op wens verwarmde (!) ballen die mijn rug vakkundig masseren, van onder naar boven en weer terug. En voor het ultieme genot kan het onderste gedeelte van deze pro ook nog op commando vibreren… Ik was als een kind zo blij toen mijn pakket er was en heb mijn anytime-anywhere-privé-masseur dan ook meteen liefdevol op mijn computerstoel geplaatst. Vanaf nu (jaja, NU ook) zit ik te pas en te onpas braaf op zijn gewillig trillende, warme schoot… De eerste dag was ik nogal onstuimig en hebben we ons duidelijk toch iets te lang samen geamuseerd. Ik had daarna drie dagen lang een beurse rug en nek maar we leren elkaar nu langzaamaan steeds beter kennen en waarderen. Ik ben duidelijk een getalenteerd schootzitster.

Mijn massagestoelmat. Wat een uitvinding. Ik heb zo het gevoel dat dit een innige relatie gaat worden. Kijk ons eens gelukkig zijn, mijn Medischrambo en ik… Geen sadomaso- maar een een caromasso-relatie. Ik heb weliswaar niet de Rolls Royce onder de massagedingesen, maar het is onnoemelijk veel beter dan een bokkig knedende man die liever met een bierblikje in zijn hand naar FC Bayern had gekeken.

Nu nog een fatsoenlijke, gewillige, onvermoeibare, tedere rug- en haarkriebelaar vinden.
Anyone?

Genesis van een groenbruine taart

Omdat veel mensen gisteren al meegeleefd hebben met mijn hulktaartperikelen en nog meer mensen zich afvroegen hoe zo’n spinaziechocoladetaart nou smaakt, doe ik nu iets wat ik op mijn blog nog nooit heb gedaan en ook niet zo snel weer zal doen:
ik post het recept.

Ik moet nog wel vertellen dat de taart uiteindelijk toch nog héél goed gelukt is en… ja echt… gruwelijk lekker was!!! Zoon heeft zich er ongans in gegeten. En die lust dus écht geen spinazie als groente. Maar hij vroeg wel uitdrukkelijk om een (door mij al lang en breed vergeten) spinazietaart. En eerlijk, ik zweer ’t op m’n mooie blauwe ogen: je proeft die spinazie NIET! Echt niet. Het is gewoon naar een heerlijke, smeuïge, knalgroene, cake-achtige taart met een vleugje citroen. Ik vind persoonlijk het spinazietaartdeel nog tig keer lekkerder dan de chocoladedeel. Ah toe, geloof me nou…

OK. Genoeg overtuigingswerk gedaan.

Het recept. Here we go.
Voor het spinazietaartgedeelte (de onderste laag):
Nodig:
0,5 kleine zak diepvries bladspinazie
1 koffiekopje olie
6 eieren
2 koffiekopjes tarwebloem
1 zakje bakpoeder
1 zakje vanillesuiker
2 afgestreken TL citroensuiker (of citroenpoeder oid)
1 koffiekopje suiker

Spinazie met de olie in de keukenmachine of met de staafmixer héél fijn maken.
Bloem en eieren, bakpoeder, suiker, citroensuiker en vanillesuiker goed mixen.
Spinazie-oliemengsel erdoor mixeren en in een 26cm-springvorm doen.
(Vervolgens til je de springvorm op z’n  alleronhandigst op en smijt je ongeveer de helft van het taartbeslag dwars door de keuken want aan de andere helft van dit recept heb je ook méér dan genoeg en schoonmaken is léuk!!!)
In een ronde vorm bakken, 40 minuten op 160 graden.
Als je de spinazietaart zonder brownie-toplaag maakt, kun je de taart bijv. bestrijken met een dikke laag stijfgeklopte slagroom (1/4l slagroom met 2 zakjes vanillesuiker, 2 EL poedersuiker en een zakje klopvast)

Ik heb de taart gevuld met botercrème, dat is ook heerlijk. Groene taart in ’t midden horizontaal doorsnijden en bestrijken met ca. 0,5 cm crème. Dan de bovenste laag er weer bovenop leggen. Mijn botercrème heb ik gemaakt m.b.v. een professionele mix maar die kun je ook heel prima zelf maken (even googelen of op deleukstetaarten.nl kijken).

De bovenste chocoladelaag van deze taart heb ik wat simpeler gemaakt: brownie-mix van Dr. Oetker (*grijns*) in een wat kleinere ronde springvorm gebakken. Ook horizontaal door de midden snijden, de onderste helft m.b.v. wat botercrème op de spinazielaag plakken, daarop choco-botercrème smeren (zelfde botercrème als hierboven alleen nog gemixt met 2 EL nutella en ca. de helft van 2 gesmolten plakken pure chocolade – ik smelt die altijd met ca. 1/8 l. slagroom en wat basterdsuiker au bain marie), bovenste laag er weer bovenop leggen en daarop weer choco-botercrème. Daarop de rest van de gesmolten chocolade uitgieten.

Dan de taart versieren: met slagroom de onderste rand afsmeren, toefjes maken en van de rest van de choco-botercrème ook toefjes en strepen maken, etc. Wat je maar leuk vindt. Feel free to experiment. Oh en de binnenkant ziet er dan zo uit:

Ik zou zeggen: probeert u het ‘ns een keer uit.
Verras uw kinderen of naasten met een hulk-poep-taart.

Hulktaart

Laten we beginnen met ’t feit dat dit mijn dag niet is. Ik stapte vanochtend vroeg in de auto om naar de vibrogym te tuffen en bij ’t starten verscheen er op het display een schreeuwend, knalrood, levensgroot alarmteken. Een lichte hartverzakking maar na een kleine autotest kon ik niets ‘verkeerds’ vaststellen dus ben ik toch maar heengetuft. Eenmaal weer thuis keek ik maar ‘ns in de autohandleiding (jaja, zo’n ding hebben wij) en daar stond dat bij dit teken het remsysteem van mijn Oud-i defect zou zijn. “Motor abstellen und sofort zu einer Werkstatt schleppen lassen”. Whutttt???? Tweede hartverzakking. Nog een testritje met veel gas bergaf en snoeihard remmen. Alles deed ’t werkelijk prima. Wat nou defect remsysteem, pffff.

Afijn. Dat was ’t kleinste probleem van vandaag. Wat belletjes en noodzakelijkheden, boodschappen en andere krimskrams, dat ging allemaal redelijk goed. Tot aan de avond. Zoon had voor z’n verjaardag morgen een hulktaart, oftewel een spinazietaart, besteld. Met chocolade.

OK… Spinazietaart had ik al twee keer eerder gemaakt dus dat moest wel lukken. Ware het niet dat ik het briljante idee had, om het ding in mijn silikonen bakvorm te maken. Dat is zo’n rooie flubberrand met een glasplaat als bodem, die je er los in legt. Ideaal ding. Eigenlijk. Voordat de kinderen naar de scouting moesten had ik het beslag al gemaakt. Met een hele kop olie, een bult suiker, wat meel en 6 eieren. Oerdegelijke, trigonomisch verantwoorde taart. Ik klap het ‘lege’ bakje dat voorheen nog vol was met relatief kleine eitjes, dicht en kijk er verder niet meer naar. Vlug de zooi opruimen en de vuilnis aan kant. Laat het nou zo zijn dat ik mijn eierdozen altijd platstamp en bij het oud papier doe (schoonma wil ze niet meer want al haar kippen zijn inmiddels tot soep verwerkt en statiegeld zit er ook niet op, nee…). Ik dump de doos op de grond en nog voordat mijn voet neerkomt om te pletten schiet het door m’n hoofd. “Was-ie wel leeg? Hij voelde zo zwaar…”

PLET!!! Met een ei erin. Grrrrrrrmpfffff. Die dozen houden gelukkig goed wat tegen dus het viel nogal mee met de zooi, maar duf is ’t ergens toch wel… Anyway. Ik had ’t poppenstrontachtige beslag al gemaakt (ja echt, met spinazie krijg je een prachtige groene hulktaart mee en daar was ’t zoon allemaal om te doen) maar moest dus nog even snelsnel de kinderen ophalen. Oudi heeft danige startmoeilijkheden maar het lukt nog net. Thuisgekomen nog sneller dan snel de groene blubber in de bakvorm gekieperd en hoppaaaa de oven in. En daar haperde het.

Wat ik normaalgesproken gewoon wéét en nóóit doe, deed ik nu. Ik pakte mijn bakvorm bij de randen op (zoals dat hoort) en plaatste hem vervolgens op m’n rechterhand om kelner-like richting bakoven te manouvreren. En daarmee drukte ik dus het (losse) glas inclusief smurrie zo omhoog. De groene drab gulpte over mijn hand en ik draaide zo snel mogelijk terug om de boel op m’n (thankheavens schone!!!) inductieplaat te kwakken.

Desalniettemin zat alles onder… de vloer, m’n keukenlades, het ikea-trapje, de overige bakblikken, m’n kookboeken… Nigella moest ‘ns weten hoe ze er hier vanavond bij stond :-S Wat een zooi, wat een zooi. De katten verheugden zich al op een zoete nacht. En de ervaring leert, dat spinazie in combinatie met suiker, olie, eieren en bloem een gigantische groene kleefprut oplevert, die je met de gemiddelde microvezel-vaatdoek enkel een beetje zinloos aan ’t grinniken maakt.

Ik heb eerlijk gezegd eerst zelf drie minuten keihard staan lachen, toen eerst maar ‘ns een foto gemaakt, de hoofdmoot schoongemaakt zodat ik bij de overige bakblikken kon, onderwijl grinnikend en hard vloekend, de bruikbare spinazietaartresten van de kookplaat geschraapt, in een nieuw bakblik gekwakt en dat halve geheel gebakken. En wonder oh wonder, hij is nog steeds groot genoeg. Ik blij.

Moraal van dit verhaal: ooit komt alles goed. Zelfs hulktaart. Morgen verder met spinazie van kookboeken en keukenlades afkrabben.

Boe

Ik heb nu al ongeveer een maand een blog met de titel “Boe” als concept open staan.
Ik weet niet eens meer wat ik ermee wilde zeggen of wat ik nou wou schrijven, maar het begon met “Boe”…

Boe
rensnuiter.
Boe
kenlegger.
Boe
zem.
Boe
ventuig.
Boe
da pest.
Boe
noch bah.
Boe
ing.
Boe
ketje.
Boe
kieke.
Boe…

Ik weet ’t niet meer.
Dan maar gewoon Boe.

“Eikel eersteklas”

Een frequente gedachtengang van mij.
“Wat ben je éigenlijk toch een….”
Komt puur door de regelmatig vaute inschattingen van mezelf.
Ik kan niet zeggen dat mijn mensenkennis nou zo geweldig goed is.
Ik vind bijna iedereen aardig, ik vind veel mensen ontzettend lief.
Van een heel stel daarvan hou ik zelfs met heel mijn hart.
En zij van mij, da’s wit achter zwart 😀
Maar soms kom ik er dus na een tijdje achter.
Vallen de oogkleppen af en zie ik weer scherp.
En dan komt die gedachte dus.
Maar gelijk daarna volgt: “Ik stomme trien, wéér niet gezien.”
Ik heb een roze bril op sterkte nodig.
Het liefst multifocaal.
Eikol…

Genezen.

Borsten? Check!

Dat heb ik vandaag gedaan. M’n borsten laten checken. Gezien de situatie met mijn mama wilde ik toch echt wel even weten of bij mij alles nog OK is of dat er zich daar ook iets aan zou kunnen dienen…

Om 9.00h had ik de afspraak. Optijdmens als ik ben, was ik er om 10 voor 9. Even een vragenlijstje invullen (nee ik ben niet zwanger (godsonmogelijk), ja er is een geval van borstkanker in mijn familie… (snik), nee ik heb geen eerdere memmengrafiën (dank voor het prachtwoord, meneer Dokter!) gehad, ja dit is puur preventief). En toen kwam het verbazingwekkende: om 5 VOOR 9 werd ik al opgeroepen!! Ik was er bijna verbouwereerd van.

In de kabine mocht ik alles boven de gordel ontbloten en toen begon een korte borstenpletprocedure. Wat een raar ding is
dat, die mammografeermachine. Een zwarte plaat waar je je borst op legt, een soort plexiglas box erboven. De dame ‘hielp’ vakkundig mijn rechterborst in de juiste positie te drukken. Toen alles goed lag kwamen zwarte plaat en plexiglasbox duidelijk nader tot elkaar. Heel erg nader. Met mijn borst ertussen.  In totaal 4 opnames: horizontaal geplet, verticaal geplet, links en rechts. Ach. Het is te doen: er zijn ergere dingen.

Toen volgde nog de sonografie. Nog steeds in enkel zwarte broek en laarzen (whoeiiii sexy) mocht ik mij neervlijen op de behandelbank. Dokter E. moest eerst nog een telefoongesprek afhandelen dus ik oefende mij maar weer eens  in het blootborstig plafondstaren. Dat kan ik inmiddels redelijk goed. Ineens was meneer klaar en greep wat onverwacht de fles met scansmurrie om mijn beide borsten even flink in te spuiten. Ik schrok toch een beetje, griebels wat is dat spulletje koud! Splattt, splattt en je bent nat. Even met de ultrasoundkop eroverheen jassen en klaar. De foto’s van de memmengrafie werden nog kort maar minitieus bestudeerd op de computer terwijl ik met een hoop doekjes mijn borsten weer mocht ontslijmen.

“Alles is in orde, mevrouw.”

Wat een mooi zinnetje. (En hij zei mevrouw tegen mij!)
En ineens zo niet vanzelfsprekend meer…
Alles is in orde…
Nu mijn mam nog weer gezond maken a.u.b. en dan is de wereld pas echt weer in orde.

Ik ben daadwerkelijk heel blij dat dit soort onderzoeken er zijn.
Net als bij uitstrijkjes (en darmonderzoeken, for that matter, die heb ik ook al meermaals gehad vanwege mijn vader, die op relatief ‘jonge’ leeftijd darmkanker kreeg…) denk ik: “het is niet mijn lievelingsbezigheid maar ik ben blij dat het mogelijk is.” Ik weet nu dat alles met heel hoge waarschijnlijkheid allemaal OK is bij mij. En als dat niet zo was geweest, was het in ieder geval  in een vroeg stadium ontdekt.
Lang leve de borstenpletterij.
Over een jaar ga ik weer.

over katers en poezen…

Gisteren 6 maand geleden werden ze geboren. Dat was ook een maandag: een paasmaandag. Friemelig klein, blind en roodharig. Ze hadden nog een zusje (duidelijk een vrouw want driekleurig). Die is nog steeds bij oma thuis en ook nog steeds een PZN (dank voor de inspiratieve benaming, Nanda ;-)). En dan was er nog een vierde, qua geslacht ondefinieerbaar katje dat het helaas op dag vier al moest ontgelden omdat ik drie katten in huis toch echt niet zag zitten maar m’n hart bloedde voor ’t beessie…

Maar goed. De ‘onzen’ waren (en zijn) rode wildebrassen en voor ons allen duidelijk mannelijk (redelijk  eigenzinnig, ietwat stupide, en vooral: hartstikke roodharige vechtersjassen). Een lichtere,  Elton, en een wat meer getekende met een soort draaikolk op z’n rug die bij ’t lopen heen en weer wiegt: Elvis. Ze groeiden gestaag, vochten om hun revier met de 5 andere buurkatten, klommen in de gordijnen, vraten m’n stoelen op, struinden door de velden (zover dat ze zelfs niet meer terug naar huis vonden), brachten levende trofeeën mee die piepend door de kelder sjeesden maar leverden ook dooie, uitgekauwde maar goedbedoelde kadootjes op de deurmat af.

Zo langzaam werden ze pubertair dus belde ik de dierenarts: ik heb hier twee rooie katers om te ontmannen. Ik wou dat zo snel mogelijk achter de rug hebben, voordat ze gaan sproeien en janken en rondbalgen enzo.  Vanochtend bracht ik ze naar de dierenarts.
“Hmmmm. Elton en Elvis, zegt u?”
“Ja. Die met die draaikolk is Elvis.”
“Aha. Wat vindt u eventueel van de naam Ella?”
Boink…
“Oh…. En die andere?”
“Ja daar moet u ook nog wat nieuws voor bedenken…”

Okeeeeee dan… als je dik 6 maand lang in de veronderstelling hebt geleefd dat je twee rode katers hebt, is het best wel raar om ze ineens als meisjes te gaan zien. Wij zijn dé kattenleken bij uitstek – dat even ter onzer verdediging – nog nooit katten gehad, nog nooit uitgebreid van onderen bestudeerd. Ze zijn ook nog heel jong hè, ik dacht dat dat boeltje wel ergens wat dieper verstopt zou liggen, maar ballekes heb ik nooit kunnen ontdekken. Bij Elton had ik al veel langer het gevoel dat het een vrouwtje was (iets voorzichtiger, duidelijk aanhankelijker etc.) maar man zei “neeee echnie, dat zijn katers hoor! allebei!”. Nou mooi niet…

Vanochtend kroelde hij ze nog achter de oren en zei:
“Halt’ die Ohren steif, meine Jungs!! Denn das wird das Einzige sein, was ihr nach heute noch steif halten könnt…”.
Haahahaha, d’r viel dus sowieso al nooit iets stijf te houden voor onze poezekes *grijns*.

Nu – waarschijnlijk at this very moment – liggen ze dus nóg wat beter uitgespreid en geschoren op de operatietafel dan anders het geval geweest zou zijn. En ze worden nu dus niet ontmand maar ontvrouwd…

Vanavond mag ik ze weer ophalen, onze dames.
Welcome home Ella en Evita!!

(Of Janis en Susy… of Anastacia en Melissa… of Alanis en Shakira… Iemand nog betere suggesties??)

Model zitten

In de zomer worden er hier altijd allerlei activiteiten en workshops voor schoolgaande maar vakantie vierende kinderen georganiseerd. Dit jaar zat er een nieuwe bij: een workshop vlechten. Dochter viel er meteen als een blok voor: het werd een ‘moetje’. Vlechten móest geleerd worden. Ik zag er (nog) geen onheil in: op van die make-up poppen met van dat lange vlashaar een beetje oefenen en dan trots laten zien welke kunstige knoop je gefabriceerd hebt, zeg nou zelf, dat is toch simpelweg schattig?

Maar inmiddels ligt de make-up pop van dochter in een donkere, kille hoek te vergaan en heeft mijn vlechtpro zichzelf gepromoveerd. Nephaar is geen haar, daar kan niet mee gewerkt worden. En als ik wil dat ze het later echt tot één van de meest wereldberoemde haarvlechtsters gaat schoppen, dan moet ik haar daar ook voor de volle 100% in steunen en braaf model zitten. Dagelijks.

Vroeger was dat best heel aangenaam. Vroeger. Toen ze nog niet kon vlechten. Ze haalde de Tangle Teezer (een geniaal soort borstel, errug lekker ding voor je hoofdhuid) uit de pruttelkist, je haar werd gekamd, van de ene kant naar de andere gezwieperd en vervolgens nog even met de handen doorgewoeld. Als je geluk had, kreeg je nog een hoofdmassage met dat geniale spinnending en ergens midden op je (voor)hoofd een prachtige staart met een dik postelastiek formaatje autoband erom, om de boel een beetje bij elkaar te houden. Hoppa, klaar was je supermoderne, heerlijk zittende kapsel.

Maar vroeger is voor watjes en talentloze möchtegern-kapstertjes. Vandaag is alles anders. Er wordt een fijne kam tevoorschijn getoverd. Een bak met elastiekjes van alle formaten (van babypinkringetje tot brilslang). Haarstukjes met enge klikdingen aan ’t eind. En zo nog wat meer martelwerktuig. Met de schaar mag ze niet in de buurt van mijn haar komen en tot nu toe luistert ze redelijk naar mij, maar hoe lang dat nog duurt, geen idee… Het haar wordt nietsontziend en minitieus naar luizen afgezocht (liefst met de luizenkam maar daar gil ik toch uit volle borst dat ik een vetorecht op de inzet van luizenkammen heb) en dan begint de kapselprocedure. Na menig keer hard op de tanden bijten en met wat natraantjes die nog uit mijn ooghoeken naar beneden biggelen, eindig ik dan als Pipi met de 5 vlechtjes of als ingevlochten kunstknoop.

En dan volgt de bevestigingsfase.
“Vind je het mooi mam, zoals ik je gevlochten heb?”
“Ja schat, ik vind ’t prachtig.”
“Vind je het écht wel mooi? Ik heb er zó enorm m’n best op gedaan…”
“Ja lieffie, het is echt een kunstwerk geworden. Jij wordt een pro, wat ik je brom.”
“Maham, denk je dat ik een goede kapster ga worden?”
“Ja tuurlijk! Jij wordt één van de besten, dat kan niet anders!!”
“Je mag ’t er NIET uithalen vannacht hoor!!”

*slik*

Want daar wacht ik nou juist op: het moment dat ze in bed ligt. En daar ook blijft. Dan begint de tweede martelgang van de dag: de boel er weer uit frunniken. Vandaag waren de vlechtjes heeeeel fijntjes en veelvuldig aanwezig. En voorzien van massa’s ingevlochten knoopjes.  Ik ben nu minstens duizend haren armer, een gigantische pijnervaring rijker en ik dank de Tangle Teezer weer eens op m’n blote knietjes.

De volgende ochtend gaat het dan zo:
“Ohhh mam, je hebt het eruit gehaald…” (met zo’n dramatisch beteuterd gezicht erbij).
“Neeeeee mopje, dat gebeurde vanzelf. In mijn slaap. Daar kan ik écht niks aan doen hoor.”

Vervolgens gaat ze druk aan ’t plannen welk geweldig kapsel ik dan nu maar moet gaan krijgen. En vooral: hoe ze het er nóg muurvaster in krijgt zodat het er door al mijn onbetrouwbare slaapgewoel niet zomaar weer uit gaat.

Als moeder moet je wat overhebben voor je kinderen…

*bokkepruik opzet*

De moedercursusjes

Bij ons is men gék op mama’s die cursusjes doen om bétere mama’s te zijn. En op cursusjes die van elke mama een modernere mama maken. Het liefst een échte Mutti (spreek uit: Moetie). Want zeg nou zelf, je mag dan wel mama wezen, maar een béétje bij de tijd blijven is zo af en toe best wel eens handig. En wenselijk. Moedercursusjes dus.

Dat ik de enige vrouw in mijn wijde (weide…ghehhehh ^_^) omgeving ben die wat van computers weet, die inmiddels haar 3e smartphone heeft (ja sorry, de derde pas), die een béétje de weg weet op ’t internet, die ‘gewoon’ vanuit haar eigen huis werkt en er en passant nog een eigen zaakje op na houdt, die redelijk goed weet wat ze wil en nog niet helemaal ‘lost’ is in de wereld van DE mensen (lees: mannen), dat baart mij eerlijk gezegd nog wel eens zorgen…

En daarin ben ik niet de enige. Nee nee, we hebben er hele verenigingen voor. Verenigingen die zich bezig houden met de vrouw van deze tijd en dan vooral met het ervoor zorgen dát die vrouwen een beetje bij de tijd blijven en de rest een beetje meer van deze tijd wordt.

Zoon blèrt overigens net, 22:11h,  van boven dat hij nu weet wat de zin van het leven is. Die is – volgens zoon – ” zoveel mogelijk lol hebben”. Ik heb hem teruggeblèrt dat ik het roerend met hem eens ben en dat, als hij morgen tenminste nog een béétje van die lol wil hebben, hij toch echt NU moet gaan slapen. Ik weet wat belangrijk is voor mijn familie. Velen schijnen dat niet te weten, want één van de nieuwe cursussen (cursa? cursi? curses? curse? ah fak…) van zo’n vereniging hier in de buurt is getiteld: “wat belangrijk is voor uw gezin”. Aha… okee dan…

Het blaadje met de gloedjenieuwe mamacursusjes van de Vereniging voor Vrouw, Gezin en Voortgezet Onderwijs (???) viel deze week weer in de bus. En ik heb opnieuw vol verbazing en met een brede grijns mogen genieten van de heikneuterigheid van mijn leefomgeving. Ik woon ‘op ’t land’ en ik ben net weer met mijn neus in de zwijnemest gedonderd. Wat een lol. De foldervoorkant schreeuwde het uit (even vrij vertaald hoor):
– Uw Smartphone, méér dan gewoon een mobieltje!
– Je bent wat je zegt!
– Zelfgericht leven zonder egoïstisch te zijn
– Ik vind mijn weg in het labyrint
– Wat belangrijk is voor het gezin
– Oudercoaching
OK, die laatste twee laat ik even buiten beschouwing, voor sommige ouders is het best zinvol om eens onder de neus geduwd te krijgen wat ze eventueel beter kunnen doen.

Maar jemig: Uw Smartphone, meer dan een mobieltje, boahhh… nu breekt m’n klomp. Nou, vertelt u mij maar waar die wasmachine- en die grasmaaifunctie verstopt zitten!! Ik ben benieuwd. Meneer Smid wil mij voor luttele 60 euro vertellen hoe ik een SMS en maarliefst ook een MMS (!!)  kan versturen met mijn geweldige nieuwe samsamsongetje. Ik wil hem voor luttele 120 eurootjes ook best ook wel even wegwijs maken in de wereld van de whatsapp, de facebook privacy instellingen, IMSI’s, QR-codes, IMEI’s, root numbers en de location-based services maar ik ga ervan uit dat meneer zelf denkt dat hij volledig up-to-date is als hij weet hoe hij kan zien dat z’n accu vol is.

Je bent wat je zegt? Fout! Ik zeg wat ik ben. En je doet ’t er maar mee. How ‘bout that…

Zelfgericht? Dat is toch ieder mens? Gooi twee elkaar-niet-kennende mensen bij een tsunamigolf in zee en ze zullen allebei zwemmen voor hun eigen leven, niet voor dat van die ander. Je leeft voor jezelf. Neemt niet weg dat je in dat leven dan toch veel voor anderen kunt en wilt doen. Omdat JIJ voor JEZÉLF vindt dat dat goed is, goed voor JOU is. Omdat je het belangrijk vindt. Omdat je het graag doet. Omdat het je een goed gevoel geeft. Omdat je vindt dat je dat moet doen. Omdat je het wil. Omdat je om die ander geeft.
JE. Zelfgericht. En zo altruïstisch als de pest.  Moet ik daarvoor een cursus volgen? Neuh, ik moet gewoon nadenken over wat ik wil en wat ik belangrijk vind. Dat kunnen zelfs oostenrijkse “Mutti’s”, lijkt me…

Ik vind mijn weg in ’t labyrint. Welk labyrint?? Oh, ik lees het. Mijn ziel. Welke ziel?  Maak je hoofd vrij. Open je hart. Vind rust. Laat belasting en stress achter je. Vind de antwoorden op je vragen. Kom met jezelf in contact. Uhuhh… Een verkapte cursus mediteren, omschreven als een wonderbaarlijke reis in je eigen ik.
Ik kom niet verder dan: “héb ik wel een ziel?” Mijn hoofd vrij  maken en rust vinden doe ik ‘s-nachts. Als ik slaap. Vind ik de antwoorden op mijn vragen door mediteren? Ik vind mediteren op zich een heel goed iets. Ik doe ’t ook wel eens, even niks doen, ogen dicht, een stom woord herhalen en proberen aan niks te denken. En dan val ik in slaap en doe de rest. Bij dit soort cursussen krijg ik altijd het gevoel dat ik een oersimpel persoon ben en dat ik ergens een deel van de geestelijke vercomplexisering der mensheid gemist heb. Ik slaap. Klaar. I’m simple. Ik ben van het kaliber “een zak wasabichips leegvreten en er na een ca. half uur ontzet achterkomen dat mijn glas cola al wel dertig minuten leeg is”. Ik ga me maar eens een potje zorgen maken… Misschien dat ik dan de zin van deze cursus kan achterhalen.

Awel. Al doorbladerende heb ik mijn lol.
“onze voorvaderen, de kracht en wortels van ons leven”
“de oerelementen van de jaargetijden en zo gezond het jaar door”
“Yoga voor de ogen”
“Bodystyling voor 50-plussers”
“Voorkerstige schrijfnacht”
“Problemen. Én oplossingen!!”
“English for the further-going” (oehhhh. TOLLL!)
“Examen gehaald. En nu??”
“Leren communiceren met uw kinderen”

En zo kan ik nog even doorgaan.
Dus.

Mocht u zich afvragen waar ik uithang: ik ga op cursus. Ik ga eindelijk leren hoe ik als moeder óók nog een mens kan zijn. Godsonmogelijk, maar áls ik het eenmaal weet, zal ik uitleggen hoe het moet. Tot die tijd pruts ik maar wat rond met mijn kinderen, mijn laptop en mijn smartphone.

Ich Mutti. Du Mensch.

Völlerei

Elk jaar is het hier feest. Straatfeest. Dan vieren we met alle aanwonenden van ons stuk straat (welgeteld 10 huizen) dat ons voormalige onverharde landweggetje uitgegroeid is tot een volwassen, geasfalteerde straat van wel drie meter breed. Iedere aanwonende heeft daarvoor zijn deel betaald (ja ja, ook wij hebben bij het intrekken hier een anderhalf duuzend voor ons “straatrecht” neer moeten tellen) en dat moet gevierd worden.

Eigenlijk is het gewoon een gezellig vreetfeest. Om 12 uur verschijnt de hele buurt ter plekke. Die plek varieert elk jaar: er zijn vier “organisatieteams” en dat rouleert, dus als je geweest bent, kun je weer een paar jaar achterover leunen en je volstoppen zonder te hoeven werken. Volgend jaar zijn wij aan de beurt trouwens, dan wordt ’t dus ploeteren voor ons i.p.v. eten en zuipen. Dit jaar was het nog omgekeerd. Een paar minuten voor twaalf was iedereen aanwezig en zaten de eerste pullen bier al achter de knup. Niet achter mijn knup gelukkig, ik lust geen bier.

Ieder deelnemend gezin wordt geacht een salade en een ‘Kuchen’ mee te brengen (en een eet-en-drinkbijdrage te betalen, dat ook). Ik had dit jaar een pastasalade gemaakt (met dank aan de hubby van Ilona, die het geweldige recept verstrekte) en een jumbo-appelnotentaart. Allebei véél teveel, bleek achteraf, maar ja dat is mijn standaard euvel: ik heb altijd van alles veel en veel en véél teveel. Ik kan niet schatten en denk altijd dat ik te weinig heb. Ik had in dit geval níet de indruk dat ik te weinig zou hebben en dus had ik ongeveer met een kwart van het door mij gemaakte ook nog zát voor de hele meute gehad…
Ach nou ja. Er zijn ergere dingen.

Wij hadden – stomstomstom – nogal laat het ontbijt door de keel dus eigenlijk hadden we niet echt honger. Maar in Oostenrijk wordt nu eenmaal ‘s-middags warm gegeten en dan het liefst stipt om twaalven, zo dus vandaag ook. Eerst maar ‘ns een bordje van het saladebuffet weggewerkt. Toen had de – dit jaar voor het eerst gearrangeerde – caterer de gegrilde kippetjes en de frieten klaar. Eigenlijk zat ik na het saladebuffet al goed vol maar tja, zo’n kippetje laat je niet staan hè.  Zoon houdt niet van gegrilde kip en had geen honger wat resulteerde in welgeteld 9 frietjes die hij van mijn bord wegpikte. Jee zeg, dáár betaal ik geen kinderaandeel voor, éten mien jong! Maar nee, hij wilde niet. Gelukkig maakte dochter met de intake van een bijna-volwassenenportie veel goed…

Propjevol. Lucht happen, een glas spa rood erbij in en shaken maar. Ten behoeve van de vertering kwam vanzelfsprekend de Schnaps op tafel. Een verplichte gang die nog geen klein uur later gevolgd werd door Kafee-mit-Kuchen. Een buffet met tien taarten. Zeg daar maar eens nee tegen…  Nee dus. Dochter had sowieso eigenlijk wel weer honger dus dat kwam goed uit. Zoon wilde geen taart. Verstandige jongen. Alle taarten even doorproeven is best een opgave als je eigenlijk helemaal geen trek hebt. Tja, dan nog maar een Schnaps voor de betere doorstroom.

Een uurtje pauze, spa met citroen afgewisseld met een Sommergespritzter (een beetje witte wijn met veel spa) was goed te doen. De mannen lieten het bier de vrije loop. Ze hingen nog net niet met open mond onder de tap. Heimelijk werden de volgende etenswaren alweer geëtaleerd: er moest namelijk gejausend worden. Het avondbrood. Met salades, vlees, spek, eieren, brood, Bratlfett, Kren, G’selchtes, smeersels (Aufstriche), kaas en zo nog een paar van die absoluut noodzakelijke dingen. Want we hadden hónger hè! De hele dag nog niks fatsoenlijks gegeten… *kuch* Zoon nam genoegen met een plak brood met wat boter erop, de rest bliefde hij niet. Dochter daarentegen…
Gezonde meid, lijkt op haar moeder. (zucht)

Awel. Laten we het erop houden dat we vandaag niet omgekomen zijn van de honger. En dat we de komende dagen niet meer hoeven te eten. Ik heb zelden zó veel gegeten terwijl ik echt absoluut géén honger meer had. Ik weet ‘t. Stom. Maar soms kun je niet anders. De geest heeft zijn zwakheden. Veel gekletst, in de zon gezeten, gelachen, dat ook. Maar huiswaarts kon je me letterlijk de berg op rollen.
Tonnetje.

Toch maar goed dat dit maar één keer per jaar is. Na dagen als deze weet ik weer waarom Völlerei (mateloze gulzigheid) ook één van de zeven doodzondes is. Je zou er toch zomaar bij neervallen…

gelul

Hebt u wel eens gedacht
dat alles zo zinloos was?
Wat had u dan verwacht
toen u wéér zo’n blog las?

Wat een gezeik,
ja, wat een gelul.
Dat mens vertelt gewoon
Een hoop flauwekul.

Hebt u wel eens gedacht
wat heeft dit voor zin…
Het komt er onderaan uit
en ze stopt ’t er bovenaan in?

Elke zin een hoop gepriegel
dag in dag uit ‘t-zelfde gedoe
U kijkt weer eens in de spiegel
en denkt “ben ik me een potje moe…”

Hebt u wel eens gedacht
wat leutert ze nou dan weer
op rijm, jemig ook dat nog
alweer een berg hartezeer??

Nee, dit keer is het simpel de vraag
naar de zin van alle onzin
Ik splits u mijn gelul in de maag
en u weet nu dat ik bemin…

(c) Lou

Opritepiloog

is er eigenlijk iets saaiers om over te bloggen… over een hoop kruiwagengesleep en een bult keien… Straatstenen. Tegels. Klinkers (nee, ze zijn groter dan klinkers… of is mijn beeld van de klinker inmiddels verouderd?). Ik ben meer van de medeklinkers geloof ik (knipoog naar Gert ;-)).

Maar goed, het is iets wat me erg bezig houdt (*grinnik*) en vandaag heb ik samen met man de overige dik 3,5 ton stenen nog even uitgebreid mogen bevoelen, naar hun bestemming mogen kruien en liefdevol neer kunnen leggen. 8 am het startschot, 2 pm met volle glorie door het finishlint. Man heeft het meeste gelegd, ik alles aangevoerd en hier en daar wat meegelegd. Vandaag ging het wel beter dan gisteren, ik heb – naar buurmans zeggen – zelfs lopen zingen en fluiten. Beats me, ik heb de helft in verdoofde toestand gedaan, geloof ik. Ik weet wel dat ik tussendoor nog de kattenpoep van de rijplank en van de kruiwagen heb moeten krabben (ik vind ze heel lief hoor, maar vandaag en gisteren waren ’t echt rotbeesten in mijn bescheiden visie. Ze kakten daadwerkelijk voor je voeten alles vol en gingen er ook gemoedelijk met grote ogen voor zitten terwijl wij toe moesten kijken omdat we zelf niet in het geëgaliseerde grind konden gaan stampen en dat roken ze natuurlijk 😦 stelletje kattentuig).

Man is nu de randen aan ’t doen: die moeten namelijk op maat gezaagd worden en daar kan ik simpelweg niet bij helpen, behalve dan dat ik op gezette tijden een nieuwe kruiwagen stenen naast de diamantcirkelzaag-met-waterbekoeling neerzet (zometeen weer bijvoorbeeld). Is óók een hoop werk, die randjes, maar ik ben heel erg blij dat ik daar gewoon niks aan bij kan dragen. Ik heb mij na een zeer nodige douchebeurt maar gestort op het opruimen binnen (niet werkelijk optisch waarneembaar maar toch), het boodschappen en de was doen en wat schoonmaken. En zometeen ga ik koken. Ik heb de blaren al op de handen, kapotte duimen, ik kan geen bolle rug meer maken cq. bekken kantelen zonder het uit te gillen van de pijn en mijn schouders hangen gevoelsmatig allebei uit de kom. Dat wordt vanavond wat creatiever spelen in bed :-S

Maar ach, ik kan nu wel uit volle borst schreeuwen:

WE!!
DID!!
IT!!!

en vooral ook:

NOOOOOOOOOOIT MEER!!!

En dat doe ik dan ook maar.
Klerewerk.

Oprit in oprichting

Een steentje bijdragen. Dat heb ik vandaag gedaan. Letterlijk. En nu kan ik niet meer rechtop zitten :-S

Wij zijn, na vijf lange jaren wachten, eindelijk onze oprit aan ’t bestraten. Dat is geen prutswerkje: onze oprit meet dikke 100 vierkante meter. Ik wou – zoals algemeen bekend –  asfalt er in mieteren. De randstenen (zo’n 50 tot 60 kilo per stuk) rondom het te verharden areaal hebben we samen in ’t beton gejasd, dat was nog te doen. En in die prachtige omranding had ik dus met liefde asfalt gestort: binnen goed 2 uur ben je klaar, het wordt voor je gedaan (met zo’n enorme machine, geweldig om te zien en vooral om toe te kijken hoe anderen werken) en je kunt er fantastisch op rollerbladen en stoepkrijten. Maar nee: man wilde toch echt stenen. Goed, dat verhaal is bekend. Ik had me erbij neergelegd.

Gemeleerde stenen (oftewel: met verschillende grijs-/graniettinten). Gevonden, besteld. Geleverd, dat ook. ‘s-ochtends om half 7 stond er een gigantische vrachtauto met kraan en aanhanger voor de deur en plantte tien ton stenen op onze chaos-oprit. Helaas waren het de verkeerde. Sjee, wat nu. Onder voorbehoud geaccepteerd, maar toch gelijk dezelfde dag nog gereclameerd: ze waren écht niet mooi. Geld terug geregeld, besteld bij andere firma. Levering binnen 5 werkdagen. Not… Ja, een levering kwam. Maar ook verkeerd en veel te weinig. Het gros niet eens uitgeladen.

“Uw stenen komen dinsdagochtend.” Prima, da’s nog zat op tijd. Dinsdagochtend: geen levering.
“Nee sorry, we redden het niet. Ze komen morgen [woensdag] ochtend. ” Nah jah, ook nog OK, wel balen. Woensdagochtend: geen stenen. Bellen. “Ja ze zijn geladen, in de loop van de dag zal de transporteur bij u zijn.” Hmmm. Pffffff. Enzo.  Want ondertussen lag onze oprit er wel helemaal legklaar bij en bleek voor onze en alle buurtkatten een gewéldige kattenbak te zijn: dat fijne grind was nou echt het walhalla voor de gemiddelde kakkende kat. Frustrerend om te zien hoe ze hun uitwerpselen minitieus in het door man perfect geëgaliseerde fijne grind begroeven. En vooral: het stonk…. (en stinkt nog steeds :-S). We hebben wat dingen gelegd en gesleept maar veel konden we nog steeds niet doen.

Maar ook de loop van de dag bracht geen stenen. “Sorry, de vrachtauto staat met pech. Hopelijk nog vanavond laat, anders morgenochtend.” AAAAARGHH!!! Kak. Letterlijk. Enniehouw: vanochtend om half 7 was de stenen-eppo er daadwerkelijk. En ze waren goed!!! Oh wonder. Snel geontbeten en om half acht ging’s los!! Mijn job: stenen (2 verschillende kleuren en 2 verschillende maten) in de juiste verhouding (12:6 + 4:2) in de kruiwagen draperen en naar de plaats des leggens kruien. Kan ik. Zo snel zelfs, dat ik grote delen ook meegeholpen heb om te leggen. What a job.

Ik heb vandaag in de zengende hitte goed 7 ton van die stenen door mijn handen laten gaan: in de kruiwagen leggen, kruien, deels ook nog leggen. Heerlijk. Maar ik kan u wel vertellen dat dit nooit mijn hobby zal worden. Ik heb nu geen onderrug meer, een lichte zonnesteek (geloof ik) en ik ben echt stuk en doodmoe. Maar morgen moet er nog goed een kwart ingelegd worden en dan nog alle stenen aan de rand op maat gesneden en gelegd worden. En vasttrillen moeten we het dan ook nog. Dat mag man doen: die heeft sowieso een olympische conditie. Mijn Epke is namelijk nu nog met de trekker (die uiterlijk vandaag terug moest naar m’n schoonmoeder) de hort op om vervolgens met de racefiets dat hele stuk nog terug te rijden (dik 30 kilometer). Waar háált-ie de energie vandaan. Ach verrek ja, het is een man. Daar zal ’t aan liggen.

Maar ik als goedgeaarde moederslaaf heb voor de twee irritante hongerlapjes hier nog wel weer in turbotempo pannenkoeken gebakken omdat ze zo’n honger hadden. Dat dan wel weer. En ik typ een blog. En ik drink een Hugo. En ik ruim de keuken op en doe nog even snel de was. Helemaal nutteloos ben ik nog niet…

Morgen weer verder. Ik voel me al een ware topbouwvakster… (inclusief décolleté).

Hé ho, hé ho
Je krijgt het niet cadeau
Hé ho, hé ho, hé ho, hé ho, hé ho…

Dikke PS: het bleek toch nog niet genoeg voor vandaag. Man belde rond kwart over 8 op: gestrand met de racefiets. Of ik ‘m asjeblieft op wilde halen… Hugo aan de kant geschoven, de douchende kinderen toegeblèrd dat ik papa ging halen en dat ze braaf naar bed moesten gaan. Hebben ze gedaan. Slapen was een ander verhaal, dat doen ze nu nog niet. Maar goed, ik heb man op een parkeerplaats 25km verderop met fiets en al in de auto gepropt en nu zijn we thuis. Ik drink nog één glas  weetikveelwatenhetmaaktmeookgeendondermeeruit en dan ga ik pitten. Heel hard pitten. Ben’t zat.

Pauze

Een prachtigmooi woord.

“Een tijdelijke periode van onderbreking van een handeling, met de bedoeling om even tot rust te komen en daarna met frisse moed de draad weer op te pakken.”

Aha. Kijk. Dát soort dingen kan ik. Heel goed zelfs.
In ieder geval tot aan het woordje ‘en’ in bovenstaande definitie.

Pausa (latein) betekent “einde” en pauein (grieks) “stoppen” (vergat ik toch bijna de -t- te typen :-S).
Pause = stoppen want dit is ’t einde! Is ’t echt ’t einde?

Ik stopeindig even. Tijdelijk. Met dat wat ik aan ’t doen was. Hoe eindig dit stoppen is, weet ik nog niet. Ik weet wel dat, als ik ’t kon, ik nu met de grootstmogelijke waarschijnlijkheid gesmolten zou zijn. Het is namelijk bloedjeheet buiten en ik voel me allesbehalve bloedjemooi met die bloedzweetentranendoorlopen ogen en die bloederige lavastromen make-up die mijn gezicht af rollen. 39 graden celsius en redelijk windstil. Ga d’r maar aan staan met die meterlange, gevoelsmatig tonnenzware randstenen van de oprit. Schepje ‘droog’ cement hier, steentje dáár… klaar.

Ik moet toegeven: man doet ’t meeste werk. Die kan op de één of andere manier niet zonder veelvuldige lichamelijke uitputtingsslagen. Het zal wel een man zijn. Hij is dan ook zeer athletisch gebouwd met een hoop tanige spieren, goed voor het op ieder moment met de blote handjes vangen van een antilope of voor het adhoc bespringen van een gazelle (ja tuurlijk, denkt u maar door). Ik daarentegen ben ‘comfortabel’ gebouwd. Ik ben zacht als een kussen, breed als een sofa en lekker als een canapée. Bij wijze van spreken dan. Ergens in mij zijn er vast wel een paar spieren te detecteren maar die zijn goed ingebed tussen de springveren en de opvulling. Resultaat: man sjouwt, schept en mengt de hele ochtend aan één stuk door (er moet natuurlijk wel het nodige bier bijgetankt worden anders werkt-ie niet), en dat al weken lang. Ik ben na vijf van die dingen erin kwakken rijp voor de sloop en trek mij nederig terug in mijn hol namens keuken.

Ach… verschil moet er zijn. Ik doe niet meer aan emancipatie. Laat hem die betonbielzen er zelf maar inproppen. Ik ga koken.

Life stinks…

but my own stink does not stink.
It smells goooooooood.

Toch?

Vind ik wel. Over het algemeen vind ik de uitlaatgassen die ik zélf produceer, best te pruimen (het even heel understaterig uitgedrukt hebbende). Of heb ik nou zomaar ineens een taboethema bij de kladden? Kan best. Ik vraag me soms wel ‘ns af wanneer de koningin dat soort gassen nou laat vliegen. Of ze het ook zo heimelijk kan als ik (in case you wanna avoid the sound, spread the buttocks, please…) en of ze ook in haar neus peutert op de WC of in de auto… Alhoewel, neuspeuteren in de auto is alleen lekker als je zelf rijdt. En er niemand naast je zit. En je niet in de file staat zodat diegene voor je jou in de achteruitkijkspiegel bezig ziet. Balletjes ervan rollen en wegschieten daarentegen is weer fijner als je alleen thuis bent. Ik weet het, ik weet het. TMI. Maar soms hè, soms stel ik me Lady Gaga voor bij het flossen. Als ik flos (áls ik flos) dan bloedt ’t een beetje. En het touwtje stinkt. Wel eens geroken? dat touwtje NA het flossen? Woahhhhh….

Daarnet bij de tandarts, al wachtende in de stoel, moest ik noodgedwongen toch nog even checken, hoe erg mijn mondgeur was. Twee handen over neus en mond en uitademen maar. Ik had namelijk daarvoor spaghetti met rooie knoflooksaus gegeten en de oprispingen waren zo gruwelijk moeilijk te onderdrukken.

Zou Madonna okselgeur hebben na de pilates? Want dat kan dus ook écht niet hoor… Zou ze zichzelf ruiken? “Effe checkuh” *neus in oksel douwt*. Of stopt ze haar zweet gelijk als essence in de parfum… Smells like a sweaty madonna. Is weer ‘ns wat anders dan teen spirit.

Oh wacht. Even een paar vliegen doodmeppen.

Ah gatver. Alweer zo’n misactie… Op het beeldscherm, alwaar de vliegtuigelijke lichaamssappen nu naar beneden siepelen…  kunt u het zien? Even wegvegen hoor. Nog één momentje. Zo. Zal ik nu aan de keukenrol ruiken om te ontdekken hoe vliegenbloed ruikt? De halve vlieg zelf kleeft nog tussen mijn laptopscherm en toetsenbord… Ik heb dringend een nieuwe laptop nodig. Deze is vies.

Nog een vlieg. Monumentje.

Ah nee hè… Heb ik de nummer zes van m’n toetsenbord afgeramd. En die klotevlieg zit nog steeds op m’n vingers. Life stinks. 66666666666666666666. Zo. De zes zit er ook weer op. Zoon heeft inmiddels een vlieg zwartgeblakerd met de electrocuteerder. Dát stinkt pas echt 666-like…

Zou Obama ook wel ‘ns onder zijn horlogebandje ruiken? Een fascinerend interessante geur… In dat ovale opslagkamertje, even z’n kidskin-leren bandje aan de kant schuiven en snuffelen. Of juist dat metaal waar alle prut zo heerlijk tussen gaat zitten. Zoiets heb ik. Weliswaar Esprit, maar zelfs Esprit stinkt.

Zou Pink ook wel ‘ns aan haar onderbroek ruiken als ze ongesteld is…
Of de Paus weet hoe z’n sinds eeuwen ongewassen keppeltje/kalotje  – hoe je het ook wilt noemen – na een fatsoenlijke hollandsche regenbui meurt…
Of de sokken van Elton John naar viooltjes ruiken na een stevig potje ehh, voetbal…

Wat kan een mens zich toch gekke dingen afvragen hè.
Niet dat ik dat doe hoor. Tuurlijk niet. Kom nou.
Maar ik ben wél goed in vliegen wegschieten.
Waar zou dat nou door komen…

Liever een potje onzinnige blogs schrijven doen?

Ik win.

Grote schoonmaak, de #tweede

vorige week deed ik al een grote schoonmaak hier thuis (alhoewel daar al niet veel meer van  te zien is…) en vandaag heb ik dat virtueel ook nog even gedaan. Opruimen. Schoonmaken. Ordnung schaffen.

Met de bijna 1200 mensen die ik op twitter theoretisch “volgde”, kwam daar praktisch gezien dus niks meer van. Ik volgde niks, zag door de tweeps de TL niet meer. Ik keek er zelfs nog maar uiterst zelden naar. Enkel mentions kwamen nog wel bij me binnen (oh by the way, mam, dit blog kun je overslaan, gaat over twitter 😉). Ik volgde iedereen die normaal ‘menselijk’ (lees: geen bedrijf, notoire retweeter, spammerT o.i.d.) was en die mij volgde met liefde terug. Maar het overzicht was weg. De mensen die ik echt absoluut wilde lezen, zag ik niet meer. En ik twitterde steeds minder. Het voelde als een gebed zonder end.

Vandaag heb ik in totaal ca. 450 mensen ontvolgd. Niet omdat ik ze niet leuk vond, niet omdat ik niet meer met ze wil twitteren. Nee, puur op het gevoel van: “deze mensen hebben volgens mij niet echt veel aan mij en ik kan me eigenlijk niet echt herinneren dat we in het afgelopen half  jaar een tweet met elkaar gewisseld hebben, dus ze zullen het vast niet erg vinden als ik ze ontvolg”.
En dat hoop ik dan nu maar…

Het voelt toch wel goed. Ik zie weer mensen. Ik heb weer overzicht. Ik heb ook nog maar één lijst met een krappe 60 mensen die me echt het allerliefst zijn, de rest is me ook lief, maar deze mensen wil ik af en toe even ‘checken’. In zulke gevallen kán een lijst dus werken. Hoop ik. Hard.

Ik wil weer lol hebben in twitteren zonder er uuuuuuren aan te moeten besteden (want dat wil ik echt echt echt niet meer). Ik wil overzicht hebben op de momenten dát ik twitter. Leuk contact hebben i.p.v. oppervlakkig geneuzel.

Zoals ik vanmiddag ook al zei: als iemand zich nu gepasseerd voelt of het niet snapt, gil dan alstublieft? Ik ben ook maar een mens. En dit aantal door mij gevolgden kon ik simpelweg niet meer behapstukken. Sorry. Wat heb je nou aan een volger die niks meer volgt… Vandaar dus. Het gaat u allen goed.

I’ll be back (de kans is groot :-)).

#Twusten @Twereld!!!

winkeltje

een snel adhoc-blog, moet namelijk éven iets beschrijven 🙂

Zoon en dochter spelen winkeltje met de plastic-kassa van dochter. Het ding maakt een vreselijk irritant riedeltje elke keer als de kassalade opent maar de kinderen overschreeuwen dat met gemak. Het gaat er aan toe in die winkel.

“Jij bent de kassajuf, ik koop kattenvoer.”
“Mevrouw, hoeveel kost kattenvoer bij u?”
“eeeeven scannen hoor. Ah. 38 euro voor een blikje.”
“Boahhh dat is duur!! Dat is pure afzetterij!”
“Nou dan koopt u het toch fijn ergens anders?

“OK. Jij bent nog steeds de kassajuf en ik ben de winkeldief.”
“Hééé geen kattenvoer jatten meneer!! HOUDT DE DIEF!!!”
“Ja jee zeg, maar die prijzen van u kan ik ’t toch alleen maar jatten…”
“Wèèèhh”

“IK ben nu de kassameneer, JIJ bent de klant. En je koopt met een kredietkaart.”
“Goedemiddag meneer. Ik wil dit kopen.
[dochter mietert alle flesjes en plasticprut voor de kassa neer]

“Hé zeg!! Wel alles 1 voor 1 op de band leggen hoor, anders raakt-ie verstopt!!”
[er is geen band, maar goed]
“Dat kost dan 45 euro.”
“Oh da’s goedkoop!! Dat is het jatten haast niet waard.”
“Mevrouw, mag ik even in uw tassen kijken of u niet nog echt wat meepikt?”
(Oeps)
[dochter doet denkbeeldige tas open]
“Kijk nou!! een tandenborstel!! DIEF!!”
“Maar die heb IK daar niet ingestopt hoor!! Iemand wil me erin luizen!”
“Goed, dan hier met dat ding en betalen.”
“Uw kredietkaart wordt niet geaccepteerd.”
“Hoe kan dat nou. Het is nog wel die groene van mam.”
[Een ouwe reclame-American Express, kan me voorstellen dat die ’t niet, nooit niet, nergens niet doet…]

“Inleveren die hap. Eerst betalen.”
“Maar wat moet ik eten  dan vanavond??”
“Een tandenborstel kun je sowieso niet eten.”
“Ik speel niet meer met jou.”

En vervolgens gaat dochter bellen blazen, zoon nintendo-en en ligt de hele kassa inclusief scanner en winkeltjespeelprut over  de hele woonkamer verstrooid.

Tijd voor mama om ‘ns even flink op te voeden.
Stelletje jatters.

(PS: ik heb dit natuurlijk ook even ad-hoc vertaald hè, ze praten duits ;-))

Een Hello Kitty alstublieft.

Vandaag was het zomerspeelfeest op school. Dat is elk jaar opnieuw op de laatste woensdag van het schooljaar, gewoon onder schooltijd. De hele schooltuin en de speelplaats zijn dan bezaaid met “speelstations” die door de leraressen en welwillende ouders bevolkt worden en waar de kinderen dan vanalles kunnen doen (van zaklopen tot knutselen enzo). De juf van dochter had me een week of 3 geleden al gestrikt voor haar station: schminken.

Ik dacht bij mezelf: “ach, why not, schminken wil toch geen kind, ik mag op een bankje zitten, een paar kindergezichten volkalken en de laatste schoolroddels bespreken, lekker relaxed” en zei dus gelijk: “oh ja túúrlijk!” voordat ik door iemand ergens anders ingedeeld zou worden (als ouderverenigingslid ben je al snel de pineut voor de duidelijk minder leuke dingen…).

Tja. Het op een bankje zitten klopte. De rest niet. De hele school stormde om stipt 8am – feestbegin – op ons schminkstation af. Een gedrang van jewelste en we moesten eerst minstens driekwart wegsturen omdat we zelf bijna platgedrukt werden. In paardrijhouding op de bank zittend maakten wij in lopendebandtempo bonte kindergezichten. Meisjes wilden hoofdzakelijk vlinders of prinsessen, jongens Frankenstein, tijgers of een spiderman. De wereld was nog in orde. Welgetelde 10 minuten lang.

Toen kwam er een übercool knulletje uit de 4e klas voor me zitten, keek me aan en zei keurig:
“ik wil een Hello Kitty, alstublieft”.
Ik keek hem ook maar eens aan en antwoordde: “pas op wat je zegt knulleke, want ik doe ’t zó hoor!!”.
Maar meneer stond erop: een Hello Kitty. Ja, echt.
Goed. Even die witte kopkat via google op m’n mobiel opgezocht en los ging’s.
“Oh, ik wil een rood strikje en een gele neus.” Prima, no problem.
En daarmee was het hek van de dam. Alle jongens van die klas dromden om me heen en wilden stuk voor stuk Hello Kitty. Ze vonden het zelf helemaal geweldig. Roze strikje, gele neus, rood strikje, zwarte neus, de wensen werden me bij ’t begin al spontaan medegedeeld door de heren.

Ik heb vanochtend in goed 3 uur tijd zonder ook maar een minuut pauze (!) ca. 35-40 kinderen geschminkt. (4-5 minuten per kind, dat klopt wel aardig). Ik denk dat er van die 40 kinderen ca. 25 Hello-Kitties waren, daarvan zeker 20 jongens. Even niet overdreven hè! Mijn armen vielen er bijna vanaf (lam van de schminkhouding) en toen ik uiteindelijk opstond, kon ik m’n benen niet meer bij elkaar krijgen (stram van de paardrijhouding) maar dat was het waard.

Al die vrolijk ronddartelende Hello-Kittie-jongetjes maakten het meer dan goed.

Laptopruïnator

Wat een prachtig woord eigenlijk.

Ik ben er eentje. Een laptopruïnator. Ik moest even natellen maar ik  heb nu in ca. tien jaar tijd bijna mijn vijfde laptop naar de filistijnen geholpen. Gemiddeld 2 jaar per laptop, da’s toch een mooie score. Neem ter vergelijking bijvoorbeeld manlief, die heeft al meer dan driekwart decennium dezelfde laptop en het ding werkt nog steeds fabuleus. Maar dat is dan ook een Dell. Ik had allesbehálve een Dell.

Langer dan tien jaar ga ik niet terugdenken, want toen leefde ik nog in het tijdperk van de bakbeesten met meer periferie dan core. Ik was al lang blij dat die knullige floppies plaats maakten voor de kleinere, minder kwetsbare diskettes en ik kan me de overgang naar een “handvriendelijk toetsenbord” en het tijdstip waarop wij op ons werk daadwerkelijk internet kregen ook nog nog goed herinneren (wat was dat een luilekkerland voor ons market researchers…). Genoeg daarover. Stel je voor dat men de indruk zou krijgen dat ik al 30+ ben…

Mijn eerste laptop was er eentje van het werk. Liever gezegd, van een klant van de zaak waar ik als ‘expat’ gestationeerd was. Een HP. Ik vond het niks. Dat gepruts op zo’n klein toetsenbord, manueel on-ergonomisch. Dat gezeul heen en weer met een babybakbeest in een schoudertas. Negen van de tien keer stapte ik dan maandagochtend om half 5 in de taxi om er bij het deur dichtslaan achter te komen dat ik het ding weer vergeten was. Nog even 4 etages omhoog rennen en je vlucht bijna missen. Waarom niet gewoon werken met een PC? Eentje daar, eentje thuis, eentje at the home office en klaar. Who needs laptops… Ik had de mijne dan ook binnen afzienbare tijd onklaar gemaakt en ik ontdekte langzaam de special powers van mijn ruïnatorschap.

Vervolgens kreeg ik, naast de zoveelste werklaptop die ik ook steevast om zeep wist te helpen (ik ben namelijk ook de gepersonificeerde ramp voor iedere netwerkadministrator), een geweldige laptop van mijn papa. Echt helemaal super, wat een kado!! Een Acer met een gigantisch display, met Wifi en Bluetooth en alles d’rop en d’ran. Ik was er echt ongelooflijk blij mee. Er zat werkelijk maar één ‘maar’ aan: Windows Vista. Als ik íets de softwaremisproductie van het millennium vind, dan is het Vista wel. Dus wat doet een goede leek: de boel erafgooien en Windows XP Professional erop. Stúkken beter. Alleen werkten wifi, webcam, internet, bluetooth en de helft van de knoppen niet meer. Ah… who needs that… Uiteindelijk met een hoop gepruts en officieel nog niet bestaande drivers alles weer op de rit gekregen. Maar ik moest er zo zwaar aan tillen… El Acero woog toch wel een kilo of 4 en in een rugzak paste hij echt absoluut niet. Een ander groot euvel van deze mega-laptops: het display cq. de klep. Die is alleen al zo zwaar dat die bij de scharnieren uit elkaar barsten en op den duur kreeg ik hem dan ook niet meer dicht. Man – de laptopknutselaar – heeft hem uiteindelijk doorboord (letterlijk!) en de boel met schroeven weer bij elkaar gekregen. Stuk ductape erover (nothing ductape can’t fix,ey?) De dagelijkse bluescreens lieten zich er weliswaar niet door afschrikken, maar hij doet het nog steeds en is nu de speellaptop van de kinderen (het arme ding…).

Via de zaak kochten we (id est: mijn zakenpartner en ik, we hadden tegen die tijd inmiddels de zaak overgenomen) ook al redelijk snel twee heel handzame, kleine, chique laptopjes. Van het geweldige merk ‘Cytron’ (lees: Medion). Ze zagen er echt poepiesjiek uit: wit met zilveren toetsen, alles heel klein en slank (ik moest ‘m bij wijze van spreke zowat zoeken op mijn schoot ) met decent blauw lichtgevende functieknoppen. En: met één hand te tillen. Een citroentje van bijna-handtasformaat. Bijna. Zo licht dat ik ‘m ‘s-avonds steevast met een nonchalante éénvingerbeweging dichtmepte en met een lichte zwiepert op de bank naast me mieterde. Alles hield-ie uit. Behalve rode wijn. Dat bekwam ‘m niet, maar na 1,5 week drogen pruttelde hij uiteindelijk toch weer verder. Tot de absolute harddisk-crash. En aangezien ik toen nog niet veel kaas van back-ups gegeten had, waren daarmee ook de foto’s en filmpjes van bijv. de eerste stapjes van dochter voor eeuwig verschwunden. Lang leve YouTube waar ik één filmpje geupload had en dat ik uiteindelijk (in miserabele kwaliteit) toch nog weer op de PC terug kon halen. Uiteindelijk heeft mijn citroentje de Acer niet eens overleefd: die had ik langer!

Toen heb ik mezelf – natuurlijk ook op de zaak – een mooie nieuwe Sony Vaio (met houtnerf-ribbels!) toebedeeld. Die leeft nu al bijna drie jaar, een record voor mij. Maar hij heeft al veel meegemaakt: veelvuldig gesleep naar München en Nederland, mee op vakantie, alle mogelijke software (ik installeer alles wat me voor de voeten komt en interessant lijkt en daardoor krijgt-ie nog wel ‘ns de hik). Ik heb ‘m al een keer kapotgerepareerd nadat ik de 368 noodzakelijke updates en service packs waar hij om smeekte maar ‘ns geinstalleerd had (zie hier en hier ), maar ook dat heb ik weten te verhelpen. We zijn nog steeds een paar, mijn Vaio en ik. Maar sommige toetsen zijn zo smerig (geen idee wat er allemaal onder ligt maar het is véél) dat ik ze niet meer fatsoenlijk in kan drukken (maar met geweld lukt alles). En mijn rechtermuistoets moet je ongeveer 2 seconden ingedrukt houden voordat-ie reageert. Mijn wifi gaat niet meer automatisch aan, dat moet ik elke keer opnieuw in het ‘Smart Center’ met een virtueel schuifje aan doen. En hij (ik hou ’t erop dat ’t een man is, met al deze technische mankementen) is vaak overspannen: de CPU springt steeds weer naar 100% belasting. Het werkgeheugen is te klein voor alles wat ik tegelijkertijd wil doen (bijv. 68 tabs tegelijk open hebben in Firefox en dan nog 22 tabs met YouTube in een ander browserwindow). De mousepad had oorspronkelijk een ietwat ruw oppervlak maar is nu, daar waar ik ’t liefst wrijf, spiegeltje-spiegeltjeglad. Hetzelfde geldt voor de toetsen in ’t midden van m’n qwertzuiop (jaja, ik heb een duits toetsenbord, hè). De a en de e glimmen het meest. Het microfoongaatje zit nog steeds redelijk vol met weggeschotenvliegsmurrie (van de vlieg die ik – oppervliegschietster – met vol geweld daar in schoot) .  Oh, en de klep oftewel het display blijft niet meer zo goed open staan.

Allemaal nog geen grootse mankementen maar duidelijke slijtage. Na bijna 3 jaar is ook deze klaptop toe aan een verzorgingstehuis.

Demolition Lou.
Laptopruïnator.

I’ll be back…

Moedige muts (crocgemekker)

Naar aanleiding van een recente Facebookposting moet me toch eens even iets van het hart. Dat geneul over wat het dragen van een bepaald soort schoenen over jou als persoon zegt, hangt me namelijk de keel uit. Echt niet alleen vanavond hoor: ik lees het eigenlijk best vaak…

“Een fatsoenlijk denkend mens draagt toch geen crocs”. Of:
“Als je crocs draagt, moet je wel een muts zijn”. Of:
“Als volwassen persoon draag je zúlke schoenen gewoon niet”. Of:
“Crocs zijn zo lelijk dat ze pijn doen aan je ogen”.
Enzovoort.

Hetzelfde geldt overigens voor schoeisel als Uggs. Nou moet ik zeggen: Uggs zijn voor mij een absolute No-Go. Ik heb de filmpjes gezien. Ik weet hoe erg het leed van die australische lammetjes is, die de wol, die in de Uggs verwerkt wordt, ‘leveren’. Schandalig. Gruwelijk. Onmogelijk. Zulke bloedschoenen wil ik niet meer aan mijn voeten hebben omdat ik die beelden niet meer uit mijn hoofd krijg. Hoe fijn, warm en heerlijk die schoenen ook mogen wezen.  Ik weet ook dat de productie van crocs zeker niet “ecobioverantwoord” is, maar er hoeven – voor zover ik weet – geen lammetjes rondom hun geslachtsdelen grof en levend voor te worden gevild, voor een paar bacteriën die daar mogelijkerwijs op kunnen treden en de wol aan zouden kunnen tasten. Crocs zijn handig, lopen gewéldig fijn, zijn makkelijk schoon te maken, redelijk slijtvast cq. duurzaam en gewoon goed doordacht. Ik durf dan ook gewoon toe te geven dat ik een heel aantal paren heb (net als de kinderen die er ook meer dan graag op rond lopen). Ja, ik durf dat. Ik draag wat ik wil en wat ik fijn vind. En niet wat een ander vindt dat ik zou moeten dragen. Wáárom in hemelsnaam ben je gelijk een ‘bepaald soort persoon’ als je af en toe op die dingen rondsjokt? Ik ben absoluut geen fan van bootschoenen, kistjes of van die kakkerloafers, maar ik vind de man die er in rondloopt niet per definitie eikel of een lul. Dat hangt voor mij niet van zijn schoenen af. Ja, ik weet het, ik ben een rare…

Als ik thuis kom, gooi ik m’n schoenen bij de deur al uit. Dat doet iedereen hier trouwens (heb ik al ‘ns een blog over geschreven: Hüttenschlapfen – beware: blog in ’t duits). Als het warm genoeg is, wandel ik op blote voeten verder maar is het wat frisser, trek ik een paar crocs uit ’t schoenenrek. Ik heb zelfs een paar gouden classic-crocs, yay (ja ik weet het: ik ben niet alleen raar, ik ben ronduit erg). En ik heb Mary Jane’s en een paar crocs-ballerina’s, die doe ik wel ‘ns aan als ik echt een eind moet lopen of een nacht lang achter de bar moet staan. Beter dan Birkenstocks kan ik je vertellen. Ja, ik heb zelfs 2 paar Crocs-moonboots, omdat het simpelweg heel goede boots zijn. Warm, handig en hartstikke waterdicht, wat ik van veel andere ‘dure’, modieus verantwoorde (en in míjn ogen foeilelijke) winterboots niet kan zeggen.

Doet er ook niet toe. Ik heb ze. En ja, ik draag ze. Nee, niet onder een jurkje. Nee, werkelijk uiterst zelden buitenshuis/-tuins (als dat het geval is, is het o.h.a. een foutje: ik heb ook ‘gewone’ schoenen die ik buitenshuis aantrek). Maar waarom moet een mens in zijn/haar eigen huis dan ook nog steeds perfect gestyled en liefst met hakken rondlopen? Ik ben niet 24/7 een sexy beast dat er enkel voor een ander eeuwig doorgestyled bij wil lopen. Dank je de koekoek. Ik draag wat lekker zit en ik heb zelfs mijn welverdiende slonsdagen. So What. Waarom wordt een mens dan gelijk tot een bepaald type bestempeld vanwege de schoenen of kleding die diegene aan heeft? Ik vind dat eigenlijk ronduit sneu…

Maar goed, ik ben dus een muts wat dat betreft.
Ik draag crocs. Met liefde.
Durf dát maar eens toe te geven.

Moedige muts.

Rood, friet, voetbal en katten

dat was de korte samenvatting van dit weekend.
vrijdag hield ik het echt niet meer uit: de boel moest weer kleur krijgen. Ik kan niet precies zeggen waarom, maar rood haar hebben doet een mens goed. Mij althans wel. Ik was oorspronkelijk een echte blondine. Dat werd met de tijd steeds donkerder en nu ben ik hooguit nog heel donkerblond, eigenlijk meer peper-en-zoutig. Ik ben al veelkunstkleurig geweest: hoogblond, heel donker (net niet zwart), knallierood (bijna oranje),  aubergine, mahonie en uiteindelijk ben ik  in het rossige blijven hangen. Dat voelt ’t lekkerst. En dat is het weer geworden vrijdag. De badkamer was ook redelijk rood (wat een zooi is dat toch elke keer weer) maar dat is ’t waard. Ik voel me nu weer meer mensch 🙂

Vrijdag na de middag (na de drumles) op naar het voetbalveld want het zomerfeest voor de voetbaljeugd stond op ’t program. De kinderen vermaakten zich prima in het springkussenkasteel en met voetballen en moeders werd gecharterd voor de friteusedienst. Ik heb ca. 20 kilo friet gefrituurd voor al dat voetballend gepeupel en stonk daarna als een belgisch frietkot. Maar de lol was ook alom present en daar gaat ’t om, niet?

Zaterdag moest ik eerst danig uitslapen en me toen psychisch voorbereiden op de middag. Voetbaltoernooi. Gemeinde-Kleinfeldmeisterschaft noemen ze dat. Zes tegen zes op een half voetbalveld. Ik heb nu ontdekt dt ook een half voetbalveld nog steeds megagroot is… En ik had nog een dubbelrol ook: oorspronkelijk was ik ingedeeld als supporter van het team van  manlief (incl. supporter-Tshirt en pompons) maar eigenlijk wou ik zelf toch best graag meedoen en dus speelde ik uiteindelijk ook mee in het team van de jeugdtrainers. Maar zoals het echte trainers betaamt, konden wij allemaal niet voetballen. Ik heb me de benen letterlijk uit ’t lijf gelopen maar het mocht niet baten. Van de 11 teams zijn we 10e geworden en dat alleen omdat in onze lotingsgroep 5 teams zaten en in de andere 6. De nummer 6 uit de andere groep was automatisch laatste, wij moesten nog tegen de nummer 5 uit die groep (en toevallig was dát het team waar man in speelde, hoezee…) waar we uiteraard óók van verloren. Het ergste resultaat was 9:0 maar tja, er moet toch íemand verliezen, niet? We zijn ingemaakt, neergemaaid, platgespeeld en kansloos ten onder gegaan maar dat ben ik als nederlandse qua voetbal toch al wel gewend. Tussen de matches door heb ik als brave supportende vrouw ook nog steeds trouw van shirt gewisseld om bij mijn man (‘die Rasenschoner’) mee te joelen. We hebben in ieder geval ontzettend veel lol gehad en volgend jaar doen we zeker weer mee, met het voornemen om dan van tevoren toch écht een paar keer te trainen (en om een paar mennekes van de “Kampfmannschaft” met een krat bier te smeren om bij ons mee te spelen, dat ook). Ik was gisteravond volledig gesloopt, had verkrampte bovenbenen, onmetelijk zere knieen, compleet verbrande kuiten en minstens één nieuwe hernia. Dat hele riedeltje heb ik vandaag ook nog steeds, maar het was ’t waard.

Na een nacht als een blok geslapen te hebben, werd ik vanochtend gebroken maar toch redelijk opgewekt wakker. Na een ietwat té lokale en niet echt werkzame massagesessie om half 10 maar eens een been (het goeie) buiten het bed gezet. Een (s)lome ochtend. Na de middag dan op naar schoonmoeders om onze twee nieuwe gezinsleden op te halen. Elton en Elvis lagen daar nog ronkend en nietsvermoedend op de bank. Na een bak (of drie) koffie en een roerend afscheid stopten we onze katerkiddies in de transportbox en begon het hartverscheurende miauwconcert. Na tien minuten rijden was dat alweer voorbij en lagen ze gemoedelijk te knorren. Eenmaal hier thuis waren ze een uurtje wat onwennig maar er werd wel gelijk al gevroten en gedronken, een goed teken. Geslapen in de kattenbak werd er ook, maar inmiddels hebben de heren het ware doel van de bak al in de smiezen. Ook op schoot functioneert ’t met het slapen (zo leuk, zo’n snorrend hoopje kat opgekruld op je schoot) maar door al dat geslaap zijn ze nu topfit. Inmiddels hangen onze gordijnen een etage hogerop over de gordijnstangen, is de (open) trap naar boven volledig gebarricadeerd, heb ik de meest kwetsbare schoenen al opgeborgen en zijn de kaplatorens van zoonlief finaal gesloopt. Maar ze zijn überschattig en ontzettend leuk. Eens kijken of ik dat volgende week ook nog vind. Ik vermoed van wel. Maar als wij gaan slapen, gaat de deur naar de huiskamer dicht, dat is een ding wat zeker is.

Rood.
Friet.
Voetbal.
Katten.

Dus.

Prima weekend.

Hot

dat is het.
Very hot.

Ik vind ’t op zich niet erg, het hoort nu eenmaal bij de zomer en de langste dag van het jaar enzo, maar het is zo bloedjebloedjeheet dat je niks meer uit je vingers krijgt. Deuren dicht en binnen zitten. Buiten in de tuin is het 35°C. Boven de 40 in de zon, geen zuchtje wind. Deuren dicht, rolluiken naar beneden. Ik ben blij dat de kinderen inmiddels in hun twuppie zonder toezicht kunnen zwemmen, ik hoef er niet meer met m’n ogen bovenop te zitten. Laat ze maar p(ool)oedelen.

Ik zit binnen. Ik heb een gruwelijke hekel aan in de zon liggen cq. zitten bakken. Ik heb sowieso een grondhekel aan ergens nietslapend liggen en niksdoen. Ik heb ook een hekel aan insmeren en een nog grotere hekel aan van mij afdruipend zweet (tenzij ik aan ’t hardlopen ben, maar ook dan vind ik het lastig). Ik ben sowieso zonongeschikt: ik word enkel heel snel knalrood (ondanks het gehate insmeren) en na het vervellen ben ik dan weer blanco. Joepie.

Dus ja, zit ik binnen. Een beetje rondkneuteren op m’n laptop, wat schilderen, koffie drinken. Het lijkt wel winter. Ach, het is ook nooit goed hè. Voor tuinieren is het te heet. Voor grasmaaien en aardbeien plukken is het ook te heet. Vanavond een tuinfeest op school. Alleen is er precies voor vanavond weer een megagigaonweersbui aangekondigd. Dubbeljoepie.

Whatever. Ik vind ’t prima zo. De kinderen amuseren zich, ik ook. Als het iets koeler is, ga ik wel weer lekker in de tuin prutsen. Echt binnenwerkweer dit 😀

En bij jullie?? (gnagnagna)

Niet te geloven: wij zijn niks!

Gisteravond was ik een avondje kletsbeppen met de moeders van de kinderen van de klas van dochter (geweldige verhaalzin). Dat noemen ze hier “Elternstammtisch”, een stamtafel voor kletsgrage ouders. Correctie: moeders. Vaders waren er niet. Maar moeders zijn nu eenmaal ook ouders. Ik ga graag naar zulke kletsbepavonden want het is gezellig en je wordt er elke keer opnieuw stukken wijzer van. De opzienbarendste schoolnieuwtjes, de komende veranderingen, de laatste roddels (jaja, die ook, niet dat ik ze wil horen, neuhhh echnie!! Maar ja, je zit er nu eenmaal hè…).

Het gesprek kwam vanzelfsprekend ook op het onderwerp “religie” aangezien dat hier een dagelijks wederkerend, uitermate relevant iets is. Nog steeds, ook in dit nieuwe millennium. Minimaal 2 uur godsdienstles per week (en dat bij ‘maar’ halve dagen school, hè!!). Op goed 220 schoolkinderen hebben we welgeteld 10 evangelische kindekes, één moslimmeke, en 2 ‘niksertjes’ (de onzen), de rest is rooms-katholiek. De eerste twee schooljaren wordt er dan ook hoofdzakelijk naar die allesoverheersende eerste communie toegewerkt.

Nu zijn wij zogezegd atheïstisch en onze kinderen niet gedoopt dus nemen ze ‘vrijwillig’ aan de godsdienstlessen deel, voor zover ons dat in ons straatje past. Een beetje kennis van wat andere mensen om ze heen nou wél allemaal geloven is nooit weg. Ik had het liever wat breder gezien (een vak als ethiek bijvoorbeeld, waar alle religies en maatschappelijke overtuigingen een beetje aan bod komen) maar helaas, dat is er simpelweg niet. Het is dat of het is niks. Dat laatste zou waarschijnlijk wel beter bij ons zou passen, maar ze gaan toch naar ‘Religion’.

Mij werd (door aanwezige juf) gevraagd of dochter nou in het komende jaar nog blijft deelnemen aan de godsdienstlessen. Ik antwoordde bevestigend, met een voorzichtig “voor zover het voor ons te verenigen is” er achteraan. Misschien krijgt ze wel logopedie in één van die uren, net als zoon het afgelopen jaar tijdens een godsdienstlesuur elke week zijn extra leesbegeleiding kreeg.

Een moeder keek mij raar aan en vroeg vervolgens hoogstverbaasd: “Wat voor geloof ben je dan??”
Ik antwoordde iets in de trant van “nou, niks hè…”
Dat kon ze niet bevatten. Ze viel werkelijk bijna van haar stoel.
“Jullie zijn niks? Bestáát dat dan? Hoe kan dat? Hoe kun je nou niks zijn, hoe kun je nou niks gelóven? Dan kun je toch niet léven?”

Wel. Zie hier. Ik geloof niet in een god.
Ook niet in meerdere goden.
En ik leef nog!
Dus blijkbaar ben ik toch iets.
Eén grote bonk niksatomen.
En ik heb zelfs een hart!

Ik ben Lou.
Van de Stam der Niksers.

I rest my case 🙂

Oud en afgedankt

Gut Aiderbichl. Wie kent ’t niet. Nou ik dus, maar dat mocht ‘m de pret niet drukken. De ranch namens ‘Aiderbichl’ is bekend in Oostenrijk. Het wordt het dierenparadijs genoemd. Een nobele (en – moet ik zeggen – ook zeer goed gemarketeerde en gepromote) dierenopvangsinrichting. Voor dieren die zijn afgedankt. Dieren die, vooral in de zuideuropese landen, te oud waren om nog enig dienst te doen en daarom aan een boom gebonden werden om te verhongeren, naar de slacht gingen om tot ezelsalami of ragout verwurschtelt te worden, die de meest horrende pogingen tot doodmaken toch nog op de één of andere manier wisten te overleven. De dieren die ze konden (en kunnen) redden, komen hier terecht. Honderden. Misschien wel duizenden. Heel veel paarden, pony’s, muildieren en ezels. Geiten, honden en katten. Kippen, konijnen, hangbuikzwijnen, ganzen. Vossen, varkens, zelfs lama’s.

Schoonmoe wilde er graag een keer heen omdat ze het al meermaals op TV had gezien (er worden o.a. ook volksmuziekprogramma’s opgenomen). Dus was het zo ver: op stap met de hele cleanfamily. Het belangrijkste natuurlijk het eerst: eten bij de Seewirt am Zellersee. Een zeer idyllisch plekje waar de grillplatten, schweinsbraten en schnitzels van deze wereld nog in orde waren. Dochter vond het nodig om toch nog even met haar onderbroek het meer in te plonzen dus die heeft de rest van de dag in haar blote niksje onder haar jurkje rondgelopen maar ach, geen hond die dat zag.

Helaas zag man bij het achterwaarts uitparkeren wél de kans om de bips van onze (mijn!) Audi in de zijflank van een fonkelnieuwe BMW-SUV te proppen, dus moesten wij eerst nog wachten op de politie, die ‘het geval van de dag’ (het is een gehucht van 43 inwoners hè) persoonlijk moest komen opnemen. Ik denk dat het probleem niet al te groot zal zijn: even uitdeuken (*kuch*) en zelf snel overspuiten want op de zijkant van die BMW was de reclame overduidelijk: “Autolackiererei Jansen”. Meneer Jansen zelf was nergens te vinden, maar bromsnor was een joviale vent die de boel wel verder zou regelen. Prima.  Onze (mijn!!) auto had enkel een paar krassen op de bumper die in het overige op de achterkant afgebeelde dramatische autolevensportret absoluut niet opvielen. En zo gingen wij toch nog op weg naar Hoeve Ouwebeestenpret.

Onze navigatie stuurde ons als vanouds vrolijk door de onverharde oostenrijkse rimboe, wat het humeur van man nou niet bepaald ten goede kwam. Na een uitermate onschuldig, rustig commentaar van mijn kant (“he jôh, hij zei toch LINKSAF!! waarom ga je dan nóg rechtsaf??? We hadden daar afgemoeten, sjee zeg!!!”) en de duidelijk daarmee instemmende opmerkingen van dochter mompelde hij verbeten iets wat op “als jullie kippen jullie koppen nu niet als de sodemieter dichthouden, hak ik ze er zelf met de blote handen vanaf” neerkwam. Wááááár was dat ongewenstedierenparadijs ook alweer???

Op Gut Aiderbichl aanhoorden wij met stalen gezichten maar innerlijk bloedend de vreselijkste dierennoodlotten. Het personeel wist tot tranen toe te vertellen hoe gruwelijk de mensen deze dieren behandelden en hoe erg het is, dat ze niet alle dieren kunnen redden. En ik moet zeggen: ze hebben werkelijk gelijk. Het ís gruwelijk. En het is geweldig dat er mensen zijn, die dit soort dingen opbouwen (ik loop nu al de hele dag met Stichting SOZA in mijn achterhoofd. Petje af!!!). Af en toe kwam er een gruwelijk oud beest (meestal een ezel) langs sjokken, zo eentje waarvan je gelijk zag dat-ie snakte naar een spuitje. Nu zijn we dus vanzelfsprekend ook happy Foster Parents van een 16-jarige geit met een kromme nek en ze heet Miffy.

Maar het was me absoluut duidelijk: de dieren die hier op Aiderbichl oud mogen worden, hebben het echt heel, heel erg goed. Wat een heerlijkheid, álles wordt voor ze gedaan, ze krijgen heerlijk eten, lopen bijna allemaal gewoon los (de vossen en de 260kilo-zeugen niet), hebben prachtige “woongelegenheden” (de meesten hadden de naam “huppeldepup-paleis”), krijgen liefde en aai-doses in overvloed. Helaas was het witgevlekte minipeerd Franzl, venijnig achterneefje van Pipi’s Klein Witje (die er ook was!! met hartjes op z’n achterste), het geaai van die dag duidelijk meer dan zat en vond hij het nodig om zijn tanden en passant even lekker in dochter’s knie te zetten. Uitgerekend háár knie, de knie van onze de dier-en-dan-vooral-paardachtigen-liefhebster bij uitstek. Het was een enorme shock, maar ze overleefde het ternauwernood. Een dierenverzorgster nam dochter-in-shock uiteindelijk mee naar Franzl om hem de gelegenheid te geven zich te verontschuldigen. Franzl vond dat uiterst onzinnig, dus deed de dame het zelf maar even met verwrongen stemmetje. Uiteindelijk kwam het middels een vriendschappelijke maar licht gedwongen scheiding toch nog weer goed.

Een ritje met de plaatselijke on-road-trein moest natuurlijk ook nog volbracht worden. De geëngageerde pedaalmachinist verklaarde onderweg nog eens uitgebreid hoe de niet-biokippen moeten leven en dat er o.h.a. zelfs geen tijd is om de beesten op kipvriendelijke manier te slachten zodat ze al kakelend geplukt, verdrukt en uit elkaar gerukt worden, dat hun snavels afgeknipt worden waardoor ze weliswaar niet meer fatsoenlijk kunnen eten (maar in een legbatterij hoef je enkel naar binnen te schrokken wat er aan voer voorbij komt) maar elkaar ook niet meer kaal kunnen pikken. En over de paarden (die we onderweg appels en wortels mochten voeren) die ze half doodgestoken en heftig bloedend uit een dubbeldekkervrachtauto uit Roemenië hebben gered. Alle gruwelijkheden werden beschilderd. Laat ik even opmerken dat onze kinderen (6 en 9) tot de oudsten van de ca. 10 intensief luisterende, geshockeerde kinderen behoorden… Ik heb getracht de oren van dochter dicht te houden, maar dat lukte niet. Ik ben benieuwd waar ze van droomt vannacht, van Franzl of van koploos kakelende kippen…

Ach. Het was zeker een geslaagde dag.
Prachtig weer. Heerlijke landschappen, idyllische plekjes.
Een hoop dieren met een gelukkige oudedag.
En een pleeggeit en een bumperdeuk rijker.

silence of the Lou

eerste gedachtes
hmmm?

.

.

beeldscherm wazig.

.

.

mén, ik heb lodderogen.

.

.

stom hoofd.
werkt voor geen meter.

.

.

stil in mij.
nog steeds.
alweer.

.

.

de mensheid mag blij zijn.
eindelijk houdt ’t mens
haar kop eens.

Rot is relatief

Vroeger toen ik nog klein was (oftewel: lang, langgggg geleden) had ik qua eten stiekem de grootste bewondering voor mijn mama. Zij at alles waarvan wij dachten dat je het al lang niet meer kon eten. Vaak zaten mijn zus en ik bij het ontbijt onthutst te kijken naar haar plankje met daarop een half verrotte appel, een sinaasappel met een groene bontkraag of  een donkergroene kiwi waar je al doorheen kon kijken, zo glazig. In koor riepen wij dan: “ieuwwww mam, dát kun je toch niet meer opeten?”

Maar ma sneed onverdroten de rotte plekken weg en prevelde ondertussen: “Jawel hoor. Goed eten
góói je niet weg.” Nou is dat ‘goed’ dus echt relatief. Ik kende de beroemde japanse duizendjarige eieren toen nog niet, maar daarmee had ik het prima kunnen vergelijken. Voor mij was het verrot. Een appel met een grote, zachte, prutterige bruine plek is verrot. Een kwartverschimmelde sinaasappel is verrot. Zulke dingen gooide je linea recta de vuilnisbak in (nee, GFT-bakken hadden we toen nog niet).

Mijn moeder at ook roggebrood met Hüttenkäse en selderiezout voor het ontbijt. Ik gruwelde ervan. Niet goed wijs, die daar bij de Weight Watchers. Of ze at kikkererwten. Hóe ze die at weet ik niet meer, maar ik weet dat het kikkererwten waren want ik kon de woorden ‘kikkerbillen’ en ‘kikkerdril’ maar niet uit mijn gedachten krijgen als ik haar dat zag eten en kreeg de rillingen als ik ernaar keek. Of nog zoiets: zure, magere joghurt of karnemelk zonder suiker. Hoe kreeg ’n mens het weg.

Ruim 30 jaar later. We zitten aan het ontbijt en mijn kinderen kijken met horrorblikken in hun ogen toe hoe ik op mijn houten plankje een groen uitgeslagen sinaasappel halveer en de goede helft gewoon opeet. Hoe de appel keurig rondom de bruine smurrieplek heen naar binnen gewerkt wordt. “Iiiehhh mam, dat is bedorven!! zoiets eet je toch niet!!” En ik mompel geheel traditiegetrouw: “Waarom niet. Goed eten góói je niet weg.”

Glazige, overrijpe kiwi’s krijg ik helaas nog steeds niet weg (daar ga ga ik van kokhalzen), maar ook die had ik gewoon anders opgegeten. Ik eet met liefde donker roggebrood met Hüttenkäse en selderiezout (en dan het liefst nog met wat tomaat en of plakjes komkommer er op) en ik ben gék op kikkererwten, vooral in de groentensoep, als houmous of als bijgerecht. Zure joghurt: heerlijk (maar ik gooi er wel graag nog een plens aardbeienjam in, als ’t effe kan), of stroop in de karnemelk, yummm.

Ach, the times, they are a-changin’…

jij met je warmte

jij verjaagt al mijn
donkere gedachten
jij kunt met je zijn
de pijn wat verzachten
het ijs op mijn ziel
smelt langzaam weg
maakt me volatiel
behoeft geen uitleg
ik leef weer op
door jouw energie
ik ben jouw mop
en jij mijn skattie
ik wentel me in
die warmte van jou
ik krijg weer zin
niks dat ik liever wou
dan bij jou zijn
en me aan jou warmen
kom hier en schijn
met je stralende armen

Heerlijke zon…

(c) Lou

Remote Control

Televisie is, hoe je het ook draait of keert, iets uitermate essentieels hier. Ik kan me er helaas niet zo in vinden, ik kijk heel erg weinig TV. Als ik al even niks beters te doen heb, luister ik liever muziek (blip er soms even lekker op los), schrijf, schilder, lees blogs, speel wordfeud, whatever, maar de meeste dingen die voorbijkomen op ’t ding interesseren me voor geen meter. Voor man en de kinderen is dat anders. Man zuigt alles in zich op wat maar een glimp van geschiedenis in zich heeft. Sowieso alles wat in zwart-wit is (gruwelijk). Van mummies tot wereldoorlogen, alles wordt tot in den treure herkauwd. Oh en sport. Voetbal (o.h.a. mee eens), Formule1 (yesss!), snooker (ook prima), tennis (is OK), ijshockey (mwah), boksen (vreselijk), wielrennen (horror) moet allemaal gekeken en geanalyseerd worden. Het moge dan ook duidelijk zijn wie er hier regeert over de afstandsbediening: NOT the mama!!

En mocht hij dan al moe zijn van alle gekoekeloer, dondert de heer des huizes met ronkend geweld in slaap op de bank. Steevast in innige omstrengeling met of – nog erger – bovenop de afstandsbediening. En als ik ‘m dan behoedzaam af zou pakken om de nog onbeperkt voortdurende WOII-documentaire weg te zappen (nee, ik wíl het niet vergeten, het ís belangrijke geschiedenis, maar ik hoef ’t niet dagelijks – werkelijk dagelijks – allemaal steeds weer opnieuw door te nemen…) wordt hij met de zekerheid van Carla Bruni’s zangcarrière weer wakker om vervolgens op mij te mopperen dat ik alleen maar onintelligente talentenshows of romantische shit wil kijken. Dat klopt overigens: áls ik al TV kijk, wil ik óf het nieuws kijken óf iets waarbij ik gewoon nog fijn verder kan typen, chatten, schilderen, lezen, grinniken – m.a.w. iets wat dermate onintelligent is dat ik er mijn miniscule brein niet bij nodig heb om het toch nog leuk te vinden op de achtergrond.

Nog handig om te weten: wij hebben onze 7 afstandsbedieningen nu sinds geruime tijd geïntegreerd in één zo’n universeel ding. Hoogingewikkeld maar voor de kinderen no problem. Op ‘TV’ drukken – ‘on’ drukken – ‘AUX’ drukken – ‘on’ drukken – 87 resp. 40 resp. 41 intypen en klaar. Kinderzender gevonden. Mochten ze van de oostenrijkse sat-receiver nog even willen switchen naar de nederlandse voor ketnet en co: ‘Sat’ drukken – ‘on’ drukken – ‘TV’ drukken – ‘bovensteknopjetussenvolume&kanaalkeuze’ drukken – ‘Sat’ weer drukken – 151 (of een of ander ander kindergetal) indrukken en weer klaar. Ze hadden het binnen een minuut of 10 onder de knie. Allebei. Ik had er wat langer voor nodig maar zelfs ik kan nu nog steeds de was doen. Ons leven-met-levend-licht draait nu in ieder geval volledig om de ‘Universalfernbedienung’, de UFB. Of UAB op z’n nederlands. Hij heet daadwerkelijk niet voor niks “Medion LIFE”…

Maar wie er pas écht afstandsbedieningsverslaafd is, dat is dochter (ze zit op dit moment naast mij te gillen, al wijzend op het plaatje in m’n blog-concept: “Schau, schau!!! MEINE Fernbedienung im Internet!!! Die heb ik, die heb ik!!!”). Ze is zo ontzettend gefixeerd op dat ding – zelfs als de TV helemaal niet aan is… – dat ze hem werkelijk overal mee naar toe sleept. De AB is dan ook regelmatig verdwenen en de daaropvolgende zoekvolgorde bekend: eerst in de WC checken, de keuken (achter het aquarium bij de snoepkast), dan haar slaapkamer, de kist met barbies en de kaplabak. Mocht hij daar onverhoopt niet liggen, dan ligt-ie tussen of onder de bank. Ze verdedigt de AB vanzelfsprekend met haar leven, bijt haar broer soms in de afstandsbedieningafpakkenwillende arm, gromt aan tafel als ik het ding aan míjn kant neerleg omdat ik niet wil dat ze met haar vette ketchupvingers ons levensmiddelpunt bevingert. De tekst op de knopjes slijt al voldoende zonder bijtende tomatenzuren. Tijdens het eten wordt er sowieso geen TV gekeken (tenzij ik ziek ben, zoals nu, waardoor de kinderen steeds opnieuw stilletjes en innigst hopen dat mijn hoestbuien daadwerkelijk overgaan in ziekte), maar dat maakt voor de positionering van de AB niet uit: die ligt in dochters hand of in ieder geval, net als het overige bestek, vlak naast haar bord. Ze kauwt er ook regelmatig op (tot grote ergernis van man die de tandafdrukken in de on-knop echt afzichtelijk vindt, ik vind ze best schattig eigenlijk) en neemt hem zelfs mee naar bed. Haar grootste vriend. Soms is hij een paar dagen weg en moeten we minstens 5 van onze ouwe afstandsbedieningen uitgraven om weer fatsoenlijk TV te kunnen kijken. Dan bidden we tot heilige Antonius (not) om de huilbuien van dochter toch eindelijk eens te kunnen stoppen en meestal komt hij dan wel weer boven water. Soms letterlijk.

Ik denk dat we binnenkort maar ‘ns een 2e, zelfde UAB, gaan halen. 1 voor het echie en 1 voor haar. Een KAB. Een knuffelafstandsbediening.

No remote, no life.

Toch?

L_2.7

Daarnet heeft L. de update gedownload: haar eigen 2.7 versie. Een gouden draak maakte haar op de vernieuwde versie attent, gaf dé link en had  zelfs nog een aantal irritante bugs gefixed. Ze had zelf niet eens echt door dat het gewoon simpele softwarefouten waren… Maar ja, het is ook moeilijk om je eigen fouten op te speuren en te fixen hè. Daar heb je dus soms wel eens anderen voor nodig. Anderen die weten hoe jij werkt, die jouw source code kennen, die door je simpelweg te kénnen, je errors en bugs veel beter in de smiezen hebben…

Haar compiler is weliswaar ook niet translatiefoutloos, maar als de broncode nu eindelijk weer eens goed opgeschoond is, kan die er nog ook wel een tijdje mee door zodat ze weer naar behoren kan functioneren. De antenne zelf is gereset, de ruis is nog steeds flink hoog maar door de nieuwe instellingen verloopt de filtering van de essentie een stuk effectiever.

Als de perifere apps en de secundaire hardware nou ook nog eens goed met de core samen zouden werken, zou L. een bijna perfecte machine kunnen worden. Maar die hoop heeft ze zelf al opgegeven. En wat moet je überhaupt met een perfecte machine? Een leven zonder verrassingen is als Microsoft zonder bluescreens. Een venster zonder uitzicht. Af en toe heb je die adrenaline-kicks gewoon nodig. L. is vast al lang blij als de boel zonder fatale crashes zo’n 3 weken per maand door blijft lopen. Een automatische backup-functie op een externe harde schijf zorgt voor enige veiligheid m.b.t. de moeizaam opgeslagen data en leereffecten die L. in haar historie vergaard had.

De hormonele storingsmeldingen blijven echter wel nog steeds komen. Een uiterst moeilijk te achterhalen misser in de code; op de momenten dat je het ’t minst verwacht, springt de machinerie – ondanks maandelijkse herprogrammering – ineens toch weer op tilt. Dan zie je haar trillen met haar vingers, krampachtig over haar afgesleten toetsenbord maaiend…

*hard reset*

*reboot*

*_*

Gewoon kappen!

Dat riep ik vanochtend binnensmonds tegen een blondzwarte friseuse.
Het was weer eens zover. Na 3 weken gezeur van dochter (6) aangehoord te hebben was ik het zat. Om stipt 8AM hing ik al in de foon.
“Wanneer schikt het u?”
“Nou, nu??”
“OK, om kwart voor elf hebben we nog een plekje.”
Ach nou ja, dat is ook bijna ‘nu’. De kinderen hadden vandaag weer eens schoolvrij om de één of andere vage reden (Landeslehrerversammlung, wat dat dan ook mag wezen. Op zulke dagen ben je blij dat je thuiswerkmammie bent). Kwart voor elf zaten ze allebei op een stoelverhoging (in de overigens compleet lege kapsalon – wat een groot ‘plekje’ hadden wij gekregen!) te koekeloeren.

Bij zoon (9) roep ik standaard: “alles op 12mm graag!” en dat gebeurt dan ook. Dit keer kwam zoon er echter zomaar ineens tussen: “Echnie. Ik wil ’t bovenop langer hebben en dan in stekels. Ik wil cool als Phil [onze drumleraar] zijn.”. Een beetje verbouwereerd door deze inmenging van zoon (want niet gewend: hij is normaalgesproken van het type ‘het zal me allemaal worst wezen, als ik hier maar snel weer weg mag’) maar er natuurlijk niks op tegen hebbend, wordt zoon daar waar ’t wél mag, gekortwiekt. Dat is nog altijd zeer easygoing. Zoon krabt zich ter afsluiting eens in z’n rooie nek, kijkt me aan, gooit er een soort holenmensen-achtig “hangghh?” uit (dat is een samenvattend synoniem voor de aan mij gerichte vragen: “nou? wat kijk je nou suf? is toch prima OK zo??”) en gaat vervolgens braaf op coole wijze bij mij op schoot zitten.  Dochter is een ander verhaal. Die weet 3 weken van tevoren al precies wat ze wil en hoe het moet. Waar kort, waar lang. De pony moet weer kort want ze ziet niks, oh en een lange zwarte haarlok erin a.u.b.

En dan zit ze daar. Mejuffrouw Prekebeen op haar stoelverhogingstroon, de kapster kritisch bekijkend en haar waardigheid beoordelend.
“Oh mam, ik wil toch geen pony meer [oh my…]. Het moet weer lang. Een pony is voor babies, behalve als-ie in de wei staat.”
Ratelderatel.
“Oh en het mag wel iets korter hier. Maar daar niet. Neeeeeeheee, ik zei toch, dáár NIET!!!”
De kapster kijkt ietwat veronzekerd naar mij en ik denk min of meer hardop: “gewoon knippen meid, ik betaal en ik vind ’t allemaal best. ‘t-groeit wel weer aan en als het niet goed is, zit ik met een kortharig krijsexemplaar, niet jij”.
Ze snapt ‘t. En knipt er lustig op los.
Dochter rebbelt voort (in het duits welteverstaan, maar ik ben zo vrij om even te vertalen):
“ik had hiervoor al een roze haarlok, maar die was echt te kort [ter info: die heb ik thuis nog een behoorlijk stuk ingekort omdat ze ‘m steeds opvrat bij het eten] en hij was ook niet mooi meer dus heeft mam ‘m er helemaal uitgehaald. En ik heb nu lang genoeg lang haar gehad. Doe ’t toch maar hartstikke kort knippen, ja? Ik zweet me het eppieleppie nu en dan gaat alles jeuken. Maar ik heb geen luizen hoor! Die heb ik nog nooit gehad. [ik klop zachtjes af op de stoelleuning]. M’n broer ook niet, want die heeft sowieso millimeterhaar en daar houden luizen niet van, dat is te licht voor ze. Luizen houden niet van zon want dan worden ze bruin en dan verschrompelen ze. En vlooien hebben we ook niet. Maar straks hebben we 2 katten en dan hebben we vast wel allemaal wel een keer vlooien. En dan komen we bij jou, mag jij ze vangen en in een potje doen. Goed?”

De kapster zegt niet veel, maar ik hoor haar denken: “blij als ik zometeen klaar ben met deze rebbelkous, poeh poeh poeh”. Of zoiets. Ik verdraai even m’n ogen en grinnik enigszins verontschuldigend (en ondertussen vind ik mijn dochter toch best heel erg leuk. Ze lijkt op d’r moeder heheh).

Met de lijmtang wordt er aan de rechterkant nog een 40cm lange lok zwart haar ingelijmd, die op mijn commando toch echt ingekort moet worden (ik zie mezelf alweer tijdens het avondeten de zwarte haren uit haar keel trekken, nee dank je de koekoek). Dochter kijkt beledigd want wil de volledige pluk zwart haar houden. “Daar betaal jij toch óók voor? Dan mag ik het toch wel houden??” Theoretisch heeft ze gelijk. Praktisch heb ik de schaar al zowat vast om de boel dan zelf maar af te knippen en dan mag ze van mij dat afgeknipte stuk best houden. De kapster is me voor en zegt diplomatiek: “kijk, deze lengte is momenteel helemaal ‘in’, dan heb je het precies zoals het hoort”, en houdt de lok op een acceptabele lengte vast. Dochter trekt haar mondhoek nadenkend omlaag maar voor verder nadenken is het al te laat: kapster weet van wanten en de lok is nu tot de helft ingekort. Klaar.

20 minuten later staan ze met korte koppen en een cola-lolly weer buiten.
Als ik in de auto stap mompel ik “Zohhh. dat hebben we voorlopig ook weer gehad”.
Maar ik weet als geen ander: erna is ervoor…

Doorloper

ik ram er even op los. los met die vingers. vingers blijven haken. haken en ogen. ogen op half zes. zestig stokjes nodig. nodig naar de kapper. kappers zijn lekker. lekker zoals ik zwelg-en-typ. typisch maandag. maandagen zijn klote. klote, dat vroege opstaan. opstaan en wéér opnieuw verder gaan. gaan de dingen toch weer mis. mis ik steeds jou. jouw nikszeggen zegt mij genoeg. genoeg heb ik ervan. van de regen in de drup. druppel mij maar vol. vol van leeg. leeg van binnen. binnenkant doet pijn. pijn door geesthonger. honger naar meer. meer is er blijkbaar niet. niet dat ik het je kwalijk neem. neem het zoals het komt. komt goed. goed?

dan ik ook nog even: Vrijheid!!

Ik woon weliswaar in een hollandschevrijheidstechnisch fout land (en hiervoor woonde ik in een nóg fouter land), maar ik kijk ook nederlandse TV en word derhalve dus ook tot het in vrijheid de vrijheid vieren opgeroepen. En als braaf en vaderlandslievend mens doe ik dat dan maar: vrijheid!!! (hear me jeer).
Zo. klaar.

Wat is er nou zo vrij aan vandaag? Ik mocht de gestikte woelmuizen in vrijheid uit mijn pendelzonnescherm plukken. Ik heb net in vrijheid de lamskoteletjes gemarineerd. Ik heb heel vrijelijk mijn kleding van mij geworpen (dé bevrijdingsslag op bevrijdingsdag) om mezelf daarna weer te vangen in een nieuw shirt en een nieuwe spiekerboks. Na het in vrijheid tuinieren was mijn vorige set kleren namelijk vrij goor, bezweet, begrast en bezand. Ik was vrij nieuwsgierig naar een recept van de buurvrouw dus dat heb ik vrijmoedig gevraagd. En ik heb vrijgevig alle loslopende (buur)kinderen van een ijsje voorzien omdat mijn vrieskast zich de vrijheid genomen heeft, een luchtbelletje te creëren maar nu niet meer in staat is om dat luchtbelletje vrij te laten, waardoor hij het nu niet meer doet en binnen afzienbare tijd in volle vrijheid op de schroothoop mag gaan liggen. En ik mag er nog ongestrafd en godslasterlijk over vloeken ook. Een jaar geleden werd mijn oma op deze bevrijdingsdag ‘bevrijd’: ze overleed en mocht haar lichaam, waar ze nog in gevangen zat, eindelijk verlaten. En het was goed zo.

Bevrijdingsdag. Een waarlijk bevrijdende dag. Ik mag er best even bij stilstaan dat de overdosis vrijheid die wij dagelijks genieten, niet vanzelfsprekend is. Het is een luxe, die heel veel (veel en veel en veel te veel) mensen op deze aardkloot moeten ontberen. Ik waardeer het dan ook wel degelijk. Maar niet meer persé alleen vandaag… Ik sta er wel vaker bij stil dan enkel op 5 mei. Ja, 67 jaar geleden werden we van onze eigen buren bevrijd. Dat is een nooit te vergeten feit. Maar inmiddels zijn onze buren ook weer heel andere buren geworden. Behulpzame, nadenkende, goede buren (dat stelletje onnadenkende, gelobotomiseerde neo-nazi’s even daargelaten, maar zulke gekken heb je inmiddels ook in ieder land hè…). Eigenlijk zou je op dagen als deze ook na moeten denken over welke dingen je vrijheid in de (nabije) toekomst kunnen gaan bedreigen.

Kan ik straks nog steeds  “gewoon buiten tuinieren” met een zon die door gebrek aan filtering zomaar gaten in je huid brandt?
Kan ik binnenkort nog zonder verder nadenken leidingwater drinken?
Mag ik straks nog wel vrij kiezen hoe ik erbij loop of zal ik door de maatschappij (“de gezelschap” had ik al getypt, maar dat is wel een heul erg germanisme :-S) gedwongen worden om mijzelf aan te passen?
Kan ik mijn kinderen überhaupt nog wel met goed fatsoen en zonder angst alleen buiten laten spelen?
Hoe je het draait of keert, het blijven peanuts vergeleken met de vrijheden die anderen moeten ontberen.

Ik heb persoonlijke vrijheid. Ik kan doen en laten wat ik wil (binnen de wetten dan). Ik hoef me in ieder geval niets aan te trekken van wat anderen van mij vinden (maar ik doe het o.h.a. wel…).
Ik heb sociale vrijheid. Ik kan en mag zelf kiezen met wie ik om wil gaan en wie er met mij om mag gaan.
Ik ben geestelijk vrij. Ik kan vrij kiezen uit de mogelijkheden die mij ter beschikking staan. Ik mag denken en zeggen wat ik wil. Jij hebt dan weer de geestelijke vrijheid om het daarmee eens te zijn of niet.
Ik heb burgerlijke vrijheid: over het algemeen worden mijn rechten gerespecteerd en respecteer ik de rechten van anderen. Ik kan naar eigen goeddunken handelen.

Ik ben me hiervan bewust.
Dat is vrijheid.
Dat hoef ik niet te vieren.
Dat hoef ik enkel maar te koesteren.
Iedere dag opnieuw…

Lang leve de vereniging (2)

(Poging 2 dan maar….)

Onze sportvereniging bestaat dit jaar 50 jaar. En de beste zuipers staan niet aan wal maar in de tent dus moet dit vanzelfsprekend gevierd worden met een mega-feest: Een tentfeest. Een ‘Zeltfest’. Mocht u nu denken dat ik op dit heugelijke feest mijn (toch al afwezige) brains eruit ga zuipen: fout! Aangezien ik trainster ben van de allerkleinste voetballertjes (hier de bambini’s genoemd, in Nederland heten die iets van ‘F-jes’ ofzo?), voel ik mij in zo’n geval natuurlijk ook genoodzaakt om mee te helpen zodat het hele gebeuren ook echt een knaller gaat worden.

Gisteravond was het begin van alles: een groot feest voor alle leden, aanhang en vooral prominent volk. De lokale TV was er (wist ik), de nationale TV was er ook (shit). De provinciale chefs van allerlei interessante verbanden, de provinciale opperchef zelf, burgemeester en entourage, weet ik veel wie (ik kende er – afgezien van de burgemeester die hier al wel eens tijdens ’t avondeten binnen is komen stuiven – sowieso geen één) nog meer. Heel leuk en fijn allemaal, ware het niet, dat ik – als tevens lid van de damesgym die elke woensdag fanatiek 1,5 uur stept of aerobict – toegezegd heb om mee te doen met een kleine “uitvoering” tijdens deze avond. Salsa-latindance-steps. Waarom ik dat heb toegezegd, beats me, maar op dat moment leek ’t me niet zo’n big thing. Fout geleken :-S

Het hele gebeuren begon met een grote stoet van alle leden – in hun nieuwe tenue: mooi rood is niet lelijk – achter de fanfare  aan. Van het gemeentehuis naar de tent op de sportplaats. Was wel een heel mooi gezicht trouwens, al die rode pakkies. Ik ben ook trotse bezitster van zo’n rode outfit dus ik mocht meelopen. Bij de tent er aan de voorkant in, eet-en-zuip-bonnetjes in ontvangst nemen en er aan de andere kant weer uitsjouwen: terug naar de sporthal voor een laatste keer repeteren. Aansluitend weer naar de tent sjezen. Daar zaten wel héél verschríkkelijk veel mensen… De tent is gebouwd voor ca. 2500 man en halfvol was-ie toch wel… We hadden inmiddels allemaal de fluoriserend gele shirtjes over ons eigen spul heen gesjord en toen begon het wachten op het einde van de film die toen nog liep. Die film kon me niet lang genoeg duren maar hij was uiteindelijk nog duidelijk te kort. We moesten.

Felle lampen, zonder één stap gedaan te hebben al zweet op ’t voorhoofd. De eerste rij helemaal vol met ons aanstarende prominentie. Je zag ze denken “wat wil dat stelletje mutsen nou met die plankjes…”. Whatever. Step neerkwakken op de voorbesproken plek, antislipmatjes eronder prutsen en tappen tot de eigenlijke muziek begon. Die kwam ook al te snel. Ik heb volgens mij meer fouten gemaakt dan in alle oefensessies bij elkaar maar gelukkig ben ik nog altijd goed in het verdoezelen van mijn fouten en ook in het gewoon stom doorrrrrgaan, m’n  ‘Komt goed’-mantra mompelend. Uiteindelijk bleek dat het inderdaad best goed kwam: het publiek was laaiend enthousiast. We kregen ook achteraf nog complimenten, zelfs van een landelijke promi die dat extra nog even kwam zeggen. Toch aardig.

En dan dat gevoel da je hebt als het eindelijk klaar is. Eindelijk voorbij. Geschafft. Finito. Daar doe je het voor hè. Dat gevoel ervóór, dat mogen ze van mij houden. Maar dat erna is best heel aangenaam… En dat dáárna, tijdens het weißweinspritzerdrinken en met z’n allen lol hebben voor twintig is ook prima.

Vanavond moet er dan echt gewerkt worden: dan mag ik namelijk achter de bar staan, 2500 man van alcohol voorzien, van ca. 5pm tot iets van 5am. Kneiterhard werken is dat, maar ook dat is soms best leuk op zijn tijd.

Ach, je moet wat over hebben voor je vereniging hè 😉 En voor de sociale lokale integratie. Dat ook.

(en NB: wat een fijn nikszeggend, burgertrutterig, simpel, alledaags blog is dit hè? pure simple shit – Yes I can!! 😉 )

(oh en nog een heugelijk alledaags dingetje: m’n vrieskast is helemaal niet kapot! Ik heb ’t ding voor niks een klap verkocht: de interne thermometer doet ’t alleen niet meer :-S)

Wat is wijsheid?

Geen idee. Ik vraag ’t me al zo’n 30 jaar af
(toegegeven, de eerste 10 jaar dacht ik hier nog niet zo erg over na).
En ik weet ’t nog steeds niet, dus zal ik het ook niet hebben of zijn. Ik pretendeer dat ook niet, gelukkig.

Wijsheid.
Raar woord eigenlijk. Wijs. Heid. Schoon. Heid. Over. Heid. Ge. Heid. Hmmm.
Bij wijsheden moet ik eigenlijk altijd meteen denken aan spreuken in de trant van “mannen zijn als huppeldepup”…
Zoiets als: “Mannen zijn net als wijndruiven. Eerst flink inelkaar stampen en dan in het donker opsluiten voor een fatsoenlijk rijpingsproces, zodat je ze er later zelfs bij het eten redelijk goed bij kunt hebben.” (schijnt Britney Spears ooit gezegd te hebben. Wijs mens, die Britney).
Is zoiets nou wijsheid?

Dan bezit ik namelijk véél wijsheden…

“De man heeft zijn achilleshiel niet aan zijn voet maar in zijn kruis”

of

“Natuurlijk kunnen mannen beter landkaarten lezen dan vrouwen. Mannen kunnen zich sowieso tig keer beter voorstellen dat 1 cm in werkelijkheid 100 kilometer is…”
(die is van Roseanne Barr, trouwens)

of

“Mannen zijn net spaarvarkens. Die waar het minste in zit, maakt ’t meeste lawaai”

OK OK OK…
ik ken er ook nog een paar met vrouwen.

Ach nee, sorry, die ben ik vergeten.

Maar wat is het dan nou wel? Ben je wijs als je uiteindelijk, na een vurrukkullukke berg fouten te hebben gemaakt, daadwerkelijk wat geleerd hebt? Klaarblijkelijk maak ik ook steeds opnieuw dezelfde fouten en schijnbaar leer ik er ook nog eens niets van. Wist ik eigenlijk ook wel. Ik heb in ieder geval weinig gemeen met ezels. Maar drie keer?? 38 keer komt meer in de richting… Of misschien vind ik juist die fouten van mij zo lekker? (gheheheh). Studeren maakt in ieder geval niet wijs, dat staat vast. Kennis is nog lang geen wijsheid. O.a. politici bewijzen het dagelijks opnieuw. En een studie “moderne en hedendaagse wijsheden” heb ik nog niet gevonden.

Ben je dan wijs als je geduld hebt?
Als je anderen eerst aanhoort en afwacht voordat je je oordeel velt?
Of nog beter, als je ook dan nog steeds géén oordeel velt over of iets nou goed of fout is?
Als je de mildheid zelve bent? Als je kunt luisteren voordat je een mening geeft?
Als je veel ervaring hebt? Wijsheid is niet wat een mens overkomt. Wijsheid is wat een mens dóet met wat hem/haar overkomt.

Volgens Wikipedia is wijsheid de  kunst om in alle levensomstandigheden juist te oordelen en te handelen. Okee… dan ben ik helaas echt niet goed wijs. Ik oordeel dagelijks fout en handel daar ook nog naar. De actuele levensomstandigheid maakt dan ook geen bal meer uit.

Wijsheid is wéten wanneer je dom mag zijn. God ik weet ’t écht niet hoor… Ik weet wel dat de ochtend in ieder geval altijd verstandiger is dan de avond ervoor. Dat geldt voor mij helemaal. Een mens kan sowieso beter een nachtje slapen over wat-ie wil gaan doen dan nachtenlang wakker liggen van wat-ie gedaan heeft. Ik zou ‘s-avonds gewoon consequent m’n kop dicht moeten houden en wachten tot het weer ochtend is, dan is alles ineens veel duidelijk en ik ook weer wijzer. Ik maak me op, mijn IQ stijgt daarmee gelijk met 30 procentpunten ofzo, ik kijk in de spiegel en denk…. oh nee. Ik denk niet.

En ach, ook de spiegel der wijsheid beslaat wel eens…

Zo dan!

Jawel, jawel, tatarataaaa!!! Dat was ‘m dan weer!!
De periodieke drama-fase.

I am drama!

Dat heb ik net ook weer mogen lezen. Nou ben ik graag drama in persoon, maar niet als ik zelf nog in het desbetreffende drama geloof. Da’s een beetje als zelf Sinterklaas moeten spelen terwijl je zelf nog steeds heilig vertrouwen in die ouwe zak hebt.

Elke maand blijken mijn hormonen weer opnieuw heel geniepig te beginnen aan een vet potje rugby met m’n verstand. En zo eens in de drie-vier maanden volgt er dan een persoonlijke wereldondergang. Dat is allemaal geen ramp, ook wereldondergangen kun je als volleerd dramaqueen verwerken. Mijn werkelijke issue is: wáárom kom ik er dan steevast en áltijd achteraf pas weer achter dat het zover is? Dit soort “ahaaaa!”-ervaringen kan ik missen als kiespijn. (gisteren zou ik bijvoorbeeld nog “…als jou” geschreven hebben)

Anyway. Mocht u mij toevallig óók de deur uit willen werken, op socmed (zoals vanochtend al gebeurde) of IRL (dat zal wat harder te slikken zijn), doe dit dan please tijdens deze wereldondergangsfases, dan valt die portie extra ellende in ieder geval niet meer zo erg op.

De positievere kant van my major misery is, dat ik jullie dan tenminste niet verveel met mijn alledaagse nietszeggende, oerslappe, burgertrutterige activiteiten. En dan vooral die, die níet mislopen. Nou heb ik er daarvan gelukkig maar weinig. Even het meest recente voorbeeld:

Uurtje geleden.
De buurvrouw komt binnenstormen (onze voordeur is altijd open, vandaar).
“Wanneer gaan we nou steps oefenen voor vrijdag?” (Vrijdag is het groot feest: onze sportclub bestaat 50 jaar en dan moet iedere sportsectie iets op het podium ten toon spreiden. Joepie. Aangezien ik bij de steps/aerobics (oftewel: de vrouwengym) zit, wordt dat podium ook door ons dames besprongen. letterlijk.) Mij vang je niet met dergelijke plotselinge huisinvallen dus ik zeg “nou, nu!”. Whoppa, step (meegenomen om te oefenen) op het laminaat geknikkerd en de buurvrouw erop gejaagd. Ikke zelf ernaast (ik had al eerder – in de gang – geoefend dus ik kon ’t al ietskes beter (smug grin). *kuch*). Buuf plant voet op step. Gaat goed. Buuf springt op step. Step maakt ’n respectabele slipper over ’t toch best gladde laminaat richting mij. De rest is niet belangrijk maar het ging mis. In tweevoud. In ieder geval heb ik daarna een stuk antislip voor vloerkleden op maat gesneden en daar de step voor Buuf opgezet. Daarna ging het gelijk stukken beter. Met mij dan.

Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen…
wat wilde ik ook alweer zeggen….
Ah ja.
Niemand hoeft zich zorgen te maken. Ik ga namelijk iets van een alarm in m’n thunderbird-agenda inbouwen. Iets dat ca. 4 dagen voor mijn persoonlijke maandelijkse zondvloed heul hard gaat piepen en abrupt een toetsenbordblokkade activeert zodat ik mijn periodieke depressiviteit niet meer in blogs of tweets of FB-postings om kan zetten. Zoiets. Iemand nog een inspirerend idee? De HA zal mij ook nog mogen adviseren. Ik wil whiskypammetjes ofzo, dat Sintjanskruid is ook niet meer wat het geweest is.

Sorry voor de zware blogtijden waar ik jullie doorheen gejaagd heb. U heeft nu weer een dag of 27 rust.

Maar ik blijf wel graag dramaqueen.
Mag ik dat?

Vrieskast

hij pruttelde nog even en toen was het stil.
hij kon niks zinnigs meer doen.
de temperaturen liepen al snel op.
het ijs smolt.
bijna ongehoord schreeuwde hij “Alaaaaarm!!!”
eerst in z’n bovenkamer, toen ook hoorbaar.
zacht maar wanhopig.
hoe moest hij nu in vredesnaam verder?
z’n processor sloeg op tilt.
het lukte hem écht niet meer om af te koelen.
de temperaturen bleven maar oplopen.
langzaam maar zeker ontdooide hij.
en zijn innerlijkheden versmolten…

En toen kwam zij.
Met angst en beven hoorde hij haar de trap afstommelen.
Woedend was ze.
Hoe kón hij haar zo in de steek laten?
Een onverwachte, ferme rechtse op zijn plaatstalen zijwand.
En nog éen. Een hele harde.
Hij beefde ervan.
Ze kon het geven van een flinke trap na nog net bedwingen.
Bruut werd hij wakker geschud uit zijn misère.
Stribbelde tegen maar pruttelde tenminste weer.
Tergend langzaam begon hij zich te bekoelen.
het zachte in zijn binnenste werd weer ijzig.
De vraag is alleen, voor hoe lang…

Maar goed.
Zo zie je maar weer.
Zelfs een vrieskast kun je op de Lou-manier (tijdelijk) repareren…

1.0-blogging

ik schrijf (nou ja, sinds ik op wordpress blog is het eigenlijk “schreef”) altijd in een ‘gedachtenboekje’. Twee heb ik er al volgekalkt met vanalles en nogwat. Een best wel echt 1.0-blog dus. Laatst zag ik hier meerdere keren een ‘handgeschreven blog’ voorbijkomen en dacht: “ach, ik kan ook wel ‘ns wat bewijzen aanvoeren voor het feit dat ik al veel langer blog dan die 5 maand hier”. Ik schreef echt alles door elkaar. Gedichten van mezelf, gedichten van anderen, gedachten, vakantierapportages, zieleroerselen, liefdesverdrietigheden, etc. Net als hier dus. Alleen tekende ik er in m’n 1.0-boekjes nogal eens wat in het wilde weg bij. En mijn kinderen kliederden er ook regelmatig in rond.
Ach, kijk zelf maar. Een greep uit de bladzijden.

Waar zit ik toch…

met m’n hoofd…wat een zooi. wat een troep. chaos. echt vette chaos. alles drijft door elkaar. stom hoofd. in the end zingend en jezelf een looser denkend. ik kan het niet. kan het niet ordenen, slok cola dan maar. draadje van m’n koptelefoon hangt over m’n rechterborst. mén wat zie ik er gestoord uit. freak. cola. niemand die ’t kan zien dus kan’t mij bommen. waar is de chips. waarom voel ik me nu ineens toch down. morgen moet ik nog een kaart maken voor de buurman, shit heb ik de danslesbijdrage overgemaakt? raar gevoel in m’n buik. misschien moet er maar chips in. sweet thai chili chips. morgen krijg ik m’n auto terug. joepie. waar zou die rotvis nu zwemmen. waarom hou ik van die vent. ach soit. kan d’r ook niks aan doen. toch ns gaan kijken of we nog chips hebben. onze bank is ook niet echt wit meer eigenlijk. waar is die rekening. ik wil dun zijn… chips. hoe lang zou die foon ’t nu doen…zometeen even op amazon kijken of ik een galaxy kan vinden. oh verrek ik moet nog foto’s bewerken. eigenlijk wil ik dat liedje wel opnemen. lekker stil hier. ik hou toch best van alleen zijn. zometeen even lekker muziek door m’n hoofd raggen. ik wil naar nederland, sommige figuren[ah shit, dit kan ik niet schrijven hier]. ik heb zo geen zin in morgen. moet tuinhuis opruimen. beeldscherm wordt wazig van mijn gestaar. vroeger keek ik altijd wazig. en ik vrat ouwe kaas op een hele gore manier. yuk. en ik had hazetanden dus dat paste wel. 10 jaar beugel did the trick. zou zoon ook een beugel moeten… ik weet wel zeker dat ik ga falen in zal ik nog iemand porren? ach fuck die porren. ik moet nog schilderen. morgen. das veel leuker. morgen. ben blij dat ik 10-vingerig kan typen met 280+aanslagen per minuut. anders is eerstegedachtenbloggen wel een kriem…

voortgezette iphone-chirurgie

…en een dooie vis.
Wat een dag.

Het ontbijt: klooiende kinderen kliederen m’n krant compleet onder. Krant wordt woest weggeschoven. Helaas lag daar mijn iphone tussen en die viel dus met een gracieuze, kleine, in mijn ogen niet echt schadelijke boog plat op onze laminaatvloer. Extra-hard laminaat, dat wel. Bij de obligatoire ‘Doet-ie-ut-nog’-test deed de home-button het toch duidelijk niet. Ach, doet-ie wel vaker. Met de aan-uit-knop ging het beeldscherm wel weer aan (pfiew). Even opnieuw opstarten, dan was ’t leed vast wel weer geleden…
(*hoop hoop*).
NOT!

Het voelde een beetje alsof me een arm afgehakt wordt. M’n telefoon kapot. Mijn lieve oertijd-iphone wilde niet meer app-switchen. Niet meer naar huis. Ik voelde een deel van mij langzaam sterven. Wat ik ook deed (hercalibreren, soft en hard resetten…), hij bleef home-less. Enig gerechtvaardigd gevloek galmde door het huis. Dan maar even sporten (lees: afreageren). En de vissen voeren, zoals altijd rond dit tijdstip. Had ik ook beter niet kunnen doen. Mijn grootste betta (vechtvisje) hing diagonaalverticaal met z’n kop tussen de planten. Een lichte stuiptrekking in de staartvin was een duidelijk teken: not dead yet. Maar ook de laatste 3% leven vloeiden redelijk snel weg uit het kleine, koudbloedige lichaampje… Ik ben niet van de actieve euthanasie in dit geval, dus hij mocht van mij in alle rust sterven (de andere 2 bettadames vonden zijn tic-staartvin ook best appetijtelijk, dus ach, dat wilde ik hun niet ontnemen).

Back to business. De home-button. Zonder home-button geen iphone. Ja, je kunt best van je agenda naar de telefoonfunctie switchen, maar alleen als je de hele telefoon eerst uitzet en dan compleet opnieuw opstart. Dat duurt ca. 3 minuten bij een iphone. En dat geldt dus voor alle apps. Even Wordfeuden? Foon uit, foon aan, hoppa. Niet per ongeluk op een push-berichtje clicken want dan switched-ie gelijk naar die app. Geen doen dus. En een soft-home-button bestaat er voor mijn iOS-versie helaas niet (en mijn fossiele foon verdraagt geen nieuwere versie). Ook een no-go.

Next step: fanatiek youtuben om de cursus voortgezette iphone-chirurgie z.s.m. te voltooien. Cum Laude, zeg ik u. Ik wist al hoe ik ‘m kon slopen, maar ik wist nu ook, welke contactjes met de grootste waarschijnlijkheid het probleem vormden. Ze moesten volgens de youtube-meneer “opgewipt” worden omdat ze bij stokouwe iphones (zoals de mijne) vaak door intensief gebruik (huh?) “platgedrukt” zijn en dan niet meer werken. No problem. Kan ik. Ik wist inmiddels 99% zeker dat het een hardwareprobleem was: ik had de home-button al gehercalibreerd (no result), gereset (no result), de foon gereset (no result) en een speciaal opstarttestje gedaan óf het ook echt een software-ding was (nee dus). Lang leve Google. Een operatie was onvermijdelijk.

Eerst een backup. Wáár staat in vredesnaam die backup van m’n iphone, zoek dat maar ‘ns uit in je windows7-Explorer-op-oorlogsvoet-met-iTunes. Gelukkig had ik hulp van een iphone-genius. Mijn dank is groot, Glenn! Backup gered en gesaved. Vervolgens het operatiegereedschap (een zuignap om het glas op te tillen, een mesje (om het vuil weg te schrapen) met een vel keukenrol, een fijnmechanisch-werktuigsetje (van mij!! ikke gekocht!) en een dienblaadje voor alle losse onderdelen die er mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk uitvallen) klaargelegd en gedesinfecteerd. Het grote sloopwerk kon beginnen (en stiekem verheugde ik me er al zeer op). SIM-kaart + tray eruit geprutst (dat op zich is al een operatie bij een iphone). Toen de schroefjes. Mijn operatie-schroevendraaier paste weliswaar (lees: was miniscuul genoeg), maar ik moest eerst roest eraf krabben met het mesje. Dacht u, dat ik die dingen daarna los kreeg? Nope. Muurvastgeroest. De barst in de back-cover werd daarentegen wel een stukje groter…

Toen bedacht ik me ineens, dat ik mijn adressen/telefoonnummers nog wel even moest overtikken. Ik heb namelijk Thunderbird (want gloedgloeiendehekel aan Outlook) en daarmee kan de foon niet sync-en (nog een reden om hartstochtelijk naar een Android te verlangen). Dus: uitstel van de operatie, eerst adressen veilig stellen. Half uur later: hervatting van de chirurgie. Meer schroefjesgepruts. Meer functioneel gemorrel. Geen beweging in te krijgen. Uit pure frustratie mep ik het ding met een klap op tafel. Eerst een keertje met de voorkant, daarna nog een keer met een ferme klap z’n achterste, smijt ‘m op het dienblaadje en maak vervolgens een kop sterke koffie.

Ik zet de telefoon aan omdat ik nog een gisteren gemaakte afspraak in mijn agenda wil checken voordat het ding compleet naar z’n grootje is. Floep! Push-berichtje van FB. Zoef! Foon switched naar FB. Ach mannnn hé… Ik druk automatisch op de home-button…

EN WHAMMMOOOO!!! HIJ DOET UT!!!

My heart skips, skips a beat…
Ik wist ‘t!! Ik WIST ‘t!!
De non-invasieve Lou methode voor de reparatie van losse contacten werkt toch echt het allerallerbeste:
stap 1) intensief voorbereidend morrelen
stap 2) een ferme klap op de voorzijde
stap 3) een welgeplaatste opdoffer op het achterwerk
stap 4) een kop koffie

Werkt met autoradio’s en dus ook met iphones.
Nobody tells me how to repair my own stuff. Há!!
OH YESSSSS I CAN!! 🙂
Laat ’t ding nou nog maar ‘ns een keer zo’n stunt met losse contacten uithalen, durft-ie niet meer, zeg ik je!

Zo. Nu nog even een vis naar z’n porceleinen vissenhemel brengen.

Daar moet op gedronken worden, hi-ha-hoooooo 😛

(laat maar Sam, ik doe ’t infuus zelf wel. But please play it again…)

shit zeg

shit zeg,
dat dit nou gebeurt
alwéér vol glans en schijn afgekeurd…

shit zeg,
dat ik het niet zag
het feit dat jij me écht niet mag….

shit zeg,
die onoplettendheid
en mijn eeuwig volhardende naïviteit…

shit zeg,
die allereerste gedachte
weet niet wat ik dan ooit verwachtte…

shit zeg,
het doet best pijn
om niet eens de liefste te mogen zijn…

shit zeg,
duurde dit echt al eeuwen?
ik ga eens een potje heel hard schreeuwen…

shit zeg,
wat moet ik nou
langzaam voel ik nu die bijtende kou…

shit zeg,
ik ga toch maar naar binnen
om me eens goed op jou te bezinnen…

shit zeg,
*kreet van verbazing slaakt*
ben ik uiteindelijk dan toch geraakt…
.
.
shit!
oh shit.
I got hit…

Spijkerbroekendag

Het is weer lente. Dat verklaart een hoop, zo ook de behoefte – van vooral mannen – aan rokjesdagen. In ieder geval komt de term rokjesdag ineens weer duidelijk frequenter voorbij in de social media. Maar waarom nou specifiek rokjes? Waarom maken we er niet gelijk een tangaslipjesdag van? Dan zie je de boel pas echt goed. Zo’n rokje stoort alleen maar. En ik heb toevallig een hekel aan rokjes. Met wat dikkere heupen en billen (moi) moet je de rokjes in kwestie (want niet alles voldoet hè: ze moeten niet lubberen en niet al te lang zijn want anders zie je nog niks en mooi strak-tekenend om het afwezige perfecte achterwerk glooien) elke 5 minuten weer naar beneden sjorren anders heb je ze in no time onder je oksels hangen. Nee, doe me dan maar een jurkje. Jurkendag. Hmmm. Klinkt ook weer niet werkelijk übersexy. En met een jurk kun je net zo min fatsoenlijk fietsen (niet dat ik ooit fiets, maar het gaat om de theorie).

Tja.
Wat dan.

Bikini-dag?
BeeHaa-dag?
Netkousen-met-jarretels-dag…
Beenwarmer-en-verder-niks-dag.
Naaktloopdag!
Gehaktdag.
Klaar…

====================================

EDIT:
met zeer waardevolle input van Nanda (dank je, goud waard!) weten we nu, wat voor dag het werkelijk is.

Nunkinidag!!!

Terugreizen

Onze terugreizen van Nederland terug naar Oostenrijk zijn altijd iets speciaals. De heenreizen zijn dat sowieso want dan ben ik helemaal opgelaten en blij, kan de auto niet hard genoeg vooruit pushen (waarop ik dan steevast commentaar van mijn bijrijdende man krijg: “je rijdt te hard. zo halen we het nooit met één tank en dan mag IK weer tanken” en “kijk, als ík rijd, is ons doorsnee verbruik 1 op 14,7. Als jij rijdt is dat maar 1 op 14,3. Dat is nergens voor nodig.” waarop ik antwoord: “ik wil naar huis en IK rijd (want jij wil computeren), dus ‘Klappe’.” ) Euforisch gevoel als je dan na dik 900km met radio 3FM in de oren de grens weer over bruist: ik ben weer thuis!!!

Maar terug is wat anders. Zo lang mogelijk rekken en dan toch maar op weg gaan. Ik rij zo langzaam mogelijk de poort uit, prikkende oogjes. Nog even voor de grens bij de vrije pomp de auto voltanken. De kinderen jammeren na een kwartier al dat ze zooo misselijk zijn en dat ze een DVD willen kijken. Dat mag pas op de Autobahn want anders kotsen ze te vroeg.

Natuurlijk geldt bij ons ook: de bijrijder is steward(ess). Die doet de verzorging van de overige inzittenden. Man kan dat lang niet zo goed als ik (of course) maar hey, ik moet rijden. En als hij met z’n laptop op schoot naast me zit te programmeren, wil hij wel ‘ns vergeten dat er nog twee koters op de achterbank zitten te karremejakken. Bij de pomp denken we er nog net even aan om een halve Primatour in beide kinderen te stoppen (pfiewww, over een kwartier is het kotsgevaar hopelijk weer geweken).

“Pap, mogen we een DVD kijken?”
“Nee.”
“Mam, mogen we een DVD kijken?”
“Moet je papa vragen.”
“Die zei nee.”
“Nou, dan nee dus.”
“Pap, mogen we wat lekkers? Ik heb honger.”
Man geeft appel-met-gat-erin aan
“Gatsie, die is al bruin van binnen. Ik wil een blokje kaas.”
“We hebben geen blokjes kaas mee, alleen bruine boterhammen met kaas.”
“Bahhhh, waarom neem je nou nooit eens iets lekkers mee voor onderweg?”
Uiteindelijk graai ik de zak met gummibeertjes tussen man z’n benen vandaan en gooi die naar achteren.
Rust.
Op de Autobahn weet ik dear husband ervan te overtuigen dat een DVD (nou ja, SD-kaartje met een geripte film erop) toch echt voor een hoop kwalitatief hoogwaardige laptoptijd kan zorgen. De SD-kaartjes worden vervolgens minitieus doorgesproken en van filmkritieken voorzien (geen enkele film is goed dus waarom nog langer erover discussiëren, douw er gewoon eentje in man…). Ice Age 3. En stil zullen ze zijn.

Wij zijn geen stoppers. We hebben al wel eens het hele stuk (ca. 930km) in 1 ruk doorgereden, onder voorwaarde dat ik dan voor vertrek cq. tijdens de reis geen koffie drink. Maar meestal is 1 plaspauze toch wel noodzakelijk. Helaas voor ons is het ons ook nog nooit gelukt om de terugreis kotsvrij te houden (de heenreis wonderwel altijd, hoe kán dat nou). We hebben standaard plastic zakken in de auto omdat zoonlief regelmatig zijn kaasblokjes-met-gummibeertjes-en-tomatensoep weer moet lozen.

Op een eerdere terugreis was dat ca. een uur na vertrek ook het geval. Zoon loosde braaf in de zak. Toen hij klaar was, verkondigde hij vol trots dat alles in de zak zat en gaf deze met een zwier aan mij (toen voor de falderatie [twentsch begrip voor “ter afwisseling”] de bijrijder), daarmee gelijk een vloedgolf van overgeefsel door de auto slingerend omdat die AH-tasjes toch echt van inferieure kwaliteit zijn en deze al grote, helaas tot toen toe onbemerkte gaten aan de onderkant vertoonde. De kots zat zelfs in dat ding waar je je gordel in klikt. De stank was niet te harden. Zoon onder, zijn kussen onder, ik onder, de ventilatiegaten onder, de auto onder. Bij de eerstvolgende benzinepomp met cockpitreinigingsdoekjes, keukenrol en spa rood de boel zo goed als het ging schoongemaakt. Daarna hebben we dus niet meer gestopt (en heul hard gereden, dat ook) om maar zo snel mogelijk die auto weer uit te kunnen…

De afgelopen terugweg was milder: dé plaspauze (want dochter en ik moesten) werd ingelast. Zoon moest niet. Zei hij. Ineens stommelde hij toch de auto uit, hij moest toch. Nog geen 2 meter van de auto, vlak vóór de motorkap van de auto naast ons, gutste zijn maaginhoud over de parkeerplaats. Mooi. Klaar. Goed getimed. Afvegen, glas water drinken, de verbouwereerd kijkende passagiers van de buurauto steevast negeren en dóórrrrgaan… Een terugreis zonder kotsen blijkt vooralsnog een onmogelijkheid.

Met frisse tegenzin jakker ik naar verder huis. Zo langzaam mogelijk.

Eén voordeel: op terugwegen haal ik die 1 op 15 makkelijk…

Achterstand

Een week weg is niet goed voor een fervent blogger.
Een week weg is goed voor een gigantische leesachterstand.
Ik kwam er simpelweg niet aan toe om achter de laptop te gaan zitten en te lezen.
Was een no-go.
In de loop van de week maar een speciaal emailmapje aangemaakt voor “nog te lezen blogs”.
Daar zitten nu 177 blog-notification mails in.
En dan heb ik nog de paar blogspotters die ik ook nog graag wil lezen.
Het staat dus nu ongeveer 200 tegen 0.
Ik moet maar ‘ns gaan lezen…
Maar ik heb nog zo ontzettend veel te doen hier
Wassenschoonmakenstofzuigenopruimentuindoenenmetdeburenkleppen…

Sorry.

Vreselijk nikszeggende blog.
Maar even openheid in de stand van zaken kan nooit kwaad denk ik.
Toch?

Blog ‘ns even wat minder jullie!!!
Ik kan het bijna niet meer bijlezen…

meppen!

hard. harder. hardst.
uitleven.
afreageren.
oorbeschermers heel hard nodig.
goed voor m’n zoon.
goed voor mij.
even niks meer in het hoofd
behalve ritme.
puur ritme.

vierkwartsmaat.
de base drum in je maag voelen.
driekwartsmaat.
de ride berijden.
fill-ins.
solo’s.
rammen maar…

ritmisch erop los meppen.
en het is zoooooo lekker…
zo goed voor ’n mens!

waarom bestaat er eigenlijk
nog geen drumtherapie…

 

just feel like this:

 

 

 

 

 

haaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa!!!! jáh!!!

woordspelletjes

De pijnscheut die zij legde
was om te benijden
Het moment van de steek
te bot om te snijden

Lettergrepen als pijlen
elke punt in gif gedoopt
De score was huizenhoog
En hij was gesloopt…

Haar lach was sinister
haar epik sarcastisch
Elke steen trof z’n doel
het gevoel was fantastisch.

Hij voelde hoe haar dolken
hem langzaam doorboorden
Plots werd het duidelijk
ze speelde slechts met woorden…

[geinspireerd door wordfeud]

 

© Lou