De dood relativeert, no matter what

Op 4 november 2017 verloor ik een vriendin aan kanker. Een melanoom werd een hersentumor (met de veelbetekenende naam ‘Remi’), werd een uitzaaiing in het hersen- en ruggenmergvlies, werd de dood. Dat alles in een paar jaar tijd. De laatste fase ging echter zó enorm snel dat het insloeg als een bom.

Die bominslag kwam bij mij pas meer dan een dag later. Puur omdat ik de mededeling op Facebook niet meegekregen had. 6 November ’s ochtends, een half uur voor mijn tennisafspraak. Tóén wist ik het pas. En wist niet meer hoe ik het had. Ik ben toch naar de tennisbaan gegaan, heb mijn hart uitgestort, de ogen uit mijn kop gejankt in het bijzijn van mijn tennisvriendin en toen maar een potje keihard ballen over de baan gemept. Gewoon omdat het kon. Nóg kon. Nog kán.

God, wat relativeert dit. Ik besefte pas meer dan een etmaal later dat ze overleden was. Waarom? Omdat ik met mijn eigen – nu plotsklaps tot futiele proporties geslonken – sores bezig was. De bouw van een huis, waar natuurlijk van alles misgaat in de laatste fase. Een op stapel staande verhuizing die voor een hoop stress en chaos zorgt. Wat napijn van een gekneusde rib. Een rottige rechtszaak. Een niet aflatende berg werk waar ik me doorheen moet worstelen. Een naderende scheiding, niet alleen van mijn ex, maar ook van mijn bedrijf in München (dat ik al 17 jaar heb), omdat een bedrijfspartner het voor gezien houdt. Vijf websites die door moeten draaien. Kinderen met leerproblemen die veel begeleiding vergen.

Na de ochtend van 6 november zie ik dat alles anders. Bij al die dingen denk ik alleen nog maar: NOU EN!? Ik ben BLIJ met die idiote rechtszaak; zoiets stond toch al op mijn bucket list. BLIJ met alle andere ‘problemen’, die eigenlijk helemaal geen problemen, maar gewoon ‘leven’ zijn. BLIJ met alle drukte en stress die je laten voelen dat je er nog bent. Want ja, ik besef nu dat ik er ben nog ben om het allemaal mee te maken. Maar mijn vriendin is er niet meer. Haar trof dat verrotte noodlot veel te vroeg. Haar man en twee kinderen (net zo oud als de mijne) moeten nu zonder haar verder. Onvoorstelbaar, onvatbaar, onbegrijpelijk. Alles ‘on’.

En het egoïstische in deze is: ik heb spijt. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik, de keren dat ik in de buurt was, niet even belde of ik haar kon bezoeken. Dat ik niet even iets regelde om nog een kop thee op ’t terras met haar te kunnen drinken, om nog een keertje bij te kletsen. Want ik dacht steeds: ik heb nu zoveel te doen en ben maar zo kort in Nederland; dat doe ik de volgende keer wel. Maar er komt geen volgende keer meer. Nooit meer. Mijn ‘had ik maar’-gedachten nemen de overhand. Ik kan nu alleen nog maar in mijn eigen hoofd afscheid nemen en me voor mijn kop slaan dat ik dat niet gedaan heb, toen ze er nog was. Spijt is een bitch, net als de kanker die me mijn vriendin afgepakt heeft voordat ik nog een keer met haar afgesproken had.

En dat, dát relativeert. Enorm. Who cares? I care. Maar ik geef niks meer om die mafkees die samen met zijn juriste een berg geld van me wil. Die verhuizing doe ik met links; zal wel goed komen. Scheiden? Levert óók vrijheid op. En die vrijheid om te leven, die zie ik nu weer. Door mijn vriendin. Want ik leef nog, alleen besefte ik dat de laatste tijd niet echt meer. Nu wel. Alles is nu.

Dank je Sandra, voor jou. Voor wie je was, jij positief, liefhebbend, vechtend, übermooi en veelkleurig mens. Veelkleurig was je, van je Desigual-jurkjes tot aan je hardloopschoenen. En je ijsvogel, jouw symbool geworden. Als er iemand voor mij hét voorbeeld was van een doorzetter, een nooit-opgever, dan was jij dat wel. Dóórrr!! No matter what. Je was 15 jaar lang een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van ‘gewoon goed zijn zoals je bent’. Mijn afval-maatje was je ook. Alleen vrat ik het er allemaal weer aan en jij niet; jíj zette door. Zoals je altijd door wist te zetten. Tot de marathons aan toe.
Doorloper –> Hardloper –> Marathon(s)loper –> Wereldloper –> Ultraloper! –> Roparunloper.
Zo staat het ook op je rouwkaart. Want dat was jij ‘ten voeten uit’. Letterlijk. Het waren je – opeenvolgende – titels op ‘ons’ forum. Want lopen kon je. Je begon ermee en was meteen niet meer te stoppen. Tot nu. De allerlaatste finishlijn.

Ik zal je zo ontzettend missen. Gewoon, om wie jij was. Dankjewel dat je zelfs nu nog in staat bent om eigenwijze, tobbende, zelfdestructieve mensen zoals ik weer met twee benen op de grond te zetten. Mijn spijt zal ik nu zelf de kop in moeten drukken. Voorbij moeten lopen. Want jij zou met grote stelligheid gezegd hebben: “Je hebt echt niks aan ‘wat-als’ en ‘had ik maar’!” Je zou me een knuffel gegeven hebben. Me aangemoedigd hebben om de tranen te drogen en mijn schouders weer recht te trekken. “En dóórrrr!! Ja? Je kunt het!” Ik hoor het je nog zo zeggen.

Maar ik wil nu nog niet door. Ik wil nog even huilen. Om jou. Om het verlies van een prachtmens. Meehuilen met je lieve man en je schatten van kinderen. En dán ga ik weer door. Beloofd. Met een duizend keer beter besef van wat écht belangrijk is in mijn leven. En wat totaal niet. Ik zal weer lachen. Al was het maar omdat jij dat ook altijd deed, ‘no matter what’.
Dank je, lieve San-meis.

bron: pixabay.com (en die ene Kafka)


En nee, ik probeer hier niet te ‘scoren’ met het verdriet en verlies van een ander (zoals sommigen altijd weer schijnen te denken; eigenlijk te triest dat ik de noodzaak voel om dit hier te moeten vermelden). Dit is ook mijn verlies. Dit is mijn manier van afscheid nemen, mijn manier om het verdriet te uiten, mijn manier van dankjewel zeggen, mijn manier om haar liefsten en naasten te laten weten dat ik hier en nu met ze meeleef en meehuil. Ik kan niet bij de uitvaart zijn (gelukkig wel virtueel). Het laatste afscheid dat nu, op het moment dat deze blog verschijnt, plaatsvindt. Die 1000km afstand kan soms (nu) heel bitter zijn. Daarom doe ik het maar zo.
En de nacht werd weer dag.
Dag…

Ze worden zó snel groter. Tot ze het ineens niet meer worden.

Je merkt het niet, die tijd. Hij raast voorbij, zoals het cliché zegt. Tot je naar je kinderen kijkt. En ze alweer een jaar ouder zijn. Mijn oudste wordt vandaag 15. Hij is al een echte kerel: een lange slungel met de baard in de keel. Kijkt naar Game of Thrones en naar weet-ik-veel wat voor andere inhoud op YouTube. Game’t zich suf, maar Ego Shooter is gelukkig stom. GTA daarentegen…

Hij is met zijn veranderende lichaam bezig, maar voor het ouderlijk oog zijn meisjes nog totaal oninteressant. Zonder ouderlijk oog in de buurt is dat vast al anders. Ik hoef hem niet meer naar bed te brengen (liever niet, zelfs). Hij kan zelf eten koken.

Hij is een eerlijke, sociale, behulpzame vent met verantwoordelijkheidsgevoel geworden, die ’t nog steeds oké vindt dat zijn moeder hem van school op komt halen (“Vind je dat niet genant, dan?” “Nee, mam, vind ik juist cool! Ik heb een hartstikke coole mam!” – dat compliment stak ik maar glunderend in mijn bloemetjesschortzak).

En tegelijkertijd is hij nog zo’n kind… Het kind dat hij in mijn hoofd nog steeds is. Dat hummeltje dat maar niet fatsoenlijk aan de borst wil drinken. De peuter die leert lopen en pontificaal op zijn voortanden dondert. Het knulletje dat leert fietsen en zo de plomp in slingert. De ik-weet-alles-beter-achtjarige. De zoenen-is-bah-en-seks-is-ieuw-prepuber. En hij groeit maar door, uiterlijk én innerlijk.

Bij verjaardagen in het verleden betrapte ik mij erop dat ik wenste dat ze – mijn beide kinderen – nog even klein en knuffelig zouden blijven; ze worden zó snel groter en ouder… Ik besef nu dat dat een rare wens is. Eentje die ik sinds goed een jaar niet meer heb. Ik ben me er nu van bewust dat je dat niet, nóóit moet wensen. Iets meer dan een jaar geleden, augustus 2016, overleed lieve, kleine Floor, toen 6 jaar oud, aan kanker (neuroblastoom). Het was niet te bevatten. En dat is het nog steeds niet.

Als ik de foto’s en herinneringen op de profielpagina van haar moeder zie, komen meteen de tranen weer. En dan besef ik eens te meer: wens, als die kindertijd weer eens te snel aan je voorbij raast, nóóit of te nimmer dat ze ‘nog heel even klein’ blijven. Want in één tel van de tijd blijven ze zomaar ineens voor altijd klein en kunnen ze enkel in je hoofd en je hart nog verder groeien.

Als je al iets wenst, wens dan je kinderen – naast ‘gezond en gelukkig’ – groot. Groots. Altijd.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Dochter is stuk en mensen zijn best aardig

Met 120 scheur ik over de landweg waar ik laatst zelf een ongeluk had, doordat een tegenligger met rotsnelheid op mijn weghelft een onoverzichtelijk bocht om kwam scheuren. Toen reed ik maar de hoge berm in, met alle schade van dien.

Dit keer ben ik zelf degene die voor gek en onwijs rijdt. Naar de plek waar mijn dochter in de kreukels ligt. De plek waar al drie auto’s her en der in het gras geparkeerd staan en een overstuur vriendinnetje huilend naast mijn meiske zit, dat half liggend overeind en wakker gehouden werd door een vrouw. De plek onderaan de flinke berg waar ze zo lekker hard vanaf suisde. Totdat een auto haar rakelings passeerde, zij uit wilde wijken en haar wiel begon te zwabberen. Boem.

bron: pixabay.com

Ze kijkt me wazig en betraand aan.
“Mama…”
Meer zegt ze niet. Maar ze herkent me, godzijdank.

Haar vriendinnetje belt eerst de vader van mijn dochter (mijn ex-partner), maar die blijkt helaas te ver weg om meteen ter plaatse te kunnen zijn. Dan belt ze mij, met het mobieltje van mijn dochter.
“Hi, lieffie! What’s up?” roep ik als altijd in de telefoon, wanneer haar naam op mijn scherm verschijnt.
“Ik ben het. Lena… K. is over de kop geslagen en gevallen met haar fiets en er zit overal bloed. En ze weet helemaal niks meer… Kun je alsjeblieft gauw komen?”
De shockwave die bij zo’n bericht door je heen gaat, laat je hart je maag opslokken.

“Waar zijn jullie nu precies?” Daar en daar. Onderaan de berg.
“Is er iemand bij haar?” Ja, er zijn meerdere volwassenen gestopt en met haar bezig.
“Ik kom er nu aan.”

Het is raar om je kind daar zo in het gras te zien liggen. Als een kapotgescheurde vaatdoek. Haar been is bebloed. Haar achterhoofd ook een beetje: daar waar de knop van de helm door de val in haar schedel gedrukt is.
Ja, ze had een helm op. Nu ligt het ding van binnen en buiten gebroken in het gras. Ik ben die helm eeuwig dankbaar. Wat als ze hem niet op had gehad? Had ik dan nu geen dochter meer? Of een dochter die niets meer weet en niemand meer herkent vanwege een deuk in haar hoofd? Een deuk die nu in de helm zit?

De ‘kleinste’ schaafwond (knie). De rest mocht niet op de foto. (eigen foto LB)

Uiteindelijk komt haar papa ook aangereden. Hij is duidelijk net zo aangedaan en geschrokken. We praten even. Voor het eerst sinds lange tijd weer in real life. Dat is raar, maar eigenlijk ook heel oké. De aanleiding voor dit onverwachte gesprek stemt hem milder, blijkbaar.

We zetten dochter voorzichtig in de auto. De omstanders helpen waar ze kunnen en laden de kapotte fiets in de kofferbak. Ze hebben haar opgevangen, water gegeven, getroost en bij zinnen gehouden. Ook hen ben ik heel dankbaar. Het is zo ontzettend fijn om te merken dat mensen wel degelijk meteen stoppen en helpen. Iedereen is begaan met haar, met ons. Elke keer houden er auto’s stil en wordt er gevraagd of er nog hulp nodig is. De vrouw die haar de nodige eerste hulp heeft gegeven, ken ik zelfs. Ze informeerde ’s avonds op Facebook ook nog een keer naar haar toestand. Medeleven is fijn.

Het is in de huidige tijd van gescheld en gezeik bijna niet meer te geloven, maar mensen zijn echt heel aardig. Online, vooral op ‘social’ media, krijg je wel eens een andere indruk. Ook nu sta ik weer versteld van de behulpzaamheid, de bekommering, de steun die meteen gegeven wordt als mensen ‘in het wild’ en in real life een nare situatie meemaken. Situaties waarin iemand in nood is of verdriet heeft. Het doet me weer even beseffen dat wij mensen in feite best een heel sociaal en empathisch soort zijn.

Dochter is inmiddels aan de beterende hand. Ze heeft een lichte hersenschudding, een verrekte, mogelijk gescheurde pees in de nek (dat moet nog bekeken worden), een gekneusde arm en een hoop schaafwonden.
En ze heeft gigantisch veel geluk gehad. Dat ook.
Overmorgen wordt ze 12. Omdat het gisteren weer eens ‘nét goed’ gegaan is.

Het leven hangt aan elkaar van geluk. Want met een beetje pech ben je zo stuk.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken

Zo snel en eindig is het

1 augustus 2017, 12:11h
“Mam, breng je ons nu eindelijk naar ’t zwembad?”
“Ja, schatje, één moment. Even dit nog afmaken.” Ik zucht. Stress. Werk. Zorgen. Teveel aan mijn hoofd. Veel te veel.
Ik adem diep door, klap mijn computer dicht, graai de autosleutels van het kastje en spring in de auto. Dochter voorin, zoon op de achterbank. Buiten is het 38°C, in de auto nog veel heter.

Ik draai het 4m brede slingerweggetje naar het dorp op. Aan weerskanten van de berm hoog, niet te overzien gras. Ik rij goed aan mijn kant; ik ken deze bochten. Mijn nog onzichtbare tegenligger, een grote SUV,  blijkbaar niet. Hij rijdt midden op de weg, zelfs deels op mijn toch al zo smalle weghelft. En veel te hard.

In een flits zie ik wat er gaat gebeuren als ik niet onmiddellijk ingrijp. Een frontale crash. 110km/u (minstens) tegen 80km/u. Op een landweggetje. Ik rem, stuur abrupt de berm in en kom net voor een paaltje tot stilstand. Ik weet dat de kinderen gegild hebben, maar ik heb het niet bewust gehoord. De tegenligger is met volle vaart doorgereden. Het was een metallic-grijze auto, vermoedelijk een BMW, maar het ging zó snel…

bron: eigen foto (LB)

Ik draai mijn auto weer de weg op. Alles is nog heel voor zover ik kan zien en voelen.
“Mama, als je nou niet zo razendsnel het gras ingereden was, waren we dan nu dood geweest?”
“Misschien. In ieder geval had je dan de airbag mogen kussen,” grap ik, met het hart nog steeds in de keel. Omwille van hen slik ik mijn schriktranen weg.

Ineens zijn al die zorgen, al het gedoe en geregel, alle problemen en juridische shit weer even heel nietig en onbelangrijk geworden. Hoofd leeg. Daar was dit incident dan wel weer goed voor.

1 augustus 2017, 13:01h
En doorrrr. Het mag nog.
Dank, beschermengel.

Zo snel gaat het.
Zo eindig is het.


Tegelijkertijd verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Kleuters en zandbakpolitiek – een analogie

Drie kleuters vermaken zich in een zandbak in de speeltuin. Ze bakken kledderige moddertaartjes op de betonnen omranding. De kleutertjes zijn het roerend met elkaar eens: deze hele zandbak is vanaf nu van hen. Hun wereld van bruine drab. Genoeg zand om mee te smijten. Er is dan ook écht geen plek voor de creaties van een ander.

Kleuter 4, een half jaartje ouder, zit in de andere hoek en bouwt daar in alle rust een bescheiden maar goed gefundeerd zandkasteel, geheel naar eigen inzicht, creativiteit en visie.

bron: pixabay

Oprotten!

Kleuters 1, 2 en 3 vinden nummer 4 dom. En het zandkasteel heel stom, want het staat daar te gloren in HUN zandbak. Kleuter 4 past niet in hun zandwereld. Al die rare bouwideeën zijn maar wát irritant. Daarom grijpt de eerste al snel een van de moddertaartjes en smijt het in de richting van het irritante zandkasteel. Kleuter 4 kijkt even geërgerd op en bromt: “Laat me met rust. Ik mag hier ook spelen. De zandbak is groot genoeg.”

“Jij moet je kop dicht houden, jankerd!”
De volgende, iets grotere moddertaart volgt prompt.
“Ga ergens anders spelen, stommerik, maar blijf bij ons superintelli’s uit de buurt!” gilt nummer één.
“Haha, moet je jou zien, hóé DOM kan iemand zijn om zo’n idioot prutskasteel te bouwen?” schampert nummer twee.
“WIJ bepalen hier wat er gebouwd wordt! En ook waar. Én waarom. JIJ moet gewoon lekker oprotten!” Nummer drie wijst priemend met zijn middelvingertje naar kleuter 4.

Jij bent dom

“Waarom dan?” waagt kleuter 4 – nog steeds kalm – te vragen. “Ik mag maken wat ik wil, wat ík goed vind. Deze zandbak is van iedereen, dus ik heb jullie toestemming helemaal niet nodig.”
“Jawel! Dat heb je wél. Jij mag hier niet zijn, want jij bent zó ontzettend giga dom!”
“Kun je misschien ook nog iets anders zeggen dan ‘dom’?” vraagt kleuter 4.
“Oh, ja hoor: jij stinkt! En je jankt de hele tijd.”
“Ik jank niet. Ik zeg gewoon zo nu en dan wat ik vind.”
“Há, maar je stinkt dus wel! Want dát ontken je niet. En jij vindt alleen maar rare dingen. Pas als jij doet en vindt, wat wij ook doen en vinden, dán mag je hier zitten en misschien zelfs nog iets zeggen.”
Ondertussen gaat het bombardement gewoon door.

bron: pixabay

Kleuter 4 bewaart stoïcijns de rust en reageert – ondanks alles wat haar naar ’t hoofd geslingerd wordt – niet meer. Kleuter 4 is namelijk al nét iets verstandiger dan de schreeuwertjes en weet, dat je andere dreinende, krijsende, tierende, wijzende en modder gooiende roeptoeterkleuters gewoon moet negeren. Een normale discussie is toch niet mogelijk. Wel alert blijven natuurlijk, maar niet meer reageren. Dan is de lol er vast gauw vanaf. Ze buigt zich weer over haar eigen werk.

Feet. Butt. No pain.

Helaas. Werkt niet. Nu gaan de pestkoppen helemaal over de rooie. Drie paar voeten, één reet. Echt pijn doet het niet. Het kriebelt een beetje. Watjes. Grinnikend draait ze zich om en kijkt, enigszins verbaasd, in drie inmiddels rood aangelopen, van haat verwrongen gezichten.

“Zal je leren, jij zeikwijf! Hysterisch mokkel! Leeghoofdig grietje! Emotioneel incontinente borderliner! Het is niet te geloven hoe iemand zó dom kan zijn. Luister, wij zéggen toch dat je DOM bent? Dan ben je het dus ook! Ga nou eens snel weg hier?!”

Stijlloos GeTrumpetter

Moment. Dat laatste is toch helemaal geen kleuterscheldpartij? Nee, dat is gewoon een zoveelste door-het-slijk-trek-actie van steeds weer dezelfde meute stijlloze scheldkoppen met schoolpleinmentaliteit. Volwassen kinderen die op zolderkamers achter laptops wegkwijnen en zich de socmed-vingers blauw typen, wegens gebrek aan echt léven. En aan enige doordachte, steekhoudende argumenten. Om het hardst schreeuwen en uitjouwen (daar is trouwens een nieuw werkwoord voor: ‘Trumpetteren’), dan bindt de rest met een beetje geluk wel in. Bij voldoende intimidatie houden ze misschien zelfs voorgoed hun klep. Hartstikke handig.

Schoolvoorbeeldje van ‘één op één’

Ook één op één willen kleuters nog wel eens hard gillen als ze denken dat ze hun virtuele achterban op die manier mee krijgen. Een – al dan niet vooropgezet en zo ja, in dat geval nog kinderachtiger – schoolvoorbeeld daarvan: de twee overgebleven metro-columnisten, die elkaar in de boksring troffen. De één zet zichzelf totaal te kakken door ongelooflijke arrogantie, badinerende opmerkingen, loze uitspraken en een argumentatie van niks. ‘IK heb mijn mening het éérst geschreven in ONZE krant en ik heb veel meer likes en retweets dan jij, dus jij mag mij daar – in ONZE krant – niet meer op aanspreken. Ga maar ergens anders heen, amateur!’

Qué? Wat is dat voor redenering? Juist! De ultieme kleuterargumentatie. Vertaald naar de zandbakpolitiek klinkt dat zo:
‘IK heb ’t eerst geschreeuwd, dus JIJ moet vanaf nu, hier in MIJN zandbak, je bek houwe. Want ik ben véél populairder en jij bent niks.’

Zo gaat dat. Maar: de één blijft door kalmte, openheid en alertheid nog steeds een goede columnist, de ander degradeert zichzelf tot een eeuwig hetzelfde liedje roeptoeterende jij-bakker. Hop, even flink afzeiken en uitschelden. Op de persoon, graag. Op de manier waarop dat bij iedereen gedaan wordt. Wiens opvatting niet bevalt. Wiens mening niet in ’t eigen straatje past. Want zulke meningen zíjn immers geen meningen, maar slechts uitermate ‘lastig en dom’. Toch?

Stelletje kleuters. Ga echte taarten bakken.
Grow up.

bron: pixabay


Deze blog is eerder verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Tóch een béétje bang. Mag dat?

Ik ben iemand die graag roept dat je je leven vooral niet door angst (voor aanslagen, ziektes, ongelukken) moet laten regeren. Als je overal bang voor bent en je huis bij wijze van spreken niet meer uitkomt, leef je niet meer. Je wacht enkel nog tot je uitgeademd bent. Immers, waarom heet het dan nog ‘een leven’ en niet gewoon ‘de wachtkamer voor de dood’?

Ik ga dus ook vol vertrouwen en zonder bedenkingen naar grote concerten en evenementen, stap dagelijks in mijn auto en regelmatig in het vliegtuig, eet niet bepaald als een gezondheidsgoeroe, geniet van een wijntje op een vol terras, loop zonder bedenken door Stockholm, London en Parijs (als het even kan).

Maar. Dat doe IK. Ik vrees niet voor mijn EIGEN leven. Wrong place, wrong time? So be it. Kan overal gebeuren en is iets van alle tijden. Leven is levensgevaarlijk en zo. Echter, als het op mijn kinderen aankomt, is het meteen een heel ander verhaal. Dan komt ogenblikkelijk het beschermingsinstinct om de hoek kijken. Is mijn kroost wel veilig? Als mijn dochter meer dan een uur lang niet te vinden is, terwijl ze al thuis had moeten zijn, flip ik. Als mijn zoon een week in Wenen is met school, vraag ik me elke dag meermaals af hoe het hem vergaat. Of hij wel oké is. Natuurlijk belt of appt hij niet; dat is niet cool. Dus blijf ik achter, met al mijn onzekerheid en negatieve fantasieën.

Bron: Lou Bartels

“Pas je op?”
“Doe je wel voorzichtig?”
“Wel goed insmeren hoor! Anders verbrand je.”
“Zou je dat nu wel doen? Lijkt me niet zo verstandig…”
Zinnen die ik regelmatig inslik en NIET zeg, omdat ik niet wil dat ze overbeschermd en -bemoederd – en dus niet zelfstandig – opgroeien. Mijn kinderen (11 en 14) zijn – naar mijn bescheiden moedermening – juist erg zelfstandig. Ze kunnen eten voor zichzelf maken, hele dagen en avonden alleen zijn (en toch hun huiswerk en eventuele opgedragen huishoudelijke taken voltooien), zelf op een schappelijke tijd naar bed gaan, 10 kilometer fietsen naar het zwembad (en ook weer terugkomen), hun zaakjes zelf regelen als het moet. Ze hebben een fatsoenlijk verantwoordelijkheidsgevoel, doen geen rare dingen, zijn (nog…) redelijk onbevattelijk voor groepsgedrag. Zélf beslissen kunnen ze ook prima. Dus wie ben ik om dan iets als ‘lijkt me niet zo verstandig’ te zeggen…

En tóch ben ik soms een beetje bang. Zo gaan ze binnenkort een week naar Londen. Zonder mij. Ja, naar dat Londen, dat steeds weer in de media opduikt wegens allerhande terroristische incidenten. Ik betrap mezelf erop, dat ik dat bij tijden tóch best ‘eng’ vind. En daar schaam ik me dan weer voor, want dat druist in tegen mijn eigen principes. Die principes van ‘laat je vooral niet bang maken door alles wat je in de media ziet, leest en hoort’.

Mijn favoriete ‘huisfilosoof’ Ron Jacobs stelt echter, dat het mag, dat ‘bang zijn’. Dat het zelfs juist goed is:
“Schouderophalend doorleven nadat iemand is ingereden op het winkelend publiek, is […] een naïef advies. Bovendien wordt het een janboel als iedereen zijn angsten wegstopt en niet meer toont. Wat als dit een collectief patroon wordt? Geen enkel beleid is dan mogelijk. Simpelweg omdat we niets meer van elkaar weten wanneer we elkaars angsten niet kennen.” (Opiniestuk Volkskrant 21 juni 2017)

Maar wat schiet je ermee op? Als ik jouw angsten ken en jij de mijne, kennen we elkaar dan werkelijk zoveel beter? Wordt de maatschappij er echt vrijer en een mindere ‘janboel’ van, als we allemaal breed uitmeten waar we zo ontzettend bang voor zijn? Ik betwijfel het. Daarom druk ik mijn angst om mijn kinderen toch maar de kop in. Ik wil mijn leven niet in bubble plastic leven. En ik wil ook niet dat zij dat moeten, omwille van mij.

Dus denk ik steevast: het zal wel goed gaan. Wat moet je anders?

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Gelukkig Kippetje

Avondeten. Zoonlief (14) vreet weer eens als een bootwerker en pakt het derde (flinke!) stuk gekruide kalkoen met lekker veel knoflook.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gromt dochter hem toe.
“Hou je erbuiten. Je bent m’n moeder niet,” bitst hij terug.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gooi ik er maar gelijk achteraan.
“Ja.”
Oh.

bron: commons.wikimedia.org (licence CC 2.0)

“Mam, vroeger was T. toch ooit een tijdje vegetariër?”
Jee, dat ze dat nog weet. Ze moet 6 geweest zijn of zo. Zoon was toen 9 en zat onder de ritalin. Een compleet verkeerde keuze destijds, hoewel het in het begin zo goed leek te gaan. Voor ons was het sowieso niet nodig (zoon is een geweldige, lieve, rustige en verstandige jongen), maar voor hem zelf wilden we álles proberen. Alles waardoor hij zich maar een beetje beter en vooral minder chaotisch, minder ‘anders’, meer geaccepteerd en minder verloren zou kunnen gaan voelen. Het werd helemaal niet beter, enkel slechter. Ook Strattera en Medikinet bleken geen uitkomst. Naast de nachtmerries, de lusteloosheid, de hartkloppingen, de gejaagdheid en de depressieve fases had hij ook nog eens totaal geen eetlust meer. Vel over been was hij. Na een jaar ‘proberen’ was het punt bereikt: weg met die rottige pillen.

“Ja, lieffie, klopt. T. wilde een tijd lang helemaal geen vlees eten. Door de ritalin vond hij alles vies, dus ook vlees. Daarnaast dacht hij ineens over álles na. En dus ook over waar ’t beest op zijn bord vandaan kwam. Als ik een gebraden kip op tafel zette, was het eerste wat hij bulderde: “Is dit wel een gelukkig kippetje geweest?” Als in bio-vrije-uitloop-kip. Daarop antwoordden wij dan natuurlijk bevestigend. En dan nóg at hij niks. Waar je al niet allemaal over nadenkt met die pillen…”

“Dat kwam helemaal niet door die pillen. Dat kwam door jullie,” mompelt zoon.
Die zag ik niet aankomen. Huh? Wij?
“Ja, jullie. Ik was toen weer eens ziek en jullie moesten allebei even weg, dus parkeerden jullie mij op de bank met één of andere suffe kinderuitzending op tv en legden vervolgens, zoals altijd, de afstandsbediening boven op de kast. Maar toen de serie afgelopen was, kwam er een documentaire. Over kippenfokkerijen. En ik had geen afstandsbediening en geen zin om van de bank af te komen, dus heb ik die hele docu afgekeken. Vanaf toen wilde ik geen ongelukkige kip meer eten.”
Aha. Oké dan. Daar kan ik me niets meer van herinneren.

“Nou, eh, deze kalkoen was echt een hele gelukkige bio-kalkoen, hoor!” stotter ik.
“Kan mij ’t bommen. Als ie maar lekker is. En dat is ie.”

Zoon begint aan zijn vierde stuk. Opdat hij maar een potige kerel mag worden.
Hij is in ieder geval goed op weg, mijn nu prima in zijn vel zittende, gelukkige haantje.
Zónder ritalin & co, welteverstaan.

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Hoe jij me weer leerde lopen

Drie jaar is het nu. Zo kort geleden dat het nu al een eeuwigheid lijkt. We knalden onverwacht online op elkaar. In gesprek geraakt over een niet lukkende betaling. Een gesprek dat al snel niet meer te stoppen bleek.
Gevonden.

Drie jaar geleden leerde ik je ‘in het echt’ kennen. We moesten elkaar zien. Ging niet anders. Ik hoopte stiekem dat ik na mijn spontane bezoek aan jou enigszins genezen zou zijn van de gekte. Dat ik in zou zien dat dit niet kon. Dat ik verder moest met het leven dat ik al leefde. Door met de gevolgen van keuzes die ik in het verleden gemaakt had.

Het liep anders.
Ik kwam. Wij zagen. Jij overwon.
Mij. Alles. Alles in mij.
En ik jou. Dat ook.

bron: eigen illustratie (LB)

Het was de herkenning die ’t deed. De herkenning van onszelf in elkaar. Vingerafdrukken die exact op onze hartscanners pasten. Dikke sloten ineens opengebroken.

In het daaropvolgende jaar gebeurde alles wat je maar in een mensjaar kunt proppen. De ene rampzaligheid na de andere. Mijn leven zoals het was, escaleerde. Explodeerde. Draaide 180°. De heftigheid van de gebeurtenissen nam de overhand. Maar de acceptatie was nog ver te zoeken, bij ons, maar ook bij de mensen om ons heen.
We worstelden.

Ik zocht een tijdelijke woning, verhuisde. In mijn uppie. Daar zat ik dan. Met niks.
Geen keuken, geen meubels, geen verwarming, geen bed. Alleen een matras en een deken. En wat haastig in de tas gepropte kleren. Ik liet alles achter. Maar ik had jou. Ik regelde me suf. Leidde als een zwoegende zombie de chaotische toestanden in vage banen. Van aardverschuiving tot verzekering. Van huilbui tot huisraad. Van IKEA-keuken tot kinderkamer voor twee.

Maar ik wist waarvoor. Eindelijk was er iemand die zag, wie ik werkelijk was. Wie ik wílde zijn, ook al kon ik dat zelf nog niet zien.
Jij gaf me de rust in mijn hoofd, het vertrouwen in mijzelf, en de hoop voor ‘straks’.
“Kijk niet naar die chaos van nu. Rol door en probeer je voor te stellen waar je over een half jaar staat. Zes maanden zijn in een oogwenk voorbij en dan is alles anders. Beter.”
Doorsta het nu en kijk alleen naar morgen. Dat is wat je mij zei.

De kinderen gingen wonderbaarlijk goed om met de veranderde situatie. Ook bij hen viel blijkbaar spanning weg. Ze waren blij met jou, omdat jij goed was voor mij. Gelukkig waren ze op diezelfde manier ook blij met de nieuwe partner van hun papa. Hoe jong ook, zelfs zij zagen dat het zo voor iedereen beter was, ook al was het niet langer die geïdealiseerde gezinssituatie. En jij had gelijk: het leven rolde inderdaad op de een of andere onbegrijpelijke manier met een rottempo door.

We keerden steeds naar elkaar terug, hoe onmogelijk dat soms ook was. Verslaafd aan elkaar. Je hielp mij op te staan, stappen te zetten. Je leerde mij opnieuw te lopen, verder te kijken, vol te houden. En in mezelf te geloven. De liefde groeide, ook al leek nóg meer toen al onmogelijk. We brainstormden samen. Ideeën vloeiden, werden besproken, geconcretiseerd.

Ik begon zelfs een tweede bedrijf; mijn eigen tekst- en vertaalbureau. Iets wat ik al heel lang wilde, maar niet om wist te zetten. En wéér steunde jij mij in al mijn verwoede pogingen mijn bestaan weer op de rit te krijgen. Ja, zelfs te doen waar ik voor huiverde. Je gaf me mijn leven terug. Je gaf mij míj terug. Jij maakte me tot wie ik altijd al was, maar nog niet had kunnen zijn.

“You cannot find peace by avoiding life.”
Een quote uit de film ‘The Hours’, die we laatst samen keken. En dat is, wat ik deed. Ik vermeed jarenlang te leven om wanhopig rust te vinden in de status quo. Nu ik wél weer durf te leven, heb ik die rust eindelijk gevonden. Door jou. In jou.

Nu, drie jaar later zijn we nog steeds ‘wij’. In alle openheid. Het mag. Soms – veel te vaak – te ver van elkaar verwijderd, maar toch altijd #samen in onze hoofden. Mijn maat, mijn lief, mijn compagnon, mijn andere kant, mijn partner, mijn mens, mijn. Dat ben jij.

Weet je, misschien zijn we al lang oud in de ogen van de jongeren.
En misschien zijn we nog steeds fout in de ogen van vele goeden.
Nou en. Dan maar lekker fout stokoud met jou worden.
Niks fijners dan dat.

Mijn voetbalkindekes, ik zal ze missen

Negen jaar lang heb ik het gedaan.
Elke maandag. Elk voorjaar, elk najaar.
Wat dan, vraag je je af? Voetbalkindjes trainen bij de lokale dorpssportclub.

bron: eigen foto (LB)

De allerkleinsten. De F-jes. De ‘bambini’s’ onder de voetbaljeugd. De vier- t/m zesjarigen. Maar aan het eind van dit voorjaarsseizoen ga ik afscheid nemen. Met twee kinderen, twee bedrijven in twee buitenlanden en een partner 1000 km verderop (mijn auto is mijn tweede thuis) kan ik de voetbaltrainingen simpelweg niet meer bolwerken. Daarnaast verhuis ik in de herfst ook nog eens naar de big city. Dan zou ik voor de training iedere maandag drie kwartier in de file moeten gaan staan. Voor mij een no go.

Maar ach, ze zijn zo schattig, mijn bambini’s…
Meestal heb ik ’s maandags totáál geen zin. Eigenlijk moet ik dan koken voor ’t hongerige kroost thuis en ben ik daarnaast druk aan het werk. Toch hijs ik me om half vijf alsnog in een clubtrainingspak en scheur naar het voetbalveld.

Maar als ik er dan eenmaal ben en al die koters – gemiddeld 20 tot 22 stuks –  in de zon over het veld zie hobbelen met een junior-bal, dan vind ik het tóch weer hartstikke leuk en loop ik vervolgens een uur lang te grijnzen en mee te rennen, wat op zich voor mij helemaal niet zo slecht is.

bron: eigen foto (LB)

Eerst de warming up. Jumping Jacks blijken elke keer weer ondoenlijk voor die kleintjes. Links en rechts uit elkaar houden is ook een dingetje. Dan doen we een loopspelletje (meestal tikkertje met verlos of iets van dien aard). Daarna volgt de loop- en behendigheidstraining: slalommen. Zonder bal (gaat prima, ze lopen alles overhoop en de stangen worden ook meteen meegenomen) en met bal (gaat voor geen meter: botsingen en chaos voorgeprogrammeerd).

Vervolgens komt ’t hoogtepunt: doeltrappen! Op het grotemensendoel, natuurlijk. Daar staan wij (trainer en helpers) dan in, liefst met ons achterste – het eigenlijke doel – naar de kinderen toegekeerd zodat ze daar zo hard mogelijk tegenaan kunnen trappen. ‘Raak de kont!’ Vinden ze gewéldig. Afsluitend 20 minuten chaosvoetbal. Dat is met minstens 3, liever 4 paaldoelen, waarbij je in elk van die doelen mag scoren, behalve in je eigen doel. Dat laatste blijkt over het geheel genomen uitermate lastig, dus goals in eigen doel tellen ook positief mee. Ieder kind telt gewoon de eigen doelpunten, maakt niet uit waar je ze gemaakt hebt. Zou voor Danny Blind een verademing geweest zijn. Te laat!

bron: eigen foto (LB)

bron: eigen foto (LB)

Vanzelfsprekend zitten er altijd een aantal lastpakken bij. Jochies die sneaky ieder ander op hun pad omver duwen of een stomp geven. Meiskes die om de haverklap naar de wc moeten (en dan moet je natuurlijk mee; alleen durven ze niet) of die gewoon in jurkje en zondagse schoentjes meerennen. Mennekes met glimmende nieuwe voetbalschoenen inclusief glibbergladde veters die continu en ondanks dubbele knoop weer los raken (ik strik dus minstens tien paar schoenen in dat uur). Knullekes die voor geen meter opletten en in alle richtingen staan te turen, behalve in de richting van de bal. Boink = brullen. Het aantal gestelpte bloedneuzen tijdens mijn ‘voetbalcarrière’ is al niet meer te tellen.

Enfin. Het is weer eens maandag. En het is weer bal.
Ik draaf tussen de pak-‘m-beet 20 krioelende kinderen, in een nutteloze poging om van het geharrewar op het veld iets van voetbal van te maken.

Een ieniemini jochie, Tobie heet ie (of Ronaldo, volgens zijn T-shirt), wil per se in één van de doelen staan. Prompt ontvangt het ukkie een bal in zijn onderbuikzone. Ik zie hem ineenkrimpen, ren erheen, aai ‘m over zijn bol en vraag of het erg pijn doet. Dat is de standaard vraag. ‘Gaat het nog?’ moet je vooral níét meteen vragen, want dan brullen ze er stante pede op los om aan te tonen dat het echt helemáál niet meer gaat. ‘Gaat het nog’ komt pas later. Dus:
“Doet ’t pijn, Tobie?”
“Ja-haa! Mega!” en hij pinkt een moeizaam uitgeperste krokodillentraan weg.
“Waar doet het pijn? In de buik?”
“Nee! Hier!” Hij rukt zijn joggingbroekje omlaag, trekt de rand van zijn onderbroek naar voren en wijst naar zijn blootgelegde pielemansje. Aha. Duidelijk. Ja. Goed. Nee. Niet goed.
“Eh, ja, dát kan pijn doen inderdaad. Joh, gaat wel weer over. Topvoetballers gaan ook gewoon door…”
Even blijf ik bij hem staan terwijl ik simultaan zijn doel verdedig. Dan volgt de heikele vraag:
“Gaat het nu weer een beetje, knul?”
“YO!!” En weg is Tobie, mij in het doel achterlatend.

Ze blijven geweldig, die kleine, enthousiaste fanatiekelingen.
Ik zal ze in de herfst stiekem best gaan missen.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Reality sucks (at being real)

bron: pixabay

“Wees nou eens realistisch!”
“Jij loopt ook eeuwig en altijd te dromen…”
“Waarom altijd  weer die angst? Dóé gewoon!”

“Het leven is leuk totdat de realiteit je bij de kladden grijpt.”

Zomaar wat dagelijkse uitroepen. Maar ‘realiteit’, wat is dat nou helemaal? Vraag drie verschillende mensen wat de ‘realiteit’ voor hen is en ze zullen alledrie iets anders antwoorden. Het concept der realiteit is dus juist níét wat de naam doet vermoeden. Het is niet reëel. Het zit slechts in het hoofd van een willekeurige persoon.

Wat is realiteit nu helemaal? En angst?
Realiteit is enkel gebaseerd op een specifiek leven. Ander leven = andere realiteit. Fictie voor de één is werkelijkheid voor een ander. Ofwel: wat voor de één reële, op diens realiteit gebaseerde, angst is, is voor de ander aluhoedje-materie, negatieve fantasie of juist iets spannends en uitdagends.

“Angst is een slechte raadgever,” zeggen ‘ze’ altijd. Wie is ‘ze’ in jouw beleving? Zijn ‘ze’ reëel? En verder klopt het inderdaad: Als je angstgevoel hoort bij jouw persoonlijke perceptie van de realiteit, dan moet je eerst gaan nadenken of die realiteit wel helemaal juist geïnterpreteerd door jou wordt. Is het écht zoals jij denkt dat het is? Zou het niet tóch anders kunnen zijn? Wat is het ergste dat er kan gebeuren in jouw angstsituatie?

Bang of angstig?
En ís het wel angst? Of ben je gewoon even bang?
Bang ben je in een specifieke situatie. Bang in het donker, bang voor een achtervolger, bang voor terrorisme, bang voor school, bang voor een gesprek, bang voor een motorbende, bang voor een asielzoekerscentrum in de buurt.

Angst, of liever gezegd: grote bezorgdheid en onrust, is veel existentiëler. Angst heeft te maken met je bestaan, je hele zijn. Met jóúw eigen realiteit dus, of die voor anderen nu reëel is of niet.

Kiezen is een keuze
In de huidige wereld wordt angst steeds minder geaccepteerd. Als je uitermate verontrust bent over iets, ligt dat meteen aan jou, aan jouw – al dan niet foute – perceptie en leefwereld. Niet aan de werkelijkheid van ‘de massa’. Je gaat dan al snel op zoek naar de weg van de minste weerstand. Neem een pilletje tegen je angst en floep, alles is weer afgevlakt en oké.

Het aantal mensen met een ‘overmatige angst’ is nu groter dan ooit. Ik denk dat dat komt doordat we steeds meer keuzevrijheid hebben: je moet continu levenskeuzes maken. Dag in dag uit ‘zinvolle’ richtingen kiezen. En elke keuze die je maakt, heeft invloed op je leven en op het leven van anderen. Met elke keuze definieer en kies je jezelf.En dat is eng. Keuzestress is het gevolg. Dan maar liever niet kiezen? Zoals de Grote Paul steeds weer zegt: Kiezen is een keuze!

Angststoornis
Niet willen kiezen en bang zijn voor de – gevreesde negatieve – gevolgen van een keuze uit zich – onder andere – in angststoornissen (die wederom met allerlei middelen – pillen, alcohol en drogerende middelen, you name it – onderdrukt worden). Angststoornissen worden algemeen gedefinieerd als ‘angst zonder reële grond’, die gepaard gaat met sociale problemen. En daar heb je het weer: WIE bepaalt welke grond reëel is? Wie bepaalt wanneer iets sociaal problematisch is? De media? De artsen? De experts? De maatschappij?

Nee. Jij.

Afgrond
Als je nooit in de afgrond hebt hoeven kijken, weet je ook niet wat angst voor vallen is. Maar wát een afgrond is, bepaal je nog altijd zelf. Wat voor jou een onoverkomelijke diepte zonder reling of vangnet is, is voor freerunner gewoon een uitdagend sprongetje waar hij met een salto in of zelfs overheen springt.

Misschien moet je, als je angst voelt, je eigen concept van de realiteit eens overdenken. Als je durft.


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Eerlijkheid voor alles: Kinders over moeders

Bij voorbaat mijn excuses voor het feit dat hier nu nog zo’n lijstjesding verschijnt. Eentje die onze lieve Klivia dit keer zelf bedacht heeft. Zij beschreef het als de ‘moeder/dochter-tag’ of zoiets: “Tien vragen over jou, aan je dochter – wat weet ze nou echt van me?” Tien vragen over mij dus, die dan door het kind in kwestie vanzelfsprekend aller-aller-eerlijkste wijze beantwoord moeten worden.

Nu heb ik – naast een lieftallige dochter (11) – toevallig ook nog een zoon (14). Daarom heb ik ze tijdens het avondeten maar meteen simultaan ondervraagd. Mochten ze lekker door elkaar gillen. Lang leve de voice-recorder. En ik heb de boel dus wel even vanuit ’t Duits vertaald.

Wie van de twee kent mij het beste? En hoe goed kennen ze me daadwerkelijk?

Bring it on…


Wat eet ik het liefste?
Dochter: “Groente. Broccoli en boontjes en salade en zo. Oh, en biefstuk. Met lekkere jus.”
Zoon: “Biefstuk. En eieren. In alle vormen, maakt niet uit hoe, als het maar ei is.”
[Hah, ze weten het precies. Biefstuk, groente, eieren. Niet noodzakelijk in die volgorde]

Wat is mijn minst leuke eigenschap?
D: “Laat hem maar beginnen.”
Z: “Ik weet niks.”
Ik: “Ach, kom op zeg, nu effe eerlijk.”
D: “Oké dan. Wat ik het minst leuk aan jou vind, is dat je zo ontzettend veel werkt. Maar dat is geen eigenschap. Maar jij bent zowat verslaafd aan je werk, en dat is wel weer een eigenschap, toch?”
Z: Nou ja dat. Maar verder weet ik nog steeds niks.
[Ik heb het echt geprobeerd! Ze mochten alles zeggen. Ik had geen mes in de hand. Maar ze wisten het niet. Echt niet.] 

En mijn leukste eigenschap?
D: “Tjee, nou eh, zoveel, poeh…” [Ja, wát dan? Hmm?]
Z: “Jij helpt altijd. Iedereen. Mij met mijn huiswerk en anderen als het niet goed gaat. Jij luistert altijd. En jij weet ook altijd alles. Zelfs beter dan ik en dat is best moeilijk. En je kunt goed koken, dat is ook wel heel fijn. Je bent altijd vriendelijk en je troost iedereen en mij ook als ik weer eens slecht cijfer heb. Je wordt dan nooit boos.”
D: “Ha, ik weet het nu, ik weet het! Met jou kan je lachen! Dat vind ik het leukst.”
[Van mij mochten ze nog wel even doorgaan met deze vraag, maar zo was het wel weer genoeg, volgens de kinderen.]

Wat zou ik aan mijzelf willen veranderen als dat zou kunnen?
D: “Dat weet ik! Jij zou jezelf meteen superslank maken.”
Z: “Wat ik dan weer stom vind. Want je bent gewoon gewoon.”
Ik: “Jij bent niet objectief. Jij ziet mij als moeder, niet als vrouw. Moeders zijn nooit te dik.”
Z: “Nou, jij bént toch een moeder? Dan bén je dus nooit te dik. Je zegt het zelf.”
[Ik mag die logica van zoon wel]

Wat vind ik het allerstomste?
D: “Dat je soms zoveel moet werken. En dat Luuk zo ver weg is.”
[Zij zei het! Niet ik. Ik heb de soundfile als bewijs.]
Z: “Dat wij zoveel voor de TV hangen en die niet uit onszelf uitdoen om wat ‘zinnigs’ te gaan doen. Want dat zeg je altijd. En dat we dan ook nog eens zoveel ‘stomme dingen’ kijken.”
[Klopt. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik geen ‘echte’ TV heb: ik ‘zuig’ wat mee van de buren en via internet, dus in principe hebben ze een hoop keus, maar niet het normale TV-programma hier. Veel werken vind ik trouwens gewoon lekker. Niet stom. Wat dus eerder neerkomt op een verslaving dan wat anders.]

Waaraan ben ik echt verslaafd?
Z: “Aan werken. Koffie. Skypen.”
D: “Koffie. Wijn. En werken ook, ja.”
Z: “Oh, en aan e…”
Ik: “Stop maar, stop maar. Deze vraag slaan we verder maar over.”
D: “Jij bent verslaafd aan kinderen!”
Ik: “Ja hallo, ik hoef echt niet dagelijks een heel kind te consumeren om geen afkickverschijnselen te krijgen. Dus ik ben niet verslaafd aan kinderen.”
Z: “Dan water! Ik wed dat jij geen twee dagen zonder water kunt. Mooi dat je dan wél afkickverschijnselen krijgt! Je had er gewoon nooit mee moeten beginnen, met dat water zuipen.” En vervolgens ligt hij dubbel om zijn eigen gein.

Waarmee kun je mij pissig krijgen?
D: “Als we elkaar aan ’t klieren zijn en ruziën over de controller van de Wii.”
Z: “Als we niet luisteren wanneer jij iets vraagt. Dan vraag je het nog een keer en dan reageren we weer niet. En dan ben je pissig. Dan begin je “Joehoe! Zit ik hier in mijn eentje te lullen of wat!? Reactie graag!!” te roepen.”
D: “Oh, en van die ene fotograaf, toch? Daar werd je toch ook mega-pissig van?”
[Oeh, dat laatste… ai. Ik heb maar gelijk de volgende vraag gesteld.]

Waarvan word ik hartstikke blij?
Z: “Van een speurtocht in ’t huis, met Sinterklaas.”
[Ik weet natuurlijk meteen wat hij bedoelt: met Sinterklaas had hij een speurtocht uitgezet met een schatkaart (plattegrond). De schatkaart leidde tot een prachtig, zelf geknutseld cadeau. Ik was tot tranen geroerd.]
D: “Als ik je haren uitgebreid kam en je rug masseer als je moe bent en bij ons op de bank hangt.”
Z: “En schilderen! En mooie foto’s maken. Daar word jij ook happy van, toch?”
D: “En van heel harde muziek tijdens het autorijden. En dat we dan met z’n allen meezingen.”
[Klopt allemaal. Als een bus.]

Als ik iets in mijn leven over zou kunnen doen, wat zou dat dan zijn?
D: “Stomme vraag. Ons krijgen. Dat zou je toch meteen weer doen? Toch?”
Z: “Laten we bij het begin beginnen: Je eigen geboorte natuurlijk.”

Stel dat ik 1000 euro zou krijgen, wat zou ik dan als eerste kopen?
D: “Een nieuwe smartphone. Met een nóg betere camera.”
Z: “Niks. Je zou het geld sparen voor dagelijkse dingen, en voor straks, als het nieuwe huis klaar is.”


Wel, ik kan maar één ding concluderen: Mijn kinderen kennen mij. Door en door.
En mijn zoon is een zeer logische denker, maar dat wist ik al.

ussie

Mijn favoriete… (lijstjesalarm!)

Door een blog van ons aller Zuster Klivia viel mijn oog op het volgende, inmiddels op vele andere blogs circulerende lijstje. Een soort van ‘doorgeefstokje’, dit keer oorspronkelijk opgesteld door Melody. Nu heb ik niet echt iets met invullijstjes (ik heb enkel een waslijst van to-do dingen) en heb ik op mijn blog – volgens mij – nog nooit een lijstjesding gedaan. Maar voor alles is een eerste keer! Bij deze.


Wat is je favoriete…

1) Auto
Eentje die het altijd doet en waar je relaxed hele grote afstanden mee af kunt leggen. Klein beetje luxe moet ie dus ook zijn. Ik heb momenteel een Mercedes, echt een droom van een auto. Ik ben er als het ware mee vergroeid. Bij het uitstappen moet ik mij altijd losrukken. Ik werk thuis en rijd toch zo’n vijf tot zesduizend kilometer per maand (allemaal lange afstanden dus). Zonder auto ben ik nergens en kom ik nergens (wegens ‘in the middle of nowhere’ wonen). Ik ben echt gek op mijn auto en op autorijden; de auto is mijn alles. Bijna mijn derde kind. Gestoord. Ik weet het.

2) Kleur
Qua kleding: zwart. Ik loop de hele dag optisch te rouwen. Heerlijk. Geen bloemetjes aan mijn lijf.
Qua haar: rood. Hartstikke.
Qua inrichting: zwart/wit, rood, hout.
Vroeger was mijn favoriete kleur jarenlang ‘stoplichtgroen’. Ik vraag me af waarom.

3) BN-er
Probleem. Ik ken praktisch geen BN-ers. Die die ik ken, vind ik niet aardig of wil ik zelfs liever niet kennen. Ik kijk geen TV, alleen soms ‘uitzending gemist’. Maar als ik moet kiezen: Arjen Lubach, vanwege het ‘ik wou dat ik zo was’-effect, maar ja, ben al geen man, dus dat schiet niet op. En Ronald Snijders van ‘Normale Mensen’ omdat hij me vreselijk beet heeft gehad met die idiote schrikkelkalender (nu is mij beetnemen niet bepaald moeilijk is, maar toch). En hij heeft wel een leuke kop.

4) TV-programma (binnen- & buitenland)
Daar hebben we weer die TV die ik niet kijk. Maar als ik een serie zou mogen kiezen: Black Mirror. Een Britse SF-serie over de technologische, mediale en sociaal-maatschappelijke issues waar we mee te kampen gaan krijgen (of al hebben). Losse afleveringen (mini-movies) die elke keer weer je haren overeind laten staan omdat ze zó onder de huid gaan. ‘Ja, zo zou het binnen afzienbare tijd kunnen zijn… Of nee, zo ís het eigenlijk al!’ Geweldig goed gemaakt. Briljant, zou ik zeggen. Maar dat woord mag niet.

5) Maaltijd
Alles met eieren. Ik ben een eier-ulk eerste klas. En biefstuk. Ik wil mijn cholesterol-level dan ook niet weten. Interne kop-in-‘t-zand-politiek.

6) Jaargetijde
Dat hangt van het jaargetijde af. Is het zomer, wil ik winter (want in de zomer heb ik het heet en ik kan mijn laarzen niet aan). Is het winter, wil ik zomer (want in de winter heb ik het koud en kan ik niet buiten zitten). Lente en herfst zijn beide wel oké (mooie kleuren). Ik ben dan ook een ‘Herfst-type’.

7) Hobby
Oh hemel. Dit is een lijstje op zich. Schilderen. Tekenen. Schrijven (blogs, HoeVrouwenDenken, HoeKinderenDenken, andere artikelen, privé-dingen, gedichten). Drummen. Zingen. Lezen. Skiën. Tennissen. Fotograferen en foto’s bewerken (Instagram!).
Maar die tijd, hè. Die tijd…

loudrawsyou

8) Persoon
In mijn geval: Personen (mv):
Uitgegroeid: Luuk.
Nog niet helemaal uitgegroeid: mijn kinderen (Geen link. Sorry. Mag niet.)

9) Dier
Ik had ooit een hoop Red Fire-dwerggarnalen. Die zijn inmiddels allemaal dood. Eentje overleefde er toch nog heel erg lang. Die heette ‘Frau Prieler’. Helaas had ze een lage aaibaarheidsfactor. Daarom is Frau Prieler inmiddels ook al lang en breed (kort en smal) in de porseleinen hemel beland. Nu heb ik dus geen favoriete dieren meer.

10) Dagdeel
Bestaat een dag uit meer dan twee delen? Ik heb enkel een wakkergedeelte en een slaapgedeelte. Ik vind ze allebei even leuk, maar het slaapgedeelte is over het algemeen veel te kort en gaat meestal onbewust aan mij voorbij. Dan maar het wakkergedeelte.

11) Fruit
Granaatappel en mango. Gék op die granaatappelpitjes: Tandenknarsen galore! Jammer dat het zo’n geklooi is om een granaatappel te slachten. Mango is in alle vormen lekker. Schillen en erin duiken. Tot op de pit.

12) Drankje
Zonder alcohol: koffie.
Met alcohol: rode wijn (Cabernet en Montepulciano) en whiskey (Monkey Shoulder).

13) Uitje
Rood. Of lente-.

Ketting met reservehart

Ketting met reservehart

14) Sieraad
Mijn hartenketting. Bijna altijd om en dus volledig afgesleten; hij was ooit zilverkleurig maar het goedkope koper eronder heeft zichzelf inmiddels blootgelegd. Soort van metalen reservehart aan een touwtje. Als ik mijn dochter knuffel voor het slapen gaan, rilt ze soms even en zegt: “Mam, je hart is zo koud…” Oh en tweede sieraad: mijn ringen. Allemaal tekenen van verbondenheid en liefde.

15) Bloem
Amaryllis. Ideale bloem. Stop je in een pot met klein beetje mos (of watten) op de bodem. Niks meer aan doen. Geen water geven (of echt heeeeeel weinig) en hoppa, een tros gigantische, mooie bloemen staat ineens voor je neus als je weer terugkomt van een reis. Beter kan het niet.

16) Vervoermiddel
Stomme vraag. Zie 1)

17) Accessoire
Mijn bruine leren schoudertas. De grabbelton der grabbeltonnen. Soms leeg ik ‘m op de keukentafel en dan vind ik allemaal geweldige dingen waarvan ik helemaal niet meer wist dat ik ze had.

18) Luxe-artikel
De auto uit 1) en de biefstuk uit 5)

19) Muziekgenre
No music no life. Muziek is enorm belangrijk voor mij. Maar hoe die genres nu heten, geen idee. Ik ben gek op Melissa Etheridge, Pink, Bon Jovi, Lady Gaga, Hooverphonic, The Cure, Nathalie Merchant, Alanis Morissette, Bruno Mars, Lady Gaga, Bruce Springsteen, Waterboys… gaat u maar door. Maar bestaat daar een genre-naam voor? Oldie-pop of zo?

20) Kledingstuk
Een zwart jurkje met fijn lang vest of colbertje eroverheen. En laarzen. In de zomer heb ik dus een probleem.

21) Tijdverdrijf buitenshuis
Tennissen (doe ik veel te weinig), skiën (doe ik nóg minder, wegens gedoe en verrotte knie), wandelen (zou ik nog wat meer moeten doen), bioscoop met de kinderen (doe ik vaak genoeg), uit eten gaan met lief (mag nog véél vaker). En autorijden.

22) Schoonheidsritueel
Ik ben altijd retesnel in de badkamer. Ik kan verbazingwekkend rap douchen (ik heb getuigen!). ’s Ochtends heb ik – na het speeddouchen – ook niet meer dan 5 minuten nodig. Tanden poetsen, oogschaduw op, lijntje, mascara, deo in de okselgrotten, klaar. En ik heb een grondige hekel aan rituelen.

23) Rusthouding
Ogen dicht. Buikslaper. Liefst met de armen onder de romp gefrommeld. Uitermate charmant.

24) Toetje
Ben & Jerry’s Cookie Dough.

25) Tijdverdrijf thuis
Zie de binnenshuizige hobby’s bij 7).
En werken. Veel werken. En series kijken ter ontspanning.
Aan huishouden heb ik een bloedhekel, dus dat doe ik zo min mogelijk.


Bij deze weet u weer wat meer over mij. Het is een doorgeefstokje, dus U mag ‘m jatten, die lijst. Graag zelfs. Wie volgt?

SNEEUW!! Want Oostenrijk, hè! (Plogje)

Sneeuw9Sneeuw is al lang geen vaste prik meer, hier in het noorden van Oostenrijk. Er ligt elke winter wel wat, maar dat is in Nederland ook het geval. Af en toe.

Maar soms, heel soms, valt er – vaak op de meest ongunstige momenten – weer een enorme bak uit de lucht. En die blijft dan ook liggen. Zoals nu.

Ik heb vaak wat te mekkeren over Oostenrijk (en binnenkort zal ik eens het tegenovergestelde doen in een blogje, want Oostenrijk blijft een prachtig en fijn land, hoe je het ook draait of keert), maar die sneeuw, die is toch echt een fantastisch iets. Met sneeuw ga ik vaker wandelen. En dat is zo ontzettend goed voor je psyche… Bijna meditatief 😉

Sneeuw dus:

Sneeuw13

Paardenkoppel zonder paarden

Sneeuw14

Gesuikerde bomen

Sneeuw16

Altijd spannend rijden zo. Te voet is beter.

Geen weg meer te zien. Dan maar rechtdoor lopen naar de horizon.

Geen weg meer te zien. Dan maar richting de horizon.

Paard in zicht! #Sneeuwzee

Paard in zicht! #Sneeuwzee

Mijn kontafdruk op 't bankje. Natte broek, dat ook.

Mijn kontafdruk op ’t bankje.
Natte broek, dat ook.

Sneeuw8

Zie! De aarde is rond!

Hier is duidelijk wél gestrooid.

Hier is duidelijk wél gestrooid.

Bos hout voor de deur.

Bos hout voor de deur.

Sneeuw6

Zelfs hele boomstammen voor de deur.

Alles vloeit, ondanks alles.

Alles vloeit. Ondanks alles.

De strooiwagentjes zijn momenteel wat ondergedimensioneerd hier...

De strooiwagentjes zijn momenteel wat ondergedimensioneerd hier…

Sneeuw10

’t Is en blijft een uitzicht.


NB: Bron van alle foto’s: mijn Huawei P9 (zelf gemaakt dus). Mocht je er daadwerkelijk eentje ergens voor willen gebruiken: be my guest. Doe ermee wat je wilt.
Zou leuk zijn als je mijn naam (Lou Bartels) erbij noemt of naar mijn blog linkt, maar het hoeft niet per se. Zo aardig ben ik.

De Meditatiekneus

Ik ben de laatste tijd nogal moe. Heel erg moe. Intens moe. En toch kan ik niet slapen, niet ontspannen. Oh ja, en pijn. Die is er ook. Van al mijn suffe acties van de afgelopen veertien dagen. Ik heb pijn in mijn hoofd – geen hoofdpijn – van de duizenden kilometers reizen in een paar weken tijd. En van alle geregel, administratie en belastinggedoe. En van alle rompslomp rond werk en de kinderen en school. En met mafklappers die zomaar duur geld eisen. En, en, en….

Enfin. Om dat alles vond ik het gisteravond tijd om eens wat doelgerichte ontspanningsoefeningen te proberen, want mijn oogleden lagen op de spatiebalk. Men schijnt dat ook wel meditatie te noemen. Niks voor mij.

Efkes naar YouTube voor wat meditatieve muziek. Als werkelijk iedereen kan mediteren, kan ik, spiritueel afgekeurde mens, dat ook. Ah, hopla, een mini-sessie van drie minuten, dat moet te doen zijn voor een beginneling.

bron: pixabay

Ik leun achterover, sluit mijn ogen, leg mijn handen op de leuning van mijn bureaustoel (handpalmen naar boven) en luister.
En luister.
En hoor een plinkje van Twitter (retweet).
En luister.
En probeer mijn ogen uit alle macht gesloten te houden.
En luister.
En weer een plinkje. En een pokje, van whatsapp.
En luister.
En denk: ‘tjonge, dit werkt echt voor geen meter bij mij. Oh, ik moet morgen de aannemer nog bellen… Wanneer stopt die muziek nou ‘ns een keer? Volgende keer moet ik m’n mobielgeluid ook even uitzetten. Die drie minuten zijn toch al lang voorbij? Het gáát maar door… Oh ja, morgen ook nog een blikopener kopen, anders krijg ik dat blik kikkererwten zonder lipje nooit open. Sjezus, wat duurt dat lang. Zal ik hier een blog over schrijven?’

Ik kijk stiekem toch even door mijn wimpers en zie nu dat de meditatiemuziekvideo drie (3!!) uur duurt. Niet 3 minuten. Onbegonnen werk. En daar heb ik al meer dan zat van. Ik doe duidelijk iets heel erg fout.

Natuurlijk meld ik mijn meditatiedebacle meteen op social media (om therapeutische redenen, zeg maar), alwaar meteen de ‘mindfulness’ als goede raad om de hoek komt koekeloeren. Helaas heb ik een zware allergie ontwikkeld tegen alles wat met ‘mindful’ begint. Die allergie begint zelfs al uit te breiden naar alles wat ‘mind’  in zich heeft. En ‘box’. En ‘out’. Dat ook. Ik word kortademig van het het woord ‘flow’ en ga acuut trillen bij de term mindful(ness).

Ik wil geen mind full!
Ik wil juist mind empty!

Dan wordt mij op twitter de app ‘Headspace‘ warm aanbevolen. Een app voor meditatieve beginnelingen: lekker gestructureerd. Klinkt goed. Instant gedownload, natuurlijk.

Next try. Tien minuten ontspanning om meer ruimte in het hoofd te maken. Andy Headspace belooft het me.
Hij murmelt fanatiek in mijn oren.
“Feel your body… Feel the sensation of your stomach…” [Yes! Both definitely feel like they want a glass of wine. Now.]
“… and the tingling in your toes.” [Not. Maar ze kriebelen wel een beetje. Misschien maar eens schone sokken aantrekken.]
“Close your eyes now and count with every breath you take. In through the nose, out trough the mouth.” [Kakkerdekak, dat heb ik dus nooit gekund. Ik  vind dat stressig, dat bewust door je mond uitademen.]
“Feel the weight of your body…” [Ménnn, dat is nou juist iets wat ik absoluut NIET wil!]
“…and relax.” [Ja, hallo?!? Waarom denk je dat ik deze ‘oefening’ doe? Juist! Om DAT te leren!]
“Now open your eyes again.” [Whoops, ik had ze al open. En waar blijft die ontspanningsmuziek eigenlijk?]

En toen was ik er alweer klaar mee. Vervolgens moest ik de timer instellen voor de volgende, minutieus geplande ontspan-sessie. Daar kreeg ik het gelijk helemáál van op mijn heupen (uit! uit! uit! die timer), dus ook mijn heupomvang heeft vooralsnog geen baat bij de app.

Bron: commons.wikimedia.org

Aldus en al doende ben ik vooralsnog de meditatiekneus bij uitstek. Een ontspanningsprutser. Een stressprof. Maar ik geef niet zo snel op! Morgen sessie 2 met Max Headroom; ‘ns kijken wat ie dan te vertellen heeft.

En als mijn hoofdruimte er dan nog steeds niet groter en opgeruimder van gaat worden, neem ik maar een hete douche en een advilletje of twee. Dan slaap ik in ieder geval gewéldig, dat weet ik nu al. Zelfs zonder nieuw gecreëerde hoofdruimte.

 


Deze blog is eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Retraite

20140527_175512-1Het balkon van een vakantiewoning in een minuscuul plaatsje waar 99,99% van de wereldbevolking nog nooit van gehoord heeft. ‘Brede bron’, zo heet het gehucht vertaald. Een brede bron van wat? Inspiratie? Verlichting? Gemoedsrust? Beslissingen? Niets van dat alles. En hoe breed kan een bron überhaupt zijn?

20140527_14657Op dat balkon zit ik. Naast me op tafel mijn gedachteboekje en mijn schetsblok, een paar potloden, een glas wijn. Mijn telefoon mag hier weer puur telefoon zijn, want 3G of wifi bestaat in deze uithoek nog niet. Een deken over mijn benen en wat taai geworden ovenchips. Daar moet ik het mee doen. Maar is het voldoende om ’t leven weer op orde te denken?


Doelloos schets ik de haven met wat bootjes. Schrijf een tiental opzetten voor artikelen, blogs, gedichten en gedachtes op. Ik drink de fles in mijn uppie leeg en denk uit zelfbescherming maar niet meer al te veel verder.

20140527_143237-1Wat dóe ik hier? Ja, officieel ben ik in retraite.
“Denk maar eens goed na over waar je in vredesnaam allemaal mee bezig bent!” Die overbodige raad kreeg ik mee.

Geen internet, geen mensen om me heen, wandelingen langs de waterkant. Bibberend kiekjes maken van blauwe bierflessen en kinderslippers op het zand van een slordig opgespoten strand. Assepoester grijnst vanaf het voetbed naar mij. Het ziet eruit alsof de flipflops daar opzettelijk neergezet zijn, zo mooi in de pas staan ze. Uitgeglipt tijdens het wegrennen.

20140527_142856-1


Mijn momentele leven is een grote chaos en daar veranderen een paar dagen aan een miezerig meertje in de Duitse rimboe ook niets aan. Mentaal hard door blijven rennen, dat zal de enige remedie zijn. Ook al raak ik dan misschien zelf in de slip.

Tussen de keien aan de oever staat een lege PET-fles. Oók al zo zorgvuldig geplaatst. Het lijkt wel of iedereen hier alle rotzooi ordelijk neerzet om het vervolgens nutteloos en vervuilend achter te laten. Niet meer naar omkijken. Misschien moet ik dat dan ook doen.

Ik werp weemoedig een blik op mijn oude biker boots. Kapotte ritsen, rafelige randen, gescheurde zolen. Als ik al geen afstand kan doen van een paar versleten laarzen, hoe moet dat dan met de rest van mijn puinhoop?20140527_143642


Vannacht slaap ik weer in het onderste deel van het stapelbed op de kinderkamer. Om het de krakkemikkige verhuurster makkelijker te maken; slechts één bed verschonen is altijd nog beter dan twee. Maar ook omdat ik het luxe tweepersoonsbed sowieso niet aan durf te raken.

Bij de buren denderen de rolluiken omlaag. Totaal ongepast in deze setting. De belletjes aan de masten van de boten rinkelen als die van heftig grazende bergschapen. Dat past beter.


Een bries over het water. Krekels. Véél krekels. En eenden. Geen autogeronk. Geen mensenstemmen. Geen indrukken meer, enkel nog verloren afdrukken. De stilte gromt als een motorzaag in mijn oren. Misschien is totale eenzaamheid het enig werkzame dieet voor een volgevreten ziel.

Ik trek de deken nog dichter om me heen.

Eigenlijk is ’t niet eens zo koud.
Maar het is zó ontzettend koud.

20140527_175103

 


Deze tekst schreef ik meer dan 2,5 jaar geleden in mijn gedachteboekje.
Inmiddels heb ik het weer een heel stuk warmer en mijn laarzen op laten knappen.
Zo goed als nieuw.

Het einde van een seizoen

De laatste keer dat ik hier een blog postte, was het midden mei. Ik moest even kijken of het wel mei dit jaar was: het voelt als een eeuwigheid, als veel meer dan ‘maar’ zes maand.

En terugblikkend op het afgelopen jaar denk ik: ik zit weer eens aan het einde van een seizoen. De meeste puzzelstukken die in het voorbije tijdsbestek over de tafel vlogen (of er zelfs onder lagen), vallen op hun plaats. Het wordt rustiger. Geen alsmaar groeiende spanningsboog, geen anti-climax. Integendeel: de boog óntspant. De tevredenheid – met de status quo en met alle ontwikkelingen die daartoe hebben geleid, maar ook met alles wat nu gaande is – groeit met de dag.

Hoort dat bij het ouder worden? Of bij het persoonlijk volgroeien? Of gewoon nergens bij en is het enkel een cyclus?

bron: wikipedia

bron: wikipedia

Ik denk ook aan alle die keuzes die ik, onbewust afstevenend op dat naderende seizoenseinde, heb gemaakt. Reflectie, overpeinzing. Niet of die keuzes goed of slecht waren, maar meer over waar ze me nu hebben gebracht. En er komen nog steeds verse beslissingen bij. Elke dag.

Onlangs heb ik de laatste aflevering van het tweede seizoen van de serie ‘The Affair’ gekeken. Een nogal intense serie, waarin een man bij een rechtszaak rondom een moord (what else) uiteindelijk moet kiezen tussen twee van de betreffende doodslag verdachte vrouwen. Van de ene houdt hij zielsveel, de andere is en blijft de moeder van zijn kinderen.

Hij kiest niet. Integendeel: uiteindelijk offert hij zichzelf ter plekke in de gerechtszaal op voor al diegenen die hij liefheeft. Hij bekent zelf de dader te zijn. Die is hij niet, maar ook dat kan weer veranderen in een volgend seizoen.

Natuurlijk houdt de serie hier niet op: het einde is namelijk niet happy genoeg. Want: Everything will be okay in the end. And if it’s not okay, it’s not the end. Dat zeggen ‘ze’ toch altijd? Series houden pas op als alle handelingen volledig uitgekauwd zijn. Als het verhaal doodgebloed is. Als er ook met de grootste moeite geen kloppende ader meer te ontdekken valt.

Seizoen drie is inmiddels van start gegaan: het affaire-leven rolt weer vrolijk verder en we kauwen nog even verwoed door. Net als in het ware leven: dat houdt ook pas op als het bloed stollende is.


“Life’s nothing but a never-ending shitshow of how things are supposed to be. A rodeo of choices you once made, that have never been wrong or right. Just making choices. You’d think you’d get better at it with age, but you don’t. You just make ‘em and live with it. Until there’s no life left. Just choices. ‘Til the last one. Which is never a choice. Just a shitty ending.”
[Quote uit ‘The Affair’]

Or not. And life still goes on.

Kinderfilosofie

“Mam, wat nou als jij mij niet gekregen had… Had iemand anders mij dan gekregen?”
Poeh, da’s best wel een filosofische en spirituele vraag. En ik ben zo a-spiritueel en a-filosofisch als wat.

“Da’s een moeilijke, schatje. Als je bijvoorbeeld gelooft in reīncarnatie en in een ziel, dan zou het best zo kunnen zijn dat jouw ziel in het lichaam van een andere mens terecht zou zijn gekomen.”
“Dat snap ik niet. Dan zou ik ‘ik’ toch niet meer geweest zijn?”
“Het is maar hoe je het bekijkt. Dan ben je de ‘jij’ die je dan geworden zou zijn. Van de ‘jij’ die je nú bent, zou je dan nooit iets geweten hebben.”

“Maar… dat is toch erg? Dan had niemand mij ooit gekend zoals ik nu ben! En dan had jij me moeten missen!”
“Nee, want dan had IK jou nooit gehad. Dan zou ik je ook niet missen, omdat ik je nooit gekend zou hebben.”
Het begint wel wat ingewikkeld te worden nu.
“Maar, maar… als ik er niet geweest was, dan zou jouw wereld nu toch heel anders zijn? Of weet je dan niet eens dat ie anders is, omdat je niet weet dat ik óók had kunnen bestaan?”

Filosofie van de hoogste plank.
En dat voor een tienjarige…
Ze heeft bijna tranen in haar ogen, maar ze gaat door.
“En als jij papa nooit ontmoet zou hebben, dan waren wij er zelfs allebéí niet geweest…”

Zoon (13) mengt zich in het gesprek: “Ja, maar dan wéét je dat toch niet? Als je helemaal niet bestaat, mérk je toch ook niet dat je nooit bestaan hebt? En als je wel bestaan hebt en je bent doodgegaan, weet jij dat zelf toch óók niet? Dat weten alleen de anderen, die nog wél leven.”

“Daar wil ik niet over nadenken. Ik word hier heel verdrietig van.”
Zoon rolt met zijn ogen en zucht eens diep. En dan ratelt hij erop los.

bron: pixabay.com

bron: pixabay.com

“Als mama nooit geboren was, was jíj nooit geboren. En als oma nooit geboren was, was mam er ook niet geweest. En als de oerknal nooit gebeurd was, waren er helemaal nooit mensen geweest. Dan was alles gewoon nog lekker leeg, want dan was er niet eens een ‘alles’! En als je zo nodig in een God wilt geloven, en die God had toevallig een rotdag gehad en geen zin om van Adams rib nog even een vrouw te knutselen, dan waren er helemaal geen vrouwen geweest. Dan hadden mannen zichzelf moeten klonen of de hele mensheid was gewoon een foutje geweest. Is ie sowieso. En dan had jij óók niet bestaan.”

Dochter kijkt haar broer met grote, waterige ogen aan.
“Waar héb je het over?”

“Over het feit dat de wereld om de zon draait en niet om jou.”

Basta.


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl <- kijk daar voor meer artikelen, blogs en columns!

Van ietsje naar Nietzsche

…en van het minimalisme op naar het nihilisme.niets

Ja ja, ik ga mij bekeren tot het nihilisme. Wat ik zo geweldig vind aan nihilisme? Niets… Maar ik heb er ook niets op tegen. Ik ben een grote fan van niks. Bowie is inmiddels succesvol bekeerd tot het niets, Jackson en Prince ook. Dus waarom ik niet? Geen enkele reden. Zie, daar heb je het weer!

Eerder werd ik al zeer geïnspireerd door het minimalisme: het zo goed mogelijk leven met zo min mogelijk xyz [zelf in te vullen:’Dingen’ bijvoorbeeld. Of ‘materiële sores’. Of je vult gewoon helemaal niets in; dat is dan weer het prille begin van je nietsisme]. Dus enkel dat wat je nodig hebt. De rest elimineer je successievelijk uit je toch al loze bestaan.

Maar: met het minimalisme heb je tenminste nog íets. En de shit daarvan is, dat het verdoemde vergelijken dan weer opnieuw begint. Heb ik dit ene ‘iets’ echt nodig? Of toch juist dat andere daar? Moet dit beter? Of is dat eigenlijk wel voldoende voor mij? En van al dat gepieker raak je geheid in een pessimistisch minimalistische bui (‘ik flikker alles ’t raam uit!’), wat bijvoorbeeld anti-pessimist Nietzsche [spreek uit: Nietsje! What’s in a name…] weer helemaal niets vond. Hij sprak zich dan ook uit voor het volledige nihilisme: dat was voldoende.

Apropos, voldoende, weer zo’n begrip. Ben ik zelf voldoende? Ben ik überhaupt nog iets? Doe ik dan niets werkelijk goed, in vergelijking met anderen? Dan kijk ik dus meteen weer naar die andere net-niet-nihilisten en denk: nee, da’s óók niets… Daarom ben ik gestopt met het mezelf met anderen vergelijken middels facebooktestjes. En zie daar: nu ben ik zo’n 32% zelfbewuster dan mijn vrienden.

Ja, nihilisme is fijn! Simpelweg omdat het he-le-maal niks is.
Je hebt zelfs geweldige nihilistische moppen:



Enfin. Ik zag het volgende bij een zwaar nihilistische twitteraar.
Het treft ’t niet, maar het is wel aardig:

Roses are red
violets are blue
Life’s an illusion
Sentience is too
Nobody cares
None love you back
Please enjoy life
Then fade into black

Dus hou ik mij een leven lang bezig met futiliteiten tot er een fulminant ‘niets’ meer overgebleven is.
En dan ga ik daar lekker helemaal niets meer aan doen.

Niets is het nieuwe iets!

niets2


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl

STRESSKIP!!

Ik ben een zorgenmaak-expert. Een paniekvogel. Een piekeraar. De opperstresskip der stresskippen. Waar een ander denkt: ‘ach, zal allemaal wel in orde zijn, ik hoor ’t wel, geen bericht is goed bericht’, daar ben ik anders. Zo gauw iets afwijkt van het gebruikelijke, het afgesprokene, het verwachte of het normale, begin ik te piekeren over wat er allemaal aan de hand zou kunnen zijn. Als ik nagels zou bijten, was ik nu wel bij mijn polsen aanbeland.

Als mijn ouders van hier naar Nederland terugrijden (zo’n 1000km) en ze doen er langer dan 10 uur over zonder berichtje, ga ik piekeren. Als ik dan bel en ze zijn niet bereikbaar, zie ik ze al ergens tegen een boom geparkeerd staan. Als mijn zus een weekendje op stap is met een vriend en ik hoor na terugkomst niet binnen een paar dagen hoe het was (maakt niet uit hoe: whatsapp, facebookchat, telefoon, skype, alles kan), vermoed ik meteen dat ze daar gestrand is. Of erger. Als mijn lief op een familieweekend in het buitenland ineens een hele avond en nacht niks meer appt (en we hadden nog zó “tot straks!” gezegd om elkaar even goedenacht te wensen, zoals we altijd doen), kun je mij opvegen. Ik naai mezelf steeds verder op.

11pm – hmm, raar. Om 10.30pm ge-appt dat ik ook maar naar bed ga. Geen antwoord. Dat is zo ‘niet hem’… Hij doet dat altijd! Nu niet… Naja, hij zal wel even geen bereik hebben of zo…
[BINGO!! Daar had ik moeten stoppen].

0.00 –  Ik staar wezenloos in de ruimte. Bel hem op de ouderwetse manier. Telefoon staat blijkbaar uit. Dat is helemaal raar… Wat nou als… Ik ga maar een misdaadserie kijken: slapen kan ik nu toch niet.

2am – Ik stuur hem nog een zesde berichtje. ‘Joh, als je toevallig wakker wordt vannacht en dit ziet, laat me dan even weten dat alles oké is? Ik maak me zorgen.’ Zinloos. Weet ik. Die man slaapt zo vast… die wordt echt niet wakker van mijn piekerberichtjes. Scheiße. App komt helemaal niet aan! Eén grijs vinkje. Dan maar een SMS. Geen reactie. Kan toch niet? Die SMS-ploink móét ie toch horen? En met zulke sterke stressgolven als die van mij, die de hele wereld zowat nucleair omstraalt, moet hij dat daar in bed toch ook voelen? Omg, er is vast iets gebeurd…

Bron: pixabay.com

Bron: pixabay.com

4am – Ergens een uurtje geslapen, tussen het wekkerstaren door. Verder met malen. Jemig, dit is toch niet normaal…
Misschien is zijn telefoon in de wc gevallen en wilde hij niet nog iemand wakker maken om mij toevallig een berichtje te kunnen sturen… snap ik.
Of misschien heeft ie wel een hartstilstand gehad… dat gebeurt zo vaak tegenwoordig… oh nee zeg, ’t zal toch niet…
Of misschien is de bliksem ingeslagen daar en zitten ze nu zonder stroom-2G-3G-alles… Er was noodweer op komst…
Of misschien is er zelfs wel brand uitgebroken, weet jij veel… staan ze daar met een brandweerdekentje om de schouders bibberend hete thee te drinken en is alles kapot en hebben ze ternauwernood overleefd… Of niet… omg omg omg…

6am – bijna licht. Minstens een half uur geslapen. Ik zoek het telefoonnummer van zijn zus. Heb ik niet. Dan maar facebookberichtje. Of zij misschien even kan zeggen dat alles oké is? [Nee, natuurlijk niet: zij heeft net zo min bereik als hij]. Internetrecherche. Wie kan ik in geval van volledige, onstopbare paniek nog meer bellen? Het telefoonnummer van het verblijf daar heb ik inmiddels, maar dat gaat wel heel ver… En toch, dit is niet normaal…

8am – PLOINKKK! Bericht. Ik zit meteen rechtop.
“Sorry lief, helemaal nulkommanul bereik
hier, sinds gisteravond al 😦
Nu heb ik weer wifi in de ontbijtzaal.
Alles is oké hoor, JIJ STRESSKIP!!”
[kleine edit: ik moet toch even bekennen dat hij me geen stresskip noemde, dat was ik zelf. Hij was liever voor mij 😉 ]

Goffer. Waarom doe ik dit mijzelf aan? Waarom heb ik een hele nacht wakker gelegen om niks? Waarom lijkt alles in het donker tigmiljoenmiljard keer erger? Waarom kan ik niet anders dan piekeren als iets niet helemaal ‘normaal’ verloopt? IK ben duidelijke degene die hier niet normaal is. Een ster in het ‘de verkeerde kant op fantaseren’.

Ik ben blijkbaar overmatig en irreëel bang om degenen die ik lief heb, te verliezen. Ik wil niet alleen rationeel beredeneren dat ze veilig zijn, dat er niets aan de hand is, ik wil het wéten. Dat is het probleem.

Ik zielig opgeblazen zieltje. Ik moet dringend op zoek naar een zielenknijper :-/

Eng…

Ben ik een herdenkingsdissident?

Elk jaar sta ook ik op 4 mei even stil. En wel bij de vraag waarom we op deze dag nog steeds enkel een ‘nationale’ Dodenherdenking houden. Begrijp me niet verkeerd: iedereen mag herdenken wat/hoe/wanneer men wil. Maar de grootschalige relatering van deze officiële herdenking aan enkel Nederlandse slachtoffers in (hoofdzakelijk) de Tweede Wereldoorlog vind ik persoonlijk achterhaald. Ik heb alle respect voor het herdenken als zodanig en alle respect voor deze dag. Ook ik zal stil zijn. Desondanks vind ik dat onze Dodenherdenking in de huidige vorm te beperkt is en niet meegegaan met de tijd. 


Enkel Nederlandse slachtoffers?

dodenherdenking2

Bron: wikimedia.org

Sinds 1961 is de definitie van Dodenherdenking in theorie verbreed: Nederlandse gesneuvelden tijdens vredesoperaties in bijvoorbeeld Bosnië en Afghanistan en gevallenen in Nederlands-Indië worden nu eveneens herdacht. Maar de nadruk blijft heel duidelijk op dat ‘Nederlandse’ liggen.

De officiële tekst luidt: ‘Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
Nederlandse’ ontbreekt nu op diplomatieke wijze voor de woorden ‘burgers en militairen’, maar het gaat nog steeds enkel om slachtoffers van Nederlandse origine.

Waarom herdenken we niet ook al die gevallenen uit ándere landen? Gevallenen die net zo goed gestreden hebben en gestorven zijn voor de uiteindelijke bevrijding van Nederland? Waarom moet het ook nu nog steeds een puur Nederlandse aangelegenheid blijven?

Waarom blijven we vinden dat herdenking per definitie ook verzoening betekent? ‘Herdenken hoeft niet vergeven in te houden’, zoals antropoloog Hans Feddema drie jaar geleden al in zijn artikel stelde. Ook dan, zelfs dan, nee, júíst dan, zou je gezamenlijk moeten herdenken om niet te vergeten.

Hoogste tijd om deze herdenkingsdag eens te overdenken.

Gedwongen jaarlijkse bewustwording

In een multiculturele, geïnternationaliseerde samenleving en in een wereld waar nog steeds heftig gevochten, gefolterd, geterroriseerd en gemoord wordt, is onze Dodenherdenking niet meegegaan met de ontwikkelingen. Het herdenken van enkel ‘eigen’ slachtoffers in een ver verleden is te beperkt geworden. Te nationalistisch. Te egocentrisch.

De Nederlandse Dodenherdenking is verworden tot een nationaal stokpaard dat elk jaar opnieuw op een vast tijdstip van stal gehaald en bereden moet worden. Moet, ja. Wil je het anders doen en op veel bredere schaal herdenken, op een ander tijdstip terugdenken en herinneren, of leef je liever helemaal in het nu (met de zo populaire mindfulness en het huidige wereldse geweld in het achterhoofd), ben je al snel ‘heel fout’ bezig. Dat mag niet. Niet openlijk in ieder geval: dat is respectloos.

Onder het motto ‘opdat niet we niet zullen vergeten’ moet iedereen nog steeds elk jaar op dezelfde dag en om dezelfde tijd twee minuten stil zijn en het voorgeschrevene herdenken. In een keurslijf gedwongen bewustwording van enkel de nationale gevolgen van een oorlog, waarin zo onnoemelijk veel méér soldaten en burgers uit ándere landen gevallen zijn, óók voor de bevrijding van Nederland. Tegelijkertijd vergeet men daarnaast nadrukkelijk de slachtoffers van zo vele andere gruwelijke oorlogen waar Nederland bij betrokken was.

Ik vergeet niet. En zo velen met mij niet. Maar ik wil veel méér dingen niet vergeten dan alleen dat, wat er vandaag officieel herdacht wordt.

‘Deze oorlog was erger’

Je krijgt dan als herdenkingsdissident meteen het weerwoord: “Maar de Tweede Wereldoorlog was wél een stuk erger dan alle andere!” Ja. Qua aantallen slachtoffers absoluut. Maar de gruwelijkheid van een oorlog hangt niet per definitie af van hoeveel tientallen miljoenen erbij omgekomen zijn. Is een oorlog met 75 miljoen slachtoffers sec gezien 1,9 keer erger dan een oorlog met 40 miljoen doden? En vele recentere oorlogen zijn minstens zo opzienbarend en ‘herdenkingswaardig’ als het om gruwelijkheden, marteling, folter, experimenten en massamoord gaat.

Het Comité bepaalt

Opzienbarend is ook dat voor een steeds groter aantal joodse mensen de herdenking op 4 mei al veel te algemeen geworden is: zij hebben er ‘niets meer mee’ en herdenken vooral op hun eigen wijze en eigen tijdstippen. Zie bijvoorbeeld ook de reactie van Amiad onder het (al wat oudere) zeer kritische opinieblog van Victor Brenntice:
dodenherdenking-reactieAmiadVelen houden dus al lang hun eigen specifieke herdenking. Op hun eigen manier. Binnen gesloten muren, want anders grenst herdenken aan dissidentie. 4 mei zou daarom  juist heel geschikt zijn voor de algemene herdenking van álle gevallenen. Een dag waarop nadrukkelijk stilgestaan wordt bij alle onschuldige slachtoffers van welke oorlog dan ook. Een bij meer mensen en achtergronden passend bewustwordingsmoment. Een herdenking waar bijvoorbeeld ook Duitsers bij aanwezig mogen zijn. Duitsers zoals Thomas Läufer, die in 2010 (toen Duits ambassadeur in Nederland) verzocht om deel te mogen nemen aan de nationale Dodenherdenking. Hij mocht niet komen, want Duitser. Bijna driekwart van de Nederlandse bevolking vond het weliswaar prima om hem erbij te hebben (bron: duitslandinstituut.nl), maar het Nationaal Comité 4 en 5 mei wees hem af: niet welkom bij de Nederlandse ceremonie, in tegenstelling tot nationale WO-II-Dodenherdenkingen in vele andere landen, waar hij wél mocht deelnemen. Op 5 mei had hij dan wel weer mogen komen: meevieren dat we van hem en al die andere Duitsers bevrijd werden. Maar respectvol mee-herdenken? Nee, sorry. ‘Daar hoor jij niet bij‘.

Hypocriet

In mijn ogen is dát dus hypocriet: Het Comité bepaalt als een soort dictator wie wel en wie niet in Nederland mag herdenken en vooral ook wát en hóe er precies herdacht mag, nee, moet worden. Na de zaak Läufer is er in 2010 weliswaar kort gedebatteerd over het mogelijk meer internationale karakter dat de nationale herdenkingsdag zou moeten krijgen, maar tot nu toe is daar niets van terecht gekomen. De afwijzing van Läufer wekte destijds in ieder geval de indruk dat middels ‘onze’ nationale herdenkingsdag de wrok tegen Duitsland en Duitsers in stand moest worden gehouden. Het Comité haastte zich wel om te zeggen dat in principe geen enkele internationale vertegenwoordiger op 4 mei welkom is: Dodenherdenking moet vooral een ‘nationale aangelegenheid’ en puur Nederlands dingetje blijven.

Dissidente herdenker

Ik vermoed dat ik met dit artikel kritiek zal oogsten, net als Victor Brenntice met zijn opiniestuk van vier jaar geleden. Weliswaar had zijn artikel een duidelijk andere strekking en pleitte hij openlijk voor de complete afschaffing van Dodenherdenking, iets wat ik hier per definitie NIET wil doen. Maar als ‘dissidente herdenker’ vind ik dat we op een speciale gedenkdag als deze juist wél met de tijd mee moeten gaan en ál diegenen moeten herdenken die – waar ook ter wereld – de moed hadden om op te komen voor onze vrijheid, net als alle mensen die slachtoffer zijn geworden van juist het ontbreken daarvan. Ik vind ook dat we niemand mogen uitsluiten bij de officiële nagedachtenis aan al diegenen die door oorlogen om het leven zijn gekomen. En dat we stil moeten staan bij het feit dat er sinds de Tweede Wereldoorlog een nog steeds voortdurende periode van ‘relatieve’ vrede in Europa is (The Long Peace, bekijk o.a. hiervoor ook eens dit uiterst relativerende filmpje), die een daadwerkelijk, concreet gevolg is van WOII en de daaruit voortgekomen ontwikkelingen.

Dus herdenk ik, ondanks het streng voorgegeven kader, tóch op mijn eigen respectvolle manier en op door mij gekozen momenten. Laat mij. Want bij het voorgaande wil ik op een officiële dag als deze zelfs wel heel wat langer dan twee minuten stil blijven staan.

Feel free to disagree


Ook gepubliceerd op Hoevrouwendenken.nl

Afscheid van volwassenheid

“Volwassen worden is afscheid nemen van steeds meer vormen van jezelf die je ooit had kunnen zijn en de beperkingen aanvaarden van de persoon die je merkt te zijn geworden.”
(uit: “Een tafel vol vlinders” – Tim Krabbé)

afscheidvanvolwassenheidvlindersLBNou, ik merk niks. Toevallig. Niets van die vermeende volwassenheid, niets van de personen die ik allemaal niet geworden ben. Lichamelijk volwassen ben ik al lang. En breed ook. ‘Ervaringsvolwassen’ ben ik – vrees ik – eveneens. Alleen dat geestelijk volwassen worden, dat wil maar niet lukken.

Ik heb dan ook nooit echt afscheid genomen van al die persoonsvormen die ik had kúnnen worden, simpelweg omdat ik nooit heb stilgestaan bij wie ik allemaal geweest had kunnen zijn. Ik ken alleen de ik die ik nu ben, inclusief de beperkingen van die ene ik. Oh, de eenzaamheid… Ik kan dus eigenlijk alleen maar concluderen, dat ik ondanks alles nog steeds kind ben gebleven: een 14-jarige met 30 jaar ervaring. Misschien moet ik dan nu maar afscheid nemen van het algehele concept ‘volwassenheid’?

Mijn mama zei ooit: “je wordt pas écht volwassen als je ouders er niet meer zijn.” Ze sprak uit eigen ervaring. Ik denk dat het klopt. Het hoeft niet eens de fysieke afwezigheid, de dood van je vader en/of moeder te zijn; als je ouders geestelijk (bijvoorbeeld door psychische achteruitgang, dementie of zelfs amnesie) niet meer in jouw leven deel kunnen nemen, is degene die altijd verantwoordelijk voor jou was, ineens jouw verantwoordelijkheid geworden. DAT is volwassenheid door afscheid.


Eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Waar kan ik ze ruilen?

“Mama, werd ik te vroeg of te laat geboren?”
Ontbijtgesprek op zondagmorgen. In alle rust antwoord ik:
“Je bent precíes op het goede moment geboren, lieffie.”
“Nee, dat bedoel ik niet. Was ik al ver over de houdbaarheidsdatum?”

screenshot_377

bron: pixabay.com

Ik sproei zowat mijn koffie over de krant.
De uitgerekende datum bedoelt ze, de datum waarop je je kind officieel niet meer binnen zou moeten kunnen houden.
“Ja, je zat er een dagje of tien overheen. Maar dat geeft niks, de meeste kinderen komen niet precies op de uitgerekende datum ter wereld. Je broer kwam drie weken te vroeg en daar is ook niks mis mee.”

“Maar… ben ik daarom te dik? Heb jij mij te lang gekweekt?”
Daar is de koffie. Door mijn neus.
“Meiske toch, nee joh! Ik heb jou gewoon te veel van mijn genen meegegeven. Vooral mijn molligheidsgenen.”
Even stilte. Ze denkt na.
Zoon kijkt haar verwachtingsvol aan: hij weet dat ze naar een oplossing zoekt.

“Waar kan ik die genen ruilen? Ik wil ze niet.”

Zoon grinnikt: “Heb je het bonnetje nog?”
En dan:
“Hopelijk heeft mam ze niet van de V&D want dan kun je naar je genen-garantie fluiten!”

De krant is doorweekt.
Dan maar een nieuwe kop koffie.


ook gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl

De teloorgang van het ‘nieuws’

“The nature of news is that it influences public opinion, so how do you prove or prevent news that seeks to do that?” (Lisa Graves, Center for Media and Democracy)

Het hedendaagse nieuws is geen nieuws. Het is namelijk al lang geen objectieve berichtgeving meer: het is enkel dat, wat u mag zien en lezen, geselecteerde rapportage van datgene wat de publicerende partij geschikt vindt voor zijn publiek. Dat hedendaagse ‘nieuws’ en die tegenwoordige berichtgeving zijn één grote sneue bedoening.

Kritiek leveren mag niet meer, want belanghebbenden.
De burger objectief informeren is uit den boze, want belanghebbenden.
Een onafhankelijke column schrijven is er niet meer bij, want belanghebbenden.

En al die belanghebbenden zijn dan ook nooit te beroerd om je op welke manier dan ook de mond te snoeren. Een aanslag op het vliegveld in Brussel door de IS is nieuws. Een nog veel grotere aanslag op de universiteit in Mosoel door de US is het niet. Dat laatste is namelijk niet goed voor ons om te weten. Vinden die belanghebbenden.

Maar wie zíjn dat dan, zult u zich waarschijnlijk afvragen. Wel, dat hangt ervan af wie de correspondent, de journalist of de columnist is, die de tekst schrijft. De belanghebbende namelijk is diens werk- of opdrachtgever. Niemand is volledig onafhankelijk.

Een correspondent van een door de BBG (Broadcasting Board of Governers) gecontroleerde US-zender zal niet objectief kunnen of mogen rapporteren over door de USA gepleegde bombardementen. De dodentallen worden successievelijk gereduceerd, de rechtmatigheid geëtaleerd, de goede motieven geaccentueerd. Alles om de angstige burger de indruk te geven dat de moordactie noodzakelijk was. De politiek is bij afwijkende berichtgeving niet bij gebaat. En de politiek bepaalt.

Een voor een medisch-wetenschappelijk blad schrijvende journalist zal geen verslag mogen doen van de werkzaamheid van homeopathische middelen, de effectiviteit van alternatieve geneeswijzen of van een mogelijk revolutionaire doorbraak in de genezing van een dodelijke ziekte met behulp van een heel gangbaar en goedkoop medicijn. Het blad wordt namelijk toevallig gesubsidieerd door een groot farmaceutisch concern, en die heeft daar absoluut geen belang bij. Integendeel. En de financier bepaalt.

Daarentegen wordt een columnist geacht vrij te zijn in tekstformulering. Ja, een columnist mag bij wijze van spreken zelfs een leugen waar liegen: in dit geval de tekst is per slot van rekening een opiniërende column, géén ‘objectief’ journalistiek stuk. Kritiek moet in die zin mogelijk zijn, óók op de organisatie waarvoor de columnist schrijft. Maar de opdrachtgever van die betreffende columnist, bijvoorbeeld een gratis dagblad, is op zijn beurt weer afhankelijk van het overkoepelend management van de groep waartoe het blad toevallig behoort. En zelfs die ‘vogelvrije’ columnist is nu dus lamgeslagen en mag niet meer in eigen nest schijten. Het dagblad bepaalt.

Waar is dan in vredesnaam de objectiviteit gebleven? Waar zijn er nog mogelijkheden om de nodige kritiek te leveren op (delen van) de organisatie waar je voor werkt? En waar is de capaciteit tot zelfreflectie gebleven, wanneer iemand je die oh zo noodzakelijke spiegel voorhoudt?

Kritiek leveren op het huis van ‘de concurrent’ is natuurlijk prachtig. Dát mag. Maar een kritische blik op de louche inrichting van kamers in het eigen onderkomen, is uit den boze. Waar men juist blij zou moeten zijn met een uitgesproken mening over en een nieuw perspectief op de eigen organisatie, wordt angstvallig gecensureerd. “Dit publiceren we niet, want dan hebben we stront aan de knikker en wordt de geldkraan dichtgedraaid.”

Dat gebeurde vandaag. En daarom werd DIT niet gepubliceerd in het grootste gratis dagblad van Nederland. Ik noem maar geen namen. Daar houden ze niet zo van.

Triest.

 

Roadworst

Het is weer eens zo ver: ik mag weer naar Nederland! Ik heb mijn bolide volgestouwd met alles wat nodig zal zijn voor de komende tien dagen. Ik heb de kinderen van school opgehaald, van een boterham voorzien, laten plassen en ook in de auto gepropt. Eén voorin (die is van de ‘gekoeld-voer-bediening’) en één achter mij (die is van de zoetigheid-en-chips-bediening en de electronica-doorgave).

Naast elkaar op de achterbank zitten is al jaren een no-go: dan had ik een triplexplaten muurtje voor ertussen moeten figuurzagen en daar heb ik geen zin in. Dan maar zo. Vol goede moed gaan we op weg naar mijn geliefde landje. Zwaaien de Oostenrijkse koeien gedag.
Und tschüß!

“En, hebben we er zin in, lieffies?”
“Neeeeeeee,” klinkt het in koor.
Ze hebben wel zin in Nederland, hoor. En om bij opa en oma te logeren. En om naar Six Flags te gaan. En zin in zwemmen. Maar geen zin in zo’n 8,5 uur in de auto zitten.
“Ach, zal vast wel meevallen, ik doe aan laagvliegen, dat weten jullie. Misschien duurt het vandaag zelfs minder dan 8 uur, wie weet. En trouwens, JULLIE mogen lekker vakantie vieren. IK moet werken, toevallig.”
Ik probeer de moed niet meteen de grond in te boren. Het werkt niet.

Bij Linz: file. Vrijdagmiddag-avondspits (die Oostenrijkers houden er elke vrijdag namelijk rond het middaguur al mee op)

Ca. 60km na Linz kom ik erachter dat ik de identiteitskaarten van de kinderen ben vergeten. Ik ben zo stom om dat ook gelijk te vermelden: dochter volledig over de zeik, want “hoe moet dat dan zo meteen bij de grens? Straks pakken ze ons op, terwijl we geeneens vluchtelingen zijn!”

Bij Passau: file. Die ken ik. Die is standaard. De door dochter zo gevreesde vluchtelingengrenscontrole. Ik snap werkelijk niet hoe ze dat nu doen: Ze stoppen nooit iemand, zelfs geen vrachtwagens Daarom kon ik dochter ook geruststellen: “geen hond die dat merkt, lieverd. Ze laten alle mensen alleen 3km lang héél langzaam rijden, dan staat er een norse meneer en dan mogen we weer verder.” Heel zinvol.

Zoon merkt en passant op dat hij zijn beugel vergeten is. Geweldig. Na tien dagen staat de boel weer zoals drie maanden geleden. Ik calculeer alvast een reprimande van de orthodontist in, bij de controle direct na de vakantie.

De kinderen meppen elkaar de kop in omdat ze, ondanks 2 laptops, 2 tablets, 1  netbook, 1 phablet, 4 mobieltjes, 2 spelcomputers, 15 DVD’s en dito aantal films op 2 USB’s, allebei op hetzelfde moment dezelfde DVD op dezelfde laptop (namelijk mijn Mac) willen en moeten kijken.

“Je moet niet altijd alles willen hebben wat de ander heeft. Je moet ook niet altijd alles perfect willen hebben: het op-één-na-beste is óók nog altijd prima.” En ik gooi er nog even mijn levensmotto tegen aan: “Rookworst zonder -R- is…”
“Ook worst. Ja, ma, we  weten het,” grommen ze er in koor.
“Aha, en een file is dus een roadworst?” merkt zoon droog op.

Bij Regensburg: file. Vrachtauto is blijven hangen. Op de linkerbaan. Wat doet ie daar überhaupt? Het zou vrachtauto’s verboden moeten worden om in te halen op autobanen met twee rijstroken. Ze houden álles op, iedereen moet sterk afremmen. Vooral die aso Tsjechische, Roemeense en Hongaarse chauffeurs gooien hun kolos zonder pardon op de linker rijstrook. Lak aan het overige verkeer. Ze rijden hooguit 2km/h harder en moeten daarvoor pompen tot en met om die 86km/h te halen (uitlaatgassen!). Ze zouden zó veel meer besparen door gewoon achter een vrachtauto te blijven (nu juist extra dieselverbruik), besparen nauwelijks tijd met hun inhaalactie en de rest moet na voor de zoveelste keer sterk afremmen wéér optrekken (en dus wéér meer uitstoot/verbruik). Driebaanswegen: prima, haal lekker in als je dat zo graag wilt. Tweebaans: blijf er dan verdorie gewoon achter rijden! (Sorry eventuele vrachtwagenchauffeurs, maar dit is gewoon irritatiebron nummer één. Elke keer weer)

Bij Erlangen: file. Ik wil eraf, maar op de afrit staat een nóg langere file dus ik kies ervoor om door te rijden via Würzburg. Helaas: ik had het bord ‘omleiding naar Kassel via Erlangen’ gemist. Dat bord stond er niet voor niks: 5km verderop – tadaa – file. Stilstand. Autobahnsperre! Want vet ongeluk. Probeer dan maar eens 1,5 uur lang je kroost bij troost te houden. Ellende.

Würzburg: file. Je verwacht het niet…
Maar daarna reed het daadwerkelijk even door en kwamen we wat verder in de richting van Fulda.
“Mam, ik moet plassen.”
“Jij moet altijd plassen, kun je het nog ophouden?”
“Nee, ik moet NU!! METEEN!! Of ik plas je autostoel vol.” Shit. Een parkeerplaats zonder wc. Geen tankstation. Weer een parkeerplaats zonder wc. Dochter knijpt en jammert. Hè hè, een tankstation. Gelukkig, want tank nu ook leeg. En hongerrrr. Tanken, plassen, helaas geen eten. Het restaurant bleek voor personenauto’s na het tanken volledig onbereikbaar (of ik keek niet goed, maar dat is per definitie nooit het geval).

Doorrijden dus. Frustratie alom. Yes, een Autohof. Daar hebben ze altijd lekker eten. Op de afrit zie ik de volgende verdoemenis: De oprit terug naar de autosnelweg is geblokkeerd (Baustelle!), dus snel verder richting Kassel is na het eten geen optie meer. In het shabby restaurant waar vette schnitzels en een zwaar gebrek aan enig groenvoer overheersen, vraag ik hoe ik nu in vredesnaam naar Kassel kom.
“Oh ja, dát is heel lastig. Dan moet u door het Brombiebelebergse Woud en dan daarheen en zus en zo. Of u moet terug naar de vorige afslag en daar omdraaien, maar dat is nog véél verder om.” Bij gebrek aan wifi kijk ik met mijn buitenlandbundel op Google Maps hoe het zit. Dat was mijn buitenlandbundel. Next!

We starten onze expeditie door het donkere woud. Ik mis de juiste omleidingsafslag; de kinderen mekkeren over een film, ik ben afgeleid, mis tevens het bordje ’80’ en hopla: FLITSSS! 20km/h te hard. Nondeju in het kwadraat! Maar ik heb straks wel fijn post als ik thuis kom.

Dat is het geijkte moment om eens even lekker hard te schreeuwen in de auto. Het móét eruit, de mij verbouwereerd aankijkende kinderen ten spijt. Voor Kassel nog een beetje file (je verwacht het niet), nog twee plasbeurten en dan is het rustig, donker, liggen de kinderen voor pampus en kan ik fatsoenlijk doorjakkeren. Ein-de-lijk. Zoon hangt met zijn kussen tegen mijn schouder te slapen en ik kom ook wat tot rust. Na dik elf uur on the road geweest te zijn, vielen we de vertrouwdheid binnen.

“Ja mam, maar NU zijn we niet meer moe! Wij hebben in de auto geslapen!”
“Kan me geen ruk schelen. Je gaat maar liggen, wakker of slapend, het zal me worst wezen.”

Roadworst.

(ik heb trouwens de onderbroeken van zoon ook vergeten in te pakken.
Oh, en de cadeautjes voor daar waar ik op bezoek ga.
Oh, en de verplichte leesboeken van de kinderen.
Oh, en de sokken van dochter.
Oh, en nog iets, maar dat ben ik vergeten)

Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Brullen met tranen

21 uur. Bedtijd voor kleine kindekes.
“Mam, die zelfgemaakte patat ligt me dwars…”
“Neem je slokdarm als zweep en sla ‘m in ’t fatsoen, ja?”

Zoon grinnikt.
“Nee echt, als ik van hiero naar beneden op het parket kots [zoon heeft, net als dochter, een hele hoge hoogslaper], mag jíj de boel straks van het plafond schrapen.”
“Been there, done that, got the swiffer. Mij maak je niet bang.”

De humor. Vandaag is ie weer groots. Zoon stommelt naar de badkamer om vervolgens onverrichter zake voor een glas water naar de keuken lopen. En passant graait hij in de bak met laadkabeltjes (dat doet hij nu eenmaal graag, een automatisme). Eentje daarvan valt me nu ineens op.

“Hé, weet je nog, dat op afstand bestuurbare helicoptertje dat ik stante pede terug gestuurd heb omdat ie het niet goed – of eigenlijk helemaal niet – deed? Nou, dít is de laadkabel daarvan.”
Zoon ligt in een deuk. Tranen. Nu moet ie pas écht kotsen. Zegt ie.

“Oh en ik heb dat pakje met 3 nieuwe AAA-batterijtjes, waarvan ik claimde dat ze eveneens niet in de verpakking zaten, laatst ook in hal gevonden…”
“Waarom deed dat ding het niet dan? Waarom moest ie terug?”
“Nou, dáárom dus…”

Ze zijn eindelijk zo ver: ze liggen in hun bedden, of ‘doodskisten’ zoals dochter het blieft te noemen. Het plafond is namelijk slechts zo’n 50 cm boven hun neuzen. Tja, je moet wat hè. Zoon weet in ieder geval de oplossing om snel in slaap te vallen: met een noodvaart rechtop in bed gaan zitten. “Nou euh, tot over een dag of drie!!” brult ie jolig. In hun kamer [ja, ze slapen ook nog eens samen in één kamer, groot is het hier nu eenmaal niet] heb ik altijd de neiging om zooi op te ruimen en stof af te nemen. Ik, de huishoudelijke slons bij uitstek. U kunt zich voorstellen hoe het er daar uitziet.

Het los liggende dekseltje van een door dochter zelf gekleid paars-rood-blauw potje doe ik vol opruim-enthousiasme weer netjes op het onderste deel. Resultaat: de tanden en kiezen vliegen me om de oren.

“Neeeeeee, stupido!!! Mijn kiezen!! En ik verlies er al zo veel!!”
Da’s waar. Ze heeft boven en onder nog nét twee voortanden en hier en daar een hoektand. Daar houdt het wel mee op.
Dochter stommelt van de ladder omlaag om op de grond haar tanden bijeen te rapen.
Met de tranen nog in de ogen, jodelt zoon, dat je in dit huis sowieso elke dag minstens drie tanden verliest en dat op een blokje lego trappen er echt niks bij is. Maar: als we straks allemaal kunstgebitten hebben, zien we ze op de grond in ieder geval niet meer zo snel over het hoofd. Wel zo handig. De grapjas.

Ineens komt hij daadwerkelijk met een rotvaart overeind, ramt zijn hoofd tegen het plafond, dondert zijn hoogslapertrap af, geeft mij in het voorbijgaan met de ene hand een pets op mijn hoofd terwijl hij zijn andere voor zijn mond klemt. Een perfecte home run naar het toilet, om daar vakkundig zijn beugel eruit te spugen, begeleid door de genoemde patatten. En wie oh wie mag die beugel tussen het braaksel door weer uit het toilet vissen en minutieus schoonmaken, hmm? Juist. Di Mamma.

Het min of meer gebruikelijke avondritueel in huize(ke) Bartels.
Altijd weer leuk.

Keulen is klote

Keulen is al lang niet meer slechts een naam voor een stad.
Keulen is een zelfstandig begrip geworden.
Keulen. #Zeghet en iedereen weet direct waar je het over hebt.

Maar is dat wel zo? Weten we waar we het over hebben?

Voor de één is ‘Keulen‘ het lang verwachte armageddon dat door de massale toestroom van vluchtelingen met een ander geloof, een andere achtergrond en andere waarden en normen, veroorzaakt wordt. TPO, GeenStijl en co. lusten er, samen met een verlekkerde Geert en een juichende Trump, wel pap van. Het is koren op de rechtse molen.”Zie je wel? We zeiden het toch? Eerst wordt de boel dagenlang in de doofpot gestopt. Vervolgens komt de politie-k met een krom verhaal op de proppen en nu blijkt dat al die Islamobbers zich moedwillig hebben verzameld om ónze vrouwen te bespringen en ónze westerse vrijheden aan hun laars te lappen. Al die daders per direct het land uitzetten en de grenzen dicht voor nieuwe potentiële verkrachters, dat is de enige remedie tegen deze invasie van geweld en misbruik.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Voor de ander is ‘Keulen‘ een incident als vele andere. Dit keer helaas politiek erg brisant door de – al dan niet bekende – herkomst van de daders en de aanvankelijk nogal onhandige verdoezeling van de feiten. FrontaalNaakt, Krapuul en co. doen, samen met menig onthutst brabbelende linkse politicus, hun best om het zo op te tekenen. “Zie je wel? Nu het asielzoekers zijn, vliegt iedereen ineens in de hoogste boom. Waren het ‘gewone Duitsers’ geweest, had er geen haan naar gekraaid want dit soort dingen gebeuren overal. Kijk maar naar de aanrandingen van de serveersters op het alternatieve Oktoberfest in Alkmaar. Of naar de gang rapes op Britse en Amerikaanse universiteiten. Om van alle seriële verkrachtingen binnen familie- en vriendenkringen nog maar niet te spreken. #Zeghet werd afgedaan als zielig gejank, want daarbij ging het vooral om ‘eigen volk’ en dan moet je niet zeuren. Maar nu de daders van andere komaf zijn, is het ineens wél een rel vanjewelste en worden alle vluchtelingen over één kam geschoren. Hoe hypocriet wil je het hebben.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Dat dit soort dingen daadwerkelijk overal en altijd al gebeuren, kan ik – zij het enkel marginaal – bevestigen: ga voor de grap eens oud en nieuw vieren op het plein bij de Stephansdom in Wenen. Dan mag je blij zijn als je heelhuids, onberoofd, onaangerand en zonder voetzoeker in je nepbontkraagje weer thuis komt, ook zónder de aanwezigheid enige asielzoeker in de wijde omtrek. Dat was twintig jaar geleden al zo en dat is nu nog steeds zo. Ook heb ik menig Oktoberfest in München bezocht, waar ik dergelijke taferelen (massale beroving, geweld, aanranding door niet-asielzoekende daders) mocht aanschouwen. Maar daar gaat het niet om.

Waar het wel om gaat, is dat iedereen dénkt te weten wat er daar in Keulen gebeurd moet zijn en waarom dat gebeurd is. Iedereen – ik generaliseer nu zelf even, ik ben mij daarvan bewust – ziet er datgene in, wat hij/zij wíl zien. Iedereen zoekt precies die mediale berichtgeving die in zijn of haar straatje past. En iedereen heeft per definitie het eigen gelijk. Daarmee krijgt de gigantische wig die tussen ‘iedereen‘ en diens medemens gedreven wordt, nog een flinke klap met een moker na.

Op dit moment probeer ik enkel nog naar mijzelf te kijken en te doorgronden, wat dit alles het met mij en mijn overtuigingen doet. Ik was zoiets wat – niet bepaald liefdevol – als ‘Gutmensch‘ betiteld wordt. Gutmensch is al lang tot een scheldwoord verworden, een passende titel voor de naïeve en goedgelovige multiculti-knuffelaars onder ons. Voor mij dus. Maar ik kon en wilde simpelweg niet geloven dat een geloofsovertuiging dit soort excessen kan veroorzaken. Ik wilde niet geloven dat een groep mannen enkel op basis van een religie op zulk walgelijke wijze op een vrouw neer kan kijken en haar naar believen wenst te misbruiken.

En ik kan en wil dat nog stééds niet. Ook al weiger ik zelf in welke godheid dan ook te geloven (ik ben een ‘kufar‘, een atheïst, een ongelovige), ik ken te veel fijne, goede, vredelievende en respectvolle mensen van alle mogelijke geloofsovertuigingen om dermate te kunnen of te willen generaliseren. Ik wil zo graag blijven geloven dat ook ‘Keulen‘ een uitzondering, een losstaand incident was en dat ons beeld van wat er daar (en ook elders) gebeurd is, nog verre van compleet is. Maar ook ik, ja zélfs ik, word nu langzaamaan banger. Sceptischer. Wantrouwender? En het lullige is: ik ben zelfs bang om dát toe te geven.

Wat als.
Nee, dat kan niet.
Maar wat als…

Angst is een bitch.

Daarom is Keulen klote.

Goede meenemens

Elk jaareinde steekt het gezever weer de kop op: “En? Nog goede voornemens?” Groundhog day in de vorm van een immer op identieke wijze wederkerende nieuwjaarsplanning.

De bijdehante troela antwoordt meteen: “Ja, natuurlijk! Ik neem me voor om me dit jaar helemaal niks voor te nemen! Gaat me lukken! Oh nee, toch niet.” De twijfelaar meent er toch nog even over na te moeten denken, het optimistische type zegt: “JA! Dit jaar ga ik [vul zelf in]!” Dat kan zijn: een paar kilo aankomen, de vuilnis binnen zetten, beginnen met roken, een kind baren, wat minder sporten, lekkerder eten, het wegkwijnende bonsaiboompje snoeien, whatever. En de pessimist bromt: “Natuurlijk niet. Alles wat een mens zich voorneemt, is uiterlijk na twee en een halve week alweer vergeten. Goede voornemens zijn voor losers die al lang weten dat ze de dingen, die ze eigenlijk altíjd zouden moeten doen, sowieso niet doen gedurende de rest van het jaar. Dan maar één keer per jaar – het liefst aan ’t begin – expliciet benoemen, dan heb je dat ook weer gehad. Forget it.”

Eigenlijk is de laatste helemaal geen pessimist maar een realist. Want geef toe: zo werkt het toch? Je weet eind augustus immers net zo goed wat je allemaal zou moeten doen en laten. Daar heb je geen nieuw jaarbegin voor nodig. Maar elke laatste week van het jaar wordt de mens tóch weer mediaal doodgegooid met artikelen over wát er allemaal zou moeten, hóe dat dan moet en hoe dat eventueel langer dan die paar weken vol te houden is. De top drie van nutteloze voornemens is voorgeprogrammeerd.

Met stip op één: “De smartphone het raam uit sodemieteren”. Unpluggen. Afkicken. Want: je smartphone schijnt jou te ‘maken’, te vormen en te kneden tot dat wat je nooit wilde zijn: een schermstarende, grootogige, slape- en libidoloze zombie. Laat ik dat nou zonder mijn (twee…) smartphone(s) ook al zijn. I’m a lost case. Ik ga voor de casting van de Walking Dead. Next!

Nummer twee: “Meer en regelmatig sporten”. Awel, ‘meer’ sporten is niet moeilijk, ik doe momenteel sowieso praktisch niks dus als ik íets doe, is dat meer. Ik ben nu eenmaal geen sportmens: Ik doe enkel verwoede pogingen tot. Elke maand opnieuw. Omdat het moet. Behalve skiën en tennissen: dat vind ik wel leuk. Maar de regelmaat in de uitvoering van deze twee activiteiten is eveneens ver te zoeken. De rest van mijn beweging bestaat uit huishoudelijk werk, toetsenbordtoetsen indrukken, naar het koffiezetapparaat lopen (en weer terug), naar de auto lopen (en weer terug, soms zelfs met zware boodschappenkratten), gaspedaal c.q. rem intrappen, ver na middernacht naar mijn bed wankelen (en ’s ochtends helaas weer terug), en friemelen met mijn vingers. Daar ben ik echt goed in. Ik heb gelezen dat dat heel gezond kan zijn, dus laat mij rustig friemelen alstublieft.

Nummertje drie: “Gezonder eten, minder alcohol en véél meer water drinken”. Tja. Gezond eten doe ik eigenlijk al, maar bij mij wordt alles wat ik in mijn mond stop per definitie omgezet in een grotere buik-benen-billenomvang, of dat nou een komkommer is of een patatje kapsalon. Mijn lichaam zal in barre, voedselarme tijden (die op de één of andere manier nooit komen) nog jarenlang op de overvloedige reserves kunnen teren. Maar dat ‘meer water’ moet ik voor elkaar kunnen krijgen. Koffie is tenslotte ook water met een smaakje, toch?

En dan zijn er nog de geijkte dingen als “meer slapen en ontspannen” (ik doe mijn uiterste best om meer dan 5 uur slaap per nacht te krijgen maar het blijft een lastig dingetje), en “positiever in het leven staan” (gezeik. Ik vind mezelf positief zat voor deze verrotte wereld. Basta).

Ik vermoed dat ik dus tot de verdoemde groep pessirealisten behoor. Want: als ik me niks voorgenomen heb, is alles wat  me gedurende het komende jaar wél lukt, mooi meegenomen.

Ik doe enkel nog aan goede meenemens.

 

Navelprutputten en dwangdoorgangen

Woorden als deze ploppen te pas en te onpas in mijn hoofd omhoog als ik ’s nachts niet slapen kan. Ik mompel ze dan in mijn memo-recorder en de volgende ochtend moet ik gruwelijk mijn best doen om te ontcijferen wat ik ’s nachts in vredesnaam allemaal uitgekraamd heb.

Maar waarom borrelen juist deze non-woorden in mij op? En waarom in het holst van de nacht? Is er een diepere betekenis? En wat moet een mens met een navelprutput? Alle nog te oogsten navelpluis erin dumpen en wachten op de echo als het spulletje neerstort? En dan het werkelijk verontrustende: de spellingscontrole ziet navelprutput als een bestaand woord. Dwangdoorgangen kunnen daarentegen goedkeuring van de autocorrectie niet wegdragen. Blijkbaar toch fantasieloos, die spellingscontrole. Mijn hoofd absoluut niet:

——

… onderin de navelprutput is een dwangdoorgang. Eenmaal op de bodem van de put neergedwarreld ziet het – gemakshalve gepersonifieerde – navelpluisje een kleine opening. Een navelprutputbreuk? Waarschijnlijk de enige uitgang, wil het pluisje ooit het daglicht nog weer zien. De dwang om de doorgang te verkennen is enorm. Maar er komt geen licht doorheen, dat belooft niet veel goeds over wat er aan de andere zijde van de opening ligt. Dan ontdekt het navelpluisje de oorzaak van de afwezige rode buiklichtgloed. Een tot een dik hard balletje opgerold snotje heeft al eerder dezelfde poging gewaagd om de doorgang te bedwingen en zit nu hartstikke klem. 

Op de bodem van de navelprutput kijkt een wanhopig navelpluisje in de afwezige lodderogen van een in de dwangdoorgang klem geraakt snotballetje. Ze beginnen om ‘t hardst te huilen. Het snotballetje wordt week en floept door de opening terwijl het pluisje – drijvend op het snotpluishuilwateroppervlak – nu alle moeite moet doen om nog kopje-onder te gaan, om zo bij de navelprutputbreukdwangdoorgang te geraken. Zinloos. Voorgoed buiten pluisbereik…

Uit plots hervonden navelprutsolidariteit grijpkleeft het snotje zichzelf uit alle macht vast aan de rand van de ingang van de dwangdoorgang en snottert vol overgave door. Het huilwaterpeil stijgt. Het navelpluisje bereikt al opdrijvende de rand van de put en laat zich over de ronde welving naar beneden glijden, alwaar een venusheuveloerwoud van zwarte kroesharen het opvangt. De schaamluizen verwelkomen het navelpluisje met open luizenpoten. Je hoort ze denken: “Vetmesten, dat wanhopige navelprutpluisje. Onze stofluisfamilie onder het bed zal ons straks dankbaar zijn voor dit bijzondere fraaie feestmaal.”

——

Enfin. Snotpluishuilwateroppervlak schijnt óók een goed Nederlands woord te zijn.
Even mijn neus snuiten.

 

De onsterfelijkheid online

Bijna middernacht. Ik wil mijn computer afsluiten en nog even welterusten wensen op Facebook en Twitter. Een rare kronkel in mijn hoofd, want waarom doe ik dat eigenlijk? De meeste mensen die ik op deze manier goedenacht wens, ken ik ‘in het echt’ niet eens. Draagt het überhaupt iets bij aan de goedheid van de nacht van al die anderen op social media? Of toch enkel maar aan mijn eigen goede gevoel?

Plop. Een groot blok met dikke donkerblauwe omranding verschijnt midden op mijn beeldscherm; een notificatie van een app die ik voornamelijk heb om die gruwelijke FB-site aan te kunnen passen aan mijn wensen. Ik kan bepalen wat er verschijnt (timeline, feeds, filters), hoe het verschijnt (lettertypes, kleuren), waar het verschijnt (zijbalken etc.). Vind ik fijn. Ook al zo’n persoonlijke kronkel: waarom pas ik iets banaals en onbelangrijks als FB aan aan mijn visuele behoeften? Maar: de app deelt je ook op de meest idiote momenten mede wie er niet meer met je bevriend wil zijn. Aan de ene kant wel handig (soort van nieuwsgierigheidsbevrediging), aan de andere kant soms ronduit shocking. Dit was zo’n mededeling.

Deze ‘ontvriending’ kwam echter van een lieve vriendin, die al anderhalf jaar niet meer op deze wereld is. Dat raakte me onverwacht diep. Ik dacht ineens terug aan haar. Nu denk ik wel vaker zonder aanleiding aan mensen die ik al lang niet meer gezien of gelezen heb. Dan kijk ik out of the blue even op hun profiel, scroll er doorheen, like wat, zeg wat, en dan weet ik weer dat alles oké is. Ik denk ook met enige regelmaat aan degenen die er niet meer zijn, maar een directe aanleiding daartoe – zoals deze notificatie was – is er zelden. Het leverde een nieuw soort gevoel van herhaald afscheid nemen op. En ik snapte het niet, waarom was ze nú plots ook hier weg? Ik keek een laatste keer op haar profiel. Het was echt zo. “(+) Vriend toevoegen” stond er, maar dat vond ik not done. Taggen was niet ook meer mogelijk in de nachtelijke posting die ik daarop vanuit mijn hart schreef:

Het heeft iets onwerkelijks om kort voor middernacht ontvriend te worden door een vriendin, die anderhalf jaar geleden overleden is. Eind juni vorig jaar ging ze heen. Ik leefde mee in haar gevecht tegen kanker. Wat heb ik gehuild. Om haar, om haar zoontje, om haar dappere man, om het volledige wegblijven van enig antwoord op het ‘waarom’. De ondoorgrondelijke oneerlijkheid. Een verloren strijd. Ik volgde haar bruiloft, nog kort voor haar overlijden. We deelden, we schreven, we schreeuwden. We jankten.
       Ik weet niet wie haar account nu beheert, en het geeft ook niet dat diegene mij nu plots verwijderd heeft. Het is goed zo. Ik snap helemaal dat dingen afgesloten moeten worden. En dat andere dingen doorgaan. Ik zag mijn voortbestaande FB-vriendschap met haar als een soort van tribute, een herinnering die online doorleefde. Maar ze is er niet meer. Het is zoals het is. Ik zal me haar altijd herinneren als de dappere, lieve, moedige, immer levenslustige B., die zelf koos, zelfs het tijdstip van haar dood. Ik mag nu dan niet meer in haar kringen zijn, maar ze is en blijft in de mijne. Dag lieve B. In mijn hart is ruimte genoeg om altijd te blijven wonen, ook al is de gedenkwaardige FB-woning nu evident te klein geworden. Ik pink mijn tranen weg en denk even weer aan jou. Zoals ik wel regelmatig doe. Aan jou, mijn voorbeeld van een eeuwig dappere, sterke vrouw. Kus. Dag…

…en ik pinkte die tranen weg. Dacht terug aan haar, maar ook aan de mensen waar ik toen, in haar laatste dagen, veel mee sprak maar die nu jammer genoeg bijna allemaal weer uit mijn leven verdwenen zijn. Peinsde over hoe lang ik eigenlijk al niet meer aan haar gedacht had en dat het ergens best fijn was, om nu weer actief herinnerd te worden.

Maar wat bleek: de app is echt niet betrouwbaar. Althans, misschien ook wel, want de profielpagina was nu omgezet naar een In-Memoriam-pagina. Dat kan blijkbaar bij overledenen en dat registreerde de app, vermoed ik. Weer zo’n kronkel in mijn digitale wereld.

Mensen blijven online vaak sterker aanwezig dan ze in je echte leven ooit waren. Hun profielen blijven bestaan, hun accounts lopen – weliswaar vanzelfsprekend zonder updates – gewoon door alsof er niets gebeurd is. Ze blijven jarig, jaar in jaar uit. Henk Krol heeft dat ook al meerdere malen mogen ondervinden.

Online ben je dus nooit écht dood, je leeft digitaal verder. Je blijft bevriend met degenen die toen al bij je waren, blijft glimlachen en toekijken vanaf je profielfoto. Als niemand de toegang tot of het beheer over het account van de overledene heeft, niemand met een overlijdensbericht in de hand een aanvraag tot deactivatie indient, blijf je tot het einde der (FB-)tijden doorgaan met bestaan.

Deze ‘ontvriending’ (die er geen was) voelde als een fotoalbum dat zonder enige aanleiding uit de boekenkast donderde. Je schrikt even, pakt het verbaasd op, bladert er doorheen. En je herinnert je degenen die je dierbaar waren. In het echte leven kan me zoiets niet meer gebeuren: al mijn oldskool fotoalbums staan nog in een kast in een huis uit – hoe cru – een vorig leven. Daarom ben ik nu maar gewoon dankbaar dat er bij mij zo nu en dan, soms ongewild, altijd onverwacht, een digitaal album uit de FB-kast flikkert. Het houdt de herinnering levend.

Het gif dat angst heet

ThePoisonOfFear2 SCAN-LargeA

Opgeven mag

Wezenloos staart hij uit het raam. Het ongenadig harde hout van de keukenstoel voelt hij tot diep in de broze botten van zijn zitvlak. Een paar uitgebluste en eindeloos vermoeide ogen kijkt langs de flats naar het donkergrijze water in de verte. Hij steunt met beide handen en kin op het handvat van zijn stok. Glinsterend vocht in zijn ogen. Alles is zinloos. Grauw. Eenzaam. Niets is het nog waard om voor door te gaan. Hij slaat zijn blik neer en perst de weerbarstige tranen uit zijn ooghoeken. Ze vloeien samen onder zijn neus. Een zilte smaak op zijn droge lippen.

Ze was de liefde van zijn leven, zijn hele leven lang. Haar ogen waren altijd de mooiste, de diepste en meest liefdevolle gebleven, zelfs toen ze langzaam maar zeker uitdoofden. Tranen van vreugde moesten de laatste jaren steeds vaker plaats maken voor tranen van pijn. En wanhoop. Toch bleef daar die glans. De glinstering en de fierheid van haar levenswil, die nooit door steeds dieper wordende rimpels en bovenlipgroefjes overschaduwd werd, weerspiegeld in haar lach. In al haar uren van lijden was ze onvermoeibaar moedig gebleven. Sterk. Positief. En de zijne. Maar ze had oneindig geleden. En alleen hij wist hoe zeer…

Ook nu kan hij zich de vibraties van haar zachte, diepe maar steeds zwakker wordende stem weer exact voor de geest te halen. Haar fluisterende, warme ademzuchten in zijn gehoorgang. Haar rozige geur, halsstarrig verankerd in zijn neusharen. 

Een glimpje zon valt op zijn knokige vingers. Maar in zijn beleving is er geen plaats meer voor zon of warmte. Er is enkel nog plek voor donkere wolken. En voor orkaanwinden waar hij onophoudelijk tegenin zal moeten blijven worstelen. Elke dag opnieuw. Elke nacht een eenzame kwelling.

Vierenzestig jaar lang was zij de zin geweest. De verlichting en de vreugde. Zijn basis en zijn bestaansreden. En nu, nu weet hij niet meer hoe dat leven nog te doorleven valt. Het beste deel van zichzelf, het deel dat zij in hem was, is voorgoed verloren gegaan. Zijn leven is het zijne niet meer. Wat een nutteloos recht is het geworden, dat recht om voort te bestaan. Geen liefde zal haar ooit kunnen evenaren. Nee, nieuwe liefde bestáát simpelweg niet.

Hij heeft er lang genoeg over nagedacht. Lang genoeg om te weten, dat hij niets meer blieft van dit hier en nu. De wijkverpleegster zegt hem telkens weer dat hij op moet passen voor een depressie. Dat hij zich op ‘andere dingen’ moet concentreren om niet op elk moment van de dag aan haar te hoeven denken. Wat nou depressie? En welke dingen dan? Hij kán haar niet zomaar uit zijn gedachten wissen, niet ontkennen, niet níet missen, niet één seconde vergeten.

Langzaam staat hij op. Zijn knieën trillen. Licht voorover gebogen en nog zwaarder op de stok leunend, opent hij de deur naar het balkon van de schamele, totale leegte uitwasemende seniorenflat, de houten stoel voetje voor voetje achter zich aan trekkend. Acht hoog is een mooie hoogte, maar het uitzicht op de haven, waar hij tot zijn pensioen vol overgave zijn werk mocht doen, wordt hem sinds een krap jaar door een betonnen kantoorflat ontnomen. Ach, wat zal het. Hij ziet immers aan weerskanten het kille water nog.

Tastend en wiebelend klimt hij op de zitting. Sluit zijn ogen, ziet haar beneden in het plantsoen weer staan. Ze wuift. Zoals altijd. De twijfel over het verkozen einde slaat toe. Is het dan zo verkeerd om dat waardeloos geworden bestaansrecht nu op te geven? Zo verkeerd om haar gedachteloos te willen volgen? Zo verkeerd om zijn gezicht voorgoed van dat felle, ondraaglijk verblindende licht, dat een restleven vol gemis enkel nog is, af te wenden? De dieptes van zijn verdriet schreeuwen hem uit alle macht toe. Toch hoort hij haar zachte stem, dwars door het geraas in zijn hoofd heen. “Volg, mijn lieve lief. Opgeven mag.”

Een voet op de balustrade.
Een weloverwogen stap.
Een recht op leven ingeleverd.






Vandaag precies twee jaar geleden schreef ik deze tekst vanuit een opwelling. Een schrijfimpuls voortkomende uit een song die ik destijds vaak luisterde. U mag raden welke song. En nee, het is niet ‘Love is all’.

VVM – Weense Wijven (2)

Het eerdere verhaal – Weense Wijven (1) – over geharste bovenlippen, foute ouwewijvenkwalen, professioneel koffienippen en wulps gevulde olijvenschalen was slechts de eerste dag van het bezoek van mijn doorgewinterde damesclub aan Wenen. Het schrijven van een vervolg erop (de eerste avond) liet even op zich wachten. Geheel zoals het een dame op leeftijd betaamt.

De avond valt en de dames maken zich op voor een weldadige zitting bij de zogenaamde ‘Heuriger‘, een lokale wijnboer met een ‘Gastgarten‘ (ook zuiptuin genoemd), alwaar de gastheer zijn cliënten, omringd door wijngaarden en dito ranken, van zelfgestampte wijn en echte Heuriger-lekkernijen laat genieten.

Dat opmaken duurt helaas een halve eeuwigheid bij één van de toplevel-dames, waardoor we de bus missen. Geen ramp, een taxi is snel besteld. Die komt tien minuten later voorrijden: een invalidenbusje van Taxi Glück. Dat kan geen toeval zijn.

Chauffeur Hannes Hainzl stelt zich hoffelijk voor. De handkusjes worden professioneel omzeild. We hoeven niet bang te zijn: hij zal ons wundervolle dames precies daarheen brengen, waar we altijd al hadden willen zijn (en ik vraag me direct af waar dat ook alweer was).

Vanaf dat moment gaat het mis. Beate blijft met haar enkelrok aan de ingebouwde rolstoelhelling hangen. Marja stoot haar hoofd tegen het taxi-dak en Cinie brult luidkeels dat ze echt maar dan ook écht eerst nog even naar de WC moet. Daar heeft meneer Hainzl van Glück geen tijd voor, dus wordt de blaas van Cinie op de hobbelkeien van het steile landweggetje vakkundig leeg geschud. Cinie im Unglück.

Boven op de wijnbult stappen we gebroken (en Cinie doorweekt) uit. De wijngaarden zijn prachtig, de vergezichten over Wenen en de omringende groene bergen onbetaalbaar, de lekkernijen daarentegen op zijn zachtst gezegd godsgruwelijk smerig. Varkenstongzult, Speckknödel en Beuschl (orgaanvleesgoulash) gapen ons vanuit de zelfbedieningsvitrine aan. Marja, met haar paleo-veganistische lifestyle, begint spontaan te huilen. Ook de overrijpe bergkaas met ammoniakgeur (Cinie valt in ieder geval qua stank niet meer op) en de bijbehorende kummelzoutkoekjes zijn duidelijk niet haar ding. Het onze ook niet.

De wijn die we geserveerd krijgen, wordt door de wijnboer zelf afgeraden, maar het enige aangeboden alternatief – een bochtige variatie van iets dat op Chardonnay moet lijken – is volgens hem helemáál niet te drinken. Een eerlijk man, dat moet je hem nageven.

Herma kan bij aanblik van de zult haar kokhalsneigingen nauwelijks onderdrukken. We besluiten daarom samen het damestoilet op te zoeken. De blaas van Cinie volgt ons gedwee. Damestoiletten zijn overigens moeilijk te vinden in Wenen. Niet omdat ze er niet zijn maar omdat een duidelijk pixelgram van een vrouws- of manspersoon op de deur over het algemeen ontbreekt. Dit zorgde ervoor dat ik na aankomst in Wenen al redelijk snel overtuigd raakte van het feit dat iedere als zodanig herkenbare wc in de miljoenenstad per definitie voor vrouwen is. Mannen moeten maar in de druivenstruiken of achter de Stephansdom plassen. pissoir

Eerder die dag had ik me al ongewild en ongewenst op een mannentoilet verlicht omdat de m/v-indicatie op de deur weer eens ver te zoeken was. Het sneaky pissoir (dat ik bij binnenkomst volledig over het hoofd gezien had maar dat – toen ik eenmaal zat – pontificaal voor mijn neus opdoemde) vertelde me echter meer dan duidelijk dat ik op dat moment hartstikke fout zat. Maar dat terzijde.

Ook de deur van het wijnboerse mannentoilet blijkt te voldoen aan de Weense standaards: volledig vrij van enig toiletmennekesplaatje. Ik ruk met grote aandrang de deur open maar dan valt me nog net op tijd de ingang van het vrouwentoilet op. Die wordt gesierd door een naakte Barbie met plateauzolen. Geen twijfel mogelijk. Dit keer zit ik 100% zeker goed!

Enigszins gedesillusioneerd over de Weense Wijnwereld bestellen we na anderhalf uur diep zuchten van ellende onze invalidenbus op locatie. Dit keer brengt meneer Glück ons persoonlijk terug naar het hotel om en passant vijfentwintig euro extra bij de rekening op te tellen. Blijkt dat we nu ineens een stadsgrens overschreden (of beter gezegd: overreden) hebben. Op de heenweg was dat nog niet het geval dus heeft er in de tussentijd érgens in Vienna enig grensverleggend werk plaats gevonden. Of chauffeur Hainzl was een ons goedgezind taxi-groentje dat zijn stadsgrenzen nog niet kent.

Eenmaal terug op de hotelkamer worden de vijf meegebrachte flessen Sauvignon Blanc in minder dan twintig minuten soldaat gemaakt. We hadden het blijkbaar hard nodig.

 

______________________________
Ook verschenen op VerbodenVoorMannen.net

Ik, gelukszoeker

Het is nu iets meer dan een jaar geleden dat ik – nou ja, laten we het maar zo noemen – vluchtte. Ik had het in de jaren ervoor niet echt slecht, hoor. Helemaal niet. Ik had een mooi huis, mijn vaste taken, de nodige spullen, zelfs de onnodige luxe, en geen gebrek aan geld. Maar ik was niet gelukkig. Dat werd uiteindelijk zelfs ‘zeer ongelukkig’. Ik voelde me opgesloten, gejaagd, ondergewaardeerd, kreeg hartkloppingen, angsten en andere lichamelijke symptomen. Ik maakte me zorgen over mijn toekomst en over wat er van mijn verdere leven moest worden. Ik creëerde mijn eigen virtuele wereld waarin ik af en toe weg kon vluchten, maar dat was geen houdbare situatie.

Dus ging ik op zoek. Op zoek naar geluk. En ik vond het, op behoorlijke afstand van waar ik toen leefde. Maar dat gevonden geluk maakte mijn leven op mijn oude woonplek nog onmogelijker dan voorheen. Ik kón daar niet meer zijn, voelde me als een vreemde in mijn eigen huis, soms zelfs bedreigd, zag geen uitweg en al helemaal geen mogelijkheden om dat verre geluk ook daadwerkelijk na te jagen en ooit vast te kunnen houden. Dus ik vluchtte. Ja, halsoverkop en redelijk ondoordacht. Alleen het hoogstnodige nam ik mee: wat kleren, mijn mobiele telefoon, een paar kleine persoonlijke bezittingen, mijn bankpas en mijn paspoort.

Maar waar moest ik zo snel heen? Waar kón ik heen? Zomaar weggaan en alles achter je laten, zoiets dóe je simpelweg niet. In ieder geval niet in de cultuur die heerst, waar ik nu ben. Je wordt al snel gezien als een paria, een rare, een andersdenkende. Ik vond asiel bij een lokale boer. Hij vroeg weliswaar een meer dan aanzienlijk bedrag voor het onderkomen op zijn erf, maar het was oké; het moest maar zo. Ik had ineens helemaal niets meer; alles daarginds achtergelaten, zelfs mijn kinderen in eerste instantie. Ik wilde zó graag dat ze bij mij zouden kunnen komen, maar ik kon ze niets bieden, zelfs geen fatsoenlijk bed of warm eten. Dus ik regelde ik het allemaal zo goed en zo snel als ik kon. Zelf. Het kostte een duit en een paar blauwe duimen (aan mijn twee linkerhanden), maar na een goede maand heb ik mijn kinderen na kunnen laten komen.

Ze kijken me nog steeds met een scheef oog aan. Ik ben ‘die buitenlander’ die haar gezin in de steek liet om haar geluk elders te beproeven. Die andersgelovige en andersdenkende dissident. Ik word geduld, maar meer ook niet. Ze praten liever niet met mij, vinden me éigenlijk zelfs een beetje eng. Ze vragen zich af wat ik in vredesnaam de hele dag doe als ik hier in mijn opvangcentrumpje ben. Willen stiekem ook heel graag weten wat ik de rest van al die dagen doe, als ik er níet ben. Heel af en toe doen ze een poging om informatie uit mij te porren. Hoe ik me die auto kan veroorloven. Of die smartphone. Wat ik dan doe om aan het nodige geld te komen. En of en vooral waar ik belasting betaal. Het liefst zouden ze tot in de puntjes noteren, welke uitkeringen en subsidies ik – die geluk zoekende vreemdeling – allemaal krijg.

Ik probeer het ze steeds weer geduldig uit te leggen. Ik heb de taal in rap tempo meer dan goed geleerd, ik heb mijn uiterste best gedaan om fatsoenlijk te integreren. En dat is ook gelukt: ik ken al veel mensen, heb een eigen netwerkje. Ik heb mijn eigen ‘zaakjes’ opgebouwd, waarmee ik de eindjes aan elkaar knoop, samen met wat ondersteuning van lieve familie. Ik ben hoog opgeleid, wat men nauwelijks kan of wil geloven, want: “wat heeft een immigrant met twee universitaire diploma’s hier bij ons überhaupt te zoeken wat ie niet ‘thuis’ kan vinden?” En nee, ik krijg geen uitkering of ondersteuning van de staat. Van geen enkele staat. Echt niet. Ze vinden het allemaal maar verdacht. Dat voel ik aan mijn allochtone water. Want een autochtoon zoals zij zal ik híer immers nooit worden.

Ik blijf ze dankbaar. Blij dat ik hier mag zijn. Ik heb nu op dit erf rust gevonden, een onderdak en mijn kinderen voelen zich hier inmiddels ook best thuis. De mensen zijn aardig, ik word enigszins getolereerd en ik zie weer mogelijkheden om een gelukkiger bestaan op te bouwen. Maar toch… toch wil ik ooit terug naar mijn vaderland.

Je eigen geluk zoeken én vinden blijft hard werken. Levenslang.

Overgankelijk

Hoezee, ik ben ongesteld!*

Het heeft even geduurd voor ik het teken, dat er zo geruststellend op duidt dat ik nog nét niet midden in de grootste ellende aller menopauzes zit, compleet onverwacht in mijn onderbroek aantrof. Maar na zo’n drie maand afwezige baarmoederontlading weet je het: dit is onmiskenbaar het begin. Ik heb de vierenveertig nog maar amper bereikt en het omen manifesteert zich genadeloos. De helse voortekenen zijn daar. Wat heet: grote uitroeptekens in de vorm van zichtbaar wordende hamsterwangzakjes, lichte rimpels bij mijn ooghoeken, vooral als ik mijn ogen samen knijp of lach, en hele fijne maar overduidelijke groefjes vlak boven mijn lip. Het haar wordt dunner, mijn handen veranderen in die van mijn moeder. Ze worden zo veel zachter. De aders, lijntjes, poriën en kleine donkere vlekjes zichtbaarder. Vroeger riep ik altijd dat ik wel ouder maar zeker niet oud wilde worden. Nu is het zover.

Steeds meer last van kwaaltjes ook. Niet door een slecht immuunsysteem maar door slijtage. Die onderrug die het niet meer trekt na een uitgebreide sportsessie. Die schouders die continu vast zitten. Die knieën die ’t regelmatig een seconde of twee begeven en chronisch pijn doen. Dat bekken dat zorgwekkend kraakt als ik na een uurtje werken uit mijn bureaustoel opsta (en niet alleen dan). Ik moet tegenwoordig ook eerst even strekken voordat ik weer soepel en rechtop kan lopen. De opdoemende behoefte aan een leesbril. En héét dat ik het bij vlagen heb. Parels op mijn bovenlip, stroompjes uit mijn oksels. Dat zweet ruikt ook duidelijk anders dan vroeger. Ouder.

Het onwillekeurig piekeren over de grootsheid van en voldoening in je leven. Ze zeggen dat ’t er ook bij hoort. Vluchtig bladeren in het boek, dat je alledaagse, nietige bestaan beschrijft. Veel van wat er in een mensenleven te hebben, te zien en te doen valt, heb ik gehad, gezien en gedaan. Jeugdliefdes, lange-afstandsrelaties. Studies, ontgroeningen, verre reizen. Eetstoornissen, een inmiddels marginaal misbruiktrauma. Werknemer- en ondernemerschap.

Geëmigreerd, twee kinderen op de aardkloot gezet (dát is pas ouder). Nog een stuk verder gemigreerd (ja inderdaad, ik was en ik ben óók zo’n geluk zoekende migrant). Grond gekocht, huis gebouwd. En dat is allemaal al lang weer weg. Met mijn neus keihard op de vergankelijkheid van alles gedrukt. Maar ook op de misbaarheid ervan. Met elke verloren zaak komt de realisatie en acceptatie van het niet langer nodig hebben een stapje dichterbij. Sommige dingen blijven altijd, blijven bij me. Verdriet. Gemis. Verlies. Ziekte. Scheiding. Afscheid van wat eens was. Maar juist ook: nieuwe doelen, nieuwe levenslust, nieuwe liefde en de begroeting van alles wat nog komen gaat.

Het enige wat ik niet heb, is dat alom verguisde, deprimerende middenlevensgevoel. Dat gevoel dat je schijnt samen te kunnen vatten in één enkel zinnetje: “Is dít het nou?” Ja, het IS precies dit! Het werk dat ik nu doe, het leven dat ik nu leid (en zeker niet lijd), de bergen van liefde die ik nu geef én krijg, de lol die ik nu heb, de groeiende innerlijke vrede met hoe het nu is. Dát is mijn eigen kleine, darwinistische evolutie. De overwinning op mijn zijn.

En het is pas nu, dat ik mijn grotendeels nog prachtig gekleurde bladeren daadwerkelijk begin te zien. Ze dwarrelen één voor één uit mijn levensboom omlaag. Ik staar naar de grond voor mijn voeten en zie hoe ze langzaam roodbruin worden. Sommige verdorren te snel. Uiteindelijk waaien ze weg. En ik klink als een honderdjarige. Zelfs dat weet ik in het nu.

De mooiste bladeren raap ik op. Maak er een kunstwerkje van. Ze blijven bij me, als een aanschouwelijke compilatie van al het groen dat in vier decennia kon groeien aan de takken van een volumineus geworden boom. En weet je, ik ben een sterke boom; er komen nog steeds ontelbare nieuwe, frisgroene, fraai gevormde blaadjes bij. Mijn gesnoeide takken lopen telkens opnieuw uit. Ik sta misschien wat onregelmatiger in bloei, toch doe ik het voor een boom niet slecht.

In bomenjaren ben ik namelijk nog piepjong.


ik word oud.
Ik hoop het zo.






*) ‘de openingszin die ik wist dat ooit ging komen’

 

Beschrijf je zusje

Zo luidt vandaag zoons oefenopdracht voor het vak Duits (als in: Nederlands voor Nederlandstalige kinderen, maar dan net even anders). Over twee weken het grote proefwerk: De Persoonsbeschrijving.

Ik zit te werken op mijn kantoortje, hij om de hoek aan de keukentafel, nog geen twee meter verderop. Ik hoor hem foeteren en ploeteren.

Persoonsbeschrijver“Ik beschrijf mijn zusje.

“Kolere, wat schrijf je nou over een zusje.”
“Mijn zusje heet Tina*. Ze is een meisje, maar dat had u vast al verwacht.”
Dochter grinnikt vanuit de woonkamer.
“Ze is toevallig ook nog het kind van mijn moeder. Net als ik.”

Ik schiet ook in de lach, maar luister nu wat preciezer naar zijn gemompel; zoon heeft duidelijk inspiratie. En een pesthumeur.
“Gossamme, hoe schrijf ik meer dan tweehonderd woorden over iets dat ik niet eens beschrijven wíl?”

Mijn zusje heeft een grote mond waar ze vaak vet veul eten in propt.
Luid protest vanuit de woonkamer dat die zin onmiddellijk ‘geinktwisserd’ moet worden. (“Héé! Das wirst du sofort tintenkillern! SOFORT!”)

Dan barst hij los, zoals altijd hardop denkend (waar ik mij dit keer echter zeer over verheug)

“Mijn zusje heet Tina. Ik zal het even spellen. We hebben een teeee. We hebben een iiiii, we hebben een ennn en natuurlijk hebben we ook nog de aaaa. Mijn zusje ziet er precies zo uit als mijn moeder, alleen kleiner.”
Ik hoor hem in zijn tas rommelen.
“Hier, heeft u een foto van mijn moeder.”
Ik grijns vertederd.
“Deze foto heeft net als alle foto’s vier hoeken en is nogal klein. Hij is geprint op fotopapier met een…”

“Maahaaam! Wat voor merk printer heb jij?”
“…Brother-printer. Die printer heeft mijn moeder natuurlijk ook bij Amazon gekocht.”

Stilte. Ik neem aan dat zijn hersenen even op adem moeten komen.
En het is me nu ook duidelijk dat ik veel te vaak iets bij Amazon bestel.

Amazon is een mega-groot bedrijf dat overal op de wereld een hoop rotzooi aan mensen verkoopt. Maar onze printer is geen rotzooi, die is goed. Dat ziet u wel aan deze foto. En mijn moeder zegt dat ook iedere dag. Amazon komt trouwens uit Amerika. Amerika noemen ze ook wel de Verenigde Staten maar eigenlijk is Amerika een continent en de Verenigde Staten gewoon een land van veel landen.”

“Ze hebben daar een vlag met strepen en sterren erop. Sterren staan ook aan de hemel. Maar de hemel zelf is een verzinsel. Het is gewoon ons zonnestelsel in het universum, waar we met zijn allen stom naar zitten te staren.


“Zo, nu weet u ook hoe mijn zusje eruit ziet.

“Hoeveel woorden heb ik nu”

“Ik reken mooi die gespelde letters ook als woorden.”

“Sjezus, nóg vijftig!” Hij tikt getergd met zijn pen op tafel, op zoek naar een oplossing.

“Mijn zusje stottert nogal. Ondanks dat praat ze toch irritant graag en veel. Als mijn zusje iets tegen mij zegt, dan gaat dat altijd zo: “Hey, hey, hey, hey, blijf blijf blijf blijf met met met met je je je je je vieze vieze vieze rot rot rot rot ving-ving-vingers van van van van de de de de af-af-af-afstands be-be-be-diening-ning af af af af af. AF!” Ja, mijn zusje kijkt erg graag naar de televisie.”

“Zo. Dat moet wel genoeg wezen.”





*) Die naam heb ik verzonnen. De rest niet. Ik heb getuigen. En nee, ‘Tina’ stottert niet.

Kwestie van vertrouwen

Gisteren bracht ik mijn twaalf jaar oude boots naar de schoenmaker. Ik kon er niet meer omheen: de laarzen waren kliko-rijp, maar ze weggooien, dat kan ik echt niet over mijn hart verkrijgen. Ze zitten zó fijn, zijn zo lekker stoer en ze horen simpelweg bij mij. De gang naar de lokale laarzendokter was dus obligatoir. Mijn hoop was op hem gevestigd, op deze oer-Oostenrijkse 70-plusser van het oude ambacht.

Het is een piepklein winkeltje: als je de deur opent, doe je nog één pas naar voren en dan sta je voor de toonbank annex kassa annex werkbank annex koffietafel annex hele winkel. BootsAchter die met papieren, schaafsel, verweesde schoenen, schoensmeer en gereedschap bezaaide ‘balie’ staat meneer Schuhmacher zijn ding te doen met een paar bejaarde faalbeige gezondheidsinstappers. Je kunt dan rustig even gaan facebooken want hij laat je standaard minstens vijf minuten wachten; eerst afmaken waar hij mee bezig was, dan pas ben jij aan de beurt.

“Wat kan ik voor u doen?” mompelt hij, je niet eens aankijkend want die halve zool moet nog bijgesneden worden.
“Mijn lievelingslaarzen zijn kapot. Ik ben erg aan ze verknocht, dus er moeten nieuwe ritsen in en nieuwe zolen onder.” Meneer Schuhmacher pakt mijn meest kapotte linkerlaars en kijkt me dan tóch ineens, zij het zwaar medelijdend, in de ogen.
“Weet u zeker dat u dat nog wilt laten doen? Deze laarzen kunt u beter liefdevol begraven als u er zo aan gehecht bent.”
Ik kijk hem ontzet aan en vraag of hij niet toch nog mogelijkheden tot reanimatie ziet.
“Jawel, maar dat kost u minstens tachtig euro, plus nieuwe zolen, komt u op [Schuhmacher pakt overjarige calculator erbij] zo’n honderd euro. Nog een paar euro erbij en u kunt nieuwe kopen. Dat zijn deze laarzen toch niet meer waard?”
Hij snapt mij niet. Ik had van deze man meer passie voor oude schoenen verwacht. Toch blijf ik bij mijn reparatiewens. Met een laatste onbegrijpende zucht pakt hij mijn boots, draait ze voor zijn neus om, en legt ze op de all-in-one-schoenmakersmachine achter hem. Als ik ze daar moedeloos zie liggen, schiet ik bijna vol.

“Mag ik die honderd euro dan gelijk even incasseren?”
Ik frummel mijn bankpas tevoorschijn.
“Nee, alleen contant, sorry.”
Ik leg het geld op de toonbank en wacht op mijn bonnetje. Dat komt niet. Achter mij staat een oudere dame te grinniken om mijn onwetendheid: deze man doet noch aan kwitanties, noch aan enige technologie buiten zijn werkmachine en calculator om, noch aan schoenenadministratie.
“Ehm, heb ik dan geen afhaalbewijs of iets dergelijks nodig?”
Hij staat alweer met zijn rug naar me toe en buigt zich over mijn comateuze boots.
“Nee hoor, ik weet wel dat deze van u zijn. Vrijdagochtend zijn ze klaar. Tot ziens!”

Geen bonnetje. Maar ik heb er het volste vertrouwen in.

Blijft de vraag in mijn achterhoofd hangen:
Had ik er ook zo veel blind vertrouwen in gehad, als de man géén oer-Oostenrijker was geweest?

VVM – Weense Wijven (1)

Picture this. Een romantisch hotelletje, net buiten Wenen. Zes dames van middelbare leeftijd die op een idyllische binnenplaats een royaal ontbijt naar binnen werken. Ze moeten de bodem leggen voor een nieuwe dag vol Weense indrukken, week wijvengewauwel, moeizame wandelwegen en vooral: vól Weense Witte Wijn. Hashtag WWW.

FotoApotheekWenen“Heeft één van jullie nog een tramadolletje voor me? Mijn artroseknieën zijn na gisteren niet te harden.” De vraag geeft een goed beeld de groepsleeftijd. Ik ben het overduidelijke kuiken van ons zessen. Met mijn drieënveertig lentes zo’n tien jaar jonger dan de rest. De oudste is maar liefst vijfenvijftig en de dames gedragen zich bij tijden dan ook alsof ze hoogbejaard zijn.

“Zeg, waarmee hars jij je nou bovenlip? Kijk, deze lange harde. Ja, kijk dan! Hier! Die wil dus maar niet weg, wat ik ook probeer…”
“Waar gaan we vanavond eten? Ik wil wel naar een vega-restaurant want ik kan écht niet tegen ei, granen, varkensvlees, vis, melk, spinazie en plastic tandenstokers. Dan ga ik acuut dood.”
“Oh, alsjeblieft zeg, geen vet eten hoor!  Dan speelt mijn gal zo op, ik ben nog niet half hersteld van mijn galblaasoperatie.”
“Heb jij al je kniebanden eigenlijk nog wel?”
“Als je zo snel praat, kan ik je écht niet meer volgen. En als jullie allemaal door elkaar praten al helemáál niet. M’n linkeroor is sinds de geboorte van mijn zoon doof, dusseh, één voor één graag, ja? JA??”

Ik aanhoor alles met liefde. Ik zou hier en daar best nog een schepje bovenop die Mount Everest aan ziekelijke aandoeningen kunnen doen, maar dat lijkt me zinloos: het kan bij de rest toch altijd weer een graadje erger. Bovendien voel ik me, naarmate de gesprekken vorderen, innerlijk in gestaag tempo jonger worden en ik moet toegeven: dat is best heul lekker! Het krakkemikkige-ikke-gevoel verdwijnt als sneeuw voor de zon, om van dikke ikke maar niet te spreken. Vooral niet beginnen over mijn eerste tekenen van de overgang. Dan gaan ze daar weer vol overgave op los en ik heb totaal geen zin in gruwelverhalen over klotsende oksels, emotionele instabiliteit, ziekelijke rimpelvorming en vaginale droogheid. Ik ben jong, ik ben fris, en vooral heel fruitig. Relatief gezien. En dat blijft mooi nog even zo.

hawelkaWe lopen gezusterlijk door de imposante binnenstad. De één trekt iets met haar rechterbeen, de ander loopt hijgend en zwetend een meter of veertig achter ons. Na een kwartiertje is het hoog tijd voor een kop koffie (“Eine Wiener Mélange, bitte?”) op het terras van het wereldberoemde Café Hawelka, dat al meer dan een halve eeuw niet gerenoveerd is. De koffie smaakt precies zo. Enthousiast krakeelt één van de dames: “Oh, echte Hawelka-koffie! Delen we samen een kannetje? Ik bedoel de koffie hoor: het kannetje moet heel blijven! Ha ha ha!” Het is als vloeken in de kerk, maar ik neem bij nader inzien toch maar een glas Prosecco.

Een groep Japanners schuifelt achter een parapluutje richting Hofburg. Wij hobbelen er gedwee achteraan. Bij de Spaanse rijschool staat waarachtig een kudde van die beroemde Fiaker-koetsen op ons te wachten. FiakerpaardenDe dames willen een ritje maken, maar ik pas: mij niet gezien in zo’n paardenmartelding. Selfies met een paardenkop in je nek blijken een absolute must, dus ik wacht geduldig in de schaduw. De paardenkeutelopvangzakken worden nog even nauwkeurig geïnspecteerd en van schijtende paarden komen we als vanzelf op sproeiende koeien, waarbij er droogjes opgemerkt wordt dat koeienschijt én -scheten veruit de grootste bijdrage aan het gat in de ozonlaag leveren. Zo leer je nog eens wat.

Ik wil naar het Zentralfriedhof. Daar ligt namelijk mijn jeugdliefde Falco begraven en als ware Falcofiel moet je toch één keer in je leven bij dat verhipte graf geweest zijn. Volgens de lady’s is dat een klere-eind met de S-Bahn en nog verder lopen, dus dat wordt ‘m niet. Dan liever naar de Naschmarkt, daar valt tenminste wat te kanen. We kwijlen elkaars besjaalde colbertjes vol bij de aanblik van op kleur gesorteerde jumbo-olijven, gloeiende oriëntaalse kruiden, Aziatische kaasspecialiteiten, Hindoestaanse regenboog-baklava en toonbanken vól met exotische noten, zaden, vruchten, vissen, varkenskoppen en andere etenswaardigheden.
“Ja ja, het ziet er allemaal práchtig uit, maar nee, niks voor mij, ik krijg er vreselijk smerige etterbulten van.”
Ik neem demonstratief een olijf met ansjovisvulling van de heftig flirtende marktkoopman aan. Lekker. De olijf ook.

Eigenlijk zouden we allemaal regelmatig op stap moeten met een clubje “ouderen”: je innerlijke jeugdigheid gaat er kilometers op vooruit. Ik huppel lustig verder, de meesmuilende meute achter mij latend. Jawohl, das Leben ist schön!
___________________________________________________

Ook gepubliceerd op VerbodenVoorMannen.net

Is Karma echt zo’n bitch?

In twee seconden getwitterd, in twee seconden je carrière om zeep? Mia dacht even niet na over de impact van haar tweet. Een zwaar kraanongeval in Mekka, 60 doden, ca. 80 gewonden en zij zegt daarop: “[…] Karma is a bitch. #9/11.” Mia weet blijkbaar niet dat hastags met getallen niet werken, maar dat doet er niet toe. Niet meer. Wat zij werkelijk bedoelde met haar uitspraak, ook niet.

MiaSliwinski“Het lot kan harteloos zijn.” Dat was alles wat ze ermee had willen zeggen. Had ze 9/11 weggelaten, was de lawine misschien slechts een oversized sneeuwbal geweest. Had de hashtag daadwerkelijk gewerkt, was ze nu waarschijnlijk al lang ondergedoken of doodgestoken.

Maar: had IK dit getwitterd, was er niets gebeurd. Ik zou wellicht een paar mensen over me heen hebben gekregen die gevonden zouden hebben dat dit dus écht niet kan. Een paar fanatiekelingen zouden me waarschijnlijk ontvolgen en klaar. Iedere no-name mag roepen wat ie wil, de ergste verwensingen, de grootste racistische uitingen, de meest gruwelijke vergelijkingen. Niemand die daar nog van opkijkt. Het internet staat er vol mee. Het verschil met Mia? Zij heeft, als partijraadslid en docente Nederlands, een zogenaamde voorbeeldfunctie waardoor het behoud van haar functies afhankelijk is van andermans mening over haar. En die kan zomaar ineens volledig veranderen, dat blijkt.

Zo gauw je een maatschappelijke positie hebt, waar andere mensen in jou een voorbeeld zouden kunnen gaan zien, is je vrijheid om je mening te uiten volledig verdwenen. Op de eerste de beste ondoordachte uiting in de vorm van een snelle tweet, een meervoudig interpreteerbare zin in een interview of een simpele status op Facebook wordt je keihard afgerekend.

Zo bestaat er nu zelfs een Facebookgroep “Wij eisen ontslag Mia Sliwinski.” Ja, echt. En nee, geen link. Ik weiger een bijdrage te leveren aan dit soort stupiditeit. De domheid aldaar is werkelijk stuitend. Men gelooft zelfs in zelfverzonnen sprookjes: “De Gemeente Spijkenisse en haar partij gaat bij 10.000 likes een einde maken aan de werkzaamheden van Mia! Deel de pagina met jong en oud en vergeet niet te liken!” aldus de site. Mag ik even lachen? Alsof een gemeente haar ontslagbeleid gaat afstemmen op het aantal likes op een idiote Facebookpagina. Ook de school waar ze werkt, werd blijkbaar bestookt en gedwongen tot een reactie, die gelukkig enigszins ‘verstandig’ uitviel.

Mia’s tweet valt natuurlijk in het niet bij uitspraken zoals die van Dhr. Werner Fayman, onze Oostenrijkse bondskanselier, die de massale ‘deportatie’ per trein van in Hongarije aangekomen vluchtelingen vergeleek met de Holocaust. Deze uitspraak was misschien diplomatiek gezien niet erg handig, zeker niet met een buurhaai als Viktor Orbán in je nek, maar het is wél waar iedereen bij het zien van de beelden aan denkt. Alleen mag je het in díe positie níet meer zeggen. En dat vindt iedereen heel normaal.

Conclusie:
Ben je een nobody? Roep wat je wilt, er is toch niemand die een voorbeeld aan jou neemt. Je bent hooguit een paar vrienden of tweeps armer.
Ben je niet afhankelijk van een werkgever die waarde hecht aan marktimago en uitspraken van medewerkers? Gooi er vooral uit wat je niet binnen kunt of wilt houden. Het zal anderen worst wezen.
Ben je zo iemand die alles aan de afgetrapte laars lapt en vindt dat ie sowieso niks te verliezen of te verbergen heeft? Hou je niet in en smijt heerlijk iedere opwelling verbaal op het net.
Ben je dat allemaal niet? Dan ben je per definitie maatschappelijk bezit en moet je je mening te allen tijde inslikken, want bij jou is Karma pas écht een bitch.

De vrijheid van meningsuiting is dood.
Lang leve de vrijheid van meningsuiting.

David en Billy

David zingt.
“Love me, love me, love me, love me, say you do
Let me fly away with you?”
Ik kan niet vliegen.
Meevliegen met mij zit er dus ook niet in.

In gedachten lukt het steeds beter.
’s Nachts. Vooral ’s nachts vliegt het fijn.
Waarom ben ik hier? Wat heb ík nou echt gepresteerd?
Waarom zou iemand überhaupt van míj willen houden?
Ik heb al zo veel mensen ongelukkig gemaakt.
Ze hebben geleden door mijn toedoen. Actief overspoeld.
Of simpel weggeëbd in de tijd.
Waarom lijden ze dan? Omdat ik weg gegaan ben?
Dat kan toch niet? Wie ben ik om gemist te worden?
Is het wel het missen van mij, als persoon?
Is het niet dat, wat ik ze aangedaan heb door weg te gaan?
Is het juist al dat, wat ik weggenomen heb?
Dat ooit intacte wereldbeeld, vergruizeld.
Die verloren visie van hoe het had moeten zijn.

Ik wist wél waar ik heen ging, toen ik mij verwijderde.
Misschien is dat dan, wat het meeste steekt…
Zij wisten niet wat over zou blijven.
Een soort van niks? Enkel een waarom?
Was dat wat was zo weinig waard dat ik het weg kon gooien?
Daar ligt de denkfout. Het was me niet te weinig waard.
Integendeel. Het was zó veel waard, dat ik ’t vrij moest laten
omdat het door de tijd heen steeds minder bij mij hoorde.
Tot ik niets meer hoorde.

David zingt nog steeds.
“Don’t you know, you’re life itself!”
Ben ik dat? Ik ben toch enkel mijn leven.
Maar ik ben ook het leven van mijn kinderen.
Ik mis ze, de dagen dat ze niet om mij heen draaien.
Maar die dagen ben ik weer die, die ik ooit was.
Waarom wil ik mijn oertype nu en dan terug?
Omdat de eerste ik niet wist, hoe pijn te doen.
Ik wist toen slechts hoe gelukkig te maken.

Back to core business. Of midlife crisis.
That core now contains a lot more.
Een harde kern, toch plotsklaps gespleten.
Steeds wijdere cirkels rond de dode planeten
Maar ik heb waardevolle manen meegekregen.

In de spiegel kijken andere ogen me aan.
Gegroeid is die, die ik zie. Wat ooit
een beginsel was, is nu mens met diep verleden.
Met een nieuw gezicht dat in de toekomst blikt.
Maar ik zal mijzelf nooit missen.
David geeft het stokje door aan Billy.

Billy zingt.
“Eyes without a face.”
Ja. Ik zie het ook.
Ik begin oud te worden.
Fijn.

Es ist, wie es ist

Schwer ist es.
Schwer, um genau das auf zu schreiben,
was ich wirklich sagen möchte.

Schwierig ist es auch.
Schwierig, mich zu äußern.
Schwierig, niemanden mehr zu verletzen
mit meiner persönlichen Verarbeitung vom ganzen Geschehenen.

Ich möchte den Einen auf keinen Fall verunsichern, dem Anderen aber irgendwie so gerne schildern, wie ich’s erfahre und bislang erfahren habe. Zeigen, dass es in meinem Herzen bei weitem nicht so eisig und kalt ist, wie es für die Außenwelt aussehen mag. Im Gegenteil.

Nein, ich bedauere nicht. Non, je ne regrette rien. Es ist, wie es ist und es ist gut so. Ich verdanke ihm so viel. Zwei fabelhafte, besondere Kinder und Dezennien des guten Lebens. Tausende Erinnerungen und Erfahrungen. Ich werde sie nie vergessen. Auch nie vergessen wollen. Oder können.

Aber irgendwann, vor einigen Jahren, fingen wir an, den Faden zu verlieren. Diesen Faden, der uns so lange zusammenhielt und der ganz langsam, ja, fast unmerklich, ausfranste. Schlussendlich brach er. Wir bemerkten es nicht einmal, aber unser Flickenteppich fiel in Zeitlupe auseinander. Die Fetzen waren immer weniger miteinander verbunden. Bis alles plötzlich in einzelne Stücke auf den Boden fiel. Die warme Decke war keine mehr. Irreparabel. Kaputt.

Wir haben unser Bestes getan. Alles, um es so gut wie’s ging, zu regeln. Und das ist uns auch gelungen. Es ist absolut erstaunlich, aber unser Nachwuchs gedeiht nach wie vor. Den beiden geht’s überraschend gut, mal abgesehen von den Schwierigkeiten, die sie sowieso schon immer hatten. Wir regeln das. Wir schaffen das. Und sie werden ihren Weg finden, koste es, was es wolle.

Ich sagte: “Ich bedauere nicht”. Stimmt auch weitestgehend. Aber irgendwie doch nicht ganz? Ich bedauere, wie es gelaufen ist. Die Art, die rasante Geschwindigkeit, die Brutalität. Wie eine Dampflokomotive. Er sagte: “Alles hat eine gewaltige Eigendynamik bekommen und jetzt ist der Zug nicht mehr zu stoppen. Er wälzt über alles drüber…”

Und so war es in der Tat.

Es so weit haben kommen lassen, dass es im Vorhinein schon keine Chance mehr hatte. Und ja, da bin ich sicherlich mehr Schuld. Ich hätte viel früher aufschreien müssen. Aus meiner Sicht habe ich das auch mehrmals getan, nur war’s wohl nicht laut genug… Darüber zu streiten hat jetzt keinen Sinn mehr. Es ist, wie es ist.

Wir sind nun beide zusehends glücklicher. Er mit der Seinen, ich mit dem Meinen. Sie gibt ihm wieder Halt. Sie ist mit Sicherheit eine tausend Mal bessere Frau für ihn als ich es je sein konnte oder sein würde. Das hoffe ich wirklich  aufrichtig. Und ich habe ebenfalls meinen Lebensmensch gefunden. Es ist irgendwie ein blödes Wort, ich weiß, aber es fühlt sich nun mal so an. Er ist gut für mich. Derjenige, der mir wieder Halt gibt. Das Ganze war möglich weil wir – er und ich, wir beide – zuschauten, während wir in den Abgrund schlitterten. Abgerutscht; von fast gar nichts schnurstracks hin zu einfach gar nichts mehr.

Desinteresse. Kritik. Gegenseitige Unzufriedenheit. Entfremdung. Verfremdung. Gleichgültigkeit.

Bis es irgendwann nur noch ein mehr oder weniger seelenloses nebeneinanderher Leben war.

Alles schien so perfekt… Liebe, intelligente, kreative, eigensinnige, besondere Kinder. Ein tolles Haus, niedrigstenergie sogar! Ich war sowas von stolz drauf. Wir hatten Luxus. Und keinerlei finanzielle Sorgen. Wir hatten alles. Nur einander nicht mehr…

So viel Vergangenheit, aber keine weitere Zukunft. Das tut mir aufrichtig Leid. Die Lawinen, ja, mehrere, rollten hier genauso unbarmherzig drüber, glaub’s mir. Die Verzweiflung. Was schmiss ich da über Bord? Nein. Wir!

Oh, und ICH vermisse auch. Meine Nachbarn, die jetzt keine Nachbarn mehr sind, nur noch Freunde. Mein schöner Garten, wo ich mit so viel Hingabe gearbeitet und geerntet habe. Aufs Rasenmähen konnte ich allerdings verzichten. Mein geregeltes Leben, wie es mal war. Auf einmal war alles weg. Durch mein – nein, unser – eigenes Zutun. Aber vor allem vermisse ich doch meine Schwägerinnen und Schwäger, meine Nichten und meinen Neffen, meine ‘zweite Mutter’.  Seit einem Vierteljahrhundert meine Familie, aber jetzt schon fast seit einem Jahr nicht mehr gesehen. Ich vermisse sie. Sehr sogar. Aber jetzt traue ich mich nicht mehr… Wie würden sie mich sehen? Würden sie mich überhaupt noch sehen wollen?? Ich sie schon… Ja, wirklich, dann kommen mir die Tränen.

Ich vermisse das Haus ebenfalls. Das Haus, das schon längst nicht mehr das meinige ist, aber es mal so sehr war. Das Leben in diesem Haus, wo alles (fast) perfekt war. So, wie wir es uns gewünscht hatten. Und wofür er so viel getan hatte. Ich schenkte ihm meine Hälfte. Konnte nicht ertragen, dass er dort, durch unser Auseinanderreißen, wegziehen müsste. Nicht ertragen, dass die Kinder auch noch dieses Zuhause verlieren würden. Das konnte nicht sein, das durfte einfach nicht passieren. Aber ich vermisse es. Doch es ist, wie es ist.

Wirklich, glaub’s mir, ich möchte es nicht anders. Zwei völlig neue Leben, um 180° gedreht. Neue Partner, neue Horizonten, neue Zukunft im Doppelpack. Aber das Wichtigste: den Kindern geht’s gut…

Doch manchmal weine ich nachts trotzdem bitterlich. Einfach so. Um das, was mal war. Und jetzt nicht mehr ist. Um alle, die – und alles, was – ich so sehr vermisse. Auch wenn’s jetzt gut ist, so wie es ist. Vielleicht sogar besser. Auch für ihn.

Ich hoffe lediglich noch, dass er das nun selbst auch erkennt.
Ich hoffe, dass die großen und kleinen Herzen jetzt, nach einem Jahr, nicht mehr so stark bluten…

Es ist, wie es ist.

Liet vrij

Al mijn ‘toen’. Dat was met jou.
Een verleden zwanger van ’t leven.
Door de jaren roerloos heengegaan.
Kunnen we ’t nu niets meer geven.

Jij wou die verre einden lopen
Ik wilde enkel hoger springen.
Jij wou niet praten, op meer hopen.
Ik wilde zó veel liever zingen…

Jij schoot wortels, meters diep
Ik had ineens vleugels gekregen.
En de stilte die ons zo luid riep
Hebben we samen bruut doodgezwegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Voelde me jonger. Wist niet waarom.
Jij voelde je misplaatst. Bal naast de stip
Zo vielen we tergend langzaam om.
Verloren we meer en meer de grip.

Ik snapte dat jij er niets van snapt.
Ik begreep dat jij het niet bevat.
Waarom was alles dan níets waard?
Er volgde een lawine. ’t Grote gat.

We vergaten enkel te bewegen.
Was ik ervoor, was jij ertegen.
En nu, nu gaan we dus toch
voorgoed gescheiden wegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Rest ons dat ene verstokte ritueel,
waar de één de ander vermijdt
Zien al niet meer, wat ons verbond,
enkel nog al dat, wat ons scheidt.

We moeten ademen en weer groeien
elkaar niet langer meer vermoeien
Daar waar we onszelf opnieuw ontmoeten
Krijgen wegen weer handen en voeten.

Wegen die altijd verbonden blijven
Alleen lopen wij ze nu niet meer samen
Al mijn ‘nu’ ligt ergens anders
We gingen sneller dan we ooit kwamen.

Ik liet je vrij. We blijven verbonden.
Ik liet je vrij. Laat jou weer je leven.
Ik liet mij vrij. Lik ons beider wonden.
Ik liet mij vrij. Kunnen we vergeven…

=================================

geïnspireerd door (en deels vertaald vanuit) de prachtige song van Andreas Bourani – Auf Anderen Wegen

Gestrand

Ain’t nothin’ anybody could’ve done…
Een hemelse zin. Zoiets als ‘Que será, será‘.
Laat het gebeuren. Liefst harder
en eerder dan je ooit beseffen kon.

Het komt toch zoals het komt.
Leg je erbij neer. That awkward moment between birth and death will hit you sometime anyway. Men zoekt wanhopig de diepte en wordt met de dag oppervlakkiger. Maar wij niet. Wij niet.
Verdomd…

Ik heb er geen zin meer in.
Onderdrukken wat open moet springen. Ik wil weer voelen zonder ertoe gedwongen te zijn. Ik wil weer ademen zonder te moeten. Ik wil mijn hand leggen op de jouwe. Omstrengelen jouw voeten.
Dat is pas het begin.

Het brandt.
En niemand die er ooit iets aan kan doen. Nu laait ’t verder op. Vlammen te veel, te hoog om nog te blussen. Sporen te groot om uit te wissen. Golven die het zand steeds weer overspoelen. Bloeien doet wat bloeien moet.
Ik ben in jou gestrand.

Dat jij.

Dat ik je kuste.
En alles al wist.
Dat ik je zag, me
Niet had vergist.
Dat ik je omhelsde.
Jou had gevonden.
Dat ik je wilde.
Vol. Onomwonden.

Dat ik je begreep.
En alles ertoe deed.

Dat ik je nodig heb.
Dicht bij me weet.

Dat ik je mis.
Als jij er niet bent.
Dat ik jou bevat.
Zoals niemand je kent.
Dat ik je voel.
Wat jij met me doet.
Dat ik je lief heb.
Het is zo goed.

Niet rennen?

Je ligt in je bed en typt verwoed op je mobiel. Niet kijkend naar typfouten, niet kijkend naar de autocorrectie of de woordsuggesties. Kan jou ’t bommen wat eruit rolt.

Je hebt net afscheid genomen van je lief. Op afstand. Grote afstand. Véél te grote afstand. Gelukkig enkel voor de nacht.

De regen tikt met minuscule tikjes tegen het raam. De hond van de buren blaft. Mag ie van jou. Als ie t morgenochtend om half 7 maar laat. Kutbeest.

Je voormalige partner heeft je mail beantwoord. Turboscheiden. Dat moet ‘m worden? Okay dan. Je wilt enkel weer jij zijn. Jij. Met je meisjesnaam, jouw dromen en je eigen aardigheden. It’ s all in you. All of you. All you.

Een van je lieve vriendinnen krijgt out of the blue een hartaanval. Een ander kampt met groot verdriet door verlating maar vecht zich erdoor heen. Ren… Ren nooit zo maar in het wilde weg. Maar ook niet van.

Een vliegtuig stort neer. De piloot wilde niet meer. En besloot dat het voor de 149 anderen ook wel genoeg was geweest. Wie was hij, om dat te bepalen…

De shock doet soms zo zeer. Zoals nu. Wordt t zo veel te veel. En jij emotioneel. Behoefte aan een arm om je heen. Iemand die zegt: morgen weer een dag, lief, alles komt goed.

Hij zei dat.
En ik vertrouw op hem.

Duisternis

Ik was gefascineerd. De hysterie om een zonsverduistering die niet eens volledig was. Mensen keken weer eens massaal door commerciële plastic-brilletjes naar de hemel en riepen enthousiast: “Kijk, kijk!! Er is al een hapje uit!” en “Volgens mij fluiten de vogels al een stuk minder! Wat gaat er nóg allemaal gebeuren?” Ik snap het niet.duisternis

Stroombedrijven vreesden een spontane uitval van energievoorziening doordat er plotsklaps dertig minuten lang minder licht op het hele arsenaal zonnepanelen zou vallen. Maar wat is dan het verschil met sterk bewolkte, regenachtige dagen? Ik snap het niet.

Wereldondergangsfans riepen wederom enthousiast, dat het nu wel eindelijk zou gaan gebeuren. En wanneer niet nu, dan zeker in 2018. Of anders in 2026? Ik snap dat niet.

Maar: de mensen keken ook dit keer weer eens collectief naar de hemel en dachten tenminste na over de meest verschillende dingen die ze niet snappen. Dát snap ik dan wel weer. Dat deed ik namelijk zelf ook.

Die maan. Voor onze zon. In ons zonnestelsel. In onze galaxie. In ons universum. Zou er eigenlijk nog een ander universum zijn? Heeft het universum, als een ballon die op knappen staat, toch ergens een absolute grens? En wat komt er dan na dat einde? Waar groeit het heen als daar voor die tijd helemaal niks was? En waarom blijven hemellichamen na miljarden jaren nog steeds zo betrouwbaar en constant in hun banen draaien?

In ieder geval heeft dat laatste wel een heel geruststellende werking. Als de mensheid er namelijk iets over te zeggen had, zouden ze daar al lang niet meer hun cirkels trekken; genoeg mensen die zichzelf goddelijk genoeg vinden om de wereld, het zonnestelsel en, indien nodig, het hele universum te willen veranderen. Met de eeuwige jachtgelden (nee, geen spelfout) in het vizier. Een möchtegern-dictator die koste wat het kost een eigen ster aan het firmament wil, met zijn staatsieportret en een vet logo erop, in een mooie orbit rond de aarde, zodat iedereen hem altijd kan en moet bekijken. De milieufetisjisten zullen vervolgens de afstand van de aarde tot de zon willen vergroten om de aardopwarming te stoppen, alles onder het mom van “dat zijn we onze kinderen verschuldigd!”

Een grotere omloopbaan, dus ook een beduidend langer jaar? Fijn! Meer tijd om te werken. Maar dan in de cao wél minstens vijf vakantiedagen meer vastleggen, alstublieft. En de maan, die moet vanzelfsprekend dezelfde orbit houden, anders kloppen al die verdomde Inca-kalenders niet meer. De oppositiepartij roept meteen: “Eigen volk eerst!! Stem op ons, dan gaan wij voor u, proletariaat, de as van de aarde zó zetten, dat eindelijk ook eenvoudige, berooide burgers in ons land kunnen genieten van een mediterraan klimaat zonder meteen een peperduur vliegticket te moeten kopen. Die vliegtuigen hebben we sowieso hard nodig om de regen doelgerichter neer te schieten.”

Dát zou pas ware duisternis zijn.

Laten we in 2018 maar gewoon weer naar de volgende partiële zonsverduistering kijken en heel hard nadenken over de dingen die we nooit zullen snappen.

Amo ergo sum

Soms – ja ja, ik weet dat ik echt niet de enige ben – vergelijk ik mijn leven met een rollende trein. Bij vertrek nog heel langzaam, bijna onmerkbaar op gang komend. Het spoor leidt. De snelheid neemt gestaag toe en al gauw is er niemand meer, die het gevaarte nog kan stoppen, zelfs ik niet. Geen noodremmen. En dat is geen bouwfout.

tracksssHet leven. Een treinreis. Zo vreselijk cliché, ik ben me ervan bewust. Mijn traject. Met alle stations, omwegen, ergernissen, vertragingen en ongelukken die bij een treinreis horen. Zelfs met mensen die er ineens voor springen. Met onverwacht oponthoud, door werkzaamheden aan het spoor of door kapotte bovenleidingen, dat mijn planning weer eens volledig overhoop schopt. Maar ook met alle tempoversnellingen die het tijdsverlies weer een beetje goed maken.

We stappen in. We zien onze ouders zitten en gaan ervan uit dat ze voor altijd met ons mee zullen reizen. Maar op een onbeduidend, half vergeten dorpsstationnetje stappen ze plots uit en moeten we onze reis zonder hen vervolgen. We kunnen niet anders. Zo vele andere passagiers blijven wel zitten en nieuwe reizigers stappen in. Zussen, broers, geliefden, vrienden, wegbegeleiders, soulmates, familie, nog meer vrienden, zelfs de liefde van je leven. Enkelen van hen vragen beleefd of die plek nog vrij is, anderen ploffen zonder veel omhaal en met een hoop bagage naast je neer op een lege stoel.

Velen verlaten de trein na een tijd weer, soms gepland, soms totaal out of the blue. Laten een grote leegte achter waar je mee om moet leren gaan. Maar raar genoeg merken we van een groot deel van de passagiers niet eens, dat ze alweer uitgestapt zijn. Eigenlijk is het een voortdurende reis vol begroetingen en afscheid, vol interactie, lol en leed. De treinreis wordt duidelijk aangenamer en mooier als je in staat bent om de verhoudingen met je mede-passagiers goed te houden.

Maar het grootste mysterie blijft je ook in jouw trein achtervolgen. Je weet namelijk nooit op welke halte je zélf uit zult moeten stappen. Het YOLO-principe is wat mij betreft voor watjes, maar toch zit er ook wel wat in. Want met elke uitgestapte, geliefde medereiziger besef je weer dat jouw reis óók zo maar ineens afgelopen kan zijn. Daarom moet je leven. Liefhebben. Tolereren. Genieten. Vergeven. En vooral het beste van jezelf geven. Er komt definitief een punt, waarop dat alles niet meer, nooit meer kan. Als dat moment daar is, als je bij jouw persoonlijke uitstaphalte bent aangekomen en jouw éigen plek ineens leeg blijft, zouden slechts mooie gedachten aan jou bij de andere passagiers achter moeten blijven. Gedachten die voor altijd in de trein verder reizen.

Tot nu toe had ik al vele medereizigers, stuk voor stuk fijne mensen.Veruit de meesten daarvan zitten nog gezellig bij mij in de coupé. Sommigen zijn definitief uitgestapt. En ik mis ze. Enkelingen zijn overgestapt op andere, misschien wel veel snellere, stiptere en luxere  treinen. Ook dat kan. Voor diegenen hoop ik enkel maar dat de verdere reis óók weer vol liefde, gezondheid en gelukkige momenten zal zijn. Dat ze hun gewenste bestemming bereiken. Dat ze sterk kunnen zijn. Mensen die hun leven weer op de rit krijgen én houden. En dat ze – zelfs al is dat met tranen in de ogen – kunnen zeggen: “Ja, ik ben toch echt helemaal oké!” Want dat waren ze. En dat blijven ze. In de gedachten in mijn trein.

Descartes had het vet mis.
Het is niet het denken
dat je werkelijk doet leven.
Het is het liefhebben.

Amo ergo sum.

Mijn zaad is op.

MinecraftIk lig in bed. Zondagochtend, veel te vroeg wakker door mijn eeuwig lawaaiige buren. Dit keer een heftig stampende bovenbuurvrouw. Zoon en dochter zitten al lang en breed in de woonkamer, TV aan. Klinkt als StarWars. Keuvelende kinderen, niks leukers om stiekem naar te luisteren.

“Tjeeeee, jij bent ook zo’n jonkie hè, toen jij in deze wereld kwam, was ik al zesentwintig.”
[Huh? Echnie. Je was nog net geen drie toen je zusje kwam. Zesentwintig, tssss…]
“Zal ik jóu eens wat vertellen over de andere wereld? Ik kan je er wel even naar toe helpen, hoor.”
[Hola, wat zijn we van plan? Mijn ogen worden groter. Even naar de andere wereld helpen, da’s toch geen typische zondagochtendactiviteit…]
“Rot op, ik kan het echt wel alleen in dit leven.”
[Dat is nog eens een statement. Go for it, girl.]
“Als jij zo oud en zo ver bent als ik, moet je met heel andere bazen vechten. Jouw bazen zijn watjes. Je koopt ze zo. Met boter.”
“Mijn baas is toevallig Het Einde. En hij heeft een coole draak.”
[Oh, wacht eens…]

“Zo maar eens even met de dorpelingen onderhandelen. Ik heb nog een paar diamanten over.”
“Emeralds doen het veel beter, hoor.”
“Je moet naar andere dimensies gaan. Dán kom je pas echt verder. Veel meer boter daar, ook.”
“Ja, maar sommige dimensies zijn de hel…”

“Hey, ik heb nieuwe wapens gemaakt, kijk. Met mijn dolk kun je ook nog eens supersnel oogsten. En in no time vet killen.”
“Jemig joh, je moet het echt langer volhouden, hoor!! Langer! Blijven steken! Nog langer! Ja!! Jaaa!!!!”
“Nou, ik heb mijn schuilhut toevallig wel mooi af. Nog even een bed bouwen en dan ben ik weer veilig. Je mag wel in mijn bed straks. Zijn we eigenlijk alweer verbonden?”
“Jij met je hutten en je grotten. Ik heb een gigamegakasteel gebouwd, kijk dan!?!”

“Mijn hongerrepen zijn op. Heb jij nog wat te kanen? Ruilen?”
“Als je nou eens een boerderij begint, heb je zat te vreten voor de rest van je leven.”
“Hmmm. Heb jij dan nog wat zaad voor mij?”
“Nee, mijn zaad is hartstikke op. Ik ga hout hakken.”

Ah… Aha.
Minecraft, de digitale legoversie.
Even verlang ik terug naar de 1.0-blokkendozentijd.
Toen kon je nog gewoon horen hoe ze elkaars kastelen omver trapten.

Niets méér

Ik was zoekende
toen ik niets meer vond.
Dolende, maar
raasde niet langer rond.

Ik rustte
toen ik niet meer vocht.
Ik vond je
toen ik niet meer zocht.

Ik keek pas
toen ik niks meer zag.
En voelde
hoe #alles ter aarde lag.

Ik zag je
toen ik niet meer keek.
Ik aardde
toen ik niets meer ontweek.

Ik leef weer.
Zonder het berouw.
Ik kan niets
méér zijn. Zonder jou.

 

© Lou

Move on

IMG_20150108_211318
Terugblikken op gemaakte keuzes.
Mais non, je ne regrette rien.
Bedauere wirklich nichts von allem.
Fate is only a question of ‘when‘.

Deux enfants, ils sont entre nous.
Prachtmensjes, zo mooi. Zo warm.
Sind alles. Für dich wie für mich.
Lets keep ‘em loved. Safe from harm?

Je te souhaite le meilleur absolu.
Alle goeds. Ik wens het je oprecht.
I hope she’s a much better person for you
und ich in allen Augen nicht ewig schlecht.

Je was, je blijft mijn langste verleden.
Aber in Zukunft kämpft jeder für sich.
Proud of you, for so long I’ve been.
Du leider nicht ebenso stolz auf mich.

De onophoudelijke distantiëring
Wunschloses Unglück. Und etwas Rost.
Passivité, discontinuité. Liberté.
Interest, finally and totally lost.

Samen, nu slechts nog voor de kinderen.
Wollte dir wirklich nie so weh tun.
À partir d’été, nos mondes sont séparés.
I just, I just had… my own pride, too…

Never meant to drift away.
So quickly.

Tried for so long to heal it all.
To be one.

But I couldn’t hold it up forever.
Forgive me.

Ich habe soeben genau
das getan.

C’est tout.
And we’ll move on.

Lezen en schrijven = dood

Oh en tekenen. Vooral tekenen. Dat = óók dood. Dus vooral geen satirische cartoons in de reacties a.u.b.

Hè verdorie. Juist die dingen die ik het liefst doe. Ja ja, als je éven niet oplet wat je tekent of schrijft – of eigenlijk juist wel – zijn activiteiten als deze werkelijk “levensgevaarlijk”. Dat is vandaag wel weer gebleken. Maar is dat echt wel zo? Natuurlijk, wat er vandaag in Parijs gebeurd is, maakte mij aanvankelijk ook bang. Heel bang. Je gaat toch automatisch denken: “oh jeminee, stel je voor dat ik morgen langs de redactie van één of ander satirisch magazine loop en dan ineens overhoop geschoten word…” Of: “ik ga niet meer met de metro hoor, de aanslagen zijn vanaf nu niet meer van de lucht…”

Bij nader inzien is die angst dus behoorlijk overtrokken: de kans is namelijk verrekte klein. De kans dat een geschifte spookrijder je op je dagelijkse rit op de autosnelweg moedwillig dood rijdt, is vele malen groter. Maar niemand die bang is, als ie de oprit morgenochtend weer op scheurt. De kans dat je dood gaat aan een enge ziekte, bijvoorbeeld als gevolg van roken, is nóg veel groter. Maar toch wordt de volgende sigaret bedenkingsloos weer opgestoken. De kans dat je op je ochtendwandeling door de gekke, maar de jou tot nu toe onbekende buurman te grazen wordt genomen (en al dan niet achttien jaar lang in zijn speelkelder met bunkerdeur wordt opgesloten), is waarschijnlijk óók groter. En vroeger (een paar eeuwen terug, hè) was de kans dat je als heidense heks of ongelovige Thomas op de brandstapel van een of andere enthousiaste Spaanse inquisiteur belandde, helemáál levensgroot.

Ja, mijn reactie was dezelfde als die van vele anderen vandaag. Jezus, waar moet dit heen... Oh shit, Jezus kan niet. Jantje, waar moet dit heen… Wat een wereld, wat een wereld. Deze is kapot, ik wil een nieuwe. En zo. Maar een relativerend gesprek met mijn lief liet me de dingen dan toch wel weer enigszins in perspectief zien. De overtrokken reacties, de haat en de fobieën die mensen in de media tentoonspreiden, zijn vele malen angstaanjagender…

Een (franse) antisemitische reactie van @RedaCteurr op Twitter (vertaald): “ik hoop dat de agenten Joden waren. #CharlieHebdo #headshots
Een plaatje op facebook dat als een lopend vuurtje rond gaat, daarop een doodshoofd en de woorden ‘Ban Islam‘.
Mensen die heel hard roepen, vooral niet bang te zijn. Not afraid! Not afraid!! Maar ondertussen…

De wederzijdse haat is inmiddels bijna tastbaar. Duizenden voorbeelden. Social Media to the max. Dit is dé beloning voor de terroristen van vandaag. Het is weer gelukt. De splinter is weer een stukje verder in de open wond der angst geduwd. De wig, die oh zo nodig is voor de ‘gerechtvaardigde’ Jihad-voering, weer een stuk harder tussen de fronten der samenleving gedrukt. Oorlogsverklaringen. Olie op het toch al aangewakkerde vuur van Wilders en Nanninga (Jalta), van Le Pen en consorten. Wilders, ja DIE mag pas echt bang zijn voor een aanslag na vandaag.

Oorlog is business. Oorlog is economische groei. Wapenleveranciers knijpen weer vergenoegd in hun handjes. De beurzen mekkeren even, maar dan gaat het uiteindelijk ook bergopwaarts. Die ouwe Rothschilds en Rockefellers kijken goedkeurend vanaf hun wolkjes toe (oh wacht, wolkjes? Mijn hemel…). Praktisch alle oorlogen ontspruiten uit religieuze of extremistische overtuigingen. Deze ‘oorlog’ ook. In naam van het geloof worden nog steeds de meeste mensen vermoord. Ban Islam? Ban religie…

Ik blijf religie als zodanig dan ook iets engs vinden (mijn mening hoor, please don’t shoot me!). Op de zevende dag schiep de mens een god. Of gelijk een dozijn goden. En profeten, niet te vergeten. En die hebben natuurlijk altijd (ALTIJD!!) gelijk. Een god is mijn ogen enkel hét perfecte excuus voor foute daden, een fantastisch iets om dingen te verklaren waar men bang voor of onzeker over is en vooral een hoopgever voor het ‘niets’ na de dood. Het universum breidt zich nog steeds uit. Waarheen? Juist. Naar het niets. Wat was er dan überhaupt daar, waar voorheen het universum nog niet was? Juist. Niets! En dat Niets noemen we dan ook maar god. Het concept niets is inderdaad moeilijk te bevatten: hoe kan iets daarheen groeien, waar voorheen niets was? Het woord ‘geloof’ zegt het al: het is enkel geloof. Het verschil tussen dingen weten en dingen geloven is het verschil wat zovele extremisten angstaanjagend maakt: de al dan niet foute interpretatie van één of ander vaag boek, zij het de Koran, zij het de Bijbel of welk menselijk nevelachtig schrijfsel dan ook, laat zulke mensen de ruimte om te geloven dat ze het zeker weten. Nou, is dat niet extreem ‘eng’?

[Aanvulling 08-01-2015: Ik wil niemand zijn of haar geloof ‘ontnemen’. De meeste mensen belijden hun geloof of overtuiging volledig vreedzaam. Alles wat goed doet, is goed. Ik ken veel gelovigen, van islamiet tot jehova’s getuige, van katholiek tot jood. Allemaal prima mensen die mij als totaal niet-gelovige ook in mijn waarde laten, zoals ik hun in hun waarde laat. Ieder zijn of haar ding. Mijn hierboven beschreven rotgevoel wordt enkel door de extremistische vormen gegenereerd. Laat men elkaar met rust v.w.b. waarde, geloof en overtuiging, is er niks aan de hand. Maar laat het nou juist daar duidelijk aan schorten. Wat is dan nog verdraagzaamheid…]

As said. Mijn mening. Mag ik hebben. Nog steeds. Laten we ons niet gek maken, we zijn het toch al lang. Doe mij maar een bloedige vampierfilm. Dat is vrediger: doelgerichte doodslag met een duidelijk rechtvaardigende reden. Je moet toch íets eten hè.

Anders ga je dood.

#reallife

Kerstover

Het is alweer half kerstover. Oké, tweede kerstdag nog. Maar in principe hebben we het weer gehad.
Vandaag is het meubelboulevarddag, toch?

Kerstmis. Ik geef er dus niet om. Maar ik had in ieder geval wél mooie dagen en de warmte rond deze tijd vind ik wel aangenaam. Ik was bij mijn ouders, dat was echt fijn. Heel relaxed en gezellig. En toch, toch blijft het op de één of andere manier raar, op deze dagen zo zonder de kinderen te zijn. Juist ook daarom was ik blij, dat ik even onder de vleugels van mijn pap en mam kon vluchten. Bijkletsen, wat ouderwets puzzelen (met echte stukjes, ja ja…), thee met rum en gourmetten (wie niet…) op de teppanyakiplaat, een potje kaarten en lekker niksen. Ja, dit was óók goed. Dank jullie wel, lieve pap en mam. Voor alles.
image

Zo meteen zie ik mijn kinderen weer. Vanmiddag wat leuks doen. Zwemmen en naar de bioscoop. Morgen breng ik ze weer weg en rijd zelf door naar Nederland. Gek op autorijden, 9 uur meditatie met muziek. Eindelijk naar mijn lief, naar mijn ouders en vooral ook naar mijn zus. Eindelijk weer zien. Vasthouden en even de ogen sluiten om te beseffen hoe rijk ik ben.

Voor nu leg ik mijn cynisme maar eens kort naast me neer.
Vergeet heel even, wat nog niet goed is. Zie wat wel. En waardeer.

Iedereen bedankt voor alle steun en liefde die jullie me het afgelopen jaar hebben gegeven.
Ik wens jullie een fijne eindejaarsweek en een prachtig, knallend begin van 2015. Geniet ervan.

Wat moet je dan nog zeggen?

Eerste kerstdag, half acht. Dat ‘eerste kerstdag’ kan me zo goed als niks schelen. Dat ‘half acht’ eigenlijk ook niet, hoewel ik uit wilde slapen. Gezien de laatste weken is half acht best acceptabel als wakkerwordtijd. Nu zit ik rechtop in het logeerbed en hoor mijn vader luidkeels snurken in de kamer hiernaast. Ik lees een berichtje van de mama van Floor. Er biggelt een traan over m’n wang (ja. echt). Honderdduizend gedachten door elkaar, maar vooral eentje die steeds terug komt: “Dit mag toch niet?

Iedereen viert maar weer eens uitbundig dat letterlijk fantastische, elk jaar weer als herboren kindeke Jezus maar ondertussen wordt kindeke Floor zieker en zieker…Het berichtje hakte erin, zo ’s ochtends vroeg. Dit mag toch niet? Waarom gebeurt dit? Iedereen loopt te mekkeren dat er geen rooie cent meer te besteden valt en de zorg catastrofaal duur wordt, maar ondertussen vliegt het geld eruit voor gekonfijte vliegenzwammen en roomkaas met truffelaroma voor het kerstdiner en worden er voortijdig al miljoenen aan vuurwerk de lucht in geëjaculeerd. Mekker dan niet, eet een boterham en besteed dat geld aan onderzoek naar bijv. Neuroblastoom, wat kleine Floor heeft?

En dan dat hele Serious Request-gedoe. Ik snap het niet. Waarom smijten we met de kerst ineens dik twaalf miljoen op tafel voor vrouwen die ergens in oorlogsgebieden seksueel misbruikt zijn? Ik kan de mensen die gelijk ‘eigen volluk eerst’ schreeuwen echt niet velen. Maar zie ik niet in, waarom men juist met de kerst plots zo vreselijk begaan is met het lot van deze mensen. Oorlog is het overal. Drie dagen lang niet eten en in een doorkijkhuis gaan zitten om vervolgens zelfvoldaan – want ‘oh wat waren wij weer goed’ – met de kerst de gordijnen dicht te trekken en je vol te vreten. Hoe hypocriet wil je het hebben?

Oostenrijk heeft nu eveneens een glazen huis. Het ‘Ö3 [dat is de nationale radiozender] Weihnachtswunder’ (het engelse ‘Serious Request’ snappen ze hier niet, denk ik) haalt vol trots 6 tonnetjes binnen, bestemd voor families in nood in Oostenrijk. Schattig. Peanuts. Maar afgezien daarvan, wat moet die hele actie? De kerstinzamelactie ‘Licht ins Dunkel’ beoogt al 42 jaar lang precies hetzelfde doel en haalt krap 6 miljoen op. Voor het omliggende buitenland en voor natuurcatastrofes e.d. hebben ze hier ‘Nachbar in Not’. Werkt ook goed. In België en Portugal gaat het serieuze verzoeksgeld naar baby’s resp. kinderen die onder de armoedegrens leven, in Zweden naar HIV-bestrijding. Nobele doelen die toch nét iets meer down to earth zijn voor mij. Begrijp me niet verkeerd, ik heb met die vrouwen daar te doen. Iedereen lijdt.

Maar het is en blijft zo hypocriet…
Waarom met de kerst wél en verder lekker niet?
Ik geef als ik dat nodig vind. Niet omdat het kerst is en het dan ineens zo nodig moet.
Ik heb sowieso helemaal niks met het concept kerst.
Doe mij maar een midwinterfeestje met veel vuur om omheen te dansen. Ik heks.
Nee, ik zit op eerste kerstdag om half acht ’s ochtends in mijn uppie in bed op mijn laptop te rammen.
Een gloedjenieuwe laptop, dat dan wel weer.
Joepiedepoepie.

Vrolijk kerstfeest, mensen.
U heeft weer goed gedaan…

Huilen mag.

Ik zou niks moeten zeggen. Stil en berustend moeten wachten tot ook deze storm weer overwaait. Maar ik kan het niet laten. De openlijke agressie maakt me bang. De agressie, die mensen tentoonspreiden naar aanleiding van een simpel stukje tekst. Je kunt het ermee eens zijn of niet. Je mag het belachelijk vinden en dat uiten. Je mag er natuurlijk kwaad om worden. Je mag te allen tijde je gal spuwen over de inhoud en de – in jouw ogen – minderwaardige kwaliteit van het stuk. Je mag woest worden over volgens jou niet kloppende ‘feiten’ en proberen een discussie aan te gaan met argumenten. Allemaal prima. Zo gaat en hoort dat in de hedendaagse samenleving. Let it all out.

Maar de realiteit is zo schrikbarend… Het blijft namelijk niet bij discussiëren of argumenteren Het blijft niet bij simpele, al dan niet getemperde woede en onenigheidsuitingen. Schrijf je vandaag de dag een tekst over een gevoelig onderwerp (abortus? De doodstraf? Feminisme? Terrorisme? Ik noem maar wat hoor!), over een penibel persoon (Zwarte Piet?) of een op zijn minst dubieuze groepering (euh… Hooligans? ISIS? Nee, laten we voor de zekerheid maar even iets rustigers als de Hell’s Angels of de Japanse Maffia nemen), kun je ervan uitgaan dat je de komende weken minstens acht keer per dag hartstikke deaud (DOOOOOOD!!!) moet. Dat je een vette NSB-er bent. Dat je de kankerteringtyfus moet krijgen, je moeder een kk-k*thoer is (en je oma natuurlijk ook), dat ze écht wel weten waar jouw huis woont en je binnenkort een kogel door je kop gaat krijgen. Je mag hard hopen dat je niemand van de aanhangers tegen zult komen want dan kun je voortaan vanaf een wolkje op hunne koppen spugen. Men (ver)vloekt, tiert en bedreigt, men wenst de langzame dood, hels verderf en eeuwige verdoemenis. De brandstapel is uit; men komt je wel eigenhandig de nek omdraaien met een meegebrachte bankschroef. Dat alles in bewoordingen die je ogen doen bloeden, om het maar even niet over het Nederlands taalgebruik als zodanig te hebben.

Ik vind het eng. Zijn dit echt mensen die in onze samenleving ‘functioneren’? Waarom wordt er dermate overtrokken gereageerd op een stuk tekst, waarin een overduidelijke problematiek kort en pregnant belicht wordt, in combinatie met een aantal op het moment van schrijven nog geldende feiten? Waarom is men door een summiere column (een column nota bene!! geen journalistieke tekst!) zó zeer op de gevoelige pik getrapt? Misschien omdat het onderhuids toch jeukt dat er een kern van waarheid in steekt? Omdat er wel degelijk een probleem is, wat men – read no evil, see no evil – liever niet wil erkennen? Of omdat men bij een eenvoudig “Oh, maar zó ben ik niet, wat een lulkoek en wat jij roept, is stierenpoep” geen genoegdoening meer voelt? Al deze mateloos overtrokken agressie laat alleen maar zien dat de tekst tóch een heel gevoelige plek raakt bij de betreffende groep. Een groep waarvan het gros duidelijk niet (meer) over normale meningsuitingscapaciteiten beschikt. De laagbijdegrondse bewoordingen en de ongenuanceerde uitbarstingen laten enkel zien dat de heersende vooroordelen over de meute in kwestie helemaal geen vooroordelen zijn: ze kloppen gewoon…

Met openlijke bedreigingen en iemand dood wensen kom je helemaal nergens.

Hooguit voor de rechter.

Huilen mag.

(Moet ik nu ook dood?)

Doe mij niets?

Niets lukt.
Niets werkt.
Niets gaat zoals ’t moet.

Niets is fijn.
Niets is easy.
Niets doet echt goed.

Doe mij dan maar niets.
Alsjeblieft, doe me niets?
Wou dat je me niets deed.
Maar dat zou ook weer
niets zijn.

© Lou

Vrij?

Ik blog niet meer. Of – gezien mijn blogpoepbehoefte – in ieder geval veel te weinig. Zo veel dingen die ik hier graag op zou willen schrijven. Maar ik durf niet meer, voel me gecensureerd. Lezers zijn fijn. Lezers zijn alles voor een blog. Ik ben blij met iedere lezer hier, echt waar. Maar ik merk ook dat ik steeds meer rekening ben gaan houden met diegenen, waarvan ik weet, dat ze mijn blog met andere ogen lezen dan die van de ‘gewone, geïnteresseerde blogvolger’.

Vroeger plempte ik hier alles. Alles wat er in me op kwam: alle  zielenroerselen, iedere gevoelsuiting, elke gedachtekronkel, iedere opwelling. Gespuid in een gedicht, al dan niet fictief. Of een simpel stukje tekst over hoe ik me voelde. Ik schreef over de kinderen, het leven hier, over de grootse liefde, over verdriet. Over alles. Dat was ooit. Ik voel me nu niet meer vrij genoeg.

Ik zou ’t lak moeten hebben aan wat anderen denken of vinden. Maar dat heb ik niet.
Ik zou me niets aan moeten trekken van reacties of oordelen. Maar dat doe ik wel.
Ik zou zonder aarzelen alles neer moeten pennen en niet nadenken over andermans gevoeligheden.
Ik zou me vrij moeten voelen om te schrijven wat ik wil en hoe ik wil. Maar zo voel ik me niet.

En daarom ben ik stil.
Tot ik me weer in staat voel
om te schreeuwen
wat en zoals ik wil.

De pot verwijt de ketel…

…dat ie zwart ziet. Kan die uitspraak eigenlijk nog vandaag de dag, met al die ZP-ellende? De pot en de ketel zijn allebei zwart van het roet, maar de pot maakt de ketel daar dus verwijten over.

Ik voel me soms ook zo’n pot. Ik was vroeger namelijk de attentheid zelve. Kaartjes en cadeautjes sturen vond ik heerlijk, mensen verrassen ook. Een soort van hobby. Ik dacht werkelijk aan alle verjaardagen, wenste sterkte en beterschap bij de vleet, in kaartvorm of in de chat, stuurde felicitaties voor huwelijken, heette nieuwgeboren kindekes welkom op de wereld, leefde intens mee met alles wat er gebeurde. Ik had altijd cadeautjes bij me als ik ergens op bezoek ging, zei op de juiste momenten en op gepaste wijze ‘dankjewel’, belde mijn zus/familie/beste vrienden zeer regelmatig om even bij te kletsen, vroeg mensen oprecht belangstellend hoe het met ze ging en bood altijd een luisterend oor als daar behoefte aan was. Zelfs midden in de nacht. Maar aan de andere kant verweet ik sommigen dan soms toch heimelijk ook een beetje, dat ze op hun beurt op bepaalde – voor mij belangrijke momenten – níet aan mij dachten. Geen moeite deden om mij óók eens te verrassen. Geen belangstelling voor mij toonden en enkel met hun eigen sores en leven bezig waren En dáár ging ik de fout in…

Verwachtingen scheppen op basis van wat je zelf doet (deed), op basis van wat je zelf als vanzelfsprekend ofwel belangrijk acht, is een weg die onvermijdelijk tot teleurstellingen leidt en die relaties erg kan laten bekoelen. Verwachtingen zijn eigenlijk rotdingen. Verwacht gewoon niks en de teleurstellingen zijn uit je leven verdwenen. En alles wat dan wél komt, is ineens een fijne verrassing, want je had het immers niet verwacht.

Maar nu, nu ben ik zelf ineens in de ketelpositie. Ik ben met mijn eigen sores bezig, vergeet verjaardagen compleet, denk er simpelweg niet meer aan om mensen te vragen hoe het met hen gaat (ook al denk ik wél heel regelmatig aan ze), ben chaotisch, verward, te druk, te moe, te zeer in gedachten. Ik heb inmiddels lieve vrienden dermate ‘verwaarloosd’ dat ik vermoed dat ik ze inderdaad min of meer verloren heb. Mijn leven (en niet alleen dat van mij…) is in korte tijd volledig op zijn kop gezet, grotendeels door eigen toedoen. De relaxte alledaagsheid, de alledaagse relaxtheid maar vooral ook de zeeën van tijd zijn plots weg. Waar ik vroeger momenten te over, ja zelfs te veel had voor mijn werk, hobby’s (tekenen/schilderen/schrijven/zingen/drummen), kinderen, vrienden, chatten, facebook enzovoorts, moet ik nu – ondanks de chaos en intense vermoeidheid in mijn hoofd – heel hard schipperen om de boel nog enigszins op een rijtje te krijgen.

Het gevoel dat ik mensen van wie ik houd, chronisch verwaarloos, groeit en groeit… Soms voel ik me een ware loser, iemand die praktisch alles fout doet en zelfs de belangrijkste dingen vergeet. Iemand die steeds ongewild de foute dingen zegt, vooral te weinig zegt en dan ook nog vergeet wat ze nu wel of niet gezegd heeft. Iemand die zich niet meer voldoende om anderen bekommert en mensen teleurstelt.

Het knaagt aan mij. Ik wíl dat helemaal niet. Ik wil er juist wél zijn voor anderen. Ik bén helemaal niet zoals ik nu ben. Ik ben enkel in een soort van – hopelijk tijdelijke – geestelijke noodtoestand, maar eigenlijk klinkt dat ook weer te zwaar. Tegelijkertijd kijk ik naar mijn twee met “TO DO’s” volgekalkte A4-tjes, vragen de kinderen wanneer we nu eindelijk dat beloofde spelletje gaan spelen (ik kies steevast ‘Mens-erger-je-niet’), staat de vaat torenhoog op het (nieuwe) aanrecht, moet ik de was (om 1:15AM…) nog ophangen en mijn zakenconnectie dringend bellen (morgen) om nu eindelijk eens vooruit te komen met het project, wil ik nog een blog schrijven, vijf portretten tekenen en een hond schilderen, een tekst redigeren, vertaalwerk doen, een business-idee uitwerken en een gedichtenbundel produceren, moet ik een jaar- én een maandafsluiting voor de zaak maken, verzekerings- en ziektekostengedoe uitzoeken, een auto importeren, solliciteren (en mijn CV bijwerken), het verjaardagsfeestje van dochter plannen en regelen (twee maand later, jawel…), tig afspraken maken die meer dan dringend zijn, de verenigingsadministratie doen en lijsten naar cursusleiders sturen en tegelijkertijd ook nog even aan nog 238 andere dingen én mensen denken. En mijn lief wil ik zo af en toe toch ook nog even spreken…

Dan zucht ik maar eens diep, kijk met waterige blik naar mijn laptop, dan naar mijn kinderen en ga vervolgens toch maar een spelletje met ze spelen. Ik noteer op een aparte lijst (met pen… op papier…) wie ik allemaal nog wil bellen, mailen of een kaartje sturen. Misschien werkt dat…

Ik ben niet langer die pot die de ketel verwijt.
Ik weet nu echt wel hoe het komt, dat zwart zien…

Sorry.

Over een uur…

over een uur, twaalf jaar geleden.
was hij er ineens.
floep. zo uit mij gegleden.
nou ja, zo makkelijk was het niet…
een sterrenkijker in de wereld zetten
is toch best moeizaam.
maar kijk hem nu, knul van twaalf.

en toch…
dit keer niet bij mij. niet heel even
over zijn bol strijken om half één.
twaalf jaar geleden om deze tijd.
ja, twaalf jaar is een eeuwigheid.
alles is anders, niets blijft hetzelfde.
behalve mijn liefde voor hem

twaalf jaar geleden, over een uur
nee, drie kwartier nu. toen was ie er.
schreeuwend en goed drie weken
te vroeg. maar ik, ik lag daar.
hevig nabloedend genietend van
een fijngeperst mensenkind.
mijn.
de wereld een wonder rijker.
en ik ook.

 

Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.

 

Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?

 

Tijd heelt alle wonden

Wat een mythe. Tijd heelt helemaal niets. Tijd kan hooguit een licht gaasverbandje leggen op dat wat zo verschrikkelijk schrijnt. De wond blijft open. En dat is pas te begrijpen als je zelf in het bezit bent van zo’n gapend, bloedend gat. Rottijd.

Achter de wolken schijnt de zon?  Ik hoef geen zon. Ik verbrand in de zon. Ik blijf liever janken naar de maan.

Alle verlies went?  Nee, het went nooit. Maar fabeltjes zijn natuurlijk altijd leuk om te vertellen.

Life goes on?  Maybe. HET leven op zich wel. Maar de zin ervan moet toch steeds weer opnieuw gedefinieerd worden.

Wees verstandig, bekijk het rationeel. Weeg alle voors en tegens af, analyseer de werkelijke kans van slagen. Ja hoor, doe ik. Zo gauw iemand mij even wijst, waar mijn “gevoel-uit-verstand-aan-knop” zit. Ik vind het ding echt niet. Misschien is dat het enige wat de tijd ooit kan doen. Je een knopje in jezelf laten vinden. Of misschien is mijn gevoel wel mijn verstand?

Máák wat van je leven, je leeft maar één keer. Maar dan wel graag binnen de kaders waar je jezelf in de loop der tijd in hebt weten te persen. Muren zijn er om te doorbreken en voor alles is een oplossing. ‘Het leven’ hangt aan elkaar van clichés. Wat is dat leven überhaupt…

Ik wacht wel op die openbaring.

Ik wacht wel.

Moeder moet

Moeder moet liefhebben.
Onvoowaardelijk steunen.
De juiste raad weten.
Op zich laten leunen.
Moeder moet behoeden
En altijd beschermen.
Zich vol overgave
over alles ontfermen.
Moeder moet alles.
Accepteren, berusten.
Niet klagen. Dragen.
Lasten en lusten.

In het Duits klinkt de benaming duidelijk passender.

Moeter.

De Liefde – revisited

Vandaag is het dan toch zover: ik heb weer twee kinderen. Het ene heeft zich stierlijk verveeld omdat ze vijf dagen lang niemand had om haar ergernissen op bot te vieren. Het andere was een midweek op schoolkamp en is nu ineens als een halve puber terug gekomen.

Om half één rijd ik de parkeerplaats op, direct achter de bus waar met koeienletters “Alles wird Gut” op de achterruit staat. We hopen het maar. Door de letters heen zwaaien er een paar kinderen enthousiast naar alles wat rijdt. Ze leven nog, dat is een goed teken. Verstoppen onder de stoelen is er blijkbaar al niet meer bij.

Zoon komt scheef grijnzend de bus uit springen, mompelt iets van: “eyy mam,” en loopt linea recta naar de bagageruimte waar hij zijn weekendtas uit de massa opgraaft. Hij laat zich een korte ‘mama-moet-nu-toch-echt-éven-knuffelen-sessie’ welgevallen en na een fatsoenlijk afscheid c.q. bedankje aan de docente rijden we naar huis. Liefde

Hij vertelt niet veel. Ik moet alles eruit trekken, mocht ik echt iets willen weten. Maar ineens houdt hij het niet meer uit en barst los: “ik heb nóg een brief gekregen!!” M. heeft hem nu officieel de liefde verklaard, maar dan wel in het geheim. Een geheime liefde. Hij duwt me zijn portemonnee in de handen, waar alle briefjes, inclusief die, die hij op mijn commando uit de prullenbak heeft gevist, ingepropt zijn.

Ik ontfrommel ze, strijk ze een beetje glad. De evolutie van het liefdesgebeuren wordt duidelijk zichtbaar. Het eerste briefje is een cool aftasten: “Hallo, hoe gaat ie. Groetjes, M.”  Tja. Wat móet je ermee als elfjarige… Iets antwoorden van “Hey, ja goed hoor, maar nu dus net even iets minder – en bedankt hè!”  is ook not done. Het tweede briefje is in het geniep door een vriendinnetje in zijn jaszak gestopt: “jij bent  cool.”  Dát is nog eens een statement. Een groter compliment kun je een jongen op die leeftijd niet maken. Vooral niet als de knul in kwestie met duidelijke coolnessmankementen te kampen heeft. Het derde briefje heeft zoon door de telefoon al beschreven. De keuzemogelijkheden van het algemene aardig vinden: JA of NEE. Eigenlijk zou hij dit briefje al niet meer in bezit moeten hebben: aankruisen en terug ermee. Klaar. Makkelijkste methode. Het vierde briefje is duidelijk van een ander, intenser kaliber: “Ik hou van jou, T. [hartje]. Als jij ook van mij, geef me een teken. En het is geheime liefde (niet doorvertellen a.u.b.) [hartje][hartje]”

God wat een moed. Ik bewonder M. Zo jong en toch al zó dapper in liefdesaangelegenheden. Ik vraag zoon losjes of hij haar dan al iets geantwoord heeft. “Ja ja. Ik heb een brief terug gestuurd!” Vol goede hoop informeer ik wát hij dan geschreven heeft. “Nou gewoon: ‘Ik weet het nog niet. Ik moet er nog even over nadenken,’” en hij kijkt mij triomfantelijk aan. “Je kunt niet gelijk toegeven hè, dat hóórt niet!”

Een harde noot, die zoon van mij.
Een zomaar ineens bijna puberale noot.
Komt goed.

Als de liefde toeslaat…

…moet je als elfjarige blijkbaar even heel hard slikken.
Én je moeder bellen.
Dat ook.

Bezweet kijk ik, na een uurtje intensieve, sportieve bezigheid, op mijn telefoon. Eén gemiste oproep: het nummer van een vriendje van mijn zoon. Ze zijn een week op schoolkamp en zoon wilde geen mobiel meenemen. Dat was volgens hem nergens voor nodig. Waarom zou hij ons in vredesnaam moeten bellen? En als we hem wat dringends te zeggen hadden, konden we toch de begeleidend docente bellen? Ik kijk naar m’n display, voel naast mijn zweet nog wat andere nattigheid en bel het nummer terug. Zoon neemt meteen op en mijn indruk dat er iets is, wordt zo mogelijk nog sterker.

‘Oh haaaai mam…’ meldt hij zich nonchalant.
‘Hey lieverd! Marco heeft gebeld? Vertel, wat is er aan de hand? Hebben jullie het naar de zin daar?’
‘Euh… jawel hoor… we hebben gewandeld en een mierenhuisdinges in het bos gebouwd en gisteren hadden we een fakkelwandeling en kampvuur en zo. Best leuk, ja…’
‘Fijn. Kun je ook een beetje goed slapen? Je hebt toch geen heimwee of zo, hè?’
‘Nee nee, nergens last van…’
‘Lieverd, wat is er?’
Ik wacht gespannen af. Korte stilte, diepe zucht. En dan wat beschaamd gefluister. Tot drie keer toe zeg ik dat hij toch echt harder moet praten omdat ik er werkelijk geen bal van versta.
‘Ik… heb… ‘n… l..fd.sbr..f gekregen…’
‘Een wat?’
‘Een l…d.sbr..f.’
‘Wat???’
‘EEN LIEFDESBRIEF!’
Hij spuugt het er bijna uit. Alsof het een vreselijk smerig woord is. Ik moet mijn best doen om niet heel erg in de lach te schieten en vuur wat standaardvragen op hem af: Van wie?? Wat vind je er zelf van? En wat schreef ze dan?
‘Hij is van Melinda*.’
Dan nog meer stilte, een hoop ‘euhs’ en wat gefluister op de achtergrond.
‘Heb je de brief daar nog?’ vraag ik voorzichtig.
‘Nee, natuurlijk niet. Ligt in de prullenbak.’
Ik sommeer hem de brief er weer uit te halen; hij moet hem bewaren want dit zijn waardevolle dingen. Bovendien is het meisje in kwestie heel moedig geweest en is dit iets ontzettend liefs, ook al ziet hij dat nu nog niet zo. Als hij ‘m niet wil houden, bewaar ik de brief wel tot hij hem wél kan waarderen. Als hij twintig is of zo. Schoorvoetend loopt hij met mobiel en al naar de prullenbak en vist de brief er met hoorbare tegenzin weer uit.
‘Nou ehm… ze schrijft: Hoe gaat het met jou? Vind je mij aardig? Er staan twee vakjes achter waar ik JA of NEE aan kan kruisen. En dan: Ik vind jou heel aardig!’
Stilte. Alweer.
‘Goh lieverd… en wat vind je er zelf van?’ De geijkte moedervraag als je het zelf ook niet meer weet.
‘Maaham… dit is beangstigend… Ik weet echt niet wat ik ermee moet.’

Beangstigend. Zijn beschrijving voor een liefdesverklaring. Ik heb met mijn kind te doen… Nog drie dagen schoolkamp en hij weet zelfs niet eens meer hoe hij het meisje in kwestie moet aankijken. Voordat ik überhaupt iets kan zeggen, schalt hij alweer in het mobieltje:
‘Oh mam? Ik bel je morgen nog wel! Ik ga nu chips eten met Marco en Abdullah. Doeiiii!!’

En weg is ie, mij grinnikend en vertederd achter latend.
Als de liefde toeslaat, slaat ie hard.
Dan helpt alleen nog maar paprika-chips.

.

.

*) naam om privacyredenen veranderd 🙂

Ontheemd

Waar is thuis? Waar hoor ik? Ik weet het niet meer. Ik heb het eigenlijk ook nooit geweten. “Wherever I lay my hat, that’s my home,” krakeelde Paul Young.  Ik heb geen hoed maar als ik er eentje had, zou ik ‘m meteen opzetten en diep over mijn ogen trekken, zodat niemand de tranen zou zien glinsteren.

Vandaag voelt werkelijk niet als Bevrijdingsdag. Veel meer als een onverwachte gevangenisdag. Gevangen in mijn hoofd, gevangen in het alledaagse, gevangen in een overweldigend onbestemd gevoel. Ik functioneer absoluut niet. Ik ben stuk. Zelfs grasmaaien lukt voor geen meter: ondanks de lentezon blijft het gras te nat en loopt de maaier na wat gesputter steeds opnieuw vast. Ik had ’t kunnen weten. Een lichte misselijkheid golft al sinds het opstaan met vlagen door me heen. Wat dóe ik hier eigenlijk? Behalve doorademen en wachten tot de motor der normaliteit weer een beetje regelmatiger draait? Alles revolteert in mij.

Ik zou mijn bestaan nu per direct en uit alle macht radicaal om willen gooien maar ik kan het niet. Nog niet? Rationaliteit, gebondenheid, realisme en machteloosheid weerhouden me. Ik voel me meer dan stevig vastgesnoerd in een korset van ooit gemaakte keuzes. Met dubbele knopen op de rug. Een immense drang om los te komen. Een ziekelijk groeiend heimwee. Als een opzwellende groene hulk in mij. Kon ik ook maar zo oersterk zijn en uitbreken…

Ik voel me ontheemd.
Ik ben in mijn huis, maar steeds minder thuis.
Misschien gaat het ook dit keer voorbij.

Misschien ook niet meer…

Je ruist

Ik wil je in woorden wikkelen
je vangen in metaforen
me verstoppen in gaatjes
die je blikken in me boren
ik wil het licht dat jou draagt
langzaam in mijn ogen druppelen
langsheen de vezels van je
trui naar je lippen huppelen
urenlang harp spelen op je wimpers
en languit gaan liggen in je zij
ik wil de zee horen in je oorschelp
en eindelijk kunnen zeggen: je ruist in mij

.

(geschreven door jong dichterstalent: Bo Vanluchene)

Romeo

Eigenlijk is ’t er niet.
En toch elke dag meer.
Als ’t dan plots stil is,
voelt het raar.
Onwennig.
Leeg.

Hoe lang houdt een liefhebben stand?
Hoe groot kan het ‘houden van’ nóg zijn?
Hoe lang mag ik al wat ik nooit meer dacht te mogen?
Hoe klein kan de afstand zijn voordat deze daadwerkelijk niet meer te overbruggen valt?

Zomaar ineens besef je hoe goed het is om intens lief te hebben. Dat het beter is dan welke andere sensatie ook. Ik zou niet weten waar ik anders voor gemaakt ben. Ik heb lief. Veel lief. Wat wil ik nu nog meer? Alles is er nu.

Dat ondefinieerbare gevoel dat iets eindelijk is zoals het altijd heeft moeten zijn. Die onderbuiksensatie die je niet langer meer kunt onderdrukken. Ik vond precies dat, waarvan ik nooit geweten heb, dat ik het zocht. En nu dat het er is, begrijp ik niet dat ik zo lang zonder heb kunnen leven.

Het nu is alles.

Het was nooit anders.

Call me Julia.

Even scannen a.u.b.

Een grote bobbel. Dat is wat ik merkte, een week of anderhalf geleden. Ik legde mijn handen op mijn buik, op de onderste ribben en voelde een behoorlijke asymmetrie. Links een soort van derde, tepelloze borst, rechts gewoon ‘plat’ (voor zover plat bij mij mogelijk is) en dacht: ‘What the f….???’ en daarna niks meer, alweer vergeten. Ik blondie kan dat.

Maar de bobbel bleef en viel zelfs mijn man ineens op. Gisteren dus een eerste  poging tot betasting door de huisarts ondernomen. Helaas: die bleek op vakantie. Doorgereden naar een mogelijk vervangende arts maar die had geen praktijk op donderdagen. Nou dan niet! Bekijk het maar. Zal wel loslopen.

Vandaag heb ik toch maar een nieuwe poging gedaan: een derde lokale arts. Een internist. Om tien voor half acht was ik er al. De wachtkamer was een paradijs voor mensenkijkers. SMS-ende punkers, dames met hondjes in tassen, een peuter die de boel systematisch afbreekt, überzielige pubers met dramatranen in de ogen en een lachend levensverhalen mompelende man met Down. Een uurtje of anderhalf wachten en hoppaaa, ik ben al aan de beurt.

De huisarts drukt eens op de bobbel. Auw man! Het enige wat hij zegt is: ‘hmm’. En nog een keer. ‘Hmm’. Ik kijk hem bedenkelijk en sterk afwachtend aan.
‘Uw onderste rib is gebroken. Een pathologische breuk.’
Nu kijk ik meer dan bedremmeld. Hoe is dat mogelijk?? Ik heb niets raars gedaan, geen ongeluk gehad, niemand heeft mij mishandeld (voor zover ik me kan herinneren), ik heb mezelf niet eens naar behoren op de borst geslagen de laatste tijd.
‘De meest voorkomende oorzaak bij jonge [oh Danke, Herr Doktor!] mensen als u is een gezwel onder het bot.”
BAM. Uit het lood geslagen. Fijn hoor, zo’n eerlijke edoch tactvolle dokter.
‘U moet nu naar de radiologie in Linz. Dit moet wel gecheckt worden.’
‘Kan dat eventueel ook anderhalve week wachten? Ik heb nu erg weinig tijd…’
‘Nee. U moet nu gaan.’
De dringendheid waarmee hij dat zegt, is voldoende. Met een verwijsbrief en een kloppend hart van de schrik scheur ik naar de radiologische praktijk in de stad.

Weer een wachtkamer. En meer wachten. Een klein kwartier later ben ik al aan de beurt. Een propperige, gezette dame met jampotglazen duwt me met nogal harde hand op het verticale röntgenplateau, derde borst tegen de witte plaat.
‘En nu diep inademen en niet meer uitademen!’ Alweer auw…
‘Omdraaien tot ik stop zeg, dan weer inademen en NIET uitademen!’
Ben ik even blij dat ik tussendoor toch stiekem nog wat uitgeademd heb, anders had ik nu niet eens meer in kunnen ademen voor Tante Pollewop. Duwen, sjorren, nog een keer duwen. Zij zegt ook ‘hmm’ en haalt de opperradioloog erbij. Het zweet breekt me uit. Sta je dan, halfnaakt en klotsend tegen zo’n witte plaat op te rijen. Ik weet leukere hobby’s.

‘Ik kan het niet goed zien, de foto’s moeten later nog beoordeeld worden. Ik moet nu eerst even een echo maken’, aldus de radioloog. Ik ga op het met papier bekleede brancard liggen en oogst daarvoor meteen een klodder koude gel op mijn buik. Met de scankop drukt hij hard op de abnormale plek. Ik kan het woord ‘hmm’ inmiddels niet meer horen en vraag zonder omwegen of hij nu wat ziet of niet, en zo ja, wat.
‘Een breuk, ja. Verder niets. Raar hoor.’
Alsof hij er graag van alles had zien zitten en nu bijna een beetje teleurgesteld is. Jammer zeg, wéér geen drama vandaag… Ik  hoor het hem denken en vraag nog een keer voor alle duidelijkheid of ik me nu echt geen zorgen meer hoef te maken. Hoef ik voorlopig niet. Ja die breuk, dat is raar. Ontzien. Geen al te wilde dingen doen, niet boksen, niet bungeejumpen. Oh jee… dat wordt afkicken de komende weken. De rest lijkt oké, maar ik moet nog wel even de uitslag van de röntgenfoto’s afwachten voor het uiteindelijke ‘O.K.’ Die komen volgende week met de post. Wat een opluchting. Om tien uur ben ik weer thuis en plof met een kop koffie op de loungebank op het terras.

Na een emotioneel rondje scannen nu dan  de rest van de oorspronkelijke plannen…

Diplomatiek?

Een ware diplomaat is iemand, die twee keer nadenkt voordat hij niets zegt…

Dat zei Winston Churchill ooit. Het klopt. De ultieme diplomatie is het weldoordacht achterwege laten van woorden zodat de gesprekspartner erin kan interpreteren wat hem of haar op dat moment past. Indien nodig zelfs de onwetendheid. Stilte toelaten getuigt ook van kracht. Zelfs, of nee, juist in onderhandelingen of discussies.

Wat was ik graag stil gebleven. Weer een discussie die volledig ontaardde. Een gesprek dat geen gesprek meer was maar enkel nog een uitbarsting. Een gezwel van uitlatingen, waarbij plotsklaps sprake was van vijandige partijen in plaats van vrienden. En ik was duidelijk geen goede diplomaat. Ik had minstens twee keer na moeten denken om vervolgens heel verstandig mijn kaken op elkaar te houden en mijn vingers van het toetsenbord. Ik meldde wat ik ervan vond. En daarmee was het kwaad geschied: vanaf dat moment had ik eigenlijk moeten kiezen…

Ik weiger. Voor de zoveelste keer hou ik te laat mijn mond om vervolgens de gedwongen keuze achterwege te laten. Ik ben nog steeds een leek in de kunst van het op de juiste momenten niets zeggen.

Nooit te laat om te leren.

 

Doe jij even

… de huishouding, de was, de vuilnis?DoeJijEven
… de kinderen, het eten, de administratie?
… de kerstcadeaus, de tuin, de rekeningen?
… de katten, de doktersbezoekjes, de boodschappen?
… de vaatwasser, de correspondentie, mijn leven?

Natuurlijk, schat. Doe ik. Vanzelfsprekend.

Vanzelfsprekendheden zijn killing. En ik ben ogenschijnlijk de vanzelfsprekendheid in persoon. Ben ik dan ook killing? Voelt eigenlijk meer als slowly being killed. Maar het is goed zo. Beter wordt het waarschijnlijk niet. Wel lastiger om vol te houden. Bij veel van wat ik doe, denk ik: “Het klopt niet. Zó ben ik niet. Dit ben ik niet.” Op een onverwacht moment wordt je een spiegel voorgehouden en vraag je je af wie je dan wél bent. Je weet het antwoord al. Ik ben degene die gekozen heeft. Dus ook degene die moet leven met de consequenties daarvan. Daar voeg ik mij naar: het waren mijn keuzes. Mijn verantwoordelijkheden verzaak ik niet.

Groei is pijnlijk. Verandering is pijnlijk. Maar niets is zo pijnlijk als ergens vast te zitten waar je niet thuis hoort.” Mandy Hale (Auteur van ‘The Single Woman’) zei dat. Mandy zegt trouwens een heleboel en het meeste daarvan schaar ik onder het kopje ‘gewauwel met hoog open-deur-gehalte”, maar in dit geval vind ik dat ze gelijk heeft. Het is pijnlijk te beseffen dat je vast zit in een rol die je jezelf weliswaar aangemeten hebt maar waarvan je tijdens de hele opvoering bemerkt, dat je hem niet naar behoren kunt spelen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“je weet niet wat je mist, tot het er niet meer is.”
De waarheid is: Je wist precies wat je had.
Je had alleen niet gedacht, het ooit te kunnen verliezen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“Het leven gaat door.” Play your part.
Neem het vooral niet te letterlijk.
Hopelijk kan het tóch weer beter worden…

Catastrofe

Toe, zeg me dat de plek waar ik nu ben, een veilige is?
Dat het woord dat je me vandaag gaf, morgen ook nog geldt?
Het goede staat plotsklaps stil maar de wereld wordt steeds sneller.
Als jij terugkomt, blijkt alles al lang nog meer veranderd gebleven.
Geef me dat beetje zekerheid dat toont dat niets écht zeker lijkt?
Ik knijp mijn ogen dicht en hoop bijna hard dat ’t ineens onwaar is.
Het is te eenvoudig: ik heb zo veel lief en word ook lief gehad.
Leef niet meer in het verleden, kijk niet eens naar de toekomst.
In gedachten ontwaak ik elke dag daar, waar ik nu zou willen zijn.
Neem een deel van mijn voortdenderende snelheid weg?
Geef me iets, maakt niet eens uit wat, dat voor altijd blijft.
Maar ook al gaat de wereld om ons heen langzaam kapot,

dit blijft eeuwig onaangetast. Niets gebeurt werkelijk…

Zo verwarrend
mag het zijn.
Zo catastrofaal.
maar zo mijn.

#usb3

Kwetsbaar

“Je zult je eigen kwetsbaarheid moeten accepteren en ook het feit omarmen dat jij, net als ieder ander, imperfect bent.” Ik weet niet of ik dat kan maar ik zal het in ieder geval proberen. Als Brené het zegt… Ik weet namelijk heel goed dat ik niet perfect ben. Alles andere dan dat. Maar dat gegeven als notoir perfectionist dan ook nog moeten omarmen…

Ik heb op YouTube een film gezien van Dr. Brené Brown. Ze heeft jarenlang intensief onderzoek gedaan naar de kwetsbaarheid van de mens en de voordelen die met een dergelijke kwetsbare opstelling te behalen zijn. Iedere mens met een gezonde dosis eigenwaarde heeft inherent daaraan een sterke drang om zich geliefd te voelen en om ergens bij te horen. Zulke mensen vinden namelijk dat ze die liefde en dat gevoel van verbondenheid waard zijn. Bindingsangst is in die zin dus enkel de angst om die verbondenheid niet waardig te zijn. “Waar heb ik jouw liefde aan verdiend? Dat ben ik niet waard…” Herkenbaar?

De mensen die zichzelf al datgene juist wél waard vinden, zijn meteen ook de meest oprechte mensen. Ze hebben de moed om imperfect te zijn, de compassie om eerst aardig voor zichzelf te zijn en dan voor anderen, en de verbondenheid die het resultaat is van hun oprechtheid. Ze hebben de capaciteit om los te laten wie ze volgens ‘de meningen’ zouden moeten zijn zodat ze kunnen laten zien hoe hun persoonlijke werkelijkheid er uit ziet. Deze mensen omarmen daarmee hun kwetsbaarheid. Het is de wil en het vermogen om als eerste “ik hou van je” te zeggen, niet wetende of het “ik ook van jou” er ooit op zal volgen.

Wij, en veruit de meeste mensen met ons, zijn juist geneigd om onze kwetsbaarheid weg te moffelen. Onder het tapijt ermee. Vooral niet naar omkijken, niet laten zien. Maar je kunt emoties als zodanig niet selectief onderdrukken. Als je slechte gevoelens wilt onderdrukken, onderdruk je daarmee meteen de totaliteit van emoties. Het enige wat varieert van mens tot mens, is de manier waarop er onderdrukt wordt. De één doet dat met alcohol, de volgende met drugs of antidepressiva, weer een ander sluit zich gevoelsmatig volledig af en vegeteert voort binnen de eigen vier wanden. Comfortably numb. And comfortably lifeless…

Het zichzelf openlijk, diepgaand en kwetsbaar kunnen laten zien.
Het oprecht liefhebben, ook al is er nooit enige zekerheid omtrent wederliefde.
De dankbaarheid voor wat er dan wél gegeven is.
Het kunnen zeggen: “Moet je kijken, zó veel kan ik van je houden!” (en dan de armen zo wijd mogelijk uitspreiden), zonder er gelijk een dramatische rampzaligheid van te maken.
Geloven, nee wéten dat je goed bent zoals je bent, met al je imperfecties en eigenaardigheden.
Alleen dan kunnen we eindelijk ophouden met schreeuwen en beginnen met luisteren.

En ik vind dat ze dat meer dan mooi gezegd heeft, die Brené Brown.

Nu nog doen.

mag ik ’t ruilen?

“Gelooft u in de liefde?
Nu lacht u.
Ik zie het.
Maar ik vraag het in alle ernst…

Natuurlijk spreek ik niet van die uitbraak van hartstocht waarvan we allemaal menen, dat deze een leven lang niet zal eindigen, die hartstocht die ons dingen laat doen en zeggen die we later berouwen, die ons wil laten geloven dat we zonder een zekere mens niet meer kunnen leven, die ons laat beven van angst bij de gedachte dat we deze mens zouden kunnen verliezen. Dat gevoel dat ons niet armer maar ook zeker niet rijker maakt omdat we enkel willen bezitten wat we niet kunnen bezitten, omdat we vast willen houden wat we niet vast kúnnen houden. Ik bedoel niet die lichamelijke begeerte, niet de eigenliefde, die parasiet die zich zo graag als de onzelfzuchtige liefde vermomt.
Ik spreek van de liefde, die blinden tot zienden maakt. Van de liefde die sterker is dan de angst. Ik spreek van de liefde die het leven weer zin geeft, die niet toegeeft aan de wetten van verval, die ons laat groeien en die geen grenzen kent. Ik spreek van de triomf over de zelfzucht en over de dood.”

Ik lees momenteel het boek “Das Herzenhören” van Jan-Philipp Sendker (origineel in het Duits, de Nederlandse versie heeft de titel “Het Theehuis van Kalaw”), een boek zoals ik nog nooit een boek gelezen heb. Ik zou op elke pagina kunnen markeren dat ik die alinea moet onthouden. Elke bladzijde is zo mooi geschreven, zo intens, zo vol hartstocht en zo waarachtig dat ik er soms de tranen van in de ogen krijg. De passage hierboven had ik als eerste gemarkeerd. Niet om het antwoord op de vraag maar om de vraag zelf. Gelooft u in de liefde? Luister met het hart en geloven verandert in weten.

Ik luister nog steeds bijna uitsluitend met mijn oren.
Mijn hart weet al veel beter maar laat het gebeuren.
Het hoofd zou enkel nog met dat wijzere hart moeten luisteren.
Toe, mag ik ’t mijne ruilen?

Liever parallel

Vanochtend zag ik een plaatje op Facebook. Ik was er meteen door gefascineerd. De triestheid van de lijnen, waarvan ik er één ben. Doet me denken die eenzaamheid van de priemgetallen. Levenslijnen in levende lijve.

Ik zou het plaatje willen bewerken: er staan duidelijk te weinig lijnen op. In ieder geval een flinke set parallellen meer. Sommigen heel dichtbij. Zo dichtbij dat je bijna niet ziet dat we nog twee lijnen zijn. Sommigen wat verder weg, maar nog steeds gelijk opgaand, altijd naast me.

Er zijn zoveel lijnen die kruisen. Ineens botsen we op elkaar, gaan in elkaar over. Op het kruispunt denk ik: hier stoppen we allebei met lijn zijn en worden voor eeuwig een punt. Maar zo werkt het blijkbaar niet. Ik loop door, of ik wil of niet. Zo gaat dat met lijnen. Langzaam weer weg van dat punt van perfecte interactie. Dan loop ik toch liever parallel…

Hé, ik zie een lijn die praktisch gelijk met mij loopt… Nog veel te ver weg en de toenadering is haast onmerkbaar. We lijken parallel maar zijn het niet. Uiteindelijk komt er een snijpunt. En daarna wil ik dood.

parallellines

Uitgebrand?

Vandaag zag ik er weer één.  En vorige week woensdag ook. Net als al zovele keren daarvoor. Een zogenaamd uitgeblust, opgebrand persoon. Iemand met een burn-out. Ik heb al meerdere keren gedacht dat ik zelf zoiets als een burn-out zou kunnen hebben, maar ik heb inmiddels sterk het vermoeden dat ik dat niet kan, dat opgebrand raken. Depressief worden kan ik wel degelijk (heel goed zelfs, maar dat is ook weer zoiets wat je éigenlijk niet hardop mag zeggen hè…) maar volledig en totaal uitgeblust raken, schijnt mij een onmogelijkheid. Ligt misschien aan de mate waarin het brein in staat is, zichzelf te amuseren, te bedotten en te verwarren… Het mijne kan dat in ieder geval verschrikkelijk goed. Maar waarom zijn er dan tegenwoordig zó veel mensen die zomaar ineens niet meer verder kunnen? Geen stap meer? Bij wie de accu leeg is, de energie verbruikt, de vlam uit? Waarom is die ingebouwde oplaadbare batterij ineens totaal lamgelegd, rijp voor het afvalstoffencentrum? En waar haal je dan in hemelsnaam een nieuwe?

Geen idee. Ik denk persoonlijk wel dat burn-out-patiënten eigenlijk de geijkte slachtoffers van onze van het padje geraakte maatschappij zijn. Iedereen wordt onderhand voor het overgrote deel van zijn of haar leven gecontroleerd, gestuurd en beheerd. Passief vegeteren omwille van het bestaan versus actief de dingen (be)leven die men ook werkelijk beleven wíl. Zo gezien zijn mensen met een burn-out eigenlijk de voorboden van de uiteindelijk onvermijdbare systeemcrash zelf. Een systeem waarin steeds meer mensen een baan met een extreem intensieve en vooral heel ver reikende sociale omgeving hebben. De werktechnische sociale invloeden komen nu van veel verder weg, in veel grotere getale en zijn in veel intensievere mate aanwezig dan ooit het geval was. Tegenwoordig wordt de samenleving vooral gedomineerd door de prestaties van sterk narcistische individuen die enkel nog hun eigen ikje dwangmatig celebreren. Het gemeenschapsgevoel ontbreekt, overal wordt tegenaan geschopt, niets is meer goed, niet eens meer goed genoeg. En dat zowel op maatschappelijk macro-niveau als in de directe sociale micro-omgeving. Men loopt maar door in zijn of haar eigen verchroomde tredmolentje. En ook al heeft dat gepolijste looprad dan alle nodige blingbling en luxe, het blijft een tredmolen en je moet doorhollen, of je nu wilt of niet.

De vraag is: hoe breek je uit? Ik heb een gloeiende pesthekel aan dat boek van Elizabeth George (na drie pogingen heb ik ’t aan de kant gesmeten, geen doorkomen aan) maar in die titel, “Eat, pray, love”, daar zit wel wat in. Eten moet je en daarvoor moet je dus werken (als je in het gelukkige bezit van een baan bent tenminste). Hoe je het ook draait of keert, er moet op de één of andere manier geld binnenkomen. Is nu eenmaal zo en de ruilhandel is helaas al uitgestorven. Maar de tijd die je met werken doorbrengt, zou eigenlijk ook zinvolle tijd moeten zijn en geen moeizame kwelling. Geen zich erdoorheen moeten slepen tot het volgende weekend. Die luxe heeft niet iedereen: werk is werk per slot van rekening; je mag blij zijn als je een baan hebt. Daarom moet er in de eerste plaats tijd náást het werk vrij geschoffeld worden én die tijd zou dan volgens de experts vooral benut moeten worden om na te denken over zichzelf, de wereld en het grote ‘waarom’. Het ‘Pray’, zeg maar.  Vroeger werden vragen hieromtrent vooral door de verschillende religies beantwoord maar vandaag de dag is de relevantie van het geloof an sich bij veel mensen al lang en breed weggevaagd.  Zoals vroeger de religie voorschreef wat en vooral hoe te denken en wat de zin van het leven was, zo moet en wil men dat nu lekker fijn zelf invullen. En dat is niet makkelijk, levenszin vinden zonder voorgekauwde kerkse lariekoek (zo zie ik ‘t, ieder zijn mening). Daar komt dan ook meteen de ‘love’ om de hoek koekeloeren. Op z’n positiviteitsgoeriaans gezegd: “Liefde, in de vorm van het vermogen om de relevante dingen in het hier en nu zowel bij anderen als bij zichzelf aan te voelen, op te merken én te waarderen en in de vorm van de capaciteit om niet langer simpel voorbij te gaan aan wat is, te laten rusten wat was en uit te kijken naar wat nog kan komen.” En juist dát schijnt heden ten dage steeds opnieuw geleerd te moeten worden…

No love, no life.
’t Is net muziek.

En daarom haat ik positiviteitsgoeroes.
Want hemeltjelief, wás het maar zo eenvoudig.
Gooi die blonde manen in de wind en doe voorrrrrallll wat je moet doen.
En de rest niet. En zo.
Waarom moet ik nu in vredesnaam ineens aan Adam Curry denken…
Sorry Adam.

Keuzegemis

Hé mam… voelde jij je op je tweeënveertigste soms ook zo buiten alles, zo afzijdig als ik?mam
Zo, alsof je iets herkenbaars had moeten kleien van je leven maar dat het nu eenmaal die blobvorm kreeg, die er simpelweg in gedrukt werd?
Hunkerde je ook wel eens naar alles wat zo ontzettend verschrikkelijk uit den boze was? Naar dat wat zeker niet goed voor je was?
En ook naar het ‘wat als’ van al dat, wat je sowieso nooit van tevoren had kunnen weten?

Oh, en mam… heb je ook wel eens gedacht over hoe het was geweest als je dat had gedaan wat je moeder eigenlijk helemáál niet wou?
En vooral ook datgene, wat je pap je ten strengste verboden had?
Denk je wel eens over datgene wat er uit gekomen was, als je pak ‘m beet een halve eeuw geleden nét even anders gekozen had?

Ik mis ze soms heel erg.
Mijn keuzes van toen.
Ik zou ze zó graag nog eens terug zien…

Boekrecensie Crossfire 2

Boekrecensie: “Crossfire 2 – Begeerd door jou” van Sylvia Day
door: Louise Larndorfer-Bartels

Het tweede boek van de Crossfire trilogie, die inmiddels geen trilogie meer is want er schijnt ook al een deel 4 (deel 5? deel 6? deel 28?) te zijn. Het eerste heb ik in ieder geval ook uitgebreid onder de loep genomen, dat kun je hier lezen. Hoewel ik bij het eerste boek nog dacht dat ik geen goed publiek was voor dit soort erotische half-pornografische boeken, moet ik zeggen dat ik Crossfire 2 duidelijk lezenswaardiger vond. Er gebeurde in ieder geval significant meer dan enkel een beetje om elkaar(s geslachtsdelen) heen draaien, maar voor het interessantere leesvoer moet je wel eerst even verhit doorzwoegen tot – pak ‘em beet – hoofdstuk 14.

Eva Lauren Tramell is in boek 2 vanzelfsprekend nog steeds betoverd door en volledig in de ban van het mooiste en aantrekkelijkste mannelijke exemplaar dat op deze aardbol rondwandelt: Gideon Cross. Alleen de naam doet je al sidderen. Maar waar het in boek 1 bleef bij vanillesex (oh wacht, dat woord hoort bij dat andere boek) en wat uit extreme jaloersheid en bezitterigheid ontspruitende ontwikkelingen, gaat boek 2 toch iets verder in op de verkniptheid van de personages zelf. Ergens rond pagina 20 uit Gideon zelfs al het feit dat hij iemand zou kunnen vermoorden voor Eva en al zijn bezit zonder meer op zou geven voor haar, maar Eva zelf opgeven zal hij nooit. Daarnaast maakt meneer eveneens redelijk snel het statement: “Dokter, ik blijf pas van haar af als ze dood is.”  Mooi. Dat belooft wat.

Eva en yummie tycoon Gideon zijn nu inmiddels enkele weken een paar maar de relatie is niet bepaald easy-going vanwege de mentale beschadigingen die ze ieder afzonderlijk uit hun verleden meeslepen. De één nog erger dan de ander. Daarom zijn ze dan ook al gelijk in relatietherapie; daar kun je nu eenmaal niet vroeg genoeg mee beginnen. De meervoudige overdracht van de huissleutels symboliseert het serieuze karakter van het geheel. Toch distantieert Gideon zich steeds opnieuw, laat Eva tot in het extreme schaduwen maar lijkt er zelf toch nog een second life met zijn ex op na te houden, wat Eva wederom nóg jaloerser maakt. Seks als goedmakertje schijnt keer op keer toch weer te werken, wat voor de nodige erotische intermezzo’s in het verhaal zorgt.  In het verhaal zelf zijn nu meer wendingen – een liefdesweekend aan het strand, een met een knuppel half dood gemepte huisgenoot, Eva’s vroegere vriendje die nu zanger van een succesvolle band is en haar gescheiden ouders die elkaar na lange tijd weer zien – verweven. Op ca. tweederde van het boek lijkt Gideon echter heel plotseling volledig op afstand te gaan en daarmee is voor Eva, die zelf weliswaar ook de nodige amandelonderzoekende tongdraaiers met haar zingende ex (met alle gevolgen van dien) toeliet, de kous helemaal af: het herhaaldelijk gevraagde (geëiste) vertrouwen is volledig weg, alle banden worden doorgeknipt en de beruchte sleutels wederom geretourneerd. De cover van het boek zegt genoeg. Maar uiteindelijk blijkt ook nu maar weer dat Gideon daadwerkelijk niets zonder reden doet…

Het toeval wil, dat ik nu – simultaan met het lezen van Crossfire 2 – toch ook die vijftig tinten grijs (deel 1) maar eens uitgelezen heb. En ik moet bekennen: dat was bij tijden redelijk verwarrend. Blonde Eva, onervaren Ana, tycoon Gideon Cross (GC), miljardair Christian Grey (CG), beetje controledwang hier, wat sadistische dominantie daar, alles bepoederd met een verrot laagje uit zware misbruikverledens en gewenste naïviteit. Af en toe wist ik daadwerkelijk niet meer wie nou wat waar en met wie gedaan had, zo erg leken de beide literaire ero-epossen soms op elkaar. Het grijzige boek heb ik echter in het Engels gelezen en dan klinken die seksuele aktes toch duidelijk opwindender en sensueler.  Voorbeeldje? “Eva!” gromde hij toen hij de eerste dikke, hete lading sperma tegen mijn buik spoot. Dat klinkt toch best wel een beetje afgestompt, vind ik. Dat zal ook vast de reden zijn waarom dat zinnetje (p65) dan ook gelijk gevolgd werd door het veel erotischer klinkende “Fuck.”  Op de één of andere manier vind ik het niet echt opwindend om omschrijvingen als ‘drijfnatte kut’ of ‘keiharde pik’ te lezen, maar dat zal vast aan mij liggen. Met meer poëtische omschrijvingen als ‘Ik voelde de brede kroon van zijn pik in mijn spleetje kerven […]’  (p242) kan ik klaarblijkelijk ook niet zoveel, maar ach, ze doen hun dienst. Mijn partner heeft er in ieder geval geen bezwaar tegen, dat ik deze boeken lees. Integendeel.

Samengevat: Wederom een – in tegenstelling tot het uiterst banaal opgezette fifty shades – acceptabel geschreven erotisch-pornografische roman en een duidelijke verbetering t.o.v. het eerste boek. Grote typografische missers heb ik dit keer niet kunnen vinden, wel weer een hoop best opwarmend beschreven seks, wat meer spanning en een boeiend (maar helaas wel degelijk voorspelbaar) einde. Ik vrees dat boek 3 (“Verbonden met jou”) er ook gaat komen, al vraag ik me wel af wat er nu in vredesnaam nog te schrijven valt over de protagonisten in deze liefdesconstellatie. Ik ga er maar vast vanuit dat ze, á là Twilight, spectaculair gaan trouwen of zo. We zullen het lezen.

Auteur: Sylvia Day
Titel: Begeerd door jou – Crossfire 2
Oorspronkelijke titel: Reflected in you
Paperback, 325 pagina’s.
Uitgever: A.W. Bruna Uitgevers, Utrecht 2013
Taal: Nederlands (vertaling: Marike Groot en Sander Brink,  Grootenbrink Vertalingen)
ISBN10: 9400503970
ISBN13: 9789400503977
Prijs:  € 10,00 tot 15,00

Recensie geschreven in opdracht van Verboden Voor Mannen

Gazellifant

Met mijn olifantenpoten ren ik hard. Nog harder om alles toch maar in te halen. Hier en daar een porseleinen kopje vertrappend, draaf ik nog steeds blind voort. Over de droge savanne vol met noodlotten en de woeste steppe van incomplete conclusies. Geen idee waar te beginnen, niet eens een hint over waar als eerste te stoppen om de armen te spreiden. Dus ren ik maar verder. Als ik blijf staan, zinken mijn grote, stampende poten weg in de uit andermans ongeluk en mijn eigen machteloosheid bestaande blubber.

Slopende ziektes waar ik nooit weet van had tot ze ongeneeslijk werden. Andermans innerlijke worstelingen waarvan ik me bewust was maar die ondergingen in de myriaden van mijn eigen gedachten. Zware operaties die al voorbij waren voor ik op tijd ‘nog heel veel sterkte’ kon wensen. Verjaardagen die ik om twee voor twaalf bijna had vergeten. Zorgen die geuit werden maar die door extreme externe filtering voor mijn oren weg werden gerukt. Knuffels die in mid-air bleven hangen…

En dus loop ik zo snel mogelijk door.gazellifant
Niks ziend, allenig, nadenkelijk.
Geconcentreerd op iedere pas.
Blijf vooral draven…
Hup hup, achter die feiten aan.
Ze zullen altijd sneller zijn dan ik.
Was ik maar een gazelle…

niet goed bezig

Gisteren opende ik – hoe kan het ook anders – ergens in de loop van de ochtend even facebook op mijn foon. Het eerste plaatje wat ik zag was van een half verbrande jonge man. Hij was, volgens de ernaast staande tekst, aangestoken. Een brandende autoband om zijn nek. Omdat hij homoseksueel zou zijn en dat mag dus niet in Oeganda (en niet alleen daar…). Sterker nog: zulke mensen mag je dus legaal, met de wet achter je, in de fik steken en toejuichen terwijl ze creperen. Ik kreeg spontaan kokhalsneigingen en dikke tranen in de ogen, moest noodgedwongen verder scrollen. Ik kon het simpelweg niet aanzien. Want wat moest ik hier nou mee? Onvoorstelbaar gruwelijk om te zien op een gezapige zondagochtend. Wat een wereld. Een bevestiging van mijn opvatting dat mensen de enige werkelijke beesten op deze aarde zijn.

Ik moest het plaatje eigenlijk delen om mijn solidariteit met de homoseksuelen op deze aarde te betuigen. Maar ik kon het niet… wetende dat ik een dermate afgrijselijke foto dagenlang op mijn eigen wall zou zien, een wall waar ook kindekes mee koekeloeren… en ook wetende dat het geen ene donder zou helpen. Ik ben vanzelfsprekend solidair met iedere andere mens die in naam van onzinnige (veelal religieuze) wetten gediscrimineerd, gemarteld, gedood wordt. Maar mijn solidariteit lost helemaal niets op. Ook een petitie met miljoenen email-handtekeningen eronder haalt niks uit. Ik onderteken ze allemaal want het is geen moeite en ik laat in ieder geval op microniveau zien dat ik het er niet mee eens ben, de NSA aan m’n broek of niet. Maar helpen doet het niks, ik ben niet zo naïef om te denken dat er in de toekomst ook maar íets anders zal gaan vanwege een simpele petitie. Geen meisje minder verkracht of op 9-jarige leeftijd uitgehuwelijkt, geen honingbij gered, geen niet-ondertekend TIPP, geen asiel voor meneer Snowden, geen betere vrouwenrechten, geen boycot van de olympische spelen in dat hypocriete Sotchi/Rusland, geen betere arbeidsomstandigheden voor die arme chinese kindertjes in de neodymiumwinning. Gewoon. Niks. Lijdzaam toezien is alles wat je mag vandaag de dag. En dat is ook nooit anders geweest.

Daarom deelde ik de foto niet… want ergens, ergens moet ik nog altijd míjn leven leven. Of dit nou allemaal gebeurt of niet. Dat van anderen kan ik niet leven. En ik moet dus zorgen dat mijn leven góed geleefd wordt, al naar gelang de omstandigheden. Dat is iets wat ik in ieder geval wél kan doen. En dan niet voor mij. Egocentrische gedachtes heb ik al genoeg (“ik moet goed voor mezelf zorgen”, “die Note 3 wil ik toch wel heul erg graag”, “wat zal ik eens eten vandaag” – en zo). Maar voor de bewonderenswaardige mensen en mensjes om mij heen. Mijn zoon die maar door bokst en vecht om op school mee te komen. Mijn dochter die morgen weer naar de dokter mag voor een uitgebreide hartcontrole. Dat gaatje zit er nog steeds hè… ook al denk je er dan praktisch nooit aan, het blijft eeuwig een issue. Vrienden en vriendinnen die vechten tegen dodelijke ziektes, financiële sores, rottige werkgevers, mishandelende echtgenoten, depressies. Ouders die een dagje ouder worden en allebei al kanker hebben gehad. Ons eigen hachje (lees: ‘relatie’) bij elkaar en leefbaar houden. Dat zijn de dingen waar ik in eerste linie mee bezig zou moeten zijn, ik weet het. Ik weet het zo goed…

En toch ben ik het niet.

doemdenker

Ik zit weer eens in een denkfase. Zo’n fase waarin ik meer dan anders nadenk over het hoe en wat in deze wereld. Waarom de dingen gaan zoals ze gaan, wie er daadwerkelijk aan de touwtjes trekt. En dat is dan nog heel summier en oppervlakkig gezegd. Ik kijk documentaires, luister naar ‘afvallige’ professoren, uit de school klappende voormalige politici en journalisten die zich vastgebeten hebben, praat met de één of de ander.. Maar het wordt er niet beter van. Integendeel.WatAls

Het zou echt mogelijk moeten zijn om je hersenen stop te zetten. Maar wel zonder angstaanjagend elektronisch gespuis. Gewoon. Zelf. Het kan ook, met simpel mediteren. Maar daar ben ik niet zo goed in. Wel geprobeerd, maar ook dat lukt me op de één of andere manier niet.

Ik staar in ’t niets en denk aan alles en iedereen. Vooral aan mijn kinderen, aan hoe alles zal zijn als ze eenmaal volwassen zijn. Hebben ze dan ook een chip in hun pols? Mogen ze nog vrij reizen? Hun eigen geld beheren? Zelf bepalen óf en hoeveel kinderen ze in de wereld willen zetten, mocht dat dan allemaal nog op de ‘normale’ manier gaan? Zijn ze nog vrij in hun denken en in het bepalen welk werk ze het liefste zouden doen? Zijn er tegen die tijd nog bijen of doet de mens dan inmiddels zelf aan bestuiving omdat geen insect dat meer kan doen? Welke nieuwe ziektes zijn er dan ontstaan (of gemaakt), welke oorlogen uitgevochten en hoeveel mensen zijn er tegen die tijd nog overgebleven op deze aarde? En zo ratelt het door in mijn warrig hoofd.

Ik ben misschien nog net geen doemdenker maar wel een overmatig piekeraar. Ik kan niet tegen mijn eigen machteloosheid en ook niet tegen de wildheid van mijn gedachten. Ik wil wat doen maar ik weet niet wat. Ik zou heel hard willen gillen maar als ik dat zou doen, zou ik enkel maar raar aangekeken worden. Waar maak je je druk om, mens… Tja. Dat weet ik ook niet. Nog niet.

Toch een doemdenker.

Net niet

Ik stond echt op ’t puntje om weer eens een nieuw leven te beginnen. Dat leven waarin ik zó veel van mijzelf houd. En ook nog van de rest van de wereld.  Waarin ik heel hard fuck you schreeuw en doe wat ik wil. En iedereen omarm. Maar ’t lukte even niet. Nét niet. Alweer niet.

Vanochtend sprong ik uit bed en dacht: ik voel me tóp!! Tot ik plotsklaps dubbelklapte en mijn ingewanden eruit spuugde. Ik hield ’t allemaal even niet meer binnen. Nét niet. Maar het duurde maar heel kort, tot die hervonden tiptop-status.

Vandaag wist jij me zowat te overtuigen dat alles nu weer goed is. Maar het mislukte, net als een te natte rozijnenpannenkoek. En ik blijf zien hoe het er echt voor staat. Kledderig. Klote. Maar helaas.

Ik dacht heel even hoopvol: “je bent dus tóch nog steeds diegene die je was, toen ik dacht, dat ik je kende.” Maar je was het niet meer. Al lang en nét niet meer.

Bijna had ik vandaag zelfs mijn oh zo noodzakelijke werk gedaan en de boel afgemaakt. Maar het ligt hier nog naast me in een rode map.
Het lukte net niet. En morgen is er in dit geval geen nieuwe dag. But hey, we’ve got the night…

Zo’n lelijke, grootse terugval schampte zomaar ineens rakelings aan mij voorbij. Alleen nét niet helemaal. En ik haalde die bocht lekker toch. Met een noodvaart zelfs. Ja, dat net weer wel.

Ik mijmerde over hoe mooi het allemaal geweest had kunnen zijn. Maar dat is het nu ook weer niet geworden. Nét niet. So what. Op naar het volgende wat zo mooi zou kunnen zijn.

Vandaag was het immers óók mijn dag.

Nét niet.

Knalluh…

“Ik ga even de brievenbus dichtspijkeren hoor!”
Huh… da’s toch niet normaal… is dat echt nodig hier?
Sterker nog, het lijkt zelfs heel vanzelfsprekend…
Iedereen doet dat.
Gewoon.

Ik lees een artikeltje over met vuurwerk opgeblazen katten en de tranen springen me spontaan in de ogen. Dit kan toch niet? Wat bezielt mensen in vredesnaam… Ergens vlakbij knalt er weer een carbidbus. Het lijkt verdomme wel oorlog… een filmpje van een vuurwerkslachtoffer dat tijdens de plastische  reconstructie van zijn gezicht per ongeluk een kontgat als mond heeft. Shit happens. De volgende knal die de ramen doet trillen. “Moeten we nog even vuurwerkbeschermbrilletjes halen voor de kinden? Een oog is zo weggeschoten…” Ja, laten we dat dan maar doen dan…

Ik kan het niet laten om hoofdschuddend te denken dat de halve mensheid hier te lande werkelijk van de pot gerukt is. Waarom moet het zo? Auto’s in de fik. Vandalisme. Vuurwerkbommen. Opgeblazen dieren. Burgerwachten die nog een beetje de orde proberen te handhaven. Speciale ‘plofvrije’ dierenasielen voor oudjaarsnacht. Je kunt zeggen wat je wil maar dit IS oorlog. En ik vind het compleet gestoord.

Een paar mooie vuurpijlen afschieten, dat is leuk. Wat siervuurwerk, een glas champagne en een zoen. Perfect. Waarom moeten we elkaar dan persé in de eerste vijf minuten van een nieuw jaar de lucht in blazen en doen alsof het bij ons óók oorlog is… we hebben al genoeg oorlogsellende in de wereld. Echt.

Leuk joh. Knalluh…

kerstgedachtes

Te stil ben je me. Dan ga ik weer piekeren. Is er iets gebeurd? Heb ik iets fout gedaan? Fout gezegd? Kan ook nog. Waar zit jij nou helemaal met je gedachten? En waar zit ik eigenlijk met de mijne…pantarhei

Ze zwerven. Ze hangen overal rond. Bij die zo veel te jong gestorven buurman die een jonge vrouw en twee kleine kinderen achterlaat. Bij de ernstig zieke vriendin (ja, ik beschouw haar als vriendin… ze is een uitermate waardevol iemand…) die 2014 nog hoopt te halen. Bij de brandmelder die om de twee minuten luid piept dat zijn batterij leeg is. Bij de zo geliefde vriend die worstelt met wat er in het verleden gebeurd is. Ik denk na over het liedje op de radio (“Say something… I’m giving up on you”) en over al die mensen die pijn hebben. Ik pieker over degenen die ik zomaar ineens mis omdat ik ze al zo lang niet gesproken heb (Ron, Erwin, Bert, Angela, Marc, Kris, Manja, Bart, Pris, Sam,  enzovoort…). Zouden ze ooit nog aan mij denken?

Verdorie. Het is alwéér kerst… En nee. Ik ga geen review van dit jaar doen. Dit jaar was een jaar net als alle andere jaren. Ups, downs, saai, spannend, verdrietig, hoopvol. Wie wil er nou reviews. Je hebt er geen zak aan, het is toch allemaal voorbij, er valt niks meer aan te veranderen. Goede voornemens zijn al net zo zinloos. Plannen helpt niet, alles komt toch weer anders dan je je had voorgenomen. Chris Rea bromt zijn Driving Home for Christmas voor de 328e keer door onze speakers. Ik wou dat ík naar huis reed vóór kerstmis. Maar zoals altijd zal het hoogstens ná kerstmis zijn. Verplichtingen, verplichtingen. Maar na kerst gelukkig wel. En dat is wat telt…

You played it to the beat. Miss Adèle zingt zoals het werkelijk was en nog steeds is. Speel mee, gewoon zoals de ritme komt. Laat het toe. Go with the flow, voel de kadans, laat het gebeuren. Het komt toch wel zo. Mijn gevoelens kan ik niet veranderen. Ze zijn zoals ze zijn. De dingen komen zoals ze komen, of ik nou wil of niet.  Mensen sterven, hebben verdriet. Of ik er nou wat aan kan doen of niet. Accept it.

De bijen sterven door ons toedoen, of ik die petitie nou onderteken of niet.
Met zes glazen wijn wordt het leven niet mooier. Integendeel. Een stuk verdrietiger.
De kindertjes in Syrië ervaren nog steeds die rotoorlog. Al jaren. Of ik het nou uitschreeuw of niet.
De jonge buurman blijft dood en zijn vrouw en kindertjes moeten door. Of ik nou kan helpen of niet.
Met twintig kilo minder zal ik nog steeds onzeker zijn. Of ik het nou wil of niet.
Mensen blijven hun handen eraf schieten met illegaal Cobra-6 vuurwerk. Of ’t nou stom is of niet.
Mijn liefde blijft steeds maar weer bij sommigen hangen. Of ze nou willen of niet.

Goed. Dat is dan het enige voornemen dat ik me voor neem voor 2014. Go with the flow. Het komt zoals het komt. Panta Rhei. Alles vloeit. In elkaar over. Alles is oneindig. Ik lachte er ooit over. Maar zo is het.

And please, stay strong while going with the flow.
The past is gone and I will go on.

Blijkbaar titelloos

If you want to touch the past, touch a rock.
If you want to touch the present, touch a flower.
If you want to touch the future, touch a life.

Die quote las ik vandaag. Geen idee wie dat ooit zei (“Unknown“) maar deze quote fascineerde me. Eenvoudig en zo waar.  Een zwerfkei, keigevormd door het grote verleden, soms eeuwenoud. Een bloem, die nu bloeit, maar morgen misschien al verdord is. Maar als je iemands leven echt raakt, dan raak je de toekomst. De toekomst van diegene maar ook die van jou. Je beseft dat dit de dagen zijn, de dagen dat je je eigen toekomst maakt. Door simpelweg een ander persoon deel ervan te maken. Door te raken.

Maar soms moet je, juist om die toekomst te kunnen blijven voelen, je handen weer langzaam van bepaalde personen aftrekken. Niet meer aanraken. Laten gaan om te blijven (be)staan. Ik heb dat, en dat besef ik nu, in de laatste jaren veel gedaan. Ik heb bepaalde levens geraakt. Dat vermoed ik althans. Nee, ik hoop het. Maar ik heb ook velen zowel gewild als onvrijwillig laten gaan. Ook dat is toekomst.

Op dit moment is er weer zo’n punt waarop ik tot de conclusie kom en ook accepteer, dat ik bepaalde mensen en ook bepaalde dingen simpelweg moet laten gaan. Ik zal ze missen. Ongetwijfeld. Maar levens collideren én divideren. Het bestaan is net een botsauto. Soms botst het en voelt het goed. Dan grijns je elkaar aan en denkt: “Ha! Dát was leuk. Nog een keer!” En met een beetje geluk is de tijd nog niet om en mag je dan ook nog even verder rondkarren. Maar soms knal je ineens tegen iemand op en voel je enkel nog de nekslag. Maar botsen zal ‘t.

Ja, ik ben bang om op deze manier te moeten verliezen. Maar ik zal nooit berouwen, iemand in mijn leven gekend te hebben. De juiste mens geeft je geluk en acceptatie. De minder geschikte mens geeft je tenminste ervaring. De allerslechtste leert je een les. En de allerbeste geeft je herinneringen. Ook al gaan ze daarna toch weer hun eigen weg. Niemand is ooit zinloos…

Let it be.
It wasn’t meant for me.
I’ll let you go.
So we can both be.
We will let it rest.
Then I will see you and
you will finally see me…

Doet me ineens denken aan een song van 10.000 Maniacs…

Let me be. Let me close my eyes.
Don’t talk. I’ll believe it.
Don’t talk. Listen to me instead.
I know that if you think of it.
Both long enough and hard

The drink you drown your troubles in
is the trouble you’re in now...
(10.000 Maniacs – Don’t Talk)

Hoe treffend was dat.

Was.

Het roze briefje

…en zo voltrok zich meteen al weer het volgende drama in Huize L.

14h.
Zoon komt binnen stommelen, kwakt zijn schoolrugzak op tafel en zakt zuchtend neer op de bank. Zoveel huiswerk. Zoveel gedoe. En nu ook nog allerlei dingen die ze moeten doen voor de kerst c.q. in de adventstijd. Een projectje om de sociale vaardigheden en naastenliefde te vergroten, volgens de lerares. Het staat allemaal op een briefje. Een roze briefje, dat hij gewetensvol onder mijn neus drukt. “Kijk, dat moet ik allemaal doen voor volgende week!”.rozebriefje
een volwassene beleefd voor iets bedanken. Oké dan, no problem: elke keer dat hij met de buurvrouw mee naar school rijdt, bedankt hij haar beleefd, dus die kunnen we afhaken.
iemand vrijwillig helpen. Dat doet hij all the time, dus ook geen issue.
helpen in de huishouding. Oh shit. Dat wil hij altijd graag maar ehm, echt handig is dat niet. Maar goed, hij mag best ramen lappen van mij.
praten met een medescholier waar hij anders niet echt veel mee praat. Moet-ie zelf doen. Kan ik niet bij helpen. Ik weet wel een hoop kandidaten…
een medescholier een compliment geven, en
een goede wens voor iemand uitspreken. Allebei ook wel te doen denk ik. Maar sociale dingen kunnen bij zoon nogal eens raar uit de mond komen, zeg maar. Het is een beetje dagafhankelijk. Goed bedoeld, raar gezegd. Ik moet bij hem vaak een beetje aan Jack Nicholson als Melvin Udall in ‘As good as it gets’ denken.

Goed, ik heb het roze briefje gelezen, denk in stilte ‘wat een onzin‘, leg het weer op tafel en ga door met mijn bezigheden. Nadat hij nog even de absolute relevantie van het briefje benadrukt, duikt zoon op zijn wiskundehuiswerk en op het oefenen van z’n opstel. Morgen dé toets der toetsen: opstel Duits. Ach, een ramp wordt ’t sowieso wel. Het briefje verdwijnt uit de aandacht. ’s Avonds voor het naar bed gaan, wil hij zijn rugzak inpakken. “Maham, waar heb jij mijn roze briefje nou gelaten?” Euh, ik? Huh? Geen idee joh, ik heb het gewoon weer op tafel gelegd. Niet waar. Wel waar. Echt, jij hebt het ergens in gestopt. Nietes. Enzovoort.

In z’n pyjama begint hij wanhopig te zoeken. Spichtig, op blote voeten, verontrust. Ik zie zijn ogen overal heen schieten. “De juf heeft gezegd dat dat briefje heeeeel belangrijk is en dat we het niet mogen verliezen. Dan krijgen we een minnetje… En dat als we het toch verliezen, we dan zelf maar moeten zien hoe we een nieuw briefje krijgen…” Ik hoor de wanhoop in zijn stem, zie tranen glinsteren. We zoeken overal. Zelfs in de vuilnis- en de oudpapierbak, hoewel ik zeker weet dat ik dat soort dingen echt niet zomaar achteloos weg gooi. De boeken, de schriften, de rugzak, de blocnotes, alles kijken we wel drie keer na. En nog een vierde keer. Uiteindelijk stuur ik zoon om een uur of negen toch maar naar bed (morgen om 6am weer op…) maar kan het niet loslaten. Ik schrijf een bericht aan de klassenlerares in het communicatieschriftje, over het feit dat het vooral echt mijn schuld is dat we het kwijt zijn en of ze hem alsjeblieft toch nog een keer zo’n roze briefje mee wil geven. Dat hij al zo ontzettend onzeker is en altijd alles goed wil doen en dan dit…

Daarna toch weer zoeken. Nog een keer álles nakijken. Boven gecheckt. Op de WC’s, in de badkamer. Nog een keer alle paperassen nakijken. En toch ook nog maar een keer de blocnote waar hij zijn oefenopstel in schreef. En verrek, daar gloort iets rozigs achterin. Jawel! BAM! Daar is het, dat verdraaide roze briefje. De vorige vijf keer blijkbaar niet gezien. Pfffffffffffffff… Gelukkig heb ik het bericht in het schrift met potlood geschreven en dus gum ik de boel minitieus weer uit. Daarna fluister ik m’n halfslapende zoon in zijn oor dat ik het gevonden heb. Zijn ogen gaan abrupt wijd open en hij slaakt een luide zucht van verlichting, om vervolgens echt in slaap te donderen.

Ik plof neer op de bank en vervloek grondig alle roze briefjes met sociale opdrachten.
Stomme dingen.

Zoet

Had je echt gedacht
dat het eeuwig stil zou blijven
dat alles altijd op jou wacht
en jij je bittere spot kunt drijven

Had je echt gedacht
dat je zomaar een gat kunt boren
in dat hart, zo week en zacht
en ’t nog steeds jou zal behoren

Had je echt gedacht
dat haat het zal kunnen winnen
dat je uiterlijk steeds weer lacht
toch verscheurd bent van binnen

Had je echt gedacht
dat jij er ook maar iets toe doet
terwijl jij enkel alles diep veracht
ach weet je, wraak is nooit zoet…

.

.

© Lou

zoek zoek zoek

Ik zoek en vind niet. Het is weg. Foetsie. Ik zoek al dagen. Weken. Maanden? Ik zoek in mijn achterste achterkamertjes, onder mijn zwevende vingers, achter mijn pijnlijke rug, tussen mijn dovemansoren. Het is er niet meer. Ik sta op een droogje, zoals blijkbaar zovelen met mij momenteel. Al een tijdje eigenlijk, heb al een maandje of wat geleden over mijn interne leegte bericht. Er is zoveel waar ik over zou kunnen schrijven. Er is ook veel wat ik wel opgeschreven heb maar wat op ‘Privé’ blijft staan omdat ik dat niet in de openbaarheid wil hebben. Blogs voor mezelf, over mezelf. Ze gaan over mijn eigen falen, mijn verdrieten, mijn verslavingen en mijn donkerste gedachtes. Opschrijven helpt nog steeds, maar gelezen hoeft het niet te worden. Misschien dat ik over een paar jaar denk: “ik ben er nu compleet overheen, nu kan ik terugblikken en eventueel mijn annalen van toen wel openbaren.” Maar die kans is klein.

Ik zit in een rare fase. Ik zoek naar mijn eigen leven. Zo voelt het. Ik was het leven even kwijt. Dat zei een dame namens Petra laatst in het TV-programma ‘Verslaafd’. Dat zinnetje trof me enorm. Ik herkende het. En nu ben ik zoekende. Van dat leven heb ik al wel weer een paar stukjes terug gevonden maar ik zoek nog steeds naar het grotere geheel en mijn eigen verstandige ik. Naar mijn gezondheid. Naar de essentie. Naar zin.

En ik ren mezelf voorbij als het gaat om houden van. Ik hou van veel mensen en ook van veel dingen. Maar van mezelf houden, dat kan ik niet goed. Nog steeds niet. Ik wil zelfs zo ver gaan om te zeggen dat ik mezelf bij tijden regelrecht mishandel. Of mishandeld heb, in ieder geval. Maar nu, nu mept mijn altijd zo braaf incasserende maar gekrenkte lichaam zomaar ineens terug. Mijn buik wil geen slecht voedsel meer. Mijn maag wil geen sloten koffie meer. Mijn lever wil geen alcohol meer. Mijn knieën willen mij niet meer dragen. Maar mijn hoofd wil het dat allemaal nog niet beseffen. Dus zoek ik.

Ik zoek ik…

En met al dat monotone gezoek ben ik momenteel mijn blogzin kwijt geraakt. Ik neem aan dat dat tijdelijk is. Het komt wel weer, dat weet ik zeker. Tot die tijd zoek ik maar gewoon een beetje verder.

Zoek, zoek, zoek…

Bucket List

Bij blogster Sandra de Koning – vd Pol stootte ik een tijd geleden al op haar opmerkelijke en vooral interessante Bucket List. Zo’n lijst met dingen die je ooit nog in je leven wilt doen voordat je de aardkloot eens van de binnenkant gaat bekijken (oftewel: ‘hit the bucket’ in het Engels). Geïnspireerd door Sandra voelde ik nu ook de behoefte om zelf eens zo’n lijst te maken. Waarom? Omdat je dan wat beter na gaat denken over wat je nog wilt in en van het leven. De grote dingen, maar ook de kleinere to-do’s. Er is zelfs een film namens ‘The Bucket List’ die hierover gaat, misschien moet ik die eerst maar eens kijken. Ter inspiratie. Een levenswensenlijst. Een dingen-die-ik-echt-nog-gedaan-moet-hebben-voordat-ik-de-pijp-uit-ga-lijst dus. Oh en ik weet het hoor, het klinkt als een actie voor een rasechte midlife crisislijder, maar geef toe:  het is wél leuk om na te denken over je eigen grote (en minder grote) wensen en things to do.

Er zijn een hele hoop dingen die ik al gedaan heb: kinderen krijgen (wel twee), in het buitenland werken (vele malen, zelfs een keer meer dan een jaar lang in Zwitserland), naar Israël reizen (gedaan voor mijn scriptieonderzoek), naar Australië (op mijn 16e, naar de World Jamboree), Tina Turner met Kim Wilde in één kapsel verenigen, trouwen (pas één keer gedaan maar dat loopt tot nu toe dan ook nog steeds redelijk tot goed), studeren (ook maar liefst twee keer), mijn klasgenoten van de lagere school weer zien (afgelopen zomer, na 30 jaar, hadden we daadwerkelijk een reünie!), zweefvliegen (vorig jaar april, wat een ervaring – valt hier te lezen: “I believe I can fly“), emigreren (been there, done that: weliswaar binnen Europa, maar toch), mijn duikbrevet halen (heb ik in 2000 gedaan, sindsdien nooit meer gedoken 😦 ) en nog een hoop dingen die me nu even zo snel niet te binnen schieten.

En er zijn dingen die ik weliswaar heel graag wil doen maar die echt nooit (meer) iets zullen worden, zoals een keer naar de maan vliegen (in het echie dan hè, niet figuurlijk, maar ik kan me niet voorstellen dat dat in mijn leven nog iets gaat worden), een marathon rennen (of dan tenminste een halve. Dat wil ik al heeeeeel lang, ik heb tijden lang hard gelopen, tot 10km, maar elke keer brak het me op en gingen mijn knieën verder achteruit. Nu is dat met mijn volledig kapotte knieën daadwerkelijk een utopie geworden: ik mag niet meer hardlopen van de dokter) en ik zou ook zo graag de puinzooi in Fukushima opruimen en repareren voordat we er allemaal aan creperen, maar ook dat ligt niet in mijn vermogen helaas. Daarom doe ik maar alsof de wereld nog even doordraait én ook minstens nog een paar jaar bewoonbaar blijft en denk na over de dingen die ik nog eens zou willen doen. Ik spreek met opzet niet over wat ik zou willen hebben (een Galaxy Tab 3, een Wii, een Porsche 911 cabrio… ), dat is materialistisch en volledig zinloos want als je het eenmaal hebt, wil je toch weer wat anders. Als je dingen uiteindelijk daadwerkelijk gedaan hebt, kan het hooguit zijn dat je het nóg een keer wilt doen, en dat is dan een terechte wens in mijn ogen. Ik heb er trouwens vanzelfsprekend een hoop ‘klassiekers’ en clichés bij zitten, dat krijg je nu eenmaal als je na gaat denken over dit soort dingen.

Bij deze.
In random order.

1. mijn kinderen als gelukkige c.q. met hun leven tevredene volwassenen ervaren (duurt nog een tijdje voordat ik deze af kan strepen, ik weet ‘t, maar het is een belangrijke).
2. naar Nieuw-Zeeland reizen (daar zijn mijn paps en mams namelijk op dit moment en nu wil ik, verwend nest, daar ook een keer heen)
3. letterlijk op de kast zitten (en dan op zo’n grote ouwe, houten linnenkast. Eerste vereiste daarvoor is wel bucket list item nr. 4…)
4. nog één keer een volledig normaal postuur hebben (niet reteslank, gewoon een ‘gezond BMI’. Wordt aan gewerkt, voor de tigste keer. En ja ik weet ‘t, ik ben goed zoals ik ben, maar ik wil het tóch)  en dan ook houden natuurlijk… (maar ik streep ‘m af als ik ‘normaal’ ben. Nog 20 kilo to go…)
5. koffieleuten met FB-vriendin I.
6. parachute springen (ehm, een tandemsprong dan hè, ik wil daarna nog verdere punten van mijn bucket list weg kunnen strepen en met mijn knieën krijg ik zelfstandig vast geen normale landing voor elkaar :-/ ).
7. op bezoek bij FB- en blog-vriendin N.
8. kamperen met de kinderen (we hebben al jaren álles in huis om te kamperen, alleen doen we het niet…)
9. met dames-midlife-crisis-vakantie in een luxe resort met vriendinnen H. en H.
10. een keer in elk werelddeel geweest zijn (Europa, Australië, Azië (Israel/Bombay/SingaporeTokyo), Noord-Amerika (USA) en Afrika (Egypte) kan ik afhaken. Zuid-Amerika en Antarctica to go…)
11. een stedentrip Moskou (liefst met vriendin C.)
12. sushi eten met vriendin K. (my treat hè 🙂 )
13. mijn 9120-stukjes puzzel – de toren van Babel van Breughel – leggen (en ook afmaken)
14. nog een keer naar een P!NK-concert (een ‘moetje’; ik móet haar nog een keer zien, mijn absolute idoolvrouw)
15. een buitenmuur vol (mooie!!) graffiti sprayen (eerst een cursus doen dan)
16. een bestaand record breken (lokaal, nationaal, wereldwijd, whatever)
17. een eigen schilderij voor meer dan €200 verkopen (tot nu toe heb ik ze enkel succesvol weg kunnen geven)
18. een boek schrijven (oww mén, hoe cliché… maar ik denk dat dat er nog wel een keer van gaat komen). Oh, én uitgeven. Dat ook.
19. mijn onzekerheid voor de volle 100% killen (kan ik dat…, durf ik dat…, en dan…)
20. nog een keer met Christie naar een Bon Jovi-concert
21. een kleine tattoo laten zetten (sorry, sorry mams… ik weet dat jij dat hé-le-maal niks en echt vreselijk vindt, maar ik wil het echt heel graag en ik ben nu eenmaal een volwassen deerne en en en… en je zult er niet veel van zien, beloofd) (durf ik dit te zeggen…) (oei…)
22. professionele zangles nemen (uhm, beter gezegd: krijgen – ik sta op de wachtlijst…) en dan ooit een keer voor publiek zingen (soooooo scary)
23. goed kunnen drummen (tot nu toe is dat bij Kinderkram  en op liedjes meerammen gebleven)
24. … en mijn gitaar weer enigszins acceptabel kunnen bespelen (oefenen, oefenen, oefenen)
25. een helikoptervlucht maken (lijkt me waaaaanzinnig)
26. een keer diepzeeduiken (het diepste tot nu toe was 25m, ik wil minstens naar de 50m)
27. mijn ouders spontaan verrassen
28. Spaans leren (ooit een paar jaar Spaans op de HEAO gehad, maar daar is verrekte weinig van blijven hangen)
29. naar Stonehenge en daar rond dansen in mijn zelf op de grond getekende triquetra
30. mijn huis uitmesten (en wel: de keukenkruidenla, de apothekerskast in de keuken, de medicijnkast in de badkamer, de berging, de zolder, mijn klerenkast en de kelderkasten – kan ik dan per item afstrepen)
31. het speelgoed van de kinderen (grotendeels) verkopen (maar dat mag nu dus nog niet.  Eeeeeven wachten nog…)
32. succesvol ‘vergeten groenten’ telen in de tuin (Ik heb al pogingen gedaan, maar die zijn nog niet echt wat geworden)
33. de fotoalbums van de jaren 2010 t/m 2013 samenstellen en af laten drukken
34. alle niet digitale foto-, kaarten- en herinneringsspul (hele ikea-bak vol) ordenen en inplakken
35. tachtig baantjes van 25m in één uur kunnen zwemmen (borstcrawl). Nou ja, ik ben met zestig ook tevreden (ik heb de 50 al gehaald) maar ‘twee kilometer’ klinkt zo mooi…
36. een relevante ontdekking doen (voor wie dat dan relevant is, dat beoordeel ik t.z.t. zelf)
37. een eigen (liefst internetgebaseerd) business idee uitwerken en realiseren (ik geef ’t toe, ik ben mijn huidige business behoorlijk zat, geen uitdaging meer)
38. zonder angst mijn (eh… ‘een’) smartphone rooten
39. een volledig eigen schilderstijl ontwikkelen (tot nu toe schilder ik vanalles en nogwat, van portretten tot nageschilderde dingen, van muurschilderingen tot zentangles, maar er zit absoluut geen lijn in)
40. bij een (pop)koor zingen
41. een armband van zelf gedraaide glaskralen maken (al eens een cursus gedaan, zulk prachtig werk…)
42. in een discussie/onenigheid met mijn man ooit eens een keer gelijk hebben (dat moet toch een keer lukken??)
43. met de kinderen naar Eurodisney Parijs (en dan ook een paar dagen in Parijs blijven) (man mag ook mee trouwens)
44. met mijn zus een superdooper luxe wellness-weekendje doen
45. nog een keer succesvol triops kweken (een hobby die weliswaar in meerdere aquaria ontaard is, maar de triops zijn er bij ten onder gegaan)
46. het aantal interne persoonlijkheden reduceren tot drie (well, who am I gonna kill…)
47. mijn bootring-hartenketting repareren en voorzien van het hartje dat ik van zoon gekregen heb
48. met mijn Dremel-dinges een paasei-kunstwerk maken
49. de komeet Ison in december dit jaar voorbij zien vliegen (moet heel spectaculair gaan zijn, zo fel als de volle maan).
50. de nu nog zwarte salontafels bordeauxrood spuiten
51. een nieuwe bank in de woonkamer kopen
52. van mijn in Italie verzamelde mini-schelpjes een mooie ketting of armband maken
53. mijn bucket list updaten en met meer realistische dingen aanvullen (makes it a neverending story 😛 )

Ik vind ’t voor nu wel genoeg. Nee nee, een cursus kunstgeschiedenis zit er niet bij. Ik vond Spaans wel voldoende voor deze middenlevenscrisis. En dan heb ik natuurlijk nog enkele dingen die ik niet in het openbaar neer kan en wil zetten hè, maar die -eh- ‘donkerzwarte’ levenswensen blijven toch echt bij mij en bij mij alleen 😛 (Nee, echt, sorry, smeken helpt ook niet). De lijst is dus ook niet eindig (zie punt 53); er komen vast nog een hoop nieuwe list items bij en ooit zal ik er misschien wel een paar weg kunnen strepen. Maar het is me nu in ieder geval duidelijk geworden dat ik nog heeeeeel lang moet leven, zo lang dat ik nu nog geen midlife crisis kán hebben omdat ik nog niet op ’t midden kan zijn als ik ook echt alles wil doen wat ik blijkbaar nog wil doen.

Hatsjikideeeee!

Niksig

Zaterdagnacht. niksig
Kort voor twaalven.
En ik, ik voel me niksig.
Ach wat nou, niksig.
Nou gewoon… Als niks.
Wat kan ik nou.
Wat bén ik nou.
Wie vraag ik al niet eens meer.

De dingen die ik zou willen veranderen, blijven eeuwig hetzelfde.
De dingen die ik zou willen doen, blijven een utopie.
De dingen die ik zou willen repareren, blijven gebroken.
Dat wat ik zo graag wil, blijft altijd buiten mijn bereik.
De dingen die me grote zorgen baren, escaleren vanzelf.

Het is zinloos.
Ik ben machteloos.
Dus voel ik me niksig.
En ga maar slapen.
Morgen een nieuwe
dag waarop alles
wéér anders blijft.

Miljarden aardachtige planeten in ons melkwegstelsel, hmm?
Ik hoop dat ze er daar wat beters van bakken dan wij hier…

Boekrecensie Crossfire

Boekrecensie: “Crossfire 1 – Verslaafd aan jou” van Sylvia Day
door: Louise Larndorfer-Bartels

Het eerste boek van een trilogie, die opvallend veel aan ‘Fifty Shades of Grey” doet denken. Ero-literatuur is hip tegenwoordig, dus dit moet ook geproefd worden.

Eva Tramell is een beeldschone, net afgestudeerde twintiger die aan haar eerste baantje bij een reclamebureau in New York begint. Op haar eerste werkdag botst ze in de lobby van het gigantische Crossfire-gebouw waar ze werkt gelijk tegen Gideon Cross, de eigenaar van het imposante bouwwerk, op. Cross is blijkt een nogal vurige man te zijn. Hij is machtig, extreem attractief en heel erg dominant. Eva voelt zich meteen magisch tot hem aangetrokken maar merkt (vanzelfsprekend) instinctief, dat ze beter uit zijn buurt zou moeten blijven. De pech is: hij wil haar blijkbaar ook:  voor de volle honderd procent en enkel onder zijn voorwaarden. Eva kan niet anders dan toegeven aan haar verlangens en samen ontdekken ze hun donkerste hartstocht, hun geheime fantasieën en hun verknipte misbruikverleden.

Het verhaal gaat absoluut gelijk op met het veelgeroemde als ook verguisde Fifty Shades of Grey: een relatief onschuldig meiske dat in de seksbeluste klauwen van een steenrijke, machtsbeluste tycoon geraakt. Met het verschil dat Fifty Shades meer richting BDSM gaat en het in dit boek meer rechttoe rechtaan seks betreft. Maar er is nog een groter verschil: de romans van Sylvia Day zijn leesbaar. Ik ben destijds begonnen in het eerste deel van Fifty Shades maar ben na hoofdstuk negen afgehaakt. Ik kon het “Oh my” en “don’t bite your lip!” simpelweg niet meer zien. Amateuristisch geschreven, plat, saai. ‘Verslaafd aan jou’ heb ik redelijk snel uitgelezen, de schrijfstijl en het verhaal zelf maken het goed te doen, al lees ik niet graag vertalingen als ik het origineel ook kan begrijpen. De vertaling van Groot en De Groot is acceptabel maar niet overweldigend goed. Bovendien klinken sommige dingen in het Engels tien keer beter en sexyer dan in het Nederlands, dat staat als een paal boven ‘nattigheid’.

Het boek komt redelijk snel ter zake en tot dé ontmoeting: op pagina 11 valt Eva al voor Cross’ voeten en is meteen sprakeloos. Toch duurt het nog tot pagina 81 voordat er echt wat gebeurt. Meteen ook de uiterst discrete vraag van Cross: “Je bent [,,,] zo gretig. Hoe lang is het geleden dat jij geneukt bent?” en dat terwijl enkel Eva degene is die in eerste instantie ‘bediend’ wordt met vingers en tong. Niks neuken. Ik vind dat trouwens zo’n verschrikkelijk onerotisch woord dat ik er, elke keer dat ik het weer lees, onaangenaam door afkoel. Maar goed. Er volgen een aantal  jaloerse intermezzo’s en confrontaties met exen en groupies van Cross voordat het in de limousine uiteindelijk tot de lang verwachte, allereerste wederzijdse climax komt. Zinnen als “hij is zo groot”, “wat zuig je me goed” en “je bent zo nat/lekker/strak” worden goedgemaakt door wat meer epische omschrijvingen als “Ik golfde om hem heen, persend, trillend op het randje van een orgasme.”

Ondanks dat het lijkt alsof Cross eigenlijk geen sociale omgang wenst met de vrouwen die hij daadwerkelijk penetreert, komen er dan toch steeds meer romantische tussenwerpsels. Enorme bossen thuisbezorgde rode rozen met ‘Ik denk aan je’-kaartjes en uitspraken als “Jezus, Eva. Elke dag sinds ik je heb ontmoet heb ik mijn mond op je kut gewild.” Pure romantiek dus. Jezus, Christus en God komen sowieso erg vaak om de hoek kijken, trouwens. Je moet ervan houden.

Aan seks in ieder geval geen gebrek, wat natuurlijk ook niemand verwacht had. Maar na verloop van tijd lees je toch redelijk nuchter en vluchtig over banale zinnen als “De eerste straal sperma was zo dik dat ik hem nauwelijks kon doorslikken” heen. Ik ben waarschijnlijk geen goed publiek voor eropornoboeken…

Samengevat: Een aardig geschreven, onderhoudende, erotisch-pornografische roman met hier en daar een schrijffoutje (bijv. “…en toen ging de deur werd dicht” – p234), veel harde, hijgende, pulserende seks, bergen jaloezie en bezitterigheid, een mespuntje romantiek en een horde verknipte personen. Op naar boek twee.

Auteur: Sylvia Day
Titel: Verslaafd aan jou
Oorspronkelijke titel: Bared to you
Paperback, 320 pagina’s, 7e druk, augustus 2013
Uitgever: A.W. Bruna Uitgevers, Utrecht 2012
Taal: Nederlands (vertaling: Marike Groot en Ineke de Groot)
ISBN10: 9400502389
ISBN13: 9789400502383
Prijs:  € 15,00

Recensie geschreven in opdracht van Verboden Voor Mannen

Laatste

De laatste dag uitbundig vieren.
De laatste slechte tafelmanieren.

Het laatste tij teneinde keren.
De laatste shot diep inhaleren.

De laatste keer alles verdoven.
De laatste zucht aan jou beloven.

Het laatste glas té leeg drinken.
Het laatste wolkje laten bezinken.

De laatste hap donkerbruin brood.
Morgen gaat mijn oude ik weer eens dood.

.
You wait and see…

.

.

© Lou

All Hallow’s Eve

Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik een gruwelijke hekel aan Halloween heb. Ik heb helemaal niets tegen zombies, heksen, vampieren en andere donkere figuren. Integendeel. En als quasi-möchtegern-heks heb ik ook absoluut geen hekel aan All Hallow’s Eve als zodanig. Mijn aversie richt zich vooral, op het vercommercialiseren van al die ‘dagen’, de opgelegde consumptiedwang, op het verkleed  het langs de deuren te gaan om om snoep te bedelen, als zijnde weer zo’n liefchristelijke traditie. Thanks but no thanks.

Halloween stamt uit de tijd van de Kelten. Een voorchristelijk en eigenlijk heidens ritueel om de wederopstanding der geesten te vieren. Het is de avond (“Eve”) voor Allerheiligen (“All Hallows”) en aangezien de Ieren alles aan elkaar brabbelen, werd All Hallow’s Eve(ning) verbasterd naar Hallow-e’en.

Even Wikipedia citeren (is wat makkelijker dan zelf onherkenbaar herschrijven):
“In de Keltische kalender begon het jaar op 1 november, dus 31 oktober was oudejaarsavond. De oogst was binnen, het zaaigoed voor het volgende jaar lag klaar en dus was er even tijd voor een vrije dag, het Keltische Nieuwjaar of Samhain (uitspraak Saun, het Ierse woord voor de maand november). Samhain was ook nog om een andere reden zeer bijzonder. De Kelten geloofden namelijk dat op die dag de geesten van alle gestorvenen van het afgelopen jaar terug kwamen om te proberen een levend lichaam in bezit te nemen voor het komende jaar. Op het eiland Groot-Brittannië werd Halloween vooral door de Kelten gevierd. De geesten die uit dode mensen op zouden rijzen, werden aangetrokken door voedsel voor hen neer te leggen voor de deuren. Om echter de boze geesten af te weren droegen de Kelten maskers.”

Natuurlijk kon de katholieke kerk dit heidense gebruik niet verkroppen en moest zich erin mengen. Vervolgens gingen een hoop Christenen op twee november (Allerzielen dus) in lompen de straat op om om brood met krenten (zogenaamde zielencake) te bedelen, in ruil voor een gebedje voor dode familie van de gulle gever om de weg van die geliefde familieleden door de hel wat te vergemakkelijken zodat ze sneller in de hemel zouden komen. Dat gebruik was vervolgens weer mooi te combineren met die maskers en hopsakee, Halloween was ineens een kerkse traditie. Allemaal weer blij.

Toen sleepten de katholieke Ieren (en Schotten) hun heidens-christelijke gebruik op de boot mee naar Amerika, waar de boel uit- en omgebouwd werd naar wat het nu is: een overtrokken leur- en bedelfeest. En aangezien wij blijkbaar nog steeds maar al te graag alles van Amerika kopiëren, wordt ook deze “traditie” hier nu met beide kinderhandjes aangegrepen om je te beschilderen en in het zwart met een hoed of een litteken op je wang om “Süßes oder Saures” of “trick or treat” te bedelen.

Wat mij dus ook een doorn in het oog is, is dat men hier eigenlijk Allerzielen (de herdenking van de doden, of liever gezegd: het feest van het bidden voor degenen die in het hellevuur branden, jaja…) op Allerheiligen (de herdenking van de gemeenschap der heiligen, een feest dat in 835 al werd ingevoerd door Louis Le Pieux, ofwel Ludwig “de Vrome”) viert. Niet omdat ik nou zoveel heb met die heiligen, maar het is wéér zo’n dingetje van de katholieke kerk. Eén november is ten eerste makkelijker te onthouden dan twee november. Dat voor alle suffies onder ons. En een mooiere dag voor een katholieke feestdag dus, zo direct grenzend aan dat heidense gebruik (foei). Daarnaast werd op die dag werd er door Paus Gregor III ooit één of andere kapel in de Sint-Pieters-Dom officieel ingewijd en vanaf toen begon men alvast op één november met het doden herdenken en groeide één november uit tot dé feestdag, i.p.v. twee november.

triquetraMoeten ze fijn doen. Maar niet op mijn verjaardag. Toevallig. Waarom moet ik nou exact op één november naar de kerk en het kerkhof om doden te herdenken? Ik herdenk de mensen die ik wil herdenken op de tijdstippen dat ík daar behoefte aan heb. Niet op een voorgeschreven dag, tijd of plaats. En ik wil niet de dag ervoor als herrezen zombie of halfdood skelet om snoepjes bedelen om de volgende dag vroom op een kerkhof te gaan staan ‘herdenken’. Ik ga liever een rondje dansen in mijn met kaarsen omringde triquetra.

Val dood met je Halloween.

Fictie

Lieve en uiterst gewaardeerde lezers,

Even een berichtje aan jullie. Opnieuw een blogje ter verduidelijking. Zoals u vast al gemerkt heeft, schrijf ik een hele hoop. Van dagelijkse onzinnigheden tot gedichten, over gebeurtenissen en over mezelf, van frustratie tot verdriet. En éigenlijk schrijf ik ook heel graag fictieve dingen. Tot nu toe hield ik me in wat fictie betreft, vooral omdat op elk fictief stuk of gedicht wat ik tot nu toe schreef, geschrokken of verontruste reacties kwamen: mensen die over het hoofd zien dat het fictie is en denken dat ik nu psychisch volledig in de kreukels lig, dat mijn relatie cq. huwelijk ten einde is, dat ik er minstens achtendertig lovers op na houd, dat ik mezelf wat aan doe of weet ik veel wat nog niet meer.

Ik heb al vaker een blogje als dit geschreven (‘Mind the tag’ heette dat geloof ik, u mag zoeken), ter geruststelling of ter uitleg. Ik kan u verzekeren, dat ik zo dermate gestoord ben, dat ik veel, héél veel uit mijn duim kan zuigen. Hoe verzint een schrijver een roman? Hoe schreef J.K. Rowling die zeven Harry Potter-boeken? Hoe verzint Stephen King zijn horrorverhalen? Waar kwamen die vijftig tinten grijs vandaan?? Een rijke fantasie en een sick mind. Het blog hiervoor heeft bijvoorbeeld werkelijk NIETS met mij te maken. Ik pikte ergens in de dieptes van het internet een oude schrijfopdracht op. Een 400 woorden-verhaaltje. Mijn huwelijk is nog prima in orde (voor zover ik weet). Mijn man hééft geen halfzusje. Of hij een buitenechtelijke relatie heeft, weet ik niet, maar in ieder geval merk ik er dan niks van. Hij merkt van de mijne natuurlijk ook niks… (BOEHHH!! GEINTJE!!!! ECHT HÈ!!!) (Hij merkt het wel) (WAHHH, ALWEER ZO’N GEINTJE!! 😉 ).

OK, genoeg gedold. Mijn vraag aan jullie: Iemand een suggestie hoe ik mijn blog beter kan “markeren”? Ik wil alles wat fictief is, in ieder geval vanaf nu in een andere kleur posten (zoals vandaag het geval was, maar ik ga alle voorgaande fictieve dingen niet alsnog in een andere kleur zetten, no way), maar voor zover ik weet, zie je dat bij het lezen op de telefoon dus niet. Daar blijft de tekst gewoon zwart… Net als de tags, die zijn op de telefoon in eerste instantie ook niet te zien. Dan kan ik taggen en markeren wat ik wil, de foonlezers blijven zich lens schrikken. En om nu boven elk blog eerst een uitgebreide uitleg te gaan typen, dat vind ik nou ook zowat…

Voor het geval ik geen adequate oplossing vind, moet u zich er maar bij neerleggen, dat u ook in de toekomst af en toe een shock te verduren krijgt. Mocht u zich werkelijk ernstige zorgen maken, vraag dan. Of laat een comment achter, dan zal ik o.h.a. wel zo snel mogelijk uitleg geven. Vooralsnog moet u er maar gewoon vanuit gaan dat ik een sick mind heb. En dat afgezien van die mind alles in orde is. Deal?

Dream on…

Ik vroeg je wat er nou werkelijk mis was maar je antwoordde niet. Je keek me heel even intens aan en toen weer wezenloos naar buiten.

Een minuut of wat later zei je me, nog steeds naar buiten starend: “Lieverd, dat kán ik niet zeggen. Dat zou ons huwelijk abrupt om zeep helpen.” Gedachteloos meestarend informeerde ik je dat ik wat kortstondige, betekenisloze seks buiten de deur echt wel zou kunnen verkroppen. Things like that happen. Dat weet ik wel. Ja, ik weet dat echt. Maar je keek de andere kant alweer op, alsof het allemaal al veel te laat was. En nog veel later…

Uit pure wanhoop draaide ik om je nietsziende blik heen en probeerde je ogen te vangen.
“Wie is het dan? Waarom een ander? Wat was er dan zo mis? En waarom zijn ‘wij’ niet meer te repareren?”
“Lieverd… dat heb ik helemaal niet gezegd. ‘Wij’ zijn er nog steeds. En ik hou ook nog van je. Maar er miste iets. De geestelijke verbondenheid, denk ik. Die heb ik met mijn halfzusje wel…”

“Je halfzusje???”, schreeuwde ik. “Sinds wanneer heb jij een halfzusje? En sinds wanneer DOE jij het met een halfzusje???” Je draaide weer weg. De onbereikbaarheid werd groter.

Uiteindelijk knapte je. Gaf je toe. Natuurlijk was het niet zoals het zou moeten zijn, het was niet eens zoals het zou mógen zijn. Maar het gaf je alles wat je naast mij nog nodig had. De geborgenheid, de passie, de waardering, het respect. Alsof ik geen respect had. Dat stak. Diep.
“We hebben samen een klein appartementje in Losdorp. Daar ben ik regelmatig. Overdag tussen het werk door. Als ik ga fietsen. En tijdens de voetbal ook. Ze is mijn andere jou…”

Ik kreeg er geen woord meer uit. Flabbergasted. Maar je stopte niet.
“Zij betekent alles voor me. Ik heb haar pas een paar jaar geleden teruggevonden.”
Een paar jaar? EEN PAAR JAAR?? Hoe lang was dit dan al aan de gang dan… Je ging maar door.
“Het doet er niet eens toe. Ik heb jou. Ik houd jou. Ik wil jou. Ik blijf bij jou. En natuurlijk bij de kinderen. Maar ik wil haar erbij. Dan heb ik eindelijk alles wat ik nodig heb.”

En ergens…
ergens heel diep,
kon ik dat volledig begrijpen.
Dat was het meest verontrustende…

Vannacht droomde ik.

En jij lag rustig,
onschuldig,
onwetend,
gewetenloos,
naast me
te snurken.

.

.

400 word story.
FICTIEF!!

Steekwoord: Bedrog zijn dromen.

doodgehoaxt

Als je iemand tien jaar geleden zou zeggen dat er at this very moment een persoon doodgehoaxt wordt, dan zou diegene waarschijnlijk de eerste de beste kliniek voor geestesgestoorden bellen om te vragen of ze nog een plekje voor je vrij hebben. Goed, Lou Reed blijkt dan vandaag echt overleden te zijn, wat op zich weer níet goed en zelfs een groot verlies voor de muzikale wereld is, maar de hoaxdood van Mel Gibson (“auto-ongeluk in Australië”) hakte er bij mij toch even in. En als ik live mee had gekregen dat Johnny Depp in 2010 ook al een keer voor hartstikke dood verklaard is geweest, had me dat ook niet koud gelaten. Hoe naïef kun je zijn… Wat kun je nog geloven vandaag de dag??

hoax2Het is niks nieuws, die doodshoaxes. Dat niet. In 1969 was er al een wereldberoemde death hoax: “Paul is dead”. Paul McCartney zou dood zijn – een verhaal dat door een paar Amerikaanse studenten in de wereld werd gezet – maar was dat dus niet. McCartney zou al in 1966 eveneens bij een auto-ongeluk om het leven zijn gekomen en heimelijk vervangen door een look-alike. Het verhaal werd groot. Heel groot. En probeer dan maar eens te bewijzen, dat jij echt niet dood bent en écht je levende zelf bent… Zelfs na de tweede wereldoorlog ontstonden er al hoaxes over de dood van bijvoorbeeld Frank Sinatra en Charlie Chaplin. So what’s new…

Wat er nieuw is, is de verspreidingssnelheid van dat nieuws. Toen duurde het nog een halve eeuwigheid voordat zulk nieuws bij het onderste volk aan kwam. Nu duurt dat een paar seconden. Social media to the max. Je schreeuwt iets in de ruimte en men deelt het. Zo ook de dood van celebs. Wat is er mooier dan een shocking nhoaxieuwtje en duizenden clicks, likes en shares… Even de aansteker van facebook en twitter eronder en whammoooooo, dood ben je.

Helaas Lou, voor jou was de hoax er slechts eentje dat je nog niet dood was.

Another Lou has left us.
It’s no longer such a Perfect Day…

hij, van mij

vandaag alweer elf jaar geleden. Rond half acht ‘s-avonds… Zo gaat dat met moeders. Die denken daaraan, elk jaar opnieuw. Vandaag precies elf jaar geleden om die tijd keek ik verveeld naar een voetbalwedstrijd. AC Milaan tegen FC Bayern, Champions League. Jaja, ik weet ’t nog. Bayern verloor. Tuurlijk weet ik dat nog. Voetbal is niet goed voor vruchtvliezen. Daar breken ze namelijk van. Wel dik drie weken te vroeg.

Krap anderhalve meter knul ligt nu boven in bed, mompelde daarstraks iets van “alweer zo’n vette shitdag”… Inmiddels weet hij dat het geen fuckyoudag is maar gewoon een shitdag. Of een Scheißtag. En zo leer je er elke dag iets essentieels bij. Dus niet: “How was your day?” en dan antwoorden: “fuck you”, maar gewoon “shit”. Klaar.  Je mag dan fuck you leren van P!NK maar “I’ve had a shit day” komt toevallig ook uit haar mond 🙂

Terug naar die essentials. Elf jaar geleden. Who cares about FC Bayern. Waar was dat verrekte ziekenhuis ook alweer… De weeën begonnen en hielden niet meer op. Weeënpauzes? Doorpuffen? Een paar minuten bijkomen? Ach, wat een mooie sprookjes. Het zat er niet in. In de kliniek zag men mij worstelen. Om een uur of half twaalf was ik op. Vier uur lang één constante wee zonder enig moment van pauze wegpuffen, ik kon het niet meer en smeekte om hulp. De zuurstofwaardes van de kleine en van mij daalden met de minuut. Op de één of andere manier heb ik een handtekening gekrabbeld op een papiertje. Daarmee kreeg ik een ruggeprik die ze er wonderbaarlijk genoeg na slechts drie keer mis prikken (wat wil je ook met een vrouw die geen kromme rug kan maken vanwege een al te langdurige wee) al in kregen. En ineens kon ik weer ademen… Wat een zegen.

Maar ik voelde dan ook niks meer. Ineens was ’t “PERSEN MEVROUW!!” Huh? Persen? Nu al? Okee dan… “STOPPEN MEVROUW!!!” Hij zat klem. Met zijn hoofd op het ongunstigste punt moest ik me ineens inhouden want hij lag verkeerd. Er werd wat gewroet en ik mocht weer. Lang leve de bekkenbodemspieren die ik wekenlang getraind heb, lang leve de Epi-No die ervoor zorgde dat er niks ernstig scheurde (googelt u zelf maar). Maar het hoofdje van zoon zag er na de bevalling uit als die van een rasechte Conehead met een behoorlijke deuk rondom, ca. twee cm boven zijn wenkbrauwen.

Ik schrok. Ik had ‘m werkelijk finaal de vernieling in gedrukt… Mijn manneke hing slap op de arm. Huilde niet. Neusje en keel werden leeg gezogen. Geen resultaat. Een tik van de zuster op zijn billen hielp wel maar ik kromp ineen… Hij werd weggebracht, naar de couveuse. Ik werd genaaid. Letterlijk. Man stond in een hoek en keek naar de gruwelen die zich voor zijn ogen voltrokken. Na wat gevechten en dreigementen had ik mijn kind na uren wachten eindelijk dan toch bij me. Een flesje melk met glucose zat er al in, ook al had ik uitdrukkelijk aangegeven dat ik dat NIET wilde…

En nu, nu vraag ik me steeds opnieuw af… dat geboortetrauma, zijn verdrukte hersentjes… in hoeverre zien wij daar nu de gevolgen van… Je mag het je niet afvragen, het is ook zo zinloos als een zak veren, maar toch doe ik het. Heb ik destijds iets fout gedaan… komt het door mij? Mijn mooie jongen lijdt. Geheugenopslagstoornis, dyslectie, attention deficits, angsten, black-outs. Waarom…

Maar hij, hij is van mij. En ik zal alles geven en alles doen om hem gelukkig te maken én gelukkig te houden. Iemand die zo liefdevol is, zó goudeerlijk en zulk doorzettingsvermogen heeft, mag niet afglijden. Zo iemand is de mooiste mens op deze wereld. En die mens is van mij. Ik heb hem gemaakt. Ik heb hem dat leven gegeven en ik ga er álles wat in mijn vermogen ligt aan doen om ervoor te zorgen dat dat een fijn leven wordt.

Morgen, lieve schat, morgen TenIk
word jij werkelijk alweer elf…
En morgen ben je ook nog steeds
je eigen speciale, lieve zelf.
Weet, mijn prachtige knul, dat ik
je altijd onder mijn liefde bedelf.
Ik ben en blijf jouw eeuwig
beschermend koepelgewelf.

gevalletje meteen

klungelknieNet terug van het ziekenhuis. Ik had weer een afspraak voor mijn klungelknietje en met de foto’s van de MR-scan onder de arm wandelde ik dus bij de orthopedie naar binnen. Meneer de dokter bestudeerde de beelden en keek toen onderzoekend naar mij. “… En u kunt nog gewoon lopen?!?” klonk het ietwat verbaasd. Ehh, nou, ja hoor. Ik loop prima op dit moment, ik heb toevallig een ‘goede fase’. Tuurlijk, de boel doet pijn maar dat doet het altijd en uiteindelijk wen je daar ook aan hè. Ik heb gisteren nog tweeëndertig baantjes getrokken in ’t zwembad. Da’s wel achthonderd meter, in een goed half uur. En ’s avonds nog de laatste voetbaltraining met de minikiddo’s doorstaan.

In ieder geval ben ik dus nog steeds redelijk mobiel en daarover verwonderde zich de goede man duidelijk. Hij mompelde in zijn dictafoonding: “Korbhenkelriss, Riss des inneren Kniebandes, Knochenschäden, Chondropathie dritten Grades, bladiebladiebla…. Operation erforderlich. Akuter Fall” Dát had ik dus begrepen. De vraag was: wat voor operatie? Tot mijn grote opluchting slechts een arthroscopie. Ikke blij! En maar twee weken uit de running (letterlijk). Men wil mijn knie nog zo lang mogelijk in mij voort laten bestaan. Een nobel streven. Als die pijn maar weg is, vind ik alles best.

De operatiedatum werd in overleg met de assistente meteen vastgelegd: volgende week donderdag. Zo gaat dat hier: je hebt niks in te brengen, je krijgt gewoon een afspraak, take it or leave it. Tja euhh, sorry maar dan kan ik helaas écht niet…. “OK, wanneer dan? Dit is namelijk wel “ein Fall für ‘Sofort'” [“een gevalletje ‘Meteen'”, vrij vertaald] dus wel zo snel mogelijk a.u.b.” Het lijkt wel of zijn knie door mij geopereerd moet worden i.p.v. andersom. De donderdag erop wordt democratisch vastgelegd. Jemig, wat snel… ik voel me niet als een spoedgeval maar 7 november snijden ze voor de zoveelste keer mijn rechterknie open. Ik hoop met heel mijn hart dat ie ’t daarna dan toch weer een tijdje pijnvrij doet.

Here we go again…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.