Navelprutputten en dwangdoorgangen

Woorden als deze ploppen te pas en te onpas in mijn hoofd omhoog als ik ’s nachts niet slapen kan. Ik mompel ze dan in mijn memo-recorder en de volgende ochtend moet ik gruwelijk mijn best doen om te ontcijferen wat ik ’s nachts in vredesnaam allemaal uitgekraamd heb.

Maar waarom borrelen juist deze non-woorden in mij op? En waarom in het holst van de nacht? Is er een diepere betekenis? En wat moet een mens met een navelprutput? Alle nog te oogsten navelpluis erin dumpen en wachten op de echo als het spulletje neerstort? En dan het werkelijk verontrustende: de spellingscontrole ziet navelprutput als een bestaand woord. Dwangdoorgangen kunnen daarentegen goedkeuring van de autocorrectie niet wegdragen. Blijkbaar toch fantasieloos, die spellingscontrole. Mijn hoofd absoluut niet:

——

… onderin de navelprutput is een dwangdoorgang. Eenmaal op de bodem van de put neergedwarreld ziet het – gemakshalve gepersonifieerde – navelpluisje een kleine opening. Een navelprutputbreuk? Waarschijnlijk de enige uitgang, wil het pluisje ooit het daglicht nog weer zien. De dwang om de doorgang te verkennen is enorm. Maar er komt geen licht doorheen, dat belooft niet veel goeds over wat er aan de andere zijde van de opening ligt. Dan ontdekt het navelpluisje de oorzaak van de afwezige rode buiklichtgloed. Een tot een dik hard balletje opgerold snotje heeft al eerder dezelfde poging gewaagd om de doorgang te bedwingen en zit nu hartstikke klem. 

Op de bodem van de navelprutput kijkt een wanhopig navelpluisje in de afwezige lodderogen van een in de dwangdoorgang klem geraakt snotballetje. Ze beginnen om ‘t hardst te huilen. Het snotballetje wordt week en floept door de opening terwijl het pluisje – drijvend op het snotpluishuilwateroppervlak – nu alle moeite moet doen om nog kopje-onder te gaan, om zo bij de navelprutputbreukdwangdoorgang te geraken. Zinloos. Voorgoed buiten pluisbereik…

Uit plots hervonden navelprutsolidariteit grijpkleeft het snotje zichzelf uit alle macht vast aan de rand van de ingang van de dwangdoorgang en snottert vol overgave door. Het huilwaterpeil stijgt. Het navelpluisje bereikt al opdrijvende de rand van de put en laat zich over de ronde welving naar beneden glijden, alwaar een venusheuveloerwoud van zwarte kroesharen het opvangt. De schaamluizen verwelkomen het navelpluisje met open luizenpoten. Je hoort ze denken: “Vetmesten, dat wanhopige navelprutpluisje. Onze stofluisfamilie onder het bed zal ons straks dankbaar zijn voor dit bijzondere fraaie feestmaal.”

——

Enfin. Snotpluishuilwateroppervlak schijnt óók een goed Nederlands woord te zijn.
Even mijn neus snuiten.

 

mag ik ’t ruilen?

“Gelooft u in de liefde?
Nu lacht u.
Ik zie het.
Maar ik vraag het in alle ernst…

Natuurlijk spreek ik niet van die uitbraak van hartstocht waarvan we allemaal menen, dat deze een leven lang niet zal eindigen, die hartstocht die ons dingen laat doen en zeggen die we later berouwen, die ons wil laten geloven dat we zonder een zekere mens niet meer kunnen leven, die ons laat beven van angst bij de gedachte dat we deze mens zouden kunnen verliezen. Dat gevoel dat ons niet armer maar ook zeker niet rijker maakt omdat we enkel willen bezitten wat we niet kunnen bezitten, omdat we vast willen houden wat we niet vast kúnnen houden. Ik bedoel niet die lichamelijke begeerte, niet de eigenliefde, die parasiet die zich zo graag als de onzelfzuchtige liefde vermomt.
Ik spreek van de liefde, die blinden tot zienden maakt. Van de liefde die sterker is dan de angst. Ik spreek van de liefde die het leven weer zin geeft, die niet toegeeft aan de wetten van verval, die ons laat groeien en die geen grenzen kent. Ik spreek van de triomf over de zelfzucht en over de dood.”

Ik lees momenteel het boek “Das Herzenhören” van Jan-Philipp Sendker (origineel in het Duits, de Nederlandse versie heeft de titel “Het Theehuis van Kalaw”), een boek zoals ik nog nooit een boek gelezen heb. Ik zou op elke pagina kunnen markeren dat ik die alinea moet onthouden. Elke bladzijde is zo mooi geschreven, zo intens, zo vol hartstocht en zo waarachtig dat ik er soms de tranen van in de ogen krijg. De passage hierboven had ik als eerste gemarkeerd. Niet om het antwoord op de vraag maar om de vraag zelf. Gelooft u in de liefde? Luister met het hart en geloven verandert in weten.

Ik luister nog steeds bijna uitsluitend met mijn oren.
Mijn hart weet al veel beter maar laat het gebeuren.
Het hoofd zou enkel nog met dat wijzere hart moeten luisteren.
Toe, mag ik ’t mijne ruilen?

Stilte

Zo veel te veel gezegdStilte
en toch te weinig woorden.
Priemende onduidelijkheid.
Ogen die doorboorden.

Ik weet het niet meer.
Wat doe ik steeds fout.
Verlies die mensen
waar ik zo van houd.

Windstille luwte
in het oog van een orkaan.
Ik hoop het maar. Ach toe,
ga weer naast me staan…

Kom hier en omarm
wat je ooit adoreerde.
Maak mijn binnenste warm.
Wees wat ik toen begeerde.

Sla mijn handen voor de ogen.
Word gek van deze kilte.
En kwijn zwijgzaam weg
in jouw opgelegde stilte.

Geschreven liefgeluiden
zorgzaam uit ’t net opgevist
zo ook verdwijnen ze weer
als bomen in de mist…

.

.

(c) Lou

wat. water. verwaterd.

Wat is er nog oververwaterd
van ons spiegelbeeld in
het water

Ik prik er met een
vinger in en zie mijzelf
wat alleen

Wat is er nog over
van de empathie die ooit
zo gloeide

Jij koos een nieuw
middelpunt in ’t leven en
ging heen

Wat werd water.
Dat met vrolijk geklater.
Verwaterde.

En het werd later.

.

.

(c) Lou

Als een vlinder

Gisteren schreef ik naar aanleiding van een aantal dingen een spontane tekst. Ik plakte die op een foto van een vlinder en postte dat geheel op Facebook. Dichteres Janine Jongsma (dankjewel lieve Janine!!) was aangegrepen door de laatste zinnen en schreef ze anders op (namelijk onder elkaar) om er meer en betere nadruk op te leggen. En ineens ontstond er poëzie… Daarom wil ik het graag hier met jullie delen.
De tekst die eraan vooraf ging:
.
Ik vraag me echt oprecht af waarom de mens als zodanig niet in staat is om zijn soortgenoten met rust te laten. Als je elkaar vlinderniet kunt luchten of zien, ga elkaar dan tenminste uit de weg, vrij naar ’t motto ‘Live and Let Live’. Maar nee, er moet gelijk op elkaar ingehakt en -geslagen worden. Kinderen worden mishandeld en misbruikt, ouderen beroofd of simpelweg vergeten, dieren gekweld en doodgeknuppeld, nietsvermoedende mensen worden van hun fiets getrokken en in elkaar geramd. Men pest en mobt elkaar letterlijk de dood in. Probeert elkaar één of ander óngelooflijk geloof als ‘het enige ware’ op te dringen: my way or the stairway to hell. Soms komt er dan weer zo’n dag waar je ineens weer met je neus op het feit gedrukt wordt, dat de mens een raar en gewelddadig wezen met enorme en onnavolgbare hersenkronkels is. Ik ben weliswaar heel blij dat ik heel veel mensen ken die bewijzen dat het ook nog anders kan. Maar toch word ik er bij tijden ook intens verdrietig van en zou ik ’t liefst wegvliegen. Als een vlinder. Weg. Als dat wezen, dat door niemand gehaat wordt, door niemand gevangen, door niemand de vleugels uitgerukt of zonder reden platgedrukt. Onbereikbaar voor de ellende die we elkaar aandoen. Voelsprieten ingetrokken. Vleugels samengeklapt. In de allerhoogste boom. Op de meest broze tak. Gewoon. Onmenselijk.
.
.
.
.
Als een vlinder
..
als een vlinder weg
als dat wezen door niemand gehaat
door niemand gevangen wordt
.
door niemand de vleugels uitgerukt
of zonder reden platgedrukt
onbereikbaar voor de ellende
.
die we elkaar aandoen

voelsprieten ingetrokken
vleugels samengeklapt
.
in de allerhoogste boom
op de meest broze tak
gewoon. Onmenselijk.
.
 
(c) Lou
 

S-s-saukalt

dat is het. Saukalt. Gisteren al. Vannacht gaat ’t richting de -15. Zeggen ze. Dat is op zich niet zo erg maar het heeft ook nog ‘ns enorm gesneeuwd. Eergisteravond begon het en vanmiddag is ’t gestopt. Er is nu zo’n centimeter of zestig-zeventig gevallen, niet overdreven, eerder onderdreven. OK, als dat allemaal bovenop elkaar valt, wordt de laag vanzelf weer dunner omdat het inzakt, dus nu is het nog zo’n 30-40cm. Een leuk laagje zeg maar. Ik heb gisteren maar liefst vier keer sneeuw geruimd. Nou ben ik redelijk gek op die sneeuwschuiverij (vooral nu we zo’n prachtig gladde, perfect schuifbare oprit hebben) dus dat is dan weer mazzel voor Hausmeisterin Lou, maar uiteindelijk wist ik toch niet meer zo goed waar ik die bulten sneeuw nou nog heen kon schuiven. Ja, steeds hogerop gaan, dat kon nog. Maar alle sneeuw die je aan de kant schuift ook nog eens op een berg van 1,5 meter moeten scheppen, dat werd me dan toch ook weer iets te gortig. Maar het is gelukt. Er is ook niet echt iets te merken geweest van ontwricht verkeer. Misschien een kilometer of 50 meer aan file en een hier of daar wat sterker vertraagde trein, maar geen dingen die het nieuws haalden, behalve dan de hoeveelheid sneeuw zelf.

Heel Oostenrijk verzucht: eindelijk sneeuw. Zoals Nederland elk jaar toch weer met smart wacht op een elfstedentocht, zo smacht men hier naar een flinke berg sneeuw. Na maanden van regen en föhnwind, van storm en gure, natte buien is er eindelijk sneeuw. En nu heb ik dus ook geen kind meer aan de kinderen: die maken in no time hun huiswerk (als ze na schooltijd überhaupt al binnen komen) en dan zijn ze verdwenen. Sleeën, burchten bouwen, sneeuwpoppen maken. Tegen vijven of halfzessen komen ze knalrood en zeiknat binnengestrompeld, vallen voor de TV neer, eten hun eten zonder boeh of bah op en uiterlijk half acht liggen ze voor pampus in bed. Ideaal. ‘s-Winters een berg sneeuw of zomers lekker warm zwemweer (en dan natuurlijk een zwembad in je tuin hebben hè). Alles er tussenin is prut.

Oh ja. Een paar plaatjes leverde het ook nog op, die sneeuw.

winter2 winter3 winter4 winter5 winter6 winter7 winter8 winter9

Cut the Crap!

Er was eens een bekend zangertje
dat had op ’n dag een doorhangertje.
Smookte gezellig een beetje wiet.
Ach kom. Wie doet dat nou niet…
Speelde met zijn grote ego vangertje.

Maar het zangertje werd gesnapt.
Bij ’t inhaleren op heterdaad betrapt.
Zijn fans smeekten hem te stoppen.
Kwamen met acties op de proppen.
Er werd alom over de Beliebers gegrapt.

Een mafkees ergens in wat lage landen.
Besloot ’t geval niet te laten verzanden.
Help die knul door een beetje te snijden?
Verzuimde om verder over wiet uit te weiden.
Een ziekelijke hype was ineens op handen.

Cut 4 Bieber, voor een greintje aandacht?
Het wekte wat anders op dan verwacht.
De armpatroontjes snijdende jeugd ging los.
wereldwijd was men weer even flink de klos.
Socialmediagekte toonde zijn volle kracht.

Oh Be-Lieverdjes van deze wereld, stop?
Schaapjes van me, gebruik nou eens je kop!
Geef mij ’n euro voor iedere nietgesneden kras.
Is niet alleen die lallende Bieberboy in zijn sas…
Maar kom zelfs ik er in crisistijd weer bovenop!

.

.
Met verbazing heb ik me vandaag eens even ingelezen in die #Cut4Bieber gekte die gisteren blijkbaar plaats heeft gevonden.  Ik moest eerst nog even onder mijn immense steen vandaan kruipen om weer eens te merken dat er wat loos was. Het was uiterst amusant maar ook erg schrikbarend om te zien hoe iets simpels als een gestoorde tweet (of een posting op het chatplatform 4Chan, ik weet niet precies waar ’t nou daadwerkelijk allemaal gestart is) een wereldwijde hysterie los kan maken. Jezelf mutileren om de aandacht van een boyzangertje als Justin Bieber te krijgen met als doel hem duidelijk te maken dat-ie toch echt beter geen jointjes meer zou moeten roken. Hoe diep kunnen we nóg zinken, jeugd? Werkelijk… denk na!!! Maar daar ligt ‘m ook het probleem blijkbaar. Dat zelf denken, dat lukt niet meer… Kuddegedrag ten top. Backwards evolution… Iemand roept nogal tweeduidig, overgedramatiseerd en duidelijk cynisch op tot het jezelf half afslachten voor iets als een marihuanasmokend krakelend knulletje en men dóet het dan ook nog in grote getale?? Dát vind ik pas eng! Ik moet bekennen dat ik zelf bij het lezen van het begin van die hele ophef in eerste instantie helemaal niet aan zelfmutilatie dacht maar aan het knippen (cut) van wiet om meneer Bieber van een nieuwe voorraad te voorzien.
Hoe naïef van mij…

Cut4bibber

Dag hobbel

hobbel

Ben er overheen.
Over die rothobbel. Denk ik.
Geen idee waaruit deze hobbel nou precies bestond.
Maar hij ligt nu ergens achter me.
Plat te worden (nou ik nog…).
Wat kan een mens het zichzelf toch lastig maken, hè.

Had ’t moeilijk.
Met een grootse grootheid.
Die achteraf uit louter kleinigheden bleek te bestaan.
Ik denk nog steeds aan j… ach forget it. Doe ik niet.
Ik zei toch: doe ik NIET!! Gewoon niet.
Misschien ga ik het ooit ook nog geloven.
Jij ook niet aan mij.
Weet ik nu wel zeker.
Waarom ook?

Heb ’t op een rij.
Een ietwat rommelige rij, dat wel.
Wat er nou allemaal werkelijk in die rij op een rij staat?
Weet ik ook nog niet.
Maar het is duidelijk een rij.
En weg ben jij.

Verdorie.
Wat zie ik nou.
Een nieuwe hobbel.

En geen vluchtheuvel te bekennen…

Roeien jij!!!

Met enige gemengde gevoelens maar vol goede moed was ze in haar rubberbootje gestapt. Ze zou die nieuwe wereld wel eens even ontdekken. De enigszins kleine roeispanen in de dollen leggend, stak ze van wal. Ze duwde hard van de kant af. Zó hard dat ze daar al bijna omsloeg, maar uiteindelijk wist ze toch haar evenwicht te bewaren. Ze roeide, zich erover verwonderend dat het zó makkelijk ging. Met een hand even onder water voelend merkte ze de onderstroom. Die zoog. En nog hard ook. Ze liet zich meedrijven. Wat een goed gevoel, heerlijk wegdrijven op dat kabbelende, eeuwigbabbelende, heldere water…

Uren en dagen gingen voorbij. Ze liet haar euforie de volle loop. Benen over de bootrand bungelend, af en toe in de onmetelijke diepten kijkend en zich afvragend, wat er zich in al die diepzwarte plekken daar beneden zou kunnen bevinden. De riemen hingen er los bij want ze dreef toch wel vanzelf mee met de stroming. Verder en verder weg… Genietend van al het aandachtige water dat haar omringde, dat haar tenen streelde, dat haar verkwikte als ze weer dorst had. De zon hield haar warm en haar overweldigende gevoelens voedden haar. Er leek geen eind te komen aan de stroom good feelings.

Maar ineens besefte ze dat de zon bij tijden toch wel heel erg heet was. Dat ze langzaam leek te verbranden. In het water springen durfde ze niet zo goed omdat ze zich er inmiddels van bewust was dat de onderstroom vreselijk verradelijk kon zijn en haar hard naar beneden zou kunnen trekken. En ze voelde haar maag. Ze had vreselijke honger… honger naar iets échts, iets tastbaars. Honger die niet langer door enkel gevoel en gekabbel gevoed kon worden.

Ze wilde naar haar riemen grijpen maar merkte dat er inmiddels eentje verdwenen was. In het water gegleden toen ze zo druk bezig was met voelen, in zichzelf praten en genieten. Daar waar het hout van de weggegleden, toch al wat oudere roeispaan een kleine splinter in de boot had geduwd, zat nu zelfs een miniscuul gaatje… Het rubberbootje zou overduidelijk niet eeuwig meer blijven drijven. Ze rukte aan de nog overgebleven roeispaan, ze moest terug naar land roeien. Het meer dat aanvankelijk zo lieflijk leek, bleek ineens van gigantisch formaat. Heel in de verte, aan de horizon, zag ze de oever. Kilometers ver weg. Hoe had ze die zo uit het oog kunnen verliezen… Ze moest terug. “En nu roeien jij, roeien!!” spoorde ze zichzelf aan. En ze roeide uit alle macht met de ene riem die ze nog had.

Maar zo éénzijdig roeiende bleef ze rondjes draaien… Ze kwam niet echt vooruit. Weliswaar linksom of rechtsom maar feitelijk bleef ze ronddraaien in kringen, daar midden op dat meedogenloze meer. Om haar heen één grote uitweg die weliswaar met pi en radius te berekenen was maar die ze niet kon nemen omdat ze niet werkelijk vooruit kwam. Zelfs afwisselend links en rechts of met de handen paddelen hielp niet, de fikse stroming trok het kleine bootje net zo hard weer terug. Zwemmen was geen optie meer. Ze was weliswaar een prima zwemster maar ze was toch ook duidelijk behoorlijk uitgeput en het was simpelweg té ver. Bovendien zonk het ooit zo betrouwbare bootje nu toch echt langzaam maar zeker…

Ze wanhoopte. En in haar wanhoop dronk ze. Van het vloeibare dat er om haar heen zo in overvloed was. Veel water. Nóg meer water. Om de grommende honger toch maar op de één of andere manier te kunnen stillen. De honger naar échts. De honger naar wáár gevoel.  De honger naar reaal léven. De honger naar verdoving van al wat toch niet echt bleek te zijn. De honger naar het stillen van haar angst.


Ze dronk.

Ze zonk.

Ze verdronk…

___________________________


In that vast but beautiful sea
of social and virtual space
even the best swimmer might be
sucked into the deep
and drown without a trace…

 

(if it were only just water…)

Stil in mij

Op het moment zelfs letterlijk. Ik heb een ontstoken keel (onder andere) en daardoor kan ik er nauwelijks een fatsoenlijk geluid uitpersen. Héél stil in mij dus.

Maar figuurlijk ook. Ik ben wat stil. Ik ben stilgevallen. Het is dubbelstil in mij. Klinkt een beetje als dubbelfris. Klopt ook wel, het is ook best koeltjes in mij. Koud en stil. Ik heb nergens woorden meer voor. Dat komt voor een groot deel doordat het zoveel stiller om mij héén is. De golfslagen, het geruis, gekabbel, geklater is duidelijk afgenomen. De vaste rotsen in mijn branding, die blijven voor eeuwig. De zee ruist en maakt een prettig geluid als het water om deze rotsen heen slaat. Ze glinsteren nat in het zonlicht en ze klateren en klotsen met de terugtrekkende zee. Rustgevend. Mén, ben ik blij met deze geweldige rotsen…

Maar de aangespoelde losse kiezels die ik zo mooi vond en opraapte van mijn wijdse strand verliezen steeds weer hun glans als ze uiteindelijk opdrogen. Ik loop de zee in en dompel ze nog maar een keer onder. Voor eventjes glanzen ze dan weer, net zo mooi als daarvoor. Maar weer drogen ze op en worden dof en mat…

Sommige van die kiezels hebben zelfs in die toestand nog ‘iets’ in zich. Een mooie turqooise gloed, een fascinerende witte streep, een prachtige gekartelde rand, een interessante vorm. Die stenen stop ik in mijn binnenzak. Ik hou ze dicht bij me en bekijk ze af en toe als ik op één van mijn stabiele rotsen in de branding zit.

Maar die helemaal gladde, ronde stenen, die op het eerste moment zo volmaakt leken, blijken uiteindelijk simpelweg té glad. En enkel glad is niet voldoende om de daarmee gepaard gaande saaiheid van perfectie goed te maken. Als de glans eenmaal vergaan is, blijft ’t wat het is. Een simpele, ronde, grauwgrijze steen. Ik laat de kiezel voor wat-ie is en gooi hem uiteindelijk toch maar terug in de zee…

Onder het wateroppervlak
is zo’n steen
enkel nat
en glansloos glad…

… en is het weer een beetje stiller in mij.

Examenvrees

Ik zit er nog middenin. Dat examen waar mijn lieve supervriendin Heidy vandaag met een glorieuze, prachtige zes  in geslaagd is, ik heb het nog grotendeels voor me. Ik doe weliswaar momenteel een ietwat bredere vakrichting van deze expertise, maar ik vrees met grote vrezen dat ik nu dan toch vet ga zakken…

Ik kan het niet. Loslaten. Ik kan het gewoon niet. Dat deeltentamen m.b.t. de kinderen lukte tot nog toe het beste. Ik heb zoon al een keer een hele week vrij kunnen laten, een hele week scoutingkamp zonder enig contact. Een hel, maar ik heb ’t doorstaan. En hij vond ’t geslaagd. De kinderen zwermen hier sowieso na de middag uit, met de fiets of de step de hort op. Naar buren een stuk verderop, vriend(inn)en in de buurt. Ik weet vaak niet eens waar ze precies zijn. Nee, dát kan ik inmiddels een beetje, dat kindergedeelte. Ik oefen in ieder geval goed.

Maar dan dat deelexamen dat gaat over die mensen waar je ze zoveel waarde aan hecht. Waar je soms zelfs aan hangt om maar niet in de afgrond te storten. Bungelend boven het ravijn hou je krampachtig die hand vast. Een hand waar je zoveel om gaf, die je lief had. Maar ook een hand waarvan je nu vormelijk vóelt dat die je liever de diepte in ziet gaan omdat je gewoon van een te groot kaliber bent. Een hand waar je je zó graag aan op had willen trekken, waarvan je dacht dat die jou ook koste wat ’t kost wilde redden, dat die de jouwe in zich wilde hebben. Alweer fout gedacht.

En dan… besluit je om uiteindelijk toch maar zelf los te laten. In vredesnaam… Je bereidt je voor op de val, op de enorme rotsmakkerd die je maakt als je daar beneden als een bom inslaat. Hoe diep zou de krater zijn… Je sluit je ogen. Nog één diepe zucht. De grip op die vooralsnog reddende hand nu zelf losser makend. Niet meer trekken. Niet langer nog smekend omhoog kijken. En je voelt dat die hand eigenlijk maar al te graag meegaat in het loslaten. Hoe pijnlijk die sensatie…  Je opent je vingers. Een vlakke hand. Je glijdt weg. Goodbye…..
….

..
.

En dan sta je ineens op een richel. Een uitstekende rand nog geen vijftien centimeter onder je voeten. Een simpele, stabiele, opvangende richel die daar altijd al was. Je had ‘m niet gezien, maar ineens sta je er op. Niks rotklap. Niks krater. Niks goodbye. Versuft blijf je staan. Grijpt een knoestige wortel in de ravijnwand. Zet je voet in een kleine inham. Trekt je op. En klautert omhoog.

De eens zo gewaardeerde hand is al lang weg. Op naar betere, welwillendere, minder trekkende en nog onbelastende oorden. En je beseft plotsklaps dat je die hand eigenlijk nooit nodig hebt gehad… Door een veel stabielere, oh-zo mooie richel die je opving toen het écht belangrijk was.

Ik hoop dat ik ergens daar onder mijn voeten óók zo’n richeltje heb…

Maar ik heb examenvrees…