Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Brullen met tranen

21 uur. Bedtijd voor kleine kindekes.
“Mam, die zelfgemaakte patat ligt me dwars…”
“Neem je slokdarm als zweep en sla ‘m in ’t fatsoen, ja?”

Zoon grinnikt.
“Nee echt, als ik van hiero naar beneden op het parket kots [zoon heeft, net als dochter, een hele hoge hoogslaper], mag jíj de boel straks van het plafond schrapen.”
“Been there, done that, got the swiffer. Mij maak je niet bang.”

De humor. Vandaag is ie weer groots. Zoon stommelt naar de badkamer om vervolgens onverrichter zake voor een glas water naar de keuken lopen. En passant graait hij in de bak met laadkabeltjes (dat doet hij nu eenmaal graag, een automatisme). Eentje daarvan valt me nu ineens op.

“Hé, weet je nog, dat op afstand bestuurbare helicoptertje dat ik stante pede terug gestuurd heb omdat ie het niet goed – of eigenlijk helemaal niet – deed? Nou, dít is de laadkabel daarvan.”
Zoon ligt in een deuk. Tranen. Nu moet ie pas écht kotsen. Zegt ie.

“Oh en ik heb dat pakje met 3 nieuwe AAA-batterijtjes, waarvan ik claimde dat ze eveneens niet in de verpakking zaten, laatst ook in hal gevonden…”
“Waarom deed dat ding het niet dan? Waarom moest ie terug?”
“Nou, dáárom dus…”

Ze zijn eindelijk zo ver: ze liggen in hun bedden, of ‘doodskisten’ zoals dochter het blieft te noemen. Het plafond is namelijk slechts zo’n 50 cm boven hun neuzen. Tja, je moet wat hè. Zoon weet in ieder geval de oplossing om snel in slaap te vallen: met een noodvaart rechtop in bed gaan zitten. “Nou euh, tot over een dag of drie!!” brult ie jolig. In hun kamer [ja, ze slapen ook nog eens samen in één kamer, groot is het hier nu eenmaal niet] heb ik altijd de neiging om zooi op te ruimen en stof af te nemen. Ik, de huishoudelijke slons bij uitstek. U kunt zich voorstellen hoe het er daar uitziet.

Het los liggende dekseltje van een door dochter zelf gekleid paars-rood-blauw potje doe ik vol opruim-enthousiasme weer netjes op het onderste deel. Resultaat: de tanden en kiezen vliegen me om de oren.

“Neeeeeee, stupido!!! Mijn kiezen!! En ik verlies er al zo veel!!”
Da’s waar. Ze heeft boven en onder nog nét twee voortanden en hier en daar een hoektand. Daar houdt het wel mee op.
Dochter stommelt van de ladder omlaag om op de grond haar tanden bijeen te rapen.
Met de tranen nog in de ogen, jodelt zoon, dat je in dit huis sowieso elke dag minstens drie tanden verliest en dat op een blokje lego trappen er echt niks bij is. Maar: als we straks allemaal kunstgebitten hebben, zien we ze op de grond in ieder geval niet meer zo snel over het hoofd. Wel zo handig. De grapjas.

Ineens komt hij daadwerkelijk met een rotvaart overeind, ramt zijn hoofd tegen het plafond, dondert zijn hoogslapertrap af, geeft mij in het voorbijgaan met de ene hand een pets op mijn hoofd terwijl hij zijn andere voor zijn mond klemt. Een perfecte home run naar het toilet, om daar vakkundig zijn beugel eruit te spugen, begeleid door de genoemde patatten. En wie oh wie mag die beugel tussen het braaksel door weer uit het toilet vissen en minutieus schoonmaken, hmm? Juist. Di Mamma.

Het min of meer gebruikelijke avondritueel in huize(ke) Bartels.
Altijd weer leuk.

Muggenbulten

“Mam, weet je wel dat jij nog steeds muggen hier in huis hebt?”
Zoon (13) krabt demonstratief aan zijn benen.
“Echt, ik heb óveral muggenbulten. Ze jeuken niet zo erg, maar toch ook wel een beetje. En soms doen ze zelfs pijn…”
Hij trekt er een gruwelijk meelijwekkend gezicht bij.

Ik weet heel zeker dat er geen muggen meer in huis zijn. Het is nota bene eind november, buiten vriest het en ik heb zelf al weken geen mug, vlieg of ander ongedierte meer gezien. Enkel joekels van herfstspinnen en een verloren fruitvliegje.

“Nou, laat eens zien dan?”
Hij showt z’n been. Ik zie een klein rood restplekje.
“Die was vorige week nog écht groter, hoor! Maar op de één of ander manier is ie nu ineens weer bijna weg.”
Ik vraag of hij er dan misschien nog meer heeft. Hij keert me letterlijk de rug toe.
“Kijk! Hier! Een hele grote, rare. Met een bobbeltje. Ik voel ‘em!”

Ik grinnik vertederd.
Mijn puber krijgt puistjes.

Beschrijf je zusje

Zo luidt vandaag zoons oefenopdracht voor het vak Duits (als in: Nederlands voor Nederlandstalige kinderen, maar dan net even anders). Over twee weken het grote proefwerk: De Persoonsbeschrijving.

Ik zit te werken op mijn kantoortje, hij om de hoek aan de keukentafel, nog geen twee meter verderop. Ik hoor hem foeteren en ploeteren.

Persoonsbeschrijver“Ik beschrijf mijn zusje.

“Kolere, wat schrijf je nou over een zusje.”
“Mijn zusje heet Tina*. Ze is een meisje, maar dat had u vast al verwacht.”
Dochter grinnikt vanuit de woonkamer.
“Ze is toevallig ook nog het kind van mijn moeder. Net als ik.”

Ik schiet ook in de lach, maar luister nu wat preciezer naar zijn gemompel; zoon heeft duidelijk inspiratie. En een pesthumeur.
“Gossamme, hoe schrijf ik meer dan tweehonderd woorden over iets dat ik niet eens beschrijven wíl?”

Mijn zusje heeft een grote mond waar ze vaak vet veul eten in propt.
Luid protest vanuit de woonkamer dat die zin onmiddellijk ‘geinktwisserd’ moet worden. (“Héé! Das wirst du sofort tintenkillern! SOFORT!”)

Dan barst hij los, zoals altijd hardop denkend (waar ik mij dit keer echter zeer over verheug)

“Mijn zusje heet Tina. Ik zal het even spellen. We hebben een teeee. We hebben een iiiii, we hebben een ennn en natuurlijk hebben we ook nog de aaaa. Mijn zusje ziet er precies zo uit als mijn moeder, alleen kleiner.”
Ik hoor hem in zijn tas rommelen.
“Hier, heeft u een foto van mijn moeder.”
Ik grijns vertederd.
“Deze foto heeft net als alle foto’s vier hoeken en is nogal klein. Hij is geprint op fotopapier met een…”

“Maahaaam! Wat voor merk printer heb jij?”
“…Brother-printer. Die printer heeft mijn moeder natuurlijk ook bij Amazon gekocht.”

Stilte. Ik neem aan dat zijn hersenen even op adem moeten komen.
En het is me nu ook duidelijk dat ik veel te vaak iets bij Amazon bestel.

Amazon is een mega-groot bedrijf dat overal op de wereld een hoop rotzooi aan mensen verkoopt. Maar onze printer is geen rotzooi, die is goed. Dat ziet u wel aan deze foto. En mijn moeder zegt dat ook iedere dag. Amazon komt trouwens uit Amerika. Amerika noemen ze ook wel de Verenigde Staten maar eigenlijk is Amerika een continent en de Verenigde Staten gewoon een land van veel landen.”

“Ze hebben daar een vlag met strepen en sterren erop. Sterren staan ook aan de hemel. Maar de hemel zelf is een verzinsel. Het is gewoon ons zonnestelsel in het universum, waar we met zijn allen stom naar zitten te staren.


“Zo, nu weet u ook hoe mijn zusje eruit ziet.

“Hoeveel woorden heb ik nu”

“Ik reken mooi die gespelde letters ook als woorden.”

“Sjezus, nóg vijftig!” Hij tikt getergd met zijn pen op tafel, op zoek naar een oplossing.

“Mijn zusje stottert nogal. Ondanks dat praat ze toch irritant graag en veel. Als mijn zusje iets tegen mij zegt, dan gaat dat altijd zo: “Hey, hey, hey, hey, blijf blijf blijf blijf met met met met je je je je je vieze vieze vieze rot rot rot rot ving-ving-vingers van van van van de de de de af-af-af-afstands be-be-be-diening-ning af af af af af. AF!” Ja, mijn zusje kijkt erg graag naar de televisie.”

“Zo. Dat moet wel genoeg wezen.”





*) Die naam heb ik verzonnen. De rest niet. Ik heb getuigen. En nee, ‘Tina’ stottert niet.

Kwestie van vertrouwen

Gisteren bracht ik mijn twaalf jaar oude boots naar de schoenmaker. Ik kon er niet meer omheen: de laarzen waren kliko-rijp, maar ze weggooien, dat kan ik echt niet over mijn hart verkrijgen. Ze zitten zó fijn, zijn zo lekker stoer en ze horen simpelweg bij mij. De gang naar de lokale laarzendokter was dus obligatoir. Mijn hoop was op hem gevestigd, op deze oer-Oostenrijkse 70-plusser van het oude ambacht.

Het is een piepklein winkeltje: als je de deur opent, doe je nog één pas naar voren en dan sta je voor de toonbank annex kassa annex werkbank annex koffietafel annex hele winkel. BootsAchter die met papieren, schaafsel, verweesde schoenen, schoensmeer en gereedschap bezaaide ‘balie’ staat meneer Schuhmacher zijn ding te doen met een paar bejaarde faalbeige gezondheidsinstappers. Je kunt dan rustig even gaan facebooken want hij laat je standaard minstens vijf minuten wachten; eerst afmaken waar hij mee bezig was, dan pas ben jij aan de beurt.

“Wat kan ik voor u doen?” mompelt hij, je niet eens aankijkend want die halve zool moet nog bijgesneden worden.
“Mijn lievelingslaarzen zijn kapot. Ik ben erg aan ze verknocht, dus er moeten nieuwe ritsen in en nieuwe zolen onder.” Meneer Schuhmacher pakt mijn meest kapotte linkerlaars en kijkt me dan tóch ineens, zij het zwaar medelijdend, in de ogen.
“Weet u zeker dat u dat nog wilt laten doen? Deze laarzen kunt u beter liefdevol begraven als u er zo aan gehecht bent.”
Ik kijk hem ontzet aan en vraag of hij niet toch nog mogelijkheden tot reanimatie ziet.
“Jawel, maar dat kost u minstens tachtig euro, plus nieuwe zolen, komt u op [Schuhmacher pakt overjarige calculator erbij] zo’n honderd euro. Nog een paar euro erbij en u kunt nieuwe kopen. Dat zijn deze laarzen toch niet meer waard?”
Hij snapt mij niet. Ik had van deze man meer passie voor oude schoenen verwacht. Toch blijf ik bij mijn reparatiewens. Met een laatste onbegrijpende zucht pakt hij mijn boots, draait ze voor zijn neus om, en legt ze op de all-in-one-schoenmakersmachine achter hem. Als ik ze daar moedeloos zie liggen, schiet ik bijna vol.

“Mag ik die honderd euro dan gelijk even incasseren?”
Ik frummel mijn bankpas tevoorschijn.
“Nee, alleen contant, sorry.”
Ik leg het geld op de toonbank en wacht op mijn bonnetje. Dat komt niet. Achter mij staat een oudere dame te grinniken om mijn onwetendheid: deze man doet noch aan kwitanties, noch aan enige technologie buiten zijn werkmachine en calculator om, noch aan schoenenadministratie.
“Ehm, heb ik dan geen afhaalbewijs of iets dergelijks nodig?”
Hij staat alweer met zijn rug naar me toe en buigt zich over mijn comateuze boots.
“Nee hoor, ik weet wel dat deze van u zijn. Vrijdagochtend zijn ze klaar. Tot ziens!”

Geen bonnetje. Maar ik heb er het volste vertrouwen in.

Blijft de vraag in mijn achterhoofd hangen:
Had ik er ook zo veel blind vertrouwen in gehad, als de man géén oer-Oostenrijker was geweest?

Vluchteling in de bus

Dochter (10) komt ’s middags met de schoolbus naar huis. Ze knalt de deur dicht, smijt haar tas in de hoek en roept meteen: “Mam! Weet je wat? Vandaag zat er een vluchteling in de bus! En IK zat naast hem!!”

Tja, dat kan gebeuren: nog geen vijfhonderd meter verderop is een net gerenoveerd hotel annex restaurant met nog veel vrije kamers en gastenappartementen in no time omgetoverd tot een opvanghuis annex AZC voor de vóór de Duitse grens gestrande vluchtelingen. Inmiddels zitten er een stuk of vijftig, waarvan circa tien kinderen bij dochter op school zitten. Ze wonen daar heel erg mooi, met een zwemmeertje [‘oh jee…’ dacht ik. (vergeef me)], een prachtig beekje [meer oh jee’s misschien?], een speelplaats met leuke wipwappen en bungeltoestellen en alle benodigde faciliteiten tot hun beschikking. Een persoonlijk initiatief van de hotelier met (financiële en psychische) ondersteuning van de lokale Diakonie. Zelfs een eigen bus is inmiddels geregeld om te voorkomen dat de oorlogsvluchtelingen ter plekke in een isolement raken; er rijdt daar [‘in deze negorij hier’ denk ik dan (vergeef me opnieuw)] immers geen ‘normale’ busdienst. En misschien worden het er binnenkort wel honderd, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niets van ze gemerkt [ja, ik hoor ’t u vragen: “móet dat dan?” Nee.]. Niets gezien; geen incidenten, geen bedreigde vrouwen, geen inbraken, geen vechtpartijen, geen iPhones, geen overlast, he-le-maal niets. Tot vandaag.

Dochter vertelt honderduit over haar ‘dispuutje’ met ‘de vluchteling in de bus’. Een jochie van een jaar of acht.
“We hebben van die enkele en dubbele zitplaatsen in de bus, maar hij ging dus op een dubbele zitten en ik ben gewoon maar eens naast hem gaan zitten want hij zag er best heel interessant uit.” Helemaal goed, schatje. Geen xenofobische trekjes in ieder geval.

Maar het geijkte obstakel doemde klaarblijkelijk al snel op: ’t jochie sprak geen woord Duits en dochter helaas geen Syrisch (of was het toch Ghanees?). Het mocht niet deren: als dochter wil communiceren, wordt er gecommuniceerd. Punt. Het jochie schoof wat op en trok vervolgens zijn voeten in kleermakerszit onder zich op het zitvlak de stoel.

“Ja, en dát, mam, DAT kon dus écht niet hè!! Hij had vreselijk gore schoenen aan, vol met modder! [‘van het rondploeteren in dat zwemmeertje??’ denk ik dan. (Vergeef mij nog maar eens een keer…)] En sowieso mag je in de bus niet met je vieze schoenen op de zitting. Dat mag thuis toch ook niet? Van Harry [=de buschauffeur] mag dat dus al helemáál niet niet! Maar die zag dat niet want die moest rijden en hij was aan het telefoneren en zijn sigaret aan het maken tegelijk, en…” Dochter kakelt aan één stuk door. Ik smeer een boterham, aanhoor haar en denk enkel: “Morgen eens even een woordje met die Harry wisselen over telefoons en sigaretjes-rollen tijdens het rijden.”

“…dus zeg ik tegen hem: ‘Hé jij, vluchtelingenjongetje! Dat mag niet van Harry, hoor!’ Nou, hij keek me toch een potje raar aan… Toen wist ik het: hij verstónd me helemaal niet! Dus deed ik mijn voeten óók heel even onder me op de stoel en toen wees ik ernaar, keek hem hartstikke boos aan en schudde heel hard m’n hoofd en wijsvinger voor z’n neus. Toen zette ik mijn voeten weer op de grond, wees ernaar en knikte lachend naar hem. Mét duim omhoog. En weet je wat, mam? MET DIE DUIM HIJ SNAPTE HET INEENS!!! Hij deed meteen z’n voeten omlaag. Hij keek me héél even weer zo raar vragend aan maar ik knikte blij, zo van ‘ja jochie, zo is ’t goed’. Toen lachte hij zelfs naar me! Lief hè? Ik vond ‘m echt heel aardig. En hij heeft hele mooie tanden! Maar weet je, als je een vluchteling gewoon zégt – nou ja, zoiets van zeggen dan hè, dat snap je wel – wat er hier allemaal niet mag, dan doen ze dat dus ook niet meer! Ze wéten het alleen niet, want bij hun thuis was dat anders. Dus je moet het ze zéggen! Én je duim omhoog doen. Tof hè?”

Afijn. Samenvatting niet nodig, lijkt me.

_______________________________________

WAARSCHUWING n.a.v. een posting van Tiny S. op FB: Wees voorzichtig met die duim!! Misinterpretatie is mogelijk 🙂 Tiny schrijft: “Een duim omhoog is een veilig positief gebaar, zolang je niet in Latijns-Amerika, West-Afrika, Griekenland, Rusland of in het Midden-Oosten bent. Daar betekent een duim omhoog ongeveer hetzelfde als een middelvinger hier. Volgende keer dus eerst even goed nadenken wie je op Facebook een ‘like’ met een duimpje omhoog geeft.” 

En een kleine aanvulling m.b.t. de context van dit blogje: Hier (dat is dus in Oostenrijk en dan vooral in het deel waar ik woon), zijn erg weinig (lees: praktisch geen) buitenlanders. Anders getinte mensen – ik weet niet hoe ik het anders kan/mag omschrijven -kom je hier nauwelijks tegen. Op de school met pak-em-beet 220 leerlingen zaten tot voor kort welgeteld 3 kinderen die niet Oostenrijks-katholiek zijn: een Jehova’s getuige, een Turks jongetje en een ‘ongelovige’ (=dochter). Een vluchteling is dus daadwerkelijk een exoot hier, en daarom ‘interessant’; men ként het (ze) gewoon niet. Misschien is dit ook de reden voor de grotendeels afwezige agressie tegen en/of allergie voor alles wat met vluchtelingen/asielzoekers te maken heeft. Dochter was in dit geheel enkel onbevangen, niet vooringenomen en open voor ‘nieuwe aapjes’ (zoals het op facebook genoemd werd). Dit blog is niet denigrerend bedoeld, het is enkel een anekdote in genoemde context.

Is Karma echt zo’n bitch?

In twee seconden getwitterd, in twee seconden je carrière om zeep? Mia dacht even niet na over de impact van haar tweet. Een zwaar kraanongeval in Mekka, 60 doden, ca. 80 gewonden en zij zegt daarop: “[…] Karma is a bitch. #9/11.” Mia weet blijkbaar niet dat hastags met getallen niet werken, maar dat doet er niet toe. Niet meer. Wat zij werkelijk bedoelde met haar uitspraak, ook niet.

MiaSliwinski“Het lot kan harteloos zijn.” Dat was alles wat ze ermee had willen zeggen. Had ze 9/11 weggelaten, was de lawine misschien slechts een oversized sneeuwbal geweest. Had de hashtag daadwerkelijk gewerkt, was ze nu waarschijnlijk al lang ondergedoken of doodgestoken.

Maar: had IK dit getwitterd, was er niets gebeurd. Ik zou wellicht een paar mensen over me heen hebben gekregen die gevonden zouden hebben dat dit dus écht niet kan. Een paar fanatiekelingen zouden me waarschijnlijk ontvolgen en klaar. Iedere no-name mag roepen wat ie wil, de ergste verwensingen, de grootste racistische uitingen, de meest gruwelijke vergelijkingen. Niemand die daar nog van opkijkt. Het internet staat er vol mee. Het verschil met Mia? Zij heeft, als partijraadslid en docente Nederlands, een zogenaamde voorbeeldfunctie waardoor het behoud van haar functies afhankelijk is van andermans mening over haar. En die kan zomaar ineens volledig veranderen, dat blijkt.

Zo gauw je een maatschappelijke positie hebt, waar andere mensen in jou een voorbeeld zouden kunnen gaan zien, is je vrijheid om je mening te uiten volledig verdwenen. Op de eerste de beste ondoordachte uiting in de vorm van een snelle tweet, een meervoudig interpreteerbare zin in een interview of een simpele status op Facebook wordt je keihard afgerekend.

Zo bestaat er nu zelfs een Facebookgroep “Wij eisen ontslag Mia Sliwinski.” Ja, echt. En nee, geen link. Ik weiger een bijdrage te leveren aan dit soort stupiditeit. De domheid aldaar is werkelijk stuitend. Men gelooft zelfs in zelfverzonnen sprookjes: “De Gemeente Spijkenisse en haar partij gaat bij 10.000 likes een einde maken aan de werkzaamheden van Mia! Deel de pagina met jong en oud en vergeet niet te liken!” aldus de site. Mag ik even lachen? Alsof een gemeente haar ontslagbeleid gaat afstemmen op het aantal likes op een idiote Facebookpagina. Ook de school waar ze werkt, werd blijkbaar bestookt en gedwongen tot een reactie, die gelukkig enigszins ‘verstandig’ uitviel.

Mia’s tweet valt natuurlijk in het niet bij uitspraken zoals die van Dhr. Werner Fayman, onze Oostenrijkse bondskanselier, die de massale ‘deportatie’ per trein van in Hongarije aangekomen vluchtelingen vergeleek met de Holocaust. Deze uitspraak was misschien diplomatiek gezien niet erg handig, zeker niet met een buurhaai als Viktor Orbán in je nek, maar het is wél waar iedereen bij het zien van de beelden aan denkt. Alleen mag je het in díe positie níet meer zeggen. En dat vindt iedereen heel normaal.

Conclusie:
Ben je een nobody? Roep wat je wilt, er is toch niemand die een voorbeeld aan jou neemt. Je bent hooguit een paar vrienden of tweeps armer.
Ben je niet afhankelijk van een werkgever die waarde hecht aan marktimago en uitspraken van medewerkers? Gooi er vooral uit wat je niet binnen kunt of wilt houden. Het zal anderen worst wezen.
Ben je zo iemand die alles aan de afgetrapte laars lapt en vindt dat ie sowieso niks te verliezen of te verbergen heeft? Hou je niet in en smijt heerlijk iedere opwelling verbaal op het net.
Ben je dat allemaal niet? Dan ben je per definitie maatschappelijk bezit en moet je je mening te allen tijde inslikken, want bij jou is Karma pas écht een bitch.

De vrijheid van meningsuiting is dood.
Lang leve de vrijheid van meningsuiting.

Lintworm

Zondags ontbijt.
Dochter neemt een grote hap van haar broodje filet americain. Ze kauwt genoeglijk.
LintwormOnderwijl oppert zoon nonchalant: “Hey mam, lintwormen zitten in rauw vlees, hè?”
“Euh, ja. Ook.”
Ik kijk hem scheef aan, snap heel goed waar hij heen wil met zijn vraag.
“En als je een lintworm hebt, dan vreet ie alles in je darmen op, toch?”
Alsof hij dat niet zou weten. Het jong weet sowieso alles.

Ik leg zo zakelijk en droog mogelijk uit dat lintwormen bij mensen maar héél zelden voorkomen, bij dieren die rauw vlees eten en vaak vlooien (overdragers van dergelijk gespuis) hebben, zoals katten, wel wat vaker. Dat koeien die wormen en hun eitjes in hun darmen kunnen hebben door gras met besmette ontlasting te eten. Dochter stopt met kauwen.
“Yuck!! Kunnen jullie het niet éven over iets anders hebben?”

Maar zoon weet van geen ophouden.
“Joh, maak je niet druk. Als jij een lintworm hebt, word je eindelijk slank. Mooi toch?”
Dochter kijkt verongelijkt naar haar buik.
“En als je niet genoeg eten in je buik hebt, begint ie gewoon met je ingewanden. Dan word je van binnen helemaal uitgehold. Oh, en hij legt ook eitjes die naar je hersenen kunnen gaan. Dan word je nog gekker dan je nu al bent.”
Dochter wordt bleek.
“Ja, echt! En koeien hebben het nu ook nog heel vaak hoor! En dan zitten de eitjes in het vlees. In gehakt en zo. Lekker joh!”

Ik kijk zoon vermanend aan. Nú stoppen of in de woonkamer verder eten. Met de deur dicht a.u.b.
Zoon staart stoïcijns terug en mompelt tussen neus en lippen door: “Nou zeg, ik wou alleen maar even waarschuwen. Dat wat zij nu eet – hoofdknikje richting dochter – is ook hartstikke rauw, gemalen koeienvlees.”
Dochter racet naar de badkamer.

Elke keer weer gezellig, dat zondagse ontbijt.

De Conchita’s dezer tijd

Echt, het zal me Wurst wezen.Conchita2
Je heet Conchita en je wilt wat.
Vrouw zijn.
Travestiet of nymphomaniac.
Whatever.
It’s all in the name, toch?

Met het songfestival voor de deur (nog maar krap vijf weekjes!!!) keren we langzaam op Twitter terug, want voor The Big Event moeten we natuurlijk wel weer totally in the picture zijn. ‘We‘. Wat een heerlijk woord. Met z’n allen voor één (of was het nou toch ‘tegen‘?) . WE!!! Alleen dat ‘één voor allen’-principe werkt nog niet zo goed.

Conchita Nummer Twee is net weg van twitter (weg van alles, eigenlijk… jammer), omdat ze deed wat bedrijfs-ethisch gezien niet helemaal door de beugel kon. Een beetje erbij hobbyen als topmanager is tegenwoordig niet meer toegestaan.
Conchita Nummer Eén kijkt nog handenwringend uit naar haar grote optreden op 23 mei.
Conchita Twee kijkt enkel terug en denkt: “Dat was lekker. Dát gaan we vanaf nu vaker doen!”
Misschien wel gezellig samen met Conchita Eén.

Beiden kijken uit naar het fulltime uitoefenen van hun hobby: een liedje zingen als een échte volbloed vrouw.
Zij het een liedje van stevige, harde seks of een liedje van een phoenix die steeds weer uit de as herrijst, who cares.

Ze  zouden elkaars liedjes kunnen zingen.
Als ze hun activiteiten maar braaf melden bij de belastingdienst.
Dan komt alles goed.

Leuker kunnen we het écht niet meer maken…

Hart in de brievenbus

Ik slof in mijn ochtendjas naar de voordeur om de krant te halen. Verrast staar ik naar de brievenbus: er hangt een hart aan. Een versierd taaitaaihart. Eentje zoals ze op het Oktoberfest in München verkopen. Een verdwaald valentijnshart kan het niet zijn; dan was het pas echt taaie taai. Zou dit hart werkelijk voor mij zijn?hdr

Binnen sla ik, met het hart in mijn hand, de krant open en zie daar: de ietwat minder romantische maar duidelijke uitleg. Gisteren was het “Liebstattsonntag“. Een dag waarvan ik tot nu toe het bestaan niet kende. Ik weet inmiddels al sinds een paar jaar wat die Steak-and-Blowjobdag inhoudt en ook dat het afgelopen vrijdag wereldslaapdag was, wat ik uitbundig gevierd heb. Maar wat is dan in vredesnaam Liebstattsonntag?

In 1641 was er hier in Oberösterreich een bisschop, Leopold Wilhelm van Oostenrijk genaamd. Hij richtte het broederschap “Corpus Christi” op. Dit broederschap nodigde elk jaar op de vierde zondag van de vastentijd de armsten onder de bevolking uit om te komen eten, om hen zo voor hun liefde voor de kerk te belonen (“um ihre Liebe abzustatten“).

Door de eeuwen heen veranderde dit typisch Opper-Oostenrijkse gebruik: in plaats van de armen voor een etentje uit te nodigen, bakte de bevolking nu zelf koekharten om deze, al dan niet anoniem, aan mensen te geven die veel liefde voor hun medemensen getoond hadden. Maar ook aan degenen, die wel “een hart onder de riem” konden gebruiken vanwege pijn die ze in het afgelopen jaar geleden hadden. De bijbehorende slogan: “Gegen jede Art von Schmerz hilft ein Liebstattherz!

Ik heb de buurvrouw gevraagd of zij weet van wie het hart komt. Ze heeft geen flauw idee. Niemand weet het. Iemand heeft me een hart gegeven en ik ben er maar gewoon blij mee.

Bergen van liefde, hier op het land.

Mijn zaad is op.

MinecraftIk lig in bed. Zondagochtend, veel te vroeg wakker door mijn eeuwig lawaaiige buren. Dit keer een heftig stampende bovenbuurvrouw. Zoon en dochter zitten al lang en breed in de woonkamer, TV aan. Klinkt als StarWars. Keuvelende kinderen, niks leukers om stiekem naar te luisteren.

“Tjeeeee, jij bent ook zo’n jonkie hè, toen jij in deze wereld kwam, was ik al zesentwintig.”
[Huh? Echnie. Je was nog net geen drie toen je zusje kwam. Zesentwintig, tssss…]
“Zal ik jóu eens wat vertellen over de andere wereld? Ik kan je er wel even naar toe helpen, hoor.”
[Hola, wat zijn we van plan? Mijn ogen worden groter. Even naar de andere wereld helpen, da’s toch geen typische zondagochtendactiviteit…]
“Rot op, ik kan het echt wel alleen in dit leven.”
[Dat is nog eens een statement. Go for it, girl.]
“Als jij zo oud en zo ver bent als ik, moet je met heel andere bazen vechten. Jouw bazen zijn watjes. Je koopt ze zo. Met boter.”
“Mijn baas is toevallig Het Einde. En hij heeft een coole draak.”
[Oh, wacht eens…]

“Zo maar eens even met de dorpelingen onderhandelen. Ik heb nog een paar diamanten over.”
“Emeralds doen het veel beter, hoor.”
“Je moet naar andere dimensies gaan. Dán kom je pas echt verder. Veel meer boter daar, ook.”
“Ja, maar sommige dimensies zijn de hel…”

“Hey, ik heb nieuwe wapens gemaakt, kijk. Met mijn dolk kun je ook nog eens supersnel oogsten. En in no time vet killen.”
“Jemig joh, je moet het echt langer volhouden, hoor!! Langer! Blijven steken! Nog langer! Ja!! Jaaa!!!!”
“Nou, ik heb mijn schuilhut toevallig wel mooi af. Nog even een bed bouwen en dan ben ik weer veilig. Je mag wel in mijn bed straks. Zijn we eigenlijk alweer verbonden?”
“Jij met je hutten en je grotten. Ik heb een gigamegakasteel gebouwd, kijk dan!?!”

“Mijn hongerrepen zijn op. Heb jij nog wat te kanen? Ruilen?”
“Als je nou eens een boerderij begint, heb je zat te vreten voor de rest van je leven.”
“Hmmm. Heb jij dan nog wat zaad voor mij?”
“Nee, mijn zaad is hartstikke op. Ik ga hout hakken.”

Ah… Aha.
Minecraft, de digitale legoversie.
Even verlang ik terug naar de 1.0-blokkendozentijd.
Toen kon je nog gewoon horen hoe ze elkaars kastelen omver trapten.

De pot verwijt de ketel…

…dat ie zwart ziet. Kan die uitspraak eigenlijk nog vandaag de dag, met al die ZP-ellende? De pot en de ketel zijn allebei zwart van het roet, maar de pot maakt de ketel daar dus verwijten over.

Ik voel me soms ook zo’n pot. Ik was vroeger namelijk de attentheid zelve. Kaartjes en cadeautjes sturen vond ik heerlijk, mensen verrassen ook. Een soort van hobby. Ik dacht werkelijk aan alle verjaardagen, wenste sterkte en beterschap bij de vleet, in kaartvorm of in de chat, stuurde felicitaties voor huwelijken, heette nieuwgeboren kindekes welkom op de wereld, leefde intens mee met alles wat er gebeurde. Ik had altijd cadeautjes bij me als ik ergens op bezoek ging, zei op de juiste momenten en op gepaste wijze ‘dankjewel’, belde mijn zus/familie/beste vrienden zeer regelmatig om even bij te kletsen, vroeg mensen oprecht belangstellend hoe het met ze ging en bood altijd een luisterend oor als daar behoefte aan was. Zelfs midden in de nacht. Maar aan de andere kant verweet ik sommigen dan soms toch heimelijk ook een beetje, dat ze op hun beurt op bepaalde – voor mij belangrijke momenten – níet aan mij dachten. Geen moeite deden om mij óók eens te verrassen. Geen belangstelling voor mij toonden en enkel met hun eigen sores en leven bezig waren En dáár ging ik de fout in…

Verwachtingen scheppen op basis van wat je zelf doet (deed), op basis van wat je zelf als vanzelfsprekend ofwel belangrijk acht, is een weg die onvermijdelijk tot teleurstellingen leidt en die relaties erg kan laten bekoelen. Verwachtingen zijn eigenlijk rotdingen. Verwacht gewoon niks en de teleurstellingen zijn uit je leven verdwenen. En alles wat dan wél komt, is ineens een fijne verrassing, want je had het immers niet verwacht.

Maar nu, nu ben ik zelf ineens in de ketelpositie. Ik ben met mijn eigen sores bezig, vergeet verjaardagen compleet, denk er simpelweg niet meer aan om mensen te vragen hoe het met hen gaat (ook al denk ik wél heel regelmatig aan ze), ben chaotisch, verward, te druk, te moe, te zeer in gedachten. Ik heb inmiddels lieve vrienden dermate ‘verwaarloosd’ dat ik vermoed dat ik ze inderdaad min of meer verloren heb. Mijn leven (en niet alleen dat van mij…) is in korte tijd volledig op zijn kop gezet, grotendeels door eigen toedoen. De relaxte alledaagsheid, de alledaagse relaxtheid maar vooral ook de zeeën van tijd zijn plots weg. Waar ik vroeger momenten te over, ja zelfs te veel had voor mijn werk, hobby’s (tekenen/schilderen/schrijven/zingen/drummen), kinderen, vrienden, chatten, facebook enzovoorts, moet ik nu – ondanks de chaos en intense vermoeidheid in mijn hoofd – heel hard schipperen om de boel nog enigszins op een rijtje te krijgen.

Het gevoel dat ik mensen van wie ik houd, chronisch verwaarloos, groeit en groeit… Soms voel ik me een ware loser, iemand die praktisch alles fout doet en zelfs de belangrijkste dingen vergeet. Iemand die steeds ongewild de foute dingen zegt, vooral te weinig zegt en dan ook nog vergeet wat ze nu wel of niet gezegd heeft. Iemand die zich niet meer voldoende om anderen bekommert en mensen teleurstelt.

Het knaagt aan mij. Ik wíl dat helemaal niet. Ik wil er juist wél zijn voor anderen. Ik bén helemaal niet zoals ik nu ben. Ik ben enkel in een soort van – hopelijk tijdelijke – geestelijke noodtoestand, maar eigenlijk klinkt dat ook weer te zwaar. Tegelijkertijd kijk ik naar mijn twee met “TO DO’s” volgekalkte A4-tjes, vragen de kinderen wanneer we nu eindelijk dat beloofde spelletje gaan spelen (ik kies steevast ‘Mens-erger-je-niet’), staat de vaat torenhoog op het (nieuwe) aanrecht, moet ik de was (om 1:15AM…) nog ophangen en mijn zakenconnectie dringend bellen (morgen) om nu eindelijk eens vooruit te komen met het project, wil ik nog een blog schrijven, vijf portretten tekenen en een hond schilderen, een tekst redigeren, vertaalwerk doen, een business-idee uitwerken en een gedichtenbundel produceren, moet ik een jaar- én een maandafsluiting voor de zaak maken, verzekerings- en ziektekostengedoe uitzoeken, een auto importeren, solliciteren (en mijn CV bijwerken), het verjaardagsfeestje van dochter plannen en regelen (twee maand later, jawel…), tig afspraken maken die meer dan dringend zijn, de verenigingsadministratie doen en lijsten naar cursusleiders sturen en tegelijkertijd ook nog even aan nog 238 andere dingen én mensen denken. En mijn lief wil ik zo af en toe toch ook nog even spreken…

Dan zucht ik maar eens diep, kijk met waterige blik naar mijn laptop, dan naar mijn kinderen en ga vervolgens toch maar een spelletje met ze spelen. Ik noteer op een aparte lijst (met pen… op papier…) wie ik allemaal nog wil bellen, mailen of een kaartje sturen. Misschien werkt dat…

Ik ben niet langer die pot die de ketel verwijt.
Ik weet nu echt wel hoe het komt, dat zwart zien…

Sorry.

Drei Schweinshaxen, bitte!

Ik ben net even naar het winkeltje hier op de boerderij geweest. Elke donderdag verkopen ze ‘Ab Hof’ alles wat ze zelf van hun (bio)varkens, die in de stal 50 meter verderop rondwroeten, kunnen vervaardigen. Geen onderdeel van het varken gaat verloren, alles belandt in de winkel. Zelfs meerdere soorten verse, witte kaas, maar ik vermoed daar toch enige fraude m.b.t. de dierlijke oorsprong van de melk.

Het is een waar griezelkSchweinzeugsabinet. De varkenstongen hijgen nog na in de vitrine. De Sauschädel (gevulde varkenskoppen) grijnzen je aan, de gehakte Schweinshirne zijn zorgvuldig in een stuk darm geperst. Maar voor de algehele culturele ontwikkeling en lokale integratie is zo’n bezoekje wel goed. Ik leer er een hoop nieuwe woorden zoals ‘Blunzen’ (=bloedworst), ‘Kaspressknödel’ (soort van platgedrukt allegaartje van (oud) brood, kruiden, kaas en ik vermoed varkensvet), ‘Stelzn’ (gegrilde varkenspoten) en ‘Beuschl’ (lijkt op gemalen goulash maar dan van varkenslongen en ander orgaanvlees).

Toegegeven, een aantal van de lokale vleesbegrippen – Grammelknödel, Bauchspeck (inclusief het obligatoire gevolg: de Speckbauch), Knacker, Fleischlaberl, Geselchtes, Schmalz en Surbratl – kende ik inmiddels al. Maar toch sta ik elke keer opnieuw met volle verbazing te kijken naar die oude, gebochelde oervrouwtjes met gebloemde schort en rieten mandje aan de arm. Ze staan tot ver buiten de deur in de rij voor deze varkensspecialist en laten hun mandje glunderend vol stouwen met Schweinshaxe en co. Voor hen is het een delicatessenwinkel. Voor mij eerder een bezienswaardigheid. Ik ga maar voor de verse knoflookkaas. Van het zwijn.

Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.

 

De Liefde – revisited

Vandaag is het dan toch zover: ik heb weer twee kinderen. Het ene heeft zich stierlijk verveeld omdat ze vijf dagen lang niemand had om haar ergernissen op bot te vieren. Het andere was een midweek op schoolkamp en is nu ineens als een halve puber terug gekomen.

Om half één rijd ik de parkeerplaats op, direct achter de bus waar met koeienletters “Alles wird Gut” op de achterruit staat. We hopen het maar. Door de letters heen zwaaien er een paar kinderen enthousiast naar alles wat rijdt. Ze leven nog, dat is een goed teken. Verstoppen onder de stoelen is er blijkbaar al niet meer bij.

Zoon komt scheef grijnzend de bus uit springen, mompelt iets van: “eyy mam,” en loopt linea recta naar de bagageruimte waar hij zijn weekendtas uit de massa opgraaft. Hij laat zich een korte ‘mama-moet-nu-toch-echt-éven-knuffelen-sessie’ welgevallen en na een fatsoenlijk afscheid c.q. bedankje aan de docente rijden we naar huis. Liefde

Hij vertelt niet veel. Ik moet alles eruit trekken, mocht ik echt iets willen weten. Maar ineens houdt hij het niet meer uit en barst los: “ik heb nóg een brief gekregen!!” M. heeft hem nu officieel de liefde verklaard, maar dan wel in het geheim. Een geheime liefde. Hij duwt me zijn portemonnee in de handen, waar alle briefjes, inclusief die, die hij op mijn commando uit de prullenbak heeft gevist, ingepropt zijn.

Ik ontfrommel ze, strijk ze een beetje glad. De evolutie van het liefdesgebeuren wordt duidelijk zichtbaar. Het eerste briefje is een cool aftasten: “Hallo, hoe gaat ie. Groetjes, M.”  Tja. Wat móet je ermee als elfjarige… Iets antwoorden van “Hey, ja goed hoor, maar nu dus net even iets minder – en bedankt hè!”  is ook not done. Het tweede briefje is in het geniep door een vriendinnetje in zijn jaszak gestopt: “jij bent  cool.”  Dát is nog eens een statement. Een groter compliment kun je een jongen op die leeftijd niet maken. Vooral niet als de knul in kwestie met duidelijke coolnessmankementen te kampen heeft. Het derde briefje heeft zoon door de telefoon al beschreven. De keuzemogelijkheden van het algemene aardig vinden: JA of NEE. Eigenlijk zou hij dit briefje al niet meer in bezit moeten hebben: aankruisen en terug ermee. Klaar. Makkelijkste methode. Het vierde briefje is duidelijk van een ander, intenser kaliber: “Ik hou van jou, T. [hartje]. Als jij ook van mij, geef me een teken. En het is geheime liefde (niet doorvertellen a.u.b.) [hartje][hartje]”

God wat een moed. Ik bewonder M. Zo jong en toch al zó dapper in liefdesaangelegenheden. Ik vraag zoon losjes of hij haar dan al iets geantwoord heeft. “Ja ja. Ik heb een brief terug gestuurd!” Vol goede hoop informeer ik wát hij dan geschreven heeft. “Nou gewoon: ‘Ik weet het nog niet. Ik moet er nog even over nadenken,’” en hij kijkt mij triomfantelijk aan. “Je kunt niet gelijk toegeven hè, dat hóórt niet!”

Een harde noot, die zoon van mij.
Een zomaar ineens bijna puberale noot.
Komt goed.

Als de liefde toeslaat…

…moet je als elfjarige blijkbaar even heel hard slikken.
Én je moeder bellen.
Dat ook.

Bezweet kijk ik, na een uurtje intensieve, sportieve bezigheid, op mijn telefoon. Eén gemiste oproep: het nummer van een vriendje van mijn zoon. Ze zijn een week op schoolkamp en zoon wilde geen mobiel meenemen. Dat was volgens hem nergens voor nodig. Waarom zou hij ons in vredesnaam moeten bellen? En als we hem wat dringends te zeggen hadden, konden we toch de begeleidend docente bellen? Ik kijk naar m’n display, voel naast mijn zweet nog wat andere nattigheid en bel het nummer terug. Zoon neemt meteen op en mijn indruk dat er iets is, wordt zo mogelijk nog sterker.

‘Oh haaaai mam…’ meldt hij zich nonchalant.
‘Hey lieverd! Marco heeft gebeld? Vertel, wat is er aan de hand? Hebben jullie het naar de zin daar?’
‘Euh… jawel hoor… we hebben gewandeld en een mierenhuisdinges in het bos gebouwd en gisteren hadden we een fakkelwandeling en kampvuur en zo. Best leuk, ja…’
‘Fijn. Kun je ook een beetje goed slapen? Je hebt toch geen heimwee of zo, hè?’
‘Nee nee, nergens last van…’
‘Lieverd, wat is er?’
Ik wacht gespannen af. Korte stilte, diepe zucht. En dan wat beschaamd gefluister. Tot drie keer toe zeg ik dat hij toch echt harder moet praten omdat ik er werkelijk geen bal van versta.
‘Ik… heb… ‘n… l..fd.sbr..f gekregen…’
‘Een wat?’
‘Een l…d.sbr..f.’
‘Wat???’
‘EEN LIEFDESBRIEF!’
Hij spuugt het er bijna uit. Alsof het een vreselijk smerig woord is. Ik moet mijn best doen om niet heel erg in de lach te schieten en vuur wat standaardvragen op hem af: Van wie?? Wat vind je er zelf van? En wat schreef ze dan?
‘Hij is van Melinda*.’
Dan nog meer stilte, een hoop ‘euhs’ en wat gefluister op de achtergrond.
‘Heb je de brief daar nog?’ vraag ik voorzichtig.
‘Nee, natuurlijk niet. Ligt in de prullenbak.’
Ik sommeer hem de brief er weer uit te halen; hij moet hem bewaren want dit zijn waardevolle dingen. Bovendien is het meisje in kwestie heel moedig geweest en is dit iets ontzettend liefs, ook al ziet hij dat nu nog niet zo. Als hij ‘m niet wil houden, bewaar ik de brief wel tot hij hem wél kan waarderen. Als hij twintig is of zo. Schoorvoetend loopt hij met mobiel en al naar de prullenbak en vist de brief er met hoorbare tegenzin weer uit.
‘Nou ehm… ze schrijft: Hoe gaat het met jou? Vind je mij aardig? Er staan twee vakjes achter waar ik JA of NEE aan kan kruisen. En dan: Ik vind jou heel aardig!’
Stilte. Alweer.
‘Goh lieverd… en wat vind je er zelf van?’ De geijkte moedervraag als je het zelf ook niet meer weet.
‘Maaham… dit is beangstigend… Ik weet echt niet wat ik ermee moet.’

Beangstigend. Zijn beschrijving voor een liefdesverklaring. Ik heb met mijn kind te doen… Nog drie dagen schoolkamp en hij weet zelfs niet eens meer hoe hij het meisje in kwestie moet aankijken. Voordat ik überhaupt iets kan zeggen, schalt hij alweer in het mobieltje:
‘Oh mam? Ik bel je morgen nog wel! Ik ga nu chips eten met Marco en Abdullah. Doeiiii!!’

En weg is ie, mij grinnikend en vertederd achter latend.
Als de liefde toeslaat, slaat ie hard.
Dan helpt alleen nog maar paprika-chips.

.

.

*) naam om privacyredenen veranderd 🙂

Worm

Ken je dat? Dat je jezelf het liefst op wilt delen?

Een schouderpartij voor de nodige steun hier, een torso voor het zware werk daar, één bil voor in bed, een hersenhelft voor het nodige denkwerk, een stukje staart voor de huishouding en met de rest van je hoofd totáál ergens anders.

Zoiets.

Maar helaas. De mens is en blijft een centralistisch wezen. Een ondeelbare bovenkamer van waaruit de boel in het gunstigste geval nog een beetje gedelegeerd wordt.

Was ik maar wat decentraler georganiseerd.
Met de mindset van een regenworm.
Of een axolotl.

Blik kan doden

Mijn Audi roest. Een beetje. Hier en daar zelfs wat meer. Eén van de redenen die de APK -man aanvoert voor zijnRoestaudi oordeel: afgekeurd. Ik snap dat niet. Afgekeurd vanwege oxiderend ijzer. Als ik zie wat voor bruine bakken er wél op de weg mogen… Onbegrijpelijk. Roest wegwerken vergt wat inspanning en mijn man doet zijn uiterste best inzake reanimatie. Noeste arbeid steekt hij erin om roest, haperende remmen,  sturingsproblemen en kapotte lagers weer in het gareel te krijgen. Ik denk bij mezelf: “oh my god, daarmee ben ik met 200km/h naar München gescheurd…” maar wie ben ik om te klagen; ik leef nog. En ik kan het niet repareren dus ik houd mijn gemak en laat hem prutsen. Stukken blik worden met urenlang minutieus gepriegel gebogen en gevormd. De lokale garageflip moet die er dan aansluitend in gaan lassen.

Ik ben ook nuttig bezig geweest. Ik heb uitgebreid de tuin doorgeploegd. De hoeveelheid tuinafval is indrukwekkend en mag in ieder geval niet op onze oprit wegrotten, dus laad ik alle zakken, kratten, kisten en dozen in onze andere auto (een Skoda, zijn auto. Hahahaha). Op naar het afvalcentrum. Ook nog een oude fietsband, een ijzeren onding namens booglampenvoet, wat reststukken blik, een oude deken en een zak met vergaan plastic uit de garage ingeladen. Opruimen is mooi werk.

Na het afvalcentrum scheur ik door naar de Lidl, waar ik ineens zie dat ik vijf telefoontjes gemist heb. Ai. Meteen gaat foon alweer opnieuw over. Man. In paniek stamelt hij:  “WAAR IS DAT STUK BLIK WAT IK GEBOGEN HEB???” Ik antwoord bedremmeld dat ik werkelijk waar geen idee heb. Ik heb wat afvalstukken weg gesodemieterd, dat wel… “Het lag in een kist met spullen op de grond!” Oh… ja… die kist… die heb ik ook opgeruimd. Alles in de gigantische oudijzercontainer die al half vol was met groot en klein schroot. Ik hoor de vertwijfeling in zijn stem. Die jammert heel hard ‘neeeeee….’ Hij legt me melodramatisch uit dat hij daar gisteren de hééééle godsganselijke dag mee bezig is geweest (duh… maar twee uur. Ik weet dat) en dat ik NU METEEN naar huis moet komen omdat we SAMEN dat stukje blik in die rotcontainer gaan zoeken. Bevel is bevel. Zonder een verder overbodig woord laat ik de Lidl achter me en haal hem op. We rijden onder het genot van een gefrustreerd potje doodzwijgen terug naar het ASZ.

Daar kijkt hij verbouwereerd in de container. Acht meter breed, drie meter diep. En bovenop mijn ‘oud ijzer’ ligt al lang een nieuwe lading grof oud ijzer. We moeten erin. Ik haal zuchtend een ladder bij een medewerker. Handschoenen aan. In de container is het een enorme zooi met veel scherpe randen en acuut instortgevaar. De loodzware voorplaat van een gestorven sigarettenautomaat bedekt een verbogen winkelkarretje. Al dat spul is in nog geen kwartier erbij gekomen.. Daaronder nog meer chaos. Ik mompel dat dit onbegonnen werk is, vind maar eens een stukje plaatblik van twintig centimeter lang en en zes centimeter breed in deze metersdiepe ijzerpuinhoop. Man kijkt me pisnijdig aan. “JIJ hebt het weggegooid, terwijl het duidelijk géén afvalstuk was!! Zoeken!!” (Het woord ‘kreng’ dacht hij er met grote zekerheid achteraan). Voor mij was het overduidelijk wél een afvalstuk maar het lijkt me beter om dat nu maar even voor me te houden.

Na wat pijnlijk ijzerworstelen was ie daar dan toch. Het stuk blik van onschatbare waarde. Ik lever man thuis af, grom  iets te luid dat hij het ding vooral nog even goed moet knuffelen en oogst een zoveelste blik die kan doden.

Oh Lidl, ik kom eraan!!!

 

Diplomatiek?

Een ware diplomaat is iemand, die twee keer nadenkt voordat hij niets zegt…

Dat zei Winston Churchill ooit. Het klopt. De ultieme diplomatie is het weldoordacht achterwege laten van woorden zodat de gesprekspartner erin kan interpreteren wat hem of haar op dat moment past. Indien nodig zelfs de onwetendheid. Stilte toelaten getuigt ook van kracht. Zelfs, of nee, juist in onderhandelingen of discussies.

Wat was ik graag stil gebleven. Weer een discussie die volledig ontaardde. Een gesprek dat geen gesprek meer was maar enkel nog een uitbarsting. Een gezwel van uitlatingen, waarbij plotsklaps sprake was van vijandige partijen in plaats van vrienden. En ik was duidelijk geen goede diplomaat. Ik had minstens twee keer na moeten denken om vervolgens heel verstandig mijn kaken op elkaar te houden en mijn vingers van het toetsenbord. Ik meldde wat ik ervan vond. En daarmee was het kwaad geschied: vanaf dat moment had ik eigenlijk moeten kiezen…

Ik weiger. Voor de zoveelste keer hou ik te laat mijn mond om vervolgens de gedwongen keuze achterwege te laten. Ik ben nog steeds een leek in de kunst van het op de juiste momenten niets zeggen.

Nooit te laat om te leren.

 

Doe jij even

… de huishouding, de was, de vuilnis?DoeJijEven
… de kinderen, het eten, de administratie?
… de kerstcadeaus, de tuin, de rekeningen?
… de katten, de doktersbezoekjes, de boodschappen?
… de vaatwasser, de correspondentie, mijn leven?

Natuurlijk, schat. Doe ik. Vanzelfsprekend.

Vanzelfsprekendheden zijn killing. En ik ben ogenschijnlijk de vanzelfsprekendheid in persoon. Ben ik dan ook killing? Voelt eigenlijk meer als slowly being killed. Maar het is goed zo. Beter wordt het waarschijnlijk niet. Wel lastiger om vol te houden. Bij veel van wat ik doe, denk ik: “Het klopt niet. Zó ben ik niet. Dit ben ik niet.” Op een onverwacht moment wordt je een spiegel voorgehouden en vraag je je af wie je dan wél bent. Je weet het antwoord al. Ik ben degene die gekozen heeft. Dus ook degene die moet leven met de consequenties daarvan. Daar voeg ik mij naar: het waren mijn keuzes. Mijn verantwoordelijkheden verzaak ik niet.

Groei is pijnlijk. Verandering is pijnlijk. Maar niets is zo pijnlijk als ergens vast te zitten waar je niet thuis hoort.” Mandy Hale (Auteur van ‘The Single Woman’) zei dat. Mandy zegt trouwens een heleboel en het meeste daarvan schaar ik onder het kopje ‘gewauwel met hoog open-deur-gehalte”, maar in dit geval vind ik dat ze gelijk heeft. Het is pijnlijk te beseffen dat je vast zit in een rol die je jezelf weliswaar aangemeten hebt maar waarvan je tijdens de hele opvoering bemerkt, dat je hem niet naar behoren kunt spelen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“je weet niet wat je mist, tot het er niet meer is.”
De waarheid is: Je wist precies wat je had.
Je had alleen niet gedacht, het ooit te kunnen verliezen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“Het leven gaat door.” Play your part.
Neem het vooral niet te letterlijk.
Hopelijk kan het tóch weer beter worden…

Kwetsbaar

“Je zult je eigen kwetsbaarheid moeten accepteren en ook het feit omarmen dat jij, net als ieder ander, imperfect bent.” Ik weet niet of ik dat kan maar ik zal het in ieder geval proberen. Als Brené het zegt… Ik weet namelijk heel goed dat ik niet perfect ben. Alles andere dan dat. Maar dat gegeven als notoir perfectionist dan ook nog moeten omarmen…

Ik heb op YouTube een film gezien van Dr. Brené Brown. Ze heeft jarenlang intensief onderzoek gedaan naar de kwetsbaarheid van de mens en de voordelen die met een dergelijke kwetsbare opstelling te behalen zijn. Iedere mens met een gezonde dosis eigenwaarde heeft inherent daaraan een sterke drang om zich geliefd te voelen en om ergens bij te horen. Zulke mensen vinden namelijk dat ze die liefde en dat gevoel van verbondenheid waard zijn. Bindingsangst is in die zin dus enkel de angst om die verbondenheid niet waardig te zijn. “Waar heb ik jouw liefde aan verdiend? Dat ben ik niet waard…” Herkenbaar?

De mensen die zichzelf al datgene juist wél waard vinden, zijn meteen ook de meest oprechte mensen. Ze hebben de moed om imperfect te zijn, de compassie om eerst aardig voor zichzelf te zijn en dan voor anderen, en de verbondenheid die het resultaat is van hun oprechtheid. Ze hebben de capaciteit om los te laten wie ze volgens ‘de meningen’ zouden moeten zijn zodat ze kunnen laten zien hoe hun persoonlijke werkelijkheid er uit ziet. Deze mensen omarmen daarmee hun kwetsbaarheid. Het is de wil en het vermogen om als eerste “ik hou van je” te zeggen, niet wetende of het “ik ook van jou” er ooit op zal volgen.

Wij, en veruit de meeste mensen met ons, zijn juist geneigd om onze kwetsbaarheid weg te moffelen. Onder het tapijt ermee. Vooral niet naar omkijken, niet laten zien. Maar je kunt emoties als zodanig niet selectief onderdrukken. Als je slechte gevoelens wilt onderdrukken, onderdruk je daarmee meteen de totaliteit van emoties. Het enige wat varieert van mens tot mens, is de manier waarop er onderdrukt wordt. De één doet dat met alcohol, de volgende met drugs of antidepressiva, weer een ander sluit zich gevoelsmatig volledig af en vegeteert voort binnen de eigen vier wanden. Comfortably numb. And comfortably lifeless…

Het zichzelf openlijk, diepgaand en kwetsbaar kunnen laten zien.
Het oprecht liefhebben, ook al is er nooit enige zekerheid omtrent wederliefde.
De dankbaarheid voor wat er dan wél gegeven is.
Het kunnen zeggen: “Moet je kijken, zó veel kan ik van je houden!” (en dan de armen zo wijd mogelijk uitspreiden), zonder er gelijk een dramatische rampzaligheid van te maken.
Geloven, nee wéten dat je goed bent zoals je bent, met al je imperfecties en eigenaardigheden.
Alleen dan kunnen we eindelijk ophouden met schreeuwen en beginnen met luisteren.

En ik vind dat ze dat meer dan mooi gezegd heeft, die Brené Brown.

Nu nog doen.

Weggeglipt kruis

Verbaasd staar ik in mijn onderbroek. Het ding is echt weg. Hoe is het mógelijk… Als ik nou een tanga aan had gehad, had ik me voor kunnen stellen dat het weg kon glippen maar mijn huidige figuurcorrigerende tentje had toch echt in staat moeten zijn om dergelijk inhoud op zijn plaats te houden. Niet dus. Ik voel tegen beter weten in gelijk maar even van binnen. Ach nee, dat kan niet… dat voel ik dan toch… Toch??

Een beetje beduusd kom ik toch maar een keer overeind, uitgeplast ben ik immers al lang. Licht grinnikend kijk ik om me heen. Onder het toilet, in mijn broekspijpen, in m’n haar. Check mijn achterkant in de spiegel. Stel je voor dat het ding daar ergens hangt en de man van de pakketdienst zijn lachen daarom maar ternauwernood kon onderdrukken… Hij was wel verhipte snel weer weg.

Verdwenen is het en verdwenen blijft het. Een waar mysterie. Ik vrees het ergste, namelijk dat het bij de vorige toiletgang tijdens het omlaag sjorren vaninlegkruisje mijn broek in de toiletpot geglipt is. Bij de eerstvolgende verstopping rukt mijn man vast mijn kop eraf, als hij de oorzaak vindt. Rest mij enkel nog voor het kruis te bidden. Op dat mijn inlegkruisje alle bochten tot de hoofdrioleringsbuis tóch heeft weten te halen. Dan dobbert het nu wel moederziel alleen rond in de wateren van de zuiveringsinstallatie drie kilometer verderop… Een wit streepje in bruinzwarte soep. Ik bid ook maar meteen voor groot absorptievermogen.

Dopjesellende

Kwart over elf ’s ochtends. Ik ben klaar met het in de auto proppen van ski’s, schoenen, skistokken, kinderen, kleren en de hele santemekraam. My job. Voor mijn part kunnen we weg. Man mompelt dat we onderweg nog even in Machstadt bij een bedrijf langs moeten: hij heeft daar een 20-tal buisdopjes Navi1voor het luttele totaalbedrag van €1,40 besteld, die wil hij nog even ophalen. Dan kunnen we ons namelijk die tien euro verzendkosten te besparen en het is sowieso maar tien minuutjes om. Tuurlijk schat. Doen we.

Onderweg vraag ik voorzichtig of hij dan ook weet waar het ongeveer is. Hij kijkt me aan alsof ik hem net recht in zijn gezicht een lamme castraat genoemd heb. Natúúrlijk weet hij waar het is. Bij de afslag Machstadt begint het gedonder.
‘Hm. Volgens mij hadden we af gemoeten… Dit herken ik niet’
(Alsof hij ooit van tevoren in dit gat is geweest. Not.)
‘Wat raar. Hier had een weg moeten zijn volgens ’t kaartje.’
‘Welk kaartje.’
‘Dat op mijn telefoon, duhuhh. Maar ik weet het wel uit mijn hoofd.’
‘Jij hebt een káárt??? … Heb je ook het adres toevallig? Dan kan ik het in de navigatie intypen, nu we het toch niet kunnen vinden.’
‘Ik zei toch, ik wéét waar het is? Jij met je navi. Pffff…’

Ik graai zijn telefoon uit mijn (!) tas, waar ik het ding met mijn vooruitziend oog maar vast in gestopt heb omdat hij ‘m anders weer eens vergeten zou zijn, en grasduin door het oerwoud aan blauw-rood-groene windowsblokjes naar zijn notities alwaar ik een prachtig vanaf zijn laptopbeeldscherm gefotografeerd kaartje ontdek. WTF?? Daar staat nog geen miezerige straatnaam op, alleen een zigzagstreepje van de autobaan naar punt “A”. Het door hem genoteerde adres: Norderprischl 12. Ahah. Bingo. Zou je denken. Onze navi (ook liefdevol ‘naveltje’ genoemd) ziet in ieder geval nergens iets van een bingo. En Norderprischl bestaat niet, zegt ie ook. Man rijdt ondertussen lustig verder, zijn doel langzaam maar behoedzaam cirkelend besluipende. Foeterend staat hij ineens op één of andere rechter rijstrook terwijl hij toch echt linksaf had gemoeten. Links it is. Dáár moet het zijn. Hij snijdt een Twingo (ach, die hadden we toch bijna niet gevoeld als we ‘m geramd hadden) en slaat vol energieke frustratie alsnog linksaf. Ik word langzaamaan misselijk van het prutsen in mijn naveltje, die nog steeds niks vindt. Dan maar weer berustend en vooral mond houdend terug naar de navi-kaart en kijken hoe we onze rondjes draaien, op zoek naar een zakje buisdoppen.

‘Hè?? Daar is water!! Zie jij op míjn kaartje ergens water???’
‘Ik zie helemaal niks op jouw kaartje. Dat is geen kaartje, dat is hooguit een gruwelijk slechte foto.’
‘Aan jou heb ik ook niks.’
Grimmige blik.
‘Waarom heb je ze niet even gevraagd hoe je dan precies moest rijden?’
‘Aaaahhrgg!!! Omdat ik het al wist??? En het adres héb ik toch gevraagd, hoe denk je anders dat ik daar aan kom???’
‘Euh… nou… van de website of zo?’
Nog grimmigere blik.
‘Ik heb wel een Niederpirsching gevonden trouwens…’, mompel ik.
‘Nou dan typ je dat toch lekker in. Doe je best. Zonder kotsen graag.’
De navi meldt dat we 10km van ons doel af zitten.
‘Dat kan niet. Dat is sowieso fout’.
‘Maar waar zitten we NU dan volgens jou??’
‘JA WEET IK VEEL!!! OP DE WEG, MENS!! En wij zijn helemaal niet daar waar die navigatie zegt dat we zijn. Dat ding klopt voor geen ene meter.’

Ik zeg niks meer, smijt zijn (data- en navigatieloze) mobiel met prutsfotokaartje aan de kant en neem de mijne, doe GPS aan, start Google Maps en bekijk waar we volgens mijn mobiel dan nu zijn. Goh. Op het punt waar de navigatie ook al zegt dat we zijn. Verrassing…
‘Dat kan niet. Daar is een riviertje. We zíjn niet bij een riviertje.’
‘Lieverd, we zitten in midden in Wertz…’
‘Als we in Wertz zitten, laat ik de boel verdomme alsnog opsturen. Dat kan niet kloppen.’
‘Nee, de satelliet is vast een beetje van het padje, ik snap dat. Echt’
Dodelijke blik.
Dochter meldt zich luidkeels: ‘Ik moet heeeeeeeeel erg naar de WC!!!’
Zoon mompelt: ‘…en ik heb toevallig hartstikke erge honger’
Ik steun: ‘Ik heb hier geen zin meer in. Ik ben misselijk… dit alles voor rottige tien euro verzendkosten, dat zijn we nu al lang aan diesel kwijt…’
‘Ja halloooo, dat kon IK van tevoren toch niet weten???’
Waar hij gelijk heeft, heeft hij gelijk. Maar hij moppert al weer luidkeels verder dat hij nu wel weet dat hij in toekomstige noodsituaties ook helemaal niksnoppesnada aan ons zal hebben, met ons gezeur en gezeik. Als ik eens wat zoek in de toekomst, zal hij ook even lekker precies zo gaan emmeren en zeuren. Helaas voor hem gebeurt dat dus nooit, want a) noteer ik adressen zorgvuldig, b) heb ik een navigatiesysteem én een werkend mobieltje met Google Maps en c) ben ik een vrouw. Als ik het niet kan vinden, vráág ik gewoon.

Na absoluut niet overdreven een  uur en een kwartier lang rond gekard te hebben, flikkert hij de auto (mijn auto!) aan de kant en kijkt mij aan.
‘Goed. Dan zeg jíj maar hoe ik moet rijden.’
Eindelijk. Capitulatie. I’m loving it.
Het eindpunt van de zigzaglijn op zijn topkaartje bestudeerd hebbende, lijkt Niederpirsching voor mij toch echt te kloppen.
Ik klik op de routeberekening op mijn mobiel.
‘OK. Rechtsaf.’ En loods hem er linea recta naar toe.
Na een geweldige totaaltijd van dik anderhalf uur zijn we dan uiteindelijk toch bij het dopjesbedrijf, waar hij met grote stappen weg beent om zijn zakje plasticprut te halen.
Niederpirsching 12.
Met je Norderprischl…
Maar de 12 had hij tenminste goed.

De kinderen zijn inmiddels volledig gaar gekookt, we hebben allemaal honger en ik moet minstens een liter lichtgeel water lozen. Koffie drijft nu eenmaal vocht af. Conclusie: wij willen na deze odyssee naar de McDonalds. Man pertinent niet. En ik dan ben er klaar mee.
‘IK. Moet. Plassen. WIJ. Hebben. HONGER. En dus rijd JIJ nú naar de eerstvolgende McDonalds!!’
‘Grmpf.’

Navi2

Gelukkig zijn Macs duidelijk sneller te vinden dan dopjesbedrijven. Ik bestel een grote box chicken wings. Ik moet nu even ergens heel hard in bijten en het liefst tegelijkertijd een paar botten breken. Hij wil zich niet voor mijn behoeftes ter beschikking stellen en drinkt stoïcijns zijn protestkoffie.

De rest van de weg rijd ik.
Vakantie.
Met een toffe zak dopjes.
Hoezee.

“Heeft u een momentje?”

Tuudeleduudelduut…
“Goedenavond! Ik ben van de politieke onderzoeksinstelling en ben op zoek naar jonge, Oostenrijkse respondenten. Heeft u een momentje?”
“Nee.”
BAM.
Ik ben ten eerste meer dan stokoud en ten tweede zeker niet Oostenrijks. En bellen rond etenstijd is not done, ook al ben ik dan de enige Hollandse idiote in dit maffe land die ’s avonds pas warm eet op tafel pleurt.

Tuudeleduudelduut…
“Goedendag, ik bel u van de nationale consumentenvestiging, het gaat om het huidige misbruik van uw persoonlijke data.
“ooh jah!! Daar heb ik net al uitgebreid met een collega van u over gesproken!”
“Echt waar?? Hoe heette die?”
“Diana Nogwattia. Weet ik niet meer”
“Aha. Diana. En wat heeft ze genoteerd?”
“Dat ze me die flatscreen TV per omgaande gratis toestuurt omdat ze mijn data al onrechtmatig verkregen had en alles dus in orde was.”
“Euh… ja.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudelduut…
“Goedendag. Ik bel namens het marktonderzoekbureau Verteltuonsalles. Wij doen onderzoek naar schaamhaarscheermesjes [nou ja, eigenlijk zei hij “scheermesjes” maar dat staat er voor mij gelijk aan]. Heeft u een momentje?”
“Natuurlijk” [Daar weet ik namelijk alles van hè, dus dan heb ik wel een momentje om mijn expertise te delen].
Om vervolgens de heer in kwestie tot in den treure de oren vol te lullen over de scherpte van de mesjes, de stoppels, de jeuk en de pukkels die bij te snel bot geworden gereedschap gegarandeerd zijn, over het te snel roesten die bij chronisch gebruik onder de douche, over de merken die ik ken en natuurlijk niet te vergeten: mijn wedervraag over hoe hij zélf de schaamhaarcoiffure ervaart. The time of his life, gegarandeerd. We nemen als goede vrienden afscheid van elkaar.

Tuudeleduudelduut…
“Hallo! Wij bellen van Bureau Consutentenmest. Heeft u een momentje om wat vragen te beantwoorden?
“Hoe lang duurt dat momentje?”
“Hooguit vijf minuten”
“Dan nee.”
BAM.
Want vijf is minstens vijftien bij die lui. Als hij nou twee had gezegd…

Tuudeleduudeleduut….
“Firma MaxiLuxi, Schadeloosstellingsafdeling.”
“Haiii!!!”
“Mw. L.-B. het gaat om het volgende. U heeft in het verleden wel eens deelgenomen aan loterijen en nog nooit iets noemenswaardigs gewonnen in al die tijd.”
“Nee hoor. Ik heb al best vaak wat gewonnen. In 1998 zelfs al een keer 7000 gulden.” [dat was weliswaar met z’n vieren en we hebben dat geld gelijk verbrast aan gruwelijk dure sushi en wijn, maar goed.]
“Maar niks noemenswaardigs dus [euh… ok…] en daarom krijgt u nu een schadevergoeding van de Europese loterijvergoedingsorganisatie voor al die keren dat u niet gewonnen heeft.
“Ik vond het wel noemenswaardig hoor.”
“Ja… goed. Maar u heeft tóch recht op een schadevergoeding, omdat dat bij de normale loterij was en niet bij euh… euhm… telefoonloterijen.”
“Goh. Wat fijn. Hoeveel is dat?”
“Heeft u nog de laatste bevestiging van de laatst deelgenomen loterij?”
“Nee, natuurlijk niet.”
“Dan laat ik u een voucher toekomen voor 25 euro en die kunt u dan als bewijs voorleggen. Zo gauw u die heeft ontvangen, belt u het nummer op de voucher en dan krijgt u uw schadevergoeding.”
“En hoeveel ís dat dan?”
“Dat weet ik nu vanzelfsprekend nog niet, dat wordt dan vastgesteld aan de hand van wat u niet gewonnen heeft.”
“Mag ik uw naam en adres?” [met dramatische snik in de stem]
“… Waarom?”
“Omdat ik u een grote bos bloemen wil sturen voor zoveel oprechte naastenliefde en allesomvattende barmhartigheid. Uw werk maakt hele groepen mensen gevoelsmatig rijker dan ze ooit dachten te zijn, uw stem is zo zacht, zo mooi en zo… zo ontzéttend liefdevol. En het bedrijf waarvoor u werkt, verdient werkelijk waar een lintje. Een lintje voor onzelfzuchtige bedrijven. Ik heb nu letterlijk de tranen in de ogen van dit altruïstische gebaar dat u ogenschijnlijk tientallen malen per dag maakt, en zelfs vele collega’s daar met u. Wanneer komt die voucher? Dan kan ik daarmee alvast de bos bloemen kopen.”
tuut-tuut-tuut….

Tuudeleduudelduut…
“Goedenmorgen mevrouw! Mooie dag, vindt u ook niet?”
“Nee.”
BAM.
Welke telefoonidioot opent er nu zo een gesprek.

Tuudeleduudeleduut….
“Hallo?”
“Hallo, kan ik met Mw. Lou L-B. spreken?”
“Met wie spreek ik?”
“Met Anna Lucht van de Duitse Loterijmaatschappij. Spreek ik met Mw. Lou L-B.?”
“Momentje, ik moet éven kijken. Volgens mij is ze nu nét weer compulsief aan het overgeven. Ze heeft namelijk gisteravond kip gegeten bij haar schoonmoeder en sindsdien is ze niet meer van de WC af te krijgen. Spuitpoepen en kotsen alsof haar leven ervan afhangt. Doet het ook trouwens. U zou het moeten zien. De gelige kipstukjes die nu al aan de muur plakken. En de toestand van WC zelf… echt, ón-mó-ge-lijk. Heeft u beeldtelefoon?”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Hallo Mw. Lou, Ik ben Miep Gezelli van de Europese Voordeelsgemeenschap. Heeft u een momentje?”
“Nee.”
“Ik wil u namelijk graag mededelen dat uw lidmaatschap over drie maand afloopt en daarna staat u automatisch geregistreerd voor 79 euro per maand. Wilt u dit opzeggen?”
“Ik ben geen lid.”
“U bent wel lid.”
“Ik ben niet lid.”
“U bent wél lid.”
“Ik ben niet lid.”
“U bént wél lid!!!”
“Kunt u mij dan mijn lidmaatschapsbevestiging even doormailen? Op Miep@verarschtmich.de. Oh en stuur het directe telefoonnummer van uw supervisor ook gelijk even mee alstublieft.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Met Robin Wood van de Norddeutsche Klassenlotterie!”
“Ah Robin!! Wat geweldig leuk je weer te spreken!! Hoe is het met je twaalf kinderen? Leven ze allemaal nog? Ik zou dat met jouw callcentersalarisje rechtmatig kunnen betwijfelen natuurlijk.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Kan ik Mw. LLB spreken?”
“Spreekt u mee.”
“Ah mooi. Mw. Lou, ik moet even uw gegevens verifiëren…”
“Waarom?”
“Nou u staat hier in onze database en we willen even checken of uw geboortedatum klopt.”
“OK, roept u maar, dan zeg ik wel of ’t klopt.”
“Nee, dat is bij mij zwart afgedekt, dat kan ik niet zien.”
“Hoe kunt u dan vergelijken?”
(diepe zucht aan de andere kant) “Dan…euh dan gaat er hier op mijn display een groen lichtje branden, als het klopt.”
“31 juni 1964.”
(ze typt…)
“Prima, bedankt. Wilt u in onze database blijven? Dan krijgt u over uiterlijk over een maand weer een verificatietelefoontje. En een bevestigingsbrief. Daar heb ik even uw adres voor nodig.”
“Dat heeft u toch al? U hoeft toch enkel te vergelijken?”
“Nee, daar zit ook een balkje overheen.”
“Heeft u Windows?”
“Húh?”
“Nou, vanwege al die balkjes. Ik meende daar iets in te herkennen.”
“Geen idee.”
“Wat is uw geboortedatum eigenlijk? En waar woont u?”
“Dat is hier niet aan de orde.”
“Heeft u een hond? Wat is uw hondenbelastingnummer?”
“Godsamme. Er bestáát helemaal geen 31 juni…”
tuut-tuut-tuut….

Ik ben gek op dit soort telefoontjes. Puur genot. Beter dan fast food. En minder kilocalorieën.
NEXT PLEASE!!!

Uitgebrand?

Vandaag zag ik er weer één.  En vorige week woensdag ook. Net als al zovele keren daarvoor. Een zogenaamd uitgeblust, opgebrand persoon. Iemand met een burn-out. Ik heb al meerdere keren gedacht dat ik zelf zoiets als een burn-out zou kunnen hebben, maar ik heb inmiddels sterk het vermoeden dat ik dat niet kan, dat opgebrand raken. Depressief worden kan ik wel degelijk (heel goed zelfs, maar dat is ook weer zoiets wat je éigenlijk niet hardop mag zeggen hè…) maar volledig en totaal uitgeblust raken, schijnt mij een onmogelijkheid. Ligt misschien aan de mate waarin het brein in staat is, zichzelf te amuseren, te bedotten en te verwarren… Het mijne kan dat in ieder geval verschrikkelijk goed. Maar waarom zijn er dan tegenwoordig zó veel mensen die zomaar ineens niet meer verder kunnen? Geen stap meer? Bij wie de accu leeg is, de energie verbruikt, de vlam uit? Waarom is die ingebouwde oplaadbare batterij ineens totaal lamgelegd, rijp voor het afvalstoffencentrum? En waar haal je dan in hemelsnaam een nieuwe?

Geen idee. Ik denk persoonlijk wel dat burn-out-patiënten eigenlijk de geijkte slachtoffers van onze van het padje geraakte maatschappij zijn. Iedereen wordt onderhand voor het overgrote deel van zijn of haar leven gecontroleerd, gestuurd en beheerd. Passief vegeteren omwille van het bestaan versus actief de dingen (be)leven die men ook werkelijk beleven wíl. Zo gezien zijn mensen met een burn-out eigenlijk de voorboden van de uiteindelijk onvermijdbare systeemcrash zelf. Een systeem waarin steeds meer mensen een baan met een extreem intensieve en vooral heel ver reikende sociale omgeving hebben. De werktechnische sociale invloeden komen nu van veel verder weg, in veel grotere getale en zijn in veel intensievere mate aanwezig dan ooit het geval was. Tegenwoordig wordt de samenleving vooral gedomineerd door de prestaties van sterk narcistische individuen die enkel nog hun eigen ikje dwangmatig celebreren. Het gemeenschapsgevoel ontbreekt, overal wordt tegenaan geschopt, niets is meer goed, niet eens meer goed genoeg. En dat zowel op maatschappelijk macro-niveau als in de directe sociale micro-omgeving. Men loopt maar door in zijn of haar eigen verchroomde tredmolentje. En ook al heeft dat gepolijste looprad dan alle nodige blingbling en luxe, het blijft een tredmolen en je moet doorhollen, of je nu wilt of niet.

De vraag is: hoe breek je uit? Ik heb een gloeiende pesthekel aan dat boek van Elizabeth George (na drie pogingen heb ik ’t aan de kant gesmeten, geen doorkomen aan) maar in die titel, “Eat, pray, love”, daar zit wel wat in. Eten moet je en daarvoor moet je dus werken (als je in het gelukkige bezit van een baan bent tenminste). Hoe je het ook draait of keert, er moet op de één of andere manier geld binnenkomen. Is nu eenmaal zo en de ruilhandel is helaas al uitgestorven. Maar de tijd die je met werken doorbrengt, zou eigenlijk ook zinvolle tijd moeten zijn en geen moeizame kwelling. Geen zich erdoorheen moeten slepen tot het volgende weekend. Die luxe heeft niet iedereen: werk is werk per slot van rekening; je mag blij zijn als je een baan hebt. Daarom moet er in de eerste plaats tijd náást het werk vrij geschoffeld worden én die tijd zou dan volgens de experts vooral benut moeten worden om na te denken over zichzelf, de wereld en het grote ‘waarom’. Het ‘Pray’, zeg maar.  Vroeger werden vragen hieromtrent vooral door de verschillende religies beantwoord maar vandaag de dag is de relevantie van het geloof an sich bij veel mensen al lang en breed weggevaagd.  Zoals vroeger de religie voorschreef wat en vooral hoe te denken en wat de zin van het leven was, zo moet en wil men dat nu lekker fijn zelf invullen. En dat is niet makkelijk, levenszin vinden zonder voorgekauwde kerkse lariekoek (zo zie ik ‘t, ieder zijn mening). Daar komt dan ook meteen de ‘love’ om de hoek koekeloeren. Op z’n positiviteitsgoeriaans gezegd: “Liefde, in de vorm van het vermogen om de relevante dingen in het hier en nu zowel bij anderen als bij zichzelf aan te voelen, op te merken én te waarderen en in de vorm van de capaciteit om niet langer simpel voorbij te gaan aan wat is, te laten rusten wat was en uit te kijken naar wat nog kan komen.” En juist dát schijnt heden ten dage steeds opnieuw geleerd te moeten worden…

No love, no life.
’t Is net muziek.

En daarom haat ik positiviteitsgoeroes.
Want hemeltjelief, wás het maar zo eenvoudig.
Gooi die blonde manen in de wind en doe voorrrrrallll wat je moet doen.
En de rest niet. En zo.
Waarom moet ik nu in vredesnaam ineens aan Adam Curry denken…
Sorry Adam.

Keuzegemis

Hé mam… voelde jij je op je tweeënveertigste soms ook zo buiten alles, zo afzijdig als ik?mam
Zo, alsof je iets herkenbaars had moeten kleien van je leven maar dat het nu eenmaal die blobvorm kreeg, die er simpelweg in gedrukt werd?
Hunkerde je ook wel eens naar alles wat zo ontzettend verschrikkelijk uit den boze was? Naar dat wat zeker niet goed voor je was?
En ook naar het ‘wat als’ van al dat, wat je sowieso nooit van tevoren had kunnen weten?

Oh, en mam… heb je ook wel eens gedacht over hoe het was geweest als je dat had gedaan wat je moeder eigenlijk helemáál niet wou?
En vooral ook datgene, wat je pap je ten strengste verboden had?
Denk je wel eens over datgene wat er uit gekomen was, als je pak ‘m beet een halve eeuw geleden nét even anders gekozen had?

Ik mis ze soms heel erg.
Mijn keuzes van toen.
Ik zou ze zó graag nog eens terug zien…

Bea

zouze3Zou ze ooit één grijze haar onder haar hoedje uitrukken?
Zou ze ooit in de keuken de beslagkom leeg likken?
Zou ze ooit nog een keer een mindblowing orgasme hebben?
Of er ooit één hebben gehad, met veel heet gesteun en gesis?

Zou ze ooit in de auto keihard meeblèren op Lily’s “Fuck You”?
Zou ze ooit op de WC ongegeneerd in haar neus rondboren?
Zou ze ooit onder de dekens haar linkerbil even snel optillen,
zodat haar stinkende scheet niet zo snoeihard te horen is?

Zou ze ooit gedachten hebben: “Is dit nou werkelijk alles..”
Zou ze ooit uit die Bilderbergclan hebben willen ontsnappen?
Zou ze ooit nog een geile chat met de prins van Zamunda snel
wegklikken omdat haar PA weer loopt te zeiken als Manneke Pis?

Zou ze ooit haar beschoeide voeten op de salontafel pleuren?
Zou ze ooit snel haar paarse dildo schoonmaken onder de douche?
Zou ze ooit een enorm stuk in haar bontkraag zuipen, enkel
vanwege het anders aan creativiteit zo ondraagbaar grote gemis?

Zou ze ooit na het afvegen naar haar toiletpapiertje kijken?
Zou ze ooit het lopend buffet overgeven door haar neus?
Zou ze ooit eens bankhangend naar Kim Holland zappen.
Ach nee, toe zeg, kom nou, nevernooitniet, neen toch gewis…

Schudtaart

Gisteren had ik een vergadering. Een vergaderingsgenote sprak na afloop lyrisch over een zogenaamde schudtaart. En wie ben ik om dat niet gelijk de volgende dag uit te proberen? Juist, diegene ben ik! Bij deze een fotoverslagje (recept inbegrepen):

Schudtaart1Schudtaart2Schudtaart3

Gazellifant

Met mijn olifantenpoten ren ik hard. Nog harder om alles toch maar in te halen. Hier en daar een porseleinen kopje vertrappend, draaf ik nog steeds blind voort. Over de droge savanne vol met noodlotten en de woeste steppe van incomplete conclusies. Geen idee waar te beginnen, niet eens een hint over waar als eerste te stoppen om de armen te spreiden. Dus ren ik maar verder. Als ik blijf staan, zinken mijn grote, stampende poten weg in de uit andermans ongeluk en mijn eigen machteloosheid bestaande blubber.

Slopende ziektes waar ik nooit weet van had tot ze ongeneeslijk werden. Andermans innerlijke worstelingen waarvan ik me bewust was maar die ondergingen in de myriaden van mijn eigen gedachten. Zware operaties die al voorbij waren voor ik op tijd ‘nog heel veel sterkte’ kon wensen. Verjaardagen die ik om twee voor twaalf bijna had vergeten. Zorgen die geuit werden maar die door extreme externe filtering voor mijn oren weg werden gerukt. Knuffels die in mid-air bleven hangen…

En dus loop ik zo snel mogelijk door.gazellifant
Niks ziend, allenig, nadenkelijk.
Geconcentreerd op iedere pas.
Blijf vooral draven…
Hup hup, achter die feiten aan.
Ze zullen altijd sneller zijn dan ik.
Was ik maar een gazelle…

aldimannetje

Door het smalle gangpaadje tussen de metershoge torens van plastic flessen jus en tetrapakken druivensap manoeuvreer ik mijn karretje naar de enige open kassa en duw de metaalspijlen neus van mijn aldi-limousine bijna in die van een oud manneke dat blijkbaar synchroon met mij bij kassa twee arriveert.

Breed grijnzend laat hij zijn kunstgebit even hoognodig luchten en stoot met zijn elleboog samenzwerend tegen mijn arm.
“Wij zijn net die twee vrachtauto’s, vanochtend op de A7. Alleen kon ik nog uitwijken en reed jij geen spook.”

Kassa één gaat ook open.
De redding is nabij.

niet goed bezig

Gisteren opende ik – hoe kan het ook anders – ergens in de loop van de ochtend even facebook op mijn foon. Het eerste plaatje wat ik zag was van een half verbrande jonge man. Hij was, volgens de ernaast staande tekst, aangestoken. Een brandende autoband om zijn nek. Omdat hij homoseksueel zou zijn en dat mag dus niet in Oeganda (en niet alleen daar…). Sterker nog: zulke mensen mag je dus legaal, met de wet achter je, in de fik steken en toejuichen terwijl ze creperen. Ik kreeg spontaan kokhalsneigingen en dikke tranen in de ogen, moest noodgedwongen verder scrollen. Ik kon het simpelweg niet aanzien. Want wat moest ik hier nou mee? Onvoorstelbaar gruwelijk om te zien op een gezapige zondagochtend. Wat een wereld. Een bevestiging van mijn opvatting dat mensen de enige werkelijke beesten op deze aarde zijn.

Ik moest het plaatje eigenlijk delen om mijn solidariteit met de homoseksuelen op deze aarde te betuigen. Maar ik kon het niet… wetende dat ik een dermate afgrijselijke foto dagenlang op mijn eigen wall zou zien, een wall waar ook kindekes mee koekeloeren… en ook wetende dat het geen ene donder zou helpen. Ik ben vanzelfsprekend solidair met iedere andere mens die in naam van onzinnige (veelal religieuze) wetten gediscrimineerd, gemarteld, gedood wordt. Maar mijn solidariteit lost helemaal niets op. Ook een petitie met miljoenen email-handtekeningen eronder haalt niks uit. Ik onderteken ze allemaal want het is geen moeite en ik laat in ieder geval op microniveau zien dat ik het er niet mee eens ben, de NSA aan m’n broek of niet. Maar helpen doet het niks, ik ben niet zo naïef om te denken dat er in de toekomst ook maar íets anders zal gaan vanwege een simpele petitie. Geen meisje minder verkracht of op 9-jarige leeftijd uitgehuwelijkt, geen honingbij gered, geen niet-ondertekend TIPP, geen asiel voor meneer Snowden, geen betere vrouwenrechten, geen boycot van de olympische spelen in dat hypocriete Sotchi/Rusland, geen betere arbeidsomstandigheden voor die arme chinese kindertjes in de neodymiumwinning. Gewoon. Niks. Lijdzaam toezien is alles wat je mag vandaag de dag. En dat is ook nooit anders geweest.

Daarom deelde ik de foto niet… want ergens, ergens moet ik nog altijd míjn leven leven. Of dit nou allemaal gebeurt of niet. Dat van anderen kan ik niet leven. En ik moet dus zorgen dat mijn leven góed geleefd wordt, al naar gelang de omstandigheden. Dat is iets wat ik in ieder geval wél kan doen. En dan niet voor mij. Egocentrische gedachtes heb ik al genoeg (“ik moet goed voor mezelf zorgen”, “die Note 3 wil ik toch wel heul erg graag”, “wat zal ik eens eten vandaag” – en zo). Maar voor de bewonderenswaardige mensen en mensjes om mij heen. Mijn zoon die maar door bokst en vecht om op school mee te komen. Mijn dochter die morgen weer naar de dokter mag voor een uitgebreide hartcontrole. Dat gaatje zit er nog steeds hè… ook al denk je er dan praktisch nooit aan, het blijft eeuwig een issue. Vrienden en vriendinnen die vechten tegen dodelijke ziektes, financiële sores, rottige werkgevers, mishandelende echtgenoten, depressies. Ouders die een dagje ouder worden en allebei al kanker hebben gehad. Ons eigen hachje (lees: ‘relatie’) bij elkaar en leefbaar houden. Dat zijn de dingen waar ik in eerste linie mee bezig zou moeten zijn, ik weet het. Ik weet het zo goed…

En toch ben ik het niet.

De slachting van Robbie

Ergens eind oktober had ik een grote hokkaidopompoen namens ‘Robbie’ van mijn schoonmoeder gekregen. Ja. Robbie. Het ding kreeg een naam, dit was ’t en niet anders.Robbie  Robbie was goed 4,5 kilo zwaar en heeft uiteindelijk bijna drie maand lang bij ons mogen bivakkeren. Het was een lief ding met een hoge gezelligheidsfactor en een frishollandse kleur die bij elke gang naar de keuken een beetje van mijn heimwee weg wist te nemen. Na een tijd in de keuken naast het fruit, op het afdruiprek, op het aquarium (dat was een uitdaging) en op een bolle vaas (een nog grotere uitdaging) gepronkt te mogen hebben, werd Robbie uiteindelijk wat weekjes. Hij voelde zich duidelijk verwaarloosd en zocht daarom de warmte en het innige gezelschap van enige bacteriën en schimmels aan zijn verkilde voeteneinde.

Wel. Robbie vond ik op zich best goed te hebben. Hij was rustig, keek gemoedelijk toe, bracht een beetje kleur in het keukenleven en als paper weight deed hij het ook niet slecht. De schimmelkoloniën vond ik daarentegen duidelijk minder. En daarom stond mijn besluit vast: Robbie moest vandaag dan toch maar geslacht worden. De schimmelvrienden heb ik met een dunschiller geëlimineerd en Robbie zelf van zijn ingewanden bevrijd. Mummificeren was hiermee dus ook nog een optie geweest maar dan had ie nog wéér zo lang in de weg gelegen…

Middels rituele slachting in stukken gehakt en professioneel in meerdere plastic zakken verpakt, verdween tweederde van Robbie vooralsnog in de diepvries. We konden hem niet in één keer opvreten, hij was simpelweg te pompeus. De overige kilo Robbievlees wilde ik vandaag nog tot iets lekkers (nou ja, eetbaars) omtoveren. In iets wat de kinderen in ieder geval niet meer als Robbie zouden herkennen. Een taart was snel gegoogeld. Pompoentaart. Dus.

Eerst moest ik Robbies in stukken gehakte vlees nog verder verkleinen. In mijn Tupperware-speedychefmaalding ging dat prima. Gehakte hazelnoten, twee eigelen, suiker, boter, stijfgeklopte eiwitten, zelfrijzend bakmeel, alles werd liefdevol met elkaar en met de Robbieprut gemengd. Ik mompelde in mezelf: “dit ziet er eigenlijk best wel uit als kots…” en de alleshorende kinderen riepen heel hard: “iiiiewwww!” om vervolgens een vinger door de smurrie te halen en me gerust te stellen dat ’t in ieder geval niet naar kots smaakte. Maar wat waren dan die oranje stukjes? Wortel? Euh… ja.

RobbietaartNa de voorgeschreven vijfenveertig minuten bij 175° in de oven was de Robbietaart nog steeds half vloeibaar. Nog maar ‘ns dertig minuten dan. Vervolgens tien minuten in de magnetron want Robbie hield de smurriefase krampachtig vast. Nog eens tien minuten in de oven. Toen was ik het zat. Ik zette de bakvorm op z’n kop op een bord (c.q. ’t deksel van de bakvorm) in de hoop dat de taart er gracieus uit zou ploppen. Helaas plopte alleen de ongare binnenkant plomp op het bord, de rand bleef muurvast in de vorm zitten. Het bord met de smurriebrokken gelijk maar weer in de oven gepleurd, de randen uit de vorm gebikt en met een flinke dosis poedersuiker zo goed als onherkenbaar aan de kinderen gevoerd.

De commentaren van de vakjury logen er niet om (in deze volgorde):
“Het ziet er nog steeds uit als kots. Gebakken kots.” (zoon)

“Maar het is te eten. Best aardig zelfs…” (zoon, bedenkelijk kauwend)
“Lekker!” (Dat was dochter. Die vindt alles wat ook maar enigszins zoet is, lekker)

“Ik hoef niet meer. Maar het was wel oké hoor!” (Dat was ook dochter, na twee kleine stukjes, mijn vlammende ogen ontduikend).
“Euh… zoals ik zei: het is eetbaar. Maar dit hoef je écht niet nog een keer te maken.” (zoon)

“Mam? Waar is Robbie?” (allebei)

De nagebakken smurriebrokken (zie afbeelding) waren helaas niet veel beter maar ik heb in ieder geval al wél een kilo Robbie weg weten te moffelen. Ik zal binnenkort vast wel in staat zijn om die overige twee kilo ook nog spoorloos te laten verdwijnen. Iemand nog suggesties? (en nee, soep is geen optie).

Net niet

Ik stond echt op ’t puntje om weer eens een nieuw leven te beginnen. Dat leven waarin ik zó veel van mijzelf houd. En ook nog van de rest van de wereld.  Waarin ik heel hard fuck you schreeuw en doe wat ik wil. En iedereen omarm. Maar ’t lukte even niet. Nét niet. Alweer niet.

Vanochtend sprong ik uit bed en dacht: ik voel me tóp!! Tot ik plotsklaps dubbelklapte en mijn ingewanden eruit spuugde. Ik hield ’t allemaal even niet meer binnen. Nét niet. Maar het duurde maar heel kort, tot die hervonden tiptop-status.

Vandaag wist jij me zowat te overtuigen dat alles nu weer goed is. Maar het mislukte, net als een te natte rozijnenpannenkoek. En ik blijf zien hoe het er echt voor staat. Kledderig. Klote. Maar helaas.

Ik dacht heel even hoopvol: “je bent dus tóch nog steeds diegene die je was, toen ik dacht, dat ik je kende.” Maar je was het niet meer. Al lang en nét niet meer.

Bijna had ik vandaag zelfs mijn oh zo noodzakelijke werk gedaan en de boel afgemaakt. Maar het ligt hier nog naast me in een rode map.
Het lukte net niet. En morgen is er in dit geval geen nieuwe dag. But hey, we’ve got the night…

Zo’n lelijke, grootse terugval schampte zomaar ineens rakelings aan mij voorbij. Alleen nét niet helemaal. En ik haalde die bocht lekker toch. Met een noodvaart zelfs. Ja, dat net weer wel.

Ik mijmerde over hoe mooi het allemaal geweest had kunnen zijn. Maar dat is het nu ook weer niet geworden. Nét niet. So what. Op naar het volgende wat zo mooi zou kunnen zijn.

Vandaag was het immers óók mijn dag.

Nét niet.

De TupTupclub

Ik durf het bijna niet te zeggen maar ik heb een Tupperware-verleden. Het is ook echt een verleden: het was nooit wat en nu is het al jaren helemaal niks meer. Hier in Oostenrijk zijn allerhande ‘party’s’ heel populair. Je hebt Partylight-party’s (met kaarsen en andere decopruttel), Reinzeit-party’s (allerhande überfantastisch schoonmaakmateriaal en ook etherische oliën), Gonis-party’s (knutsel-/teken-/verfmaterialen), DildoFee-party’s (zegt genoeg), Wenatex-party’s (orthopedische bedsystemen en matrassen) en natuurlijk ook de – volgens mij – oudste in de partycategorie: Tupperware-party’s. Er zijn wel meer verkooppartyvarianten maar op bovengenoemde party’s ben ik allemaal al wel eens geweest. Ik muts. Maar ik moet toegeven: afgezien van het verkoopgedoetje is het best wel leuk. ’t Is net als bij skiën: je gaat stiekem éigenlijk toch gewoon voor het après 😛

Ooit heb ik me echter toch op de één of andere dubieuze manier laten strikken door een vriendin die ook tupperware-hostess was. Het was zooooo goed te combineren met kleine kinderen, het verdiende super (en ik wou wel wat bijverdienen want mijn eigen zaak werpt in plaats van sappige vruchten over het algemeen hier en daar een droge beukennoot af…) Ik kwam in haar hostessengroepje, ging mee naar een aantal verplichte T-bijeenkomsten en ik kan niet anders zeggen dan: wát een idioterie. Een klein beetje sekte-achtig, een zaal met werkelijk óveral het tupperware-logo, kunststof en een stuk of honderdvijftig dames (geen heren… goh, hoe zou dat nou komen) die elkaar op regelmatige tijdstippen toejuichen en strijden om de hoogste groepsomzet. De winnende groep krijgt vervolgens een bups stickertjes (en balpennen… what the…) en bij een x aantal stickers krijgen ze dan een vaag kadootje (nog meer balpennen). Ik moest gelijk aan mijn smiley-systeem voor de kinderen denken. Wat een happiness en wat een groepsgevoel. Alleen voelde ik dat helaas niet zo heel erg (of eigenlijk helemaal niet). Het was me toen al duidelijk dat ik niet geschikt ben voor een T-carrière. Ik naam mijn werkelijk enorme T-tas volgestouwd met T-pruttel met enige schroom in ontvangst,  propte er pro forma een stapel catalogi en bestelformuliertjes in, smeet alles in de kofferbak en scheurde hard weg. En dat was het einde van mijn T-loopbaan want een echte party hosten heb ik uiteindelijk nooit gedaan. Die drie keer dat dat moest (om nog meer T-waar in de wacht te slepen), heeft vriendin dat gedaan en stond ik als hostess op het papiertje. Dat was echt lief van haar, maar natuurlijk kreeg zij daardoor ook een fonkelnagelnieuwe T-auto onder haar achterste geschoven waarmee ze van party naar party mocht tuffen. Ik moet wel toegeven dat de tupperware-artikelen zelf écht hartstikke goed en duurzaam zijn. Maar ze zijn ook reteduur (en ik ken de marges…) en het is en blijft – hoe je het ook draait of keert – kunststof, niet bepaald mijn favoriete materiaal op deze aarde. Maar wel mooi en onkapotbaar kunststof. Dat wel.

En nu, nu gaf mijn buurvrouw dus zomaar ineens een T(ea)-party. Nadat ik het twee jaar succesvol uit mijn leven heb weten te weren, was de T ineens back. Buuf had, wetende van mijn licht tot matige T-allergie, in de SMS-uitnodiging van midden december heel geheimzinnig “verrassingsparty” geschreven dus ik hoopte lange tijd op een lingerie-party (die heb je ook en daar was ik nou nog nooit, lijkt me best geinig en de lingerie die ze dan verkopen is werkelijk waar om je vingers bij af te likken) of nog beter: een dildo-party (da’s sowieso altijd lachen-gieren-brullen), maar woensdag ervoer ik dus wat me echt te wachten stond. Weigeren kon ik niet want buurvrouw was ook op alle party’s die ik ooit in een vlaag van verstandsverbijstering gehouden had (welgeteld vier: twee keer Tupperware, één keer Gonis, één keer Partylight). Dan bak je een taart, zet je thee, koffie, wijn, sekt en een bak chips op tafel en dan komt de desbetreffende hostess jou en je medeslachtoffers vertellen wat je voorrrralllll allemaal moet kopen omdat het nu zo gewéldig in de aanbieding is.  Dat duurt een uurtje of anderhalf, moet je even doorheen. De rest van de avond is dan wel leuk.

Gisteren viel het echter heel erg mee. Het meeste van de T-waar heb ik al lang (tja…), ik heb wat vervangende onderdelen (je verliest wel ‘ns wat hè, en ik vrees dat de meeste missende onderdelen ergens in de biobak beland zijn :-S ) weten te ritselen, en gezien het feit dat ik geen alcohol meer gewend ben, kwamen de twee glazen rode wijn behoorlijk goed aan en vond ik alles best. Ik heb het bestelformuliertje natuurlijk nog hier thuis liggen, ter plekke bestellen is nooit een goed idee. De dame pakte na haar verhaaltje haar roze mega-T-tas op rolletjes weer in en kletste vervolgens gezellig mee in onze ronde van acht. Ze deed nog een magere poging om mij terug te winnen voor het T-bootcamp maar die dagen zijn vervlogen nadat ze er nooit geweest waren.

Ik heb genoeg duur(zaam) Tupperspul. Mijn kinderen hebben straks in ieder geval een leuke, onbreekbare erfenis.

Tupper

Sorry

… maar vandaag wordt ’t hem ook niet.

De kat is teruggekeerd (zat waarschijnlijk ergens in een muffe garage vast totdat de bezitter het ding vandaag tegen de middag weer open deed), alle laptops doen wat ze moeten doen, zoon leert Engels, het familiebezoek was best gezellig en kort genoeg, de peperdure coffeïne-shampoo die ik heb gekocht, doet daadwerkelijk wonderen (die zich in de vorm van een geëxplodeerd kapsel manifesteren), het is nog steeds mistig en miezerig buiten,  the time of the month has passed on once more. Dus. Nog steeds heen ene lol te beleven aan mij en ik voel me dan ook echt intens en verschrikkelijk saai.

Gisteren zei ik vol goede moed: “tot morgen”.
Dat zeg ik vandaag dan maar gewoon opnieuw.

Tot morgen.
Of overmorgen…

 

(en natuurlijk moest het GEEN ene lol zijn, maar goed, die ene lol is ook henen…)

De ondraaglijke leegte van het schrijven

Ik snap het niet. Ik zit hier al minstens een uur naar een leeg en wit wp-blok te koekeloeren. Kijk met een half oog naar een gruwelijke middeleeuwse film, kopieer de 36GB aan foto’s van mijn moeder van hot naar her (eerst vanuit de voor de ene computer niet leesbare image op de externe harde schijf naar mijn eigen computer die ze wel kan lezen – yeah man – en van de mijne als normale jpeg’s terug naar de externe harde schijf zodat ik ze op andere laptop, waar ze eigenlijk heen moeten, op kan slaan. Een proces wat ettelijke uren in beslag neemt), maak thee, lurk op facebook, whatsapp wat in het rond, zie Buzz Aldrin op TV offliften, bedenk me dat ik de was er nog uit moet halen, drink nog maar een kop thee. Maar schrijven lukt niet. Niet zoals ik het wil.

Er is zoveel gebeurd de afgelopen weken… Dingen die lange tijd een gegeven waren, zijn ineens niet meer. Weggevaagd. Dingen waarvan ik wist dat ze 2013 niet meer goed zouden komen, gaan in 2014 met volle zekerheid de fase van de positiviteit in. Alles komt tóch nog goed. Dingen die ik al lang verloren gegaan achtte, blijken ineens nog aanwezig te zijn. Floep, daar zijn ze. En dan staat het woord ‘Dingen’ voor veel meer dan enkel ‘dingen’. Het meeste ervan is sowieso niet tastbaar.

Buzz is alweer terug van zijn maantripje. Voor de zoveelste keer. Mijn galstenen zijn inmiddels ook klaar met hun potje Yahtzee. Sinds nieuwjaarsdag vonden ze het blijkbaar nodig om mij eens even te laten voelen hoe dat dobbelen écht moet. En dat voelde niet fijn, kan ik u verzekeren. Als ze nog een keer zo’n bui hebben, gaan ze d’r uit. Kunnen ze in een potje verder vegeteren. En ik, ik zit op de bank en denk na. Op mijn eigen chaotische wijze. Morgen is de laatste dag van de kerstvakantie. Ja echt, 6 januari is een feestdag hier hè. Die drie koningen moeten nog even voorbij hobbelen.

Maar het schrijven zelf wil nog steeds niet. Ik mis mijn humeurigheid. Het ontbreekt mij aan stemmingswisselingen. En aan de ‘highs’ die mij deden borrelen. Aan de diepe dalen die me met tranen in de ogen emotionele woorden lieten produceren. Aan de vlakheid die me liet ratelen over de meest onzinnige dingen.  Ik ben te zen… En dat zelfs ondanks het feit dat het weer zo’n geweldige tijd-van-de-maand is. Hoe is het mogelijk… Kan dit überhaupt? Man bemerkte het ook al. Toen ik hem mededeelde dat hij alle denkbare bedactiviteiten behalve slapen momenteel kon vergeten vanwege dattem, zei hij enkel: “Dat kan niet. Je bent helemaal niet explosief geïrriteerd…”. Nee, inderdaad. Maar alles is ‘gewoon oké’. Behalve dan dat er weer eens een kat van ons de hort op is en maar niet thuis wil komen, maar dat is nou ook niet de meest interessante lectuur voor de gemiddelde bloglezer.

Zogauw ik weer instabieler, emotioneler, geflipter of liefdesgestoorder raak, meld ik me weer.
Tot morgen.
Of overmorgen…

kerstgedachtes

Te stil ben je me. Dan ga ik weer piekeren. Is er iets gebeurd? Heb ik iets fout gedaan? Fout gezegd? Kan ook nog. Waar zit jij nou helemaal met je gedachten? En waar zit ik eigenlijk met de mijne…pantarhei

Ze zwerven. Ze hangen overal rond. Bij die zo veel te jong gestorven buurman die een jonge vrouw en twee kleine kinderen achterlaat. Bij de ernstig zieke vriendin (ja, ik beschouw haar als vriendin… ze is een uitermate waardevol iemand…) die 2014 nog hoopt te halen. Bij de brandmelder die om de twee minuten luid piept dat zijn batterij leeg is. Bij de zo geliefde vriend die worstelt met wat er in het verleden gebeurd is. Ik denk na over het liedje op de radio (“Say something… I’m giving up on you”) en over al die mensen die pijn hebben. Ik pieker over degenen die ik zomaar ineens mis omdat ik ze al zo lang niet gesproken heb (Ron, Erwin, Bert, Angela, Marc, Kris, Manja, Bart, Pris, Sam,  enzovoort…). Zouden ze ooit nog aan mij denken?

Verdorie. Het is alwéér kerst… En nee. Ik ga geen review van dit jaar doen. Dit jaar was een jaar net als alle andere jaren. Ups, downs, saai, spannend, verdrietig, hoopvol. Wie wil er nou reviews. Je hebt er geen zak aan, het is toch allemaal voorbij, er valt niks meer aan te veranderen. Goede voornemens zijn al net zo zinloos. Plannen helpt niet, alles komt toch weer anders dan je je had voorgenomen. Chris Rea bromt zijn Driving Home for Christmas voor de 328e keer door onze speakers. Ik wou dat ík naar huis reed vóór kerstmis. Maar zoals altijd zal het hoogstens ná kerstmis zijn. Verplichtingen, verplichtingen. Maar na kerst gelukkig wel. En dat is wat telt…

You played it to the beat. Miss Adèle zingt zoals het werkelijk was en nog steeds is. Speel mee, gewoon zoals de ritme komt. Laat het toe. Go with the flow, voel de kadans, laat het gebeuren. Het komt toch wel zo. Mijn gevoelens kan ik niet veranderen. Ze zijn zoals ze zijn. De dingen komen zoals ze komen, of ik nou wil of niet.  Mensen sterven, hebben verdriet. Of ik er nou wat aan kan doen of niet. Accept it.

De bijen sterven door ons toedoen, of ik die petitie nou onderteken of niet.
Met zes glazen wijn wordt het leven niet mooier. Integendeel. Een stuk verdrietiger.
De kindertjes in Syrië ervaren nog steeds die rotoorlog. Al jaren. Of ik het nou uitschreeuw of niet.
De jonge buurman blijft dood en zijn vrouw en kindertjes moeten door. Of ik nou kan helpen of niet.
Met twintig kilo minder zal ik nog steeds onzeker zijn. Of ik het nou wil of niet.
Mensen blijven hun handen eraf schieten met illegaal Cobra-6 vuurwerk. Of ’t nou stom is of niet.
Mijn liefde blijft steeds maar weer bij sommigen hangen. Of ze nou willen of niet.

Goed. Dat is dan het enige voornemen dat ik me voor neem voor 2014. Go with the flow. Het komt zoals het komt. Panta Rhei. Alles vloeit. In elkaar over. Alles is oneindig. Ik lachte er ooit over. Maar zo is het.

And please, stay strong while going with the flow.
The past is gone and I will go on.

eet een worst

ik typ weer ‘ns een titel en denk enkel: “Fijn. En nu?”
Om vervolgens eerst maar weer een potje te gaan candycrushen (voor de nitwits onder ons: da’s een uitermate stom spelletje op de telefoon).

Momentje.

Sorry. Duurde even.  Achteraf gezien ben ik blij dat ik niet “Of je worst lust” als titel typte. Want blogtitels komen bij mij altijd het allereerst en dan schrijf ik het blog erachteraan. Titels zijn heilig voor mij: ze veranderen brengt ongeluk dus dat gebeurt niet. Maar de titel is dan ook niet geheel zonder aanleiding. Ik heb vandaag zoveel worsten in mijn handen gehad dat ik er vannacht vast van ga dromen. Worstje hier, worstje daar, is-ie bruin? Draaien maar! Hatsjikidee.

wurscht1 (Small)Het kerstfeest voor de jeugd van de voetbalvereniging is waarlijk een vleesrijk gebeuren. Worstenbroodjes met ketchup-ui-curry-smurrie (ook wel ‘Bosner’ genoemd), Leberkässemmel, Würstl mit Sauerkraut, alles hebben we in de aanbieding. Er schijnt ergens tegenover ons nog een standje met raclettekaasbroodjes te zijn, maar daar is ’t zwartegatachtig leeg. Na de speeches over de prestaties van de verschillende groepen bestormen er dan een stuk of tachtig kinderen van zes tot en met zestien jaar ons worstenstandje. Let them come to us…wurscht2 (Small)

Ik doe dit nu al een paar jaar, altijd in goed grilgezelschap van mijn buurman. Wij zijn dan een team, de buurman grilt geen worst zonder mij en ik smeer geen smurrie op broodjes zonder hem. Ondanks zijn lichtelijk afleidende werktenue maken we worstenbroodjes aan de goed gesmeerde lopende band. Kunnen wij. Beker Glühwein erbij en whoppa, die Bratwürstl smaken nóg een graadje beter.

Of je worst lust? Nee sorry.
Nu even niet meer.

The Puking Saga

Lang gevreesd, toch gekomen. Er waart hier sinds een paar weken één of andere mutant van het noro-virus rond. Dat had ik van de moeders en juffen op school duidelijk meegekregen en daarom hebben we hier thuis al een tijdje een handenwasmanie, een ziekenbezoekverbod en een elkedagschoneklerenaanvoorschrift. Het mocht niet baten. Dochter kwam vrijdagmiddag thuis van een middagje rondbalgen bij de buren en gilde enthousiast dat buurjongetje ook aan de kots was.  Oh. Fijn…

Gisteravond een heerlijk kerstdiner cq kerstfeest gehad. De kinderen hadden onder de liefdevolle begeleiding van ons buurmeisje ook een leuke avond gehad, vol gepropt met TV, chips, popcorn, fanta en kruidnootjes. Om twee uur lagen we in bed. Binnen een half uur sliepen we als ossen, om om drie uur wakker te worden van het gekrijs: “MAAAAHAAAAAAAMAAAAAAA IK HEB GEKOTST!!!” Ik realiseerde me niet meteen de volle betekenis van haar woorden, stommelde de kamer van dochter binnen en gleed uit. In  het overgeefsel dat dochter van haar (half)hoogslaper met vol geweld over de rand naar beneden had gespuugd. Ze wou niet in bed spugen want dan zouden haar barbies en knuffelbeesten vies worden. Op zich heel lovenswaardig, maar om het dan maar van anderhalve meter naar beneden te laten klateren is ook een niet de meest aangename optie. Voor mij dan. Binnen een straal (duh… straal…) van pak ‘em beet twee meter zat het werkelijk óveral. Op de muren, in de barbiekoets, op de bank, op de kledingkast, op en achter alle treetjes van haar bedtrapje, enzovoort. Ik mompel enkel ‘oh mijn god’, staar achtereenvolgens naar huilende dochter en naar mijn blote voeten in de kots, veeg ze af aan het groene mierentapijtje van ikea (die is namelijk wasbaar, zo wakker was ik dan wel weer 🙂 ) en stommel weer naar buiten. Emmer halen, ajax erin en dweilen maar. Alle losse dingen in de douchecel gemieterd en heet afgespoeld, dochter erachter aan. God wat goor. Bed verschonen, mijn voeten en handen desinfecteren (ik kon alleen maar anti-schimmelmiddel vinden maar dat werkt ook best goed als voetendesinfectans geloof ik. Het ruikt in ieder geval naar chloor.) Wat een zooi. Wat een ongelooflijke zooi. Maar toch: om half 4 lag ik weer in bed.

Vanochtend om een uur of half acht moest ze nog een keer overgeven maar dat deed ze als vanouds: keurig op de WC. Braaf meiske. Nu ligt ze voor oud vuil op de bank en ik heb zojuist opnieuw een uitgebreide dweilsessie gehouden. Zelfs uitgekotste paprikachips geeft oranje vetvlekken op witte muren, wat een vet goedje is dat… Ongelooflijk waar dat spul overal heen sputtert. Voordeel: de hele bovenverdieping (en de trap en de gang en de keukenvloer, want met je blote kotsvoeten overal naartoe banjeren is achteraf gezien ook niet echt aan te bevelen) is nu wel weer mooi schoon, dat was heel hard nodig.

Nu is het afwachten of en wanneer wij onze ingewanden weer eens intensief mogen reinigen… Hopelijk snel, dan zijn we voor de kerst weer klaar.

Het roze briefje

…en zo voltrok zich meteen al weer het volgende drama in Huize L.

14h.
Zoon komt binnen stommelen, kwakt zijn schoolrugzak op tafel en zakt zuchtend neer op de bank. Zoveel huiswerk. Zoveel gedoe. En nu ook nog allerlei dingen die ze moeten doen voor de kerst c.q. in de adventstijd. Een projectje om de sociale vaardigheden en naastenliefde te vergroten, volgens de lerares. Het staat allemaal op een briefje. Een roze briefje, dat hij gewetensvol onder mijn neus drukt. “Kijk, dat moet ik allemaal doen voor volgende week!”.rozebriefje
een volwassene beleefd voor iets bedanken. Oké dan, no problem: elke keer dat hij met de buurvrouw mee naar school rijdt, bedankt hij haar beleefd, dus die kunnen we afhaken.
iemand vrijwillig helpen. Dat doet hij all the time, dus ook geen issue.
helpen in de huishouding. Oh shit. Dat wil hij altijd graag maar ehm, echt handig is dat niet. Maar goed, hij mag best ramen lappen van mij.
praten met een medescholier waar hij anders niet echt veel mee praat. Moet-ie zelf doen. Kan ik niet bij helpen. Ik weet wel een hoop kandidaten…
een medescholier een compliment geven, en
een goede wens voor iemand uitspreken. Allebei ook wel te doen denk ik. Maar sociale dingen kunnen bij zoon nogal eens raar uit de mond komen, zeg maar. Het is een beetje dagafhankelijk. Goed bedoeld, raar gezegd. Ik moet bij hem vaak een beetje aan Jack Nicholson als Melvin Udall in ‘As good as it gets’ denken.

Goed, ik heb het roze briefje gelezen, denk in stilte ‘wat een onzin‘, leg het weer op tafel en ga door met mijn bezigheden. Nadat hij nog even de absolute relevantie van het briefje benadrukt, duikt zoon op zijn wiskundehuiswerk en op het oefenen van z’n opstel. Morgen dé toets der toetsen: opstel Duits. Ach, een ramp wordt ’t sowieso wel. Het briefje verdwijnt uit de aandacht. ’s Avonds voor het naar bed gaan, wil hij zijn rugzak inpakken. “Maham, waar heb jij mijn roze briefje nou gelaten?” Euh, ik? Huh? Geen idee joh, ik heb het gewoon weer op tafel gelegd. Niet waar. Wel waar. Echt, jij hebt het ergens in gestopt. Nietes. Enzovoort.

In z’n pyjama begint hij wanhopig te zoeken. Spichtig, op blote voeten, verontrust. Ik zie zijn ogen overal heen schieten. “De juf heeft gezegd dat dat briefje heeeeel belangrijk is en dat we het niet mogen verliezen. Dan krijgen we een minnetje… En dat als we het toch verliezen, we dan zelf maar moeten zien hoe we een nieuw briefje krijgen…” Ik hoor de wanhoop in zijn stem, zie tranen glinsteren. We zoeken overal. Zelfs in de vuilnis- en de oudpapierbak, hoewel ik zeker weet dat ik dat soort dingen echt niet zomaar achteloos weg gooi. De boeken, de schriften, de rugzak, de blocnotes, alles kijken we wel drie keer na. En nog een vierde keer. Uiteindelijk stuur ik zoon om een uur of negen toch maar naar bed (morgen om 6am weer op…) maar kan het niet loslaten. Ik schrijf een bericht aan de klassenlerares in het communicatieschriftje, over het feit dat het vooral echt mijn schuld is dat we het kwijt zijn en of ze hem alsjeblieft toch nog een keer zo’n roze briefje mee wil geven. Dat hij al zo ontzettend onzeker is en altijd alles goed wil doen en dan dit…

Daarna toch weer zoeken. Nog een keer álles nakijken. Boven gecheckt. Op de WC’s, in de badkamer. Nog een keer alle paperassen nakijken. En toch ook nog maar een keer de blocnote waar hij zijn oefenopstel in schreef. En verrek, daar gloort iets rozigs achterin. Jawel! BAM! Daar is het, dat verdraaide roze briefje. De vorige vijf keer blijkbaar niet gezien. Pfffffffffffffff… Gelukkig heb ik het bericht in het schrift met potlood geschreven en dus gum ik de boel minitieus weer uit. Daarna fluister ik m’n halfslapende zoon in zijn oor dat ik het gevonden heb. Zijn ogen gaan abrupt wijd open en hij slaakt een luide zucht van verlichting, om vervolgens echt in slaap te donderen.

Ik plof neer op de bank en vervloek grondig alle roze briefjes met sociale opdrachten.
Stomme dingen.

Walrusslacht

Nee nee, geen documentair verslag over jonge walrusjes die neergeknuppeld worden om wol van hun snorharen te spinnen. Nee, echt niet.  Leest u maar.

Vandaag, twee weken na mijn knieoperatie, toog ik vol goede moed en frisse zin naar het zwembad om eindelijk weer met mijn zwemtraining te beginnen. Het zwembad waar ik voorheen zwom, heeft op dinsdag absurde openingstijden dus ging ik dit keer naar een ander binnenbad (Linz heeft er een stuk of 4), iets dichterbij. Om kwart voor tien – de geruchten wilden dat men om die tijd al naar binnen zou mogen – stond ik in de hal bij de kassa. Met nog twintig  andere, mij sceptisch bekijkende (want te jong), bejaarden. En het werden er steeds meer… En nóg meer…  Stipt om tien uur ging de kassa open (niks kwart voor tien, duh) en stormde de meute waterhongerige oudjes  met hun abonnementskaartjes hoog in de lucht geheven naar binnen. Ik kocht braaf een normaal entreebewijs. De kassamiep casseerde vier euro terwijl ‘kort zwemmen’ (max. twee uur) maar €3,10 is, maar helaas, daar kwam ik achteraf pas achter. Namelijk toen ik de folder meenam om te kijken waar ik in vredesnaam wél fatsoenlijk zou kunnen zwemmen.

Afijn. Snel omkleden, douchen, zwembrilletje op en hoppa, baantjes trekken.
Dacht ik.
Echnie…

Stelt u zich een stinknormaal 25m-bad voor, 12,5m breed. Daarvan waren twee brede banen (zo’n 4m in totaal) afgesneden voor schoolklasjes. In de overige luttele achtmeternogwat peddelden zo’n zestig half-comateuze walrussen. Ik was totally in shock. Brilletje weer af. Kijken. Nee. Het werd er niet beter op.

Werkelijk waar, hele kuddes dames van 150 kilo en meer, stuk voor stuk met zo’n zwemhulpding op de rug gesjord en luidkeels ginnegappend over Maria die nu ineens met Hans in plaats van met Gerhard in kamer 138 had liggen te vozen en over eveneens heftig in het bad rondzwemmende lange haren die daar enkel en alleen waren omdat de jeugd van tegenwoordig allemaal zonder badmuts en zo asociaal onder water zwemt.  In ieder geval kwamen die haren tenminste nog stukje bij beetje vooruit in het water… Ik voelde me trouwens niet aangesproken want a) zwom ik helemaal niet (geen doorkomen aan) en b) heb ik mijn haar altijd samengebonden in een knot en daar nog een zwembrilletje overheen, daar komt geen haar meer vrij. A head like Alcatraz. En al zou er eentje uitbreken, viel die nog niet op tussen al die chronisch uitvallende grijze pluisharen die woest door de hal wapperden. (oh en c) ik kan mij helaas niet echt meer onder het begrip ‘jeugd’ scharen :-S). De meeste vrouwen zwommen overigens in volle entourage: met haarknipjes, brillen (incl. brillenkoordjes), make-up en oorbellen. Het hoofd komt toch niet onder water. Stel je voor zeg, de gedachte alleen al…

De mannen waren zo mogelijk nog erger. Ongedoucht wierpen ze hun stinkende oksels in de strijd. Oh zwom jij daar? Nou, nu dus niet meer.  BAFFF. Sowieso uitkijken voor rond wapperende velvleugels. Uitslaande benen. Lange teennagels die striemen op je schenen krabden. Kunstgebitten die als slagtanden in standje ‘aanvallen’ stonden. Diepbrommende snor- en baardharen (zoals het een goede walrus betaamt). Vuile blikken: ‘wat mot jij hier in mijn stukje zwembad.’

Ik heb zegge en schrijve zes baantjes ‘gezwommen’. Zigzaggend, armen, benen en boze blikken ontwijkend (omdat ik borstcrawl zwem: ik mag met mijn knieën niet schoolzwemmen, sorry). Mijn slag is werkelijk heel rustig, ik neem beduidend minder plek in beslag dan die ronddobberende galjoenen en ik ben ook nog eens veel flexibeler. Maar het was me duidelijk, ik hoorde daar niet thuis. Uiteindelijk heb ik het opgegeven en enkel nog een dik half uur lang oefeningen aan de rand gedaan. Benen-buik-armen. Ook dat kan ik. Maar zelfs aan de kant lag ik blijkbaar in de weg en kreeg spontaan heimwee naar mijn romaatje in het andere zwembad. Daar was het bij tijden weliswaar ook oorlog en ging het er eveneens hard aan toe maar toch was het volk duidelijk toleranter en minder anti-‘echtzwemmen’ dan hier.

Wel, lieve overjarige walrussen,
ik ben er alweer van tussen.
Heb nog veel plezier in uw pissoir.
U hebt het nu al voor elkaar:
Mij zult u in uw pierenbad niet meer zien.
Menschnochmal, elllllende voor tien…

Bucket List

Bij blogster Sandra de Koning – vd Pol stootte ik een tijd geleden al op haar opmerkelijke en vooral interessante Bucket List. Zo’n lijst met dingen die je ooit nog in je leven wilt doen voordat je de aardkloot eens van de binnenkant gaat bekijken (oftewel: ‘hit the bucket’ in het Engels). Geïnspireerd door Sandra voelde ik nu ook de behoefte om zelf eens zo’n lijst te maken. Waarom? Omdat je dan wat beter na gaat denken over wat je nog wilt in en van het leven. De grote dingen, maar ook de kleinere to-do’s. Er is zelfs een film namens ‘The Bucket List’ die hierover gaat, misschien moet ik die eerst maar eens kijken. Ter inspiratie. Een levenswensenlijst. Een dingen-die-ik-echt-nog-gedaan-moet-hebben-voordat-ik-de-pijp-uit-ga-lijst dus. Oh en ik weet het hoor, het klinkt als een actie voor een rasechte midlife crisislijder, maar geef toe:  het is wél leuk om na te denken over je eigen grote (en minder grote) wensen en things to do.

Er zijn een hele hoop dingen die ik al gedaan heb: kinderen krijgen (wel twee), in het buitenland werken (vele malen, zelfs een keer meer dan een jaar lang in Zwitserland), naar Israël reizen (gedaan voor mijn scriptieonderzoek), naar Australië (op mijn 16e, naar de World Jamboree), Tina Turner met Kim Wilde in één kapsel verenigen, trouwen (pas één keer gedaan maar dat loopt tot nu toe dan ook nog steeds redelijk tot goed), studeren (ook maar liefst twee keer), mijn klasgenoten van de lagere school weer zien (afgelopen zomer, na 30 jaar, hadden we daadwerkelijk een reünie!), zweefvliegen (vorig jaar april, wat een ervaring – valt hier te lezen: “I believe I can fly“), emigreren (been there, done that: weliswaar binnen Europa, maar toch), mijn duikbrevet halen (heb ik in 2000 gedaan, sindsdien nooit meer gedoken 😦 ) en nog een hoop dingen die me nu even zo snel niet te binnen schieten.

En er zijn dingen die ik weliswaar heel graag wil doen maar die echt nooit (meer) iets zullen worden, zoals een keer naar de maan vliegen (in het echie dan hè, niet figuurlijk, maar ik kan me niet voorstellen dat dat in mijn leven nog iets gaat worden), een marathon rennen (of dan tenminste een halve. Dat wil ik al heeeeeel lang, ik heb tijden lang hard gelopen, tot 10km, maar elke keer brak het me op en gingen mijn knieën verder achteruit. Nu is dat met mijn volledig kapotte knieën daadwerkelijk een utopie geworden: ik mag niet meer hardlopen van de dokter) en ik zou ook zo graag de puinzooi in Fukushima opruimen en repareren voordat we er allemaal aan creperen, maar ook dat ligt niet in mijn vermogen helaas. Daarom doe ik maar alsof de wereld nog even doordraait én ook minstens nog een paar jaar bewoonbaar blijft en denk na over de dingen die ik nog eens zou willen doen. Ik spreek met opzet niet over wat ik zou willen hebben (een Galaxy Tab 3, een Wii, een Porsche 911 cabrio… ), dat is materialistisch en volledig zinloos want als je het eenmaal hebt, wil je toch weer wat anders. Als je dingen uiteindelijk daadwerkelijk gedaan hebt, kan het hooguit zijn dat je het nóg een keer wilt doen, en dat is dan een terechte wens in mijn ogen. Ik heb er trouwens vanzelfsprekend een hoop ‘klassiekers’ en clichés bij zitten, dat krijg je nu eenmaal als je na gaat denken over dit soort dingen.

Bij deze.
In random order.

1. mijn kinderen als gelukkige c.q. met hun leven tevredene volwassenen ervaren (duurt nog een tijdje voordat ik deze af kan strepen, ik weet ‘t, maar het is een belangrijke).
2. naar Nieuw-Zeeland reizen (daar zijn mijn paps en mams namelijk op dit moment en nu wil ik, verwend nest, daar ook een keer heen)
3. letterlijk op de kast zitten (en dan op zo’n grote ouwe, houten linnenkast. Eerste vereiste daarvoor is wel bucket list item nr. 4…)
4. nog één keer een volledig normaal postuur hebben (niet reteslank, gewoon een ‘gezond BMI’. Wordt aan gewerkt, voor de tigste keer. En ja ik weet ‘t, ik ben goed zoals ik ben, maar ik wil het tóch)  en dan ook houden natuurlijk… (maar ik streep ‘m af als ik ‘normaal’ ben. Nog 20 kilo to go…)
5. koffieleuten met FB-vriendin I.
6. parachute springen (ehm, een tandemsprong dan hè, ik wil daarna nog verdere punten van mijn bucket list weg kunnen strepen en met mijn knieën krijg ik zelfstandig vast geen normale landing voor elkaar :-/ ).
7. op bezoek bij FB- en blog-vriendin N.
8. kamperen met de kinderen (we hebben al jaren álles in huis om te kamperen, alleen doen we het niet…)
9. met dames-midlife-crisis-vakantie in een luxe resort met vriendinnen H. en H.
10. een keer in elk werelddeel geweest zijn (Europa, Australië, Azië (Israel/Bombay/SingaporeTokyo), Noord-Amerika (USA) en Afrika (Egypte) kan ik afhaken. Zuid-Amerika en Antarctica to go…)
11. een stedentrip Moskou (liefst met vriendin C.)
12. sushi eten met vriendin K. (my treat hè 🙂 )
13. mijn 9120-stukjes puzzel – de toren van Babel van Breughel – leggen (en ook afmaken)
14. nog een keer naar een P!NK-concert (een ‘moetje’; ik móet haar nog een keer zien, mijn absolute idoolvrouw)
15. een buitenmuur vol (mooie!!) graffiti sprayen (eerst een cursus doen dan)
16. een bestaand record breken (lokaal, nationaal, wereldwijd, whatever)
17. een eigen schilderij voor meer dan €200 verkopen (tot nu toe heb ik ze enkel succesvol weg kunnen geven)
18. een boek schrijven (oww mén, hoe cliché… maar ik denk dat dat er nog wel een keer van gaat komen). Oh, én uitgeven. Dat ook.
19. mijn onzekerheid voor de volle 100% killen (kan ik dat…, durf ik dat…, en dan…)
20. nog een keer met Christie naar een Bon Jovi-concert
21. een kleine tattoo laten zetten (sorry, sorry mams… ik weet dat jij dat hé-le-maal niks en echt vreselijk vindt, maar ik wil het echt heel graag en ik ben nu eenmaal een volwassen deerne en en en… en je zult er niet veel van zien, beloofd) (durf ik dit te zeggen…) (oei…)
22. professionele zangles nemen (uhm, beter gezegd: krijgen – ik sta op de wachtlijst…) en dan ooit een keer voor publiek zingen (soooooo scary)
23. goed kunnen drummen (tot nu toe is dat bij Kinderkram  en op liedjes meerammen gebleven)
24. … en mijn gitaar weer enigszins acceptabel kunnen bespelen (oefenen, oefenen, oefenen)
25. een helikoptervlucht maken (lijkt me waaaaanzinnig)
26. een keer diepzeeduiken (het diepste tot nu toe was 25m, ik wil minstens naar de 50m)
27. mijn ouders spontaan verrassen
28. Spaans leren (ooit een paar jaar Spaans op de HEAO gehad, maar daar is verrekte weinig van blijven hangen)
29. naar Stonehenge en daar rond dansen in mijn zelf op de grond getekende triquetra
30. mijn huis uitmesten (en wel: de keukenkruidenla, de apothekerskast in de keuken, de medicijnkast in de badkamer, de berging, de zolder, mijn klerenkast en de kelderkasten – kan ik dan per item afstrepen)
31. het speelgoed van de kinderen (grotendeels) verkopen (maar dat mag nu dus nog niet.  Eeeeeven wachten nog…)
32. succesvol ‘vergeten groenten’ telen in de tuin (Ik heb al pogingen gedaan, maar die zijn nog niet echt wat geworden)
33. de fotoalbums van de jaren 2010 t/m 2013 samenstellen en af laten drukken
34. alle niet digitale foto-, kaarten- en herinneringsspul (hele ikea-bak vol) ordenen en inplakken
35. tachtig baantjes van 25m in één uur kunnen zwemmen (borstcrawl). Nou ja, ik ben met zestig ook tevreden (ik heb de 50 al gehaald) maar ‘twee kilometer’ klinkt zo mooi…
36. een relevante ontdekking doen (voor wie dat dan relevant is, dat beoordeel ik t.z.t. zelf)
37. een eigen (liefst internetgebaseerd) business idee uitwerken en realiseren (ik geef ’t toe, ik ben mijn huidige business behoorlijk zat, geen uitdaging meer)
38. zonder angst mijn (eh… ‘een’) smartphone rooten
39. een volledig eigen schilderstijl ontwikkelen (tot nu toe schilder ik vanalles en nogwat, van portretten tot nageschilderde dingen, van muurschilderingen tot zentangles, maar er zit absoluut geen lijn in)
40. bij een (pop)koor zingen
41. een armband van zelf gedraaide glaskralen maken (al eens een cursus gedaan, zulk prachtig werk…)
42. in een discussie/onenigheid met mijn man ooit eens een keer gelijk hebben (dat moet toch een keer lukken??)
43. met de kinderen naar Eurodisney Parijs (en dan ook een paar dagen in Parijs blijven) (man mag ook mee trouwens)
44. met mijn zus een superdooper luxe wellness-weekendje doen
45. nog een keer succesvol triops kweken (een hobby die weliswaar in meerdere aquaria ontaard is, maar de triops zijn er bij ten onder gegaan)
46. het aantal interne persoonlijkheden reduceren tot drie (well, who am I gonna kill…)
47. mijn bootring-hartenketting repareren en voorzien van het hartje dat ik van zoon gekregen heb
48. met mijn Dremel-dinges een paasei-kunstwerk maken
49. de komeet Ison in december dit jaar voorbij zien vliegen (moet heel spectaculair gaan zijn, zo fel als de volle maan).
50. de nu nog zwarte salontafels bordeauxrood spuiten
51. een nieuwe bank in de woonkamer kopen
52. van mijn in Italie verzamelde mini-schelpjes een mooie ketting of armband maken
53. mijn bucket list updaten en met meer realistische dingen aanvullen (makes it a neverending story 😛 )

Ik vind ’t voor nu wel genoeg. Nee nee, een cursus kunstgeschiedenis zit er niet bij. Ik vond Spaans wel voldoende voor deze middenlevenscrisis. En dan heb ik natuurlijk nog enkele dingen die ik niet in het openbaar neer kan en wil zetten hè, maar die -eh- ‘donkerzwarte’ levenswensen blijven toch echt bij mij en bij mij alleen 😛 (Nee, echt, sorry, smeken helpt ook niet). De lijst is dus ook niet eindig (zie punt 53); er komen vast nog een hoop nieuwe list items bij en ooit zal ik er misschien wel een paar weg kunnen strepen. Maar het is me nu in ieder geval duidelijk geworden dat ik nog heeeeeel lang moet leven, zo lang dat ik nu nog geen midlife crisis kán hebben omdat ik nog niet op ’t midden kan zijn als ik ook echt alles wil doen wat ik blijkbaar nog wil doen.

Hatsjikideeeee!

s(h)itting life

ik blog te weinig, ik weet het. Maar dat heeft een oorzaak: momenteel wind ik mij nergens over op en is mijn wereld verrekte klein. Dat eerste komt door de medicatie, vermoed ik. Van veel pijnstillers krijg je een betonnen plaat voor je kop. En van te weinig koffie word je een sufkop, dat ook. Goh, een taifoen… wat rot… 0,1% economische groei (ook wel stagnatie genoemd), wat prachtig… over een weekje gaat de wereld ten onder aan nucleaire straling… tja, ’t is niet anders hè, daarna zien we wel weer verder… Of niet. Oh en dat tweede komt door het feit dat ik al meer dan een week huisarrest heb. Ik mag niks. Liggen, zitten, liggen, naar de wc krukken. En weer terug.

Mijn hoofd is een vlakte. Een droge steppe. Ik heb m’n werk inmiddels actief en succesvol weten te verdringen. Geen zin in. Komt volgende week wel weer. Of ook niet. Ik doe een dutje als de kinderen de deur uit zijn, het liefst met één of twee slapende katten tegen me aan. Ik teken een zentangle of een zendoodle, schrijf wat en delete ’t dan weer (too boring, net als dit hier). Na de middag vragen de kinderen een hoop aandacht (school kills, had ik dat al gezegd?). Zoon vertelt en passant dat men zijn pennenetui met dagelijkse regelmaat door de klas heen keilt, maar ach, ze rapen het over het algemeen ook wel weer op. Goh, fijn. En hij heeft eindelijk een ‘echt’ vriendje gevonden. Dat is niet ‘goh, fijn’, dat is geweldig. Het is nog een aardig jong ook. zentanglecollage

Ik kijk naar de kat, die op dit moment onze koeienvlekkendeken probeert te slachten. En naar de zooi in de keuken. Als huisman is mijn man duidelijk net zo geschikt als een genarcotiseerde mol. Hij ziet niks, werkt de pruttel wat opzij, stopt bij tijden een noedel of een stuk oud brood in zijn mond, duwt af en toe wat in-de-weg-liggends aan de oppervlakte (zodat ik het weg kan ruimen) en graaft zich dan weer met verbazingwekkende snelheid in de onzichtbaarheid (namens ‘zijn werk’). Ik doe dus – ondanks de situatie – toch zo goed als alles, op mijn rollator – hatsjikideeee – en weet inmiddels ook welke kant-en-klare c.q. diepvriesmaaltijden geapprecieerd worden en welke niet. Het maakt mij geen bal uit: ik eet ze toch niet.

Ik teken wat meer, kijk naar Koffietijd (shocking) en de samenvatting van DWDD (saai gelul). Ik zie Miracle Blades, Magic Bullets, FabAbTrainers, wonderkorsetten en geweldige aztekische afvalpillen met de onuitspreekbare naam Alcachofa de Laon (Artisjokken in poedervorm voor maar vijftig euries per week!) bij Tommy Teleshopping en Tellsell (sorry, Netflix werkt niet in Oostenrijk). Dr. Google geneest mij snel weer van onverhoopt ontstane koopneigingen en ik dank de mensen die de moeite hebben genomen om de realiteit omtrent deze verzameling schroot en pseudo-hoopgevers in een recensie weer te geven. Thank you, thank you, thank you. Apropos, recensies. Ik schrijf nog wat meer. Recensies (hiero!) over seksboeken (zogenaamde ‘erotisch-pornografische romans’). Leuke bezigheid, moet ik toegeven, al behoor ik duidelijk tot het minder geschikte publiek voor dit literaire genre (over immuniteit gesproken…).

Het meest opwindende in mijn leven is momenteel de tijd die ik nodig heb om van de bank naar het toilet te komen. Die wordt namelijk steeds korter, naarmate ik mijn rollator met meer behendigheid en snelheid om de bocht kan manoeuvreren en met mijn krukken grotere sprongen kan maken (als ik zo doorga, mag mijn linkerknie straks ook geopereerd worden). Mijn rug gilt het elke avond uit van de excruciërende pijn. Ah… the blessings of a s(h)itting life. Ik verheug me inmiddels al op een heerlijk simpel rondje boodschappen doen. Vanmiddag onderneem ik ein-de-lijk weer eens een poging tot autorijden. Ik mis ‘m, mijn Oud-i… De kinderen moeten naar de gym resp. naar judo en er is niemand anders die dat kan doen, momenteel. Ja ja, dit wordt een topmiddag!!

kniegeknoei

Donderdag tien voor zes. Klaarwakker. Ik sta op, joggingbroek, shirt en vest aan. Kinderen wakker gemaakt, ontbijten. Ik enkel een glas water en een kop groene thee, nuchterheid is voorschrift. Om kwart voor zeven duw ik de kinderen de deur uit richting buuf die op de verdere gang naar school toeziet en stappen man en ik in de auto, op naar Linz.  Half acht, aanmelding op de orthopedische poli, samen met minstens twintig andere ongelukkigen. Ene kamertje in, paar dingen ondertekenen (de man vraagt naar mijn dubbele achternaam en of ik de volgorde zelf mocht kiezen. Zou hij ook binnenkort gaan trouwen of zo?) en weer naar buiten. Wachten, wachten.  Andere kamertje in. Daar leer ik mijn operateur kennen. Operatietijd: niet voor enen. Oef. Later dan ik gehoopt had, de honger loopt al aardig te keten. Op naar de afdeling met mijn hele hebben en houwen voor eigenlijke opname. Weer wachten. Een humoristische dame namens Greti begint alvast bij alle wachtenden hun eet- en drinkwensen in de computer in te voeren. Ineens hoor ik de verpleegsters en een OK-assistent over mij praten. “Dan maar naar kamer drie verhuizen, daar is nu een bed vrij. Ja nu.” Greti krijgt instructies om eerst mijn eetgegevens op te nemen omdat ik blijkbaar nu al geopereerd wordt. Joepie! Greti is heel snel klaar met mij en kan niet vatten dat ik echt helemaal niks wil. Nee, geen avondeten. Nee, geen Kuchen. Nee ook geen ontbijt. “Ook geen soep?? U moet toch iets eten?” Ik vertel haar dat ik een speciaal dieetprogramma doe en mijn eigen eten bij me heb. Ter geruststelling bestel ik voor na de operatie toch maar een Grießnockerlsuppe, dat is een heldere runderbouillon met een soort knödel van griesmeel en ei erin. Best lekker. “U bent wel een vreselijk goedkope patiënt zo hoor!!” Ja. Fijn hè.

In kamer drie moet ik mij volledig uitkleden, zo’n achtervastknoopoperatiejurkje aantrekken en wordt mijn linkerbeen van teen tot heup ingezwachteld. “Ter voorkoming van eventuele fouten [duhhh…] en tegen eventuele trombosevorming,” zegt ze. Eveneens in kamer drie ligt een oudere dame die, als ik eenmaal alleen in het bed lig te wachten, haar kans schoon ziet om even te kletsen over wat er allemaal misgelopen is bij haar. Een nieuwe knie, ging helaas niet zo lekker en bij het röntgen hebben ze haar vervolgens zo in positie gedraaid dat haar patellapees abrupt afgescheurd is. En nu ligt ze daar al drie weken te koekeloeren, mag het bed niet uit en men probeert alle fouten krampachtig te herstellen. Ik begin te snappen waarom zij inmiddels alleen op een kamer ligt: men wil misschien liever niet dat ze elke patiënt inlicht over medische missers…

Mahmud de beddentaxi komt breed lachend binnen stommelen, roept ‘aahh ben je alweer op de verteltoer Maria??’ en vraagt vervolgens ook al naar de afkorting van mijn naam (L…..-Ba. Meer staat er niet op het etiket op mijn bed want dat was blijkbaar te lang. LouLaBa was nog helemaal niet zo’n slechte afkorting eigenlijk), over haren op patiëntenknieën (heb ik niet!! Braaf geschoren!), over de te slome lift en nog veel meer. In het voorportaal van de OK komt de narcosearts me halen en merkt op dat hij mij kent. Huh?? Ik ben hier nog nooit geweest hoor. Nee, nee, maar hij woont in mijn dorp en zijn kinderen zaten bij mij op de voetbal. Ahaaaaaaa… ik herken hem nog steeds niet maar ik krijg van hem een spuit en een mooie roze handkatheter. Langzaam druppelen de knock-outdruppels in mij. Ik weet mijn geboortedatum nog te melden en dat ze vooral mijn rechterknie moeten nemen, ik mompel mijn adres nog half en rond tienen ben ik dan echt weg. Om half één schijn ik huilend van de pijn wakker geworden te zijn op de uitslaapkamer. Gelijk een infuus met pijnstillers erin en tsjakkaaaa foetsie ben ik weer. Om iets na tweeën  kom ik bij, om half drie ben ik op de kamer. Een andere kamer want naast mij ligt nu ineens Beatrix. Bea heeft een mobilisatie van haar kunstknie voor zich, het ding wil niet ver genoeg buigen. Dat gebeurt ook onder narcose want anders is het een vreselijk pijnlijke aangelegenheid. Ze is ook al sinds de avond ervoor nuchter en sterft van de honger en de dorst, maar ze mag niks want ze weet niet wanneer ze aan de beurt komt.

Ik moet plassen maar mag het bed niet uit vanwege de drainageslangen die nog in mij zitten. Minstens tot de ochtend in bed blijven. Uiteindelijk hou ik het niet meer uit en roep de verpleegster, hoe dat dan nu moet. Ze komt met een plastic ondersteek (hoe heet dat, een bedpan?). Die wurmt ze onder mijn kont (ik moet mij optrekken aan die bungelende steun boven het bed. Pijnnn!!) en zegt “Zo. En nu plassen.” Euh… tja… euh… liggend??? Ik kan niet liggend plassen. Ik hijs mezelf overeind en probeer wel vijf minuten lang er een druppel uit te persen. Bea kijkt discreet de andere kant op. Wat een ellende. Maar uiteindelijk komt het.

Om vijf uur ligt Trix nog naast me, met hoorbaar rommelende maag. Ik krijg mijn kop bouillon met griesknödel en kan het bijna niet eten omdat ik het zo sneu vind voor haar. Maar ik heb zo’n ongelooflijke zin in iets warms dat ik de bouillon inclusief knödel in no time naar binnen gewerkt heb. Wat een heerlijkheid. Een blok van mijn eigen astronautenvoer erachter aan en ik ben weer bijgetankt. Wat zal ik nu eens gaan doen, zo zonder foon… Beatrix slaapt. Goed idee.

Om 17:45 wordt Bea eindelijk opgehaald en kort na zevenen is ze alweer terug, nog volledig onder zeil maar het OK-personeel wilde naar huis ziekenhuiszentangledus moet ze maar op de kamer uitslapen. Ik teken wat aan mijn ziekenhuiszentangle en luister naar de radio. Roxette in bed. On the drip, slangetjes die voor mijn neus bungelen. Opnieuw de plasellende (de bouillon is doorgelopen). De nacht was oké (met slaaptablet) en het eerste wat ik ’s ochtends om kwart voor zes in het halfdonker voor me zie, is Christus aan ’t kruis. Die hangt direct voor mijn neus, net als bij alle anderen hier bij de Barmhartige Gezusters. Aangrenzend aan dit ziekenhuis is het hospitaal der Barmhartige Broeders. Dat was vroeger dus the place to go voor de mannen, nu is alles gefuseerd tot één groot gemengd ziekenhuis. Christus kan ’t vast ook aan mij zien: ik moet alweer vreselijk erg plassen. Zo nodig… Maar de drains zitten er nog in  dus ik mag nog steeds niet uit bed. Wéér op de ‘Schüssel’ (zo noemen ze dat ding hier, officieel is het een ‘Steckbecken’). Wat een verschrikking. Mijn buik is sinds 4 am een soloconcert aan het opvoeren. Zo luidruchtig dat ik er zelf meerdere keren wakker van word. Alle tonen, brom- en klopgeluiden en ik hoop maar dat buuf Bea het niet hoort. 6AM: bammm, het licht gaat aan. Ik krijg een glas water en twee tabletten: een maagbeschermer en een Voltaren. Wat een geweldig ontbijt. Licht uit.

Ik merk dat het beschermingsmatje waar ik – nog steeds onderbroekloos vanwege de slangen – op lig, inmiddels redelijk nat geworden is. Blijkbaar laten mijn bedpanplaskunsten nog duidelijk te wensen over. Yuck. Ik eet de maagbeschermer en mijn dieetvoederblok met een groot glas water erbij en hoop dat dat mijn buik een beetje milder stemt. Daarna wil ik de Voltaren slikken maar die floept uit het bakje en klettert met oorverdovend getik op de grond. Scheiße… Licht weer aan (sorry buuf) en ik buig me over alle kanten van het bed. Jah! Daar ligt-ie. Denk ik.  Met enige rek- en strekoefeningen (pijn) krijg ik ‘m te pakken en slik alsnog het kleine roze tabletje, in de hoop dat het echt de Voltaren is en niet iets anders wat toevallig nog daar op de grond lag. Beatrix mag met een loopkarretje naar de WC en ik ben jaloers. Ik wil ook.

Redelijk vroeg komt ons de afdelingsarts met zijn aanhang visiteren. Hij heeft meer belangstelling voor mijn tekengedoe dan voor mijn knie en vraagt of ik denk dat ik naar huis kan. Jaaaa!! Dat kan ik hoor!! Mogen dan nu die slangen eruit??? Dat mag. De zuster komt en met een paar korte maar uiterst pijnlijke, misselijkmakende rukjes ben ik eindelijk bevrijd.  Verbinden, handkatheter eruit en whoppaaaa naar de WC. Wat een opluchting…  Ik was me, kleed me aan, prop alles in de tas en om half tien ben ik bereid voor transport. Helaas kan mijn man me pas na tweeën ophalen dus regelt de zuster een ziekentransport voor me (“wordt vergoed hoor!”, zegt ze, en ik geloof haar). Die liet ook nog op zich wachten, maar rond twaalven ben ik dan toch eindelijk thuis. Home sweet home!!!

En nu, nu heb ik een heerlijk bedje in de woonkamer, een rollator, krukken en mij op mijn wenken bedienende kinderen. Ik had ’t slechter kunnen treffen. Maar het blijft een geknoei met die knie van mij…

.

Ik was nog niet klaar eigenlijk. 
Ik wou bij deze nog wel even de zusters, dokters en personeel van het ziekenhuis der Barmherzigen Schwestern in Linz bedanken voor hun goede zorg, snelheid, adequaatheid en vakkundigheid. Tot nu toe het beste ziekenhuis waar ik ooit gelegen heb. Niet dat jullie dit ooit lezen (en al helemaal niet in het Nederlands), maar ik wil het wel even gezegd hebben.

Hartkloppingen

noteEven checken. Waar is ie. Ik woel in mijn tas. Een typische vrouwenhandtas, groot, model zwart gat. Ik graaf. Borstel, stoffen zakje met EHBO-prut en make-up-spul, grote portemonnee, iets kleinere portemonnee, brillenetui nummer één (voor brillen), brillenetui nummer twee (voor de reservebatterijen van mijn mobiel), kauwgumpjes, paspoort, noodsetje (deo, muggenspul – hé dat kan eruit – en mondspray), zakdoekjes, alles moet SOFORT moven. Uit mijn weg. Waar is ie nou…

Mijn hart gaat sneller kloppen. Ik sta met mijn karretje midden in het gangpad van de Aldi en kan geen stap meer verzetten. Waar… Ik hyperventileer licht. Hij is er niet… Nergens te vinden… zal wel uit mijn zak gegleden zijn in de auto. Dat moet haast wel. Ik hou het niet meer uit, laat het muntloze karretje met drie produkten erin in het gangpad staan en draaf naar buiten. In de auto zit het hart in mijn keel: ik zie ‘m niet… Niet op de stoel, niet in de spleet ertussen, niet op de grond. Ik ga zitten en sluit mijn ogen en mompel hardop. “Kutfokkkkut, ik zal ‘m toch niet in het ziekenhuis verloren hebben… in het trappenhuis had ik hem nog, dat weet ik zeker. En die man bij de betaalautomaat in de parkeergarage, die stond wel verrekte dichtbij om me te helpen toen dat stomme apparaat mijn briefje van vijf niet wilde accepteren… oh nee… het zal toch niet, hè…” Mijn hart gaat te keer als dat van een hitsige kolibrie. Ik stop de sleutel in ’t contact, dan maar terug rijden naar het ziekenhuis. Op hoop van zegen dat ze ‘m toch ergens gevonden hebben… Als ik de gordel vast wil maken, zie ik een oranje streep achter dat klikding. ORANJE BOVEN!!! Mijn flipcover is namelijk oranje. Mijn gelukspoppetje bungelt gelaten ernaast.

De opluchting is bijna tastbaar. Ik aai ‘m (nou ja, quasi) en steek hem dan in mijn binnenzak. Rits dicht. Van mij. Mijn hersenen en mijn leidraad, mijn agenda en mijn personal organizer, mijn maatje en entertainmentapparaat. Dan merk je pas hoe verknocht je aan zo’n stom stuk techniek bent. Ziek…

Zwemleed

Maaiende armen, uitslaande benen, boze blikken, blauwe schenen. Sinds een paar weken ga ik op maandagochtend zwemmen. Het is op dit moment zo ongeveer de enige sport die ik nog kan beoefenen met die verrotte knieën van mij en het is gewoon goed voor me. Het enige nadeel is dat ik a) op maandagochtend nu dus standaard in de file sta want het ‘vroegzwemmen’ is van 7 tot 9 am en om die tijd willen mensen normaal gesproken naar hun werk. En het b)-nadeel is dat ik tussen de bejaarden door moet harken.

Dat laatste kan ik inmiddels – beweer ik met gepaste trots – behoorlijk goed. Ik heb mezelf een redelijk ‘rustige’ en minimaal spetterende crawl-stijl aangeleerd en ik maak hier en daar een praatje met de ouwetjes om ze goedgezind te stemmen. Zo zwemt er een oud rimpelig mensje in knalrood badpak – ze ziet eruit als een doelloos ronddrijvend roma-tomaatje met armen – standaard op haar rug. Op zich geen probleem, ware het niet dat ze haar armen niet in zwemrichting beweegt maar in een hoek van 90° op haar bolle lichaampje op en neer peddelt en daarbij ook nog eens als een Aïda-lookalike het halve bad door kruist. In eerste instantie ergerde ik me daar ook mateloos aan, maar ze is een lief mensje, ze kan niet anders en ik duik er wel onder door als het nodig is. Vindt ze prima. Een minstens vijfentachtigjarige kale knakker zwaait altijd gelijk als ik binnen kom: ik mag wel in zijn baan zwemmen. Lief, maar ik blijf lekker bij mijn rooie cruiseschipje. Die zwemt zo langzaam dat ik daar volledig berekenend omheen en onderdoor kan. Bij die knakker vermoed ik daarentegen andere motieven.

zwembadwaterZigzaggend trek ik zo mijn baantjes. Het gaat ook duidelijk vooruit met mij: in het begin zwom ik vijftien baantjes in het vijfentwintigmeterbad en vond ik het wel ju. Vandaag heb ik er al zesendertig gezwommen. En volgende week zwem ik er veertig. Da’s dan wel mooi een kilometer! Plus de nodige beentraining aan de rand van het bad. Ik zwem. Zij zwemmen. Wij zwemmen. Gestaag en redelijk harmonieus maaien we gezamenlijk het bad door.

Tot er ineens een overmatig gespierde, hevig behaarde man – ik schat ‘m een jaar of vijfendertig – met nogal krap speedo-broekje (ja, ik let op dat soort dingen) en dito badmuts op de badrand staat en met vol geweld tussen ons bejaarden duikt. Hij zwemt zo agressief dat de ouwetjes verschrikt midden in het bad blijven hangen. Eén krijgt een mep tegen de elleboog, een ander verslikt zich in het opspattende water. Ik krijg terloops nog een wappertrap tegen mijn schenen. Hij maakt aan het eind van zijn baantje van die professionele duikeldraaibewegingen om zich dan hard tegen de rand af te zetten voor de retourreis. Dat kan op zich een heel gracieuze beweging zijn maar deze aap maait zo hard met zijn benen dat er bij elke draai een fontein van minstens tweehonderd liter badwater over de rand zwiept.

Rode oma vlucht naar de kant, kijkt mij wanhopig en hulpbehoevend aan. Eh… tja. Ik kan die man moeilijk zeggen dat hij hier niet mag zwemmen. Maar een beetje rekening houden met het andere, deels dobberende zwempubliek zou niet weg zijn… We praten even, over de “Rücksichtslosigkeit” van de jeugd van tegenwoordig, gheheheh (en ondertussen voel ik me stokoud). Ze moet duidelijk haar frustratie-ei even kwijt. Ik ginnegap dat het zwembad, als die kerel nog even zo doorzwemt, zo meteen sowieso leeg is. Ze kijkt enkel ietwat bedremmeld. Aangezien wij allemaal aan de kant hangen te koekeloeren, ziet meneer dat het zwembad nu redelijk mensenvrij is en begint abrupt met zijn vlinderslagtraining. Ik kijk naar Romaatje met een blik van: “Zie je wel! Al bijna leeg!” en zie nu tot mijn grote vreugde dat de badmeester op hoge poten naar de vlinderman loopt. Zo gauw die bij de rand aangekomen is, tikt hij hem niet al te zacht met zo’n zwemstang op zijn hoofd en zegt: “SO NICHT!!!” Vlinderslag mag namelijk alleen in de afgescheiden snelzwembanen, niet tussen ons sloomzwemmertjes door.
“Maar die banen zijn allemaal bezet!”
“Dan heeft u pech gehad; moet u maar wachten. Maar op deze manier zwemt u alle anderen hier overhoop”, waarna de badmeester met grote stappen en een norse blik weer weg beent.

Wij kijken allemaal vergenoegd en breedgrijnzend naar de nog nasputterende man, die zich vervolgens nergens iets van aantrekt en stoïcijns doorgaat met terreurzwemmen. Alleen niet meer in vlinderslag. Een mini-overwinning. Hopelijk gaat hij volgende week ergens anders fladderen.

doodgehoaxt

Als je iemand tien jaar geleden zou zeggen dat er at this very moment een persoon doodgehoaxt wordt, dan zou diegene waarschijnlijk de eerste de beste kliniek voor geestesgestoorden bellen om te vragen of ze nog een plekje voor je vrij hebben. Goed, Lou Reed blijkt dan vandaag echt overleden te zijn, wat op zich weer níet goed en zelfs een groot verlies voor de muzikale wereld is, maar de hoaxdood van Mel Gibson (“auto-ongeluk in Australië”) hakte er bij mij toch even in. En als ik live mee had gekregen dat Johnny Depp in 2010 ook al een keer voor hartstikke dood verklaard is geweest, had me dat ook niet koud gelaten. Hoe naïef kun je zijn… Wat kun je nog geloven vandaag de dag??

hoax2Het is niks nieuws, die doodshoaxes. Dat niet. In 1969 was er al een wereldberoemde death hoax: “Paul is dead”. Paul McCartney zou dood zijn – een verhaal dat door een paar Amerikaanse studenten in de wereld werd gezet – maar was dat dus niet. McCartney zou al in 1966 eveneens bij een auto-ongeluk om het leven zijn gekomen en heimelijk vervangen door een look-alike. Het verhaal werd groot. Heel groot. En probeer dan maar eens te bewijzen, dat jij echt niet dood bent en écht je levende zelf bent… Zelfs na de tweede wereldoorlog ontstonden er al hoaxes over de dood van bijvoorbeeld Frank Sinatra en Charlie Chaplin. So what’s new…

Wat er nieuw is, is de verspreidingssnelheid van dat nieuws. Toen duurde het nog een halve eeuwigheid voordat zulk nieuws bij het onderste volk aan kwam. Nu duurt dat een paar seconden. Social media to the max. Je schreeuwt iets in de ruimte en men deelt het. Zo ook de dood van celebs. Wat is er mooier dan een shocking nhoaxieuwtje en duizenden clicks, likes en shares… Even de aansteker van facebook en twitter eronder en whammoooooo, dood ben je.

Helaas Lou, voor jou was de hoax er slechts eentje dat je nog niet dood was.

Another Lou has left us.
It’s no longer such a Perfect Day…

geen titel

Ik kan effe geen titel meer bedenken. Ik ben leeg. Na twee volledig gestresste verjaardagdagen is de koek op. Deze hele week was al een crime, maar gisteren en vandaag spanden de kroon.

24-10-13. Zoonlief is jarig. 5:50h opstaan om om 6:30h aan het verjaardagsontbijt te zitten, want dat hoort zo: kadootjes en verse broodjes, een partykaarsje en een bloemetje naast het bord. Kort na zevenen de deur uit, schoolsores. Hij wil voor het naar buiten lopen nog wel even weten waarom hij op zijn verjaardag in vredesnaam naar school moet. Dat is toch onzinnig, op zo’n speciale dag??? Tja…

Half twaalf: na een hoop werk (zowel zaak als vrijwilligerswerk) scheur ik met een noodvaart naar de supermarkt want ik bedenk me dat ik daar vrijdag helemaal geen tijd meer voor heb én dat zaterdag hier een feestdag is (vergelijkbaar met bevrijdingsdag) dus alles dicht. De ene helft vind ik niet, de andere vergeet ik. Gaat lekker.

Half één: dochter komt thuis. Ik sta inmiddels wat klungelig voor te bereiden voor het verjaarspartijtje van dochter. Ik had bedacht dat we maar megakoekjes gaan versieren. Een bordvullend zandkoekje. Daar moet ik er dus ook nog even snel snel twaalf van fabriceren. En al mijn eetbare dekospul bij elkaar zoeken. Half twee: zoon ophalen. Als ik hem niet ophaal, heeft hij niet meer genoeg tijd om zijn huiswerk af te krijgen (met de bus duurt het drie kwartier langer). Samen leren voor de toets Engels van morgen (vrijdag dus). Elke keer opnieuw goed voor tranen. kwart voor vier: dochter in een sportbroek gehesen en naar de gym. Door naar de supermarkt om de vergeten cq. niet gevonden spullen nog in te slaan. Dochter opgehaald, kwart over vijf weer thuis. Zoon in sportbroek gestouwd en om kwart voor zes naar zijn allereerste judoles gebracht. Bleek dat de ouders moesten blijven. Al die tijd nog niks gegeten: geen tijd gehad. Ook niks gedronken, spreekt voor zich. Om kwart over zeven weer thuis. Ik flikker mijn tas in de hoek, smijt de friteuse aan (zoon wil frietjes en nuggets als verjaardagseten) en ik flans een koolsalade in elkaar. Om kwart voor acht eten we. Eindelijk. Lekker vet.

Bij het eten zie ik een klein flikkerend rondje, dit keer midden in mijn blikveld en weet ik al hoever het weer is… Ik neem drie paracetamollen tegelijk in. Ja drie, anders helpt ’t geen bal. Het rondje wordt groter en groter. Dan verdwijnt het en een minuut of tien later komt de hamer. BOEM. Gevloerd. Ik strompel het bed in. De hoofdpijn is nu – dankzij de para’s – een dof dreunen. Ik val met kleren aan in slaap, om kwart over tien word ik weer wakker. Naar beneden om nog het hoogstnodige te doen (tafel dekken voor vrijdag, vaatwasser aan zetten), douchen en dan echt slapen. Nog niks gedaan voor morgen… Maar ik kán simpelweg niet meer.

Vrijdag, 6:15h. Wakker met hoofdpijn. Gelijk weer twee paracetamollen erin. Een kop koffie en een cracker en dan moet het maar goed zijn. Man brengt zoon naar school. Om 7:15h is iedereen weg en wapper ik in mijn ochtendjas door het huis: opruimen, tafel leegruimen, stoelen van boven naar beneden en van de kelder omhoog slepen. Twaalf kinderen, da’s geen kattenpis…

Om half negen sta ik alweer in de school van zoon: ophalen voor een tweede gesprek met de kinderpsychologe. Half elf: zoon terug gebracht naar school. Tien over half elf: dochter en vriendinnetje ophalen van school, vriendinnetje naar huis brengen en dan als een haas naar huis om te beginnen met alles wat nog moet voor het verjaardagspartijtje van dochter (anderhalve maand later, maar dat is redelijk ‘snel’ voor mijn doen). Taart bakken (op bestelling van madam: Schwarzwälder-Erdbeerkuchen met veul chocolade) en maken. En natuurlijk decoreren. Tafel dekken voor twaalf. Voorbereiden. Matras naar beneden slepen voor de film. Drinken koud zetten, tafel versieren, etc.

Om twee uur zijn ze alle twaalf binnen. Taart met limo, kadootjes verstoppen en zoeken, de megakoekjes versieren, buiten verstoppertje spelen en voetballen, een film kijken met popcorn en chips (die overigens natuurlijk NIEMAND heeft afgekeken: toen de chips en de popcorn op waren, was het interesse weg en racete driekwart van de kids naar buiten. Ook prima; totally fine with me. Amuseer je maar lekker hoor.) Ik maak frieten en knakworstjes klaar, de meute eet weer eens wat (hoe past het er in vredesnaam nog in…). Er wordt nog halfenthousiast hier en daar gespeeld en om goed zes uur vertrekt de laatste (op één speciaal vriendinnetje, dat blijft slapen, na).

Puinruimen. Stofzuigen. Schoonmaken (vooral de WC, pfoehh eyy…). Bed maken voor vriendinnetje. Drie bakken fruit maken voor de kinderen, zodat ze toch nog íets gezonds eten vandaag. Verder opruimen. Dames in bed stoppen (Zoon gaat inmiddels zelf naar bed, yesss). En nu: Plof. Crash. Diepe zucht. Ik ben er helemaal klaar mee. Volledig. Morgen doe ik niks (nou ja, de hele dag huiswerk maken met zoon, maar verder…).

Oh en als u zich afvraagt waar man was in dit hele verhaal: die was mijn kapotte ruitenwisser repareren bij een vriend die dat soort dingen kan (koud lassen heet dat geloof ik).
En dat kon alleen op deze vrijdagmiddag.
Vanzelfsprekend…

gevalletje meteen

klungelknieNet terug van het ziekenhuis. Ik had weer een afspraak voor mijn klungelknietje en met de foto’s van de MR-scan onder de arm wandelde ik dus bij de orthopedie naar binnen. Meneer de dokter bestudeerde de beelden en keek toen onderzoekend naar mij. “… En u kunt nog gewoon lopen?!?” klonk het ietwat verbaasd. Ehh, nou, ja hoor. Ik loop prima op dit moment, ik heb toevallig een ‘goede fase’. Tuurlijk, de boel doet pijn maar dat doet het altijd en uiteindelijk wen je daar ook aan hè. Ik heb gisteren nog tweeëndertig baantjes getrokken in ’t zwembad. Da’s wel achthonderd meter, in een goed half uur. En ’s avonds nog de laatste voetbaltraining met de minikiddo’s doorstaan.

In ieder geval ben ik dus nog steeds redelijk mobiel en daarover verwonderde zich de goede man duidelijk. Hij mompelde in zijn dictafoonding: “Korbhenkelriss, Riss des inneren Kniebandes, Knochenschäden, Chondropathie dritten Grades, bladiebladiebla…. Operation erforderlich. Akuter Fall” Dát had ik dus begrepen. De vraag was: wat voor operatie? Tot mijn grote opluchting slechts een arthroscopie. Ikke blij! En maar twee weken uit de running (letterlijk). Men wil mijn knie nog zo lang mogelijk in mij voort laten bestaan. Een nobel streven. Als die pijn maar weg is, vind ik alles best.

De operatiedatum werd in overleg met de assistente meteen vastgelegd: volgende week donderdag. Zo gaat dat hier: je hebt niks in te brengen, je krijgt gewoon een afspraak, take it or leave it. Tja euhh, sorry maar dan kan ik helaas écht niet…. “OK, wanneer dan? Dit is namelijk wel “ein Fall für ‘Sofort'” [“een gevalletje ‘Meteen'”, vrij vertaald] dus wel zo snel mogelijk a.u.b.” Het lijkt wel of zijn knie door mij geopereerd moet worden i.p.v. andersom. De donderdag erop wordt democratisch vastgelegd. Jemig, wat snel… ik voel me niet als een spoedgeval maar 7 november snijden ze voor de zoveelste keer mijn rechterknie open. Ik hoop met heel mijn hart dat ie ’t daarna dan toch weer een tijdje pijnvrij doet.

Here we go again…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.

glibberzen

Vandaan heb ik iets gedaan wat ik veel te zelden doe. Ik heb mezelf verwend én uitgebreid laten verwennen. En het was heeeeeerlijk.

Nee. Niet op de manier waaraan u nu denkt. Nee, nee, echt niet. Of misschien ook wel.

glibberzen2glibberzen1

Om kwart over zeven had ik de hele familiekudde de deur uit gewerkt, zoals gebruikelijk op een doordeweekse dag. Met een kopje koffie in mijn badjas – echt koud was ’t namelijk niet – naar buiten gehobbeld om naar de optrekkende mist en de opgaande zon te kijken. Wat schetst mijn verbazing: een prachtige regenboog. Om half acht ’s ochtends!! Wat foto’s gemaakt van al dat moois en toen maar ‘ns aangekleed. Want ik had een afspraak op ’t lichamelijke vlak 🙂

glibberzen3

Kort voor negenen loop ik met een grote tas de deur uit en rij naar ‘de grote stad’. Eerst een koffie en een bagel in het cafeetje naast het zwembad, in alle rust. Als ik de hal binnenkom, merk ik dat ik veel te vroeg ben: het zwembad gaat niet om negen maar om tien uur open. Fijn dan. Ik ga op de trap zitten en kijk wat rond op facebook (en lees dingen die ik al driekwart jaar geleden had moeten lezen, maar tja, doe alles ‘ns gelijk goed hè) terwijl de horde bejaarden me achterdochtig aankijkt. Ik behoor duidelijk niet tot de standaard zwemklandizie op dit tijdstip. Kan mij ’t bommen. Zwemmen is ook goed voor míj. Toevallig. Ik heb óók krakkemikkige botten. Toevallig.

Eenmaal in ’t water begint het gevecht met de rugzwemmende, nietsziende én nietsontziende ouwe knakkers en knakkerinnen pas echt. Ik zet mijn brilletje op en zwem zonodig onder de meute door. Aangezien ik geen schoolslag kan (vanwege mijn knie, zijwaartse bewegingen zijn klote) crawl ik alleen en dat vindt men ‘not done’ want dat spattert te veel. Je hoort ze denken: “die racende veertigers van tegenwoordig…”. Na vijftien baantjes en de ‘verplichte’ beenworkout verlaat ik hun element en droog me af. Want nu komt het relaxgedeelte: een algehele lichaamsmassage. De helft ervan heb ik vorige kerst van man kado gekregen als tegoedbon en in december is die bon niet meer geldig (ik wist niet dat dat nog mocht tegenwoordig, tegoedbonnen met maar een jaar geldigheid…) dus moest het er een keer van komen. En wel nu.

Ik ben geen mens voor professionele lichaamsfriemelarij (wel voor iedere andere friemelarij trouwens). Ik ben wel eens een keer of twee naar een schoonheidsspecialiste geweest. Eén keer naar de pedicure (nooooit weer, vreselijk). Manicure enkel eens door een vriend laten doen (vind ik ook niks). Massage was tot nog toe altijd doelgericht: vanwege gruwelijke rugpijn of lymfedrainage voor mijn knie. Een totale lichaamsmassage heb ik één keer eerder gehad en dat was in een fase waar ik heel goed (en slank) in mijn vel zat. Nu is dat – op zijn zachtst gezegd – een béétje anders. De redelijk streng ogende massagemadam begint. Ik kijk door het gaatje in de massagebank naar de vloer en denk enkel “oh jee, wat gaat ze doen, wat denkt ze wel niet…” Ik doe mijn ogen maar dicht, de vloer is toch niet mooi. Hawaï-klanken op de achtergrond, aloha-gewauwel, zeegeruis en hoela-hoela moeten blijkbaar voor strand- en vakantiegevoel zorgen. Eerst de rug. Prima. Maar blijkbaar ben ik zo verkrampt dat het meeste best pijnlijk is. Ze werkt langzaam naar beneden (yikes) en mijn benen worden bewerkt. En ik maal aan één stuk door…
“Niet in DIE vetjes knijpen! En in die daar óók niet!!”
“Shit, had ik nou mijn benen nog maar even geschoren…”
“Argh, mijn teennagellak is nog maar voor een derde aanwezig. Zou ze het zien?”
“Mens relax, dit doet ze tig keer per dag, die zíet jouw eelt- en andere bulten niet eens!”
“Ojeeojeee… mijn ellebogen zijn net de Rocky Mountains…”
“Hier moet ik straks echt wel even over bloggen.”
“Niet te hard drukken daar, pleazzzzeeee…”
“Ohw… ah nee hè… daar, ja precíes daar -auw- heb ik een opengekrabt plekje…”
“Blij dat ik net uit het zwembad kom, ben ik in ieder geval schoon.”
“Nou. Daar lig je dan, gekneed te worden…”
“Zou ze mijn borsten ook masseren??” [nee, deed ze niet, pfiewwww]
En in gedachten heb ik dit halve blog ook al lang geschreven.

Maar heel langzaam lukt het. Ik begin te ontspannen. Relaxxxx, woman… Eigenlijk is het best wel heel erg fijn. Ja. Heel erg. En ineens is het vijfenvijftig minuten later. Ze fluistert: “Dankeschön…” Euh… ja… graag gedaan maar moest ik dat eigenlijk niet tegen haar verzuchten?

Ik kleed me aan, bedank en betaal. En ik mompel dat dit wel heel erg aangenaam was en dat ik dit zeker vaker ga (laten) doen. “Ja”, zegt ze, “dat zou ik ook doen als ik u was, want er zit me daar toch een partij stress, kramp en spanning die nog dringend weggewerkt moet worden…” Gohhh, dat had ik nou nóóit gedacht, hè 😛

Op de weg naar huis glibber ik heen en weer in de auto. Mijn handen glibberen over het stuur, mijn billen glibberen in mijn slip, mijn voeten glibberen in mijn laarzen over ’t gaspedaal. Best lastig rijden zo. Maar ik, ik ben nu in ieder geval even hélemaal glibberzen. Gaan we vaker doen.

 

Two-face

Twee gezichten heb ik. Twee kanten. Letterlijk. Om van het aantal persoonlijkheden nu maar eens even niet te spreken. Ik beken: ik zal nooitneverniet zonder make-up de straat op gaan. Net zomin als ik naakt de deur uit zou lopen. Zonder make-up ben ik voor mijn gevoel namelijk ook nakend.

Ik zie best vaak mensen waarvan ik denk: “slechts een héél klein beetje oogschaduw hier en een likje mascara daar en je zou er een ander mens door worden.” Maar zo mag ik niet denken, want iedereen is van nature mooi. Gewoon mens én gewoon goed, zonder hulpmiddelen. Maar dan nog: je let toch ook op wat je aan hebt? Een beetje leuke kleding, een verzorgd uiterlijk, een enigszins bij je passend kapsel? Dan mag dat beetje make-up er ook best bij. Oké, de vergelijking gaat niet helemaal op want ik wandel rustig in een ouwe joggingbroek en met crocs aan mijn voeten (ja die dingesen) bij de buurvrouw naar binnen. Maar zonder make-up zou ik daar dus écht niet eens aan dénken.

Ik zie er namelijk slaperig uit zonder make-up. Heel. Erg. Slaperig. Niet meteen foeilelijk (neem ik aan), maar wel anders. Extreem basic. Vlak. Toen ik net 13 was, metamorfoseerde ik mezelf. Ik ontdekte de oogschaduw. Eerst het geijkte blauw met roze, soms groen met geel en meer van die afzichtelijke foute kleuren. Maar ze pasten niet bij mij en de boel werd al snel donkerder. Heel donker. Zwart zeg maar. Tegelijkertijd fabriceerde ik mijn punk- en  tina-turnerlook (maar da’s weer een ander blog: wilde haren…). Loesje werd ineens een ander mens. Bij mijn eerste vriendjes maakte ik me zelfs grote zorgen over het feit dat ze me ooit zonder make-up of getoupeerd haar zouden gaan zien. Want ohw-my-gawdddd, dat zou een regelrechte ramp zijn. Hoe moest dat dan later, als we samen zouden wonen??? Dan moest ik in vredesnaam maar met schmink op m’n falie slapen…

Het is toch nog goed gekomen. Ik durf nu wel afgeschminkt naast m’n man in bed te stappen. Ik durf zelfs zonder te ontbijten :-D. Als ik zestig ben, durf ik vast ook wel een stap buiten de deur te doen zonder extra opgedirkte ogen. Ik ben weliswaar geen lippenstiftmens (hou ik ab-so-luut niet van, van die smeerprut op mijn lippen, ook niet van lipgloss of labello. Gelukkig ben ik gezegend met een paar redelijk rode, volle lippen dus die laat ik maar zoals ze me gegeven zijn) en mijn gezicht blijft doorgaans ook redelijk ‘natural’ (geen geplamuurde kunstwerken op mijn wangen, no thanks). Maar mijn ogen, die maak ik sprekender. Altijd. Vanochtend heb ik eens een projectje gedaan. Ik heb één kant van mijn gezicht opgemaakt en de andere in mijn slaperige ochtendlook gelaten. Ik post de foto hier, maar u moet weten dat dit echt een coming-out voor mij is, eigenlijk zelfs een verschrikking. Een foto van mij, als two-face. Een foto out in the open, online, met één alledaagse, sprekende kant en één volledig ongecorrigeerde, blanco kant.

U mag slechts één keer raden welke kant dat is 😛

Twoface1a

Begrijpt u nu waarom?

Enjoy the silence

Ja, geniet ervan. Van mijn stilte. Het kan namelijk zo maar ineens weer voorbij zijn. Ik weet gewoon niet meer wat ik moet zeggen en dat komt niet vaak voor. De dingen die mij bezorgen, zijn de mijne, het delen ervan heeft verrekte weinig zin. Ik heb net een heerlijk weekend achter de rug, mijn lieve pap en mam een paar dagen hier. Praten, lekker samen eten koken, in de zon zitten (jaja, het is mooi weer hier), een potje kaarten of samen darts kijken, de geur van versgebakken brood op zondagochtend, een rondje tuin. Simpele dingen die zo veel waard zijn. Dingen waar je je bewust van moet worden, momenten waarvan je je moet realiseren dat ze helemaal niet zo ‘gewoon’ zijn maar juist momenten om te koesteren. De zorgen blijven. Maar raken heel even op de achtergrond.

Ik kan wel weer opnieuw opsommen wat er allemaal in me om gaat maar het heeft geen zin. Het wordt er niet anders van. Ook niet minder. Eerder meer. Hoe vaker je je zorgen oprakelt, hoe meer je jankt. Hoe meer ze aanwezig zijn en bedrukken. Dus dat ‘ogen dicht en door’ heeft wel wat. Ik voeg mond dicht eraan toe.

Zie me zitten. Silence
Ellebogen op tafel.
Ogen stijf dicht,
handen over de oren,
lippen op elkaar geperst.
Ik zie het niet.
Ik hoor niks.
Geen woord van mij.
En ik ben veilig.

Calm as cake.

Ik ben twee.

Ja, vandaag ik ben twee. En zo langzaamaan leer ik lopen…twee

Nou, eigenlijk ben ik ‘in mij’ wel meer (vier ofzo?) maar ik, als blog, ben vandaag twee.
En aangezien verjaardagen en zelfs blogjaardagen altijd weer uitnodigen om te reflecteren op wat ooit was en wat is geweest, grasduin ik door mijn allereerste hersenspinsels en kan met enige al dan niet gepaste trots concluderen, dat mijn blog zich toch aardig ontwikkeld heeft. Van niks naar zo’n zeventigduizend page views (is niet echt veel, weet ik maar ik vind ’t best oké klinken, voor mij als prutsende blogpoeper) en krap 200 vaste lezers; ik ben een tevreden mens. Zó veel mensen die mijn loutere geleuter interessant genoeg vinden om regelmatig te lezen, dan kan ik alleen maar heel oprecht “dank jullie wel!!” zeggen.

Ik ga nog even door met grasduinen. Omdat mijn eerste blogs (tot midden oktober 2011, ik ben ergens in augustus dat jaar begonnen met bloggen dus éigenlijk ben ik nu twee jaar en een paar maanden 🙂 ) in eerste instantie op blogspot stonden en van daaruit hierheen gemigreerd zijn, zijn die nu dus allemaal zonder comments, lezers of likes en dus simpelweg aan de meesten voorbij gegaan. Alleen daarom al lees ik ze zelf maar af en toe terug. Altijd weer grappig om te zien hoe ik toen in ’t leven stond. En enigszins verontrustend om te merken dat er niet werkelijk veel veranderd is sinds in die twee jaar, behalve dan dat ik ouder en duidelijk nog emotioneler, instabieler, gekreukter en onverstandiger geworden ben.

Ik kan het niet laten. Enkele quotes en passages uit mijn allereerste blogs. Ze doen ’t nog steeds.

We shall draw from the heart of suffering itself the means of inspiration and survival.
(Winston Churchill)

“Accepteren dat ik heel veel dingen niet gedaan heb en ook nooit meer zal doen in mijn leven. Accepteren dat ik in veel opzichten heel veel geluk heb gehad waar anderen zoveel pech hebben. Accepteren dat ik meestal écht niks kan doen of betekenen voor mensen om me heen die zoveel pijn en verdriet hebben. Maar ook accepteren dat niet iedereen mij een prettig, lief, leuk of bijzonder mens vindt. De dingen vallen langzaam op hun plek, maar soms vallen ze er toch ook nog steeds een gigantisch stuk naast…”

“Zolang ze maar in je hoofd zitten, zijn gedachten ongevaarlijk. Je kunt denken, dat je ze nooit hebt gehad. Maar als je ze opschrijft, kunnen ze niet meer weg. Als weggewaaide papiertjes waar je je voet op hebt gezet. Toch schrijf ik ze op. Dan kunnen ze zien dat ik niet bang voor ze ben…”
(Tim Krabbé, uit “Een tafel vol vlinders”)

“Die zilveren zieledruppels weer aan elkaar.
Worden ze weer een gedaante.
Er zit nog niet zoveel vorm aan
Je herkent jezelf niet meer
Een maanlandschap van littekens
Een wanstaltig geheel van zeer
En toch begint het er weer op te lijken
Nog wel heel broos en fragiel
Maar toch een weer functionerend geheel
Een Terminatorziel.” 

Ach… ik kan wel aan ’t koekeloeren en kopiëren blijven.
Over tot de orde van de dag.
Verder met het hier en nu.
Maar niet voordat ik gezegd heb:
Bedankt allemaal.
Bedankt voor het lezen, voor alle reacties, steun, lieve en leuke woorden, inputs en likes.
Ik waardeer dat én jullie enorm!!
Op naar een nieuw blogjaar.
💋 van Lou.

Paardrijklets

paardkletslesVoor haar verjaardag had dochter een prachtige kadobon voor een ‘eerste paardrijles’ gekregen. Ik wist inmiddels ook al waar: een oude boerderij met paardenstallen en een manage, een goed kwartier rijden hier vandaan. Ik had gisteren gebeld of vandaag oké was en dat was ‘t. Joviale boer aan de lijn: “dan moej miene vrouw hebb’n, die goat over de afsproaken” (en dat dan op z’n Mühlviertlerisch hè). Mundart noemen ze dat. Mund-Art. Dialect. Ik heb er wel een jaartje of twintig over gedaan voordat ik zo’n beetje alles kon verstaan en nog zijn er veel woorden waar ik ineens weer van opkijk. Zo is bijvoorbeeld a neichtl zoiets als ‘een poosje’ of ‘eventjes’, een Bissgurn een ruziezoekende en altijd kijvende vrouw, Gschloder is slappe koffie/bocht en  een Schlampatatsch is een onordelijk persoon (een smeerderk 🙂 ). En zo kan ik nog wel even doorgaan. Op de vrijgezellenavond voor ons huwelijk moest ik van de buren een twintigtal woorden ‘ontcijferen’, anders mocht ik niet met een Oberösterreicher trouwen want dan zou ik mijn man nooit begrijpen. Gelukkig wist ik van het merendeel inmiddels al wel wat het was en met een beetje hulp van man wist ik de rest uiteindelijk ook. Maar van mijn man snap ik nog steeds geen bal. En het blijft elke keer opnieuw een avontuur om met een echte inboorling te converseren.

Zo ook vandaag. Rond kwart over drie komen we de rijhal binnen lopen, geen idee waar we ons moeten melden. Een aardige dame in rijbroek brengt ons naar het woonhuis zodat we kunnen beginnen. De boer des hoeves, ik schat hem op zo’n 75 jaar, zit in de keuken uitgebreid te kletsen met een buurboer. Over paarden en aardappels en de kwaliteit van het hooi. De dame laat ons in de keuken achter en wij wachten braaf tot meneer zich tot ons wendt. Mén wat duurt dat lang. Kort voor half vier merkt hij ineens dat we er nog steeds staan. “Ach jaaa, die Deerne die reiten lernen möchte. Mensch, mei… bist ’n du nu klan…” [“wat ben jij nog klein!”, een zinnetje waar dochter o.h.a. erg pissig van wordt] Er wordt een oude rijhelm tevoorschijn getoverd (one size fits all, one size smells all) en dan gaan we het paard zadelen. Het paard voor dochter heet Relief, zo staat het op de box. Ik dacht “oh. Opluchting, mooie naam, vast voor een rustig paard”. Toen bleek dat het als reliëf uitgesproken werd. Jeujjj… een hobbelpaard…

Relief blijkt wel gehoorzaam en geduldig. De man ratelt aan één stuk door. “Lady, je moet je bips optillen. Rechtop zitten. Paardrijden is geen lolletje, het is een sport, je moet je best doen. Paardrijden doe je met je benen en je houding, niet met je mond. Jij denkt dat je dat allemaal wel even snel kunt, maar zo werkt dat niet. Geduld. In de takt bewegen!! Nee, da’s te snel. Opletten!!” enzovoort. En dat allemaal in zwaar dialect. Dochter verstaat de helft niet maar doet alsof haar neus bloedt en gaat gewoon door. Af en toe zie ik haar even inkrimpen maar dan ook gelijk weer die rug recht en doorrrr. Ze vindt het zelfs leuk, lijkt het.

Na een dik half uur aan de longe rijdt ze op het paard terug naar de stal. Stop and Go kan ze in ieder geval al. Nu afzadelen. Man raakt in gesprek met de boer alias manegehouder. Das war ein Fehler… De man houdt niet meer op. Over werk en écht werk. Over alle managementfoezzies die overbodig zijn, de wereld heeft techneuten en paardrijders nodig. Het liefst paardrijdende techneuten. Die krijgen tenminste iets voor elkaar. En of boer huppeldepup in Schweinstein nog een tractor zus en zo heeft. Wat man doet voor werk. “Euh, leraar en techneut”. Aaaaah je ziet het boerengezicht opklaren. Een techneut! Helemaal goed. Kan man ook nog paardrijden? Nee. Oh. Da’s weer minder. Dochter gaat met een ander meisje mee, kijken hoe die paard rijdt. Ik versta alles wel maar ik ken al die boeren uit de omgeving niet én ik ben geen techneut dus ik sta er een beetje naast te dreutelen. Uiteindelijk, na een dik half uur mühlviertlerisch geratel, zegt hij ineens: “Oh ja. Betalen.” Man ziet z’n kans schoon en gaat snel kijken waar dochter uithangt. Ik ben de pineut en moet mee naar de keuken uit het jaar 1873. Betalen is mijn zaak blijkbaar. Oh wat zijn we heden blij…

De keuken is al een belevenis op zich. Een plafond waar ik bijna m’n hoofd stoot, een rioollucht van heb-ik-jou-daar, scheef hangende houten kastjes waar een houtworm nog geen droge spaander in zou kunnen vinden. Een eveneens eikenhouten kruis (mét Jezus eraan, natuurlijk) van bijna een meter lang aan de muur met een twintigtal overlijdensadvertenties sierlijk er omheen gedrapeerd. En een ouderwetsche spaarlamp boven de tafel. Mocht ook niet ontbreken natuurlijk. Gezelligheid ten top. Manegeboer gaat op de hoekbank aan tafel zitten en kijkt me ‘ns aan. “Du bist ja eh ned vo do, oda??” Nee, ik ben niet van hier. Ik kom uit Nederland. “Aaaaahhhh!!! Holland!! Na da muaß I di woas vazöhn.” [dan moet ik je even wat vertellen – Red.] Ik wíst het: ik had gewoon moeten zeggen dat ik doofstom ben. Niet van Nederland, ik stomme koe.

En daar gaat-ie weer.
Over zijn feestje in 1968 in Nederland. Zes Nederlanders en 3 Oostenrijkers. In Lelystad, dat toen net gebouwd werd volgens hem (klopt ook nog geloof ik). Er was net een café open en daar zaten ze, de bierzuipende Oostenrijkers met die drooggelegde Nederlanders. En met allemaal een 0,3l limonadeglaasje (“ein fluuu-ietje, whaahahaha“) pils voor hun neus. Waar ze dus ook met zijn zessen danig op keken, op die neus. Of de waard geen fatsoenlijk glas had. Nee, alleen dat ene 2-liter-sierglas van het Oktoberfest op een plank aan de muur. Nou, kom maar op dan, met dat glas. En die slappe pils, die drink je in één keer op. Ook twee liter. En nog een keer twee liter. En nog een keer. En die Nederlanders maar kijken. Oh en jemig, die Nederlanders zijn zoooo groot, hè!! Alle mannen zijn minstens twee meter. Hoe lang ben jij eigenlijk?? Ook wel minstens 1,90m hè? [euhh… nou euhh, ik ben wel groot maar niet zó groot]. Komt door al die overbemesting daar. Alles wordt megagroot. Mensen, Kartoffeln… Wel 200 liter pure mest per vierkante meter. In Oostenrijk is dat maximaal 80 liter. En dan krijg je zúlke Kartoffeln hè [zijn handen ongeveer 30cm uit elkaar houdend om ons hollands formaat aardappels aan te duiden] – allemaal voor die Kartoffelchips want daar heb je grooooote Kartoffeln voor nodig. En die grond daar in de polder, die is allemaal van de gemeente, en dan moeten de boeren wel duizend D-Mark (“Jullie hebben toch ook D-Mark??”) per maand aan pacht betalen en dan is het enige wat nog rendabel is, Kartoffeln. Hahahahaha…

Enzovoort. Godsamme ik moet naar de WC… en ik wil naar huis… hoe kom ik hier weg… Ineens houdt hij heel even op omdat zijn zoon binnen komt wandelen. Geen idee hoe die heet, ook Josef vermoed ik (aangezien drie van de vier Oostenrijkse mannen Josef heet: de vierde heet Heinz), maar in ieder geval heet-ie óók “mijn reddende engel”. Ik vraag snel hoeveel ik manegeboer verschuldigd ben. Veertien euro. Huh… aan de telefoon was het nog dertien. Nou ja, so what. Met deze man ga ik niet nóg eens in discussie, zeker niet over één euro. Ik leg het bedrag op tafel en wil hem bedanken, maar hij ratelt nog even door over de paarden, over dat dochter vooral geduld moet hebben (nou, dat leert ze bij hem vást wel, dat geduld hebben…) en niet te snel moet willen. En dat ze niet zo veel moet praten (mijn mond valt héél even open). En dat dit allemaal nog langgg geen paardrijden is maar gewoon wat rondhobbelen. En dat ze maar gauw weer moet komen. En oh ja. Veertien euro. Ik weet er tussenin te brengen dat mijn zoon alleen thuis is en ik nu écht weg moet maar dat we binnenkort zullen bellen om een nieuwe rij-afspraak te maken.

Ik vermoed over een jaartje of veertien.

toeval? nèèh…

Toeval bestaat niet. Alles komt zo als ’t komt en uiteindelijk zelfs wel goed.

Vandaag besloot ik om zoon op te halen van school, ietwat vervroegd omdat ik even de mentrice van zijn klas of desnoods de directeur zelf aan wou spreken om te vragen of we een afspraak konden maken voor een gesprek. Zoon heeft, zoals de meesten inmiddels wel weten, enige problemen. Hij is dyslectisch, heeft ADHD en dysgrammatisme, is heel faalangstig en onzeker, een erg lief en zacht manneke dat helaas nu al niet zo goed mee lijkt te komen op zijn nieuwe school. Dat maakt zich dus al bemerkbaar en daarom zocht ik het gesprek. En aangezien ik nog geen telefoonnummers etc. heb, ben ik maar zelf naar school gereden.

Een minuut of 15 voor de bel wandel ik met dochter aan de hand naar binnen, de trap op, op zoek naar een bekend gezicht (ik ken er eigenlijk maar drie tot nu toe dus de kans op dat bekende gezicht was klein, maar goed, een poging was het waard.) Ik kijk wat onzeker rond en er komt een wat oudere, redelijk lange mevrouw met vriendelijke, open blik op mij af. Ik herken haar van de schoolfoto waarop ik de docenten van zoon al heb opgezocht en denk: “oh shit, het zou toch niet hè…”

Het zou wel. Ze vraagt heel aardig of ik iemand zoek en of ze wat voor me kan doen. Goh, sympathiek mens, die docente Engels van zoon… (zie mijn schriftelijke ‘aanvaring’ in mijn blog van 17 september). Voordat ik dochter de mond kan snoeren, legt madam al uit: “Jaaaa, ich bin die Schwester von [voornaam zoon]. Sie wissen schon: der [voornaam zoon, achternaam zoon…]!! Und wir suchen seine Frau Lehrerin!!” OMG, why on earth neem ik dat kind überhaupt mee….

Ik hoor haar denken. “Aaaahhh. Ahaaaa! Díe!!” en ze glimlacht. Thank god, ze glimlacht… En ze bedankt me voor mijn briefje. Ze was er blij mee geweest (ja blij!) en had me ook gelijk geantwoord. Blijkbaar kan ik het toch wel zo heel af en toe, dat diplomatiek zijn. We raken in gesprek, dochter al gangdansend om ons heen. De problemen van zoon waren haar ook al opgevallen. En dat hij het achterin de klas niet zo goed doet. “neeee, weil T. kriegt ja alles nicht so gut mit, ‘ne??” jodelt dochter erdoorheen, al dansende toch heftig meeluisterend. Frau Lehrerin vertelt dat hij wel degelijk opvalt. En dat ik inderdaad in gesprek moet gaan met de klassedocente over hoe we hem het beste kunnen stimuleren en hoe met zijn onzekerheid omgegaan moet worden. Etc. etc. Het was een heel goed ganggesprekje.

Volgens mij heeft ze nu wel gezien dat ik niet de bitch ben die alle folies en hoesjes per definitie met haar slagtanden verscheurt. En ik heb gezien dat zijn docente Engels een prima mens is waar goed mee te praten valt.

Wat toevallig dat ik dan in die grote school nou juist háár tegen het lijf moet lopen…

Ach nee. Toeval bestaat niet.

slechte start

Ik heb het weer voor elkaar hoor. I pissed off a teacher :-S

Zoon (bijna 11) gaat nu naar de middelbare school (hier in Oostenrijk heb je vier jaar basisschool en ga je met 10/11 jaar dus naar de middelbare). Ergens aan het begin van de zomervakantie krijg je dan van de betreffende school een ellenlange lijst (2 A4-tjes vol!!) met zeer gedetailleerde beschrijvingen van alles wat het kind moet hebben. Vervolgens mag je op pad om die waslijst aan spullen bij elkaar te zoeken en een honderd tot zelfs tweehonderd euro neertellen voor precíes DIE schoolspullen. Geen andere please: een plakkaatverfdoos van Pelikan, een passer van duurmerkzusenzo, een blauwe Leitz-ordner, folies, schriften met plastic omslaghoezen in alle mogelijke voorgeschreven kleuren, stiften, potloden, figuurzaag, schuurpapier, haaknaalden, wol, hoesjes, mappen, enzovoort. Sportschoenen, schoolsloffen, zwembrilletje, handdoek, zelfs het soort zwembroek was duidelijk voorgeschreven. Een kolerewerk.  Ik had alles aan het begin van de vakantie al klaar want ik ken mij: de laatste vakantieweek begin september wordt dat niks meer en doe resp. koop  ik werkelijk alles fout. Schullisten

Het mocht echter niet baten: ook nu had ik het blijkbaar fout gedaan. Gisteren kwam zoon uiterst chagrijnig thuis en smeet twee enveloppen met folies (“Klarsichtfolien”) op tafel. Doordat ik het verkeerde had gekocht (het hadden hoesjes moeten zijn, zogenaamde “Klarsichthüllen”), was hij heel erg achter geraakt in de les, kon zijn ordner niet naar behoren invullen en had zowaar bijna moeten huilen (aiii….). Nu ben ik normaal gesproken niet de moeilijkste en wissel de boel gewoon om, maar tja. Het was nu eenmaal de hormonale rottijd van de maand, ik had een hoop dingen aan mijn hoofd, een hoop pijn elders in het lichaam en ik was moe. En toen werd ik woest. Wel verdriedraaidedubbeltjesnogantoe. Er stond FOLIE! Niet HÜLLE!! Een folie is een folie. Een doorzichtig dun stuk plastic. Een Hülle is een – al dan niet doorzichtig – hoesje, iets waar je iets in kunt stoppen. En een folie is geen hoesje. Als ze dan al van die mierenneukerige, ellenlange lijsten van voorgeschreven schoolspullen maken, dan moeten ze de boel ook GOED opschrijven zodat zelfs achterlijke Hollanders als ik de boel snappen. Er stond nota bene voor het ene vak “folie” en voor het andere vak wél “hoesje” op de lijst, en toch bedoelden ze hetzelfde. Dat heb ik dus ook even in duidelijke taal in het mededelingenschriftje geschreven. Niet in deze bewoording, maar toch. Ik heb ze haarfijn uitgelegd dat een folie geen hoesje is en dat ze de boel ook niet door elkaar op dezelfde lijst moeten gebruiken omdat het dan echt niet meer duidelijk is. Stomme materie. Hoesjes, folies, who cares. Ik vond op dat moment dat ik ’t best goed verwoord had. Moeten ze volgend jaar maar beter uit hun doppen kijken.

In ieder geval had ik er al niet eens meer aan gedacht tot zoon vandaag dus weer thuis kwam uit school en vertelde dat de lerares Engels ‘not amused’ was. Ze had gezegd dat het – ahum – niet zo aardig geschreven was. Nee. Verrek. Teruglezend zie ik dat ook. En dat voor een paar stomme hoesjes… Dit was wat je een “communicatief uiterst slechte start” kunt noemen. En dat voor het hoofdvak Engels waar hij alle hulp en sympathie nodig zal hebben die hij kan krijgen. What was I thinking…

Waarom telde ik niet tot 2.865, sliep er een nachtje over, stopte ik de goede hoesjes in z’n rugzak en klaar? Nee. Madam moest d’r waffel opentrekken. Er zat maar één ding op. En dat heb ik vanmiddag dan maar getypt. Mijn verontschuldigingen voor de ietwat onsympathieke manier waarop ik duidelijk had gemaakt dat ik het niet met ze eens was hoe die dingen heten. Dat ik als persoon eigenlijk helemaal niet zo opbruisend ben. En dat dit wellicht niet zo’n goede start was voor onze communicatie. Enzo. Een klein briefje aan de desbetreffende docente. Hopelijk doet dat nog enig goed. En anders ga ik wel met de madam praten, dan ziet ze vanzelf dat ik in ’t echie helemaal niet zo snel en hard bijt. Eventueel “I’m only human” neuriënd ofzo.

Ik legde het aan zoon uit en die zei “ach Mama, ich sag’ ihr einfach, dass gestern nicht dein Tag war” (oftewel: … dat je gisteren gewoon niet je dag had). Ik dacht nog: “ach, da’s nou lief”. Maar toen keek hij ineens scheef en zei “Oder soll ich ihr besser sagen, dass du einfach deine Tage hattest?”…

Gadsamme. Dat jong kent me al beter dan ik dacht…
Ik ga nog maar even een potje tegen de maan janken.
Of ik vlieg gewoon op m’n bezemsteel een rondje om het ding heen.
Dat kan ook. Kom kat, we gaan.

the other day

zo relaxed als gisteren en eergisteren waren, zo hectisch was vandaag.
De eerste schooldag na die oversized zomervakantie.
5 am. Man en ik schrikken wakker. De wind is een storm geworden en laat onze tuinstoelen, rolluiken en nog uitgerolde zonweringen letterlijk donderen. We rennen wat in het rond, maken alles z.g.a. stormveilig en vallen nog voor een half uurtje terug in bed. Tien voor zes ben ik klaarwakker en ga er dan toch maar uit, dit wordt niks meer. Even wat in mijn ochtend-uppie aanklooien (en een ongestoorde toiletgang, ik kan er écht niet tegen als er ‘s-ochtends al door twee behoeftige kinderen aan mijn toiletdeur lopen te rukken omdat ze ook moeten maar te lui zijn om beneden te gaan. Me-time on the toilet dus). Om half zeven maak ik de kinderen wakker. Bam, licht aan. Hard maar effectief. Ik jodel “EEEHEEEEERSTE SCHOOOOOOLDAAAAAG!!!” door het huis (in ’t duits dan, hè, dat werkt beter). Aankleden, ontbijten, zenuwen sussen, tanden poetsen.

10 over 7 schuif ik dochter de deur uit, die moet met de buurvrouw meerijden want ik moet zoon voor zijn allereerste dag op een middelbare school wegbrengen en daar wordt verwacht, dat minstens één ouder aanwezig is. Aangezien man zelf leraar is en óók in alle vroegte op zijn school aanwezig moest zijn, ging ’t effe niet anders. Sorry dochter. Forgive me. Bij de school van zoon is het een drukte van jewelste, geen parkeerplaats in een straal van een kilometer ofzo. Ik gooi zoon er voor de deur uit en rij in ’t rond tot de eerstvolgende parkeermogelijkheid op een onverharde parkeerplaats. Daar mág ik dus eigenlijk niet rijden want mijn auto is weer eens kapoet: de Getriebemanschetten (weet ik veel hoe die dingen in het nederlands heten) zijn gescheurd waardoor er steentjes in kunnen komen en dat zou dan de hele schakelbak ruïneren. Volgens man. Ik moest dan ook plechtig beloven om niet over steentjes en gruis te rijden. Ahum. Goed. OK schat :-/

Met m’n manke poot hobbel ik zo snel ik kan naar school. De kinderen worden afgeroepen. Gelukkig zit zoon in 1D en werden er voor hem nog 94 andere kinderen afgeroepen dus ik was op tijd. Allemaal mee de klas in. Alle instructies (bustrajectkaartaanvraag, brief voor vrijstelling godsdienstles en meer van dat soort ongein) voor de ouders aanhoren en deels opschrijven. Dan zijn we bevrijd. Ik besluit de auto maar te laten staan (zo min mogelijk rijden…) en te voet even naar de apotheek en de drogist te lopen voor wat noodzakelijke dingen. Best wel auw. Half tien kind weer ophalen. Ja, half tien. Toen was het alweer klaar voor vandaag.

huiswerk1Naar huis. Dochter komt gelukkig weer met buurvrouw mee. Even wat te drinken maken en natuurlijk ook praten over school. Ze hebben allebei een huiswerkopgaven dus hoppakee, gelijk aan het werk. Dochter moet in twee zinnen opschrijven wat ze het leukst vond in de vakantie en dat er dan bijtekenen. Zoon moet op drie papiertjes opschrijven waarover hij zich verheugt, waar hij bang voor is en wat hij zich voorneemt. Ze smeren wat af met hun hanepoten maar uiteindelijk wordt het nog wat. Vooral dochter blijkt heel ‘efficiënt’, met haar tekeningen van twee vlaggen… Ik werk ondertussen aan documenten voor vanavond (vergadering).huiswerk2

Eten koken (want vanavond geen tijd voor). Vissticks (ja sorry hoor), aardappelen en groente. Basic. Opruimen. Belsessies (scouting, judovereniging, busbedrijf over bustijden en overstappen voor zoons thuisreis in de gevallen dat hij niet fietst, sportvereniging, manege) en een korte koffiesessie met de buurvrouw om alles wat ik van de lagere school (dochter) heb gemist en nog moet weten door te spreken. Notulen voor vanavond voorbereiden en ook de lijsten voor de voorturners. Formulierenlayouts afmaken. Lijst met namen voetbalkinderen updaten. Enzovoort. Oh en de was tussendoor. Dat ook. Meer bellen. Kwart over vier: ballen, sporttas en andere pruttel in de auto en op naar het voetbalveld: F-jes training. Collega-trainster (degene die de trainings samenstelt) blijkt in een vergadering vast te zitten dus ik doe met andere medetrainster het uur op de bonnevooi. We doen maar wat en dat blijkt goed genoeg. De kleintjes zijn happy. Om half zeven drop ik de ballenzak in het materiaalhok en loop weer naar boven. Half uurtje pauze, ik kijk naar de wedstrijden van de wat ‘hogere’ koters (8-jarigen) op het veld en klets met een andere moeder van school. Zeven uur, vergadering van de turnsectie  van de sportvereniging. Veel te doen (ik doe de hele ledenadministratie, de financiële rompslomp en documentensantemekraam, en dus ook snel, snel even de notulen). Om half negen zijn we er wel klaar mee en rij ik naar huis. Kinderen nog even goeienacht zeggen. Kop koffie en een gebakken spiegelei (berehonger, sinds vanmiddag niet gegeten). Laptop aan. Lijsten aanpassen. De was uit de wasmachine in de droger. Notulen uitwerken. Begin maken met de maandafsluiting van de zaak.

Nu nog even de was uit de droger opvouwen.
Dan, na achttien uur doordouwen, eindelijk weer slapen.
En…. u verwacht het niet, hè, maar morgen wéér zo’n dag!!
Yiiiihaaaaaa!! 😀

De laatste dag

Dat was ‘m dan. De laatste dag van de zomervakantie. Morgen begint alles weer. Het normale leven enzo. Nu pas? Ja nu pas. Hier in Oostenrijk heeft ‘men’ negen weken vakantie. En ik kan u vertellen: dat is lang. Héél lang. Heel érg lang. Vooral omdat man leraar is en dus óók negen weken vakantie heeft. En die negen weken zijn zo mogelijk nóg langer. Het is niet gezond voor een doorsnee echtpaar om 65 dagen lang bij elkaar op de lip te zitten. Er schijnen mensen te bestaan die het liefst al die tijd zelfs IN elkaar zouden willen zitten, maar bij ons houdt de vreedzame co-existentie na circa drie weken echt wel op. (Hé, dit blog gaat een heel andere kant op dan ik eigenlijk gepland had. Nou ja, planning is voor watjes dus we gaan lekker verder). Dan moet één van de twee kortstondig opkrassen, zij het in de vorm van een dag met de fiets de hort op, een dag met vriendin en kinderen weg of een lange dag krampachtig shoppen, whatever. En een dag is dan dus eigenlijk veel te kort. Daarom zag ik ook mijn kans schoon toen ik samen met de kinderen met mijn ouders mee terug naar Nederland kon rijden. Man had nog zat te doen thuis en zou zich in Nederland toch hoofdzakelijk vervelen. Ik daarentegen heb er wederom een hoop leuke dingen gedaan, mensen opgezocht (grotendeels zelfs samen met de kinderen) en een heerlijk relaxte tijd gehad. Na krap twee weken kwam man met de auto na (ja iemand moest ons daar toch ook weer ophalen, hè) en zie daar: na een onwennige eerste avond (hij leek in eerste instantie niet bepaald blij me weer te zien…) was het goede van onze relatie tóch weer omhoog geborreld. Het was er weer. Die tijd apart was blijkbaar hoger dan hoognodig. Moeten we dus in de toekomst absoluut vaker doen.
Maar waar ik eigenlijk op doelde, was deze dag. De allerallerALLERlaatste vakantiedag. De kinderen hebben nulkommanul zin in school. Sterker nog, ze zijn nu (voor de latere lezers: dit ‘nu’ is om ca. 19:30h) nog steeds de hort op, ergens in de buurt (weet ik veel waar) voetballen en trefballen alsof er geen morgen bestaat. Vandaag is volgens de berichten voorlopig ook de laatste dag ‘mooi weer’ dus ik laat ze maar. Ik zit buiten, klein glaasje wijn na mijn vakantieafsluitmaaltijd, en adem diep in. Avondlucht met een tikkeltje geurige regendreiging. Maar nog steeds 24 graden dus prima te doen. Man prutst wat aan zijn fietshelm, die hij “gewassen” heeft (aiii…). Hij wil morgen op de fiets naar zijn werk. Zegt-ie.

Ik heb wat rond gekuierd in de tuin, cherrytomaatjes van de struik gegeten, hier en daar wat onkruid eruit gerukt. En verder veel gelounged, gelezen, wat geschilderd (te weinig), gewhapt, WordOn en WordFeud gespeeld (te veel). Oh en 21 potten bramenjam gemaakt, dat ook. Ik wil er maar niet aan dat ik morgen weer om zes uur in alle vroegte op moet staan. Ik moet de schooltassen nog ‘klaar’ maken voor morgen. Logistiek gezien heb ik alles al wel geregeld met de buurvrouw (zij neemt dochter mee naar de basisschool, ik haar en mijn zoon mee naar de middelbare. Lastig, twee verschillende scholen die om dezelfde tijd beginnen én eindigen op die eerste dagen…)

Dat was dus dik twee maand tot half negen in je nest liggen. Veel mooi weer (na al die regen). Zwemmen. Buiten ontbijten. Mensen ontmoeten. Italië. Tot ’s avonds laat bij het kampvuur zitten met de buren. Geen voetbaltraining, geen scouting, geen sportverplichtingen, geen stress in de ochtend, geen schoolvergaderingen, geen ouderavonden, geen geregel. Geen stress. Ik moest mijn werk natuurlijk wel even doen, tussen het vakantievieren door, maar dat is niet echt een probleem. En morgen, morgen is dat alles weer voorbij…

Wereldondergangsstemming.
En toch draait die ook gewoon weer door.
En blijkt elke dag toch weer een nieuwe laatste dag van tenminste íets te zijn.
De laatste dag.
De dag vóór de dag waarop we toch weer verder leven.
Tot de echte laatste dag.

Als Alice

in Wonderland.
Zo voelde ik mij vandaag.

Vanochtend heb ik wijselijk besloten, de hele dag enkel dingen te doen waar ik echt zin in had. Man ging met een stel vrienden (buurmannen) een hele dag mountainbiken. Prima. Om half 8 was hij weg. Ik kroop met een kop koffie op de loungebank buiten, zwaar genietend van het ochtendzonnetje en de frisse lucht. Prachtig weer. Alweer. Ontbijt voor ons drietjes gemaakt, lekker buiten gefrühstückt. Dochter besloot na het ontbijt, haar dagelijkse sommetjes en een spontane knuffelsessie een langnietgezien vriendinnetje op te zoeken. Ook prima. Zoon amuseerde zich met sudoku’s waarna ook hij een buurjongetje op ging zoeken. Wat een rust en wat een weelde…

Ik besloot maar eens lekker te gaan schilderen. Dochter had al sinds tijden onze kat Koschka op doek besteld en ik was er weliswaar al wel aan begonnen maar nog niet veel verder gekomen. Nu wel. Tussendoor kwam zoon met een moeilijke sudoku aanzetten en hebben we die samen buiten gemaakt, daarna nog een kruiswoordraadsel uit de krant. De buurvrouw (wiens man ook mee fietsen was) kwam koffie drinken en haar irritatie even luchten over haar fietsende en volgens haar überluie man.. Een goed gesprek over acceptatie en luchtiger leven leek haar uiteindelijk milder gestemd te hebben. Ik voelde me bijna een goeroe maar niet heus.

Een lichte lunch met de kinderen. Verder
Lees verder

blog

Kom. Laat ik maar weer eens een blog schrijven.

Over de vakantie in Italië? Een blog over het huiske dat niet aan onze verwachtingen voldeed maar dat ik – op kosten van het resort – ‘verbeterd’ heb, over de gestoorde italianen die van service nog nooit gehoord hebben en rijden als maniakken, over de gekko’s die ’s avonds sprinkhanen vingen op de muur naast mij, over de Costa Concordia die nog steeds scheef ligt en over het strandje waar ik op de rotsen bijna gestorven ben? Ach nee…

Over mijn Nederlandtijd? Over vriendinnenbezoeken, #annelies, tranen met tuiten lachen, heerlijke dineetjes en een geweldige reünie van mijn lagere-schoolklas, waar ik mensen na bijna 30 jaar weer gezien heb en merkte, dat we gewoon nog hetzelfde zijn als toen en dat de school van binnen in werkelijkheid veel kleiner is dan ik in herinnering had? Ach nee…

Over de katten, mijn Stephen-King-obsessie, mijn stabiel mislukkende afvalpogingen, mijn zeker niet van de liefde knikkende rechterknie, mijn absolute chaostuin, mijn zomaar ineens whatsappende buurvrouw, mijn vreselijk onattente maar oh zo hard werkende en ondanks dat toch echt wel lieve man, mijn niet nader te noemen flirts, mijn stiekeme dingen die ik officieel niet heb,  mijn steeds slomer wordende en dus duidelijk aan een opruiming toe zijnde Nissan Note, mijn Audi met opvliegers in de vorm van ‘Motorsteuerungs’-problemen, de snelle maar wegens algeheel gebrek aan kinder-DVDs (in NL vergeten) slopende terugreis van Nederland naar huis, de overheerlijke opgewarmde zuurkoolstamppot met worst van mama die mijn heimwee vol geweld nieuw leven in blies, mijn persoonlijke en uitgesproken mening over Obama, Syrië, PRISM en de luierverwisselingsfrequentie van de hollandse bejaarden, de nieuwetijdse mummie van Nordrhein-Westfalen of mijn imminente salary cut.

Ach.
Nee.

Ik ga gewoon maar weer een lekker potje op mijn rug staan.
Knikkende knie incluis.

Koeientreinen

Gisteren ben ik in de trein gestapt. De laatste keer dat ik in Nederland in de trein zat, is alweer driekwart jaar geleden. Daarvoor was het zelfs minstens een decennium terug…trein3

Onderweg moet ik al toegeven: ik geniet. Midden tussen de stadse huizen een weiland vol met zwart-witte koeien, daarnaast een kudde goed over het groene gras verdeelde schapen. Roodbonte koeien. Witte koeien. Zwarte koeien. En toen was daar ineens Almelo. Graffiti op de muren, op de wagons, op de glazen geluidswerende panelen, op de brug, op stroomkastjes, op alles. Een volledig verroeste colonne goederenwagons, het voorste gedeelte – locomotief incluis – ook weer geheel in kleurige gigaletters gedompeld. De trein staat nog geen minuut stil en glijdt bijna onhoorbaar weer verder.

Oude loodsen, industrieterreinen, meer koeien, conducteur. Oh. Conducteur! Ik tover met een goed geweten mijn blijkbaar van chip voorziene dalurendagkaart van de blokker (tip van en gekocht door sweet sis, die me zo dik 25 euro bespaarde) tevoorschijn en hij houdt ‘m tegen zijn apparascandinges aan. Wat een techniek… bij ons heb je nog gewoon een man met een tang die een gaatje in je kaartje boort. In ieder geval heb ik blijkbaar goed ingecheckt want hij mompelt “bedankt” en ik mag blijven zitTrein1ten, verder boemelend op een treintraject wat ik in mijn studententijd wel kon dromen.

Nederland stikt van de rotondes. Het valt echt op. En de rijbanen zijn o.h.a. te smal. Dat ook. Een trekker draait gemoedelijk zijn rondjes. Kilometerslange maïsvelden en een windmolen in een privéwolkje. Een minispoorwegovergang mét slagbomen voor enkel een fietspad. Twee fietsers staan al kletsend te wachten. Moestuintjes, rijtjeshuisjes, volgekalkte trafokastjes. Koeien. Altijd weer koeien.

Bij het volgende station gaat ineens de airco aan. Godsenegriebels wat koud. Naast me, aan de andere kant van het gangpad, zit een werkende moeder met haar – ik schat niet ouder dan 4-jarige dochtertje – en tussen haar telefoontjes door bediscussiëren ze liefdevol wat de op reis gaande Sanne allemaal in haar koffer heeft. Ze looft haar dochter. Zo schattig om te horen. Volgende belletje en moeders moet zich even wegdraaien van kakelende dochter om iets te kunnen verstaan. Een bewaakte fietsenstalling met wel duizend fietsen. De IJssel. Mét uiterwaarden. Een caravanboer. Geen tunnel onbeklad. Nog meer volkstuintjes. Ik kan er geen genoeg van krijgen.trein2

De werkende moeder blijkt ineens niet de moeder te zijn maar een goed onderhouden of gewoon nog zeer jonge oma want kindeke noemt haar zo. Perfect gekleed, felblauw jurkje met prachtige rode handtas en dito schoenen, slank en sportief. Ik schat haar echt nog geen 45 :-S. Dochtertje graait de mobiel van oma van het klaptafeltje. Voordat oma “ja is goed” kan zeggen, mept het meiske al op de toetsen en belt spontaan met haar mama. “Met wie spreek ik?? Mama?? Ik versta d’r bijna hélemaal níks van hoor… Maar mama? Ik hou van jou! Mama? Waar ben je nu? … Mama? Veel plezier hoor!! Ja. … Ja. Jahaaa… Over één, twee, drie, víer nachtjes gaan we op vakantie hè? … Ja ik ook. Ja doeiiiii!! Mama? Ik hou van jou!!! Mama… jíj zou toch ophangen? Ja. Doe nou. Ja. Doehoeiiii!!!” Ik grijns me suf.

Amersfoort. Plek van overdracht, zo blijkt. Oma stapt uit, papa stapt in. Ze gaan nu op een raamplek twee stoelen voor me zitten. Oma zwaait en meiske gebaart met veel omhaal “Ik hou van jou” naar oma, wijst naar zichzelf, maakt met haar vingertjes een hartje en wijst dan naar oma. Ik heb wel eens afvallig geblogd over treinreizen. Maar ik neem alles terug. Treinreizen in Nederland is best goed te doen (als die dingen op tijd rijden tenminste) en bij tijden zelfs echt leuk.

De terugweg was wel wat minder. Te vroeg… maar ondanks dat toch te donker om wat te zien buiten, een te volle blaas en een pleevrije trein. En ik had blijkbaar uit moeten checken en weer in moeten checken enzo. En dan weer uitchecken. Ik snap ‘em niet. Ik heb toch een dagkaart? Inchecken, één dag geldig, klaar. Maar nee. Je moet uitchecken. Dat is dan óók weer Nederland…

Wegprutsers

Comfortabel rijd je weg. Alles in de bus gestouwd, man uitgezwaaid, de katten geknuffeld en de kinderen inmiddels happy met Cars 2 op hun DVD-speler. Ik dut een beetje weg. Na een uur ineens file. Een politiebusje staat rechts, zwaailichten aan. Dat betekent alvast niets goeds… na een minuut of twintig file zien we de oorzaak. Een grote brandweerauto, politieauto’s, een kraan die probeert om een kleine, gekantelde vrachtauto die dwars over de weg lag met de voorkant in spookrijrichting, van de weg af te tillen. Een volledig verbrijzelde voorruit en een enorme, shockerende bloedstreep op de weg. Meterslang, daar waar het zijraam aan bestuurderskant met chauffeur en al over de grond gesleurd is…

Ik krijg er zowat tranen van in de ogen. De kinderen zien ’t bloed gelukkig niet. Afschuwelijk. Als deze persoon het überhaupt overleefd heeft, mag dat een wonder heten. Weer een leven verwoest. Zomaar, op een vrijdagochtend. En wij, wij rijden maar weer door, dankbaar dat wij ook dit keer weer niet de oorzaak van de file waren…

Ergens halverwege moeten we tanken. Een favoriet Autohof van m’n pap. Eentje waar je in ieder geval fatsoenlijk naar de WC kunt. De afrit gaat onder de autobahn door. Ineens trapt de nieuwe witte BMW direct voor ons op de rem en draait abrupt om. Midden op de afrit. Over de doorgetrokken streep. Onvoorstelbaar. Blijkbaar kwam het blondje (het was daadwerkelijk een duf kijkend blondje met een grote zonnebril in het haar) achter ’t stuur er ineens achter dat ze er toch niet af wou. Of in de andere richting moest. Dan liever nog spookrijden ofzo. Paps remt uit alle macht. Blondje staat dwars op de weg en komt er dan achter, dat dit misschien toch ook niet zo handig is. Ze maakt haar rondje vol en kart vervolgens doodgemoedereerd achter ons aan om de ‘normale’ oprit in de tegenrichting te nemen. Sommige mensen zouden ze werkelijk direct ’t rijbewijs af moeten pakken.

Een kilometer of 50 verder. Het is redelijk vol op de weg. We rijden links in colonne en een stukje verderop zwenkt ook een vrachtauto naar links om een collega in te halen. Rechts van ons rijdt een bebrilde kukel met een behoorlijke aanhanger. Ineens gaat ie naar links en is ’t kiezen of delen: of remmen of een aanhanger in je waffel. Remmen dan maar. De vrachtauto is inmiddels ook klaar en de auto scheurt met aanhanger en al met dik 130 ervandoor… terwijl we nog even verbouwereerd nakijken scheurt er rechts een zilvergrijze stationwagon voor bij, slipt naar links om vervolgens weer rechts in te halen.

De rest van de reis trotseren we nog een flink aantal wegsluipers, noodremmers, bumperklevers, zonderknipperlichtlinksafslaanders, aandrukkers, treuzelaars en freestyle-joyrijders. Op zich is autorijden toch eigenlijk niet moeilijk of gevaarlijk, maar die idiote prutsers op de weg maken ’t er niet bepaald fijner op…

Verwachtingen zijn domme dingen

Je zou verwachten dat ik het verwacht had. Maar dat had ik niet. Totaal onverwacht moest ik mijn verwachtingen bijstellen. Of nog liever: ze laten varen. Want ze bleken onrealistisch. Alweer.

Waarom verwacht een mens iets? Is het eigenlijk gewoon simpele hoop? De hoop dat een ander iets zal doen omdat je diegene goed genoeg denkt te kennen? De hoop dat iets zijn intrede zal doen omdat je er zo hard voor gewerkt hebt? De hoop dat iemand jou op waarde weet te schatten zodat diegene ook met alle redelijkheid kan verwachten dat jij bepaalde dingen niet zult doen of zeggen? De hoop dat iemand je dermate lief heeft dat diegene net zo vaak aan jou denkt als andersom het geval is en dat diegene je dus ook af en toe laat weten, jou te zien en te waarderen?

Allemaal ijdele hoop. De kans dat iets of iemand aan jouw verwachtingen voldoet, is verrekte klein.
“Als je zó van me houdt als je zegt, waarom lees je dan nooit mijn blogs? Waarom kijk je dan nooit op mijn facebookprofiel om te zien wat er zoal met mij en bij mij gebeurt? Waarom stuur je me niet af en toe even een Whatsapp of zelfs maar een SMSje? Waarom zíe je mij nou niet?”
Te veel verwachtingen aan de foute persoon...
“Ik doe zo mijn best om alles goed te doen, ik werk er zó hard voor. Dan had ik ook verder moeten komen, lijkt me? Dan had me dat toch moeten lukken? Dan kán ik toch niet falen?”
Klaarblijkelijk wel…
“Ik doe zó veel aan beweging, ik doe twintigduizend serieuze en goede pogingen om af te vallen. En toch blijf ik te dik, heb ik een hernia en een kapotte knie. Waarom laat mijn lichaam me zo in de steek…”
Omdat ik er zelf blijkbaar niet goed genoeg voor zorg…
“Ik heb alles voor je gedaan. Had alles voor je over. We hadden het zó goed. En zomaar ineens laat je me vallen als een gloeiende baksteen. Waar heb ik dit aan verdiend?”
Je hebt ’t niet verdiend. Je had enkel alwéér te hoge verwachtingen aan de verkeerde persoon…

Niks is zeker, geen doel, geen liefde, geen aandacht, geen beloning, geen leven samen. Het enige wat je kunt doen, is je verwachtingen bijstellen. Nog beter: schrappen. Verwacht niks, dan valt alles altijd mee. Minimaliseer je verwachtingen en je leven wordt een stuk makkelijker. Maar zonder verwachtingen ook geen brandstof voor onze dromen, onze liefde en onze hoop…

Guy Finley zei ’t al heel mooi:
“What’s the first sign of a lurking, hidden expectation you didn’t know you had? Pain! People don’t do what we want, things don’t happen quickly enough, the weather doesn’t cooperate, our bodies don’t cooperate. Why are these moments so painful? Because our minds are focused on a static, unchanging, me-centric picture while the dynamic unfolding of a broader life continues around us. There is nothing wrong with expectations per se, as it’s appropriate to set goals and work, properly, towards their fruition. But the instant we feel pain over life not going “my way,” our expectations have clearly taken an improper turn. Any moment you feel resistance or pain, look for — and then let go of — the hidden expectation. Practice giving yourself over to what “you” don’t want. Let the line at the store be long. Let the other person interrupt you. Let the nervousness make you shake. Be where your body is, not where your mind is trying to take you.”

Ik stel ze dus toch maar een beetje bij.
Ik verwacht niks meer van jou.
Ik verwacht minder van mezelf.
Misschien krijg ik dan tóch nog een keer meer dan ik ooit verwachtte…

Mooie ziel

“Een mooie ziel gaat langer mee dan een mooi lichaam.”

Deze quote zag ik laatst op Facebook (dankjewel Sheila 😉 ). Dit zijn zinnen waar ik dan gelijk weer heftig over na moet denken. Klopt het wel? Ik geloof namelijk zelf niet in een hiernamaals of in het voorbestaan van de ziel als zodanig. En wat is een ziel überhaupt… Een forse bundel neuronen, synapsen en hersencellen die samen het bewustzijn van een menselijk wezen vormen. Staken die fysieke dingen hun werk, is er ook geen ziel meer…

Oh, en wat is dan een mooi lichaam? Een slank, gespierd, gazelle-achtig lichaam voor een vrouw? Een zo mogelijk nog gespierder, gestaald, sportief en gebruind instantsixpacklichaam inclusief sixpack voor de man? Feit is, dat lichamen die gezond en gespierd zijn, het over het algemeen (uitzonderingen daargelaten) langer doen dan het onfitte, slecht onderhouden lichaam. Maar zo’n perfect body hoeft dan dus weer niet per definitie een mooie ziel (ik prefereer: een mooi karakter of een mooi persoon) te herbergen. Dat is dan waarschijnlijk ook waar deze zin op doelt.

Ik weet wel, dat ik zelf geen ‘mooi lichaam’ heb. De boel doet het, maar daar houdt ’t ook mee op. Ik moet bekennen dat ik eigenlijk een bloedhekel aan sport heb, ik doe het omdat ’t mot. Het is ‘goed’ voor me. Ik heb veel pijn (geen idee wat de oorzaak is), ik heb volledig kapotte knieën (meerdere operaties, kruisbandplastiek, scheuren in de botten) en chronische, bij tijden meer dan heftige rugpijn (nu bijvoorbeeld). Als ik niet sport, wordt dat alles nog pijnlijker, dus ik móet wel. Ik ben naar de huidige BMI-maatstaven ook absoluut veel te zwaar. Maar!! Ik ben ook zacht en rond (“met veel knuffelvlees”, ook zo’n toffe facebookvondst). De hoop op dat slanke, gespierde lichaam laat ik onbewust maar des te realistischer en zekerder steeds meer varen. Oh, ik ben best gespierd hoor, jawel jawel. Alleen zitten die spieren in een verrekte goeie laag isolatie verpakt, dus je ziet ze niet. Maar geen jam- of augurkenpot die ik niet open krijg.

Met die langzaam maar gestaag van mij wegvarende hoop rest mij dus enkel nog het mooier maken van mijn ziel. Mens sana in corpore sano is ook niet meer mogelijk want mijn geest als zodanig is redelijk ziekelijk (ik noem even mijn heerlijke multiple personalities en mijn joy van een dirty mind, de minority reports laat ik gemakshalve maar achterwege), maar in de meeste opzichten dan wel op een prettige manier. En daar moet mijn lichaam het dan maar mee doen. Dus: hou ’t uit jonguh, want mijn ziel danst nog lang en vrolijk verder!!

Reces?

Éigenlijk wou ik een puur therapeutisch blog schrijven. Weer eens over de kinderen. En daarover dat ze nog absoluut NIET gewend zijn aan het feit dat ze recesnu daadwerkelijk vakantie hebben. Dat ze enkel rondhangen en zich dood vervelen. Ja, nu al. Dat ze enkel met elkaar aan het klieren zijn, alleen maar TV willen kijken of uuuurenlang met de nintendo/iPod/mijn Note ( 😦 ) op de bank hangen. Dat ze qua humeur allebei niet te genieten zijn. Enzo.

En dan natuurlijk ook nog wat eveneens hoogtherapeutisch geblaat over mijn man de leraar die er net zo niet aan kan wennen. Of juist teveel. Enkel slapend en snurkend op de bank ligt. Of buiten op de loungeset. En als-ie daar niet ligt, is-ie weg. Met collega’s de hort op (Jonguhhh, je hebt eindelijk vakantie van die hele schoolmeute! Dan ga je toch niet met collega’s op stap??) of werken bij z’n moeder (tegels zetten, elektra vernieuwen, stal opruimen, muurtjes bouwen, etc.). Of hele dagen fietsen. Zulke dingen doe je toch niet op de eerste dagen van je vakantie? Hij wel.

Maar ja. Wat doe IK dan die eerste dagen? Ik ben zelf niet veel beter… Ik maak de schoolspullen voor het komende schooljaar in orde. Hele waslijsten aan spullen, schriften, stiften, geodriehoeken, handvaardigheidsdozen, boeken, mappen. Zelfs the looks van het benodigde gummetje zijn voorgeschreven: Wit en 6cm lang. Ik werk me een slag in de rondte. Ik hou grote schoonmaak. Ik doe de administratie van de afgelopen anderhalf jaar  (*kuch*). Ik ploeter voort in de tuin. Ik maak thuis-schoolmappen voor de kinderen (want ik zeg ’t je, die hersenfuncties worden in die negen weken geminimaliseerd als je er niks mee doet). En ik heb nog een hele hoop vergelijkbare dingen op mijn bucket list. Bloggen staat er niet op trouwens… Ik ben daar ook niet echt voor in de stemming momenteel. Te veel in mijn hoofd, te veel dingen die gebeuren, te veel moeten, te veel ‘vrij’. Ik moet eerst weer naar beneden komen geloof ik. Down to earth. Mocht er nou toevallig toch nog iemand zijn die me mist (zou ja kunnen, theoretisch…), maak u geen zorgen. I’m OK. Just don’t feel like blogging. Got a writersblog 😛

Nee, klopt ook niet. Ik zal zo af en toe echt nog wel bloggen hoor. Als ’t moment past. Maar de frequentie zal even wat lager zijn. Een blogvriendin noemde het ‘reces’. Zomerreces. Zoiets dus. Ik zit niet zonder inspiratie, absoluut niet. Maar het komt er op dit moment even niet van. Reces dus. Ik wens jullie bij deze in ieder geval een heerlijke zomer. Ik fladder wel voorbij, zo nu en dan. Nu eerst in die vakantiestemming zien te komen. Laters!!!

VAAKAAANSIE!

Mannnohmannnnn wat ben ik daar aan toe…

Voor man en kinderen is dat nu daadwerkelijk zover. Zomervakantie. Negen weken lang. NÉGEN weken! Ik durf het bijna niet te zeggen maar echt, dit is te lang… Vijfenzestig dagen lang (jaja, ik heb nageteld) vierentwintig/zeven echtgenoot en kroost om mij heen. Elk jaar weer een beproeving van en voor mijn opperste ikje. En van onze relatie, dat kan ik u wel vertellen. Het enige ‘vakantieïge’ hieraan voor mij is het feit dat ik minstens twee maanden lang niet om 6:15h op hoef te staan. Dat maakt veel goed. Maar dan nog is mijn neiging om te vluchten verdacht groot. Ik hoop maar dat man heel veel gaat racefietsen. En dat het heel mooi weer gaat worden (hopen mag, hè?) zodat ze veel in het zwembad liggen en niks van mij willen.

Vandaag bleek wel weer hoe erg ik aan vakantie toe ben: op hun laatste schooldag haalde ik de kinderen dus te laat op. In de vaste DespicableMeveronderstelling dat ze om 9:30h vrolijk de school uit zouden komen stormen deed ik nog gauw even de boodschappen (o.a. ijs en kinderchampagne om de vakantie goed in te luiden), bracht de boel nog snelsnel naar huis en zag om twaalf over negen dat er ondertussen iemand gebeld had. Onbekend nummer.  Ik belde meteen terug. De moeder van een klasgenootje van Dochter. “Ja, je dochter staat hier te huilen, kom je je kinderen alsjeblieft gauw ophalen??”
Kaaa!!!
Uuuuu!!!
Teeeee!!!
Niks half tien!! Negen uur dus. Met meer dan 100km/h de berg af naar school gesjeesd om mijn verdrietige kinderen met hun rapporten alsnog in de armen te sluiten (en de moeder, die gebeld had, met rode wangen van schaamte uitvoerig te bedanken…)

Dochter had al visioenen hoe man en ik alleen op vakantie zouden zijn gegaan. Zoon zei enkel droog dat-ie wel naar huis was gelopen maar dat zijn zus niet wou. Ze hadden alles afgezocht naar mij. Maar ik was er niet. Ook de gelegenheid om de juffen nog even een hand te geven en te bedanken was hiermee al lang en breed vervlogen. Tja. Oh, er zijn ergere dingen, absoluut. Maar geloof mij, ik voelde mij verschrikkelijk. Een slechte moeder. Een een chaotisch rund. Dat ook. Despicable me…

Om het weer een béétje goed te maken heb ik ze meegenomen naar de bioscoop. En wat keken we daar?? Juist. Despicable me 2. Hoe passend. Superleuke film. Chips, popcorn en fanta present. Helemaal goed. Én we hebben gelachen. Heel veel gelachen. Daarna nog een rondje Mc Donalds (Nee, echt, dat doen wij NIET elke week, hooguit eens per twee maanden maar de kinderen vinden het nog steeds geweldig en nu helemaal omdat er Minions bij de Happy Meals zaten. Een must, quasi…)

Nu hang ik achter mijn laptop, de kinderen hangen op de bank en kijken iCarly. Allemaal uitgeteld. Mijn vakantie is begonnen: Mijn massagemat kneedt mijn zere rug, ik moet even niks meer, de kinderen gaan zometeen zelf naar bed (kunnen ze), en dan pak ik een groot glas wijn.

Want het is vrijdag.
En zomervakantiebegin.
En al was het dat niet, dan nog.
Morgen uitslapen.
Mensch nochmal.
Wat wil een mens nog meer…

Chaos and Piss

soms denk ik echt: “waar doe ik het allemaal nog voor…”

Op dagen als deze, dagen dat ik wist dat die zouden komen (denk hier een knipoog of iets dergelijks).
Dagen waarop echt alles, álles NIET gaat zoals het eigenlijk zou moeten.
Dagen waarop ik het allemaal even niet meer helemaal duidelijk zie.

Opstaan met bonkende hoofdpijn dus eerst een koffie-met-advil-ontbijt je in je mik douwen om gelijk ook maar je beginnende hernia te drogeren.

Een auto stampvol met rotzooi, vuilnis en overstromingsslachtoffers inclusief de kapotte maar nog uitvoerig naar pis en poep stinkende kakmixer (op chaosandpisszijn hoognederlands: de fecaliën- en afwateringspomp) uit de kelder naar het grof vuil brengen en je bij het vakkundig afladen van de stinkende boel twee keer mega in je vingers snijden. Auw. En yuck. Dat ook.

Even de krant lezen en zien dat er een nieuwe autobaanvariant bijgekomen is: nog geen 100 meter van ons huis af, precies in onze achtertuin. Het kon dus daadwerkelijk nóg dichterbij! Hoezee.

Je de pleuris werken aan een maandoverzicht om dat geheel vervolgens door een kleine crash (en het stommerdanstom te laat saven) voor goed driekwart weer te verliezen. Overnieuw.

Niet fatsoenlijk kunnen werken omdat de internetverbinding al sinds dagen van slag is: elke 5 tot 10 minuten valt-ie weg. Dan maar een blogje schrijven, wat vervolgens ook door de zwarte gaten van cyberspace opgeslokt wordt. Ook overnieuw.

Om half twaalf de kinderen ophalen van school en erachter komen dat je jouw deel van het eindejaarskado voor de juffen volledig bent vergeten. Oeps.

Je zoon die aan komt zetten met de melding dat hij een vriendje op school met zijn eigen vuist (die van vriendje dus) een bloedneus geslagen heeft. Per ongeluk… Maar het bloedde maar 10 minuten hoor!! Tuurlijk.

Een aanstormende vriendinmoeder; of ik asjeasjeblieft haar dochter mee kan nemen, werknoodgeval. Ja joh, no problem. Derde kind ingeladen. Eten koken. Uitgebreid naschoolseopvangetje spelen. Kinderen wegbrengen naar ander vriendinnetje. En weer ophalen. Nog een keer eten koken. Om kwart voor acht ‘s-avonds werd ze uiteindelijk weer opgehaald. Chaos.

Je pakket bestelde kleding krijgen om te merken dat je in drie van de vier artikelen voor geen meter in  past. Frustratie.

Al typende aan tafel in slaap donderen. Ouderdom? Oververmoeid? Beats me.

Niet nader te beschrijven maar zeer tranenrijke, frustrerende en verdrietige familiaire perikelen die erin hakken. De diplomatie was in ieder geval en in ieder opzicht ver te zoeken. Helaas.

De al tijden haperende e-toets van je laptop ineens helemaal niet meer kunnen gebruiken vanwege een stukje chips dat zich daar in innige combinatie met een plukje chocolade vereeuwigd heeft. Zegt genoeg. Maar de E verdraaid nog an toe!!! Pruts het dan onder de Y ofzo, of de Q… Maar nee. Onder de E. Natuurlijk. Schoonmaken.

De steeds sterkere sensatie van je-uitgekotst-voelen hebben. Je vrijwillig een bult werken onder groots uitblijvende dank of waardering: morgen weer zo’n dag *verheug!*. Matheid ten top. Maar we zullen doorrrrgaan…

And last but nog least: level 29 van Candy Crush. Dat is nog wel het allerergste van alles.

U kunt mij wat.
Ik ga heel hard Pink luisteren.
The King is Dead.
Chaos en Piss.
Enzo. Oh en…
Een glas wijn drinken.
Het is vrijdag.
Dan mag dat.
TGIF.
NOT!!!

geflipt

Zojuist ben ik volledig uit mijn slof geschoten. Dat gebeurt me niet vaak, maar daarnet was het zover. Eerst een heerlijk rapportgesprek over dochter, met dochter erbij. Mij wordt verteld dat madam veel teveel praat, heel snel afgeleid is door haar eigen gerebbel, anderen van het werk houdt (om ze vervolgens uitgebreid te gaan helpen met hun opgaven maar haar eigen taken vergeet) en waarschijnlijk tóch dyslectisch is gezien haar stand van (niet) begrijpend lezen.

Thuis gekomen bestelt miep de troela een dubbel spiegelei op brood en een glas water. De huisslaaf doet haar werk. Daarna rukt huisslaaf de nintendo uit de dochterhanden en maant tot het maken van het huiswerk. Onder protest en met opgetrokken knieën neemt ze haar rekentaak voor zich. De eerste vraag:
“Een boer verkoopt 15 liter melk en 3 liter melk. Hoeveel liter melk heeft de boer verkocht?”
Dochter jammert erop los.
“Hoe moet ik dat nou weten? Ik kan niet met liters rekenen. Is dit een min- of een plussom?”
“Nou dát moet jij dit keer toch echt uitzoeken lieverd, dit ga ik niet voorkauwen”
“Wèèèh, nou dan is het een minsom.”
“Pfffffff echt… kijk. Ik verkoop jou vijf potloden [*5 potloden aan dochter geeft*] en nog eens 3 potloden [*nog drie potloden geeft*]. Hoeveel potloden heb ik jou nu verkocht?”
“Teveel om vast te houden!!!”
“Kom op zeg, hoeveel????” [*Het geluid van wegklaterend geduld hoort*]
“Euhm. Acht.”
“OK. was dat een min- of een plussom?”
“Een minsom”
[Met hoofd op tafel bonkt]
“Waarom?” [Hoe krijg ik die vraag er nog zo rustig uit??]
“Nou, je hebt ze toch verkocht? Dan heb je ze niet meer”
[Nog harder op tafel bonkt]
“Nee schatje, ik heb er jou vijf EN drie verkocht. Hoeveel heb ik je er in totaal verkocht?”
“Je hebt ze helemaal niet verkocht. Je hebt ze me gegeven.”
“HOEVEEL!?!?!?”
“Acht.”
“DUS????”
“Dus is het een maalsom. Want een minsom is het niet en een plussom ook niet.”
“AAAAARGHHH!!”

En toen sloeg ik kneiterhard met mijn hand op tafel (i.p.v. op haar hoofd, dat dan wel weer) en gilde dat ze dan de hele kolererotzooi maar op haar kamer moest gaan maken omdat ik dit soort onnadenkende opperstommiteit werkelijk niet langer kon verdragen, waarna dochter met huiswerk en al luid huilend de trap op denderde. Ik was geflipt. Zonder zelfs tot tien te tellen. Nou heeft dat afwezige lontje van mij absoluut weer iets te maken met de tijd van de maand (die dan weer niet komt waardoor ik nog sneller explodeer) maar dat maakt mijn reactie niet minder pedagogisch onverantwoord. I’m sorry. I’m only human. A menopausal pre-nonmenstrual human. Op dit soort tijden zou gewoon niemand in mijn buurt moeten komen.

Dochter bonkt stampend en schoppend door haar kamer, luid brullend. Na vijf minuten komt ze de trap weer af.
“Ik weet het nog steeds niet maar ik wil nu eerst knuffelen.”
Pfiewww. Er wordt geknuffeld.
“Het is een plussom hè?”
“Ja lieffie, er staat “EN” in de som. Dat is altijd plus.”
“Waarom zeg je dat dan niet gelijk…”

Zucht. Geduld is een schone zaak.
Op naar de volgende som…

Fietsen voor gevorderden

Daarnet moest ik Zoon ophalen van school. Hij heeft namelijk vandaag zijn fietsdiploma gehaald. Een kind van tien mag hier niet zomaar op straat fietsen: het moet daar een officieel fietsrijbewijs (een ambtelijk papiertje mét foto etc.) voor hebben. Heb je dat niet, mag je tot en met je twaalfde enkel onder begeleiding van een volwassene op de openbare weg fietsen.  En dat is – naast erg lastig voor de desbetreffende ouders – mega-uncool.

Nou moet ik bekennen dat ik hier in Oostenrijk geen fietsmens ben. In Nederland was ik dat wel: ik hou van fietsen op langgerekte, vlakke, brede fietspaden door de weilanden en langs de rivieren. Maar dat kleien tegen de berg op vind ik fietsronduit crimineel. Man is daarentegen een fietsfanaticus. Minstens drie keer per week zit hij op zijn supersonische racefiets of op zijn sooperdooper carbon-mountainbike en scheurt tientallen (honderden?) kilometers in de rondte. Per jaar zijn ’t er minstens anderhalf tot tweeduizend. Berg op, berg af. Er is niks mooiers volgens hem en daarom snapt hij er ook geen bal van dat IK dat nou net níet leuk vind. En dan is ‘niet leuk’ nog een understatement. Ik vind het oerstom (tegen een berg op lopen vind ik al niet echt geweldig, tegen een berg op fietsen is voor mijn het toppunt van onzinnigheid) en uiterst pijnlijk (geen zadel waar ik langer dan een half uur normaal op kan zitten zonder dat mijn zitbotten het uitschreeuwen). En de opmerking “oh maar dat went wel” kan ik ook al niet meer horen. Nee, het went niet!! Het blijft pijn doen en ik wil geen eelt op mijn zachte achterwerkvetlagen, om de geïrriteerde clitoris maar even buiten beschouwing te laten.  Ik had dan tot voor kort ook een perfect alibi om niet te fietsen: ik had geen geschikte fiets. Een oudhollandsche fiets met drie versnellingen is geen doen hier en de oude mountainbike van Man had Zoon inmiddels al. Dus: ik kon niet! Joepie!! Helaas. Man had afgelopen week bij de Aldi ineens een fiets in de aanbieding gekocht. Voor mij. Een Trekking Bike (m.a.w.: een normale, sportieve, redelijk lichte damesfiets met 24 versnellingen voor luttele tweehonderd eurootjes die we eigenlijk wel beter kunnen gebruiken op dit moment). Maar goed, nu kon ik dus ook fietsen. En oefenen met Zoon. Wel verdorie nog an toe.

Nou hebben wij de pech, zelf ook op een berg te wonen. Voor Oostenrijkse begrippen in ieder geval een heel behóórlijke heuvel. Eraf gaat prima, maar er tegenop is ronduit Scheiße. Het fietsparcours van de proef is echter beneden in ’t dorp. Daar staan dan op het moment suprême – naast een kunstmatig stopbord – een stuk of drie gebarende en grinnikende politieagenten om de kinderen te beoordelen op hun rijkunsten. En daar moesten wij dan dus ook heen met hem om te oefenen. Berg af, acht keer dat geijkte rondje kneuren (waar óók nog weer heuveltjes in zitten want hier is praktisch niks plat), een hoop geschreeuw en gevloek en dan weer de berg op. Driewerf bah. Maar ik moest wel: man had écht geen tijd en er moest toch geoefend worden. Niemand rijdt hier zonder helm (wat bergaf ook best zinvol is) dus ik in dit geval ook niet. Zwéten in dat ding joh! Uiterst kapselongunstig.

Tot mijn allergrootste vreugde is Zoon geslaagd vandaag. Smile van oor tot oor. Bij hem ook. En ik mocht hem natuurlijk weer op gaan halen. Met de fiets? Neuh. Man is niet thuis en ik heb toch een Oudi? Bovendien weet ik vanzelfsprekend héél goed hoe ik de achterbanken plat leg en een fiets erin moet proppen. Twee kinders op de voorste stoel (mag ook niet but so what) en ik kar heel gemoedelijk en blij de berg op. Wat een weelde. Ik ben voorlopig wel weer klaar met dat gefiets. Dit bergfietsen hier is fietsen voor gevorderden. Ik ben en blijf gewoon lekker een beginneling.

ah toe, lach ‘ns…

Nee.
Ik lach niet.
Niet standaard.
Niet op elke foto in ieder geval.

Elke keer wanneer ik mijn profielfoto op facebook verwissel, komen er opmerkingen over het feit dat ik niet (voldoende) lach. Voor mijn gevoel glimlach ik wel op de meeste foto’s maar blijkbaar niet zoveel dat mensen het herkennen. Ik kan mensen er dus niet van te overtuigen dat ik hieperdepiephoerahappy ben. Nou ben ik o.h.a. ook niet 24/7 himmelhochjauchzend glücklich; de meeste tijd ben ik gewoon neutraal. Alles OK, niet depressief, niet zielsgelukkig. Gewoon gewoon. Neutraal. En als ik mij neutraal voel, kijk ik ook neutraal. Alleen is het mijn pech dat mijn ‘neutrale’ blik mij er blijkbaar hoogst chagrijnig uit doet laten zien.

Ik heb nogal grote tanden (hoewel er bij de voortanden bijvoorbeeld al ca. 1,5 mm vanaf geslepen is door de tandarts, o.a. vanwege een ongevalletje met een wekker). En ik heb dik tien jaar lang een beugel gehad. Maar ook al weet ik dat ik nu prima tanden heb (door alle procedures redelijk recht, sterk en aardig wit, best mooi), in mijn hoofd zit nog steeds die drang om mijn mond dicht te houden, om de boel te bedekken. De foto’s waar ik dus daadwerkelijk breeduit lach, zijn erg schaars.

Lieve mensen, geloof mij. Ik ben best happy. Ik ben tevreden. Ik ben per definitie geen chagrijnig mens. Ik vind mijzelf enkel mooier/beter/interessanter/whatever met de mond dicht. Klappe zu. Daarmee zult u het dus moeten doen.
Maar ik ben de kwaaiste niet:  voor iedereen die mij elke keer opnieuw zo graag lachend zou willen zien, heb ik dus even een samenvatting van de ‘lachende Lou’ gemaakt.

Bij deze:

smile

En nu niet meer zeuren.
Ik kan het.
Ik kan lachen.
Ik doe het gewoon niet zo heel vaak.
Zo ben ik nu eenmaal.

Standaard zondag

Gewoon een standaard zondag.
In Oostenrijk toevallig ook vaderdag, een week eerder dan in Nederland maar ze zijn hier sowieso standaard vroeger met alles. Van opstaan tot kinderen krijgen, van uitgaan tot vaderdag, alles is vroeger. De ochtendseks was dus ook vroeger want ik moest nog samen met de kinderen tafeldekken voor de heer des huizes. Wij doen niet aan ontbijt op bed, daar hebben wij een gruwelijke hekel aan.  Het zelfgebakken brood geurde, de standaard knutseldingen waren verstopt, het standaard bloemetje uit de tuin stond naast zijn bord (en staat nu voor mijn neus te verleppen).

Dochter leest haar gedichtje voor, zoon mompelt ook (een standaard) iets. StandaardZondag3Man pakt vol enthousiasme zijn gevilte sleutelring en zijn placemet uit, om zich vervolgens – zoals altijd – uitgehongerd op het ontbijt te storten. Vervolgens mag hij doen waar hij zin aan heeft en dat is standaard klussen. Ik lig op de loungeset en kijk toe. Eigenlijk wou ik gelijk na het ontbijt hardlopen maar ik geef het toe: ik ben te lui. Nu nog althans. Zoon drentelt om man heen, wil koste wat ’t kost helpen. Dochter plonst al lang en breed samen met buurjongetje in het zwembad. De tuinspots moeten gemonteerd worden en zoon mag helpen om de draadjes aan elkaar solderen. Man vloekt: zoon soldeert zijn wijsvinger een beetje mee. Man legt de gloeiend hete soldeerbout even op de grond voor verder gebruik en zoon, inmiddels in zwembroek op weg naar het zwembad, stapt er met het volle gewicht op. Hij stort meteen ter aarde, schreeuwt het uit. Man ziet niet wat er gebeurd is en maant hem tot minder meisjesachtig gegil, hij is toch enkel gestruikeld? Ik denk “oh shit, hij heeft op een bij of wesp getrapt” en snel toe. Dan zien we de schade: een perfecte, lijkwitte, opzwellende afdruk van de soldeerbout onder zijn voet. Ai. Ik sleur hem naar het zwembad – lang leve het zwembad – en de trap op alwaar hij bijna drie kwartier lang met zijn voet in het nog koude water zit. En hartverscheurend huilt..StandaardZondag2.

Ik maak hem uiteindelijk een voetenbad met koud water, haal zijn boek, wat te drinken, paracetamol enzovoort en draag hem op mijn rug naar de tuinstoel waar ik hem installeer. Man voelt zich duidelijk enorm lullig op zijn vaderdag. “Had ik dat ding nou niet daar neergelegd, had ik ‘m maar in de standaard gezet… stom stom stom…” je hoort het hem denken. Ondertussen belt de moeder van het vriendinnetje waar dochter gisteren de hele middag was: “Ja sorry, maar wij hebben allemaal luizen, dus check je dochter ook even?”
Aargh…

De buurvrouw had me gisteren al om luizenshampoo gevraagd voor haar jongens en zoon zelf had ook al bultjes en jeuk op zijn hoofd. Ik denk nog steeds dat het muggenbulten zijn maar voor de zekerheid heb ik zijn haar gisterochtend al gemillimeterd. Daar is geen luis of neet meer op te bekennen, ook al hadden ze er gezeten. Maar aan de luizenkammerij ontkomen we niet. Dochter stuur ik naar boven om haren te wassen, spray haar vervolgens in met antiklitspul (klinkt dat… ehm… interessant) en ga met de netenkam aan de gang. Dochter vindt ’t prima, die is gek op alles wat met haargepruts te maken heeft. Of het nou een netenkam is of vlechtjes. Haarfriemelen is altijd goed. Gossie, wat lijkt ze toch op haar moeder.

Ik installeer zoon, inmiddels met behandelde en verbonden voet, StandaardZondag1op de bank voor de TV met een bak cereals en ga een standaard driekwartier sporten in de kelder. Daarna haren wassen en mezelf glink onder handen nemen met diezelfde luizenkam. Geen luis te bekennen, ook geen neet (bij dochter trouwens ook niet, pfiewwww). Maar wel een kop vol megagladde, superstatische haren. Opluchting alom. Wij zijn vooralsnog luisvrij. Preventief verwissel ik toch nog snel het beddengoed en gooi de boel op 90°C in de wasmachine. Je weet maar nooit hè… gespuis…

Man gaat fietsen met de buurman. Mag-ie mooi doen op vaderdag. Ik gooi een kip in de oven en zet de frituurpan klaar. Kip met frieten, zijn standaard lievelingseten. De obligatoire groente zoek ik zelf uit, die is sowieso onbelangrijk. Zoon is inmiddels naar het zwembad gestrompeld en peddelt op een luchtbedje rondjes door het water. Dochter speelt met buurjongetje badminton. De rust is wedergekeerd. Ik neem een roséetje en typ een blog. Bij deze. Een standaard blog.

Alles over alles

Alles-kaplakat Ontbijt is nu, om kwart over elf, dan toch op. Lekker laat en vooral lekker lang dit keer. Want vandaag is het een feestdag: het feest van “Fronleichnam”. Geen idee wat dat in het Nederlands is, mijn moeder had ’t over Sakramentsdag. Het is het feest van de herdenking van wederopstanding van Christus door de apostelen die op de 2e donderdag na Pinksteren zijn hernieuwde aanwezigheid middels brood en wijn – zoals Jezus bij het laatste avondmaal had gezegd – celebreerden.  Of zoiets. Kan zijn dat het niet helemaal klopt, maar dit heb ik ervan begrepen en dat is al heel wat voor een ongelovig Tomaatientje als ik. Er zijn sowieso niet veel mensen die weten wat ze nou precies vieren vandaag. Wij vierden het in ieder geval alvast met brood, de wijn komt vanavond wel (een champagneontbijt werd me toch iets te gortig).

Na ons Fronleichnamsontbijt stort zoon zich vol goede moed op z’n huiswerk: het verbeteren van zijn proefwerkopstel voor Duits. Koschka, onze kat, springt op tafel en er ook gelijk weer vanaf om zich vervolgens in één van zoons gebouwde kapla-blokkentorens te nestelen. Zoon springt – vanzelfsprekend – ook meteen op en vraagt me of ik zijn T*** Towers nu eindelijk al eens heb gezien. Eh, nee nog niet. Maar dat maak ik nu goed. Zoons voornaam begint met een T en hij heeft op beide torens een grote T gebouwd. Man noemde ze daarom gisteren al de Twin Towers en zoon doopte ze vervolgens om tot T*** Towers. Hij heeft in beide torens een kussen ingebouwd zodat de katten er kunnen slapen. En dat doen ze dus ook enthousiast.

“Mam, waarom noemde papa ze de “Twin Towers”? Wat zijn die twin towers ook alweer?”
Ik leg hem uit wat de twin towers waren en ons gesprek ontwikkelt zich.
“Goh, dan zijn dit dus helemaal niet de enige T-Towers ter wereld!” Jawel… want die andere T-Towers zijn er niet meer…
Waarom niet?
Omdat terroristen ze kapot gemaakt hebben. Ze hebben vliegtuigen gekaapt en zijn met die vliegtuigen in die torens gevlogen. Daarna stortten ze allebei in en zijn er wel 3000 mensen om het leven gekomen…  [overigens hebben we het hier al wel eens eerder over gehad, temeer omdat dochter ook op 11 september geboren is (vier jaar later), maar hij wist het blijkbaar niet meer. Ook heeft hij al wel eens eerder beelden ervan gezien…]
Wat zijn terroristen?
Dat zijn mensen met een bepaalde extreme politieke of religieuze overtuiging die mensen, die niet geloven of doen zoals zij dat goed vinden, als ‘slecht’ en vijandig zien. Ze willen door zulke verschrikkelijke acties die mensen dwingen, anders te geloven of te doen. Door zoveel mogelijk mensen te treffen willen ze zoveel mogelijk aandacht wekken voor hun overtuiging en voor de veranderingen die zij willen. Meestal zijn die veranderingen vanuit een bepaalde sterke geloofsovertuiging. [Ik moest snel denken hè, mijn uitleg mag er wat naast liggen maar dit was mijn manier om het hem op dat moment uit te leggen]
Ze doen dat dus voor hun god?
Dat is vaak wel een reden ja, niet zozeer voor een god maar wel in hun overtuiging dat dat wat zij doen of geloven het beste en enig ware is en dat mensen die dat niet geloven, overtuigd moeten worden, desnoods met angst en dood…
Dat is dom. Als mensen er zulke dingen door gaan doen, is geloven in een god gewoon dom.
Nee, lieverd, dat is het niet. Dat moet iedereen voor zich bepalen. Geloven in God of in ‘een god’ of in andere hogere machten en krachten is ieders goed recht en ieders eigen gevoel. Alleen moet men anderen niet met geweld proberen te overtuigen, dat te geloven wat men denkt dat het enig juiste is… Ik heb ook het recht om niet te geloven. En jij mag geloven wat jij wilt. Als jij ervan overtuigd bent dat er een god is, dan is dat prima. Maar dat moet jij voor jou zelf ontdekken. Dat kan ik niet voor je doen…
Okee... maar dan zijn die terroristen in dat vliegtuig dus ook dood gegaan?
Ja. Maar dat was voor henzelf helemaal niet erg want zij geloofden dat ze daarna op een veel betere plek, zoiets als een hemel, zouden komen. Of dat ze na dit leven nog andere levens hebben. Dus dit leven was voor hen redelijk onbelangrijk, daarna zou alles sowieso beter en nieuw worden en zouden ze door hun god beloond worden voor hun daden. Kijk. IK geloof dat niet. Ik geloof dat dit HET leven is voor mij, dat ik hieruit moet halen wat ik kan en dat ik zoveel goed moet doen en zijn voor anderen als ik kan. Ik wéét gewoon niet of er hierna nog iets anders komt. Ik denk het zelf niet maar mocht het zo zijn, dan ben ik heel blij verrast als het zover is. Zo niet, heb ik in ieder geval zo veel en zo goed geleefd als ik kon. Hier. En nu. NU leuke dingen doen, NU leren voor straks als je groot bent zodat je jezelf en je familie kunt onderhouden, NU zinvolle beslissingen nemen, NU lol hebben. Niet morgen. NU.
Okee, dan kap ik NU met huiswerk en ga even met de ipod, dat mag wel hé?
Ehh… nou, eh… nee… Want NU leren is ook heel belangrijk zoals ik zei. Het leven bestaat ook weer niet alléén maar uit spelletjes en lang-leve-de-lol, dat weet jij ook.
Ja, dat weet ik. Maar ik heb ’t vet fout opgeschreven en m’n inktwisser is leeg. Kun je een nieuwe halen?
Zo meteen. Ik moet nog wat schrijven. Dan haal ik er eentje voor je, boven (ik heb die dingen op voorraad hè).
Maar goed, dan moet ik nog wel een keer bungeejumpen. Vanaf de Grand Canyon. Want dat hoort bij mijn leven NU.
Euh… *even met mond vol tanden staat* ja tuurlijk. Maar vandaag niet. En je springt niet vanaf de Grand Canyon maar IN de Grand Canyon. En bungeejumpen daar is sowieso niet verstandig want dan kletter je tegen de zijwand. Tenzij je vanaf een brug óver de Grand Canyon springt. Maar er is geen brug want daarvoor is de Grand Canyon veel en veel te breed. Dan kun je beter gaan paragliden, dan zie je meer en vlieg je langer.
Euh, ik dacht dat de Grand Canyon een berg was…
Vanaf een berg kun je sowieso niet bungeejumpen schat. Maar nee dus, het is een hele diepe kloof in Amerika. Vroeger was daar een rivier (die heet de Colorado) en die heeft het landschap helemaal naar beneden uitgesleten. [Ik laat ‘m even wat plaatjes zien]
Jeetje. Hoe zijn die bergen eigenlijk ontstaan dan?
Door aardverschuivingen in de oertijd. En nog steeds verschuiven er delen van de aarde en verandert het landschap heel langzaam…
Oh ja. Dat weet ik allemaal al lang. Oerknal, kaboeffff, Pangea, dinosauriers, meteoriet, enzovoort.
[blij dat hij dat allemaal al weet, hoeven we dat niet meer door te kauwen vandaag]
Heb je nou al gezien hoe Koschka in m’n T-Tower ligt??
Jaja, ik heb ’t gezien. We hebben een echte kaplakat.
Ik maak tot zijn grote tevredenheid even wat foto’s van de bouwwerken inclusief kat.
Fijn mam, dat we het nu even over alles hebben gehad. Mag ik nog eens zien hoe die vliegtuigen in die torens vlogen?
Oh jee… dat had ik al een beetje gevreesd. Ik kan die filmpjes dus niet kijken zonder te huilen. Maar goed, ik offer mijzelf op, het is ook belangrijk dat hij weet wat er gebeurd is en wat 11 september 2001 betekent. Ik vind een herdenkingsfilmpje. Enya zingt “Only time” op de achtergrond. We kijken samen naar de vliegtuigen, de explosies, het instorten van de torens en de enorme ravage erna. Zoon mompelt wel acht keer “Grausam… grausam…” En ja hoor, daar lopen ze. Over mijn wangen…
Alles-KoffiemetpilMam? Huil je??
Ja lieverd… ik kan dit simpelweg niet kijken zonder tranen in mijn ogen, sorry.
Oh dat geeft niet. Zal ik dan maar een kopje koffie voor je maken?

Ik loop even naar boven, op zoek naar de essentie van de hedendaagse levenslessen: een inktwisser. Zoon zet een kop koffie voor me neer. “Mét een stukje chocolade en een happy-pil”, zegt-ie grijnzend. Die happy-pil is een druivensuikerdragée. Wat een lekker jong is het toch ook. Hij wil de koffie proeven en dat mag van mij. Hij is uiteindelijk al tien hè. Na voorzichtig aan de koffie genipt te hebben, scheurt hij naar de wasbak om het uit te spugen en zijn mond te spoelen. Duidelijk genoeg 🙂

Ik heb op mijn computer nog een tab open staan over een boek en een video met de titel “Alles over niets”.  Ik wil het bestellen.
Nondualiteit, een prachtig iets.
Maar vandaag was het niet niets.
Het was alles.
Met mijn alles over alles praten.
Het heeft wel wat op zo’n dag…

Golden Earrings

earring-collageYep. Meervoud.

Ik heb deze week duidelijk een “terugvindweek”. Eerst mijn beestachtige rubbertriootje (zie vorig blog). En nu… Gistermiddag was ik boven op zolder in een doos (van de zolder van pap en mam naar berging in München (adres 1, 2, en 3) naar de zolder van schoonmoeders naar onze zolder, wat een hoop zolders…) aan ’t graven en stuitte mijn pink op een klein hardkartonnen doosje. Het zal toch niet waar wezen hè… ik vroeg me al tijden af waar ze ooit gebleven waren. Mijn eigen erfstukken. Mijn hoofdherinneringen aan vroegere prachttijden, mijnearring-meloentjesoorversiersels waar stamhoofden in Afrika jaloers op zouden moeten zijn.

En ineens waren ze er weer. Mijn slangen. Mijn meloenen. Mijn gitaartjes. Mijn gouden mega-ringen.
Mijn statussymbolen. Hoe groter hoe beter. Wat een lading onartistieke blingbling en metaalwaaiers had ik in de oren… Een vereiste was wel dat de oorlelversiersels ‘licht’ waren want ik had (heb) nogal gevoelige oren. En ik wilde absoluut geen hanglellen, dus geen zwaar geschut aan mijn hoofd.

Die slangen waren (en zijn) opperspeciaal. Die hebben mij in vele interessante situaties begeleid. Mijn nichtje zou ze zich theoretisearrings-snakesch ook moeten kunnen herinneren want mijn slangen waren erbij toen we op de Groningse indoor-kermis zesenveertig keer in ’t karretje van de ‘spin’ mochten blijven zitten. Procedure: Eerst heftig flirten met de kermis-boy en een attractiebakje spotten wat niet meer vanzelf ontgrendelt. Ieder drie muntjes kopen, zorgen dat je in dat bakkie komt te zitten en na drie keer heel lief vragen of je pllleeeassse nog ééééén keertje mag? En bij de vijfde keer dan heel wanhopig gebaren dat je er niet meer uit kunt. BINGO!! Meneer vond ’t klaarblijkelijk leuk en liet ons lekker zitten. Tot 46 keer toe. Daarna ben ik nooit meer in de spin geweesearring-gitaartjest. Niet met mijn oorslangen althans 🙂 Maar ik heb ze werkelijk heel erg veel in gehad tijdens mijn middelbare schooltijd. Menig jongenstong kwam er ook wanhopig mee in de knoop 😛 Maar mijn oppertrots waren toch wel de gitaartjes. Ik vond ze geweldig. En nog steeds… Alleen voel ik me nu raar genoeg  toch een beetje te oud om met deze dingen in de oren rond te gaan lopen. Al zou ik het gewoon moeten doen. Lak aan leeftijd. Ik ga mijn gitaarkunsten ook maar weer eens oppakken geloof ik.

Toch leuk dat een mens zoveel herinneringen op kan rakelen door een simpel kartonnen bakje met ouwe oorbellen… (god ik word echt oud :-S).

Rubber triootje

Met zo’n titel willen de pageviews vast wel komen. Maar daar gaat ’t natuurlijk niet om. Het gaat hier om nostalgie. Om jeugdsentiment. Ja, alweer. God ik word oud… Ach, gelukkig wel.Rubbertrio

Mijn ouders brachten laatst wat kisten en zakken met oud speelgoed van mij mee. Playmobil (inclusief prinses en indianentent), mijn oude legotrein, nog meer legospul en wat andere pruttel. Het staat nu alweer een tijdje boven op de overloop, ik wil het allemaal nog bekijken en uitsorteren. De trein evt. ‘renoveren’ (kapotte delen en wielrubbertjes bij Lego nabestellen). Gisteren hebben de kinderen er al in zitten graven. Logisch, als je bakken vol playmobil en lego op de gang laat staan, dan trekt dat. Vanochtend stommelde ik op zijn zondags naar de WC en ineens lag daar mijn rubberpaard (een schimmel, dat ook nog) op de grond. Ik keek stomverbaasd naar het ding en toen in de bak ernaast. Euforie.

Mijn rubbergiraf EN mijn rubberezel (hé, “rubberezel” bestaat blijkbaar in de Nederlandse thesaurus, de spellingscontrole accepteert het. Rubbergiraffen bestaan duidelijk minder, gezien het rode golflijntje) liggen er ook in. Mijn buigbare benenknoopbeesten!! Wat heb ik daar als klein kind veel mee gespeeld. Ik moet toegeven, ze zien er redelijk anorexia-achtig uit, maar het ijzerdraad was toen eenmaal niet dikker. En nu nog steeds niet trouwens. Dát was nog eens rubber van kwaliteit. Vol met die heerlijke ouderwetse, geweldig werkende weekmakers want het rubber is nu, dik 35 jaar later, minstens net zo buigzaam als toen. En mijn beessies ruiken ook zelfs nog precies zo rubberachtig! Ietwat minder nostalgisch daarentegen: de kauw- en sabbelsporen van toen zijn nog steeds zichtbaar…

Paard heeft zijn make-up nog steeds op: een prachtig groen pseudocirkeltje boven zijn linker wenkbrauw. Zelfgetekend. Ezel heeft wat extra zwarte strepen op hals en kop. Giraf mist al zijn giraffenvlekken. Die waren blijkbaar té lekker… Ik moet de hoeven ook duidelijk eens bijwerken. Dat deed ik toen al vol overgave: de boel mooi nakleuren met pa’s dikke eddingstift. Om dat er dan vervolgens weer lekker uitgebreid af te sabbelen. Het smaakte zo… zo… zo lekker naar eddingstift met rubber. Misschien is mijn huidige migraine wel een erfenis van mijn kinky hoefsabbelarij, who knows… Interesseert me ook niet, ik leef nog. En hoe. Mijn rubber triootje is weer present. Hoewel ik niet eens meer wist dat ik ze ooit had, heb ik ze echt gemist.

Ik ga spelen.

moved on

Nou kan ik hier wel een beetje therapeutisch gaan zitten rijmelen, maar het gevoel blijft.
Dat gevoel van “waar is het in vredesnaam heen gegaan…”
En van “waar is het, waar ben jij nou zomaar ineens gebleven…”

Nieuwe levens.
Nieuwe mensen.
Nieuwe doelen.
Nieuwe kansen.
Nieuwe contacten.
Nieuwe liefde.

Nieuw is mooi.

Het jammere is, dat het oude daarmee zo snel achteloos weggegooid wordt…
En ik voel me soms een beetje dat ‘oude’. Dat ligt aan mij, hoor. Ik ben zelf net zo blij met het nieuwe. Blij dat de dingen doorgaan. Beter en goed worden. Meestal. Maar soms is er dat verlangen. Terug naar dat wat eigenlijk nog maar zo’n klein poosje geleden was. Een nonchalante arm om je heen. In woorden dollen. Een gestolen virtuele zoen. Goed voelend contact.

Mensen komen en gaan.
Slechts een harde kern blijft langer bij je.
En die soms zelfs heel lang.
Zulke mensen koester je.
Aan de rest denk je op onverwachte momenten terug.
Momenten als deze.
En je denkt: “god ja, wat was dat mooi.”

We’ve moved on.

And we is you…

.

.

.

.

photo credit:

#newzealand #Christchurch #christchurchnz #golf #bottlelake #bottlelakeforest #thuglife

(via http://photopin.com)

alfabetvragerij

Met dank aan Nanda ga ik nu iets doen wat ik (voor zover ik me kan herinneren) nog nooit eerder gedaan heb op m’n blog: een vragenlijst invullen. Over mezelf. Dat interesseert natuurlijk geen kip. En geen hond. En de hond wederom geen moer. Maar ach, leuk om te doen is het wel. Over jezelf nadenken en dingen weer in de herinnering roepen (zeg je dat in het Nederlands? Of maak ik mij nu weer schuldig aan een germanisme?).
Nou ja. Bij deze:
Lou from A to Z.

Age: Constructiebegin: ergens begin februari 1971, afwerking: ca. 9 maand later. Maakt mij 41,5 jaar en een paar weken oud at this very moment.

Best friend: Poeh. Moet ik nu namen noemen? Ik ben gezegend met meerdere heeeeeeeeeeeeeeeeeeel goeie en gewaardeerde vrienden en vriendinnen. Die me allemaal net dát stukje speciale liefde geven dat ik van diegene nodig heb en wat ik uit alle macht probeer te beantwoorden. Stuk voor stuk op hun eigen manier überbelangrijk voor mij. Dus namen noemen heeft geen zin.

Chore you hate: Bij uitstek: strijken. Extreem stom werk. Doe ik dan ook hooguit eens in de anderhalve maand, als man echt geen overhemd meer heeft om aan te trekken (En nee, hij strijkt niet. Hij trekt dan nog liever een vuil t-shirt aan naar zijn werk). Voor de rest: kreukels zijn best mooi. En mijn kleren zitten standaard zó strak dat als ik ze aantrek, strijken echt niet meer nodig is.

Dreamhouse: Eigenlijk woon ik daar al in… Het is precies de juiste grootte, knus maar met een ruim gevoel, eigen ontwerp en bouw, met een behoorlijke tuin, leuke buren en een mooi uitzicht. Het staat exact daar waar ik vaak het gevoel heb, dat de wereld nog een beetje in orde is.  De kinderen kunnen vrijelijk buiten spelen. Er zit precies voldoende comfort in dit huis. Een penthouse met terras, gelegen in een park in een grote stad vind ik ook wel wat hebben hebben hoor. Maar daar heb ik al tien jaar in gewoond. Dit huis is dus nóg beter. Het enige nadeel: het is zo’n klere-eind van Nederland vandaan…

Essential start of your day: De wekkerS. Anders start mijn dag pas een halve dag later. En dan… is er koffie…

Favorite colour: Groen. En dan vooral stoplichtengroen. En mosgroen (hebben we op de woonkamermuur). En warmrood (hebben we ook in de woonkamer). Qua kleding: zwart (hoe kan het anders hè, met mijn figuur…)

Gold or Silver: Gold. It really is all gold that glitters. And some other stuff too, but that doesn’t count.

Height: 177cm (blij dat ze Width niet vragen…)

Instruments I play: Gitaar (kon ik ooit redelijk goed, heb ik volledig laten verslonzen maar vind ’t nog wel steeds leuk) en drums (maar ik oefen te weinig…). Daarnaast kan ik blokfluit spelen en tweehandig Für Elise op de piano ook. Maar dat dan puur op gehoor. Noten lezen is nooit een sterke kant van mij geweest :-S

Job Title (most recent): Chefke. Boss van eigen toko. Een heul kleine toko, dat wel. En ‘huisslaaf’.

Kids: Een redelijk dochterachtige zoon van momenteel 10 en een zoonachtige dochter van 7.

Life is incomplete without: tja. Ik kan nu natuurlijk wel van alles roepen: mijn kinderen, mijn man, mijn familie, koffie… Maar mijn leven zou zonder mijzelf pas écht incompleet zijn… (oh en ja, life without laptop is ook ondenkbaar 😛 )

Music that you always listen to: Met stip op nummer één:  P!NK. Daarna volgen: Bon Jovi, Alanis Morissette, MUSE, Bruno Mars, Lana del Rey, Lily Allen, Genesis, HIM, Anastacia, Falco, Christina Perry, De Dijk, Bruce Springsteen, Prince, Lenny Kravitz, Dido, euhhh… need I go on? Heavy mainstream gedoe dus.

Nickname: Lou 😀 .
M’n duitse kliek: Luzie.
M’n mams en 1 vriendin: Loezie.
M’n mams alleen: Mien tuddeke.
M’n man: Loesje (en dat “-je” is soms best sarcastisch bedoeld)
Online fora: Lois (ja, die van Lane).
M’n kinderen: MAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAMAAAAAAAAAAAAAAA!!!
En verder: Hey Du da!

Overnight hospital stays: ergens in de 90-er jaren: een kruisbandplastiekoperatie (nieuwe kniekruisband, gevormd uit mijn patellapees, vastgezet met botpluggen). En als kind van een jaar of 3 (?) heb ik ooit eens een punaise opgevroten en is mijn mam met mij naar ’t ziekenhuis gerend, alwaar ik één of andere ontbijtkoek moest eten waarmee de punaise uiteindelijk de volgende dag weer naar buiten werd getransporteerd en mijn moeder deze in een zakje meekreeg. Voor hergebruik enzo. Verder zou ik het niet weten.
[EDIT: ja ja ik weet er nog eentje!! Bij de geboortes van de kinderen heb ik ook in het ziekenhuis gelogeerd. Dat was (en is) standaard in Duitsland. Ik was dus niet ziek, ik moest gewoon een kind op de wereld zetten.]

Phobias or fears: Ik ben als de dood voor bang zijn…

Quote of a movie: Uit Trainspotting: “Choose life. Choose a job. Choose a career. Choose a family. Choose a fucking big television, Choose washing machines, cars, compact disc players, and electrical tin can openers. Choose good health, low cholesterol and dental insurance. Choose fixed-interest mortgage repayments. Choose a starter home. Choose your friends. Choose leisure wear and matching luggage. Choose a three piece suit on hire purchase in a range of fucking fabrics. Choose DIY and wondering who the fuck you are on a Sunday morning. Choose sitting on that couch watching mind-numbing spirit-crushing game shows, stuffing fucking junk food into your mouth. Choose rotting away at the end of it all, pissing your last in a miserable home, nothing more than an embarrassment to the selfish, fucked-up brats you have spawned to replace yourself. Choose your future. Choose life . . . But why would I want to do a thing like that? I chose not to choose life: I chose something else. And the reasons? There are no reasons. Who needs reasons when you’ve got heroin?
Ik oefen nog steeds wekelijks om deze quote uit mijn hoofd te kunnen opdreunen. Dagelijks heb ik opgegeven.

Reason to smile: Life. (Reason to cry: Life too).

Siblings: My one and only, lovely, beautiful big sister.

Time you wake up:  Doordeweeks: Te laat. Ondanks lichtwekker (werkt voor geen meter in de zomer) en een extra radiowekker (die man aan zijn kant uit mag meppen). In het weekend: Te vroeg. Voor half 10 uit m’n nest komen is dan eigenlijk een no-go. But shit happens. Letterlijk…

Very important date this year: Morgen. Morgen is altijd het allerbelangrijkst dit jaar. Elke dag opnieuw.

Worst habit: Onzekerheid. Gék word ik er van. Altijd denken dat je het niet goed doet, niet goed genoeg bent, mensen je achter je rug om uitlachen om je naïviteit. Dingen niet durven omdat ik al bij voorbaat denk dat ik de mist in ga. Stiekem toch piekeren over wat mensen wel niet denken. Het zou me scheißegal moeten wezen, maar dat is het niet. Of toch? Hmmm… Oh eigenlijk is dit geen gewoonte maar een karaktertrek. Sjee, doe ik het alweer fout… *nagels bijt*

X-rays you’ve done: Een stuk of 5-6 MRI-scans van m’n rechterknie (valt dat onder X-ray?). Een hele zwik baby-in-de-buik-echo’s, nog een zwikje gyneacologische en tandheelkundige echo’s en röntgenfoto’s. En een mammografie alias borstenpletsessie.

Yummie food you make: Schnitzel, Kip-in-het-pannetje, lasagne, pannenkoeken… eigenlijk alles. Ik ben gék op koken. En eten.

Zoo animal: Olifant. Op de één of andere manier voel ik me daar thuis…

Wel. Genoeg over mij. Nu weet u weer een beetje meer. En toch nog steeds niks 🙂

En wat doe je dan

…als je met jezelf én anderen overhoop ligt?
Juist. Je gaat op stap. Aan de wandel. ’t Bos in.
Heel even weer merken dat de wereld hier en daar toch best nog wel in orde is.
Ik heb het gemerkt.
Dan weet ik weer, waarom ik hier woon…

OKwereld_5

OKwereld_4

OKwereld_3

OKwereld_2

OKwereld_1

Daarom.

niets

Zoon heeft zijn dagelijks middageten-vragen-en-feitenuurtje.
Wat heeft tweeënveertig ogen maar kan niet denken? Een dobbelsteen.
Duhh.
Een dobbelsteen heeft helemaal geen tweeënveertig ogen.
Oh ja.
Nou goed dan, dan zijn het twee dobbelstenen.
Dochter werpt er even wat tussen: Wat heeft honderdmiljardduizend ogen maar kan niet denken?
Zoon ratelt verder.
De lucht heeft helemaal geen ogen!
En áls de lucht ogen had, waren het er veel meer dan dat!!
En honderdmiljardduizend is sowieso geen getal.
Mam, wist je dat er een chinees meisje is, dat tegelijkertijd met de ene hand engels en met de andere chinees kan schrijven?
En er is iets dat wij niet meer kunnen maar wat de oermensen nog wel konden. Weet je wat?
Nee…
Slikken en ademen tegelijk!!! Háh!
Oh mam, wat is eigenlijk ‘het niets’?
En hoe groot is het universum?
Waarom wordt het nog steeds groter?
Wat is er dan daar, waarheen het zich uitbreidt? Is dat weer ‘het niets’?
Kun je je echt in laten vriezen zonder dat je cellen afsterven? Want als dat kan, kun je je in een ruimteschip in laten vriezen en duizenden lichtjaren ver reizen.
Mama ik ga me nu even aan jou vastlijmen.
Ik lust dit  (opgewarmde ovenschotel met gehakt, wortel en aardappelen) niet. Eergisteren nog wel, maar toen zat die smurrie er nog niet tussen. Welles. Nietes. Nou dan wel, maar dan nog lust ik het nu niet meer.
Mag ik vandaag de slakken in de sla doorknippen?
Nee.
Waarom niet?
Daarom niet.
Oh.

Hij eet. Met hernieuwde tegenzin.
Prikt met zijn vork de wortels en het gehakt er tussenuit.
Ik zucht en ruim de eetrotzooi op.
Verder met de orde van de dag…

.

.

PS: eigenlijk frappant dat ’t niemand opvalt dat je ogen hebt om te zien, niet per se om te denken… ik kwam er pas later op. Waarom zou iemand of iets met ogen per definitie ook moeten kunnen denken? Ach. Laat maar 🙂

maandowns

Het is elke keer opnieuw moeilijk te beschrijven. De neerslachtigheid die zich zo eens per maand van mij meester maakt. Zo zat je nog vol energie, ging je met alle elan te werk, pakte je alles aan. En zo heb je nergens zin meer in. Wordt de schakelaar omgegooid. Denk je de hele dag “pffffffffff waarom zou ik nog…” Intens moe. Down. Huilerig.

Het geluk is dat ik momenteel heel erg druk ben, ik móet wel door. Ik moet zoveel doen, aan zoveel dingen denken, zoveel klussen in de tuin die gewoon niet kúnnen wachten en nu moeten gebeuren, dat ik simpelweg doorga. Door met functioneren. Niet denken maar doen. Van rekeningen schrijven tot gras verticuteren, van brieven schrijven tot plantenbakken beplanten,  van presentaties bijwerken tot pannenkoeken bakken, van ouderavonden tot voetbaltrainerszittingen.

Gewoon doen. Gewoon gaan. Maar ondertussen takel ik af. Voel me mat en lusteloos. Standaard anderhalve kilo erbij waarvan ik weet dat het allemaal vocht is maar desalniettemin belanden mijn dieetpogingen meteen weer in de prullenbak en is mijn moeizaam opgebouwde discipline weer vervluchtigd. Foetsie. Ik maak meer fouten dan nodig en ben sneller geïrriteerd dan een krolse kat.

Het liefst zou ik me dan een stuk in mijn kraag zuipen om alles fijn te verdoven. Maar aan stukken in kragen zuipen doen we niet meer tegenwoordig… Morgen eerst maar weer een rondje nordic walken of fietsen of powerplaten.  Dat werkt dan toch beter. En overmorgen ziet de wereld er alweer heel anders uit. Zeker en vast…

mei zon dag

gewoon.

Gewoon een heerlijke dag. Uitgeslapen. Weliswaar wakker geworden met een onmeunige rugpijn van mijn plantenbakbeplantingsactie van gisteren maar twee advils doen wonderen. Uitgebreid ontbijten, koffie op ’t terras in de zachte kussens van de loungeset. In slaap gedommeld.

Een rondje tuin, wat onkruid getrokken, met m’n blote voeten het te hoge gras bevoeld. Heerlijk. Mijn werk van gisteren bewonderd, de daaruit resulterende rugpijn vervloekend. Ja, toch ook heerlijk. Meer koffie, kletspraat met de buurvrouwen. De kinderen duiken bij buren A in het zwembad. Komen terug voor wat brandstof (lunch) en duiken vervolgens bij buren B in het volgende zwembad. Ons eigen zwembad is duidelijk nog te koud. Ik denk dat ik er morgen maar ‘ns een litertje of 40 kokend water in ga gooien, anders hangen ze nog wekenlang bij de buren rond…

Meer terrashangen. En vooral ook: meer niksdoen. De kinderen komen binnenvallen. “GAAN WE VANAVOND BBQ-en????” Nou, ehh, pffff… kweenie… Ik heb niks in huis en ik heb al gekookt vanmiddag dus eigenlijk: NEE.

bbq3 Maar ik ga toch eens graven in de vriezer. Misschien heb ik nog wel wat spul wat nodig op moet. Een paar knakworsten en een rol eeuwenoud pizzadeeg.  Hout uit de kist in de schuur gegraaid. Zoon – “ik ben bij de scouting hoor!!!” – bouwt een tipi-vuurtje. Hij zegt er niet bij dat hij er éigenlijk helemaal niet meer naar toe wil; voor dit vuurtje is de scouting dan toch nog weer goed genoeg. Ruzie om wie de hens erin mag steken. Ook een standaarbbq2d discussiepunt.

De boel brandt. En rookt. Ik schenk een wit wijntje in en duw de inmiddels ontdooide worsten op een uitschuifbare spies. Een reep pizza-deeg  om een andere en grillen maar. De kinderen vinden het geweldig. Elke keer opnieuw. Ik kijk toe. How bbq4relaxing…

“Krijgen we straks ook marshmallows in een koekie???”
“Nee. Genoeg zoetigheid gehad vandaag, het is goed met jullie.”
“Wèèèhh!!”

Ik kan niet tegen ‘wèèèh’ dus duik ik de gangkast in. Daar ligt daadwerkelijk nog een nieuwe zak marshmallows. Van de Haribo nog wel. En een pak koekjes. Ach soit.
Overstag. De kinderen jubelen. “JIJ bent de liefste mama van alle mama’s, mama!!”. Tuurlijk. Als je maar met marshmallows op de proppen komt. Vanzelfsprekend verbrandt het eerste paar schromelijk maar het volgende gaat altijd beter. Ik hou ’t maar bij witte wijn qua avondetenbbq1. bbq5Werkt ook prima, qua koolhydraten dan.

Ja. Dit was een mooie zondag.
Bevrijdingsdag…
Sterfdag van mijn oma…
En toch ook gewoon
een mooie zondag in mei.

Dagplanning

Vandaag werd ik er weer met mijn neus ingeduwd:
Plan niks want ’t komt er toch niet van.

Gepland:
Kinderen naar school, sport, boodschappen doen, tuin (véél tuin), beetje werken, wat tussendoor kletsen met vrienden, huiswerk begeleiden bij de kids, koken, relaxen.

Not.

Real life:
Bij ’t ontbijt kwam zoon op de proppen met het feit dat hij toevállig nog een dictee had vandaag. Om 7am dus nog wat woorden geoefend maar dat was natuurlijk volledig zinloos. Kinderen de deur uit gewerkt, ik in m’n sportkloffie klim op de hometrainer. Twee minuten later belt bedrijfspartner in paniek: Er worden dingen van onze rekening afgeboekt die niet kloppen. Ik klim weer van de fiets af en in plaats daarvan dan maar in de telefoon. De vroegere GEZ (Gebühreneinzugszentrale, zoiets als de instantie voor kijk- en luistergeld) heeft sinds dit jaar een andere naam en denkt daarmee ineens het zevenvoudige bedrag per maand te kunnen innen. Maar het centrale servicenummer kun je vanuit het buitenland niet bellen. Dan maar via het impressum op de website de centrale bellen om te laten verbinden. Helaas. Niet bereikbaar. Ik zoek de boel uit en schrijf uiteindelijk maar een email. Een telefoontje met de belastingdienst waar ik al een paar weken tegenaan zit te hikken, doe ik er gelijk maar even achteraan.

Een vriendin belt, in paniek. Er gaat iets niet goed. Een goed half uur later een beetje opluchting maar ook weer een half uur verder. Ik spring in de auto om de boodschappen te doen, tegen de middag moet er een grote levering komen en dan staan de kinderen ook weer voor de deur dus opschieten. Ik sjees door de Billa en de Lidl. Er piept iets in de auto (Te weinig koelwater? Te weinig ruitenlapwater? I don’t care). Thuis opgeruimd, de was gedaan, brood gebakken, een jammerlijk mislukte poging tot mijn anderhalfmaandelijkse strijksessie (telefoon, twee belangrijke emails, weer telefoon). Mobiel brult: de levering komt over ca. 1,5 uur. De kinderen stuiven naar binnen. HONGER!!! Eten maken. Zelfgebakken brood met nutella en hagelslag, het moet maar effe.

Om kort voor twee de deurbel. Ik denk “oooh shit ja!! Drumles!!” maar nee, het was de levering. Twee meer dan 5 meter lange en al heel lang verwachte zonweringen die voor schaduw op ’t terras moeten gaan zorgen. De – naar mijn bescheiden mening duidelijk poolse – vrachtwagenchauffeur doet de klep open en ik zie twee compleet krom liggende, volledig kapotte verpakkingen (á ca. 80 kilo per stuk…) waar onze zonweringen in moeten zitten. Gapende gaten, loshangende kartondelen. Na enig getelefoneer en geharrewar met chefs en verkopers maak ik nog even snel foto’s van de ravage en krabbel ik op het leveringsformulier dat ik niet kan inschatten of de artikelen kapot zijn en ik de hele levering bij deze niet aanneem. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ook geen idee had hoe ik die dingen samen met die chauffeur uit de vrachtauto had moeten krijgen. Wat een zóói daarbinnen… Weg ermee.

Ondertussen komt de drumleraar alsnog aanscheuren. Ik dirigeer ‘m samen met zoon naar de kelder, voor mij geen drumles 20130502_141712vandaag. Dochter maakt tegelijkertijd een zooi van haar huiswerk en belt eigenhandig een vriendinnetje om te vermelden dat ze daar vanmiddag komt spelen. Ik graai de telefoon uit haar handen en spreek met de moeder af dat ik haar rond drieën kom brengen. Vriendinnetje woont echter in de middel of absoluut nergens, zelfs de navigatie vindt het niet. Om iets na drie uur is ze er dan toch en scheur ik met een noodvaart terug naar huis om nog op tijd een nieuwe afspraak met de drumleraar te kunnen maken. Verder met m’n werk, de tuin moet maar wachten. Zoon maakt ook een prutteltje van zijn huiswerk én heeft de helft vergeten dus dat wordt weer een verhaaltje voor de juf schrijven in het postschrift. Tussen de bedrijven door zie ik een DYAC-link op FB waar ik echt tranen met tuiten om heb gelachen én zie ik een muziekvideo op youtube (via FB) die me vreselijk raakt, wederom tot tranen toe. Facebook meteen maar weer uit… Om 5 uur dochter weer ophalen want die heeft haar huiswerk dus nog voor geen meter af. Terug naar huis rijden (met navigatie :-S), eten koken. Terwijl het kookt zaai ik in de tuin en in de regen nog even snel een nieuw bloemperk in. Dat met die wortels uitzaaien en met m’n minivijver wordt i.i.g. niks meer vandaag. Man belt dat het laat wordt. Hoe laat? Geen idee. Laat. Oké. Fijn. “Je zonweringen heb ik trouwens ook teruggestuurd schat.” “Wáááát???” Gheheheh.

Zoon springt op van het eten en wil toch even laten weten dat hij uitgerekend heeft hoe groot de oppervlak van onze net afgemaakte Van-Haasteren-puzzel is, namelijk 7.300. Zo ongeveer in ieder geval. Fijn lieverd, dat heb ik nou altijd al willen weten.

En nu? Nu typ ik weer een zinloos blog.
En de conclusie van dit blog?
Zoals ik al zei.
Plan nooit iets.
Het komt er toch niet van.

Drukst

Geen snelle WA-gesprekjes meer. Sorry. Echt. Te druk.
Goeiemorgen lieverds, ik ga weer aan ’t werk. Ik moet nog zoveel doen…
Geen tijd meer voor de wat meer aandachtslurpende dingen.
Kun je morgen even terugbellen? Ik moet nu echt weg.
Tweeëntachtig nieuwe blogs te lezen en de krant nog niet eens gezien.
Bellen met de belastingdienst. Bellen met de paardrijschool.
Email aan de ouders van de klas. Email aan bedrijfspartner.
Shit, vergeten kadootje te kopen. Oh, ik moet naar de sport.
Een nieuwe maand dus afsluiting voor de oude maand moet eruit.
En oh hemel, het is al mei… ik moet nog wortels zaaien. En sperziebonen.
Anders hoeft ’t allemaal niet meer…

Drukst.
En ik ben niet de enige, merk ik. Ondanks dat ik zelf door ’t leven hol, mis ik het contact.
Ook al is het maar even. Kort. Sommige mensen vallen ineens compleet weg. Stil.
Drukst.

Eerst maar eens kop koffie pakken.
De radio uit. Mezelf op het terras in de kussens nestelen.
Luisteren.
Vogels. Licht autogeruis in de verte. Zachte bries door de bomen.
Opsnuiven.
De geur van dauw en melisse. Vers gemaaid gras. Koffie.
Het miezert.
Even ontdrukken…

koningin van gisteren

Nooit verwacht maar ineens was ’t daar. Dat vaderlandsgevoel. Ook ik keek mee in m’n Oostenrijkse Hütte. Oh grutjes, we hebben een koning… In eerste instantie dacht ik nog: “wat een heisa om een verouderd ambt” en “wie heeft dat koningshuis nou nog nodig? Kost een hoop geld…” Ik plande onderbewust om er toch vooral maar niks op uit te doen. Maar toen de fitnesstrainer belde dat er om 9 uur al een plek vrij was i.p.v. om tienen was ik stiekem ineens een beetje blij. “Yesss! Dan kan ik om tien uur  toch nog de abdicatie en de speech kijken.” Huh?? Ik??  Wtf….koningsdag2

Afijn. Ik pink een traantje tijdens Bea’s emotionele afscheidswoorden. Aandoenlijk hoe ze  even de hand van Willlem-Alex pakte. Die blikken van Máxima… Ach wat mooi. Ja toch wel. Ineens krijg ik ’t op m’n heupen. Wáár is die verhipte vlag? Ik had toch een vlag? In de kelder graaf ik mijn WK-oranjespul weer uit. Twee boa’s, een kroontje met vlechtjes, rood-wit-blauwe kettingen en een hoop vlaggetjesslingers die ik voor ’t huis in de planten en de aan de koningsdag1regenpijp drapeer. De boa’s er ook maar aan. Het kroontje en de kettingen blijven bij mij hangen.

Dochter komt thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand schat, we hebben een nieuwe koning.”
“Hebben we hier in Oostenrijk ook koningen dan???”
Nee, die hebben we hier niet. Maar in Nederland nu wel…
Zoon komt een uurtje later ook thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand lieverd, maar in Nederland is er een nieuwe koning, de eerste koning sinds 123 jaar dus dit is een historisch iets.”
(ik dacht, laat ik even wat uitgebreider antwoorden dan daarnet).
“Wat een onzin zeg… wanneer mag ik dan Phineas en Ferb kijken??”

Ik merk ook dat ik ergens een steek in de opvoeding heb laten vallen: in beide kinderen zit, hoewel ze allebei officieel Nederlanders zijn, werkelijk geen greintje Hollandgevoel. Niets. Het mijne daarentegen laait met de minuut hoger op. Ik vind ’t geweldig om het enthousiasme van die oranjegekleurde meute te zien. Hoe men samen viert, blij is. De uitbundigheid en ergens ook een soort teruggevonden verbondenheid die al sinds tijden mijlenver te zoeken was. Praktisch geen noemenswaardige incidenten. Een land, nee MIJN land viert feest. En ik zit hier…  Ondertussen koningsdag3heeft dochter toch een prachtig miniboeketje voor de kroonloze koning in elkaar geflanst. “Speciaal voor die meneer daaro, mam. Die kan wel wat bloemen gebruiken toch?” Ja, nou dat vind ik ook wel. En een biertje of zo.

Ik ben trouwens geen groot fan van het koningshuis. Ik vind ’t geheel als nationale institutie enkel acceptabel. Het kost een bom duiten maar dat kost een president nu eenmaal ook. Een koning of koningin doet zijn of haar best op handelsmissies en representeert het volk. Die eer is dus nu aan Willem Alexander. Maar het maakt niet uit wat de aanleiding was: een dag uit je bol gaan, je vaderland liefhebben, lekker gek doen en uitbundig feestvieren is simpelweg gezond. Zoon ziet dat anders: “Mam, wanneer haal je die suffe vlaggetjes nou weer weg? Ik vind ’t maar gênant… En doe dat kroontje af!! Stel je voor dat de buren binnen komen…” OK dan. Nu blijft de boel natuurlijk helemáál hangen tot de volgende koningsdag. En mijn kroontje doe ik misschien eventueel mogelijkerwijs in bed af. Maar ook dat is nog niet zeker.

Oh en dat rare koningslied?
Dat is nog steeds een groot stuk verdriet.
Bekoren kan het mij dus écht niet…
Maar ook dat interesseert niemand ene biet.
Stom lied.

Tijd tekort

Als ‘goed’ schrijfster en waar blogster zou ik dagelijks moeten bloggen. Of in ieder geval regelmatig. Ik ben blijkbaar geen echte blogger. Ik heb momenteel simpelweg geen tijd.
Eindelijk, na maanden, weer min of meer gezond.
Eindelijk de lente gearriveerd.
Dat maakt dat ik nu even andere prioriteiten heb.
Eindelijk weer werken, eindelijk weer opruimen en klussen.
Eindelijk weer volop tuinieren.
Eindelijk weer dingen regelen en ondernemen.
Eindelijk weer kunnen helpen, de handen uit de mouwen kunnen steken.
Eindelijk weer afspraken kunnen maken én ze ook na kunnen komen.
Eindelijk. Tijd tekort.
Tijd komt wel weer.
Ik ook.
Goed?

beugelbekkie

Ik heb een beugelbekkie voor m’n eigen bestwilbeugel2
Da’s goed voor later, oh, daar twijfel ik niet aan
En op m’n neus – die ook niet mooi is – staat die pestbril
Dus ga ik steeds opnieuw weer voor de spiegel staan
Dan denk ik: Maakt het nou wat uit hoe ik eruit zie
Dan denk ik: Ja natuurlijk en dan denk ik: Nee
Want zonder bril weet ik heel goed, dat ik geen fluit zie
En rare tanden krijgen, da’s geen goed idee.
Oh nee…

Nou, probeer dat zoon maar ‘ns in te peperen. Het is voor je eigen bestwil, lieverd. (“Mijn bestwil wil dit niet!”). Je krijgt straks véél mooiere tanden. “Ik héb mooie tanden. Ze staan alleen een beetje scheef”). En het maakt toch niet uit hoe je eruit ziet? (“Ja wat nou, ik moet mooiere tanden maar eigenlijk maakt ’t geen bal uit??”).

Ik heb zelf bijna tien jaar lang een beugel gehad. Op mijn achtste was al duidelijk dat mijn gebit een plaatselijke ramp was. Letterlijk. Te weinig plek, dubbele tandenrijen, een overbeet waar je onder kon schuilen, enorme hazetanden en alles maar dan ook alles schots en scheef. Als ik in een appel beet, kon je de prachtige kartelrandjes bewonderen. Er werden vier melkkiezen getrokken. En gelijk daarna ook de daaropvolgende blijvende kiezen. Alles om maar meer plek te creëren. Ik had dubbele hoektanden, dus die melkhoektanden moesten er ook uit zodat de blijvende hoektanden naar beneden konden zakken (m.b.v. een beugel natuurlijk). Ik heb plaatjesbeugels, blogbeugels, beugels met hekjes (tegen ’t duimen :-S), plakkertjesbeugels (met ringetjes en elastiekjes), kapjesbeugels en weet ik veel wat voor beugels nog meer gehad. Toen ik 18 was, was de reconstructie wel ongeveer klaar. En daar zal ik m’n ouders altijd en eeuwig dankbaar voor zijn want ik weet niet hoe ik er anders had uitgezien vandaag de dag. Maar goed, zoon is er vooralsnog absoluut niet dankbaar voor.

‘Vroegah’ waren alle beugels roze. Nu niet meer. Hij mocht zelf kiezen in welke kleur hij zijn beugel wilde (blauw) en er werd zelfs een plaatje naar wens op gedrukt (in zijn geval een motor). Vroeger moesten we uuuuuuuuuuuuuuurenlang wachten op onze afspraak, hele namiddagen zaten we daar in die (enorme) wachtkamer. Nu niet meer: om half 3 stond de afspraak, om half 3 aan de beurt, om tien over half 3 stonden we weer buiten met beugel, beugelsleutel en beugelbakkie. Vroeger moesten we voor iedere aanpassing weer op komen draven. Nu niet meer: we mogen de beugels (hij heeft onder en boven zo’n plaatje met een stangetje) zelf om de vijf dagen met de beugelsleutel aandraaien dus de volgende afspraak is pas over goed 6 weken.

Het enig overgebleven probleem: Als ‘echte man’ is zoon nogal kleinzerig en overgevoelig (understatement of the year).
“Ik kan nief pfafen mef daf ding.”
“Hiebf doef ef feeerr” (‘Hier doet het zeer’ – een plekje boven zijn hoektand aanwijzend)
“Ik vind dif ech nie aangenaam, hoof…” (nooit gezegd dat ’t aangenaam zou zijn, lieffie…)
“Ik kan nief eenf ffflikken mef daf ding” (nee, maar met ’t eten mag-ie ook uit).
“wwwaaromm zif dif dingefje hier…” (een metalen uitstulpinkje met de tong aanwijzend)
“Mijn wehemelfe doef bijn” (“Mijn gehemelte doet pijn”. Oh. OK. En nu?? Platstampen ’t ding?)
“Hoe lang moef ik ‘m dan nog dragen?” (Nou, euh, nog een half jaar ofzo? En elke dag een uur of 14-16?)
Kreunsteunjammerklaag. En dat al na welgetelde twéé uur beugeldragen… Hij slurpt zich een ongeluk want “die beugel zit precíes op mijn speekselklieren en dan kan alle kwijl dus niet weg”. Uhuhh… OK, dit herken ik wel van mezelf van vroeger, maar elke 15-20 seconden heftig zuigend geslurp heeft toch best een behoorlijk negatieve uitwerking op je irritatietolerantie.

Yep. Dit wordt nog leuk, zeker weten.
Ik peper ‘m gewoon elke keer opnieuw in met de beugelverhalen en -ellende uit mijn jeugd.
TOEN was alles pas écht erg. Enzo.
En dan vooral die ene zin:
Later zul je me er dankbaar voor zijn…

Stoelendans

Na een maandje of twee knock-out te zijn geweest, heb ik nu zó veel te doen en nog meer in te halen dat ik inmiddels chronisch afwezig ben op het hele arsenaal social media. Heel gezond bij tijden, maar ik mis ook heel erg veel. Er zijn ergere dingen, weet ik. Weet ik. Maar ik wil nu eenmaal niks missen… Onmogelijk met dit weer. God wat is het mooi weer… Vandaag was het 26 graden. Heeeeeeeeeeeeerlijk. Het is nu nog warm buiten. En met die lente in de bol moest en zou ik die nieuwe, strakke, mooie maar vooral prijstechnisch ook héél aantrekkelijke aluminium tuinstoelen van de Aldi op mijn terras hebben.

Helaas dachten dat minstens 38 andere mensen met mij, die ook allemaal om tien voor acht met hun kar in de aanslag voor de glazen deur stonden te douwen. Als je niet beter zou weten, zou je gedacht hebben, dat er vandaag om 8am een spontane twee-minuten-gratis-shoppen-actie plaats zou vinden. Ik was nog naïef genoeg om te denken (hopen) dat deze mensen vást niet voor die tuinstoelen kwamen maar die hoop vervloog al gauw. Mijn Aldi (heet hier overigens niet Aldi maar Hofer, maar dat terzijde, het is gewoon een Aldi) kennende stonden de tuinstoelen in de derde gang achteraan. Het was racesteppen en karretjebeuken om maar zo snel mogelijk vast te mogen stellen dat er op die plek inderdaad een twaalftal stoelen opgestapeld stond.

TWAALF!! Hoe kúnnen ze… Uiteindelijk wist ik één stoel te bemachtigen. ÉÉNTJE!! Wat moet een mens nou met één stoel… Iedereen wou er zes. Of acht. En maar rukken. En duwen. En vloeken. En vuil kijken. Eén stoel stond zelfs nog zielig in de gang, die was door alle getrek al uit ’t fatsoen gerukt. En eigenlijk wou ik dus die met zwarte bekleding, niet deze grijze. Ellende.

Maar ik ben niet op één tuinstoel te vangen. Ik gaf mijn grijze stoel, vanzelfsprekend uit pure liefdadigheid, aan de meneer die er toch maar mooi even vijf had weten te bemachtigen en die nu helemaal happy naar de kassa karde. Even over mijn vers geoogste blauwe plekken op de heup wrijvend sloop ik heimelijk met kar naar het magazijn om de dame aldaar te vragen of ze niet nog ergens een stapel zwarte had. Ze keek me meewarig grinnikend aan en zei: “mevrouw, we wilden simpelweg die unieke stoelenrace van acht uur niet missen en ik kan u verzekeren, het was ’t waard. Maar we hebben nog minstens twintig palletten met stoelen hier staan hoor. U wilde zes van die zwarte? Alstublieft.” En dumpt zes stoelen op mijn winkelkarretje.
Oh, how nice…

Pokkezooi

Dat is het hier. En dat komt omdat ik aan ’t opruimen ben. Aangezien ik vandaag werktechnisch niks op ’t program had en best wat energie over, moest ik vandaag maar ‘ns door met mijn uitmest-en-opruim-project. Ik had al eerder geblogd dat ik bezig was, en dat gaat nu, na alle ziekte en gedoe, éindelijk verder.  Vanochtend heb ik eerst de keuken schoongemaakt, daarna een rondje vibrogym in de fitnessstudio. Maar toen was ’t toch echt hoog tijd. Ik ben namelijk aan ’t kastenswappen. Wij hebben een heul ouwe Ikea-kastenwand (“Bonde”, sinds 2010 uit het assortiment verdwenen. Verdullemie!) in de woonkamer. Of liever gezegd: in de ‘bibliotheek’ annex ‘speelhoek. Dat is een oorspronkelijk aparte kamer waar de hele speelzooi van de kinderen uitgestald ligt en wij ook nog een paar planken voor boeken ter beschikking hebben.

Door chronisch gebrek aan opbergruimte wilde ik een stuk aan de kastenwand bijbouwen, maar tja. Bonde was kassiewijle. Prima, dan maar Besta (met een rondje op de -a- maar dat wil mijn laptop niet en ik heb geen zin om nu in de ascii-tabel te gaan neuzen), zolang het maar Ikea is. Een Ikea-fan moet Ikea hebben. En ik ben bekennend Ikea-fan. Dus Besta kwam er. Maar nu blijkt Besta helemaal voor geen meter bij Bonde te passen. Dat is klote want als ik ergens een hekel aan heb, zijn het niet bij elkaar passende meubels. Voor de kinderkamers had ik ook per stuk twee Besta-kasten besteld (die staan nu nog steeds in de verpakking) maar ik heb á là minute omgepland: De kinderen krijgen allebei de helft van onze Bonde-kastenwand en de rest van de Besta-kasten komt mooi ook in de woonkamer. Dat vonden de kinderen vanzelfsprekend absoluut niet geweldig maar da’s pokkezooidan maar jammer. Mama bepaalt. Enig nadeel: de Besta had de nodige witte achterwanden (de kasten op de kinderkamers komen namelijk vrij te staan dus je ziet de achterkant), de Bonde-kasten hebben lelijke bruine spaanplaatachterkanten. Wat nu.

No problem. De kasten heb ik schoongemaakt en wat gerenoveerd (opgekalefaterd), de achterwanden eraf gesloopt en vandaag uitgebreid met witte muurverf gewit. Ze zien er nu dus uit als witte muren, helemaal mooi. Daarnaast komt er op de achterkant dus bij beide een schilderij naar wens. Ze hebben het al uitgezocht: een kat (dochter) en een skateboarder (zoon, dus). Op de zijkant komt bij allebei een lange spiegel. Gelukt: kids helemaal happy met de nieuwe ouwe kasten.

En dat heb ik dus vandaag gedaan: achterwanden gewit. En aangezien ik toch al bezig was, heb ik ook nog maar even de muur bij de eettafel weer toonbaar gemaakt (daar is een maandje of 2 geleden een vol glas rode wijn tegenaan geslingerd, op zich best een origineel patroon, maar ik vond ‘gewoon wit’ nu ook wel weer een keertje leuk. Dochter vond ’t daarentegen jammer (“ik vond opa’s versiering hartstikke mooi!!!”) maar zoals ik zei: mama bepaalt. En wit de muur. Help, mijn vrouw is klusser 😀 Maar man vindt ’t gelukkig helemaal prima, mijn klusambities.

Morgen verder. Het is hier nog steeds één grote pokkezooi hier, maar vandaag ben ik weer een stapje verder op weg naar mijn Ikea-droomhuis. Als ’t klaar is, zal ik foto’s showen van al mijn klus- en opruimwerk.

KiddySocca

kiddysocca ik heb ’t al wel ‘ns vaker uit de doeken gedaan maar ik heb dus een geheime carrière. Als voetbaltrainster. Samen met drie andere gedreven (*kuch*) dames stomen wij de kindsterretjes (liefdevol Bambini’s genoemd) van onze lokale voetbalvereniging (FC Schweinstein) klaar voor het echte werk bij de U8. Oftewel, in goed Nederlands: wij hobbelen met de F-jes over het veld tot ze eindelijk zeven zijn en naar de E-tjes mogen. Bij ons beginnen ze alleen nog nét iets vroeger dan in Nederland: niet pas met vijf maar met vier jaar al. Gezellig elke maandag een uur lang een meute 4- tot 6-jarigen over het gras jagen, wat een mens al niet voor z’n lol doet.

Vandaag begon het seizoen weer. Ik heb er de héle winter lang met smart naar uit gekeken en jaja, vandaag was het zover. (Ik kuch nog even door). Nu hebben wij een bambiniopperhoofd – laten we haar Lydia noemen – dat praktisch altijd voor het programma (“Lydia, wat doen we eigenlijk vandaag?”), het fluitje (om de meute bijeen te krijgen) en het pedagogische overwicht (ze is zelf gymlerares) zorgt. Simpelweg onmisbaar dus. Vanmiddag belde Lydia op. Bij het eerste kraken van haar stem was het duidelijk: Lydia was hartstikke ziek. Oh hemel… wat nu… geen programma, geen fluitje en vooral: geen pedagogisch overwicht en dat uitgerekend bij de allereerste training van het semester waar over het algemeen het halve dorp met kind en kegel uitloopt om het maar weer eens te proberen (“Ooit mot dat kind ’t toch leuk gaan vinden??”). Mijn hart schoot even in de zesde versnelling. De sleutel van het materiaalhok was snel opgehaald. Maar toen.

Stipt half vijf stond ik in dat hok, plompverloren zoekende naar wat bruikbare ballen en een paar als doelpalen dienende grasspiesen. De U9- en U10-tjes hadden het meeste al weggegraaid. Wat half lekke ballen weer even opgepompt (kijk dát zijn de dingen die ik wel kan) en gaan met die banaan. Mijn collega-dames kwamen ook aanzetten, thankheavens.

Wij hebben een redelijk strakke rolverdeling. Lydia is, zoals gezegd, het strenge opperhoofd. Lydia bepaalt wat er gebeurt en roept ons allemaal regelmatig tot de orde. Manuela is onze nog piepjonge meerenster, die vol overgave deelneemt aan alle spelletjes die we zoal verzinnen. Lisa is de liefdevolle begeleidster die de veters strikt en de rijtjes kinderen in het gareel houdt. En ik ben zoiets als het vervangend opperhoofd maar eigenlijk toch meer de pleisterplakster, de wc-begeleidingsdame en hoofd administratie. Ik kan best een balletje trappen hoor, maar ik ben in andere dingen nu eenmaal duidelijk beter.

Afijn. Tien voor vijf. De eerste kindekes drentelen het veld op, de hand van moeders krampachtig omklemmend. Ik geef de ouders en ’t kind een hand en druk meteen een vet naametiket goed zichtbaar op het kind. Da’s ook iets wat ik goed kan. Etiketjes op kinderen plakken. Drie Sarah’s, vier Tobiassen en twee Yannicks verder weet ik al lang niet meer wie wie is maar daar zijn dan ook die etiketjes voor. Uiteindelijk staan krap dertig stuks van het grut in een kringetje en proberen we het eerste spel uit te leggen. Lukt nog niet, ze tetteren alles bij elkaar dus eerst maar ‘ns een rondje om het hele voetbaltrainingsveld (110 bij 120 meter) jagen en wat opwarmoefeningen doen. Daarna ploffen ze dan automatisch neer en kiddysocca2luisteren stúkken beter. We doen vanalles. Zo ook dribbelen en de bal dan over de ‘krokodillengracht’ schieten. Alleen waren er al snel meer krokodillen in de gracht dan ballenredders. We speelden verstenen-met-verlossen: als je gevangen bent moet je versteend wijdbeens gaan staan en als er iemand onderdoor kruipt, ben je weer verlost. Lievelingsspelletje van Manuela die zich vol elan steeds opnieuw op de grond werpt en tussen de peuterbeentjes doorrobt om ze te bevrijden, en natuurlijk doeltrappen waarbij Lisa en ik in de doelen stonden. Dan trappen ze namelijk duideijk harder om ons vooral goed en gevoelig te raken. De meisjes durven echter de bal zelf al nauwelijks pijn te doen, de jongens daarentegen nemen een aanloop van minstens 20 meter om de bal vervolgens afketsend op mij het hek over te schieten. Ik trap iedere bal quasi-nonchalant terug naar het desbetreffende kind. Dit keer helaas ook één keer iets te nonchalant, ik glibber voorover over de bal heen en stort ter aarde voor de voeten van de toekijkende ouders. Ach. Ik ben de afgangen inmiddels wel gewend, iemand moet de clown zijn toch? Oh, wat een lol…

Aan het eind spelen we steevast een stief kwartiertje ‘chaosvoetbal’. De kleine meisjes haken nu echt af en staan wat bedremmeld langs de kant te kijken. Sorry girls, het is niet anders: er moet ook gevoetbald worden. Maar het ís ook pure chaos: drie doelen, 5 ballen (6, 7…) en nog een stuk of zesentwintig overgebleven, door elkaar sjezende koters, sommige daarvan bloedjefanatiek, andere verbitterd huilend omdat ze de bal nooohooohoooit krijgen. Dat worden steevast de afvallers. Volgende week zijn het er vást nog maar zeventien…

kadoooootje!

Zoals u inmiddels misschien wel tussen de regels door mee heeft gekregen, heb ik een werkelijk überattente man. Altijd heeft hij de leukste spontane ideeën, krijg ik elke week een andere kleur roos bij ’t zondags ontbijt op bed, brengt hij minstens maandelijks een spetterende verrassing voor mij mee, regelt hij zeker vier keer per jaar een romantisch verrassingsweekendje voor ons tweetjes in een wellnesshotel en zorgt hij altijd ruim op tijd voor de meest originele cadeaus voor al zijn familie en vrienden. Jaja, ik heb wat dat betreft werkelijk een lot uit de loterij getrokken met mijn eega (niet per definitie het winnende lot maar goed, het is er eentje).

Maar nu is dan toch het onvoorstelbare gebeurd: hij is deze keer voor de verjaardag  van z’n moeder daadwerkelijk de mist in gegaan. Zo’n drie weken geleden attendeerde ik hem er onopvallend op dat we dus over geschatte drie weken naar z’n mam zouden gaan – de lieve vrouw werd 76 – en dat een cadeau in dit geval niet zou misstaan. Wij hebben wat giften en geschenken betreft de stilzwijgende afspraak ‘jij jouw familie, ik de mijne’. En die afspraak werkt. Bijna nooit. Nooit. Zo werd het dus stilaan toch de dag van eergisteren. En ik SMS-de hem op deze goede vrijdagmiddag en passant én diplomatiek: “schat, als je straks toch nog dat cadeautje voor je moeder bij de Aldi gaat kopen, neem dan gelijk nog een waveboard mee want ze slaan hier elkaar de kop in om dat ene ding.”

Normaal gesproken is manlief absoluut onbereikbaar tijdens werktijden. Maar nu blafte binnen 2 seconden mijn telefoon. Jawel, jawel: man aan de lijn.
“Heb jíj nog niks dan??? Ik weeeeeeet niks… oh hemel, wat kunnen we [WE!!] haar nou geven…”
Opperste vertwijfeling. Heerlijk.
Ik opperde nog nonchalanter: “Och, als IK wat voor haar moest bedenken, zou ik voor haar bijvoorbeeld zo’n verhoogde groentetuin maken. Ze kan nog maar zó moeilijk bukken maar wil toch nog zó graag haar eigen sla, tomaten aardbeien en wortels verbouwen, dat zou voor haar écht optimaal zijn…” Hier heet zo’n ding trouwens een ‘Hochbeet’: een soort megaplantenbak, 80-90cm diep (hoog), een meter breed en een meter of 2-3 lang, meestal van hout. En ze zijn loeiduur als je ze kant-en-klaar koopt maar man is naast überattent ook nog eens verhipte handig en kan zulke dingen heel goed zelf maken.

Man was nog wat sceptisch, maar goed, het wás ‘een idee’. kadooooootje
“Maar hoe maak je zo’n ding dan?? Weet jij dat?”
Ik alles uitgezocht, hoe het ding te fabriceren, hoe te bekleden (woelmuisproof, houtrotproof), hoe te vullen (met die verschillende lagen etc.).
“Ja jemig, dat red ik dus nooit meer voor zondag…” (het was vrijdagmiddag, hè).
“Nee natuurlijk niet. Hallo… Maar dan geef je toch gewoon een tegoedbon? Voor één Hochbeet op gewenste maat, gemaakt door jou?”
Ja. Dat vond hij nu zelfs toch best een ‘goed’ idee.
“Ach, kun jij niet even zo’n tegoedbon maken? Dat kun jij zoveel beter dan ik…”
Tuurlijk joh. Kan ik.
Tegoedbon gemaakt, op fotopapier uitgeprint. Met nog een A4-tje vol tips en voorbeelden erbij zodat schoonmoe zich er ook wat bij voor kon stellen. Ik waagde het te vermelden dat het wel aardig zou zijn om er nog iets van bloemen bij te doen want dat maakt het een leuker geheel om te geven. Het werd geregistreerd.

Gisterochtend moest ik nog wat boodschappen doen. Man zag weer zijn kans schoon:
“Ach, kun jij dan niet nog even dat bloemetje meenemen? Dat geeft toch wat leuker hè…”
Tuurlijk joh. Kan ik.
Prachtige bloembak vol lenteblommen gehaald. Bon – in cellofaan ingepakt – in de bloembak, bloembak – in cellofaan ingepakt – voorzien van een mooie strik en glanzend lint. Een weldaad.

Vandaag hebben we schoonmoe verrast met haar bloembak-met-tegoedbon-voor-een-bloembak. Ze was er helemaal blij mee en verheugde zich stante pede op haar verhoogde moestuin. Ze begon zelfs gelijk met plannen waar het ding moest komen en hoe groot het moest worden. Een schot in de roos dus. Op de terugweg glimlachte man en zei: “dat was een goed idee van ons hè?”

Ja, mijn lieve, attente schat, dat heb je zoals altijd weer gewéldig geregeld.
Echt.
Geweldig.

Traanarts

Vandaag was het weer eens zover. De tandarts stond op ’t program. Vanwege alle ziekengedoe van de afgelopen maand(en) tandartswas de afspraak inmiddels al twee keer verzet maar vandaag leek het erop dat alles ging lukken.

Weer een nieuwe tandarts. We hebben er inmiddels al vier (eigenlijk vijf, één was een ‘nood-tandartse’ waar we daarna verder niet meer zijn geweest) versleten. Zoon durfde er keer op keer niet meer heen want elke keer opnieuw was hij weer een traumatische ervaring rijker. De één boorde er lustig op los zonder te zeggen wat-ie ging doen (“dit is zo oppervlakkig, dat kan hij haast niet voelen” – yeah right), de ander japste er twee verdovingen in maar wachtte helaas niet lang genoeg waardoor zoon het trekken van zijn kapotte kies letterlijk tot in de puntjes voelde. Weer een andere zei geen woord maar liet ons stuk voor stuk fijn een half uur wachten in de stoel die toch al zo traumatisch was voor zoon. Eentje had zijn afspraken driedubbel gescheduled waardoor onze afspraak van 14:00h uiteindelijk om half 5pm kwam te vervallen. “Sorry, we gaan de praktijk nu toch maar sluiten, we zullen met u een andere afspraak moeten maken”. Nou mooi niet, ik wacht echt niet nog een keer met twee kleine kinderen 2,5 uur in een snikhete wachtkamer. Et cetera enzovoorts undsoweiter.

Deze tandarts was (is) tevens orthodontist en aangezien zoons tanden nogal scheef staan én hij (door alle antibitioca en overmatige mondgevoeligheid) nu al de tandproblemen van een volwassene heeft, leek hij me – op aanbeveling van de buurvrouw – wel een goede optie.  En dat was-ie. Een vriendelijke, lachende, open man met veel geduld en expertise. Afspraak om half vier, aan de beurt om half vier. Ondanks een volle wachtkamer. Alles prima gepland. Aardige, rustige assistentes. Ik had meteen vermeld hoe de boor in de steel zat bij zoon, dat ze echt geduld met hem moesten hebben en dat hij doodsbang was.

En toch was het ook deze keer weer opnieuw pure horror voor zoon. Er moesten afdrukken gemaakt worden voor zijn beugel (hij heeft een te nauwe beet en scheefstaande tanden). Te heftig trillend beet hij in de vinger van de assistente die de mallen vanwege de grootte even voor moest proberen. Stukjes van de felblauwe afdrukpasta raakten in zijn keel waardoor hij niet meer kon stoppen met kokhalzen. Dikke tranen. Nog meer braakneigingen, rode vlekken in zijn nek, wanhopige blik. Ik veegde met mijn vinger snel wat van de pasta uit zijn keel (mocht gelukkig) en hield zijn hand vast. Daarna moest er nog wat tandsteen ( 😦 en dat bij een tienjarige…) verwijderd worden, ook geen pretje. Ik probeerde hem steeds weer gerust te stellen maar hij verkrampte alleen maar verder. Nog meer tranen. De assistente deed het echt geweldig en zo goed als het ging tussen die duwende tong en bijtende tanden door. Het bloed dat hij uitspuugde in het spoelbakje gaf hem ’t laatste restje en hij keek me zo ontredderd aan… Spoelde zijn mond, rukte het plastic slabbetje af en rende met zijn iPod naar de wachtkamer. Wegwegweg van die stoel. Mijn arme knulleke…

Dochter was voor hem al aan de beurt geweest. Die is namelijk gek op de tandarts, heeft volledig ongevoelige tanden (net als haar vader, oh wat een zegen lijkt me dat), kreeg lof van de tandarts omdat ze zo goed gepoetst had en haar tanden prima in orde waren. Zelfs toen ze een jaar of twee geleden een gaatje had dat gevuld moest worden en ze daarbij met een spiegeltje alles minutieus kon volgen, vroeg ze naderhand wanneer ze dit nou nog een keer mocht want het was leuk! Uhuhh…

Ikzelf moest vanzelfsprekend ook nog even voor controle (alles prima, gelukkig heb ik meer dan goede, keiharde tanden want in principe ben ik net zo gevoelig en net zo’n schijterd als zoon…) en werd een klein beetje bijgepolijst maar ik kon om een paar minuten na vier alweer mijn ietwat gekalmeerde zoon oppikken in de wachtkamer, dochter vrolijk achter me aan hobbelend. Een half uur traanarts. Inclusief 3x röntgenfoto’s maken, beugelafdrukken happen en tandsteen verwijderen. Aan zoons trauma’s kan ook deze tandarts niks doen, dat hebben zijn collega’s al teveel verkloot. Maar bij deze blijven we, da’s een ding wat zeker is. Volgende week is de beugel klaar. Ik ben benieuwd of we het ding er elke dag zonder afgebeten vingers in gaan krijgen…

Paasbrunch

Pasen. Synoniem voor “lekker eten”. Bij ons wel in ieder geval. Normaal gesproken hebben wij hier thuis bij paps en mams op Paasbrunch2  eerste paasdag ons traditioneel paasontbijt. Dit jaar wilde mams wel eens wat anders en vatte het idee op om dan te gaan paasbrunchen bij Van Der Valk in Hengelo. Ik verslikte me in eerste instantie een beetje in mijn koffie toen ik het hoorde want tjee, bij Van Der Valk… Ik had nog steeds ergens het image van “urenhotel” voor ogen, de beetje louche zaak waar collega’s bij tijd en wijle twee uurtjes voedingsmiddelenvrij gaan ‘lunchen’. Sorry for that, maar da’s mijn associatie met deze hotelketen. Een waakzame toekan op ’t dak die uitkijk houdt naar allerhande achterdochtig aan komen scheurende echtgenotes. Zat ik er even vet naast…

Hoe dan ook, het leek me sowieso een hoogst interessant gebeuren. We kwamen om iets voor elven aan en liepen achter de meute aan het hotel in. En toen vielen m’n ogen bijna uit de kassen. Wat megagroot! Wat een logistiek! En wat sjiek! Alles was perfect geregeld. Mooi gedekte tafels. Maar ook ongelooflijk véél tafels… En nóg meer mensen… Iedereen werd naar de juiste gereserveerde tafel begeleid.
“Jij bedient in wijk 7.” (oh, we brunchen in wijken)
“28, jij doet nu eerst koffie en thee” (jee, ze hebben nummers…)
“12, bij tafel G1 moet nog een bord bijgedekt worden” (dat was bij ons, we waren toch echt met zijn negenen. En floepdiewoep, stond er al een stoel en bord bij). Ondertussen zocht ik snel even op waarom een toekan nou het logo van een valkachtig iets kan worden.

Het was een fascinerend geheel, werkelijk waar. Drie zalen vol mensen. Gróte zalen ook: ik denk dat er alleen in ‘onze’ zaal wel zo’n 800 mensen zaten. De zaalmeester dirigeerde erop los. In het midden het enorme buffet, helemaal volgepakt met de mooist opgemaakte schalen met de lekkerste dingen. Ik keek m’n ogen uit. Alles werd in staat van paraatheid gebracht en Meneer de Zaalmeester (die me overigens een beetje aan MePaasbrunch1neer Cactus deed denken) sprak in de microfoon dat we georganiseerd los mochten. “We nodigen u per tafel uit”. OK… wij waren de eerste tafel in de zaal dus dat kon nog goed komen. De geijkte buffetstress bleef binnen de perken want er werd werkelijk voortdurend bijgevuld. Er was zoveel lekkers… Zalm met asperges, gekonfijte gehaktballetjes, alle denkbare watergespuis (van zoute haring tot rivierkreeftjes), de lekkerste kaassoorten, ontelbare broodsoorten (ik heb overigens uit praktische overwegingen geen brood gegeten: zonde van de ‘vulling’: daar waar brood zit, kan geen ander lekkers meer zitten en brood kan ik thuis ook eten), jammetjes, salades, tapas, carpaccio, rosbief, saucijzebroodjes, allerhande warme schotels, soepen, sappen, en nog meer. Je kon ’t niet afkijken. En al helemaal niet eten, wetende dat er om ca. 1pm ook nog een “dessertbuffet” opgediend zou worden. Wáár in mijn binnenste kon ik nog een reservegat daarvoor creëren?? De kinderen deden zich te goed aan het kinderbuffet (poffertjes, wafels, slush, kipnuggets, minifrikandellen, frietjes, in die volgorde genuttigd) en mixten alles vervolgens goed door elkaar op de 2 gigantische luchtspringkussens in de hal. Dochter liet zich tot paashaas schminken maar zweette dat geheel er al springende in no time ook weer af.

Wij verbaasden ons nog even door over de enorme organisatie. “Dan moet eigenlijk iedere zaal wel een eigen keuken hebben, zPaasbrunch3ou wel raar zijn als dit allemaal uit één keuken kon komen voor zoveel duizend mensen”… Het bleek daadwerkelijk uit één keuken te komen. “Ja, ook raar dat hier beneden het mannentoilet links zit, maar boven rechts…” opperde man en passant. “Dan zou er theoretisch wel eens iemand het damestoilet binnen kunnen stappen… theoretisch…”
“Whahaha, en toen keken al die vrouwen je raar aan??”
“Nee, als er vrouwen hadden gestaan, had ik ’t wel gelijk gemerkt… Maar ineens hoorde ik al bezig zijnde wel vrouwenstemmen binnenwandelen. Dat was wel even wennen.”
Uhuhh…

Het desertbuffet was ook niet te versmaden. Met een hoop sterrenflikkers en ander vuurspuitend spul werd het opgediend en mochten we voor de tweede keer los. Ik was nog steeds naarstig op zoek naar dat reservegat in mijn maag waar nog een bord vol bavarois, caramel-notenijs, slagroomsoesjes, petit fourtjes en zwarte-bessenparfaît in zou passen.

Op de terugweg waren we nog getuige van het optakelen en wegslepen van een op de snelweg uit de zelf gecreëerde bocht gevlogen auto (“die heeft vast geen zalige eerstepaasdag…”) en toeterden de kinderen ons achterin de oren vol met onzin. En ik moet zeggen, het image van Van Der Valk wat ik had, heb ik moeten laten varen. Het verliep vlekkeloos en je hoefde nergens werkelijk lang te wachten, ondanks het echt wel massale geheel. Iedereen was even vriendelijk en alles was even lekker (nee, overheerlijk gewoon). En nu zitten we hier thuis een heftig potje uit te buiken. Geen paasdiner meer nodig, past echt niet meer. Het was een leuke ervaring. En vooral een hele lékkere ervaring. Ik heb er persoonlijk niks op tegen om volgend jaar weer te gaan. Maar aan de andere kant is een knus traditioneel paasontbijt in alle rust en kleinschaligheid dan ook wel weer een keer leuk.

Reisluchten

Deze reisluchten
laten mij zuchten.
De wolken, de kleuren,
geen tijd om te zeuren.
Te druk met vluchten…

In deze vergezichten.
wegvliegen, camera richten.
Autobahnzoevend
Nietsbehoevend
Enkel maar deze reisluchten…

collage

vernachelarij

Ergens vind ik ’t wel leuk. Het feit dat foto’s heel (hééééél) soms beter uitvallen dan hoe de waarheid is. Maar aan de andere kant vind ik ’t ook lastig, want daarmee worden de verwachtingen gelijk weer een tandje opgeschroefd. Ik post zelden ‘full body’-foto’s omdat ik mijzelf veel te dik vind. Ik bén ook te dik, nog steeds. Ik mag dan inmiddels vijf kilo afgevallen zijn door alle ellende van het ziek zijn maar die vijf kilootjes vallen toch écht in ’t niet bij mijn totaalgewicht, waar nog steeds zo’n vijftien tot twintig kilo overgewicht aan hangt. Ik post wel regelmatig ‘portretfoto’s’ omdat ik met m’n kop tot zover best aardig tevreden ben, daar kan ik – ondanks onderkin en regelmatige ouderdomspuistjes – naar kijken zonder meteen te denken: “jeeminee, mot dat nou, stop die kop eerst maar ‘ns in een fatsoenlijke toiletpot en spoel minstens 3 keer”. Maar lichamelijk ben ik hoogst ontevreden met mezelf. En terecht. Ik doe mijn best maar het duurt lang en het is uiterst moeizaam, dat afvallen.

Onlangs had ik bij Otto nieuwe laarzen besteld. En ontvangen, dat ook nog :-). Laarzen zijn in mijn geval een kriem omdat ik dus niet alleen brede heupen maar ook heel brede kuiten heb. De normale laars krijg ik met geen mogelijkheid dicht. Ik moet op zoek naar “Weitschaftstiefel”, laarzen met een schacht van minstens 42cm omvang (de normale laars gaat tot maximaal 37cm). Déze laarzen waren variabel omdat ze aan de voorkant touwtjes hebben die je naar believen als een korset in kunt snoeren nadat je ze comfortabel dicht geritst hebt. Ik had beloofd ze te showen Vernaggelarijen dat deed ik gisteravond en passant dus even. Snel een foto met de mobiel voor de spiegel boven. In de pauze van het theaterstuk waar we waren dan ook nog snel even gepost en BAM, de reacties bleven niet uit. Heel veel mensen die riepen dat ik er zo slank uit zag, lekker wief, mooi, etcetera etcetera.

Op zich vind ik dat natuurlijk best leuk en fijn en aardig en vleiend maar het klopt niet. Nu zegt iedereen wel “joh, wat zeik je nou, zeg gewoon niks en geniet ervan!!” enzo, maar ergens voelt het dan toch een beetje als vernachelarij [ver·na·che·len (werkwoord; vernachelde, heeft vernacheld) (informeel): bedriegen – aldus de Dikke van Dale], als oneerlijk dus. Het schept een verkeerd beeld van mij. Ik heb de foto níet bewerkt (daar had ik helemaal geen tijd voor), het is een lucky shot, zeg maar. Maar de foto is duidelijk misleidend. Door het scheef houden van de telefoon, door het van bovenaf fotograferen en door de langwerpige, smalle spiegel lijkt het allemaal veel slanker. Tja. Ik ben een realist. Ik wéét hoe het in ’t echie is. Het is niet anders.

Nou ja. Iedereen bij deze bedankt voor de complimenten, die zijn in elk geval wél goed voor m’n doorgaans toch al zo gecrushte ego. Ik zal mijn best doen om naar het beeld op deze foto toe te werken. Maar echt, dat duurt nog even, helemaal nu ik de 40 gepasseerd ben.

Heb dus nog wat geduld met mij.
Bij voorbaat dank.

Overleven

Hoe gaat het? Het gaat. Het is nog niet gestopt in ieder geval.

Ik sleep me van de bank naar de tafel, van de tafel naar de keuken, van de keuken naar de wc, van de wc naar de bank, en vice versa. Oh en ’s avonds sleep ik me de trap op en het bed in. Dat ook.

Ik ben ’t redelijk zat, dat ziek zijn (understatement of the year) want ik moet nog naar Ikea, kastdeurtjes omruilen. Ikea hijgt zogezegd in mijn nek (geen idee hoe lang de omruiltijd is daar, maar veel meer dan een maand zal ’t wel niet zijn?). Ik ben nu al dik vier weken op en af ziek. Eerst de ene griep, toen een opleving (waarin man en de kinderen ziek waren, dus dat kwam mooi uit) en daarna de tweede griep. En dáárvoor had ik ook nog die sullige hersenschudding in combinatie met een verrekte binnenknieband als gevolg van mijn acrobatische skikunsten. Eigenlijk ben ik nu dus al zo’n twee maand aan ’t kwakkelen. Kan ik niet doen wat ik allemaal zo graag wíl doen, mis ik steeds opnieuw mijn vibrogym, val ik om de haverklap volledig knock-out in slaap en voel me allerellendigst. Elke dag denk ik ’s ochtends: “NU wordt het beter. Ik voel het.” En tegen de middag crash ik dan weer op de bank. Ergens tussendoor doe ik nog het huishouden (zo goed als mogelijk), ga ik met de kinderen naar de therapie (want dat moet toch ook doorgaan), draai weer een wasmachine met kotswas, kook een pan spaghetti met saus, help zoon bij zijn huiswerk, stofzuig een beetje verdwaasd voor me uit. Het enerverende bestaan van een zieke Hausmutti.

Van werken komt sowieso niks, de error rate zou veel te hoog liggen. Wat wil je, met een (weliswaar lichte, maar toch) longontsteking. Door het hoesten verschieten m’n wijsvingers standaard van de f naar de r en van de j naar de u, om van de telefoon maar niet te spreken. Lang leve de autocorrectie. Daarnaast word ik er inmiddels daadwerkelijk ook ietwat incontinent van: m’n bekkenbodemspieren trekken ’t allemaal niet meer (sorry if T.M.I.) Lang leve de Tena Lady inlegkruisjes 😦 En mijn hoofd bonkt door alle geblaf als een drilboor. Lang leve de aspirine complex i.c.m. paracetamol. Maar voor mij blijft ’t nog even overleven.

Voordeel is wel, dat er relatietechnisch nu gelijk ook een hoop geëscaleerd en op tafel gekomen is (ik had er nu tijd voor hè 😀 ). Dat dan wel weer. Love is definitely still living here, in ieder geval. En Hope trekt er ook weer bij in. Ik heb inmiddels, in alle drang om beter te worden, een vakantie voor de zomer geboekt (Italy, here we come). En ik heb toegegeven aan mijn onbedwingbare kooplust en de bestellingen, incl. kinky boots, net binnengekregen. Heel tevredenstellend. (Nu alleen nog betalen :-S maar dat doe ik wel als ik weer beter ben gheh). Dochter luistert boven naar een barbie-CD, zoon scheurt op z’n waveboard om het huis heen. Nou ik nog op de been en dan komt alles uiteindelijk toch weer goed.

’t Is verdorie nét een sprookje.

Lang leven

Dochter speelt buiten, schommelt in de hangstoel. Ineens komt ze naar binnen gestormd.
“Mam, hoe lang kan men eigenlijk nog leven?”
“Jee, meis, dat is heel verschillend. Sommige mensen leven maar heel kort en andere mensen weer heel erg lang…”
“Oh. Cool”
“Cool?”
“Ja. Ik ben er zoeentje die heel lang leeft, dus ik kan nog heel erg lang schommelen.”

Ah. Life is so simple…

maar ’t stinkt zo…

Ik ben er helemaal aan gewend inmiddels, aan het emmertje sjouwen, emmertje omspoelen, slokjes water geven, emmertjekotz weer aanreiken, over haren aaien terwijl de sproeikak in de toiletpot gekatapulteerd wordt, druipend achterwerk afvegen, emmertje weer aangeven, emmertje omspoelen… enzovoort. No problem. Ik heb geen emetofobie, ik verricht dit soort handelingen met stoïcijnse rust. Maar NIET als ik zelf ook misselijk ben…

Het stinkt zo… Het stinkt zó enorm dat ik zelf begin te kokhalzen en zoon en ik dan maar weer een professionele synchroonspuugact opvoeren: Hij zittend op de wc met het emmertje op schoot, ik staand ernaast, hand aaiend op zijn kruin en meespugend in hetzelfde emmertje. En een lol dat we hebben…

Het huis ruikt naar ziekte. Overal ruik ik die zure, indringende geur van overgeefsel, aan mijn vingers (vers geschrobd), mijn kleren (schoon), de bank (het doekje met dettol ligt ernaast), het bed (3x verschoond). Man had duidelijk die andere, rondwarende griepvorm: die met keelpijn, hoofdpijn, koorts en pijnlijke ledematen. Ik had die variant ook, de week ervoor, maar bij mij was het blijkbaar niet erg genoeg om écht mee te tellen in de huiselijke griepstatistieken. Met man nog zwetend boven in bed werd dochter vorige week woensdag ook ziek. Dit keer de andere variant: keelpijn, hoofdpijn, overgeven (véél overgeven, vooral ‘s-nachts en vooral náást het emmertje en in bed), spuitpoep van jewelste en enorme buikpijn. Vier dagen lang heeft ze – tot grote irritatie van man die zijn plek ingenomen zag – uitgeteld en bleekjes op de bank gelegen. Toen ging ’t weer een beetje. Gisteren uiteindelijk toch weer naar school, nog niet lekker. Vandaag belde de directrice op: of ik haar op kon halen want het ging echt niet goed.

Ondertussen crashte zoon gisteravond, nadat hij al dagen had lopen pochen dat het hem allemaal niks deed: hij was zo gezond als een vis. Die gezonde makreel kreeg dus gisteren op school ook nog even zijn DKTP-inenting en dat was de druppel: ’s avonds kwam alles eruit. En nog een keer. En nog een keer. En de hele nacht lang. Vier bedverschoningen lang. En nu nog. Vanochtend heb ik hem op m’n rug de trap af gedragen zodat hij op de bank kon liggen (de helende straling van die TV hè, die is nodig). Mocht u zich afvragen waar manlief in dit geheel is: die is skiën. Mijn eigen schuld hoor, vanochtend mompelde ik in mijn slaapdelirium dat ik het wel zou redden. Hij bood aan om thuis te blijven, vroeg of het echt wel goed ging. “Echt, ga maar schat, is goed voor je, een dagje in de frisse lucht, ik red ’t hier wel”. Dus daar klaag ik verder niet over. Nee nee, echt niet.

Dus. Nu liggen er twee kinderen te kermen op de bank. Zoon geeft nog steeds in regelmatige afstanden over (en kermt absoluut het hardst van allemaal, zoals het een echte man betaamt) (oh sorry, dat laatste floepte er zomaar uit… zoals zoveel deze dagen…), bij mij is het enkel nog misselijkheid zonder echte braakneigingen. Twee keer spugen en één keer de al door de darmen geprocesseerde rest er aan de andere kant uit knallen was genoeg voor mij. Hoop ik dan maar. En ik red ’t ook wel hoor. Heb net een pan echte kippensoep gekookt (getrokken van echte niet-plofkip (ontplofkip haahahaha)). Dochter eet ‘t. Had ik ook wel verwacht. Zoon wil niks. Had ik ook wel verwacht. Dus we sudderzieken hier gezellig nog even verder.

Ach, alles gaat voorbij. Ook dit.
Maar ’t stinkt zo hè…

.

PS: 2x spugen en 1x spuitpoepen bleek toch niet genoeg. De rest kwam vannacht. En vandaag de hele dag door. En morgen waarschijnlijk ook nog. Wat kan een mens zich belabberd voelen zeg…

Bezig

ben ik. Verrekte erg bezig. En dat is goed. Dat houdt mijn hoofd stil. En mijn maag ook. Die schreeuwt op dit moment keihard om wijn en chips maar aangezien ik zo goed bezig ben, luister ik niet. Magen zijn ook maar onwetende organen, ook al is de mijne een expert in het imiteren van grommende beren.

Ik ben bezig. Met opruimen. Nog steeds. De woonkamer is inmiddels weer een zooi, maar ik heb de projecten zelf in ieder geval al op orde:
– de berging uitmesten (nog onbegonnen werk, letterlijk)
– mijn klerenkast opruimen (moet nog even wachten, eerst -10 kilo)
– het verenigingsleven op orde brengen (druk mee bezig)
– kinderzooi uitsorteren en naar de bazaar brengen (check! done!)
– bergruimte kweken (ikea to the rescue…)
– mijn hoofd opruimen (erg langdurig en moeizaam project)
– mijn hart luchten (in the proces)
– mijn lichaam op orde brengen (ook work-in-progress at this very moment)
– mijn foon streamlinen (check! Is klaar. Nu nog afwachten of dat wel zo goed was…)

Vandaag kwam er een busje voorrijden met twee erg aardige Marokkaanse mannen. Ze brachten mij mijn bestelde 540 kilo ikea-meubilair (Ja, ik ben een ikea-freak. Gek op. Ik geef het toe). Ze gaven de kinderen zelfs nog een zakje Haribo-gummiberen op de koop toe. [Nee, nee dat denk je fout. Dit is toeval. Ik doe niet aan product placement. Echt niet]. Verbazingwekkend genoeg klopte alles ook nog (46 colli). Kortom: ik ben blij en vanaf morgen worden er hier ikea-kasten in elkaar geschroefd en geplakt (en geramd, als het nodig is). En dan kan ik verder met opruimen, yay!

Met mijn hart-hoofd-lichaam-project maak ik ook gestage vorderingen. Mén, wat een zootje was dat… Is het nog steeds, ook dat moet ik toegeven. Maar het begin is er tenminste.

Die olifanten laten zich relatief goed vangen.
Maar die muggen hè, die muggen…

Boodschappenleed

Al dagen stilte alhier. Kan kloppen, ik was er even ‘uit’. Weg. Bij pap en mam én zus onder de vleugels. Lekker skiën en veel praten en puzzelen en bijkomen en opwarmen van binnen. Moet ook af en toe. Ik had drie weken geleden nevernooitniet gedacht dat ik nu alweer op de ski’s zou staan, maar het ging goed en ik heb er – ondanks alle persoonlijke crises – van skiengenoten. Vooral van de kinderen, zoals ze de berg af scheuren. Beide absolute ski-fanatici. Het liefst zwarte pistes. Mag hoor, ik neem de blauwe ‘Umfahrung’ wel… Met om iedere knie een orthopedische brace kachelde ik er gemoedelijk achteraan, af en toe een foto of filmpje makend.

Maar maandag voelde ik me al niet topfit en dat zette uiteindelijk gisteravond door: oorontsteking, keelpijn, hoofdpijn, lamlendig. Ik loop/lig/lummel dus al de hele dag in huis rond met een muts op m’n hoofd en een dik vest, joggingbroek en sloffen aan. Ma Flodder ten top. Who cares. Helaas moeten er, na een paar dagen huiselijke afwezigheid, wel boodschappen gehaald worden. Dat was IK vandaag dus echt niet van plan en daarom werd man erop uit gestuurd.

Wat is dat toch met mannen en boodschappen doen? Oké, laten we ze niet allemaal over één kam scheren. Er zijn hordes mannen die het wel fantastisch kunnen en ja, oefening baart kunst. Ik heb dus een nogal ongeoefend, leer-resistent en enigszins koppig exemplaar. Ik graaf de koelkasten door, maak een uitgebreid, GOED leesbaar en gedetailleerd lijstje, deels met productlocatie erbij. Ik instrueer hem uitdrukkelijk om heel goed te kijken of de groente in orde is, niet rot, geen bruine plekken enzo. Ik druk hem op het hart, mij te bellen als hij iets niet vindt/begrijpt/kan lezen. Het helpt allemaal geen biet.

wat schreef ik: “Een bak puntpaprika’s (ca. 5 stuks)”
wat kreeg ik: Een bak puntpaprika’s (oh wonder!), waarvan 2 compleet verrot en 1 deels. Het rotsap droop eruit.
wat schreef ik: “2 koolrabi’s”
wat kreeg ik: één bloemkool…
wat schreef ik: “2 grote volkoren broden, géén zuurdesem.”
wat kreeg ik: twee kleine zuurdesembroodjes
wat schreef ik: “2-3 beetje rijpe biobananen.”
wat kreeg ik: 5 lichtgevend groene ploppers uit Costa Rica.
wat schreef ik: “500g rundergehakt, bio!!!” (runder en bio onderstreept)
wat kreeg ik: 300g gemengd kiloknallergehakt.
wat schreef ik: “een zakje pecannoten”
wat kreeg ik: een telefoontje dat hij niet wist wat dat in vredesnaam was en dat we zát walnoten in de kelder hebben liggen dus als hij die dingen al ooit zou vinden in deze Lidl-chaos, zou hij ze nog niet meenemen. Fijn dan. Die in de kelder zijn trouwens niet te vreten (oud, beschimmeld) 😦
wat schreef ik: “2 stronken broccoli, goed kijken of vers!!”
wat kreeg ik: 2 stronken broccoli (jaja), helemaal geel met bruine uiteinden. Dat was dus gele broccoli vandaag. Ook lekker.
wat schreef ik: “1 biokip (ligt in de koeling, naast de gewone plofkippebouten).”
wat kreeg ik: Niks. Biokip is te duur. Ik heb vást nog wel wat anders in de vries…

Manlief, als je dit leest: sorry, ik moest ’t even kwijt.
Je doet het goed hoor. Echt. Ja echt.
Nog een béétje oefenen, dan wordt het vast nóg beter.

Ik hoop heimelijk dat ik morgen weer enigszins fit ben.
Ik moet namelijk nog boodschappen doen.