Brullen met tranen

21 uur. Bedtijd voor kleine kindekes.
“Mam, die zelfgemaakte patat ligt me dwars…”
“Neem je slokdarm als zweep en sla ‘m in ’t fatsoen, ja?”

Zoon grinnikt.
“Nee echt, als ik van hiero naar beneden op het parket kots [zoon heeft, net als dochter, een hele hoge hoogslaper], mag jíj de boel straks van het plafond schrapen.”
“Been there, done that, got the swiffer. Mij maak je niet bang.”

De humor. Vandaag is ie weer groots. Zoon stommelt naar de badkamer om vervolgens onverrichter zake voor een glas water naar de keuken lopen. En passant graait hij in de bak met laadkabeltjes (dat doet hij nu eenmaal graag, een automatisme). Eentje daarvan valt me nu ineens op.

“Hé, weet je nog, dat op afstand bestuurbare helicoptertje dat ik stante pede terug gestuurd heb omdat ie het niet goed – of eigenlijk helemaal niet – deed? Nou, dít is de laadkabel daarvan.”
Zoon ligt in een deuk. Tranen. Nu moet ie pas écht kotsen. Zegt ie.

“Oh en ik heb dat pakje met 3 nieuwe AAA-batterijtjes, waarvan ik claimde dat ze eveneens niet in de verpakking zaten, laatst ook in hal gevonden…”
“Waarom deed dat ding het niet dan? Waarom moest ie terug?”
“Nou, dáárom dus…”

Ze zijn eindelijk zo ver: ze liggen in hun bedden, of ‘doodskisten’ zoals dochter het blieft te noemen. Het plafond is namelijk slechts zo’n 50 cm boven hun neuzen. Tja, je moet wat hè. Zoon weet in ieder geval de oplossing om snel in slaap te vallen: met een noodvaart rechtop in bed gaan zitten. “Nou euh, tot over een dag of drie!!” brult ie jolig. In hun kamer [ja, ze slapen ook nog eens samen in één kamer, groot is het hier nu eenmaal niet] heb ik altijd de neiging om zooi op te ruimen en stof af te nemen. Ik, de huishoudelijke slons bij uitstek. U kunt zich voorstellen hoe het er daar uitziet.

Het los liggende dekseltje van een door dochter zelf gekleid paars-rood-blauw potje doe ik vol opruim-enthousiasme weer netjes op het onderste deel. Resultaat: de tanden en kiezen vliegen me om de oren.

“Neeeeeee, stupido!!! Mijn kiezen!! En ik verlies er al zo veel!!”
Da’s waar. Ze heeft boven en onder nog nét twee voortanden en hier en daar een hoektand. Daar houdt het wel mee op.
Dochter stommelt van de ladder omlaag om op de grond haar tanden bijeen te rapen.
Met de tranen nog in de ogen, jodelt zoon, dat je in dit huis sowieso elke dag minstens drie tanden verliest en dat op een blokje lego trappen er echt niks bij is. Maar: als we straks allemaal kunstgebitten hebben, zien we ze op de grond in ieder geval niet meer zo snel over het hoofd. Wel zo handig. De grapjas.

Ineens komt hij daadwerkelijk met een rotvaart overeind, ramt zijn hoofd tegen het plafond, dondert zijn hoogslapertrap af, geeft mij in het voorbijgaan met de ene hand een pets op mijn hoofd terwijl hij zijn andere voor zijn mond klemt. Een perfecte home run naar het toilet, om daar vakkundig zijn beugel eruit te spugen, begeleid door de genoemde patatten. En wie oh wie mag die beugel tussen het braaksel door weer uit het toilet vissen en minutieus schoonmaken, hmm? Juist. Di Mamma.

Het min of meer gebruikelijke avondritueel in huize(ke) Bartels.
Altijd weer leuk.

Liet vrij

Al mijn ‘toen’. Dat was met jou.
Een verleden zwanger van ’t leven.
Door de jaren roerloos heengegaan.
Kunnen we ’t nu niets meer geven.

Jij wou die verre einden lopen
Ik wilde enkel hoger springen.
Jij wou niet praten, op meer hopen.
Ik wilde zó veel liever zingen…

Jij schoot wortels, meters diep
Ik had ineens vleugels gekregen.
En de stilte die ons zo luid riep
Hebben we samen bruut doodgezwegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Voelde me jonger. Wist niet waarom.
Jij voelde je misplaatst. Bal naast de stip
Zo vielen we tergend langzaam om.
Verloren we meer en meer de grip.

Ik snapte dat jij er niets van snapt.
Ik begreep dat jij het niet bevat.
Waarom was alles dan níets waard?
Er volgde een lawine. ’t Grote gat.

We vergaten enkel te bewegen.
Was ik ervoor, was jij ertegen.
En nu, nu gaan we dus toch
voorgoed gescheiden wegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Rest ons dat ene verstokte ritueel,
waar de één de ander vermijdt
Zien al niet meer, wat ons verbond,
enkel nog al dat, wat ons scheidt.

We moeten ademen en weer groeien
elkaar niet langer meer vermoeien
Daar waar we onszelf opnieuw ontmoeten
Krijgen wegen weer handen en voeten.

Wegen die altijd verbonden blijven
Alleen lopen wij ze nu niet meer samen
Al mijn ‘nu’ ligt ergens anders
We gingen sneller dan we ooit kwamen.

Ik liet je vrij. We blijven verbonden.
Ik liet je vrij. Laat jou weer je leven.
Ik liet mij vrij. Lik ons beider wonden.
Ik liet mij vrij. Kunnen we vergeven…

=================================

geïnspireerd door (en deels vertaald vanuit) de prachtige song van Andreas Bourani – Auf Anderen Wegen

Move on

IMG_20150108_211318
Terugblikken op gemaakte keuzes.
Mais non, je ne regrette rien.
Bedauere wirklich nichts von allem.
Fate is only a question of ‘when‘.

Deux enfants, ils sont entre nous.
Prachtmensjes, zo mooi. Zo warm.
Sind alles. Für dich wie für mich.
Lets keep ‘em loved. Safe from harm?

Je te souhaite le meilleur absolu.
Alle goeds. Ik wens het je oprecht.
I hope she’s a much better person for you
und ich in allen Augen nicht ewig schlecht.

Je was, je blijft mijn langste verleden.
Aber in Zukunft kämpft jeder für sich.
Proud of you, for so long I’ve been.
Du leider nicht ebenso stolz auf mich.

De onophoudelijke distantiëring
Wunschloses Unglück. Und etwas Rost.
Passivité, discontinuité. Liberté.
Interest, finally and totally lost.

Samen, nu slechts nog voor de kinderen.
Wollte dir wirklich nie so weh tun.
À partir d’été, nos mondes sont séparés.
I just, I just had… my own pride, too…

Never meant to drift away.
So quickly.

Tried for so long to heal it all.
To be one.

But I couldn’t hold it up forever.
Forgive me.

Ich habe soeben genau
das getan.

C’est tout.
And we’ll move on.

Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?

 

Ontheemd

Waar is thuis? Waar hoor ik? Ik weet het niet meer. Ik heb het eigenlijk ook nooit geweten. “Wherever I lay my hat, that’s my home,” krakeelde Paul Young.  Ik heb geen hoed maar als ik er eentje had, zou ik ‘m meteen opzetten en diep over mijn ogen trekken, zodat niemand de tranen zou zien glinsteren.

Vandaag voelt werkelijk niet als Bevrijdingsdag. Veel meer als een onverwachte gevangenisdag. Gevangen in mijn hoofd, gevangen in het alledaagse, gevangen in een overweldigend onbestemd gevoel. Ik functioneer absoluut niet. Ik ben stuk. Zelfs grasmaaien lukt voor geen meter: ondanks de lentezon blijft het gras te nat en loopt de maaier na wat gesputter steeds opnieuw vast. Ik had ’t kunnen weten. Een lichte misselijkheid golft al sinds het opstaan met vlagen door me heen. Wat dóe ik hier eigenlijk? Behalve doorademen en wachten tot de motor der normaliteit weer een beetje regelmatiger draait? Alles revolteert in mij.

Ik zou mijn bestaan nu per direct en uit alle macht radicaal om willen gooien maar ik kan het niet. Nog niet? Rationaliteit, gebondenheid, realisme en machteloosheid weerhouden me. Ik voel me meer dan stevig vastgesnoerd in een korset van ooit gemaakte keuzes. Met dubbele knopen op de rug. Een immense drang om los te komen. Een ziekelijk groeiend heimwee. Als een opzwellende groene hulk in mij. Kon ik ook maar zo oersterk zijn en uitbreken…

Ik voel me ontheemd.
Ik ben in mijn huis, maar steeds minder thuis.
Misschien gaat het ook dit keer voorbij.

Misschien ook niet meer…

Even scannen a.u.b.

Een grote bobbel. Dat is wat ik merkte, een week of anderhalf geleden. Ik legde mijn handen op mijn buik, op de onderste ribben en voelde een behoorlijke asymmetrie. Links een soort van derde, tepelloze borst, rechts gewoon ‘plat’ (voor zover plat bij mij mogelijk is) en dacht: ‘What the f….???’ en daarna niks meer, alweer vergeten. Ik blondie kan dat.

Maar de bobbel bleef en viel zelfs mijn man ineens op. Gisteren dus een eerste  poging tot betasting door de huisarts ondernomen. Helaas: die bleek op vakantie. Doorgereden naar een mogelijk vervangende arts maar die had geen praktijk op donderdagen. Nou dan niet! Bekijk het maar. Zal wel loslopen.

Vandaag heb ik toch maar een nieuwe poging gedaan: een derde lokale arts. Een internist. Om tien voor half acht was ik er al. De wachtkamer was een paradijs voor mensenkijkers. SMS-ende punkers, dames met hondjes in tassen, een peuter die de boel systematisch afbreekt, überzielige pubers met dramatranen in de ogen en een lachend levensverhalen mompelende man met Down. Een uurtje of anderhalf wachten en hoppaaa, ik ben al aan de beurt.

De huisarts drukt eens op de bobbel. Auw man! Het enige wat hij zegt is: ‘hmm’. En nog een keer. ‘Hmm’. Ik kijk hem bedenkelijk en sterk afwachtend aan.
‘Uw onderste rib is gebroken. Een pathologische breuk.’
Nu kijk ik meer dan bedremmeld. Hoe is dat mogelijk?? Ik heb niets raars gedaan, geen ongeluk gehad, niemand heeft mij mishandeld (voor zover ik me kan herinneren), ik heb mezelf niet eens naar behoren op de borst geslagen de laatste tijd.
‘De meest voorkomende oorzaak bij jonge [oh Danke, Herr Doktor!] mensen als u is een gezwel onder het bot.”
BAM. Uit het lood geslagen. Fijn hoor, zo’n eerlijke edoch tactvolle dokter.
‘U moet nu naar de radiologie in Linz. Dit moet wel gecheckt worden.’
‘Kan dat eventueel ook anderhalve week wachten? Ik heb nu erg weinig tijd…’
‘Nee. U moet nu gaan.’
De dringendheid waarmee hij dat zegt, is voldoende. Met een verwijsbrief en een kloppend hart van de schrik scheur ik naar de radiologische praktijk in de stad.

Weer een wachtkamer. En meer wachten. Een klein kwartier later ben ik al aan de beurt. Een propperige, gezette dame met jampotglazen duwt me met nogal harde hand op het verticale röntgenplateau, derde borst tegen de witte plaat.
‘En nu diep inademen en niet meer uitademen!’ Alweer auw…
‘Omdraaien tot ik stop zeg, dan weer inademen en NIET uitademen!’
Ben ik even blij dat ik tussendoor toch stiekem nog wat uitgeademd heb, anders had ik nu niet eens meer in kunnen ademen voor Tante Pollewop. Duwen, sjorren, nog een keer duwen. Zij zegt ook ‘hmm’ en haalt de opperradioloog erbij. Het zweet breekt me uit. Sta je dan, halfnaakt en klotsend tegen zo’n witte plaat op te rijen. Ik weet leukere hobby’s.

‘Ik kan het niet goed zien, de foto’s moeten later nog beoordeeld worden. Ik moet nu eerst even een echo maken’, aldus de radioloog. Ik ga op het met papier bekleede brancard liggen en oogst daarvoor meteen een klodder koude gel op mijn buik. Met de scankop drukt hij hard op de abnormale plek. Ik kan het woord ‘hmm’ inmiddels niet meer horen en vraag zonder omwegen of hij nu wat ziet of niet, en zo ja, wat.
‘Een breuk, ja. Verder niets. Raar hoor.’
Alsof hij er graag van alles had zien zitten en nu bijna een beetje teleurgesteld is. Jammer zeg, wéér geen drama vandaag… Ik  hoor het hem denken en vraag nog een keer voor alle duidelijkheid of ik me nu echt geen zorgen meer hoef te maken. Hoef ik voorlopig niet. Ja die breuk, dat is raar. Ontzien. Geen al te wilde dingen doen, niet boksen, niet bungeejumpen. Oh jee… dat wordt afkicken de komende weken. De rest lijkt oké, maar ik moet nog wel even de uitslag van de röntgenfoto’s afwachten voor het uiteindelijke ‘O.K.’ Die komen volgende week met de post. Wat een opluchting. Om tien uur ben ik weer thuis en plof met een kop koffie op de loungebank op het terras.

Na een emotioneel rondje scannen nu dan  de rest van de oorspronkelijke plannen…

Blik kan doden

Mijn Audi roest. Een beetje. Hier en daar zelfs wat meer. Eén van de redenen die de APK -man aanvoert voor zijnRoestaudi oordeel: afgekeurd. Ik snap dat niet. Afgekeurd vanwege oxiderend ijzer. Als ik zie wat voor bruine bakken er wél op de weg mogen… Onbegrijpelijk. Roest wegwerken vergt wat inspanning en mijn man doet zijn uiterste best inzake reanimatie. Noeste arbeid steekt hij erin om roest, haperende remmen,  sturingsproblemen en kapotte lagers weer in het gareel te krijgen. Ik denk bij mezelf: “oh my god, daarmee ben ik met 200km/h naar München gescheurd…” maar wie ben ik om te klagen; ik leef nog. En ik kan het niet repareren dus ik houd mijn gemak en laat hem prutsen. Stukken blik worden met urenlang minutieus gepriegel gebogen en gevormd. De lokale garageflip moet die er dan aansluitend in gaan lassen.

Ik ben ook nuttig bezig geweest. Ik heb uitgebreid de tuin doorgeploegd. De hoeveelheid tuinafval is indrukwekkend en mag in ieder geval niet op onze oprit wegrotten, dus laad ik alle zakken, kratten, kisten en dozen in onze andere auto (een Skoda, zijn auto. Hahahaha). Op naar het afvalcentrum. Ook nog een oude fietsband, een ijzeren onding namens booglampenvoet, wat reststukken blik, een oude deken en een zak met vergaan plastic uit de garage ingeladen. Opruimen is mooi werk.

Na het afvalcentrum scheur ik door naar de Lidl, waar ik ineens zie dat ik vijf telefoontjes gemist heb. Ai. Meteen gaat foon alweer opnieuw over. Man. In paniek stamelt hij:  “WAAR IS DAT STUK BLIK WAT IK GEBOGEN HEB???” Ik antwoord bedremmeld dat ik werkelijk waar geen idee heb. Ik heb wat afvalstukken weg gesodemieterd, dat wel… “Het lag in een kist met spullen op de grond!” Oh… ja… die kist… die heb ik ook opgeruimd. Alles in de gigantische oudijzercontainer die al half vol was met groot en klein schroot. Ik hoor de vertwijfeling in zijn stem. Die jammert heel hard ‘neeeeee….’ Hij legt me melodramatisch uit dat hij daar gisteren de hééééle godsganselijke dag mee bezig is geweest (duh… maar twee uur. Ik weet dat) en dat ik NU METEEN naar huis moet komen omdat we SAMEN dat stukje blik in die rotcontainer gaan zoeken. Bevel is bevel. Zonder een verder overbodig woord laat ik de Lidl achter me en haal hem op. We rijden onder het genot van een gefrustreerd potje doodzwijgen terug naar het ASZ.

Daar kijkt hij verbouwereerd in de container. Acht meter breed, drie meter diep. En bovenop mijn ‘oud ijzer’ ligt al lang een nieuwe lading grof oud ijzer. We moeten erin. Ik haal zuchtend een ladder bij een medewerker. Handschoenen aan. In de container is het een enorme zooi met veel scherpe randen en acuut instortgevaar. De loodzware voorplaat van een gestorven sigarettenautomaat bedekt een verbogen winkelkarretje. Al dat spul is in nog geen kwartier erbij gekomen.. Daaronder nog meer chaos. Ik mompel dat dit onbegonnen werk is, vind maar eens een stukje plaatblik van twintig centimeter lang en en zes centimeter breed in deze metersdiepe ijzerpuinhoop. Man kijkt me pisnijdig aan. “JIJ hebt het weggegooid, terwijl het duidelijk géén afvalstuk was!! Zoeken!!” (Het woord ‘kreng’ dacht hij er met grote zekerheid achteraan). Voor mij was het overduidelijk wél een afvalstuk maar het lijkt me beter om dat nu maar even voor me te houden.

Na wat pijnlijk ijzerworstelen was ie daar dan toch. Het stuk blik van onschatbare waarde. Ik lever man thuis af, grom  iets te luid dat hij het ding vooral nog even goed moet knuffelen en oogst een zoveelste blik die kan doden.

Oh Lidl, ik kom eraan!!!

 

Diplomatiek?

Een ware diplomaat is iemand, die twee keer nadenkt voordat hij niets zegt…

Dat zei Winston Churchill ooit. Het klopt. De ultieme diplomatie is het weldoordacht achterwege laten van woorden zodat de gesprekspartner erin kan interpreteren wat hem of haar op dat moment past. Indien nodig zelfs de onwetendheid. Stilte toelaten getuigt ook van kracht. Zelfs, of nee, juist in onderhandelingen of discussies.

Wat was ik graag stil gebleven. Weer een discussie die volledig ontaardde. Een gesprek dat geen gesprek meer was maar enkel nog een uitbarsting. Een gezwel van uitlatingen, waarbij plotsklaps sprake was van vijandige partijen in plaats van vrienden. En ik was duidelijk geen goede diplomaat. Ik had minstens twee keer na moeten denken om vervolgens heel verstandig mijn kaken op elkaar te houden en mijn vingers van het toetsenbord. Ik meldde wat ik ervan vond. En daarmee was het kwaad geschied: vanaf dat moment had ik eigenlijk moeten kiezen…

Ik weiger. Voor de zoveelste keer hou ik te laat mijn mond om vervolgens de gedwongen keuze achterwege te laten. Ik ben nog steeds een leek in de kunst van het op de juiste momenten niets zeggen.

Nooit te laat om te leren.

 

Doe jij even

… de huishouding, de was, de vuilnis?DoeJijEven
… de kinderen, het eten, de administratie?
… de kerstcadeaus, de tuin, de rekeningen?
… de katten, de doktersbezoekjes, de boodschappen?
… de vaatwasser, de correspondentie, mijn leven?

Natuurlijk, schat. Doe ik. Vanzelfsprekend.

Vanzelfsprekendheden zijn killing. En ik ben ogenschijnlijk de vanzelfsprekendheid in persoon. Ben ik dan ook killing? Voelt eigenlijk meer als slowly being killed. Maar het is goed zo. Beter wordt het waarschijnlijk niet. Wel lastiger om vol te houden. Bij veel van wat ik doe, denk ik: “Het klopt niet. Zó ben ik niet. Dit ben ik niet.” Op een onverwacht moment wordt je een spiegel voorgehouden en vraag je je af wie je dan wél bent. Je weet het antwoord al. Ik ben degene die gekozen heeft. Dus ook degene die moet leven met de consequenties daarvan. Daar voeg ik mij naar: het waren mijn keuzes. Mijn verantwoordelijkheden verzaak ik niet.

Groei is pijnlijk. Verandering is pijnlijk. Maar niets is zo pijnlijk als ergens vast te zitten waar je niet thuis hoort.” Mandy Hale (Auteur van ‘The Single Woman’) zei dat. Mandy zegt trouwens een heleboel en het meeste daarvan schaar ik onder het kopje ‘gewauwel met hoog open-deur-gehalte”, maar in dit geval vind ik dat ze gelijk heeft. Het is pijnlijk te beseffen dat je vast zit in een rol die je jezelf weliswaar aangemeten hebt maar waarvan je tijdens de hele opvoering bemerkt, dat je hem niet naar behoren kunt spelen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“je weet niet wat je mist, tot het er niet meer is.”
De waarheid is: Je wist precies wat je had.
Je had alleen niet gedacht, het ooit te kunnen verliezen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“Het leven gaat door.” Play your part.
Neem het vooral niet te letterlijk.
Hopelijk kan het tóch weer beter worden…

Zoet

Had je echt gedacht
dat het eeuwig stil zou blijven
dat alles altijd op jou wacht
en jij je bittere spot kunt drijven

Had je echt gedacht
dat je zomaar een gat kunt boren
in dat hart, zo week en zacht
en ’t nog steeds jou zal behoren

Had je echt gedacht
dat haat het zal kunnen winnen
dat je uiterlijk steeds weer lacht
toch verscheurd bent van binnen

Had je echt gedacht
dat jij er ook maar iets toe doet
terwijl jij enkel alles diep veracht
ach weet je, wraak is nooit zoet…

.

.

© Lou

kniegeknoei

Donderdag tien voor zes. Klaarwakker. Ik sta op, joggingbroek, shirt en vest aan. Kinderen wakker gemaakt, ontbijten. Ik enkel een glas water en een kop groene thee, nuchterheid is voorschrift. Om kwart voor zeven duw ik de kinderen de deur uit richting buuf die op de verdere gang naar school toeziet en stappen man en ik in de auto, op naar Linz.  Half acht, aanmelding op de orthopedische poli, samen met minstens twintig andere ongelukkigen. Ene kamertje in, paar dingen ondertekenen (de man vraagt naar mijn dubbele achternaam en of ik de volgorde zelf mocht kiezen. Zou hij ook binnenkort gaan trouwen of zo?) en weer naar buiten. Wachten, wachten.  Andere kamertje in. Daar leer ik mijn operateur kennen. Operatietijd: niet voor enen. Oef. Later dan ik gehoopt had, de honger loopt al aardig te keten. Op naar de afdeling met mijn hele hebben en houwen voor eigenlijke opname. Weer wachten. Een humoristische dame namens Greti begint alvast bij alle wachtenden hun eet- en drinkwensen in de computer in te voeren. Ineens hoor ik de verpleegsters en een OK-assistent over mij praten. “Dan maar naar kamer drie verhuizen, daar is nu een bed vrij. Ja nu.” Greti krijgt instructies om eerst mijn eetgegevens op te nemen omdat ik blijkbaar nu al geopereerd wordt. Joepie! Greti is heel snel klaar met mij en kan niet vatten dat ik echt helemaal niks wil. Nee, geen avondeten. Nee, geen Kuchen. Nee ook geen ontbijt. “Ook geen soep?? U moet toch iets eten?” Ik vertel haar dat ik een speciaal dieetprogramma doe en mijn eigen eten bij me heb. Ter geruststelling bestel ik voor na de operatie toch maar een Grießnockerlsuppe, dat is een heldere runderbouillon met een soort knödel van griesmeel en ei erin. Best lekker. “U bent wel een vreselijk goedkope patiënt zo hoor!!” Ja. Fijn hè.

In kamer drie moet ik mij volledig uitkleden, zo’n achtervastknoopoperatiejurkje aantrekken en wordt mijn linkerbeen van teen tot heup ingezwachteld. “Ter voorkoming van eventuele fouten [duhhh…] en tegen eventuele trombosevorming,” zegt ze. Eveneens in kamer drie ligt een oudere dame die, als ik eenmaal alleen in het bed lig te wachten, haar kans schoon ziet om even te kletsen over wat er allemaal misgelopen is bij haar. Een nieuwe knie, ging helaas niet zo lekker en bij het röntgen hebben ze haar vervolgens zo in positie gedraaid dat haar patellapees abrupt afgescheurd is. En nu ligt ze daar al drie weken te koekeloeren, mag het bed niet uit en men probeert alle fouten krampachtig te herstellen. Ik begin te snappen waarom zij inmiddels alleen op een kamer ligt: men wil misschien liever niet dat ze elke patiënt inlicht over medische missers…

Mahmud de beddentaxi komt breed lachend binnen stommelen, roept ‘aahh ben je alweer op de verteltoer Maria??’ en vraagt vervolgens ook al naar de afkorting van mijn naam (L…..-Ba. Meer staat er niet op het etiket op mijn bed want dat was blijkbaar te lang. LouLaBa was nog helemaal niet zo’n slechte afkorting eigenlijk), over haren op patiëntenknieën (heb ik niet!! Braaf geschoren!), over de te slome lift en nog veel meer. In het voorportaal van de OK komt de narcosearts me halen en merkt op dat hij mij kent. Huh?? Ik ben hier nog nooit geweest hoor. Nee, nee, maar hij woont in mijn dorp en zijn kinderen zaten bij mij op de voetbal. Ahaaaaaaa… ik herken hem nog steeds niet maar ik krijg van hem een spuit en een mooie roze handkatheter. Langzaam druppelen de knock-outdruppels in mij. Ik weet mijn geboortedatum nog te melden en dat ze vooral mijn rechterknie moeten nemen, ik mompel mijn adres nog half en rond tienen ben ik dan echt weg. Om half één schijn ik huilend van de pijn wakker geworden te zijn op de uitslaapkamer. Gelijk een infuus met pijnstillers erin en tsjakkaaaa foetsie ben ik weer. Om iets na tweeën  kom ik bij, om half drie ben ik op de kamer. Een andere kamer want naast mij ligt nu ineens Beatrix. Bea heeft een mobilisatie van haar kunstknie voor zich, het ding wil niet ver genoeg buigen. Dat gebeurt ook onder narcose want anders is het een vreselijk pijnlijke aangelegenheid. Ze is ook al sinds de avond ervoor nuchter en sterft van de honger en de dorst, maar ze mag niks want ze weet niet wanneer ze aan de beurt komt.

Ik moet plassen maar mag het bed niet uit vanwege de drainageslangen die nog in mij zitten. Minstens tot de ochtend in bed blijven. Uiteindelijk hou ik het niet meer uit en roep de verpleegster, hoe dat dan nu moet. Ze komt met een plastic ondersteek (hoe heet dat, een bedpan?). Die wurmt ze onder mijn kont (ik moet mij optrekken aan die bungelende steun boven het bed. Pijnnn!!) en zegt “Zo. En nu plassen.” Euh… tja… euh… liggend??? Ik kan niet liggend plassen. Ik hijs mezelf overeind en probeer wel vijf minuten lang er een druppel uit te persen. Bea kijkt discreet de andere kant op. Wat een ellende. Maar uiteindelijk komt het.

Om vijf uur ligt Trix nog naast me, met hoorbaar rommelende maag. Ik krijg mijn kop bouillon met griesknödel en kan het bijna niet eten omdat ik het zo sneu vind voor haar. Maar ik heb zo’n ongelooflijke zin in iets warms dat ik de bouillon inclusief knödel in no time naar binnen gewerkt heb. Wat een heerlijkheid. Een blok van mijn eigen astronautenvoer erachter aan en ik ben weer bijgetankt. Wat zal ik nu eens gaan doen, zo zonder foon… Beatrix slaapt. Goed idee.

Om 17:45 wordt Bea eindelijk opgehaald en kort na zevenen is ze alweer terug, nog volledig onder zeil maar het OK-personeel wilde naar huis ziekenhuiszentangledus moet ze maar op de kamer uitslapen. Ik teken wat aan mijn ziekenhuiszentangle en luister naar de radio. Roxette in bed. On the drip, slangetjes die voor mijn neus bungelen. Opnieuw de plasellende (de bouillon is doorgelopen). De nacht was oké (met slaaptablet) en het eerste wat ik ’s ochtends om kwart voor zes in het halfdonker voor me zie, is Christus aan ’t kruis. Die hangt direct voor mijn neus, net als bij alle anderen hier bij de Barmhartige Gezusters. Aangrenzend aan dit ziekenhuis is het hospitaal der Barmhartige Broeders. Dat was vroeger dus the place to go voor de mannen, nu is alles gefuseerd tot één groot gemengd ziekenhuis. Christus kan ’t vast ook aan mij zien: ik moet alweer vreselijk erg plassen. Zo nodig… Maar de drains zitten er nog in  dus ik mag nog steeds niet uit bed. Wéér op de ‘Schüssel’ (zo noemen ze dat ding hier, officieel is het een ‘Steckbecken’). Wat een verschrikking. Mijn buik is sinds 4 am een soloconcert aan het opvoeren. Zo luidruchtig dat ik er zelf meerdere keren wakker van word. Alle tonen, brom- en klopgeluiden en ik hoop maar dat buuf Bea het niet hoort. 6AM: bammm, het licht gaat aan. Ik krijg een glas water en twee tabletten: een maagbeschermer en een Voltaren. Wat een geweldig ontbijt. Licht uit.

Ik merk dat het beschermingsmatje waar ik – nog steeds onderbroekloos vanwege de slangen – op lig, inmiddels redelijk nat geworden is. Blijkbaar laten mijn bedpanplaskunsten nog duidelijk te wensen over. Yuck. Ik eet de maagbeschermer en mijn dieetvoederblok met een groot glas water erbij en hoop dat dat mijn buik een beetje milder stemt. Daarna wil ik de Voltaren slikken maar die floept uit het bakje en klettert met oorverdovend getik op de grond. Scheiße… Licht weer aan (sorry buuf) en ik buig me over alle kanten van het bed. Jah! Daar ligt-ie. Denk ik.  Met enige rek- en strekoefeningen (pijn) krijg ik ‘m te pakken en slik alsnog het kleine roze tabletje, in de hoop dat het echt de Voltaren is en niet iets anders wat toevallig nog daar op de grond lag. Beatrix mag met een loopkarretje naar de WC en ik ben jaloers. Ik wil ook.

Redelijk vroeg komt ons de afdelingsarts met zijn aanhang visiteren. Hij heeft meer belangstelling voor mijn tekengedoe dan voor mijn knie en vraagt of ik denk dat ik naar huis kan. Jaaaa!! Dat kan ik hoor!! Mogen dan nu die slangen eruit??? Dat mag. De zuster komt en met een paar korte maar uiterst pijnlijke, misselijkmakende rukjes ben ik eindelijk bevrijd.  Verbinden, handkatheter eruit en whoppaaaa naar de WC. Wat een opluchting…  Ik was me, kleed me aan, prop alles in de tas en om half tien ben ik bereid voor transport. Helaas kan mijn man me pas na tweeën ophalen dus regelt de zuster een ziekentransport voor me (“wordt vergoed hoor!”, zegt ze, en ik geloof haar). Die liet ook nog op zich wachten, maar rond twaalven ben ik dan toch eindelijk thuis. Home sweet home!!!

En nu, nu heb ik een heerlijk bedje in de woonkamer, een rollator, krukken en mij op mijn wenken bedienende kinderen. Ik had ’t slechter kunnen treffen. Maar het blijft een geknoei met die knie van mij…

.

Ik was nog niet klaar eigenlijk. 
Ik wou bij deze nog wel even de zusters, dokters en personeel van het ziekenhuis der Barmherzigen Schwestern in Linz bedanken voor hun goede zorg, snelheid, adequaatheid en vakkundigheid. Tot nu toe het beste ziekenhuis waar ik ooit gelegen heb. Niet dat jullie dit ooit lezen (en al helemaal niet in het Nederlands), maar ik wil het wel even gezegd hebben.

gevalletje meteen

klungelknieNet terug van het ziekenhuis. Ik had weer een afspraak voor mijn klungelknietje en met de foto’s van de MR-scan onder de arm wandelde ik dus bij de orthopedie naar binnen. Meneer de dokter bestudeerde de beelden en keek toen onderzoekend naar mij. “… En u kunt nog gewoon lopen?!?” klonk het ietwat verbaasd. Ehh, nou, ja hoor. Ik loop prima op dit moment, ik heb toevallig een ‘goede fase’. Tuurlijk, de boel doet pijn maar dat doet het altijd en uiteindelijk wen je daar ook aan hè. Ik heb gisteren nog tweeëndertig baantjes getrokken in ’t zwembad. Da’s wel achthonderd meter, in een goed half uur. En ’s avonds nog de laatste voetbaltraining met de minikiddo’s doorstaan.

In ieder geval ben ik dus nog steeds redelijk mobiel en daarover verwonderde zich de goede man duidelijk. Hij mompelde in zijn dictafoonding: “Korbhenkelriss, Riss des inneren Kniebandes, Knochenschäden, Chondropathie dritten Grades, bladiebladiebla…. Operation erforderlich. Akuter Fall” Dát had ik dus begrepen. De vraag was: wat voor operatie? Tot mijn grote opluchting slechts een arthroscopie. Ikke blij! En maar twee weken uit de running (letterlijk). Men wil mijn knie nog zo lang mogelijk in mij voort laten bestaan. Een nobel streven. Als die pijn maar weg is, vind ik alles best.

De operatiedatum werd in overleg met de assistente meteen vastgelegd: volgende week donderdag. Zo gaat dat hier: je hebt niks in te brengen, je krijgt gewoon een afspraak, take it or leave it. Tja euhh, sorry maar dan kan ik helaas écht niet…. “OK, wanneer dan? Dit is namelijk wel “ein Fall für ‘Sofort'” [“een gevalletje ‘Meteen'”, vrij vertaald] dus wel zo snel mogelijk a.u.b.” Het lijkt wel of zijn knie door mij geopereerd moet worden i.p.v. andersom. De donderdag erop wordt democratisch vastgelegd. Jemig, wat snel… ik voel me niet als een spoedgeval maar 7 november snijden ze voor de zoveelste keer mijn rechterknie open. Ik hoop met heel mijn hart dat ie ’t daarna dan toch weer een tijdje pijnvrij doet.

Here we go again…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.

Standaard zondag

Gewoon een standaard zondag.
In Oostenrijk toevallig ook vaderdag, een week eerder dan in Nederland maar ze zijn hier sowieso standaard vroeger met alles. Van opstaan tot kinderen krijgen, van uitgaan tot vaderdag, alles is vroeger. De ochtendseks was dus ook vroeger want ik moest nog samen met de kinderen tafeldekken voor de heer des huizes. Wij doen niet aan ontbijt op bed, daar hebben wij een gruwelijke hekel aan.  Het zelfgebakken brood geurde, de standaard knutseldingen waren verstopt, het standaard bloemetje uit de tuin stond naast zijn bord (en staat nu voor mijn neus te verleppen).

Dochter leest haar gedichtje voor, zoon mompelt ook (een standaard) iets. StandaardZondag3Man pakt vol enthousiasme zijn gevilte sleutelring en zijn placemet uit, om zich vervolgens – zoals altijd – uitgehongerd op het ontbijt te storten. Vervolgens mag hij doen waar hij zin aan heeft en dat is standaard klussen. Ik lig op de loungeset en kijk toe. Eigenlijk wou ik gelijk na het ontbijt hardlopen maar ik geef het toe: ik ben te lui. Nu nog althans. Zoon drentelt om man heen, wil koste wat ’t kost helpen. Dochter plonst al lang en breed samen met buurjongetje in het zwembad. De tuinspots moeten gemonteerd worden en zoon mag helpen om de draadjes aan elkaar solderen. Man vloekt: zoon soldeert zijn wijsvinger een beetje mee. Man legt de gloeiend hete soldeerbout even op de grond voor verder gebruik en zoon, inmiddels in zwembroek op weg naar het zwembad, stapt er met het volle gewicht op. Hij stort meteen ter aarde, schreeuwt het uit. Man ziet niet wat er gebeurd is en maant hem tot minder meisjesachtig gegil, hij is toch enkel gestruikeld? Ik denk “oh shit, hij heeft op een bij of wesp getrapt” en snel toe. Dan zien we de schade: een perfecte, lijkwitte, opzwellende afdruk van de soldeerbout onder zijn voet. Ai. Ik sleur hem naar het zwembad – lang leve het zwembad – en de trap op alwaar hij bijna drie kwartier lang met zijn voet in het nog koude water zit. En hartverscheurend huilt..StandaardZondag2.

Ik maak hem uiteindelijk een voetenbad met koud water, haal zijn boek, wat te drinken, paracetamol enzovoort en draag hem op mijn rug naar de tuinstoel waar ik hem installeer. Man voelt zich duidelijk enorm lullig op zijn vaderdag. “Had ik dat ding nou niet daar neergelegd, had ik ‘m maar in de standaard gezet… stom stom stom…” je hoort het hem denken. Ondertussen belt de moeder van het vriendinnetje waar dochter gisteren de hele middag was: “Ja sorry, maar wij hebben allemaal luizen, dus check je dochter ook even?”
Aargh…

De buurvrouw had me gisteren al om luizenshampoo gevraagd voor haar jongens en zoon zelf had ook al bultjes en jeuk op zijn hoofd. Ik denk nog steeds dat het muggenbulten zijn maar voor de zekerheid heb ik zijn haar gisterochtend al gemillimeterd. Daar is geen luis of neet meer op te bekennen, ook al hadden ze er gezeten. Maar aan de luizenkammerij ontkomen we niet. Dochter stuur ik naar boven om haren te wassen, spray haar vervolgens in met antiklitspul (klinkt dat… ehm… interessant) en ga met de netenkam aan de gang. Dochter vindt ’t prima, die is gek op alles wat met haargepruts te maken heeft. Of het nou een netenkam is of vlechtjes. Haarfriemelen is altijd goed. Gossie, wat lijkt ze toch op haar moeder.

Ik installeer zoon, inmiddels met behandelde en verbonden voet, StandaardZondag1op de bank voor de TV met een bak cereals en ga een standaard driekwartier sporten in de kelder. Daarna haren wassen en mezelf glink onder handen nemen met diezelfde luizenkam. Geen luis te bekennen, ook geen neet (bij dochter trouwens ook niet, pfiewwww). Maar wel een kop vol megagladde, superstatische haren. Opluchting alom. Wij zijn vooralsnog luisvrij. Preventief verwissel ik toch nog snel het beddengoed en gooi de boel op 90°C in de wasmachine. Je weet maar nooit hè… gespuis…

Man gaat fietsen met de buurman. Mag-ie mooi doen op vaderdag. Ik gooi een kip in de oven en zet de frituurpan klaar. Kip met frieten, zijn standaard lievelingseten. De obligatoire groente zoek ik zelf uit, die is sowieso onbelangrijk. Zoon is inmiddels naar het zwembad gestrompeld en peddelt op een luchtbedje rondjes door het water. Dochter speelt met buurjongetje badminton. De rust is wedergekeerd. Ik neem een roséetje en typ een blog. Bij deze. Een standaard blog.

Overleven

Hoe gaat het? Het gaat. Het is nog niet gestopt in ieder geval.

Ik sleep me van de bank naar de tafel, van de tafel naar de keuken, van de keuken naar de wc, van de wc naar de bank, en vice versa. Oh en ’s avonds sleep ik me de trap op en het bed in. Dat ook.

Ik ben ’t redelijk zat, dat ziek zijn (understatement of the year) want ik moet nog naar Ikea, kastdeurtjes omruilen. Ikea hijgt zogezegd in mijn nek (geen idee hoe lang de omruiltijd is daar, maar veel meer dan een maand zal ’t wel niet zijn?). Ik ben nu al dik vier weken op en af ziek. Eerst de ene griep, toen een opleving (waarin man en de kinderen ziek waren, dus dat kwam mooi uit) en daarna de tweede griep. En dáárvoor had ik ook nog die sullige hersenschudding in combinatie met een verrekte binnenknieband als gevolg van mijn acrobatische skikunsten. Eigenlijk ben ik nu dus al zo’n twee maand aan ’t kwakkelen. Kan ik niet doen wat ik allemaal zo graag wíl doen, mis ik steeds opnieuw mijn vibrogym, val ik om de haverklap volledig knock-out in slaap en voel me allerellendigst. Elke dag denk ik ’s ochtends: “NU wordt het beter. Ik voel het.” En tegen de middag crash ik dan weer op de bank. Ergens tussendoor doe ik nog het huishouden (zo goed als mogelijk), ga ik met de kinderen naar de therapie (want dat moet toch ook doorgaan), draai weer een wasmachine met kotswas, kook een pan spaghetti met saus, help zoon bij zijn huiswerk, stofzuig een beetje verdwaasd voor me uit. Het enerverende bestaan van een zieke Hausmutti.

Van werken komt sowieso niks, de error rate zou veel te hoog liggen. Wat wil je, met een (weliswaar lichte, maar toch) longontsteking. Door het hoesten verschieten m’n wijsvingers standaard van de f naar de r en van de j naar de u, om van de telefoon maar niet te spreken. Lang leve de autocorrectie. Daarnaast word ik er inmiddels daadwerkelijk ook ietwat incontinent van: m’n bekkenbodemspieren trekken ’t allemaal niet meer (sorry if T.M.I.) Lang leve de Tena Lady inlegkruisjes 😦 En mijn hoofd bonkt door alle geblaf als een drilboor. Lang leve de aspirine complex i.c.m. paracetamol. Maar voor mij blijft ’t nog even overleven.

Voordeel is wel, dat er relatietechnisch nu gelijk ook een hoop geëscaleerd en op tafel gekomen is (ik had er nu tijd voor hè 😀 ). Dat dan wel weer. Love is definitely still living here, in ieder geval. En Hope trekt er ook weer bij in. Ik heb inmiddels, in alle drang om beter te worden, een vakantie voor de zomer geboekt (Italy, here we come). En ik heb toegegeven aan mijn onbedwingbare kooplust en de bestellingen, incl. kinky boots, net binnengekregen. Heel tevredenstellend. (Nu alleen nog betalen :-S maar dat doe ik wel als ik weer beter ben gheh). Dochter luistert boven naar een barbie-CD, zoon scheurt op z’n waveboard om het huis heen. Nou ik nog op de been en dan komt alles uiteindelijk toch weer goed.

’t Is verdorie nét een sprookje.

Even bankhangen

Kraakstempneumos
Brandende longen
Blaffende hoest
Koortsige wangen

Vaalgrauwe huid
Lodderogen
Trillende vingers
Even bankhangen

Doorgaan…
Moed houden…
Opkrabbelen…
Zon opvangen…

Vet crashen
In slaap donderen
toch nog maar
Even bankhangen.

.

.

Geschreven vanaf de bank.

maar ’t stinkt zo…

Ik ben er helemaal aan gewend inmiddels, aan het emmertje sjouwen, emmertje omspoelen, slokjes water geven, emmertjekotz weer aanreiken, over haren aaien terwijl de sproeikak in de toiletpot gekatapulteerd wordt, druipend achterwerk afvegen, emmertje weer aangeven, emmertje omspoelen… enzovoort. No problem. Ik heb geen emetofobie, ik verricht dit soort handelingen met stoïcijnse rust. Maar NIET als ik zelf ook misselijk ben…

Het stinkt zo… Het stinkt zó enorm dat ik zelf begin te kokhalzen en zoon en ik dan maar weer een professionele synchroonspuugact opvoeren: Hij zittend op de wc met het emmertje op schoot, ik staand ernaast, hand aaiend op zijn kruin en meespugend in hetzelfde emmertje. En een lol dat we hebben…

Het huis ruikt naar ziekte. Overal ruik ik die zure, indringende geur van overgeefsel, aan mijn vingers (vers geschrobd), mijn kleren (schoon), de bank (het doekje met dettol ligt ernaast), het bed (3x verschoond). Man had duidelijk die andere, rondwarende griepvorm: die met keelpijn, hoofdpijn, koorts en pijnlijke ledematen. Ik had die variant ook, de week ervoor, maar bij mij was het blijkbaar niet erg genoeg om écht mee te tellen in de huiselijke griepstatistieken. Met man nog zwetend boven in bed werd dochter vorige week woensdag ook ziek. Dit keer de andere variant: keelpijn, hoofdpijn, overgeven (véél overgeven, vooral ‘s-nachts en vooral náást het emmertje en in bed), spuitpoep van jewelste en enorme buikpijn. Vier dagen lang heeft ze – tot grote irritatie van man die zijn plek ingenomen zag – uitgeteld en bleekjes op de bank gelegen. Toen ging ’t weer een beetje. Gisteren uiteindelijk toch weer naar school, nog niet lekker. Vandaag belde de directrice op: of ik haar op kon halen want het ging echt niet goed.

Ondertussen crashte zoon gisteravond, nadat hij al dagen had lopen pochen dat het hem allemaal niks deed: hij was zo gezond als een vis. Die gezonde makreel kreeg dus gisteren op school ook nog even zijn DKTP-inenting en dat was de druppel: ’s avonds kwam alles eruit. En nog een keer. En nog een keer. En de hele nacht lang. Vier bedverschoningen lang. En nu nog. Vanochtend heb ik hem op m’n rug de trap af gedragen zodat hij op de bank kon liggen (de helende straling van die TV hè, die is nodig). Mocht u zich afvragen waar manlief in dit geheel is: die is skiën. Mijn eigen schuld hoor, vanochtend mompelde ik in mijn slaapdelirium dat ik het wel zou redden. Hij bood aan om thuis te blijven, vroeg of het echt wel goed ging. “Echt, ga maar schat, is goed voor je, een dagje in de frisse lucht, ik red ’t hier wel”. Dus daar klaag ik verder niet over. Nee nee, echt niet.

Dus. Nu liggen er twee kinderen te kermen op de bank. Zoon geeft nog steeds in regelmatige afstanden over (en kermt absoluut het hardst van allemaal, zoals het een echte man betaamt) (oh sorry, dat laatste floepte er zomaar uit… zoals zoveel deze dagen…), bij mij is het enkel nog misselijkheid zonder echte braakneigingen. Twee keer spugen en één keer de al door de darmen geprocesseerde rest er aan de andere kant uit knallen was genoeg voor mij. Hoop ik dan maar. En ik red ’t ook wel hoor. Heb net een pan echte kippensoep gekookt (getrokken van echte niet-plofkip (ontplofkip haahahaha)). Dochter eet ‘t. Had ik ook wel verwacht. Zoon wil niks. Had ik ook wel verwacht. Dus we sudderzieken hier gezellig nog even verder.

Ach, alles gaat voorbij. Ook dit.
Maar ’t stinkt zo hè…

.

PS: 2x spugen en 1x spuitpoepen bleek toch niet genoeg. De rest kwam vannacht. En vandaag de hele dag door. En morgen waarschijnlijk ook nog. Wat kan een mens zich belabberd voelen zeg…

ik wou niet

…maar ik doe ’t toch even. Éventjes bloggen. Éven van me afschrijven. M’n laptop doet ’t op wonderbaarlijke wijze ineens weer dus ik zie m’n kans schoon. Grijpen die hap, terwijl de externe harddisk bromt tijdens het internaliseren van mijn zoveelste systeembackup die nog minstens twee uur duurt.

Vandaag was een redelijk slopende dag. En dat is dan een behoorlijk understatement. Gisteravond begon het al. Het omen was weer eens daar: mijn laptop deed ter afwisseling raar (en dat rijmt ook nog). Programma’s bevroren, ding werd extreem langzaam. Opnieuw opstarten leverde spontaan de automatische installatie van 32 heerlijke windhoosupdates op en daarna wilde mijn Vaidiootje vanzelfsprekend helemáál niet meer opstarten. Na de 3e keer in de beveiligde modus uiteindelijk dan toch wel. Data gesaved, een nieuwe reparatiesessie gestart. Het was weer een interessant rondje Windblows. Na 8 keer opnieuw starten, plug-ins deactiveren, opschonen, deïnstalleren en enige updates terugdraaien deed hij het ineens weer. En dat is nu. En nu loopt dus die backup. En kan ik even typen.

Mijn hoofd is inmiddels stukken beter maar nog steeds niet goed. Sommige dingen/namen schieten me ineens niet meer te binnen, ik kan soms zinnen plots niet meer afmaken omdat ik niet meer weet wat ik wou zeggen, ik weet de weg naar ’t ziekenhuis, waar we al een keer of zes geweest zijn, niet meer. Dat soort dingen. Een raar soort dofheid. Mijn hersenstam werkt nog niet naar behoren, zeg maar. Maar geen pijn meer en dat is al een hele vooruitgang. De rest zal ook wel weer goed komen. Mijn knie baart me meer zorgen. Veel (heul veul) pijn. Maar goed. We gaan doorrrr.

Vannacht om half twee staat zoon op de overloop te brullen. Wakker geworden van zijn eigen braaksel. Dus bed verschonen (auw),  zoon even douchen en weer verder slapen, in de hoop dat het in de ochtend allemaal weer beter is want dan moeten we naar het ziekenhuis voor een hernieuwde diagnose van zijn ‘stoornissen’. Die hebben we dringend nodig voor de inschrijving bij de nieuwe school (later deze maand) dus het móet gewoon. ‘s-Ochtends gaat het aanvankelijk toch niet geweldig genoeg en heb ik de telefoon al in handen want met een zieke kop de hele ochtend tests doen, da’s nou echt geen doen. Maar zoon wil toch gaan (de kanjer). Druivesuiker en actimel mee (want ontbijten ging niet) en uiteindelijk vind ik het ziekenhuis toch weer terug (:-S). Na vijf uur tests, vragenlijsten invullen, rondhangen, wachten, uitslagen, wachten, bespreken en een laatste test mogen we weer op huis aan. De ‘gewenste’ diagnose (zware dyslectie i.c.m. ADHD) op zak. Daar kunnen we in ieder geval mee verder. Voor de rest is hij een bovenmatig intelligent, heel gemotiveerd, werkgraag menneke dat er ‘echt wel komt’ volgens de dokter, en daar ben ik dan weer heel, heel erg blij mee.

Om ca. 1 uur thuis. Dochter (sleutelkind vandaag) zit huilend op de bank en na wat trekken en duwen komt eruit dat ze het mobieltje dat ik haar had meegegeven, in de schoolbus naar huis verloren was nadat ze mij even zinloos gebeld had om te melden dat ze nu op weg naar huis was.  Ik klim gelijk maar weer  in de telefoon en krijg uiteindelijk de betreffende buschauffeur aan de lijn. Ja, mobieltje gevonden. Daar en daar ophalen. Ik weer in de auto. Terug thuis vliegen zoon en dochter elkaar inmiddels  in de haren (zoon heeft vandaag vanwege de tests geen medicatie op en dat merk je toch wel). Eerst maar ‘ns eten maken. Het huilen staat me nader dan ’t lachen. Alles doet pijn…

De namiddag heb ik een beetje doorgebracht met afwisselend crashen, comprutter opkrikken en voorbereiden op morgen. Want morgen is het verjaardagspartijtje van dochter, dat ik inmiddels al bijna vijf maand heb uitgesteld en nu niet nóg een keer af kan zeggen. Ze heeft 9 kinderen uitgenodigd waarbij ik, stom rund, verwacht had dat er toch minstens 2 niet zouden kunnen of ziek zouden zijn. Niet dus. Ze komen allemaal. Met die van mij erbij dus 11 kinderen om te entertainen. Mensch, wat heb ik dáár nou zin an. Joepiiieeeduuuhhhhhpoepiiiee!!!

Muffins bakken. Gelukt. Knutseldingetje (bekers beschilderen) organiseren. Gelukt. Boodschappenlijstje voor man in elkaar prutsen. Gelukt, kan hij morgenochtend dan nog halen. To-Do lijstje voor morgen opstellen. Ook gelukt. Avondeten koken (spaghetti met rooie saus). Gelukt. Af en toe een kleine, verdekte crash-huilbui inlassen. Gelukt. Zich halfdeaud voelen. Lukt nog steeds geweldig goed. Daarom ga ik nu een etage hoger. Eerst heel lang en heet douchen en dan slaaaaaaapen. Ik weet niet hoe ik er morgenavond aan toe ben, maar ik vrees dat het niet beter zal zijn dan nu (en we hebben nog een logeetje ook) dus bij deze meld ik me even af. Ik kom wel weer opdagen als ik mijn wederopstanding voltooid heb en m’n plug-ins allemaal weer werken.

Laters lui!

come back to me

Langzaam verdwijnt het.
Het doffe, neergeslagen gevoel.
De watten tussen mijn hersencellen.
De snerpende pijn bij mijn slapen.
De zweepslag in mijn nekspieren.
De rotte vergeetachtigheid.

Langzaam komt ’t terug.
Die lichte scherpte en humor.
Het langer kunnen kijken naar.
Het broodnodige denkvermogen.
Het actieve herinneren van.
Het betere reactievermogen.

Please come back to me…
I never meant to hurt you…
Don’t leave me forever
I am so lost without you.
Take your time out,
Take whatever you need.
Go back to black for now,
But in the end you will
Come back to me.

Dearest brain…

Kopgeklop

Op m’n kop geklopt Hersenschudding
Alles sloom en dof
Mijn harses verstopt
Het voelt alsof…

…ik ineens ander ben
Knal op ’t achterhoofd
Mezelf niet meer ken
In één klap verdoofd.

Brein botste met schedel
En schedel met brein
No more gewedel
Uit met de gein.

Niet meer denken
En niks meer doen
Sta wat te zwenken
Een zinkend galjoen.

Komt dit weer goed?
Hoofd een isoleercel…
En pijn dat-ie doet
Ach ik zie ’t wel.

of ook niet…