Huilhaar

bron: eigen foto (LB)

Voor de LINDA worden blijkbaar vrouwen gezocht die stevig balen van hun haar. Vrouwen die elke ochtend wanhopig een traan wegpinken als ze voor de spiegel staan en naar hun natuurlijke hoofdbedekking staren. Die met geen mogelijkheid ook maar enig fatsoen in hun vlaskapsel weten te brengen. Of die praktisch kaal zijn (waarbij ik dan denk: die balen toch niet van hun haar? Die balen van géén haar!). En die vrouwen zijn ogenschijnlijk nérgens te vinden!

Wel, IK baal! Want ik heb huilhaar. Héél dun, slierterig, altijd in de knoop, eeuwig piekerig. Hoe vaak ik het ook bij laat knippen. En  aalglad is ’t ook: geen land mee te bezeilen. Mijn haar is zo ongeveer het enige aan mij wat iel en dun is, dus het steekt ook nog eens extra af tegen de rest van mij.

Als ik mijn haar ‘in model’ föhn, is het uiterlijk na een half uur weer modelletje verzopen-cavia-in-een-bloempot. Dus föhnen doe ik ook niet meer. Zinloos.
Ik heb een kruin die een kale plek op mijn achterhoofd in volle glorie laat shinen. Ik zie die plek weliswaar niet, maar ik weet dat ie er is.
In elke door mij bereide maaltijd bevinden zich minstens drie tot vijf van mijn hoofdharen, want haaruitval hoort nu eenmaal bij ouderdom. Zeker na het wassen. Maar goed, het is wel schoon, gewassen haar, daar in dat eten. Dat dan wel weer.

bron: eigen foto (LB)

Het enige wat ik doe als ik héél erg van mijn hoofdbegroeiing – en van alles eigenlijk – baal: de boel knalrood verven. Dan voel ik me weer even heel lekker in mijn haar. Tot de uitgroei begint.

Ik ben dan ook – niet eens stiekem – stíkjaloers op al die mooie, golvende, dikke haardossen van mijn medevrouwen. Ik heb al over extensions nagedacht, maar die moet je ook weer ergens aan bevestigen. En aan superdun, uitvallend haar blijven die (peperdure) haarstukken vast niet lang plakken.

Ik leg me er dus maar bij neer. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ik beschik dan weer over een prachtige bos haar op de tong. En op de tanden. Misschien moet ik die maar in model gaan föhnen.

(PS: heb jij ook huilhaar? Meld JIJ je dan maar naar LINDA. Ik ga mijn piekhaarprobleem in ieder geval niet meer dan nodig tentoonspreiden. Deze blog is wel voldoende.)


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Roadworst

Het is weer eens zo ver: ik mag weer naar Nederland! Ik heb mijn bolide volgestouwd met alles wat nodig zal zijn voor de komende tien dagen. Ik heb de kinderen van school opgehaald, van een boterham voorzien, laten plassen en ook in de auto gepropt. Eén voorin (die is van de ‘gekoeld-voer-bediening’) en één achter mij (die is van de zoetigheid-en-chips-bediening en de electronica-doorgave).

Naast elkaar op de achterbank zitten is al jaren een no-go: dan had ik een triplexplaten muurtje voor ertussen moeten figuurzagen en daar heb ik geen zin in. Dan maar zo. Vol goede moed gaan we op weg naar mijn geliefde landje. Zwaaien de Oostenrijkse koeien gedag.
Und tschüß!

“En, hebben we er zin in, lieffies?”
“Neeeeeeee,” klinkt het in koor.
Ze hebben wel zin in Nederland, hoor. En om bij opa en oma te logeren. En om naar Six Flags te gaan. En zin in zwemmen. Maar geen zin in zo’n 8,5 uur in de auto zitten.
“Ach, zal vast wel meevallen, ik doe aan laagvliegen, dat weten jullie. Misschien duurt het vandaag zelfs minder dan 8 uur, wie weet. En trouwens, JULLIE mogen lekker vakantie vieren. IK moet werken, toevallig.”
Ik probeer de moed niet meteen de grond in te boren. Het werkt niet.

Bij Linz: file. Vrijdagmiddag-avondspits (die Oostenrijkers houden er elke vrijdag namelijk rond het middaguur al mee op)

Ca. 60km na Linz kom ik erachter dat ik de identiteitskaarten van de kinderen ben vergeten. Ik ben zo stom om dat ook gelijk te vermelden: dochter volledig over de zeik, want “hoe moet dat dan zo meteen bij de grens? Straks pakken ze ons op, terwijl we geeneens vluchtelingen zijn!”

Bij Passau: file. Die ken ik. Die is standaard. De door dochter zo gevreesde vluchtelingengrenscontrole. Ik snap werkelijk niet hoe ze dat nu doen: Ze stoppen nooit iemand, zelfs geen vrachtwagens Daarom kon ik dochter ook geruststellen: “geen hond die dat merkt, lieverd. Ze laten alle mensen alleen 3km lang héél langzaam rijden, dan staat er een norse meneer en dan mogen we weer verder.” Heel zinvol.

Zoon merkt en passant op dat hij zijn beugel vergeten is. Geweldig. Na tien dagen staat de boel weer zoals drie maanden geleden. Ik calculeer alvast een reprimande van de orthodontist in, bij de controle direct na de vakantie.

De kinderen meppen elkaar de kop in omdat ze, ondanks 2 laptops, 2 tablets, 1  netbook, 1 phablet, 4 mobieltjes, 2 spelcomputers, 15 DVD’s en dito aantal films op 2 USB’s, allebei op hetzelfde moment dezelfde DVD op dezelfde laptop (namelijk mijn Mac) willen en moeten kijken.

“Je moet niet altijd alles willen hebben wat de ander heeft. Je moet ook niet altijd alles perfect willen hebben: het op-één-na-beste is óók nog altijd prima.” En ik gooi er nog even mijn levensmotto tegen aan: “Rookworst zonder -R- is…”
“Ook worst. Ja, ma, we  weten het,” grommen ze er in koor.
“Aha, en een file is dus een roadworst?” merkt zoon droog op.

Bij Regensburg: file. Vrachtauto is blijven hangen. Op de linkerbaan. Wat doet ie daar überhaupt? Het zou vrachtauto’s verboden moeten worden om in te halen op autobanen met twee rijstroken. Ze houden álles op, iedereen moet sterk afremmen. Vooral die aso Tsjechische, Roemeense en Hongaarse chauffeurs gooien hun kolos zonder pardon op de linker rijstrook. Lak aan het overige verkeer. Ze rijden hooguit 2km/h harder en moeten daarvoor pompen tot en met om die 86km/h te halen (uitlaatgassen!). Ze zouden zó veel meer besparen door gewoon achter een vrachtauto te blijven (nu juist extra dieselverbruik), besparen nauwelijks tijd met hun inhaalactie en de rest moet na voor de zoveelste keer sterk afremmen wéér optrekken (en dus wéér meer uitstoot/verbruik). Driebaanswegen: prima, haal lekker in als je dat zo graag wilt. Tweebaans: blijf er dan verdorie gewoon achter rijden! (Sorry eventuele vrachtwagenchauffeurs, maar dit is gewoon irritatiebron nummer één. Elke keer weer)

Bij Erlangen: file. Ik wil eraf, maar op de afrit staat een nóg langere file dus ik kies ervoor om door te rijden via Würzburg. Helaas: ik had het bord ‘omleiding naar Kassel via Erlangen’ gemist. Dat bord stond er niet voor niks: 5km verderop – tadaa – file. Stilstand. Autobahnsperre! Want vet ongeluk. Probeer dan maar eens 1,5 uur lang je kroost bij troost te houden. Ellende.

Würzburg: file. Je verwacht het niet…
Maar daarna reed het daadwerkelijk even door en kwamen we wat verder in de richting van Fulda.
“Mam, ik moet plassen.”
“Jij moet altijd plassen, kun je het nog ophouden?”
“Nee, ik moet NU!! METEEN!! Of ik plas je autostoel vol.” Shit. Een parkeerplaats zonder wc. Geen tankstation. Weer een parkeerplaats zonder wc. Dochter knijpt en jammert. Hè hè, een tankstation. Gelukkig, want tank nu ook leeg. En hongerrrr. Tanken, plassen, helaas geen eten. Het restaurant bleek voor personenauto’s na het tanken volledig onbereikbaar (of ik keek niet goed, maar dat is per definitie nooit het geval).

Doorrijden dus. Frustratie alom. Yes, een Autohof. Daar hebben ze altijd lekker eten. Op de afrit zie ik de volgende verdoemenis: De oprit terug naar de autosnelweg is geblokkeerd (Baustelle!), dus snel verder richting Kassel is na het eten geen optie meer. In het shabby restaurant waar vette schnitzels en een zwaar gebrek aan enig groenvoer overheersen, vraag ik hoe ik nu in vredesnaam naar Kassel kom.
“Oh ja, dát is heel lastig. Dan moet u door het Brombiebelebergse Woud en dan daarheen en zus en zo. Of u moet terug naar de vorige afslag en daar omdraaien, maar dat is nog véél verder om.” Bij gebrek aan wifi kijk ik met mijn buitenlandbundel op Google Maps hoe het zit. Dat was mijn buitenlandbundel. Next!

We starten onze expeditie door het donkere woud. Ik mis de juiste omleidingsafslag; de kinderen mekkeren over een film, ik ben afgeleid, mis tevens het bordje ’80’ en hopla: FLITSSS! 20km/h te hard. Nondeju in het kwadraat! Maar ik heb straks wel fijn post als ik thuis kom.

Dat is het geijkte moment om eens even lekker hard te schreeuwen in de auto. Het móét eruit, de mij verbouwereerd aankijkende kinderen ten spijt. Voor Kassel nog een beetje file (je verwacht het niet), nog twee plasbeurten en dan is het rustig, donker, liggen de kinderen voor pampus en kan ik fatsoenlijk doorjakkeren. Ein-de-lijk. Zoon hangt met zijn kussen tegen mijn schouder te slapen en ik kom ook wat tot rust. Na dik elf uur on the road geweest te zijn, vielen we de vertrouwdheid binnen.

“Ja mam, maar NU zijn we niet meer moe! Wij hebben in de auto geslapen!”
“Kan me geen ruk schelen. Je gaat maar liggen, wakker of slapend, het zal me worst wezen.”

Roadworst.

(ik heb trouwens de onderbroeken van zoon ook vergeten in te pakken.
Oh, en de cadeautjes voor daar waar ik op bezoek ga.
Oh, en de verplichte leesboeken van de kinderen.
Oh, en de sokken van dochter.
Oh, en nog iets, maar dat ben ik vergeten)

Keulen is klote

Keulen is al lang niet meer slechts een naam voor een stad.
Keulen is een zelfstandig begrip geworden.
Keulen. #Zeghet en iedereen weet direct waar je het over hebt.

Maar is dat wel zo? Weten we waar we het over hebben?

Voor de één is ‘Keulen‘ het lang verwachte armageddon dat door de massale toestroom van vluchtelingen met een ander geloof, een andere achtergrond en andere waarden en normen, veroorzaakt wordt. TPO, GeenStijl en co. lusten er, samen met een verlekkerde Geert en een juichende Trump, wel pap van. Het is koren op de rechtse molen.”Zie je wel? We zeiden het toch? Eerst wordt de boel dagenlang in de doofpot gestopt. Vervolgens komt de politie-k met een krom verhaal op de proppen en nu blijkt dat al die Islamobbers zich moedwillig hebben verzameld om ónze vrouwen te bespringen en ónze westerse vrijheden aan hun laars te lappen. Al die daders per direct het land uitzetten en de grenzen dicht voor nieuwe potentiële verkrachters, dat is de enige remedie tegen deze invasie van geweld en misbruik.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Voor de ander is ‘Keulen‘ een incident als vele andere. Dit keer helaas politiek erg brisant door de – al dan niet bekende – herkomst van de daders en de aanvankelijk nogal onhandige verdoezeling van de feiten. FrontaalNaakt, Krapuul en co. doen, samen met menig onthutst brabbelende linkse politicus, hun best om het zo op te tekenen. “Zie je wel? Nu het asielzoekers zijn, vliegt iedereen ineens in de hoogste boom. Waren het ‘gewone Duitsers’ geweest, had er geen haan naar gekraaid want dit soort dingen gebeuren overal. Kijk maar naar de aanrandingen van de serveersters op het alternatieve Oktoberfest in Alkmaar. Of naar de gang rapes op Britse en Amerikaanse universiteiten. Om van alle seriële verkrachtingen binnen familie- en vriendenkringen nog maar niet te spreken. #Zeghet werd afgedaan als zielig gejank, want daarbij ging het vooral om ‘eigen volk’ en dan moet je niet zeuren. Maar nu de daders van andere komaf zijn, is het ineens wél een rel vanjewelste en worden alle vluchtelingen over één kam geschoren. Hoe hypocriet wil je het hebben.” [NB: verzonnen, enigszins samenvattende quote]

Dat dit soort dingen daadwerkelijk overal en altijd al gebeuren, kan ik – zij het enkel marginaal – bevestigen: ga voor de grap eens oud en nieuw vieren op het plein bij de Stephansdom in Wenen. Dan mag je blij zijn als je heelhuids, onberoofd, onaangerand en zonder voetzoeker in je nepbontkraagje weer thuis komt, ook zónder de aanwezigheid enige asielzoeker in de wijde omtrek. Dat was twintig jaar geleden al zo en dat is nu nog steeds zo. Ook heb ik menig Oktoberfest in München bezocht, waar ik dergelijke taferelen (massale beroving, geweld, aanranding door niet-asielzoekende daders) mocht aanschouwen. Maar daar gaat het niet om.

Waar het wel om gaat, is dat iedereen dénkt te weten wat er daar in Keulen gebeurd moet zijn en waarom dat gebeurd is. Iedereen – ik generaliseer nu zelf even, ik ben mij daarvan bewust – ziet er datgene in, wat hij/zij wíl zien. Iedereen zoekt precies die mediale berichtgeving die in zijn of haar straatje past. En iedereen heeft per definitie het eigen gelijk. Daarmee krijgt de gigantische wig die tussen ‘iedereen‘ en diens medemens gedreven wordt, nog een flinke klap met een moker na.

Op dit moment probeer ik enkel nog naar mijzelf te kijken en te doorgronden, wat dit alles het met mij en mijn overtuigingen doet. Ik was zoiets wat – niet bepaald liefdevol – als ‘Gutmensch‘ betiteld wordt. Gutmensch is al lang tot een scheldwoord verworden, een passende titel voor de naïeve en goedgelovige multiculti-knuffelaars onder ons. Voor mij dus. Maar ik kon en wilde simpelweg niet geloven dat een geloofsovertuiging dit soort excessen kan veroorzaken. Ik wilde niet geloven dat een groep mannen enkel op basis van een religie op zulk walgelijke wijze op een vrouw neer kan kijken en haar naar believen wenst te misbruiken.

En ik kan en wil dat nog stééds niet. Ook al weiger ik zelf in welke godheid dan ook te geloven (ik ben een ‘kufar‘, een atheïst, een ongelovige), ik ken te veel fijne, goede, vredelievende en respectvolle mensen van alle mogelijke geloofsovertuigingen om dermate te kunnen of te willen generaliseren. Ik wil zo graag blijven geloven dat ook ‘Keulen‘ een uitzondering, een losstaand incident was en dat ons beeld van wat er daar (en ook elders) gebeurd is, nog verre van compleet is. Maar ook ik, ja zélfs ik, word nu langzaamaan banger. Sceptischer. Wantrouwender? En het lullige is: ik ben zelfs bang om dát toe te geven.

Wat als.
Nee, dat kan niet.
Maar wat als…

Angst is een bitch.

Daarom is Keulen klote.

Het gif dat angst heet

ThePoisonOfFear2 SCAN-LargeA

Is Karma echt zo’n bitch?

In twee seconden getwitterd, in twee seconden je carrière om zeep? Mia dacht even niet na over de impact van haar tweet. Een zwaar kraanongeval in Mekka, 60 doden, ca. 80 gewonden en zij zegt daarop: “[…] Karma is a bitch. #9/11.” Mia weet blijkbaar niet dat hastags met getallen niet werken, maar dat doet er niet toe. Niet meer. Wat zij werkelijk bedoelde met haar uitspraak, ook niet.

MiaSliwinski“Het lot kan harteloos zijn.” Dat was alles wat ze ermee had willen zeggen. Had ze 9/11 weggelaten, was de lawine misschien slechts een oversized sneeuwbal geweest. Had de hashtag daadwerkelijk gewerkt, was ze nu waarschijnlijk al lang ondergedoken of doodgestoken.

Maar: had IK dit getwitterd, was er niets gebeurd. Ik zou wellicht een paar mensen over me heen hebben gekregen die gevonden zouden hebben dat dit dus écht niet kan. Een paar fanatiekelingen zouden me waarschijnlijk ontvolgen en klaar. Iedere no-name mag roepen wat ie wil, de ergste verwensingen, de grootste racistische uitingen, de meest gruwelijke vergelijkingen. Niemand die daar nog van opkijkt. Het internet staat er vol mee. Het verschil met Mia? Zij heeft, als partijraadslid en docente Nederlands, een zogenaamde voorbeeldfunctie waardoor het behoud van haar functies afhankelijk is van andermans mening over haar. En die kan zomaar ineens volledig veranderen, dat blijkt.

Zo gauw je een maatschappelijke positie hebt, waar andere mensen in jou een voorbeeld zouden kunnen gaan zien, is je vrijheid om je mening te uiten volledig verdwenen. Op de eerste de beste ondoordachte uiting in de vorm van een snelle tweet, een meervoudig interpreteerbare zin in een interview of een simpele status op Facebook wordt je keihard afgerekend.

Zo bestaat er nu zelfs een Facebookgroep “Wij eisen ontslag Mia Sliwinski.” Ja, echt. En nee, geen link. Ik weiger een bijdrage te leveren aan dit soort stupiditeit. De domheid aldaar is werkelijk stuitend. Men gelooft zelfs in zelfverzonnen sprookjes: “De Gemeente Spijkenisse en haar partij gaat bij 10.000 likes een einde maken aan de werkzaamheden van Mia! Deel de pagina met jong en oud en vergeet niet te liken!” aldus de site. Mag ik even lachen? Alsof een gemeente haar ontslagbeleid gaat afstemmen op het aantal likes op een idiote Facebookpagina. Ook de school waar ze werkt, werd blijkbaar bestookt en gedwongen tot een reactie, die gelukkig enigszins ‘verstandig’ uitviel.

Mia’s tweet valt natuurlijk in het niet bij uitspraken zoals die van Dhr. Werner Fayman, onze Oostenrijkse bondskanselier, die de massale ‘deportatie’ per trein van in Hongarije aangekomen vluchtelingen vergeleek met de Holocaust. Deze uitspraak was misschien diplomatiek gezien niet erg handig, zeker niet met een buurhaai als Viktor Orbán in je nek, maar het is wél waar iedereen bij het zien van de beelden aan denkt. Alleen mag je het in díe positie níet meer zeggen. En dat vindt iedereen heel normaal.

Conclusie:
Ben je een nobody? Roep wat je wilt, er is toch niemand die een voorbeeld aan jou neemt. Je bent hooguit een paar vrienden of tweeps armer.
Ben je niet afhankelijk van een werkgever die waarde hecht aan marktimago en uitspraken van medewerkers? Gooi er vooral uit wat je niet binnen kunt of wilt houden. Het zal anderen worst wezen.
Ben je zo iemand die alles aan de afgetrapte laars lapt en vindt dat ie sowieso niks te verliezen of te verbergen heeft? Hou je niet in en smijt heerlijk iedere opwelling verbaal op het net.
Ben je dat allemaal niet? Dan ben je per definitie maatschappelijk bezit en moet je je mening te allen tijde inslikken, want bij jou is Karma pas écht een bitch.

De vrijheid van meningsuiting is dood.
Lang leve de vrijheid van meningsuiting.

Lezen en schrijven = dood

Oh en tekenen. Vooral tekenen. Dat = óók dood. Dus vooral geen satirische cartoons in de reacties a.u.b.

Hè verdorie. Juist die dingen die ik het liefst doe. Ja ja, als je éven niet oplet wat je tekent of schrijft – of eigenlijk juist wel – zijn activiteiten als deze werkelijk “levensgevaarlijk”. Dat is vandaag wel weer gebleken. Maar is dat echt wel zo? Natuurlijk, wat er vandaag in Parijs gebeurd is, maakte mij aanvankelijk ook bang. Heel bang. Je gaat toch automatisch denken: “oh jeminee, stel je voor dat ik morgen langs de redactie van één of ander satirisch magazine loop en dan ineens overhoop geschoten word…” Of: “ik ga niet meer met de metro hoor, de aanslagen zijn vanaf nu niet meer van de lucht…”

Bij nader inzien is die angst dus behoorlijk overtrokken: de kans is namelijk verrekte klein. De kans dat een geschifte spookrijder je op je dagelijkse rit op de autosnelweg moedwillig dood rijdt, is vele malen groter. Maar niemand die bang is, als ie de oprit morgenochtend weer op scheurt. De kans dat je dood gaat aan een enge ziekte, bijvoorbeeld als gevolg van roken, is nóg veel groter. Maar toch wordt de volgende sigaret bedenkingsloos weer opgestoken. De kans dat je op je ochtendwandeling door de gekke, maar de jou tot nu toe onbekende buurman te grazen wordt genomen (en al dan niet achttien jaar lang in zijn speelkelder met bunkerdeur wordt opgesloten), is waarschijnlijk óók groter. En vroeger (een paar eeuwen terug, hè) was de kans dat je als heidense heks of ongelovige Thomas op de brandstapel van een of andere enthousiaste Spaanse inquisiteur belandde, helemáál levensgroot.

Ja, mijn reactie was dezelfde als die van vele anderen vandaag. Jezus, waar moet dit heen... Oh shit, Jezus kan niet. Jantje, waar moet dit heen… Wat een wereld, wat een wereld. Deze is kapot, ik wil een nieuwe. En zo. Maar een relativerend gesprek met mijn lief liet me de dingen dan toch wel weer enigszins in perspectief zien. De overtrokken reacties, de haat en de fobieën die mensen in de media tentoonspreiden, zijn vele malen angstaanjagender…

Een (franse) antisemitische reactie van @RedaCteurr op Twitter (vertaald): “ik hoop dat de agenten Joden waren. #CharlieHebdo #headshots
Een plaatje op facebook dat als een lopend vuurtje rond gaat, daarop een doodshoofd en de woorden ‘Ban Islam‘.
Mensen die heel hard roepen, vooral niet bang te zijn. Not afraid! Not afraid!! Maar ondertussen…

De wederzijdse haat is inmiddels bijna tastbaar. Duizenden voorbeelden. Social Media to the max. Dit is dé beloning voor de terroristen van vandaag. Het is weer gelukt. De splinter is weer een stukje verder in de open wond der angst geduwd. De wig, die oh zo nodig is voor de ‘gerechtvaardigde’ Jihad-voering, weer een stuk harder tussen de fronten der samenleving gedrukt. Oorlogsverklaringen. Olie op het toch al aangewakkerde vuur van Wilders en Nanninga (Jalta), van Le Pen en consorten. Wilders, ja DIE mag pas echt bang zijn voor een aanslag na vandaag.

Oorlog is business. Oorlog is economische groei. Wapenleveranciers knijpen weer vergenoegd in hun handjes. De beurzen mekkeren even, maar dan gaat het uiteindelijk ook bergopwaarts. Die ouwe Rothschilds en Rockefellers kijken goedkeurend vanaf hun wolkjes toe (oh wacht, wolkjes? Mijn hemel…). Praktisch alle oorlogen ontspruiten uit religieuze of extremistische overtuigingen. Deze ‘oorlog’ ook. In naam van het geloof worden nog steeds de meeste mensen vermoord. Ban Islam? Ban religie…

Ik blijf religie als zodanig dan ook iets engs vinden (mijn mening hoor, please don’t shoot me!). Op de zevende dag schiep de mens een god. Of gelijk een dozijn goden. En profeten, niet te vergeten. En die hebben natuurlijk altijd (ALTIJD!!) gelijk. Een god is mijn ogen enkel hét perfecte excuus voor foute daden, een fantastisch iets om dingen te verklaren waar men bang voor of onzeker over is en vooral een hoopgever voor het ‘niets’ na de dood. Het universum breidt zich nog steeds uit. Waarheen? Juist. Naar het niets. Wat was er dan überhaupt daar, waar voorheen het universum nog niet was? Juist. Niets! En dat Niets noemen we dan ook maar god. Het concept niets is inderdaad moeilijk te bevatten: hoe kan iets daarheen groeien, waar voorheen niets was? Het woord ‘geloof’ zegt het al: het is enkel geloof. Het verschil tussen dingen weten en dingen geloven is het verschil wat zovele extremisten angstaanjagend maakt: de al dan niet foute interpretatie van één of ander vaag boek, zij het de Koran, zij het de Bijbel of welk menselijk nevelachtig schrijfsel dan ook, laat zulke mensen de ruimte om te geloven dat ze het zeker weten. Nou, is dat niet extreem ‘eng’?

[Aanvulling 08-01-2015: Ik wil niemand zijn of haar geloof ‘ontnemen’. De meeste mensen belijden hun geloof of overtuiging volledig vreedzaam. Alles wat goed doet, is goed. Ik ken veel gelovigen, van islamiet tot jehova’s getuige, van katholiek tot jood. Allemaal prima mensen die mij als totaal niet-gelovige ook in mijn waarde laten, zoals ik hun in hun waarde laat. Ieder zijn of haar ding. Mijn hierboven beschreven rotgevoel wordt enkel door de extremistische vormen gegenereerd. Laat men elkaar met rust v.w.b. waarde, geloof en overtuiging, is er niks aan de hand. Maar laat het nou juist daar duidelijk aan schorten. Wat is dan nog verdraagzaamheid…]

As said. Mijn mening. Mag ik hebben. Nog steeds. Laten we ons niet gek maken, we zijn het toch al lang. Doe mij maar een bloedige vampierfilm. Dat is vrediger: doelgerichte doodslag met een duidelijk rechtvaardigende reden. Je moet toch íets eten hè.

Anders ga je dood.

#reallife

Kwaaie vlieg

Rust zacht. Dat wens ik je. Ja, ik óók. Ik ken jou niet. Niet meer. Ik dacht je te kennen maar wat is dat nou helemaal, ‘kennen’ op al die huidige social media. Ik voerde hele chatgesprekken met je. Steunde je toen je in een relatiecrisis van reusachtige proporties zat. Aanhoorde alles, stuurde je knuffels. Gaf raad, was er steeds weer voor je. Ook diep in de nacht. Toen ik merkte, dat je borderline-achtige trekken vertoonde, praatten we erover. Geen doekjes erom, duidelijke woorden, fijne gesprekken. Ik vond je een lief, intens mens.
Jij, die werkelijk nooit een vlieg kwaad zou doen.

En nu, nu moet ik via onze ‘gemeenschappelijke vrienden’ horen, dat je onverwacht bent heen gegaan. Een goed jaar geleden deed je mij er plotseling uit. Alleen mij. Weg ermee. De overige eenenzestig gemeenschappelijkheden mochten kennelijk blijven. Ik vroeg je, direct op de vrouw af, wat ik misdaan had. Dat doe ik wel eens. Ik leer namelijk graag van mijn fouten. Na drie weken kwam er per mail een berichtje terug: ik was gewoon een vervelend mens dat steeds in het middelpunt zou willen staan. En ik wist te veel. Ondertussen snapte ik het nog steeds niet. Wát had ik dan precies nu ineens fout gedaan? Het raakte mij. Ik delete de mail en daarmee ook maar de vriendschap.
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Onaangenaam getroffen door het bericht van je dood, zal ik er nooit meer achter komen, wat er nu zo mis was met mij. Behalve dan dat ik een vervelend mens ben. Hetzelfde gevoel dat ik destijds had bij het overlijden van mijn exschoonvader. Hij heeft me nooit gemogen, ik was precies dat: vervelend. Lastig. Te eigenzinnig. Te dwars? Een vlieg in de schone soep.  Achteraf gezien zal iedereen in mijn exschoonfamilie vast beamen, dat hij het bij het rechte eind had. En goedmaken zit er nu ook niet meer in. Als ik maar wist, wát ik dan goed had kunnen maken?
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Rust zacht.
Ik wens het je hard.
Met heel mijn hart.
Rust zacht.

Momentje.
Even een verdwaalde wintervlieg doodslaan.

De pot verwijt de ketel…

…dat ie zwart ziet. Kan die uitspraak eigenlijk nog vandaag de dag, met al die ZP-ellende? De pot en de ketel zijn allebei zwart van het roet, maar de pot maakt de ketel daar dus verwijten over.

Ik voel me soms ook zo’n pot. Ik was vroeger namelijk de attentheid zelve. Kaartjes en cadeautjes sturen vond ik heerlijk, mensen verrassen ook. Een soort van hobby. Ik dacht werkelijk aan alle verjaardagen, wenste sterkte en beterschap bij de vleet, in kaartvorm of in de chat, stuurde felicitaties voor huwelijken, heette nieuwgeboren kindekes welkom op de wereld, leefde intens mee met alles wat er gebeurde. Ik had altijd cadeautjes bij me als ik ergens op bezoek ging, zei op de juiste momenten en op gepaste wijze ‘dankjewel’, belde mijn zus/familie/beste vrienden zeer regelmatig om even bij te kletsen, vroeg mensen oprecht belangstellend hoe het met ze ging en bood altijd een luisterend oor als daar behoefte aan was. Zelfs midden in de nacht. Maar aan de andere kant verweet ik sommigen dan soms toch heimelijk ook een beetje, dat ze op hun beurt op bepaalde – voor mij belangrijke momenten – níet aan mij dachten. Geen moeite deden om mij óók eens te verrassen. Geen belangstelling voor mij toonden en enkel met hun eigen sores en leven bezig waren En dáár ging ik de fout in…

Verwachtingen scheppen op basis van wat je zelf doet (deed), op basis van wat je zelf als vanzelfsprekend ofwel belangrijk acht, is een weg die onvermijdelijk tot teleurstellingen leidt en die relaties erg kan laten bekoelen. Verwachtingen zijn eigenlijk rotdingen. Verwacht gewoon niks en de teleurstellingen zijn uit je leven verdwenen. En alles wat dan wél komt, is ineens een fijne verrassing, want je had het immers niet verwacht.

Maar nu, nu ben ik zelf ineens in de ketelpositie. Ik ben met mijn eigen sores bezig, vergeet verjaardagen compleet, denk er simpelweg niet meer aan om mensen te vragen hoe het met hen gaat (ook al denk ik wél heel regelmatig aan ze), ben chaotisch, verward, te druk, te moe, te zeer in gedachten. Ik heb inmiddels lieve vrienden dermate ‘verwaarloosd’ dat ik vermoed dat ik ze inderdaad min of meer verloren heb. Mijn leven (en niet alleen dat van mij…) is in korte tijd volledig op zijn kop gezet, grotendeels door eigen toedoen. De relaxte alledaagsheid, de alledaagse relaxtheid maar vooral ook de zeeën van tijd zijn plots weg. Waar ik vroeger momenten te over, ja zelfs te veel had voor mijn werk, hobby’s (tekenen/schilderen/schrijven/zingen/drummen), kinderen, vrienden, chatten, facebook enzovoorts, moet ik nu – ondanks de chaos en intense vermoeidheid in mijn hoofd – heel hard schipperen om de boel nog enigszins op een rijtje te krijgen.

Het gevoel dat ik mensen van wie ik houd, chronisch verwaarloos, groeit en groeit… Soms voel ik me een ware loser, iemand die praktisch alles fout doet en zelfs de belangrijkste dingen vergeet. Iemand die steeds ongewild de foute dingen zegt, vooral te weinig zegt en dan ook nog vergeet wat ze nu wel of niet gezegd heeft. Iemand die zich niet meer voldoende om anderen bekommert en mensen teleurstelt.

Het knaagt aan mij. Ik wíl dat helemaal niet. Ik wil er juist wél zijn voor anderen. Ik bén helemaal niet zoals ik nu ben. Ik ben enkel in een soort van – hopelijk tijdelijke – geestelijke noodtoestand, maar eigenlijk klinkt dat ook weer te zwaar. Tegelijkertijd kijk ik naar mijn twee met “TO DO’s” volgekalkte A4-tjes, vragen de kinderen wanneer we nu eindelijk dat beloofde spelletje gaan spelen (ik kies steevast ‘Mens-erger-je-niet’), staat de vaat torenhoog op het (nieuwe) aanrecht, moet ik de was (om 1:15AM…) nog ophangen en mijn zakenconnectie dringend bellen (morgen) om nu eindelijk eens vooruit te komen met het project, wil ik nog een blog schrijven, vijf portretten tekenen en een hond schilderen, een tekst redigeren, vertaalwerk doen, een business-idee uitwerken en een gedichtenbundel produceren, moet ik een jaar- én een maandafsluiting voor de zaak maken, verzekerings- en ziektekostengedoe uitzoeken, een auto importeren, solliciteren (en mijn CV bijwerken), het verjaardagsfeestje van dochter plannen en regelen (twee maand later, jawel…), tig afspraken maken die meer dan dringend zijn, de verenigingsadministratie doen en lijsten naar cursusleiders sturen en tegelijkertijd ook nog even aan nog 238 andere dingen én mensen denken. En mijn lief wil ik zo af en toe toch ook nog even spreken…

Dan zucht ik maar eens diep, kijk met waterige blik naar mijn laptop, dan naar mijn kinderen en ga vervolgens toch maar een spelletje met ze spelen. Ik noteer op een aparte lijst (met pen… op papier…) wie ik allemaal nog wil bellen, mailen of een kaartje sturen. Misschien werkt dat…

Ik ben niet langer die pot die de ketel verwijt.
Ik weet nu echt wel hoe het komt, dat zwart zien…

Sorry.

Ontheemd

Waar is thuis? Waar hoor ik? Ik weet het niet meer. Ik heb het eigenlijk ook nooit geweten. “Wherever I lay my hat, that’s my home,” krakeelde Paul Young.  Ik heb geen hoed maar als ik er eentje had, zou ik ‘m meteen opzetten en diep over mijn ogen trekken, zodat niemand de tranen zou zien glinsteren.

Vandaag voelt werkelijk niet als Bevrijdingsdag. Veel meer als een onverwachte gevangenisdag. Gevangen in mijn hoofd, gevangen in het alledaagse, gevangen in een overweldigend onbestemd gevoel. Ik functioneer absoluut niet. Ik ben stuk. Zelfs grasmaaien lukt voor geen meter: ondanks de lentezon blijft het gras te nat en loopt de maaier na wat gesputter steeds opnieuw vast. Ik had ’t kunnen weten. Een lichte misselijkheid golft al sinds het opstaan met vlagen door me heen. Wat dóe ik hier eigenlijk? Behalve doorademen en wachten tot de motor der normaliteit weer een beetje regelmatiger draait? Alles revolteert in mij.

Ik zou mijn bestaan nu per direct en uit alle macht radicaal om willen gooien maar ik kan het niet. Nog niet? Rationaliteit, gebondenheid, realisme en machteloosheid weerhouden me. Ik voel me meer dan stevig vastgesnoerd in een korset van ooit gemaakte keuzes. Met dubbele knopen op de rug. Een immense drang om los te komen. Een ziekelijk groeiend heimwee. Als een opzwellende groene hulk in mij. Kon ik ook maar zo oersterk zijn en uitbreken…

Ik voel me ontheemd.
Ik ben in mijn huis, maar steeds minder thuis.
Misschien gaat het ook dit keer voorbij.

Misschien ook niet meer…

Blik kan doden

Mijn Audi roest. Een beetje. Hier en daar zelfs wat meer. Eén van de redenen die de APK -man aanvoert voor zijnRoestaudi oordeel: afgekeurd. Ik snap dat niet. Afgekeurd vanwege oxiderend ijzer. Als ik zie wat voor bruine bakken er wél op de weg mogen… Onbegrijpelijk. Roest wegwerken vergt wat inspanning en mijn man doet zijn uiterste best inzake reanimatie. Noeste arbeid steekt hij erin om roest, haperende remmen,  sturingsproblemen en kapotte lagers weer in het gareel te krijgen. Ik denk bij mezelf: “oh my god, daarmee ben ik met 200km/h naar München gescheurd…” maar wie ben ik om te klagen; ik leef nog. En ik kan het niet repareren dus ik houd mijn gemak en laat hem prutsen. Stukken blik worden met urenlang minutieus gepriegel gebogen en gevormd. De lokale garageflip moet die er dan aansluitend in gaan lassen.

Ik ben ook nuttig bezig geweest. Ik heb uitgebreid de tuin doorgeploegd. De hoeveelheid tuinafval is indrukwekkend en mag in ieder geval niet op onze oprit wegrotten, dus laad ik alle zakken, kratten, kisten en dozen in onze andere auto (een Skoda, zijn auto. Hahahaha). Op naar het afvalcentrum. Ook nog een oude fietsband, een ijzeren onding namens booglampenvoet, wat reststukken blik, een oude deken en een zak met vergaan plastic uit de garage ingeladen. Opruimen is mooi werk.

Na het afvalcentrum scheur ik door naar de Lidl, waar ik ineens zie dat ik vijf telefoontjes gemist heb. Ai. Meteen gaat foon alweer opnieuw over. Man. In paniek stamelt hij:  “WAAR IS DAT STUK BLIK WAT IK GEBOGEN HEB???” Ik antwoord bedremmeld dat ik werkelijk waar geen idee heb. Ik heb wat afvalstukken weg gesodemieterd, dat wel… “Het lag in een kist met spullen op de grond!” Oh… ja… die kist… die heb ik ook opgeruimd. Alles in de gigantische oudijzercontainer die al half vol was met groot en klein schroot. Ik hoor de vertwijfeling in zijn stem. Die jammert heel hard ‘neeeeee….’ Hij legt me melodramatisch uit dat hij daar gisteren de hééééle godsganselijke dag mee bezig is geweest (duh… maar twee uur. Ik weet dat) en dat ik NU METEEN naar huis moet komen omdat we SAMEN dat stukje blik in die rotcontainer gaan zoeken. Bevel is bevel. Zonder een verder overbodig woord laat ik de Lidl achter me en haal hem op. We rijden onder het genot van een gefrustreerd potje doodzwijgen terug naar het ASZ.

Daar kijkt hij verbouwereerd in de container. Acht meter breed, drie meter diep. En bovenop mijn ‘oud ijzer’ ligt al lang een nieuwe lading grof oud ijzer. We moeten erin. Ik haal zuchtend een ladder bij een medewerker. Handschoenen aan. In de container is het een enorme zooi met veel scherpe randen en acuut instortgevaar. De loodzware voorplaat van een gestorven sigarettenautomaat bedekt een verbogen winkelkarretje. Al dat spul is in nog geen kwartier erbij gekomen.. Daaronder nog meer chaos. Ik mompel dat dit onbegonnen werk is, vind maar eens een stukje plaatblik van twintig centimeter lang en en zes centimeter breed in deze metersdiepe ijzerpuinhoop. Man kijkt me pisnijdig aan. “JIJ hebt het weggegooid, terwijl het duidelijk géén afvalstuk was!! Zoeken!!” (Het woord ‘kreng’ dacht hij er met grote zekerheid achteraan). Voor mij was het overduidelijk wél een afvalstuk maar het lijkt me beter om dat nu maar even voor me te houden.

Na wat pijnlijk ijzerworstelen was ie daar dan toch. Het stuk blik van onschatbare waarde. Ik lever man thuis af, grom  iets te luid dat hij het ding vooral nog even goed moet knuffelen en oogst een zoveelste blik die kan doden.

Oh Lidl, ik kom eraan!!!

 

Doe jij even

… de huishouding, de was, de vuilnis?DoeJijEven
… de kinderen, het eten, de administratie?
… de kerstcadeaus, de tuin, de rekeningen?
… de katten, de doktersbezoekjes, de boodschappen?
… de vaatwasser, de correspondentie, mijn leven?

Natuurlijk, schat. Doe ik. Vanzelfsprekend.

Vanzelfsprekendheden zijn killing. En ik ben ogenschijnlijk de vanzelfsprekendheid in persoon. Ben ik dan ook killing? Voelt eigenlijk meer als slowly being killed. Maar het is goed zo. Beter wordt het waarschijnlijk niet. Wel lastiger om vol te houden. Bij veel van wat ik doe, denk ik: “Het klopt niet. Zó ben ik niet. Dit ben ik niet.” Op een onverwacht moment wordt je een spiegel voorgehouden en vraag je je af wie je dan wél bent. Je weet het antwoord al. Ik ben degene die gekozen heeft. Dus ook degene die moet leven met de consequenties daarvan. Daar voeg ik mij naar: het waren mijn keuzes. Mijn verantwoordelijkheden verzaak ik niet.

Groei is pijnlijk. Verandering is pijnlijk. Maar niets is zo pijnlijk als ergens vast te zitten waar je niet thuis hoort.” Mandy Hale (Auteur van ‘The Single Woman’) zei dat. Mandy zegt trouwens een heleboel en het meeste daarvan schaar ik onder het kopje ‘gewauwel met hoog open-deur-gehalte”, maar in dit geval vind ik dat ze gelijk heeft. Het is pijnlijk te beseffen dat je vast zit in een rol die je jezelf weliswaar aangemeten hebt maar waarvan je tijdens de hele opvoering bemerkt, dat je hem niet naar behoren kunt spelen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“je weet niet wat je mist, tot het er niet meer is.”
De waarheid is: Je wist precies wat je had.
Je had alleen niet gedacht, het ooit te kunnen verliezen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“Het leven gaat door.” Play your part.
Neem het vooral niet te letterlijk.
Hopelijk kan het tóch weer beter worden…

Kom Karma, kom!

“Karma? Kom je nog?” Karma slaapt. Diep. Onwetend waar het de gevolgen betreft van alles, wat zich vandaag afspeelde. Rustig ademend ligt ze op de sofa, droomt over iedereen die ze nog te grazen mag nemen. Zelfs haar comateuze wijze van slapen is nooit zonder uitwerking want uitgestelde wraak is des te zoeter. Als ze na haar dutje maar niemand vergeet…

Wie neemt haar naam niet in de mond als het even zo uitkomt? Karma is gonna get you. Karma is a bitch. Simpel principe van oorzaak en gevolg. Alles wat een mens doet, is uiteindelijk van invloed op de rest van diens onbetekenende leventje. Er zijn te veel spreekwoorden voor: Wie goed doet, goed ontmoet. Boontje komt om zijn loontje. Boeddha wist waarover hij het had; betitelde zijn liefdevolle karma-doctrine als de ‘leer der daden’. Maar wat ik me steeds opnieuw afvraag: waarom komen zoveel mensen dan tóch weg met alle afschuwelijke dingen die ze uitvreten?

Net acht jaar oud. Je kwetsbare, naakte kruisje wordt zorgvuldig uitgestald op Marktplaats. Je ouders zitten tot over hun oren in de schulden en hopen deze met het geld van een paar pedofielen af te kunnen betalen. Je mams heeft het je meermaals toegebeten: “Waar heb ik jou anders voor gemaakt? Een beetje profijt hebben van mijn eigen productie, daar is toch niks mis mee? Toch??” De gegadigden krijgen van pap alvast wat lekkermakende foto’s van jou, zodat ze een grof beeld kunnen schetsen van alles, wat ze met je zouden willen doen en daarvoor een passend bod uit kunnen brengen. Bedragen tot vijftigduizend euro om bij jou alle denkbare lichaamsopeningen te mogen vullen, worden geboden. En maar al te graag geaccepteerd. Je kamertje is al zorgvuldig geblindeerd, je meisjesbed van een vochtdicht hoeslaken voorzien. Maar het lot wil dat je oplettende oom de laptop van papa leent. Heb jíj even geluk, meiske…

“Van je zwager moet je het maar hebben”, zal moeders gedacht hebben. In de verhoren volgen allesomvattende maar onvatbare bekentenissen. Jammer genoeg zijn die voor de poes haar spleetje: Men vergeet je ouders te wijzen op hun recht op een advocaat. Dit vormfoutje maakt de biecht in één klap waardeloos. De pedo’s komen niet. De ouders wel. Vrij. Als Karma per toeval eens níet ligt te slapen, zal die vrijheid hun straf worden.
Karma? Kom nou toch…

Dopjesellende

Kwart over elf ’s ochtends. Ik ben klaar met het in de auto proppen van ski’s, schoenen, skistokken, kinderen, kleren en de hele santemekraam. My job. Voor mijn part kunnen we weg. Man mompelt dat we onderweg nog even in Machstadt bij een bedrijf langs moeten: hij heeft daar een 20-tal buisdopjes Navi1voor het luttele totaalbedrag van €1,40 besteld, die wil hij nog even ophalen. Dan kunnen we ons namelijk die tien euro verzendkosten te besparen en het is sowieso maar tien minuutjes om. Tuurlijk schat. Doen we.

Onderweg vraag ik voorzichtig of hij dan ook weet waar het ongeveer is. Hij kijkt me aan alsof ik hem net recht in zijn gezicht een lamme castraat genoemd heb. Natúúrlijk weet hij waar het is. Bij de afslag Machstadt begint het gedonder.
‘Hm. Volgens mij hadden we af gemoeten… Dit herken ik niet’
(Alsof hij ooit van tevoren in dit gat is geweest. Not.)
‘Wat raar. Hier had een weg moeten zijn volgens ’t kaartje.’
‘Welk kaartje.’
‘Dat op mijn telefoon, duhuhh. Maar ik weet het wel uit mijn hoofd.’
‘Jij hebt een káárt??? … Heb je ook het adres toevallig? Dan kan ik het in de navigatie intypen, nu we het toch niet kunnen vinden.’
‘Ik zei toch, ik wéét waar het is? Jij met je navi. Pffff…’

Ik graai zijn telefoon uit mijn (!) tas, waar ik het ding met mijn vooruitziend oog maar vast in gestopt heb omdat hij ‘m anders weer eens vergeten zou zijn, en grasduin door het oerwoud aan blauw-rood-groene windowsblokjes naar zijn notities alwaar ik een prachtig vanaf zijn laptopbeeldscherm gefotografeerd kaartje ontdek. WTF?? Daar staat nog geen miezerige straatnaam op, alleen een zigzagstreepje van de autobaan naar punt “A”. Het door hem genoteerde adres: Norderprischl 12. Ahah. Bingo. Zou je denken. Onze navi (ook liefdevol ‘naveltje’ genoemd) ziet in ieder geval nergens iets van een bingo. En Norderprischl bestaat niet, zegt ie ook. Man rijdt ondertussen lustig verder, zijn doel langzaam maar behoedzaam cirkelend besluipende. Foeterend staat hij ineens op één of andere rechter rijstrook terwijl hij toch echt linksaf had gemoeten. Links it is. Dáár moet het zijn. Hij snijdt een Twingo (ach, die hadden we toch bijna niet gevoeld als we ‘m geramd hadden) en slaat vol energieke frustratie alsnog linksaf. Ik word langzaamaan misselijk van het prutsen in mijn naveltje, die nog steeds niks vindt. Dan maar weer berustend en vooral mond houdend terug naar de navi-kaart en kijken hoe we onze rondjes draaien, op zoek naar een zakje buisdoppen.

‘Hè?? Daar is water!! Zie jij op míjn kaartje ergens water???’
‘Ik zie helemaal niks op jouw kaartje. Dat is geen kaartje, dat is hooguit een gruwelijk slechte foto.’
‘Aan jou heb ik ook niks.’
Grimmige blik.
‘Waarom heb je ze niet even gevraagd hoe je dan precies moest rijden?’
‘Aaaahhrgg!!! Omdat ik het al wist??? En het adres héb ik toch gevraagd, hoe denk je anders dat ik daar aan kom???’
‘Euh… nou… van de website of zo?’
Nog grimmigere blik.
‘Ik heb wel een Niederpirsching gevonden trouwens…’, mompel ik.
‘Nou dan typ je dat toch lekker in. Doe je best. Zonder kotsen graag.’
De navi meldt dat we 10km van ons doel af zitten.
‘Dat kan niet. Dat is sowieso fout’.
‘Maar waar zitten we NU dan volgens jou??’
‘JA WEET IK VEEL!!! OP DE WEG, MENS!! En wij zijn helemaal niet daar waar die navigatie zegt dat we zijn. Dat ding klopt voor geen ene meter.’

Ik zeg niks meer, smijt zijn (data- en navigatieloze) mobiel met prutsfotokaartje aan de kant en neem de mijne, doe GPS aan, start Google Maps en bekijk waar we volgens mijn mobiel dan nu zijn. Goh. Op het punt waar de navigatie ook al zegt dat we zijn. Verrassing…
‘Dat kan niet. Daar is een riviertje. We zíjn niet bij een riviertje.’
‘Lieverd, we zitten in midden in Wertz…’
‘Als we in Wertz zitten, laat ik de boel verdomme alsnog opsturen. Dat kan niet kloppen.’
‘Nee, de satelliet is vast een beetje van het padje, ik snap dat. Echt’
Dodelijke blik.
Dochter meldt zich luidkeels: ‘Ik moet heeeeeeeeel erg naar de WC!!!’
Zoon mompelt: ‘…en ik heb toevallig hartstikke erge honger’
Ik steun: ‘Ik heb hier geen zin meer in. Ik ben misselijk… dit alles voor rottige tien euro verzendkosten, dat zijn we nu al lang aan diesel kwijt…’
‘Ja halloooo, dat kon IK van tevoren toch niet weten???’
Waar hij gelijk heeft, heeft hij gelijk. Maar hij moppert al weer luidkeels verder dat hij nu wel weet dat hij in toekomstige noodsituaties ook helemaal niksnoppesnada aan ons zal hebben, met ons gezeur en gezeik. Als ik eens wat zoek in de toekomst, zal hij ook even lekker precies zo gaan emmeren en zeuren. Helaas voor hem gebeurt dat dus nooit, want a) noteer ik adressen zorgvuldig, b) heb ik een navigatiesysteem én een werkend mobieltje met Google Maps en c) ben ik een vrouw. Als ik het niet kan vinden, vráág ik gewoon.

Na absoluut niet overdreven een  uur en een kwartier lang rond gekard te hebben, flikkert hij de auto (mijn auto!) aan de kant en kijkt mij aan.
‘Goed. Dan zeg jíj maar hoe ik moet rijden.’
Eindelijk. Capitulatie. I’m loving it.
Het eindpunt van de zigzaglijn op zijn topkaartje bestudeerd hebbende, lijkt Niederpirsching voor mij toch echt te kloppen.
Ik klik op de routeberekening op mijn mobiel.
‘OK. Rechtsaf.’ En loods hem er linea recta naar toe.
Na een geweldige totaaltijd van dik anderhalf uur zijn we dan uiteindelijk toch bij het dopjesbedrijf, waar hij met grote stappen weg beent om zijn zakje plasticprut te halen.
Niederpirsching 12.
Met je Norderprischl…
Maar de 12 had hij tenminste goed.

De kinderen zijn inmiddels volledig gaar gekookt, we hebben allemaal honger en ik moet minstens een liter lichtgeel water lozen. Koffie drijft nu eenmaal vocht af. Conclusie: wij willen na deze odyssee naar de McDonalds. Man pertinent niet. En ik dan ben er klaar mee.
‘IK. Moet. Plassen. WIJ. Hebben. HONGER. En dus rijd JIJ nú naar de eerstvolgende McDonalds!!’
‘Grmpf.’

Navi2

Gelukkig zijn Macs duidelijk sneller te vinden dan dopjesbedrijven. Ik bestel een grote box chicken wings. Ik moet nu even ergens heel hard in bijten en het liefst tegelijkertijd een paar botten breken. Hij wil zich niet voor mijn behoeftes ter beschikking stellen en drinkt stoïcijns zijn protestkoffie.

De rest van de weg rijd ik.
Vakantie.
Met een toffe zak dopjes.
Hoezee.

niet goed bezig

Gisteren opende ik – hoe kan het ook anders – ergens in de loop van de ochtend even facebook op mijn foon. Het eerste plaatje wat ik zag was van een half verbrande jonge man. Hij was, volgens de ernaast staande tekst, aangestoken. Een brandende autoband om zijn nek. Omdat hij homoseksueel zou zijn en dat mag dus niet in Oeganda (en niet alleen daar…). Sterker nog: zulke mensen mag je dus legaal, met de wet achter je, in de fik steken en toejuichen terwijl ze creperen. Ik kreeg spontaan kokhalsneigingen en dikke tranen in de ogen, moest noodgedwongen verder scrollen. Ik kon het simpelweg niet aanzien. Want wat moest ik hier nou mee? Onvoorstelbaar gruwelijk om te zien op een gezapige zondagochtend. Wat een wereld. Een bevestiging van mijn opvatting dat mensen de enige werkelijke beesten op deze aarde zijn.

Ik moest het plaatje eigenlijk delen om mijn solidariteit met de homoseksuelen op deze aarde te betuigen. Maar ik kon het niet… wetende dat ik een dermate afgrijselijke foto dagenlang op mijn eigen wall zou zien, een wall waar ook kindekes mee koekeloeren… en ook wetende dat het geen ene donder zou helpen. Ik ben vanzelfsprekend solidair met iedere andere mens die in naam van onzinnige (veelal religieuze) wetten gediscrimineerd, gemarteld, gedood wordt. Maar mijn solidariteit lost helemaal niets op. Ook een petitie met miljoenen email-handtekeningen eronder haalt niks uit. Ik onderteken ze allemaal want het is geen moeite en ik laat in ieder geval op microniveau zien dat ik het er niet mee eens ben, de NSA aan m’n broek of niet. Maar helpen doet het niks, ik ben niet zo naïef om te denken dat er in de toekomst ook maar íets anders zal gaan vanwege een simpele petitie. Geen meisje minder verkracht of op 9-jarige leeftijd uitgehuwelijkt, geen honingbij gered, geen niet-ondertekend TIPP, geen asiel voor meneer Snowden, geen betere vrouwenrechten, geen boycot van de olympische spelen in dat hypocriete Sotchi/Rusland, geen betere arbeidsomstandigheden voor die arme chinese kindertjes in de neodymiumwinning. Gewoon. Niks. Lijdzaam toezien is alles wat je mag vandaag de dag. En dat is ook nooit anders geweest.

Daarom deelde ik de foto niet… want ergens, ergens moet ik nog altijd míjn leven leven. Of dit nou allemaal gebeurt of niet. Dat van anderen kan ik niet leven. En ik moet dus zorgen dat mijn leven góed geleefd wordt, al naar gelang de omstandigheden. Dat is iets wat ik in ieder geval wél kan doen. En dan niet voor mij. Egocentrische gedachtes heb ik al genoeg (“ik moet goed voor mezelf zorgen”, “die Note 3 wil ik toch wel heul erg graag”, “wat zal ik eens eten vandaag” – en zo). Maar voor de bewonderenswaardige mensen en mensjes om mij heen. Mijn zoon die maar door bokst en vecht om op school mee te komen. Mijn dochter die morgen weer naar de dokter mag voor een uitgebreide hartcontrole. Dat gaatje zit er nog steeds hè… ook al denk je er dan praktisch nooit aan, het blijft eeuwig een issue. Vrienden en vriendinnen die vechten tegen dodelijke ziektes, financiële sores, rottige werkgevers, mishandelende echtgenoten, depressies. Ouders die een dagje ouder worden en allebei al kanker hebben gehad. Ons eigen hachje (lees: ‘relatie’) bij elkaar en leefbaar houden. Dat zijn de dingen waar ik in eerste linie mee bezig zou moeten zijn, ik weet het. Ik weet het zo goed…

En toch ben ik het niet.

doemdenker

Ik zit weer eens in een denkfase. Zo’n fase waarin ik meer dan anders nadenk over het hoe en wat in deze wereld. Waarom de dingen gaan zoals ze gaan, wie er daadwerkelijk aan de touwtjes trekt. En dat is dan nog heel summier en oppervlakkig gezegd. Ik kijk documentaires, luister naar ‘afvallige’ professoren, uit de school klappende voormalige politici en journalisten die zich vastgebeten hebben, praat met de één of de ander.. Maar het wordt er niet beter van. Integendeel.WatAls

Het zou echt mogelijk moeten zijn om je hersenen stop te zetten. Maar wel zonder angstaanjagend elektronisch gespuis. Gewoon. Zelf. Het kan ook, met simpel mediteren. Maar daar ben ik niet zo goed in. Wel geprobeerd, maar ook dat lukt me op de één of andere manier niet.

Ik staar in ’t niets en denk aan alles en iedereen. Vooral aan mijn kinderen, aan hoe alles zal zijn als ze eenmaal volwassen zijn. Hebben ze dan ook een chip in hun pols? Mogen ze nog vrij reizen? Hun eigen geld beheren? Zelf bepalen óf en hoeveel kinderen ze in de wereld willen zetten, mocht dat dan allemaal nog op de ‘normale’ manier gaan? Zijn ze nog vrij in hun denken en in het bepalen welk werk ze het liefste zouden doen? Zijn er tegen die tijd nog bijen of doet de mens dan inmiddels zelf aan bestuiving omdat geen insect dat meer kan doen? Welke nieuwe ziektes zijn er dan ontstaan (of gemaakt), welke oorlogen uitgevochten en hoeveel mensen zijn er tegen die tijd nog overgebleven op deze aarde? En zo ratelt het door in mijn warrig hoofd.

Ik ben misschien nog net geen doemdenker maar wel een overmatig piekeraar. Ik kan niet tegen mijn eigen machteloosheid en ook niet tegen de wildheid van mijn gedachten. Ik wil wat doen maar ik weet niet wat. Ik zou heel hard willen gillen maar als ik dat zou doen, zou ik enkel maar raar aangekeken worden. Waar maak je je druk om, mens… Tja. Dat weet ik ook niet. Nog niet.

Toch een doemdenker.

Knalluh…

“Ik ga even de brievenbus dichtspijkeren hoor!”
Huh… da’s toch niet normaal… is dat echt nodig hier?
Sterker nog, het lijkt zelfs heel vanzelfsprekend…
Iedereen doet dat.
Gewoon.

Ik lees een artikeltje over met vuurwerk opgeblazen katten en de tranen springen me spontaan in de ogen. Dit kan toch niet? Wat bezielt mensen in vredesnaam… Ergens vlakbij knalt er weer een carbidbus. Het lijkt verdomme wel oorlog… een filmpje van een vuurwerkslachtoffer dat tijdens de plastische  reconstructie van zijn gezicht per ongeluk een kontgat als mond heeft. Shit happens. De volgende knal die de ramen doet trillen. “Moeten we nog even vuurwerkbeschermbrilletjes halen voor de kinden? Een oog is zo weggeschoten…” Ja, laten we dat dan maar doen dan…

Ik kan het niet laten om hoofdschuddend te denken dat de halve mensheid hier te lande werkelijk van de pot gerukt is. Waarom moet het zo? Auto’s in de fik. Vandalisme. Vuurwerkbommen. Opgeblazen dieren. Burgerwachten die nog een beetje de orde proberen te handhaven. Speciale ‘plofvrije’ dierenasielen voor oudjaarsnacht. Je kunt zeggen wat je wil maar dit IS oorlog. En ik vind het compleet gestoord.

Een paar mooie vuurpijlen afschieten, dat is leuk. Wat siervuurwerk, een glas champagne en een zoen. Perfect. Waarom moeten we elkaar dan persé in de eerste vijf minuten van een nieuw jaar de lucht in blazen en doen alsof het bij ons óók oorlog is… we hebben al genoeg oorlogsellende in de wereld. Echt.

Leuk joh. Knalluh…

Walrusslacht

Nee nee, geen documentair verslag over jonge walrusjes die neergeknuppeld worden om wol van hun snorharen te spinnen. Nee, echt niet.  Leest u maar.

Vandaag, twee weken na mijn knieoperatie, toog ik vol goede moed en frisse zin naar het zwembad om eindelijk weer met mijn zwemtraining te beginnen. Het zwembad waar ik voorheen zwom, heeft op dinsdag absurde openingstijden dus ging ik dit keer naar een ander binnenbad (Linz heeft er een stuk of 4), iets dichterbij. Om kwart voor tien – de geruchten wilden dat men om die tijd al naar binnen zou mogen – stond ik in de hal bij de kassa. Met nog twintig  andere, mij sceptisch bekijkende (want te jong), bejaarden. En het werden er steeds meer… En nóg meer…  Stipt om tien uur ging de kassa open (niks kwart voor tien, duh) en stormde de meute waterhongerige oudjes  met hun abonnementskaartjes hoog in de lucht geheven naar binnen. Ik kocht braaf een normaal entreebewijs. De kassamiep casseerde vier euro terwijl ‘kort zwemmen’ (max. twee uur) maar €3,10 is, maar helaas, daar kwam ik achteraf pas achter. Namelijk toen ik de folder meenam om te kijken waar ik in vredesnaam wél fatsoenlijk zou kunnen zwemmen.

Afijn. Snel omkleden, douchen, zwembrilletje op en hoppa, baantjes trekken.
Dacht ik.
Echnie…

Stelt u zich een stinknormaal 25m-bad voor, 12,5m breed. Daarvan waren twee brede banen (zo’n 4m in totaal) afgesneden voor schoolklasjes. In de overige luttele achtmeternogwat peddelden zo’n zestig half-comateuze walrussen. Ik was totally in shock. Brilletje weer af. Kijken. Nee. Het werd er niet beter op.

Werkelijk waar, hele kuddes dames van 150 kilo en meer, stuk voor stuk met zo’n zwemhulpding op de rug gesjord en luidkeels ginnegappend over Maria die nu ineens met Hans in plaats van met Gerhard in kamer 138 had liggen te vozen en over eveneens heftig in het bad rondzwemmende lange haren die daar enkel en alleen waren omdat de jeugd van tegenwoordig allemaal zonder badmuts en zo asociaal onder water zwemt.  In ieder geval kwamen die haren tenminste nog stukje bij beetje vooruit in het water… Ik voelde me trouwens niet aangesproken want a) zwom ik helemaal niet (geen doorkomen aan) en b) heb ik mijn haar altijd samengebonden in een knot en daar nog een zwembrilletje overheen, daar komt geen haar meer vrij. A head like Alcatraz. En al zou er eentje uitbreken, viel die nog niet op tussen al die chronisch uitvallende grijze pluisharen die woest door de hal wapperden. (oh en c) ik kan mij helaas niet echt meer onder het begrip ‘jeugd’ scharen :-S). De meeste vrouwen zwommen overigens in volle entourage: met haarknipjes, brillen (incl. brillenkoordjes), make-up en oorbellen. Het hoofd komt toch niet onder water. Stel je voor zeg, de gedachte alleen al…

De mannen waren zo mogelijk nog erger. Ongedoucht wierpen ze hun stinkende oksels in de strijd. Oh zwom jij daar? Nou, nu dus niet meer.  BAFFF. Sowieso uitkijken voor rond wapperende velvleugels. Uitslaande benen. Lange teennagels die striemen op je schenen krabden. Kunstgebitten die als slagtanden in standje ‘aanvallen’ stonden. Diepbrommende snor- en baardharen (zoals het een goede walrus betaamt). Vuile blikken: ‘wat mot jij hier in mijn stukje zwembad.’

Ik heb zegge en schrijve zes baantjes ‘gezwommen’. Zigzaggend, armen, benen en boze blikken ontwijkend (omdat ik borstcrawl zwem: ik mag met mijn knieën niet schoolzwemmen, sorry). Mijn slag is werkelijk heel rustig, ik neem beduidend minder plek in beslag dan die ronddobberende galjoenen en ik ben ook nog eens veel flexibeler. Maar het was me duidelijk, ik hoorde daar niet thuis. Uiteindelijk heb ik het opgegeven en enkel nog een dik half uur lang oefeningen aan de rand gedaan. Benen-buik-armen. Ook dat kan ik. Maar zelfs aan de kant lag ik blijkbaar in de weg en kreeg spontaan heimwee naar mijn romaatje in het andere zwembad. Daar was het bij tijden weliswaar ook oorlog en ging het er eveneens hard aan toe maar toch was het volk duidelijk toleranter en minder anti-‘echtzwemmen’ dan hier.

Wel, lieve overjarige walrussen,
ik ben er alweer van tussen.
Heb nog veel plezier in uw pissoir.
U hebt het nu al voor elkaar:
Mij zult u in uw pierenbad niet meer zien.
Menschnochmal, elllllende voor tien…

zoek zoek zoek

Ik zoek en vind niet. Het is weg. Foetsie. Ik zoek al dagen. Weken. Maanden? Ik zoek in mijn achterste achterkamertjes, onder mijn zwevende vingers, achter mijn pijnlijke rug, tussen mijn dovemansoren. Het is er niet meer. Ik sta op een droogje, zoals blijkbaar zovelen met mij momenteel. Al een tijdje eigenlijk, heb al een maandje of wat geleden over mijn interne leegte bericht. Er is zoveel waar ik over zou kunnen schrijven. Er is ook veel wat ik wel opgeschreven heb maar wat op ‘Privé’ blijft staan omdat ik dat niet in de openbaarheid wil hebben. Blogs voor mezelf, over mezelf. Ze gaan over mijn eigen falen, mijn verdrieten, mijn verslavingen en mijn donkerste gedachtes. Opschrijven helpt nog steeds, maar gelezen hoeft het niet te worden. Misschien dat ik over een paar jaar denk: “ik ben er nu compleet overheen, nu kan ik terugblikken en eventueel mijn annalen van toen wel openbaren.” Maar die kans is klein.

Ik zit in een rare fase. Ik zoek naar mijn eigen leven. Zo voelt het. Ik was het leven even kwijt. Dat zei een dame namens Petra laatst in het TV-programma ‘Verslaafd’. Dat zinnetje trof me enorm. Ik herkende het. En nu ben ik zoekende. Van dat leven heb ik al wel weer een paar stukjes terug gevonden maar ik zoek nog steeds naar het grotere geheel en mijn eigen verstandige ik. Naar mijn gezondheid. Naar de essentie. Naar zin.

En ik ren mezelf voorbij als het gaat om houden van. Ik hou van veel mensen en ook van veel dingen. Maar van mezelf houden, dat kan ik niet goed. Nog steeds niet. Ik wil zelfs zo ver gaan om te zeggen dat ik mezelf bij tijden regelrecht mishandel. Of mishandeld heb, in ieder geval. Maar nu, nu mept mijn altijd zo braaf incasserende maar gekrenkte lichaam zomaar ineens terug. Mijn buik wil geen slecht voedsel meer. Mijn maag wil geen sloten koffie meer. Mijn lever wil geen alcohol meer. Mijn knieën willen mij niet meer dragen. Maar mijn hoofd wil het dat allemaal nog niet beseffen. Dus zoek ik.

Ik zoek ik…

En met al dat monotone gezoek ben ik momenteel mijn blogzin kwijt geraakt. Ik neem aan dat dat tijdelijk is. Het komt wel weer, dat weet ik zeker. Tot die tijd zoek ik maar gewoon een beetje verder.

Zoek, zoek, zoek…

Niksig

Zaterdagnacht. niksig
Kort voor twaalven.
En ik, ik voel me niksig.
Ach wat nou, niksig.
Nou gewoon… Als niks.
Wat kan ik nou.
Wat bén ik nou.
Wie vraag ik al niet eens meer.

De dingen die ik zou willen veranderen, blijven eeuwig hetzelfde.
De dingen die ik zou willen doen, blijven een utopie.
De dingen die ik zou willen repareren, blijven gebroken.
Dat wat ik zo graag wil, blijft altijd buiten mijn bereik.
De dingen die me grote zorgen baren, escaleren vanzelf.

Het is zinloos.
Ik ben machteloos.
Dus voel ik me niksig.
En ga maar slapen.
Morgen een nieuwe
dag waarop alles
wéér anders blijft.

Miljarden aardachtige planeten in ons melkwegstelsel, hmm?
Ik hoop dat ze er daar wat beters van bakken dan wij hier…

kniegeknoei

Donderdag tien voor zes. Klaarwakker. Ik sta op, joggingbroek, shirt en vest aan. Kinderen wakker gemaakt, ontbijten. Ik enkel een glas water en een kop groene thee, nuchterheid is voorschrift. Om kwart voor zeven duw ik de kinderen de deur uit richting buuf die op de verdere gang naar school toeziet en stappen man en ik in de auto, op naar Linz.  Half acht, aanmelding op de orthopedische poli, samen met minstens twintig andere ongelukkigen. Ene kamertje in, paar dingen ondertekenen (de man vraagt naar mijn dubbele achternaam en of ik de volgorde zelf mocht kiezen. Zou hij ook binnenkort gaan trouwen of zo?) en weer naar buiten. Wachten, wachten.  Andere kamertje in. Daar leer ik mijn operateur kennen. Operatietijd: niet voor enen. Oef. Later dan ik gehoopt had, de honger loopt al aardig te keten. Op naar de afdeling met mijn hele hebben en houwen voor eigenlijke opname. Weer wachten. Een humoristische dame namens Greti begint alvast bij alle wachtenden hun eet- en drinkwensen in de computer in te voeren. Ineens hoor ik de verpleegsters en een OK-assistent over mij praten. “Dan maar naar kamer drie verhuizen, daar is nu een bed vrij. Ja nu.” Greti krijgt instructies om eerst mijn eetgegevens op te nemen omdat ik blijkbaar nu al geopereerd wordt. Joepie! Greti is heel snel klaar met mij en kan niet vatten dat ik echt helemaal niks wil. Nee, geen avondeten. Nee, geen Kuchen. Nee ook geen ontbijt. “Ook geen soep?? U moet toch iets eten?” Ik vertel haar dat ik een speciaal dieetprogramma doe en mijn eigen eten bij me heb. Ter geruststelling bestel ik voor na de operatie toch maar een Grießnockerlsuppe, dat is een heldere runderbouillon met een soort knödel van griesmeel en ei erin. Best lekker. “U bent wel een vreselijk goedkope patiënt zo hoor!!” Ja. Fijn hè.

In kamer drie moet ik mij volledig uitkleden, zo’n achtervastknoopoperatiejurkje aantrekken en wordt mijn linkerbeen van teen tot heup ingezwachteld. “Ter voorkoming van eventuele fouten [duhhh…] en tegen eventuele trombosevorming,” zegt ze. Eveneens in kamer drie ligt een oudere dame die, als ik eenmaal alleen in het bed lig te wachten, haar kans schoon ziet om even te kletsen over wat er allemaal misgelopen is bij haar. Een nieuwe knie, ging helaas niet zo lekker en bij het röntgen hebben ze haar vervolgens zo in positie gedraaid dat haar patellapees abrupt afgescheurd is. En nu ligt ze daar al drie weken te koekeloeren, mag het bed niet uit en men probeert alle fouten krampachtig te herstellen. Ik begin te snappen waarom zij inmiddels alleen op een kamer ligt: men wil misschien liever niet dat ze elke patiënt inlicht over medische missers…

Mahmud de beddentaxi komt breed lachend binnen stommelen, roept ‘aahh ben je alweer op de verteltoer Maria??’ en vraagt vervolgens ook al naar de afkorting van mijn naam (L…..-Ba. Meer staat er niet op het etiket op mijn bed want dat was blijkbaar te lang. LouLaBa was nog helemaal niet zo’n slechte afkorting eigenlijk), over haren op patiëntenknieën (heb ik niet!! Braaf geschoren!), over de te slome lift en nog veel meer. In het voorportaal van de OK komt de narcosearts me halen en merkt op dat hij mij kent. Huh?? Ik ben hier nog nooit geweest hoor. Nee, nee, maar hij woont in mijn dorp en zijn kinderen zaten bij mij op de voetbal. Ahaaaaaaa… ik herken hem nog steeds niet maar ik krijg van hem een spuit en een mooie roze handkatheter. Langzaam druppelen de knock-outdruppels in mij. Ik weet mijn geboortedatum nog te melden en dat ze vooral mijn rechterknie moeten nemen, ik mompel mijn adres nog half en rond tienen ben ik dan echt weg. Om half één schijn ik huilend van de pijn wakker geworden te zijn op de uitslaapkamer. Gelijk een infuus met pijnstillers erin en tsjakkaaaa foetsie ben ik weer. Om iets na tweeën  kom ik bij, om half drie ben ik op de kamer. Een andere kamer want naast mij ligt nu ineens Beatrix. Bea heeft een mobilisatie van haar kunstknie voor zich, het ding wil niet ver genoeg buigen. Dat gebeurt ook onder narcose want anders is het een vreselijk pijnlijke aangelegenheid. Ze is ook al sinds de avond ervoor nuchter en sterft van de honger en de dorst, maar ze mag niks want ze weet niet wanneer ze aan de beurt komt.

Ik moet plassen maar mag het bed niet uit vanwege de drainageslangen die nog in mij zitten. Minstens tot de ochtend in bed blijven. Uiteindelijk hou ik het niet meer uit en roep de verpleegster, hoe dat dan nu moet. Ze komt met een plastic ondersteek (hoe heet dat, een bedpan?). Die wurmt ze onder mijn kont (ik moet mij optrekken aan die bungelende steun boven het bed. Pijnnn!!) en zegt “Zo. En nu plassen.” Euh… tja… euh… liggend??? Ik kan niet liggend plassen. Ik hijs mezelf overeind en probeer wel vijf minuten lang er een druppel uit te persen. Bea kijkt discreet de andere kant op. Wat een ellende. Maar uiteindelijk komt het.

Om vijf uur ligt Trix nog naast me, met hoorbaar rommelende maag. Ik krijg mijn kop bouillon met griesknödel en kan het bijna niet eten omdat ik het zo sneu vind voor haar. Maar ik heb zo’n ongelooflijke zin in iets warms dat ik de bouillon inclusief knödel in no time naar binnen gewerkt heb. Wat een heerlijkheid. Een blok van mijn eigen astronautenvoer erachter aan en ik ben weer bijgetankt. Wat zal ik nu eens gaan doen, zo zonder foon… Beatrix slaapt. Goed idee.

Om 17:45 wordt Bea eindelijk opgehaald en kort na zevenen is ze alweer terug, nog volledig onder zeil maar het OK-personeel wilde naar huis ziekenhuiszentangledus moet ze maar op de kamer uitslapen. Ik teken wat aan mijn ziekenhuiszentangle en luister naar de radio. Roxette in bed. On the drip, slangetjes die voor mijn neus bungelen. Opnieuw de plasellende (de bouillon is doorgelopen). De nacht was oké (met slaaptablet) en het eerste wat ik ’s ochtends om kwart voor zes in het halfdonker voor me zie, is Christus aan ’t kruis. Die hangt direct voor mijn neus, net als bij alle anderen hier bij de Barmhartige Gezusters. Aangrenzend aan dit ziekenhuis is het hospitaal der Barmhartige Broeders. Dat was vroeger dus the place to go voor de mannen, nu is alles gefuseerd tot één groot gemengd ziekenhuis. Christus kan ’t vast ook aan mij zien: ik moet alweer vreselijk erg plassen. Zo nodig… Maar de drains zitten er nog in  dus ik mag nog steeds niet uit bed. Wéér op de ‘Schüssel’ (zo noemen ze dat ding hier, officieel is het een ‘Steckbecken’). Wat een verschrikking. Mijn buik is sinds 4 am een soloconcert aan het opvoeren. Zo luidruchtig dat ik er zelf meerdere keren wakker van word. Alle tonen, brom- en klopgeluiden en ik hoop maar dat buuf Bea het niet hoort. 6AM: bammm, het licht gaat aan. Ik krijg een glas water en twee tabletten: een maagbeschermer en een Voltaren. Wat een geweldig ontbijt. Licht uit.

Ik merk dat het beschermingsmatje waar ik – nog steeds onderbroekloos vanwege de slangen – op lig, inmiddels redelijk nat geworden is. Blijkbaar laten mijn bedpanplaskunsten nog duidelijk te wensen over. Yuck. Ik eet de maagbeschermer en mijn dieetvoederblok met een groot glas water erbij en hoop dat dat mijn buik een beetje milder stemt. Daarna wil ik de Voltaren slikken maar die floept uit het bakje en klettert met oorverdovend getik op de grond. Scheiße… Licht weer aan (sorry buuf) en ik buig me over alle kanten van het bed. Jah! Daar ligt-ie. Denk ik.  Met enige rek- en strekoefeningen (pijn) krijg ik ‘m te pakken en slik alsnog het kleine roze tabletje, in de hoop dat het echt de Voltaren is en niet iets anders wat toevallig nog daar op de grond lag. Beatrix mag met een loopkarretje naar de WC en ik ben jaloers. Ik wil ook.

Redelijk vroeg komt ons de afdelingsarts met zijn aanhang visiteren. Hij heeft meer belangstelling voor mijn tekengedoe dan voor mijn knie en vraagt of ik denk dat ik naar huis kan. Jaaaa!! Dat kan ik hoor!! Mogen dan nu die slangen eruit??? Dat mag. De zuster komt en met een paar korte maar uiterst pijnlijke, misselijkmakende rukjes ben ik eindelijk bevrijd.  Verbinden, handkatheter eruit en whoppaaaa naar de WC. Wat een opluchting…  Ik was me, kleed me aan, prop alles in de tas en om half tien ben ik bereid voor transport. Helaas kan mijn man me pas na tweeën ophalen dus regelt de zuster een ziekentransport voor me (“wordt vergoed hoor!”, zegt ze, en ik geloof haar). Die liet ook nog op zich wachten, maar rond twaalven ben ik dan toch eindelijk thuis. Home sweet home!!!

En nu, nu heb ik een heerlijk bedje in de woonkamer, een rollator, krukken en mij op mijn wenken bedienende kinderen. Ik had ’t slechter kunnen treffen. Maar het blijft een geknoei met die knie van mij…

.

Ik was nog niet klaar eigenlijk. 
Ik wou bij deze nog wel even de zusters, dokters en personeel van het ziekenhuis der Barmherzigen Schwestern in Linz bedanken voor hun goede zorg, snelheid, adequaatheid en vakkundigheid. Tot nu toe het beste ziekenhuis waar ik ooit gelegen heb. Niet dat jullie dit ooit lezen (en al helemaal niet in het Nederlands), maar ik wil het wel even gezegd hebben.

All Hallow’s Eve

Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik een gruwelijke hekel aan Halloween heb. Ik heb helemaal niets tegen zombies, heksen, vampieren en andere donkere figuren. Integendeel. En als quasi-möchtegern-heks heb ik ook absoluut geen hekel aan All Hallow’s Eve als zodanig. Mijn aversie richt zich vooral, op het vercommercialiseren van al die ‘dagen’, de opgelegde consumptiedwang, op het verkleed  het langs de deuren te gaan om om snoep te bedelen, als zijnde weer zo’n liefchristelijke traditie. Thanks but no thanks.

Halloween stamt uit de tijd van de Kelten. Een voorchristelijk en eigenlijk heidens ritueel om de wederopstanding der geesten te vieren. Het is de avond (“Eve”) voor Allerheiligen (“All Hallows”) en aangezien de Ieren alles aan elkaar brabbelen, werd All Hallow’s Eve(ning) verbasterd naar Hallow-e’en.

Even Wikipedia citeren (is wat makkelijker dan zelf onherkenbaar herschrijven):
“In de Keltische kalender begon het jaar op 1 november, dus 31 oktober was oudejaarsavond. De oogst was binnen, het zaaigoed voor het volgende jaar lag klaar en dus was er even tijd voor een vrije dag, het Keltische Nieuwjaar of Samhain (uitspraak Saun, het Ierse woord voor de maand november). Samhain was ook nog om een andere reden zeer bijzonder. De Kelten geloofden namelijk dat op die dag de geesten van alle gestorvenen van het afgelopen jaar terug kwamen om te proberen een levend lichaam in bezit te nemen voor het komende jaar. Op het eiland Groot-Brittannië werd Halloween vooral door de Kelten gevierd. De geesten die uit dode mensen op zouden rijzen, werden aangetrokken door voedsel voor hen neer te leggen voor de deuren. Om echter de boze geesten af te weren droegen de Kelten maskers.”

Natuurlijk kon de katholieke kerk dit heidense gebruik niet verkroppen en moest zich erin mengen. Vervolgens gingen een hoop Christenen op twee november (Allerzielen dus) in lompen de straat op om om brood met krenten (zogenaamde zielencake) te bedelen, in ruil voor een gebedje voor dode familie van de gulle gever om de weg van die geliefde familieleden door de hel wat te vergemakkelijken zodat ze sneller in de hemel zouden komen. Dat gebruik was vervolgens weer mooi te combineren met die maskers en hopsakee, Halloween was ineens een kerkse traditie. Allemaal weer blij.

Toen sleepten de katholieke Ieren (en Schotten) hun heidens-christelijke gebruik op de boot mee naar Amerika, waar de boel uit- en omgebouwd werd naar wat het nu is: een overtrokken leur- en bedelfeest. En aangezien wij blijkbaar nog steeds maar al te graag alles van Amerika kopiëren, wordt ook deze “traditie” hier nu met beide kinderhandjes aangegrepen om je te beschilderen en in het zwart met een hoed of een litteken op je wang om “Süßes oder Saures” of “trick or treat” te bedelen.

Wat mij dus ook een doorn in het oog is, is dat men hier eigenlijk Allerzielen (de herdenking van de doden, of liever gezegd: het feest van het bidden voor degenen die in het hellevuur branden, jaja…) op Allerheiligen (de herdenking van de gemeenschap der heiligen, een feest dat in 835 al werd ingevoerd door Louis Le Pieux, ofwel Ludwig “de Vrome”) viert. Niet omdat ik nou zoveel heb met die heiligen, maar het is wéér zo’n dingetje van de katholieke kerk. Eén november is ten eerste makkelijker te onthouden dan twee november. Dat voor alle suffies onder ons. En een mooiere dag voor een katholieke feestdag dus, zo direct grenzend aan dat heidense gebruik (foei). Daarnaast werd op die dag werd er door Paus Gregor III ooit één of andere kapel in de Sint-Pieters-Dom officieel ingewijd en vanaf toen begon men alvast op één november met het doden herdenken en groeide één november uit tot dé feestdag, i.p.v. twee november.

triquetraMoeten ze fijn doen. Maar niet op mijn verjaardag. Toevallig. Waarom moet ik nou exact op één november naar de kerk en het kerkhof om doden te herdenken? Ik herdenk de mensen die ik wil herdenken op de tijdstippen dat ík daar behoefte aan heb. Niet op een voorgeschreven dag, tijd of plaats. En ik wil niet de dag ervoor als herrezen zombie of halfdood skelet om snoepjes bedelen om de volgende dag vroom op een kerkhof te gaan staan ‘herdenken’. Ik ga liever een rondje dansen in mijn met kaarsen omringde triquetra.

Val dood met je Halloween.

Hartkloppingen

noteEven checken. Waar is ie. Ik woel in mijn tas. Een typische vrouwenhandtas, groot, model zwart gat. Ik graaf. Borstel, stoffen zakje met EHBO-prut en make-up-spul, grote portemonnee, iets kleinere portemonnee, brillenetui nummer één (voor brillen), brillenetui nummer twee (voor de reservebatterijen van mijn mobiel), kauwgumpjes, paspoort, noodsetje (deo, muggenspul – hé dat kan eruit – en mondspray), zakdoekjes, alles moet SOFORT moven. Uit mijn weg. Waar is ie nou…

Mijn hart gaat sneller kloppen. Ik sta met mijn karretje midden in het gangpad van de Aldi en kan geen stap meer verzetten. Waar… Ik hyperventileer licht. Hij is er niet… Nergens te vinden… zal wel uit mijn zak gegleden zijn in de auto. Dat moet haast wel. Ik hou het niet meer uit, laat het muntloze karretje met drie produkten erin in het gangpad staan en draaf naar buiten. In de auto zit het hart in mijn keel: ik zie ‘m niet… Niet op de stoel, niet in de spleet ertussen, niet op de grond. Ik ga zitten en sluit mijn ogen en mompel hardop. “Kutfokkkkut, ik zal ‘m toch niet in het ziekenhuis verloren hebben… in het trappenhuis had ik hem nog, dat weet ik zeker. En die man bij de betaalautomaat in de parkeergarage, die stond wel verrekte dichtbij om me te helpen toen dat stomme apparaat mijn briefje van vijf niet wilde accepteren… oh nee… het zal toch niet, hè…” Mijn hart gaat te keer als dat van een hitsige kolibrie. Ik stop de sleutel in ’t contact, dan maar terug rijden naar het ziekenhuis. Op hoop van zegen dat ze ‘m toch ergens gevonden hebben… Als ik de gordel vast wil maken, zie ik een oranje streep achter dat klikding. ORANJE BOVEN!!! Mijn flipcover is namelijk oranje. Mijn gelukspoppetje bungelt gelaten ernaast.

De opluchting is bijna tastbaar. Ik aai ‘m (nou ja, quasi) en steek hem dan in mijn binnenzak. Rits dicht. Van mij. Mijn hersenen en mijn leidraad, mijn agenda en mijn personal organizer, mijn maatje en entertainmentapparaat. Dan merk je pas hoe verknocht je aan zo’n stom stuk techniek bent. Ziek…

Zwemleed

Maaiende armen, uitslaande benen, boze blikken, blauwe schenen. Sinds een paar weken ga ik op maandagochtend zwemmen. Het is op dit moment zo ongeveer de enige sport die ik nog kan beoefenen met die verrotte knieën van mij en het is gewoon goed voor me. Het enige nadeel is dat ik a) op maandagochtend nu dus standaard in de file sta want het ‘vroegzwemmen’ is van 7 tot 9 am en om die tijd willen mensen normaal gesproken naar hun werk. En het b)-nadeel is dat ik tussen de bejaarden door moet harken.

Dat laatste kan ik inmiddels – beweer ik met gepaste trots – behoorlijk goed. Ik heb mezelf een redelijk ‘rustige’ en minimaal spetterende crawl-stijl aangeleerd en ik maak hier en daar een praatje met de ouwetjes om ze goedgezind te stemmen. Zo zwemt er een oud rimpelig mensje in knalrood badpak – ze ziet eruit als een doelloos ronddrijvend roma-tomaatje met armen – standaard op haar rug. Op zich geen probleem, ware het niet dat ze haar armen niet in zwemrichting beweegt maar in een hoek van 90° op haar bolle lichaampje op en neer peddelt en daarbij ook nog eens als een Aïda-lookalike het halve bad door kruist. In eerste instantie ergerde ik me daar ook mateloos aan, maar ze is een lief mensje, ze kan niet anders en ik duik er wel onder door als het nodig is. Vindt ze prima. Een minstens vijfentachtigjarige kale knakker zwaait altijd gelijk als ik binnen kom: ik mag wel in zijn baan zwemmen. Lief, maar ik blijf lekker bij mijn rooie cruiseschipje. Die zwemt zo langzaam dat ik daar volledig berekenend omheen en onderdoor kan. Bij die knakker vermoed ik daarentegen andere motieven.

zwembadwaterZigzaggend trek ik zo mijn baantjes. Het gaat ook duidelijk vooruit met mij: in het begin zwom ik vijftien baantjes in het vijfentwintigmeterbad en vond ik het wel ju. Vandaag heb ik er al zesendertig gezwommen. En volgende week zwem ik er veertig. Da’s dan wel mooi een kilometer! Plus de nodige beentraining aan de rand van het bad. Ik zwem. Zij zwemmen. Wij zwemmen. Gestaag en redelijk harmonieus maaien we gezamenlijk het bad door.

Tot er ineens een overmatig gespierde, hevig behaarde man – ik schat ‘m een jaar of vijfendertig – met nogal krap speedo-broekje (ja, ik let op dat soort dingen) en dito badmuts op de badrand staat en met vol geweld tussen ons bejaarden duikt. Hij zwemt zo agressief dat de ouwetjes verschrikt midden in het bad blijven hangen. Eén krijgt een mep tegen de elleboog, een ander verslikt zich in het opspattende water. Ik krijg terloops nog een wappertrap tegen mijn schenen. Hij maakt aan het eind van zijn baantje van die professionele duikeldraaibewegingen om zich dan hard tegen de rand af te zetten voor de retourreis. Dat kan op zich een heel gracieuze beweging zijn maar deze aap maait zo hard met zijn benen dat er bij elke draai een fontein van minstens tweehonderd liter badwater over de rand zwiept.

Rode oma vlucht naar de kant, kijkt mij wanhopig en hulpbehoevend aan. Eh… tja. Ik kan die man moeilijk zeggen dat hij hier niet mag zwemmen. Maar een beetje rekening houden met het andere, deels dobberende zwempubliek zou niet weg zijn… We praten even, over de “Rücksichtslosigkeit” van de jeugd van tegenwoordig, gheheheh (en ondertussen voel ik me stokoud). Ze moet duidelijk haar frustratie-ei even kwijt. Ik ginnegap dat het zwembad, als die kerel nog even zo doorzwemt, zo meteen sowieso leeg is. Ze kijkt enkel ietwat bedremmeld. Aangezien wij allemaal aan de kant hangen te koekeloeren, ziet meneer dat het zwembad nu redelijk mensenvrij is en begint abrupt met zijn vlinderslagtraining. Ik kijk naar Romaatje met een blik van: “Zie je wel! Al bijna leeg!” en zie nu tot mijn grote vreugde dat de badmeester op hoge poten naar de vlinderman loopt. Zo gauw die bij de rand aangekomen is, tikt hij hem niet al te zacht met zo’n zwemstang op zijn hoofd en zegt: “SO NICHT!!!” Vlinderslag mag namelijk alleen in de afgescheiden snelzwembanen, niet tussen ons sloomzwemmertjes door.
“Maar die banen zijn allemaal bezet!”
“Dan heeft u pech gehad; moet u maar wachten. Maar op deze manier zwemt u alle anderen hier overhoop”, waarna de badmeester met grote stappen en een norse blik weer weg beent.

Wij kijken allemaal vergenoegd en breedgrijnzend naar de nog nasputterende man, die zich vervolgens nergens iets van aantrekt en stoïcijns doorgaat met terreurzwemmen. Alleen niet meer in vlinderslag. Een mini-overwinning. Hopelijk gaat hij volgende week ergens anders fladderen.

geen titel

Ik kan effe geen titel meer bedenken. Ik ben leeg. Na twee volledig gestresste verjaardagdagen is de koek op. Deze hele week was al een crime, maar gisteren en vandaag spanden de kroon.

24-10-13. Zoonlief is jarig. 5:50h opstaan om om 6:30h aan het verjaardagsontbijt te zitten, want dat hoort zo: kadootjes en verse broodjes, een partykaarsje en een bloemetje naast het bord. Kort na zevenen de deur uit, schoolsores. Hij wil voor het naar buiten lopen nog wel even weten waarom hij op zijn verjaardag in vredesnaam naar school moet. Dat is toch onzinnig, op zo’n speciale dag??? Tja…

Half twaalf: na een hoop werk (zowel zaak als vrijwilligerswerk) scheur ik met een noodvaart naar de supermarkt want ik bedenk me dat ik daar vrijdag helemaal geen tijd meer voor heb én dat zaterdag hier een feestdag is (vergelijkbaar met bevrijdingsdag) dus alles dicht. De ene helft vind ik niet, de andere vergeet ik. Gaat lekker.

Half één: dochter komt thuis. Ik sta inmiddels wat klungelig voor te bereiden voor het verjaarspartijtje van dochter. Ik had bedacht dat we maar megakoekjes gaan versieren. Een bordvullend zandkoekje. Daar moet ik er dus ook nog even snel snel twaalf van fabriceren. En al mijn eetbare dekospul bij elkaar zoeken. Half twee: zoon ophalen. Als ik hem niet ophaal, heeft hij niet meer genoeg tijd om zijn huiswerk af te krijgen (met de bus duurt het drie kwartier langer). Samen leren voor de toets Engels van morgen (vrijdag dus). Elke keer opnieuw goed voor tranen. kwart voor vier: dochter in een sportbroek gehesen en naar de gym. Door naar de supermarkt om de vergeten cq. niet gevonden spullen nog in te slaan. Dochter opgehaald, kwart over vijf weer thuis. Zoon in sportbroek gestouwd en om kwart voor zes naar zijn allereerste judoles gebracht. Bleek dat de ouders moesten blijven. Al die tijd nog niks gegeten: geen tijd gehad. Ook niks gedronken, spreekt voor zich. Om kwart over zeven weer thuis. Ik flikker mijn tas in de hoek, smijt de friteuse aan (zoon wil frietjes en nuggets als verjaardagseten) en ik flans een koolsalade in elkaar. Om kwart voor acht eten we. Eindelijk. Lekker vet.

Bij het eten zie ik een klein flikkerend rondje, dit keer midden in mijn blikveld en weet ik al hoever het weer is… Ik neem drie paracetamollen tegelijk in. Ja drie, anders helpt ’t geen bal. Het rondje wordt groter en groter. Dan verdwijnt het en een minuut of tien later komt de hamer. BOEM. Gevloerd. Ik strompel het bed in. De hoofdpijn is nu – dankzij de para’s – een dof dreunen. Ik val met kleren aan in slaap, om kwart over tien word ik weer wakker. Naar beneden om nog het hoogstnodige te doen (tafel dekken voor vrijdag, vaatwasser aan zetten), douchen en dan echt slapen. Nog niks gedaan voor morgen… Maar ik kán simpelweg niet meer.

Vrijdag, 6:15h. Wakker met hoofdpijn. Gelijk weer twee paracetamollen erin. Een kop koffie en een cracker en dan moet het maar goed zijn. Man brengt zoon naar school. Om 7:15h is iedereen weg en wapper ik in mijn ochtendjas door het huis: opruimen, tafel leegruimen, stoelen van boven naar beneden en van de kelder omhoog slepen. Twaalf kinderen, da’s geen kattenpis…

Om half negen sta ik alweer in de school van zoon: ophalen voor een tweede gesprek met de kinderpsychologe. Half elf: zoon terug gebracht naar school. Tien over half elf: dochter en vriendinnetje ophalen van school, vriendinnetje naar huis brengen en dan als een haas naar huis om te beginnen met alles wat nog moet voor het verjaardagspartijtje van dochter (anderhalve maand later, maar dat is redelijk ‘snel’ voor mijn doen). Taart bakken (op bestelling van madam: Schwarzwälder-Erdbeerkuchen met veul chocolade) en maken. En natuurlijk decoreren. Tafel dekken voor twaalf. Voorbereiden. Matras naar beneden slepen voor de film. Drinken koud zetten, tafel versieren, etc.

Om twee uur zijn ze alle twaalf binnen. Taart met limo, kadootjes verstoppen en zoeken, de megakoekjes versieren, buiten verstoppertje spelen en voetballen, een film kijken met popcorn en chips (die overigens natuurlijk NIEMAND heeft afgekeken: toen de chips en de popcorn op waren, was het interesse weg en racete driekwart van de kids naar buiten. Ook prima; totally fine with me. Amuseer je maar lekker hoor.) Ik maak frieten en knakworstjes klaar, de meute eet weer eens wat (hoe past het er in vredesnaam nog in…). Er wordt nog halfenthousiast hier en daar gespeeld en om goed zes uur vertrekt de laatste (op één speciaal vriendinnetje, dat blijft slapen, na).

Puinruimen. Stofzuigen. Schoonmaken (vooral de WC, pfoehh eyy…). Bed maken voor vriendinnetje. Drie bakken fruit maken voor de kinderen, zodat ze toch nog íets gezonds eten vandaag. Verder opruimen. Dames in bed stoppen (Zoon gaat inmiddels zelf naar bed, yesss). En nu: Plof. Crash. Diepe zucht. Ik ben er helemaal klaar mee. Volledig. Morgen doe ik niks (nou ja, de hele dag huiswerk maken met zoon, maar verder…).

Oh en als u zich afvraagt waar man was in dit hele verhaal: die was mijn kapotte ruitenwisser repareren bij een vriend die dat soort dingen kan (koud lassen heet dat geloof ik).
En dat kon alleen op deze vrijdagmiddag.
Vanzelfsprekend…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.

Radioactive!

de song van ‘Imagine Dragons’ spookt de hele dag door m’n hoofd. Ik ben er veel mee bezig, met die radioactiviteit… Volg het nieuws uit Fukushima op de voet. Weer een voorval. Maar ‘alles is in de reactor gebleven’… Tuurlijk, tuurlijk. Die driehonderd tonnen zwaar radioactief water die er en passant nog even uitgedruppeld en in zee gespoeld zijn, zijn sowieso peanuts. Toch? Druppels in een oceaan die al lang en breed straalt als een supernova.

Niemand heeft het over de staven in reactor nummer 4, de reactor waar niemand meer in kan en waarvan niemand weet hoe het er binnenin aan toe gaat. De staven waarvan, volgens de berekeningen van de ‘experts’, de beschermende zirkoniumomhulsels in verregaande staat van ontbinding zijn en waarvan men vermoedt, dat ze uiterlijk over anderhalve maand volledig zullen smelten en de hitte die daarbij vrijkomt zoveel stoom in de reactor zal produceren, dat de hele boel met een gigantische klap uit elkaar springt, waardoor er een aarde-omspannende wolk radioactiviteit de atmosfeer in als mede een enorme golf onvoorstelbaar radioactief water de zee in geblazen wordt. Niemand heeft een oplossing. Niemand wil het geld voor het snel vinden van een oplossing zelfs maar op tafel leggen. Dus zwaai maar dag met je handje, zolang je nog kunt…

Doemscenario’s. Andere kant van de wereld? Dan niet meer hoor… Maar afgezien daarvan hebben we hier om de hoek ook zo’n heerlijke kerncentrale. Een oud krot, zo goedkoop mogelijk gebouwd door de Tsjechische regering, met een hoop subsidie van de staat. Een kerncentrale met aan de lopende band incidenten die allemaal vakkundig onder de Tsjechische tapijten geveegd worden. Dat dan wel weer. De verdere uitbouw van Temelin in de zeer nabije toekomst was al in kannen en kruiken: nogmaals vier grote reactoren graag! Joepiehie…duhhuhh…poepie. En dat hemelsbreed slechts vijftig kilometer verderop… Eindelijk, EINDELIJK heeft de EU nu eens een ‘goede’ beslissing genomen: De subsidiëring van kernenergie en van de bouw van nieuwe reactoren is niet langer toegestaan. Daarmee zijn de geplande Temelin-reactoren al vóór de bouw onrendabel en zullen ze er dus niet komen. Mede dankzij de petitie van Global2000 tegen de subsidiëring (die ik vanzelfsprekend ook ondertekend heb, en vele tig-duizenden met mij). Maar ook dit is slechts een druppel…

kaliumjodidGerustgesteld ben ik niet. Integendeel. Ik kijk met lede ogen naar Japan. En ook naar het laatste ongelukje, daar vijftig kilometer verderop. Ten gevolge van Tsjernobyl kunnen we hier in Oberösterreich bijvoorbeeld nog steeds geen truffels (de paddenstoelen hè) eten: streng verboden, nog steeds té radioactief als gevolg van de wolk die destijds, 27 jaar geleden op de bossen en weilanden hier neerdaalde… Zevenentwintig jaar!

Laatst heb ik mijn voorraad kaliumjood-tabletten maar eens hernieuwd. Ik had één pakje thuis, destijds via school opgedrongen gekregen. Maar kaliumjood moet je hier in onze contreien inmiddels standaard in huis hebben, voor het geval er weer eens een kernrampje of iets dergelijks gebeurt. De tabletten zorgen er dan voor, dat de schildklieren geen radioactief jodium op kunnen nemen. Vooral bij kinderen ontstaat er dan namelijk vaak en vrijwel direct de heel agressieve schildklierkanker. Bij de apotheek werden mij voor vier personen gelijk acht pakjes in de handen gedrukt. “Neemt u maar, ze zijn inmiddels gratis. Iedereen móet ze nu hebben. Nieuw voorschrift.”

Oh…Hoe geruststellend. Not…

Mijn voorraad drinkwater in de kelder (tot voor kort zo’n tachtig liter) heb ik nu dan ook maar opgeschroefd naar de tweehonderd…
Niet dat het ook maar een bal helpt, want het liefst ga ik dan maar gelijk de pijp uit in plaats van alle ellende nadien mee te moeten maken. Maar ja. Voorschriften hè…

Eens kijken hoe zeer we met zijn allen stralen over anderhalve maand. Van het lachen zal het niet zijn…

The end of an era.

cryingeyeIk snap het weer eens niet. Komt vaker voor. Call me stupid, call me blond, maar soms snap ik er echt de ballen van. Je denkt: “Dit is voor altijd. Vanaf nu voor altijd. Nú zit het echt goed.” Je hebt wat problemen, je eigen sores, zorgen om je kinderen, ziekte, liefde, grenzen verleggen. In jezelf gekeerd.

En dan ineens knalt er een rotje. Oorverdovend, net naast je oor. BAFFFFF!!!! Geschrokken opzij kijkend denk je: “shit, wat da foek was dat”. Dat was een vriendschapsverband, dat weer los schoot. Net stevig vastgeknupt, nu weer on the loose. Ik kan hier dus niet tegen… Er zijn mensen op wie ik moet kunnen bouwen. Vertrouwen. Terugvallen. Mensen die er eens zijn, en er ook altijd zijn. Al ben ik zelf wel eens afwezig of met anderen bezig, ben ik in mijzelf gekeerd of door wroeging verteerd, ik bén er. En ik blíjf er. No matter what. Groepen die een eenheid vormen. For better or for worse. Waardevol.

Vrienden zijn er ook in mindere tijden. In tijden van weinig contact. Vrienden zijn de bloemen in je levenstuin. Ze bloeien zomaar, ineens, en op die tijden dat je het nodig hebt. Een echte vriend grinnikt over je grooooote verhalen, ook al zijn ze eigenlijk helemaal niet zo groots. En een echte vriend leeft met je mee als je diep in de problemen zit, ook al zijn die problemen óók niet zo gigantisch. Maar weg gaan, juist in de tijden dat je het moeilijk hebt, dat hoort er voor mijn gevoel niet bij…

En nog zo’n mooi cliché: een goede vriend is als de maan. Je hoeft hem niet altijd te zien, soms is-ie verscholen achter de hele wereld, soms wat onbeschenen en dus onschijnbaar, maar je weet gewoon dat hij er is…  En dat is wat ik nodig heb. Iemand waarvan ik weet dat hij/zij er is. No matter what. Niet weglopen uit de cirkel als je het gevoel hebt, in dat kringetje even niks te kunnen betekenen. Niet die oh zo belangrijke band doorbreken…

Een einde.
Weer eentje.
Maar oké.
Je bent niet weg.
Gelukkig niet.
Alleen moet ik
de nieuwe constellatie
éven verwerken.
Time. Place.
Will be.

maar het blijft
een dingetje…

zeven miljard

Een paar maand geleden heb ik het meest recente boek van Dan Brown, Inferno, gelezen. (Ja ja, ik lees ook dat soort literaire pulp). Hoewel de boeken van Brown – naast best wel aardig spannend – altijd redelijk extreem geprofileerd zijn, ben ik elke keer weer gefascineerd door de zogenaamde facts die er in opgerakeld worden. Afgezien van het feit dat de bad guy (of was het nou toch de good guy?) snel even de batterij uit zijn iPhone haalt (diep respect…) kan ik, blond naïevelingetje, van de rest niet gelijk zeggen of het geloofwaardig is of niet. Ik voel dan ook elke keer weer een sterke drang om even een rondje fact-checking doen: wat van al datgene wat de goede man in zijn boek beweert, is ook écht zo? En dan gaat het me niet eens zo zeer om de culturele dingen (die slik ik wel, ik cultuurbarbaar. En even wikipedia surfen voor wat betreft Florence, Instanbul en Venetië does the trick as well) maar in dit boek vooral om de demografische beweringen. In zijn boek heeft Brown het over de snel toenemende overbevolking van de aarde en over een beweging namens Transhumanisme, die eigenlijk best erg aan de nazi-denkwijze herinnert.

Transhumanisme, de angstaanjagende beweging en filosofische denkrichting die de grenzen der menselijke mogelijkheden en de perfectionering van de mens zelf wil verleggen door de inzet van technologische procedés. Genetische manipulatie om tot de ultieme mens te komen. Daarnaast neemt de mens het heft in de hand inzake reproductie: men wil eveneens door genetische manipulatie ervoor zorgen dat enkel gezonde, sterke kinderen ter wereld komen.

7miljardIn het boek van Dan Brown schijnt echter de angst van deze ‘beweging’, dat de gewenste technologische perfectionering van de mens nooit plaats zal vinden omdat de mens zichzelf al lang van tevoren uitroeit, de overhand te nemen. De demografische groei van de wereldbevolking is blijkbaar zo schrikbarend en volgens de gepresenteerde data zowat meer dan exponentieel, dat wij al op zeer korte termijn niet meer in staat zullen zijn om onszelf te voeden en in leven te houden. De vervuiling zou niet eens relevant zijn omdat de mensheid volgens de opgeworpen theorieën binnen honderd jaar uitgestorven zou zijn. Veel te vroeg voor de transhumanisten om hun genetisch perfectionisme in realiteit om te zetten.

En daar is waar Dan Brown volgens mij en vele anderen de mist in gaat. De wereldbevolking stijgt vooralsnog inderdaad en ís ook meer dan sterk gestegen in de afgelopen anderhalve eeuw. De zenit schijnt echter ergens rond 2050 te zijn. Daarna neemt de bevolking volgens de demografische experts in rap tempo af. Niet omdat we dan niks meer te vreten hebben maar omdat in praktisch alle landen de geboorteratio’s zelf door sterke vergrijzing ineens schrikbarend snel teruglopen. Dat is in veel landen nú al het geval. De ‘westerse’ wereld heeft inmiddels zwaar te kampen met die vergrijzing. In Japan worden bijvoorbeeld al sinds tijden meer seniorenluiers dan babyluiers verkocht! En de aarde op zich ís niet eens overbevolkt. Ze heeft enkel te lijden onder een heel slechte oppervlakteverdeling van die bevolking. Als we alle mensen ter wereld – nu zo’n zeven miljard!! – in Oostenrijk zouden proppen, hoe hoog zou de piramide dan zijn? Got ya!! Er zal helemaal geen piramide zijn. Iedere mens zou nog steeds elf (!) vierkante meter op de begane grond ter beschikking hebben. En de rest van de aarde zou dan dus volledig mensenvrij zijn. Het gaat er ook niet om hoeveel land iemand ter beschikking heeft maar om de footprint, de hoeveelheid aardoppervlak die de mens nodig heeft om in zijn/haar gevoelde basisbehoeften te voorzien. En die footprint is voor de gemiddelde mens te groot: we leven op te grote voet. Maar wij produceren met zijn allen op dit moment al wél meer dan voldoende om krap 10 miljard mensen te voeden. Ja, inderdaad. Zó veel wordt er zinloos weggeflikkerd…

We zouden dus duidelijk beter om moeten gaan met dat wat we hebben. Minder nutteloos verbruiken. Minder ongebruikt weggooien. De verdeling van de bevolking over de aarde zou verbeterd moeten worden. Weet iedereen eigenlijk wel. Maar jemig, hoe dóe je zoiets?? Daarover heeft men nog steeds geen idee. Globaal gezien dan. Op micro-niveau weet iedereen wel enigszins hoe het moet, he diet je allerbeste best om in ecologisch zo goed mogelijk te leven. Afvalscheiding, bio-gedoe, zo min mogelijk plastic, duurzaam verbruik, groene energie (we hebben gisteren onze energieleverant ingewisseld voor een nieuwe: eentje met hoofdzakelijk energie uit waterkracht. Yeah). Het begin is er. Maar enkel in je eigen kikkerlandje, een speldenprik op de wereldbol. Om van de schaliegaswinningsintenties maar even niet te spreken…

En als je dan een aantal berichten leest over iets onbekends als de neodymium-winning in China, hét goedje dat nodig is om de sterke magneten te fabriceren waar onder andere al onze windmolens – onze ‘schone’ energievoorzieningen – op draaien maar wat bijvoorbeeld ook voor magneten in harddisks en voor fluorescerende lampen gebruikt wordt, en dan ziet wat voor puinhoop ze er van maken om maar zo goedkoop mogelijk te kunnen leveren, dan ga je heel hard janken. Janken van ellende, de ellende die onze aarde pas écht om zeep helpt. Niet omdat er teveel mensen op wonen maar puur omdat de mens als zodanig teveel belust is op eigenbelang en winst. Niet die arme kloothommels die dag in dag uit in de vrolijk doorstralende zee van uranium en thorium (een paar van de radioactieve nevenstoffen die vrijkomen bij de winning van neodymium) staan te baggeren, die mensen hebben geen enkele keus. Ach ja, toch wel: nu van de honger dood omvallen of over tien jaar gevild worden door de kanker. Een geweldige keus. Nee, niet die mensen. Maar wel de exploitanten die dat neodymium, dat overal in de aarde zit maar waarvan de winning hier te lande met zoveel reglementen en voorschriften gepaard zou gaan dat het spulleke onbetaalbaar wordt, met gruwelijk harde hand en volledig onverantwoord uit moeder aarde persen om maar winstgevend te kunnen leveren. Een kolossale ramp die verdekt blijft omdat de rest van de wereld profiteert van het feit dat die ellende ‘mooi daar’ blijft. Je wilt niet weten hoe de aarde er daar uit ziet. Of eigenlijk wil je dat wel…

En dat is slechts nog maar één voorbeeld.
Waar zijn we in vredesnaam mee bezig…

*blogje op mijn old school van neodymium-magneet voorziene harde schijf opslaat…*

 

bang verdriet

tears“mam, ik ben zo bang…
bang dat ik alles fout doe…
bang dat ik iets vergeet…
bang dat ik niks kan…
bang dat ik het niet weet…”

“mama… ik ben zo bang…
bang dat ik iets kapot maak…
bang dat jullie dood gaan…
bang dat iemand inbreekt…
bang om voor gek te staan…”

“mams… wat moet ik nou…
moet ik echt harder worden?
of gewoon maar nooit meer wakker?”
onkinderlijk groot zijn de zorgen.
van mijn oh zo lieve arme stakker…

Zo gruwelijk verdrietig en onzeker, zo verschrikkelijk onder druk. Dichtklappen, niks meer kunnen zeggen. Toch maar iets opschrijven, op goed geluk… Maar zo gaat het niet langer, dit gaat niet goed. Je kind zo te zien lijden, werkelijk waar, mijn moederhart bloedt. Het enige wat ik kan doen is helpen, alle hulptroepen aanslepen. Hem toch maar weer opbeuren door al zijn goeds te onderstrepen… Maar soms weet ik het echt niet meer, is mijn engelengeduld op. Kijk ik enkel nog vol emotie naar zijn geworstel en getob. Sluit ik mijn ogen, terwijl ik me achter mijn handen verschuil. Opdat hij niet ziet hoe hard ik om hem huil…

..

(c) Lou

Paardrijklets

paardkletslesVoor haar verjaardag had dochter een prachtige kadobon voor een ‘eerste paardrijles’ gekregen. Ik wist inmiddels ook al waar: een oude boerderij met paardenstallen en een manage, een goed kwartier rijden hier vandaan. Ik had gisteren gebeld of vandaag oké was en dat was ‘t. Joviale boer aan de lijn: “dan moej miene vrouw hebb’n, die goat over de afsproaken” (en dat dan op z’n Mühlviertlerisch hè). Mundart noemen ze dat. Mund-Art. Dialect. Ik heb er wel een jaartje of twintig over gedaan voordat ik zo’n beetje alles kon verstaan en nog zijn er veel woorden waar ik ineens weer van opkijk. Zo is bijvoorbeeld a neichtl zoiets als ‘een poosje’ of ‘eventjes’, een Bissgurn een ruziezoekende en altijd kijvende vrouw, Gschloder is slappe koffie/bocht en  een Schlampatatsch is een onordelijk persoon (een smeerderk 🙂 ). En zo kan ik nog wel even doorgaan. Op de vrijgezellenavond voor ons huwelijk moest ik van de buren een twintigtal woorden ‘ontcijferen’, anders mocht ik niet met een Oberösterreicher trouwen want dan zou ik mijn man nooit begrijpen. Gelukkig wist ik van het merendeel inmiddels al wel wat het was en met een beetje hulp van man wist ik de rest uiteindelijk ook. Maar van mijn man snap ik nog steeds geen bal. En het blijft elke keer opnieuw een avontuur om met een echte inboorling te converseren.

Zo ook vandaag. Rond kwart over drie komen we de rijhal binnen lopen, geen idee waar we ons moeten melden. Een aardige dame in rijbroek brengt ons naar het woonhuis zodat we kunnen beginnen. De boer des hoeves, ik schat hem op zo’n 75 jaar, zit in de keuken uitgebreid te kletsen met een buurboer. Over paarden en aardappels en de kwaliteit van het hooi. De dame laat ons in de keuken achter en wij wachten braaf tot meneer zich tot ons wendt. Mén wat duurt dat lang. Kort voor half vier merkt hij ineens dat we er nog steeds staan. “Ach jaaa, die Deerne die reiten lernen möchte. Mensch, mei… bist ’n du nu klan…” [“wat ben jij nog klein!”, een zinnetje waar dochter o.h.a. erg pissig van wordt] Er wordt een oude rijhelm tevoorschijn getoverd (one size fits all, one size smells all) en dan gaan we het paard zadelen. Het paard voor dochter heet Relief, zo staat het op de box. Ik dacht “oh. Opluchting, mooie naam, vast voor een rustig paard”. Toen bleek dat het als reliëf uitgesproken werd. Jeujjj… een hobbelpaard…

Relief blijkt wel gehoorzaam en geduldig. De man ratelt aan één stuk door. “Lady, je moet je bips optillen. Rechtop zitten. Paardrijden is geen lolletje, het is een sport, je moet je best doen. Paardrijden doe je met je benen en je houding, niet met je mond. Jij denkt dat je dat allemaal wel even snel kunt, maar zo werkt dat niet. Geduld. In de takt bewegen!! Nee, da’s te snel. Opletten!!” enzovoort. En dat allemaal in zwaar dialect. Dochter verstaat de helft niet maar doet alsof haar neus bloedt en gaat gewoon door. Af en toe zie ik haar even inkrimpen maar dan ook gelijk weer die rug recht en doorrrr. Ze vindt het zelfs leuk, lijkt het.

Na een dik half uur aan de longe rijdt ze op het paard terug naar de stal. Stop and Go kan ze in ieder geval al. Nu afzadelen. Man raakt in gesprek met de boer alias manegehouder. Das war ein Fehler… De man houdt niet meer op. Over werk en écht werk. Over alle managementfoezzies die overbodig zijn, de wereld heeft techneuten en paardrijders nodig. Het liefst paardrijdende techneuten. Die krijgen tenminste iets voor elkaar. En of boer huppeldepup in Schweinstein nog een tractor zus en zo heeft. Wat man doet voor werk. “Euh, leraar en techneut”. Aaaaah je ziet het boerengezicht opklaren. Een techneut! Helemaal goed. Kan man ook nog paardrijden? Nee. Oh. Da’s weer minder. Dochter gaat met een ander meisje mee, kijken hoe die paard rijdt. Ik versta alles wel maar ik ken al die boeren uit de omgeving niet én ik ben geen techneut dus ik sta er een beetje naast te dreutelen. Uiteindelijk, na een dik half uur mühlviertlerisch geratel, zegt hij ineens: “Oh ja. Betalen.” Man ziet z’n kans schoon en gaat snel kijken waar dochter uithangt. Ik ben de pineut en moet mee naar de keuken uit het jaar 1873. Betalen is mijn zaak blijkbaar. Oh wat zijn we heden blij…

De keuken is al een belevenis op zich. Een plafond waar ik bijna m’n hoofd stoot, een rioollucht van heb-ik-jou-daar, scheef hangende houten kastjes waar een houtworm nog geen droge spaander in zou kunnen vinden. Een eveneens eikenhouten kruis (mét Jezus eraan, natuurlijk) van bijna een meter lang aan de muur met een twintigtal overlijdensadvertenties sierlijk er omheen gedrapeerd. En een ouderwetsche spaarlamp boven de tafel. Mocht ook niet ontbreken natuurlijk. Gezelligheid ten top. Manegeboer gaat op de hoekbank aan tafel zitten en kijkt me ‘ns aan. “Du bist ja eh ned vo do, oda??” Nee, ik ben niet van hier. Ik kom uit Nederland. “Aaaaahhhh!!! Holland!! Na da muaß I di woas vazöhn.” [dan moet ik je even wat vertellen – Red.] Ik wíst het: ik had gewoon moeten zeggen dat ik doofstom ben. Niet van Nederland, ik stomme koe.

En daar gaat-ie weer.
Over zijn feestje in 1968 in Nederland. Zes Nederlanders en 3 Oostenrijkers. In Lelystad, dat toen net gebouwd werd volgens hem (klopt ook nog geloof ik). Er was net een café open en daar zaten ze, de bierzuipende Oostenrijkers met die drooggelegde Nederlanders. En met allemaal een 0,3l limonadeglaasje (“ein fluuu-ietje, whaahahaha“) pils voor hun neus. Waar ze dus ook met zijn zessen danig op keken, op die neus. Of de waard geen fatsoenlijk glas had. Nee, alleen dat ene 2-liter-sierglas van het Oktoberfest op een plank aan de muur. Nou, kom maar op dan, met dat glas. En die slappe pils, die drink je in één keer op. Ook twee liter. En nog een keer twee liter. En nog een keer. En die Nederlanders maar kijken. Oh en jemig, die Nederlanders zijn zoooo groot, hè!! Alle mannen zijn minstens twee meter. Hoe lang ben jij eigenlijk?? Ook wel minstens 1,90m hè? [euhh… nou euhh, ik ben wel groot maar niet zó groot]. Komt door al die overbemesting daar. Alles wordt megagroot. Mensen, Kartoffeln… Wel 200 liter pure mest per vierkante meter. In Oostenrijk is dat maximaal 80 liter. En dan krijg je zúlke Kartoffeln hè [zijn handen ongeveer 30cm uit elkaar houdend om ons hollands formaat aardappels aan te duiden] – allemaal voor die Kartoffelchips want daar heb je grooooote Kartoffeln voor nodig. En die grond daar in de polder, die is allemaal van de gemeente, en dan moeten de boeren wel duizend D-Mark (“Jullie hebben toch ook D-Mark??”) per maand aan pacht betalen en dan is het enige wat nog rendabel is, Kartoffeln. Hahahahaha…

Enzovoort. Godsamme ik moet naar de WC… en ik wil naar huis… hoe kom ik hier weg… Ineens houdt hij heel even op omdat zijn zoon binnen komt wandelen. Geen idee hoe die heet, ook Josef vermoed ik (aangezien drie van de vier Oostenrijkse mannen Josef heet: de vierde heet Heinz), maar in ieder geval heet-ie óók “mijn reddende engel”. Ik vraag snel hoeveel ik manegeboer verschuldigd ben. Veertien euro. Huh… aan de telefoon was het nog dertien. Nou ja, so what. Met deze man ga ik niet nóg eens in discussie, zeker niet over één euro. Ik leg het bedrag op tafel en wil hem bedanken, maar hij ratelt nog even door over de paarden, over dat dochter vooral geduld moet hebben (nou, dat leert ze bij hem vást wel, dat geduld hebben…) en niet te snel moet willen. En dat ze niet zo veel moet praten (mijn mond valt héél even open). En dat dit allemaal nog langgg geen paardrijden is maar gewoon wat rondhobbelen. En dat ze maar gauw weer moet komen. En oh ja. Veertien euro. Ik weet er tussenin te brengen dat mijn zoon alleen thuis is en ik nu écht weg moet maar dat we binnenkort zullen bellen om een nieuwe rij-afspraak te maken.

Ik vermoed over een jaartje of veertien.

niet harder

De wereld om je heen is harder dan jij.nietharder
Zachtheid, emotie tot pulp gemalen.
Nog kind zijn niet langer toegestaan.
Niet uit je woorden komen is falen.

De wereld om je heen is harder dan jij.
En daarom huil jij een verborgen traan.
Verlegen- en onzekerheid zijn killing.
Prestatiedwang werpt je uit jouw baan.

De wereld om je heen is veel te hard.
Maar ik kan haar niet zachter maken.
Ik wou zó dat ik ’t kon, lieve schat.
Maar ik zal zelf over je moeten waken…

Voor mij hoef jij niet harder te worden.
Maar zonder verharding geen overleven.
Langzaam verdringen ze het kind uit jou.
En verleer jij om écht om mensen te geven…

De wereld is gewoon zo veel te hard.
Jíj bent juist precies zoals het moet!
Toch wordt er anders van je verwacht.
En kijk ik lijdzaam toe, naar wat het met je doet…

.
Rotwereld.

.

.

© LouTerLou

slechte start

Ik heb het weer voor elkaar hoor. I pissed off a teacher :-S

Zoon (bijna 11) gaat nu naar de middelbare school (hier in Oostenrijk heb je vier jaar basisschool en ga je met 10/11 jaar dus naar de middelbare). Ergens aan het begin van de zomervakantie krijg je dan van de betreffende school een ellenlange lijst (2 A4-tjes vol!!) met zeer gedetailleerde beschrijvingen van alles wat het kind moet hebben. Vervolgens mag je op pad om die waslijst aan spullen bij elkaar te zoeken en een honderd tot zelfs tweehonderd euro neertellen voor precíes DIE schoolspullen. Geen andere please: een plakkaatverfdoos van Pelikan, een passer van duurmerkzusenzo, een blauwe Leitz-ordner, folies, schriften met plastic omslaghoezen in alle mogelijke voorgeschreven kleuren, stiften, potloden, figuurzaag, schuurpapier, haaknaalden, wol, hoesjes, mappen, enzovoort. Sportschoenen, schoolsloffen, zwembrilletje, handdoek, zelfs het soort zwembroek was duidelijk voorgeschreven. Een kolerewerk.  Ik had alles aan het begin van de vakantie al klaar want ik ken mij: de laatste vakantieweek begin september wordt dat niks meer en doe resp. koop  ik werkelijk alles fout. Schullisten

Het mocht echter niet baten: ook nu had ik het blijkbaar fout gedaan. Gisteren kwam zoon uiterst chagrijnig thuis en smeet twee enveloppen met folies (“Klarsichtfolien”) op tafel. Doordat ik het verkeerde had gekocht (het hadden hoesjes moeten zijn, zogenaamde “Klarsichthüllen”), was hij heel erg achter geraakt in de les, kon zijn ordner niet naar behoren invullen en had zowaar bijna moeten huilen (aiii….). Nu ben ik normaal gesproken niet de moeilijkste en wissel de boel gewoon om, maar tja. Het was nu eenmaal de hormonale rottijd van de maand, ik had een hoop dingen aan mijn hoofd, een hoop pijn elders in het lichaam en ik was moe. En toen werd ik woest. Wel verdriedraaidedubbeltjesnogantoe. Er stond FOLIE! Niet HÜLLE!! Een folie is een folie. Een doorzichtig dun stuk plastic. Een Hülle is een – al dan niet doorzichtig – hoesje, iets waar je iets in kunt stoppen. En een folie is geen hoesje. Als ze dan al van die mierenneukerige, ellenlange lijsten van voorgeschreven schoolspullen maken, dan moeten ze de boel ook GOED opschrijven zodat zelfs achterlijke Hollanders als ik de boel snappen. Er stond nota bene voor het ene vak “folie” en voor het andere vak wél “hoesje” op de lijst, en toch bedoelden ze hetzelfde. Dat heb ik dus ook even in duidelijke taal in het mededelingenschriftje geschreven. Niet in deze bewoording, maar toch. Ik heb ze haarfijn uitgelegd dat een folie geen hoesje is en dat ze de boel ook niet door elkaar op dezelfde lijst moeten gebruiken omdat het dan echt niet meer duidelijk is. Stomme materie. Hoesjes, folies, who cares. Ik vond op dat moment dat ik ’t best goed verwoord had. Moeten ze volgend jaar maar beter uit hun doppen kijken.

In ieder geval had ik er al niet eens meer aan gedacht tot zoon vandaag dus weer thuis kwam uit school en vertelde dat de lerares Engels ‘not amused’ was. Ze had gezegd dat het – ahum – niet zo aardig geschreven was. Nee. Verrek. Teruglezend zie ik dat ook. En dat voor een paar stomme hoesjes… Dit was wat je een “communicatief uiterst slechte start” kunt noemen. En dat voor het hoofdvak Engels waar hij alle hulp en sympathie nodig zal hebben die hij kan krijgen. What was I thinking…

Waarom telde ik niet tot 2.865, sliep er een nachtje over, stopte ik de goede hoesjes in z’n rugzak en klaar? Nee. Madam moest d’r waffel opentrekken. Er zat maar één ding op. En dat heb ik vanmiddag dan maar getypt. Mijn verontschuldigingen voor de ietwat onsympathieke manier waarop ik duidelijk had gemaakt dat ik het niet met ze eens was hoe die dingen heten. Dat ik als persoon eigenlijk helemaal niet zo opbruisend ben. En dat dit wellicht niet zo’n goede start was voor onze communicatie. Enzo. Een klein briefje aan de desbetreffende docente. Hopelijk doet dat nog enig goed. En anders ga ik wel met de madam praten, dan ziet ze vanzelf dat ik in ’t echie helemaal niet zo snel en hard bijt. Eventueel “I’m only human” neuriënd ofzo.

Ik legde het aan zoon uit en die zei “ach Mama, ich sag’ ihr einfach, dass gestern nicht dein Tag war” (oftewel: … dat je gisteren gewoon niet je dag had). Ik dacht nog: “ach, da’s nou lief”. Maar toen keek hij ineens scheef en zei “Oder soll ich ihr besser sagen, dass du einfach deine Tage hattest?”…

Gadsamme. Dat jong kent me al beter dan ik dacht…
Ik ga nog maar even een potje tegen de maan janken.
Of ik vlieg gewoon op m’n bezemsteel een rondje om het ding heen.
Dat kan ook. Kom kat, we gaan.

blog

Kom. Laat ik maar weer eens een blog schrijven.

Over de vakantie in Italië? Een blog over het huiske dat niet aan onze verwachtingen voldeed maar dat ik – op kosten van het resort – ‘verbeterd’ heb, over de gestoorde italianen die van service nog nooit gehoord hebben en rijden als maniakken, over de gekko’s die ’s avonds sprinkhanen vingen op de muur naast mij, over de Costa Concordia die nog steeds scheef ligt en over het strandje waar ik op de rotsen bijna gestorven ben? Ach nee…

Over mijn Nederlandtijd? Over vriendinnenbezoeken, #annelies, tranen met tuiten lachen, heerlijke dineetjes en een geweldige reünie van mijn lagere-schoolklas, waar ik mensen na bijna 30 jaar weer gezien heb en merkte, dat we gewoon nog hetzelfde zijn als toen en dat de school van binnen in werkelijkheid veel kleiner is dan ik in herinnering had? Ach nee…

Over de katten, mijn Stephen-King-obsessie, mijn stabiel mislukkende afvalpogingen, mijn zeker niet van de liefde knikkende rechterknie, mijn absolute chaostuin, mijn zomaar ineens whatsappende buurvrouw, mijn vreselijk onattente maar oh zo hard werkende en ondanks dat toch echt wel lieve man, mijn niet nader te noemen flirts, mijn stiekeme dingen die ik officieel niet heb,  mijn steeds slomer wordende en dus duidelijk aan een opruiming toe zijnde Nissan Note, mijn Audi met opvliegers in de vorm van ‘Motorsteuerungs’-problemen, de snelle maar wegens algeheel gebrek aan kinder-DVDs (in NL vergeten) slopende terugreis van Nederland naar huis, de overheerlijke opgewarmde zuurkoolstamppot met worst van mama die mijn heimwee vol geweld nieuw leven in blies, mijn persoonlijke en uitgesproken mening over Obama, Syrië, PRISM en de luierverwisselingsfrequentie van de hollandse bejaarden, de nieuwetijdse mummie van Nordrhein-Westfalen of mijn imminente salary cut.

Ach.
Nee.

Ik ga gewoon maar weer een lekker potje op mijn rug staan.
Knikkende knie incluis.

Wegprutsers

Comfortabel rijd je weg. Alles in de bus gestouwd, man uitgezwaaid, de katten geknuffeld en de kinderen inmiddels happy met Cars 2 op hun DVD-speler. Ik dut een beetje weg. Na een uur ineens file. Een politiebusje staat rechts, zwaailichten aan. Dat betekent alvast niets goeds… na een minuut of twintig file zien we de oorzaak. Een grote brandweerauto, politieauto’s, een kraan die probeert om een kleine, gekantelde vrachtauto die dwars over de weg lag met de voorkant in spookrijrichting, van de weg af te tillen. Een volledig verbrijzelde voorruit en een enorme, shockerende bloedstreep op de weg. Meterslang, daar waar het zijraam aan bestuurderskant met chauffeur en al over de grond gesleurd is…

Ik krijg er zowat tranen van in de ogen. De kinderen zien ’t bloed gelukkig niet. Afschuwelijk. Als deze persoon het überhaupt overleefd heeft, mag dat een wonder heten. Weer een leven verwoest. Zomaar, op een vrijdagochtend. En wij, wij rijden maar weer door, dankbaar dat wij ook dit keer weer niet de oorzaak van de file waren…

Ergens halverwege moeten we tanken. Een favoriet Autohof van m’n pap. Eentje waar je in ieder geval fatsoenlijk naar de WC kunt. De afrit gaat onder de autobahn door. Ineens trapt de nieuwe witte BMW direct voor ons op de rem en draait abrupt om. Midden op de afrit. Over de doorgetrokken streep. Onvoorstelbaar. Blijkbaar kwam het blondje (het was daadwerkelijk een duf kijkend blondje met een grote zonnebril in het haar) achter ’t stuur er ineens achter dat ze er toch niet af wou. Of in de andere richting moest. Dan liever nog spookrijden ofzo. Paps remt uit alle macht. Blondje staat dwars op de weg en komt er dan achter, dat dit misschien toch ook niet zo handig is. Ze maakt haar rondje vol en kart vervolgens doodgemoedereerd achter ons aan om de ‘normale’ oprit in de tegenrichting te nemen. Sommige mensen zouden ze werkelijk direct ’t rijbewijs af moeten pakken.

Een kilometer of 50 verder. Het is redelijk vol op de weg. We rijden links in colonne en een stukje verderop zwenkt ook een vrachtauto naar links om een collega in te halen. Rechts van ons rijdt een bebrilde kukel met een behoorlijke aanhanger. Ineens gaat ie naar links en is ’t kiezen of delen: of remmen of een aanhanger in je waffel. Remmen dan maar. De vrachtauto is inmiddels ook klaar en de auto scheurt met aanhanger en al met dik 130 ervandoor… terwijl we nog even verbouwereerd nakijken scheurt er rechts een zilvergrijze stationwagon voor bij, slipt naar links om vervolgens weer rechts in te halen.

De rest van de reis trotseren we nog een flink aantal wegsluipers, noodremmers, bumperklevers, zonderknipperlichtlinksafslaanders, aandrukkers, treuzelaars en freestyle-joyrijders. Op zich is autorijden toch eigenlijk niet moeilijk of gevaarlijk, maar die idiote prutsers op de weg maken ’t er niet bepaald fijner op…

moeizaam

moeizaam richt ik mij steeds weer op.

fier in de tegenwind, ik vang iedere klap.

sterk tegen alles wat niet goed kán zijn.

krachtig ondanks alles wat ik niet snap.

moeizaam kom ik weer overeind.

ondanks alles wat zó niet eerlijk is.

ondanks jou, jij die mij zo vaak niet ziet.

ondanks het intense, brandende gemis.

moeizaam maar zeker word ik ik.

steeds verder weg van wie ik ooit was.

steeds meer lak aan wat men zoal denkt.

you know what? you can kiss my royal …

(c) Lou

VAAKAAANSIE!

Mannnohmannnnn wat ben ik daar aan toe…

Voor man en kinderen is dat nu daadwerkelijk zover. Zomervakantie. Negen weken lang. NÉGEN weken! Ik durf het bijna niet te zeggen maar echt, dit is te lang… Vijfenzestig dagen lang (jaja, ik heb nageteld) vierentwintig/zeven echtgenoot en kroost om mij heen. Elk jaar weer een beproeving van en voor mijn opperste ikje. En van onze relatie, dat kan ik u wel vertellen. Het enige ‘vakantieïge’ hieraan voor mij is het feit dat ik minstens twee maanden lang niet om 6:15h op hoef te staan. Dat maakt veel goed. Maar dan nog is mijn neiging om te vluchten verdacht groot. Ik hoop maar dat man heel veel gaat racefietsen. En dat het heel mooi weer gaat worden (hopen mag, hè?) zodat ze veel in het zwembad liggen en niks van mij willen.

Vandaag bleek wel weer hoe erg ik aan vakantie toe ben: op hun laatste schooldag haalde ik de kinderen dus te laat op. In de vaste DespicableMeveronderstelling dat ze om 9:30h vrolijk de school uit zouden komen stormen deed ik nog gauw even de boodschappen (o.a. ijs en kinderchampagne om de vakantie goed in te luiden), bracht de boel nog snelsnel naar huis en zag om twaalf over negen dat er ondertussen iemand gebeld had. Onbekend nummer.  Ik belde meteen terug. De moeder van een klasgenootje van Dochter. “Ja, je dochter staat hier te huilen, kom je je kinderen alsjeblieft gauw ophalen??”
Kaaa!!!
Uuuuu!!!
Teeeee!!!
Niks half tien!! Negen uur dus. Met meer dan 100km/h de berg af naar school gesjeesd om mijn verdrietige kinderen met hun rapporten alsnog in de armen te sluiten (en de moeder, die gebeld had, met rode wangen van schaamte uitvoerig te bedanken…)

Dochter had al visioenen hoe man en ik alleen op vakantie zouden zijn gegaan. Zoon zei enkel droog dat-ie wel naar huis was gelopen maar dat zijn zus niet wou. Ze hadden alles afgezocht naar mij. Maar ik was er niet. Ook de gelegenheid om de juffen nog even een hand te geven en te bedanken was hiermee al lang en breed vervlogen. Tja. Oh, er zijn ergere dingen, absoluut. Maar geloof mij, ik voelde mij verschrikkelijk. Een slechte moeder. Een een chaotisch rund. Dat ook. Despicable me…

Om het weer een béétje goed te maken heb ik ze meegenomen naar de bioscoop. En wat keken we daar?? Juist. Despicable me 2. Hoe passend. Superleuke film. Chips, popcorn en fanta present. Helemaal goed. Én we hebben gelachen. Heel veel gelachen. Daarna nog een rondje Mc Donalds (Nee, echt, dat doen wij NIET elke week, hooguit eens per twee maanden maar de kinderen vinden het nog steeds geweldig en nu helemaal omdat er Minions bij de Happy Meals zaten. Een must, quasi…)

Nu hang ik achter mijn laptop, de kinderen hangen op de bank en kijken iCarly. Allemaal uitgeteld. Mijn vakantie is begonnen: Mijn massagemat kneedt mijn zere rug, ik moet even niks meer, de kinderen gaan zometeen zelf naar bed (kunnen ze), en dan pak ik een groot glas wijn.

Want het is vrijdag.
En zomervakantiebegin.
En al was het dat niet, dan nog.
Morgen uitslapen.
Mensch nochmal.
Wat wil een mens nog meer…

Chaos and Piss

soms denk ik echt: “waar doe ik het allemaal nog voor…”

Op dagen als deze, dagen dat ik wist dat die zouden komen (denk hier een knipoog of iets dergelijks).
Dagen waarop echt alles, álles NIET gaat zoals het eigenlijk zou moeten.
Dagen waarop ik het allemaal even niet meer helemaal duidelijk zie.

Opstaan met bonkende hoofdpijn dus eerst een koffie-met-advil-ontbijt je in je mik douwen om gelijk ook maar je beginnende hernia te drogeren.

Een auto stampvol met rotzooi, vuilnis en overstromingsslachtoffers inclusief de kapotte maar nog uitvoerig naar pis en poep stinkende kakmixer (op chaosandpisszijn hoognederlands: de fecaliën- en afwateringspomp) uit de kelder naar het grof vuil brengen en je bij het vakkundig afladen van de stinkende boel twee keer mega in je vingers snijden. Auw. En yuck. Dat ook.

Even de krant lezen en zien dat er een nieuwe autobaanvariant bijgekomen is: nog geen 100 meter van ons huis af, precies in onze achtertuin. Het kon dus daadwerkelijk nóg dichterbij! Hoezee.

Je de pleuris werken aan een maandoverzicht om dat geheel vervolgens door een kleine crash (en het stommerdanstom te laat saven) voor goed driekwart weer te verliezen. Overnieuw.

Niet fatsoenlijk kunnen werken omdat de internetverbinding al sinds dagen van slag is: elke 5 tot 10 minuten valt-ie weg. Dan maar een blogje schrijven, wat vervolgens ook door de zwarte gaten van cyberspace opgeslokt wordt. Ook overnieuw.

Om half twaalf de kinderen ophalen van school en erachter komen dat je jouw deel van het eindejaarskado voor de juffen volledig bent vergeten. Oeps.

Je zoon die aan komt zetten met de melding dat hij een vriendje op school met zijn eigen vuist (die van vriendje dus) een bloedneus geslagen heeft. Per ongeluk… Maar het bloedde maar 10 minuten hoor!! Tuurlijk.

Een aanstormende vriendinmoeder; of ik asjeasjeblieft haar dochter mee kan nemen, werknoodgeval. Ja joh, no problem. Derde kind ingeladen. Eten koken. Uitgebreid naschoolseopvangetje spelen. Kinderen wegbrengen naar ander vriendinnetje. En weer ophalen. Nog een keer eten koken. Om kwart voor acht ‘s-avonds werd ze uiteindelijk weer opgehaald. Chaos.

Je pakket bestelde kleding krijgen om te merken dat je in drie van de vier artikelen voor geen meter in  past. Frustratie.

Al typende aan tafel in slaap donderen. Ouderdom? Oververmoeid? Beats me.

Niet nader te beschrijven maar zeer tranenrijke, frustrerende en verdrietige familiaire perikelen die erin hakken. De diplomatie was in ieder geval en in ieder opzicht ver te zoeken. Helaas.

De al tijden haperende e-toets van je laptop ineens helemaal niet meer kunnen gebruiken vanwege een stukje chips dat zich daar in innige combinatie met een plukje chocolade vereeuwigd heeft. Zegt genoeg. Maar de E verdraaid nog an toe!!! Pruts het dan onder de Y ofzo, of de Q… Maar nee. Onder de E. Natuurlijk. Schoonmaken.

De steeds sterkere sensatie van je-uitgekotst-voelen hebben. Je vrijwillig een bult werken onder groots uitblijvende dank of waardering: morgen weer zo’n dag *verheug!*. Matheid ten top. Maar we zullen doorrrrgaan…

And last but nog least: level 29 van Candy Crush. Dat is nog wel het allerergste van alles.

U kunt mij wat.
Ik ga heel hard Pink luisteren.
The King is Dead.
Chaos en Piss.
Enzo. Oh en…
Een glas wijn drinken.
Het is vrijdag.
Dan mag dat.
TGIF.
NOT!!!

geflipt

Zojuist ben ik volledig uit mijn slof geschoten. Dat gebeurt me niet vaak, maar daarnet was het zover. Eerst een heerlijk rapportgesprek over dochter, met dochter erbij. Mij wordt verteld dat madam veel teveel praat, heel snel afgeleid is door haar eigen gerebbel, anderen van het werk houdt (om ze vervolgens uitgebreid te gaan helpen met hun opgaven maar haar eigen taken vergeet) en waarschijnlijk tóch dyslectisch is gezien haar stand van (niet) begrijpend lezen.

Thuis gekomen bestelt miep de troela een dubbel spiegelei op brood en een glas water. De huisslaaf doet haar werk. Daarna rukt huisslaaf de nintendo uit de dochterhanden en maant tot het maken van het huiswerk. Onder protest en met opgetrokken knieën neemt ze haar rekentaak voor zich. De eerste vraag:
“Een boer verkoopt 15 liter melk en 3 liter melk. Hoeveel liter melk heeft de boer verkocht?”
Dochter jammert erop los.
“Hoe moet ik dat nou weten? Ik kan niet met liters rekenen. Is dit een min- of een plussom?”
“Nou dát moet jij dit keer toch echt uitzoeken lieverd, dit ga ik niet voorkauwen”
“Wèèèh, nou dan is het een minsom.”
“Pfffffff echt… kijk. Ik verkoop jou vijf potloden [*5 potloden aan dochter geeft*] en nog eens 3 potloden [*nog drie potloden geeft*]. Hoeveel potloden heb ik jou nu verkocht?”
“Teveel om vast te houden!!!”
“Kom op zeg, hoeveel????” [*Het geluid van wegklaterend geduld hoort*]
“Euhm. Acht.”
“OK. was dat een min- of een plussom?”
“Een minsom”
[Met hoofd op tafel bonkt]
“Waarom?” [Hoe krijg ik die vraag er nog zo rustig uit??]
“Nou, je hebt ze toch verkocht? Dan heb je ze niet meer”
[Nog harder op tafel bonkt]
“Nee schatje, ik heb er jou vijf EN drie verkocht. Hoeveel heb ik je er in totaal verkocht?”
“Je hebt ze helemaal niet verkocht. Je hebt ze me gegeven.”
“HOEVEEL!?!?!?”
“Acht.”
“DUS????”
“Dus is het een maalsom. Want een minsom is het niet en een plussom ook niet.”
“AAAAARGHHH!!”

En toen sloeg ik kneiterhard met mijn hand op tafel (i.p.v. op haar hoofd, dat dan wel weer) en gilde dat ze dan de hele kolererotzooi maar op haar kamer moest gaan maken omdat ik dit soort onnadenkende opperstommiteit werkelijk niet langer kon verdragen, waarna dochter met huiswerk en al luid huilend de trap op denderde. Ik was geflipt. Zonder zelfs tot tien te tellen. Nou heeft dat afwezige lontje van mij absoluut weer iets te maken met de tijd van de maand (die dan weer niet komt waardoor ik nog sneller explodeer) maar dat maakt mijn reactie niet minder pedagogisch onverantwoord. I’m sorry. I’m only human. A menopausal pre-nonmenstrual human. Op dit soort tijden zou gewoon niemand in mijn buurt moeten komen.

Dochter bonkt stampend en schoppend door haar kamer, luid brullend. Na vijf minuten komt ze de trap weer af.
“Ik weet het nog steeds niet maar ik wil nu eerst knuffelen.”
Pfiewww. Er wordt geknuffeld.
“Het is een plussom hè?”
“Ja lieffie, er staat “EN” in de som. Dat is altijd plus.”
“Waarom zeg je dat dan niet gelijk…”

Zucht. Geduld is een schone zaak.
Op naar de volgende som…

Fijne mensen…

Ik kan niet begrijpen hoe.
Wanneer de randen zo scherp zijn dat ze je snijden, als heel fijne splinters van glas.
Wanneer je veel teveel voelt en je hebt geen idee hoe veel langer je het nog vol houdt.
Wanneer iedereen die je kent, alsmaar probeert om het allemaal glad te strijken.
Hoe dan een manier vinden om die pijn weg te nemen…
[P!NK]

Ineens merk je het. Een zekere persoon is weg. Zomaar ineens. Stilletjes uit je, al dan niet virtuele, leven gegleden. Niet uit het zijne of hare, gelukkig niet, maar uit het jouwe. Verdwenen. Omdat je geen daadwerkelijke verrijking bent. Geen verbetering. Maar kleine dingen laten je herinneren.  En je merkt het. Weg. Je merkt het en het steekt. Shock is misschien teveel gezegd maar een zwaar, opwellend en licht golvend maaggevoel. Waarom. Fijne gesprekken van toen. Kleine dingen voor elkaar doen. Hele kleine dingen, maar toch. Geen verrijking? Uiteindelijk onvoldoende betekenis? Voelt een beetje als weggedaan vanwege onhebbelijkheden…

Ook al zeg je van niet, ik ben toch wel degelijk te naïef voor deze wereld. Ja, ik heb veel mensen lief. Misschien wel teveel. (Kan dat? Ja dat kan) Goede mensen, in mijn ogen. Voor een ander duidelijk minder goed. Ik heb met maar heel weinig mensen problemen maar ik heb ettelijke onderlinge vijanden om mij heen. Ik bemoei me niet met hun oorlogen en (woord)gevechten. Het is energieverspilling en ik wil simpelweg niet moeten kiezen. Zolang men mij recht in de ogen kan kijken, blijf ik diegenen fijn vinden, ongeacht hun al dan niet slechte verstandhoudingen met anderen. Een groot hart? Mogelijk. Maar wat is nou helemaal een groot hart… Het mijne tikt nog steeds precies zoals het jouwe, hoor. Goedgelovig? Waarschijnlijk. Ik noem het liever Oost-Indisch blind voor chronisch slechte kanten. Iedereen heeft ze, maar ze zijn niet belangrijk. Ik wil ze liever niet zien. Voor mij blijven ze fijne mensen. Ook al leven ze in heel andere werelden. Ook al zijn ze niet op alle vlakken perfecte vrienden. Ook al zijn ze compleet anders. Ook al zeggen ze soms de verkeerde dingen. Ook al maken ze fouten. Daar zijn ze mens voor. Net als ik dat ben, met al mijn fouten, stomme dingen, verkeerde uitspraken en onzekerheden.

Maar is mijn leven door het (al dan niet hernieuwde) contact met een bepaald persoon dan ineens beter of rijker? Nee. Is het anders? Ja. Wat doet het er nou helemaal toe wannéér ik merk dat iemand ‘weg’ is? Het feit dát ik het merk zegt toch al genoeg? En ook het feit dat ik waarde hecht aan die persoon in de kantlijnen van mijn leven. Niet iedereen hoeft in mijn intiemste cirkel te staan om belangrijk voor me te zijn. Ik hecht ook waarde aan personen die in de marge staan en die er gewoon zijn, die me blijven accepteren om wie ik ben, die niet meteen afscheid nemen omdat ik niet de levensverrijking in persoon ben. Ik ben geen mens van ellenlange chatsessies, geen mens van uren durende telefoongesprekken, geen mens van dagelijks intensieve contacten. Ik zie veel niet en ik zie nooit alles. Maar vrienden zijn voor mij juist diegenen, die mij ook waarderen in de tijden dat er geen direct contact is. Die periodes kunnen soms best lang zijn maar als het er dan wel weer is, is alles nog steeds zo als voorheen. Men mag elkaar, men ligt elkaar. Klaar. Dat zijn vrienden, mensen die ik graag in mijn leven heb.

Jij bent jij, ik ben ik. Ik hecht waarde aan dat ‘contact’, ook al is het maar sporadisch. Waarom moet alles in vredesnaam altijd doelmatig en verrijkend zijn of iets opleveren. Gewoon het gevoel dat de ander er ook is, ergens in mijn levenscontreien, en sympathie voor je voelt, dat is voldoende. Voor mij. Voor anderen soms niet…

En ik kies niet. Niet snel althans. Ik wil het niet.
Dat heeft tot gevolg dat ik soms gekozen word.
Om geschrapt te worden. Daar heb ik het wel eens moeilijk mee.
Zoveel ‘fijne mensen’ die onderling niets (meer) met elkaar te maken willen hebben.
Zoveel verspilde energie.
Zo verschrikkelijk zonde…

Honger

Ik heb honger…

In levens als de mijne bestaat er niet zoiets als échte honger, dat weet ik. Maar ik heb honger. Grommende, misselijkmakende lichamelijke honger (geestelijke honger  vanzelfsprekend ook, maar da’s weer een ander hoofdstuk). Ik heb al veel vaker over mij en mijn eeuwige strijd tegen de kilo’s geblogd. Ik heb echt alles al gedaan en uitgeprobeerd, ook de minder appetijtelijke, minder lovenswaardige en minder aan te bevelen diëten. En elke keer verval ik na verloop van tijd weer in de “fuck it all”-modus. Met ondanks alle intensieve afvalpogingen toch eeuwig uitblijvend resultaat sinds ik de veertig gepasseerd ben, is mijn motivatie zo groot als een van het zich delen nahijgende bacterie.

Ik ken mijn fouten en gebreken. Ik weet waar ik de mist in ga. Ik weet wat ik moet veranderen en hoe ik het zou moeten doen. Het enige probleem is: dat geheel langer volhouden dan zes weken. Want daar zit ‘m de kneep: hoe erg ik ook mijn best doe, na een goede maand krijg ik steeds weer nog steeds nul op ’t rekest.  Niks eraf. Ook geen centimeters. Na een week of zes is er dan eventueel, met een beetje geluk, iets te zien op de weegschaal. En die week of zes haal ik niet… ik haak steevast voor die tijd af en slip weer in de allesvernietigende f.i.a.-stand.

In mijn hoofd ben ik een slank mens. Sportief ook trouwens. Maar aan de buitenkant zie je daar allemaal dus geen bal van. Hoewel veel mensen zich niet voor kunnen stellen dat ik daadwerkelijk zoveel weeg als ik doe. Dat komt doordat ik groot ben en een – de onderkin even buiten beschouwing gelaten – redelijk ‘slank’ gezicht heb. Maar ik heb een duidelijk ongezond BMI… Nou kan dat BMI me gestolen worden want op zich ben ik een heel gezond mens: mijn bloedwaardes zijn prima, mijn hartslag ook. Ik beweeg best veel en sport ook regelmatig (spiertraining, fietsen (ja echt, ondanks alles doe ik dat) en minstens 1x per week loop ik zelfs hard op de loopband in de kelder. Alleen zie je van al die inspanning echt helemaal nulkommaniks. Ik ga al sinds twee jaar twee keer in de week naar de vibrogym (powerplate-fitness, spiertraining, googelt u zelf maar). Op het raam van de studio staat: “in 30 minuten naar uw droomfiguur” (in het duits dan hè). Nou, ik heb het nagerekend: in die krappe 6000 minuten die ik al op dat ding heb gestaan, is er nog geen lijntje of bochtje veranderd in dat figuur van mij. Nou ligt dat dus niet aan de powerplate (dat is een geweldige training, ik wil niet weten hoe ik er zonder die tweewekelijkse sessies uitgezien had) maar deste meer aan mijn eet- en drinkgewoontes, die ik er maar niet uit kan rammen.

Maar goed. Het moet. Ik wil zoooooooooooooooooooooooooo graag slank zijn, dat kunt u zich niet voorstellen. Zo graag. Ik wil me goed voelen over mezelf. Mezelf mooi vinden. En vooral ook: mezelf durven laten gaan… Dat durf ik dus nu niet. Omdat ik me regelrecht schaam voor mijzelf. Hoeveel mensen me ook zeggen dat ik prachtig ben, dat ik prima ben zoals ik ben, dat ik tevreden moet zijn met mijn uiterlijk: het werkt niet. Ik ben niet tevreden met mijzelf en dat merkt ieder ander ook. Dus moet ik er toch zelf wat aan doen.

En daarom heb ik honger. Mijn maag bromt, knort, gromt. Mijn hersens hebben zin aan een heerlijke Hugo met limoen en munt op het terras. Mijn mond watert bij ’t zien van een ijsje. Maar ik ga vanavond toch maar weer op de hardloopband staan… Ze zeggen dat het eerste wat je verliest met een dieet, je goede humeur is. Nou, dat kan ik bevestigen. Ik word al creatiever in het vloeken en het werkt ook duidelijk sarcasme- en cynisme-bevorderend.

Ik wil de plakken vet er daadwerkelijk wel eigenhandig vanaf snijden maar dat staat ook weer zo verhipte slordig en bloederig. Dus doen we het maar weer ‘the old way’: HMV en dubbel zoveel sporten. Tot ik er bij omval. In dat geval zult u me maar zo moeten nemen zoals ik ben. Dik. Dan val ik uiterlijk wanneer ik tussen zes planken lig, alsnog wel af.

Fietsen voor gevorderden

Daarnet moest ik Zoon ophalen van school. Hij heeft namelijk vandaag zijn fietsdiploma gehaald. Een kind van tien mag hier niet zomaar op straat fietsen: het moet daar een officieel fietsrijbewijs (een ambtelijk papiertje mét foto etc.) voor hebben. Heb je dat niet, mag je tot en met je twaalfde enkel onder begeleiding van een volwassene op de openbare weg fietsen.  En dat is – naast erg lastig voor de desbetreffende ouders – mega-uncool.

Nou moet ik bekennen dat ik hier in Oostenrijk geen fietsmens ben. In Nederland was ik dat wel: ik hou van fietsen op langgerekte, vlakke, brede fietspaden door de weilanden en langs de rivieren. Maar dat kleien tegen de berg op vind ik fietsronduit crimineel. Man is daarentegen een fietsfanaticus. Minstens drie keer per week zit hij op zijn supersonische racefiets of op zijn sooperdooper carbon-mountainbike en scheurt tientallen (honderden?) kilometers in de rondte. Per jaar zijn ’t er minstens anderhalf tot tweeduizend. Berg op, berg af. Er is niks mooiers volgens hem en daarom snapt hij er ook geen bal van dat IK dat nou net níet leuk vind. En dan is ‘niet leuk’ nog een understatement. Ik vind het oerstom (tegen een berg op lopen vind ik al niet echt geweldig, tegen een berg op fietsen is voor mijn het toppunt van onzinnigheid) en uiterst pijnlijk (geen zadel waar ik langer dan een half uur normaal op kan zitten zonder dat mijn zitbotten het uitschreeuwen). En de opmerking “oh maar dat went wel” kan ik ook al niet meer horen. Nee, het went niet!! Het blijft pijn doen en ik wil geen eelt op mijn zachte achterwerkvetlagen, om de geïrriteerde clitoris maar even buiten beschouwing te laten.  Ik had dan tot voor kort ook een perfect alibi om niet te fietsen: ik had geen geschikte fiets. Een oudhollandsche fiets met drie versnellingen is geen doen hier en de oude mountainbike van Man had Zoon inmiddels al. Dus: ik kon niet! Joepie!! Helaas. Man had afgelopen week bij de Aldi ineens een fiets in de aanbieding gekocht. Voor mij. Een Trekking Bike (m.a.w.: een normale, sportieve, redelijk lichte damesfiets met 24 versnellingen voor luttele tweehonderd eurootjes die we eigenlijk wel beter kunnen gebruiken op dit moment). Maar goed, nu kon ik dus ook fietsen. En oefenen met Zoon. Wel verdorie nog an toe.

Nou hebben wij de pech, zelf ook op een berg te wonen. Voor Oostenrijkse begrippen in ieder geval een heel behóórlijke heuvel. Eraf gaat prima, maar er tegenop is ronduit Scheiße. Het fietsparcours van de proef is echter beneden in ’t dorp. Daar staan dan op het moment suprême – naast een kunstmatig stopbord – een stuk of drie gebarende en grinnikende politieagenten om de kinderen te beoordelen op hun rijkunsten. En daar moesten wij dan dus ook heen met hem om te oefenen. Berg af, acht keer dat geijkte rondje kneuren (waar óók nog weer heuveltjes in zitten want hier is praktisch niks plat), een hoop geschreeuw en gevloek en dan weer de berg op. Driewerf bah. Maar ik moest wel: man had écht geen tijd en er moest toch geoefend worden. Niemand rijdt hier zonder helm (wat bergaf ook best zinvol is) dus ik in dit geval ook niet. Zwéten in dat ding joh! Uiterst kapselongunstig.

Tot mijn allergrootste vreugde is Zoon geslaagd vandaag. Smile van oor tot oor. Bij hem ook. En ik mocht hem natuurlijk weer op gaan halen. Met de fiets? Neuh. Man is niet thuis en ik heb toch een Oudi? Bovendien weet ik vanzelfsprekend héél goed hoe ik de achterbanken plat leg en een fiets erin moet proppen. Twee kinders op de voorste stoel (mag ook niet but so what) en ik kar heel gemoedelijk en blij de berg op. Wat een weelde. Ik ben voorlopig wel weer klaar met dat gefiets. Dit bergfietsen hier is fietsen voor gevorderden. Ik ben en blijf gewoon lekker een beginneling.

ah toe, lach ‘ns…

Nee.
Ik lach niet.
Niet standaard.
Niet op elke foto in ieder geval.

Elke keer wanneer ik mijn profielfoto op facebook verwissel, komen er opmerkingen over het feit dat ik niet (voldoende) lach. Voor mijn gevoel glimlach ik wel op de meeste foto’s maar blijkbaar niet zoveel dat mensen het herkennen. Ik kan mensen er dus niet van te overtuigen dat ik hieperdepiephoerahappy ben. Nou ben ik o.h.a. ook niet 24/7 himmelhochjauchzend glücklich; de meeste tijd ben ik gewoon neutraal. Alles OK, niet depressief, niet zielsgelukkig. Gewoon gewoon. Neutraal. En als ik mij neutraal voel, kijk ik ook neutraal. Alleen is het mijn pech dat mijn ‘neutrale’ blik mij er blijkbaar hoogst chagrijnig uit doet laten zien.

Ik heb nogal grote tanden (hoewel er bij de voortanden bijvoorbeeld al ca. 1,5 mm vanaf geslepen is door de tandarts, o.a. vanwege een ongevalletje met een wekker). En ik heb dik tien jaar lang een beugel gehad. Maar ook al weet ik dat ik nu prima tanden heb (door alle procedures redelijk recht, sterk en aardig wit, best mooi), in mijn hoofd zit nog steeds die drang om mijn mond dicht te houden, om de boel te bedekken. De foto’s waar ik dus daadwerkelijk breeduit lach, zijn erg schaars.

Lieve mensen, geloof mij. Ik ben best happy. Ik ben tevreden. Ik ben per definitie geen chagrijnig mens. Ik vind mijzelf enkel mooier/beter/interessanter/whatever met de mond dicht. Klappe zu. Daarmee zult u het dus moeten doen.
Maar ik ben de kwaaiste niet:  voor iedereen die mij elke keer opnieuw zo graag lachend zou willen zien, heb ik dus even een samenvatting van de ‘lachende Lou’ gemaakt.

Bij deze:

smile

En nu niet meer zeuren.
Ik kan het.
Ik kan lachen.
Ik doe het gewoon niet zo heel vaak.
Zo ben ik nu eenmaal.

toeval?

Het blijft maar in mijn hoofd spoken. Was het écht toeval? Of was dit nou intuïtie?
Is er toevallig tóch meer tussen hemel en aarde? Ik blijf het raar vinden.
Waarom? Waarom was ik wakker?

Wekenlange zondvloedachtige regen.
Vol vertrouwen in je nieuwe huis.
Terecht ook. Ons kan niks gebeuren.

Ik, degene die standaard slaapt als een marmot.
Ik, degene die gaat liggen en ‘weg’ is.
Tot het ochtendgloren. Ik ben een echte slaapexpert.

En toch. Deze nacht niet.
Zondagochtend in alle vroegte.
Om half vier wakker en niet meer kunnen slapen.
De eerste stroomstoring op het moment zelf merken.
Niet meer in slaap kunnen vallen, dan maar even naar de WC.
Het licht aan doen, absoluut uitzonderlijk.
Doe ik dus nooit ’s nachts. Maar het licht floepte uit.
En maakte de tweede stroomstoring gelijk merkbaar…

Dan gaat alles snel. De storing is dus niet meer enkel buiten maar nu in de kelder.
In het pikkedonker horen we de waterval, het water dat naar binnen klettert en in het stopcontact spettert. De oorzaak van de tweede storing. Dynamozaklamp zoeken en de watergeklater beter bekijken. En dan: Hooooozen!!! En de brandweer bellen. Eén keer kelder en afvoerschacht leegpompen alstublieft!!

De brandweer was er daadwerkelijk binnen vijf minuten, ook dat was een mazzel van jewelste. Vijf minuten later en ze waren ze allemaal op weg naar huis geweest, net terug van de laatste ‘klus’ en klaar met hun dienst. Een uurtje of twee later ontdekt en onze hele kelder had blank gestaan. Met enorme schade.

Waarom kon ik, opperslaapster, deze nacht niet slapen? Vanwaar die onrust? En dat zweten?
Waarom deed ik in vredesnaam deze nacht het licht aan in de WC? So not me…
Waarom moest ik überhaupt naar het toilet? Dat moet ik echt praktisch nooit ’s nachts…
Waarom merkte ik zowel die eerste als ook de tweede stroomstoring (een uur later) vrijwel meteen?
Waarom stond het water in de kelder precies tot de drempel, daar waar we ons laminaat, de tapijten en de meubels nog nét konden redden?
Waarom stond de brandweer naast hun wagen bij de centrale, net terug van de vorige klus en op punt om naar huis te gaan?
Zesvoudig toeval? Of toch niet…
Misschien kwam ’t wakker zijn ook wel gewoon door mijn naderende menopauze… is dat tenminste nog ergens goed voor.
Om half zeven ’s ochtends was alles alweer onder controle.
Bij ons wel…

Bij tigduizenden anderen mensen hier in Oostenrijk en in Zuid-Duitsland niet. Bij hen kwamen de rivieren naar binnen rollen.
Een paar kilometer verderop gaat alles ten onder in de watermassa’s.
Wat een ellende, verdriet, gemis.
Wat een oerkracht.

Mijn hart gaat uit naar al die mensen, landgenoten, waarvan de existentie door het water ineens is weggevaagd. Die mensen, die de nietsontziende kracht van het water letterlijk aan den lijve ondervinden. Met ons hier gaat het prima, hier op onze bult. Dat beetje wateroverlast wat wij hadden, is al bijna vergeten. Jullie, een paar kilometer van ons vandaan, moeten afzien…  Het water trekt zich inmiddels langzaamaan terug. Nu komt het opruimen. Afgezien van geld overmaken (al lang gedaan) kan ik niks doen. Maar als ik wat zou kunnen doen, zou ik het meteen doen…

.

.

Viel Kraft und Mut Euch allen. Halte durch…
Hochwasser

En wat doe je dan

…als je met jezelf én anderen overhoop ligt?
Juist. Je gaat op stap. Aan de wandel. ’t Bos in.
Heel even weer merken dat de wereld hier en daar toch best nog wel in orde is.
Ik heb het gemerkt.
Dan weet ik weer, waarom ik hier woon…

OKwereld_5

OKwereld_4

OKwereld_3

OKwereld_2

OKwereld_1

Daarom.

hard

Medeleven.
Empathie.
Gevoel.
Betrokkenheid.
Je mag het blijkbaar niet meer hebben of voelen. Nou ja, je mag niet meer laten BLIJKEN dat je het hebt of voelt. Hou het alsjeblieft stil voor je want anders ben je namelijk gelijk een emoporno-verheerlijkende hoer. Compleet met ramptoeristische bek. Okee dan…

Ik kan mensen met een duidelijke mening over het algemeen juist heel erg waarderen, ook al strookt die mening niet met de mijne. Ik ben ook niet degene die gelijk in de overtuigingsmodus springt. Dus jij denkt zo? Prima. Fijn doen. Maar laat mij dan ook mijn mening hebben. En vooral: mijn gevoel. Ja, IK voel wél medeleven en betrokkenheid. Ik heb twee kinderen in ongeveer dezelfde leeftijd als Ruben en Julian. Als ik mij voorstel dat mijn (hypothetische) ex-man ze zo mee zou nemen en vermoorden, ja dan stort mijn wereld in elkaar. Misschien is het anders als je geen kinderen hebt. Of geen gevoel meer voor je medemens, dat kan natuurlijk ook.

Maar als ik mijn steun wil betuigen aan de moeder van die jongetjes, haar kracht toewens (ook al zal ze dat nooit lezen), een virtueel kaarsje uit respect deel en er blijk van geef dat dit soort zaken mij door merg en been gaan, ja, dat ik er zelfs heel erg verdrietig van word en het onvoorstelbaar vind, wens ik niet uitgemaakt te worden voor iets als een emoporno-verheerlijkende hoer. In dit geval voelde ik mij dus daadwerkelijk aangesproken.

MIJN gevoel was (en is) oprecht. Dat een ander dat niet voelt, is heel fijn voor diegene. Prettig, als je niet mee hoeft te leven met mensen die een cirkeltje verderop staan. Maar veroordeel mij er niet om dat ik nog enige empathie in m’n lijf heb?? Ook ik kijk regelmatig naar het ‘grotere plaatje’ (wat dat dan ook moge zijn, een klotewereld bij tijden, in ieder geval). Maar het zijn de individuele gevallen zoals deze die me het hardst treffen. En velen met mij. Als die empathie, ook de empathie voor de niet directe naasten en familie, dan op zo’n manier de grond in geboord wordt, krijg ik het koud. Dan kun je ‘oprecht’ (Ja, alweer oprecht. Mooi woord.) van verharding spreken.

En dát vind IK nou weer zum Kotzen…

Dagplanning

Vandaag werd ik er weer met mijn neus ingeduwd:
Plan niks want ’t komt er toch niet van.

Gepland:
Kinderen naar school, sport, boodschappen doen, tuin (véél tuin), beetje werken, wat tussendoor kletsen met vrienden, huiswerk begeleiden bij de kids, koken, relaxen.

Not.

Real life:
Bij ’t ontbijt kwam zoon op de proppen met het feit dat hij toevállig nog een dictee had vandaag. Om 7am dus nog wat woorden geoefend maar dat was natuurlijk volledig zinloos. Kinderen de deur uit gewerkt, ik in m’n sportkloffie klim op de hometrainer. Twee minuten later belt bedrijfspartner in paniek: Er worden dingen van onze rekening afgeboekt die niet kloppen. Ik klim weer van de fiets af en in plaats daarvan dan maar in de telefoon. De vroegere GEZ (Gebühreneinzugszentrale, zoiets als de instantie voor kijk- en luistergeld) heeft sinds dit jaar een andere naam en denkt daarmee ineens het zevenvoudige bedrag per maand te kunnen innen. Maar het centrale servicenummer kun je vanuit het buitenland niet bellen. Dan maar via het impressum op de website de centrale bellen om te laten verbinden. Helaas. Niet bereikbaar. Ik zoek de boel uit en schrijf uiteindelijk maar een email. Een telefoontje met de belastingdienst waar ik al een paar weken tegenaan zit te hikken, doe ik er gelijk maar even achteraan.

Een vriendin belt, in paniek. Er gaat iets niet goed. Een goed half uur later een beetje opluchting maar ook weer een half uur verder. Ik spring in de auto om de boodschappen te doen, tegen de middag moet er een grote levering komen en dan staan de kinderen ook weer voor de deur dus opschieten. Ik sjees door de Billa en de Lidl. Er piept iets in de auto (Te weinig koelwater? Te weinig ruitenlapwater? I don’t care). Thuis opgeruimd, de was gedaan, brood gebakken, een jammerlijk mislukte poging tot mijn anderhalfmaandelijkse strijksessie (telefoon, twee belangrijke emails, weer telefoon). Mobiel brult: de levering komt over ca. 1,5 uur. De kinderen stuiven naar binnen. HONGER!!! Eten maken. Zelfgebakken brood met nutella en hagelslag, het moet maar effe.

Om kort voor twee de deurbel. Ik denk “oooh shit ja!! Drumles!!” maar nee, het was de levering. Twee meer dan 5 meter lange en al heel lang verwachte zonweringen die voor schaduw op ’t terras moeten gaan zorgen. De – naar mijn bescheiden mening duidelijk poolse – vrachtwagenchauffeur doet de klep open en ik zie twee compleet krom liggende, volledig kapotte verpakkingen (á ca. 80 kilo per stuk…) waar onze zonweringen in moeten zitten. Gapende gaten, loshangende kartondelen. Na enig getelefoneer en geharrewar met chefs en verkopers maak ik nog even snel foto’s van de ravage en krabbel ik op het leveringsformulier dat ik niet kan inschatten of de artikelen kapot zijn en ik de hele levering bij deze niet aanneem. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ook geen idee had hoe ik die dingen samen met die chauffeur uit de vrachtauto had moeten krijgen. Wat een zóói daarbinnen… Weg ermee.

Ondertussen komt de drumleraar alsnog aanscheuren. Ik dirigeer ‘m samen met zoon naar de kelder, voor mij geen drumles 20130502_141712vandaag. Dochter maakt tegelijkertijd een zooi van haar huiswerk en belt eigenhandig een vriendinnetje om te vermelden dat ze daar vanmiddag komt spelen. Ik graai de telefoon uit haar handen en spreek met de moeder af dat ik haar rond drieën kom brengen. Vriendinnetje woont echter in de middel of absoluut nergens, zelfs de navigatie vindt het niet. Om iets na drie uur is ze er dan toch en scheur ik met een noodvaart terug naar huis om nog op tijd een nieuwe afspraak met de drumleraar te kunnen maken. Verder met m’n werk, de tuin moet maar wachten. Zoon maakt ook een prutteltje van zijn huiswerk én heeft de helft vergeten dus dat wordt weer een verhaaltje voor de juf schrijven in het postschrift. Tussen de bedrijven door zie ik een DYAC-link op FB waar ik echt tranen met tuiten om heb gelachen én zie ik een muziekvideo op youtube (via FB) die me vreselijk raakt, wederom tot tranen toe. Facebook meteen maar weer uit… Om 5 uur dochter weer ophalen want die heeft haar huiswerk dus nog voor geen meter af. Terug naar huis rijden (met navigatie :-S), eten koken. Terwijl het kookt zaai ik in de tuin en in de regen nog even snel een nieuw bloemperk in. Dat met die wortels uitzaaien en met m’n minivijver wordt i.i.g. niks meer vandaag. Man belt dat het laat wordt. Hoe laat? Geen idee. Laat. Oké. Fijn. “Je zonweringen heb ik trouwens ook teruggestuurd schat.” “Wáááát???” Gheheheh.

Zoon springt op van het eten en wil toch even laten weten dat hij uitgerekend heeft hoe groot de oppervlak van onze net afgemaakte Van-Haasteren-puzzel is, namelijk 7.300. Zo ongeveer in ieder geval. Fijn lieverd, dat heb ik nou altijd al willen weten.

En nu? Nu typ ik weer een zinloos blog.
En de conclusie van dit blog?
Zoals ik al zei.
Plan nooit iets.
Het komt er toch niet van.

beugelbekkie

Ik heb een beugelbekkie voor m’n eigen bestwilbeugel2
Da’s goed voor later, oh, daar twijfel ik niet aan
En op m’n neus – die ook niet mooi is – staat die pestbril
Dus ga ik steeds opnieuw weer voor de spiegel staan
Dan denk ik: Maakt het nou wat uit hoe ik eruit zie
Dan denk ik: Ja natuurlijk en dan denk ik: Nee
Want zonder bril weet ik heel goed, dat ik geen fluit zie
En rare tanden krijgen, da’s geen goed idee.
Oh nee…

Nou, probeer dat zoon maar ‘ns in te peperen. Het is voor je eigen bestwil, lieverd. (“Mijn bestwil wil dit niet!”). Je krijgt straks véél mooiere tanden. “Ik héb mooie tanden. Ze staan alleen een beetje scheef”). En het maakt toch niet uit hoe je eruit ziet? (“Ja wat nou, ik moet mooiere tanden maar eigenlijk maakt ’t geen bal uit??”).

Ik heb zelf bijna tien jaar lang een beugel gehad. Op mijn achtste was al duidelijk dat mijn gebit een plaatselijke ramp was. Letterlijk. Te weinig plek, dubbele tandenrijen, een overbeet waar je onder kon schuilen, enorme hazetanden en alles maar dan ook alles schots en scheef. Als ik in een appel beet, kon je de prachtige kartelrandjes bewonderen. Er werden vier melkkiezen getrokken. En gelijk daarna ook de daaropvolgende blijvende kiezen. Alles om maar meer plek te creëren. Ik had dubbele hoektanden, dus die melkhoektanden moesten er ook uit zodat de blijvende hoektanden naar beneden konden zakken (m.b.v. een beugel natuurlijk). Ik heb plaatjesbeugels, blogbeugels, beugels met hekjes (tegen ’t duimen :-S), plakkertjesbeugels (met ringetjes en elastiekjes), kapjesbeugels en weet ik veel wat voor beugels nog meer gehad. Toen ik 18 was, was de reconstructie wel ongeveer klaar. En daar zal ik m’n ouders altijd en eeuwig dankbaar voor zijn want ik weet niet hoe ik er anders had uitgezien vandaag de dag. Maar goed, zoon is er vooralsnog absoluut niet dankbaar voor.

‘Vroegah’ waren alle beugels roze. Nu niet meer. Hij mocht zelf kiezen in welke kleur hij zijn beugel wilde (blauw) en er werd zelfs een plaatje naar wens op gedrukt (in zijn geval een motor). Vroeger moesten we uuuuuuuuuuuuuuurenlang wachten op onze afspraak, hele namiddagen zaten we daar in die (enorme) wachtkamer. Nu niet meer: om half 3 stond de afspraak, om half 3 aan de beurt, om tien over half 3 stonden we weer buiten met beugel, beugelsleutel en beugelbakkie. Vroeger moesten we voor iedere aanpassing weer op komen draven. Nu niet meer: we mogen de beugels (hij heeft onder en boven zo’n plaatje met een stangetje) zelf om de vijf dagen met de beugelsleutel aandraaien dus de volgende afspraak is pas over goed 6 weken.

Het enig overgebleven probleem: Als ‘echte man’ is zoon nogal kleinzerig en overgevoelig (understatement of the year).
“Ik kan nief pfafen mef daf ding.”
“Hiebf doef ef feeerr” (‘Hier doet het zeer’ – een plekje boven zijn hoektand aanwijzend)
“Ik vind dif ech nie aangenaam, hoof…” (nooit gezegd dat ’t aangenaam zou zijn, lieffie…)
“Ik kan nief eenf ffflikken mef daf ding” (nee, maar met ’t eten mag-ie ook uit).
“wwwaaromm zif dif dingefje hier…” (een metalen uitstulpinkje met de tong aanwijzend)
“Mijn wehemelfe doef bijn” (“Mijn gehemelte doet pijn”. Oh. OK. En nu?? Platstampen ’t ding?)
“Hoe lang moef ik ‘m dan nog dragen?” (Nou, euh, nog een half jaar ofzo? En elke dag een uur of 14-16?)
Kreunsteunjammerklaag. En dat al na welgetelde twéé uur beugeldragen… Hij slurpt zich een ongeluk want “die beugel zit precíes op mijn speekselklieren en dan kan alle kwijl dus niet weg”. Uhuhh… OK, dit herken ik wel van mezelf van vroeger, maar elke 15-20 seconden heftig zuigend geslurp heeft toch best een behoorlijk negatieve uitwerking op je irritatietolerantie.

Yep. Dit wordt nog leuk, zeker weten.
Ik peper ‘m gewoon elke keer opnieuw in met de beugelverhalen en -ellende uit mijn jeugd.
TOEN was alles pas écht erg. Enzo.
En dan vooral die ene zin:
Later zul je me er dankbaar voor zijn…

Stoelendans

Na een maandje of twee knock-out te zijn geweest, heb ik nu zó veel te doen en nog meer in te halen dat ik inmiddels chronisch afwezig ben op het hele arsenaal social media. Heel gezond bij tijden, maar ik mis ook heel erg veel. Er zijn ergere dingen, weet ik. Weet ik. Maar ik wil nu eenmaal niks missen… Onmogelijk met dit weer. God wat is het mooi weer… Vandaag was het 26 graden. Heeeeeeeeeeeeerlijk. Het is nu nog warm buiten. En met die lente in de bol moest en zou ik die nieuwe, strakke, mooie maar vooral prijstechnisch ook héél aantrekkelijke aluminium tuinstoelen van de Aldi op mijn terras hebben.

Helaas dachten dat minstens 38 andere mensen met mij, die ook allemaal om tien voor acht met hun kar in de aanslag voor de glazen deur stonden te douwen. Als je niet beter zou weten, zou je gedacht hebben, dat er vandaag om 8am een spontane twee-minuten-gratis-shoppen-actie plaats zou vinden. Ik was nog naïef genoeg om te denken (hopen) dat deze mensen vást niet voor die tuinstoelen kwamen maar die hoop vervloog al gauw. Mijn Aldi (heet hier overigens niet Aldi maar Hofer, maar dat terzijde, het is gewoon een Aldi) kennende stonden de tuinstoelen in de derde gang achteraan. Het was racesteppen en karretjebeuken om maar zo snel mogelijk vast te mogen stellen dat er op die plek inderdaad een twaalftal stoelen opgestapeld stond.

TWAALF!! Hoe kúnnen ze… Uiteindelijk wist ik één stoel te bemachtigen. ÉÉNTJE!! Wat moet een mens nou met één stoel… Iedereen wou er zes. Of acht. En maar rukken. En duwen. En vloeken. En vuil kijken. Eén stoel stond zelfs nog zielig in de gang, die was door alle getrek al uit ’t fatsoen gerukt. En eigenlijk wou ik dus die met zwarte bekleding, niet deze grijze. Ellende.

Maar ik ben niet op één tuinstoel te vangen. Ik gaf mijn grijze stoel, vanzelfsprekend uit pure liefdadigheid, aan de meneer die er toch maar mooi even vijf had weten te bemachtigen en die nu helemaal happy naar de kassa karde. Even over mijn vers geoogste blauwe plekken op de heup wrijvend sloop ik heimelijk met kar naar het magazijn om de dame aldaar te vragen of ze niet nog ergens een stapel zwarte had. Ze keek me meewarig grinnikend aan en zei: “mevrouw, we wilden simpelweg die unieke stoelenrace van acht uur niet missen en ik kan u verzekeren, het was ’t waard. Maar we hebben nog minstens twintig palletten met stoelen hier staan hoor. U wilde zes van die zwarte? Alstublieft.” En dumpt zes stoelen op mijn winkelkarretje.
Oh, how nice…

Traanarts

Vandaag was het weer eens zover. De tandarts stond op ’t program. Vanwege alle ziekengedoe van de afgelopen maand(en) tandartswas de afspraak inmiddels al twee keer verzet maar vandaag leek het erop dat alles ging lukken.

Weer een nieuwe tandarts. We hebben er inmiddels al vier (eigenlijk vijf, één was een ‘nood-tandartse’ waar we daarna verder niet meer zijn geweest) versleten. Zoon durfde er keer op keer niet meer heen want elke keer opnieuw was hij weer een traumatische ervaring rijker. De één boorde er lustig op los zonder te zeggen wat-ie ging doen (“dit is zo oppervlakkig, dat kan hij haast niet voelen” – yeah right), de ander japste er twee verdovingen in maar wachtte helaas niet lang genoeg waardoor zoon het trekken van zijn kapotte kies letterlijk tot in de puntjes voelde. Weer een andere zei geen woord maar liet ons stuk voor stuk fijn een half uur wachten in de stoel die toch al zo traumatisch was voor zoon. Eentje had zijn afspraken driedubbel gescheduled waardoor onze afspraak van 14:00h uiteindelijk om half 5pm kwam te vervallen. “Sorry, we gaan de praktijk nu toch maar sluiten, we zullen met u een andere afspraak moeten maken”. Nou mooi niet, ik wacht echt niet nog een keer met twee kleine kinderen 2,5 uur in een snikhete wachtkamer. Et cetera enzovoorts undsoweiter.

Deze tandarts was (is) tevens orthodontist en aangezien zoons tanden nogal scheef staan én hij (door alle antibitioca en overmatige mondgevoeligheid) nu al de tandproblemen van een volwassene heeft, leek hij me – op aanbeveling van de buurvrouw – wel een goede optie.  En dat was-ie. Een vriendelijke, lachende, open man met veel geduld en expertise. Afspraak om half vier, aan de beurt om half vier. Ondanks een volle wachtkamer. Alles prima gepland. Aardige, rustige assistentes. Ik had meteen vermeld hoe de boor in de steel zat bij zoon, dat ze echt geduld met hem moesten hebben en dat hij doodsbang was.

En toch was het ook deze keer weer opnieuw pure horror voor zoon. Er moesten afdrukken gemaakt worden voor zijn beugel (hij heeft een te nauwe beet en scheefstaande tanden). Te heftig trillend beet hij in de vinger van de assistente die de mallen vanwege de grootte even voor moest proberen. Stukjes van de felblauwe afdrukpasta raakten in zijn keel waardoor hij niet meer kon stoppen met kokhalzen. Dikke tranen. Nog meer braakneigingen, rode vlekken in zijn nek, wanhopige blik. Ik veegde met mijn vinger snel wat van de pasta uit zijn keel (mocht gelukkig) en hield zijn hand vast. Daarna moest er nog wat tandsteen ( 😦 en dat bij een tienjarige…) verwijderd worden, ook geen pretje. Ik probeerde hem steeds weer gerust te stellen maar hij verkrampte alleen maar verder. Nog meer tranen. De assistente deed het echt geweldig en zo goed als het ging tussen die duwende tong en bijtende tanden door. Het bloed dat hij uitspuugde in het spoelbakje gaf hem ’t laatste restje en hij keek me zo ontredderd aan… Spoelde zijn mond, rukte het plastic slabbetje af en rende met zijn iPod naar de wachtkamer. Wegwegweg van die stoel. Mijn arme knulleke…

Dochter was voor hem al aan de beurt geweest. Die is namelijk gek op de tandarts, heeft volledig ongevoelige tanden (net als haar vader, oh wat een zegen lijkt me dat), kreeg lof van de tandarts omdat ze zo goed gepoetst had en haar tanden prima in orde waren. Zelfs toen ze een jaar of twee geleden een gaatje had dat gevuld moest worden en ze daarbij met een spiegeltje alles minutieus kon volgen, vroeg ze naderhand wanneer ze dit nou nog een keer mocht want het was leuk! Uhuhh…

Ikzelf moest vanzelfsprekend ook nog even voor controle (alles prima, gelukkig heb ik meer dan goede, keiharde tanden want in principe ben ik net zo gevoelig en net zo’n schijterd als zoon…) en werd een klein beetje bijgepolijst maar ik kon om een paar minuten na vier alweer mijn ietwat gekalmeerde zoon oppikken in de wachtkamer, dochter vrolijk achter me aan hobbelend. Een half uur traanarts. Inclusief 3x röntgenfoto’s maken, beugelafdrukken happen en tandsteen verwijderen. Aan zoons trauma’s kan ook deze tandarts niks doen, dat hebben zijn collega’s al teveel verkloot. Maar bij deze blijven we, da’s een ding wat zeker is. Volgende week is de beugel klaar. Ik ben benieuwd of we het ding er elke dag zonder afgebeten vingers in gaan krijgen…

Overleven

Hoe gaat het? Het gaat. Het is nog niet gestopt in ieder geval.

Ik sleep me van de bank naar de tafel, van de tafel naar de keuken, van de keuken naar de wc, van de wc naar de bank, en vice versa. Oh en ’s avonds sleep ik me de trap op en het bed in. Dat ook.

Ik ben ’t redelijk zat, dat ziek zijn (understatement of the year) want ik moet nog naar Ikea, kastdeurtjes omruilen. Ikea hijgt zogezegd in mijn nek (geen idee hoe lang de omruiltijd is daar, maar veel meer dan een maand zal ’t wel niet zijn?). Ik ben nu al dik vier weken op en af ziek. Eerst de ene griep, toen een opleving (waarin man en de kinderen ziek waren, dus dat kwam mooi uit) en daarna de tweede griep. En dáárvoor had ik ook nog die sullige hersenschudding in combinatie met een verrekte binnenknieband als gevolg van mijn acrobatische skikunsten. Eigenlijk ben ik nu dus al zo’n twee maand aan ’t kwakkelen. Kan ik niet doen wat ik allemaal zo graag wíl doen, mis ik steeds opnieuw mijn vibrogym, val ik om de haverklap volledig knock-out in slaap en voel me allerellendigst. Elke dag denk ik ’s ochtends: “NU wordt het beter. Ik voel het.” En tegen de middag crash ik dan weer op de bank. Ergens tussendoor doe ik nog het huishouden (zo goed als mogelijk), ga ik met de kinderen naar de therapie (want dat moet toch ook doorgaan), draai weer een wasmachine met kotswas, kook een pan spaghetti met saus, help zoon bij zijn huiswerk, stofzuig een beetje verdwaasd voor me uit. Het enerverende bestaan van een zieke Hausmutti.

Van werken komt sowieso niks, de error rate zou veel te hoog liggen. Wat wil je, met een (weliswaar lichte, maar toch) longontsteking. Door het hoesten verschieten m’n wijsvingers standaard van de f naar de r en van de j naar de u, om van de telefoon maar niet te spreken. Lang leve de autocorrectie. Daarnaast word ik er inmiddels daadwerkelijk ook ietwat incontinent van: m’n bekkenbodemspieren trekken ’t allemaal niet meer (sorry if T.M.I.) Lang leve de Tena Lady inlegkruisjes 😦 En mijn hoofd bonkt door alle geblaf als een drilboor. Lang leve de aspirine complex i.c.m. paracetamol. Maar voor mij blijft ’t nog even overleven.

Voordeel is wel, dat er relatietechnisch nu gelijk ook een hoop geëscaleerd en op tafel gekomen is (ik had er nu tijd voor hè 😀 ). Dat dan wel weer. Love is definitely still living here, in ieder geval. En Hope trekt er ook weer bij in. Ik heb inmiddels, in alle drang om beter te worden, een vakantie voor de zomer geboekt (Italy, here we come). En ik heb toegegeven aan mijn onbedwingbare kooplust en de bestellingen, incl. kinky boots, net binnengekregen. Heel tevredenstellend. (Nu alleen nog betalen :-S maar dat doe ik wel als ik weer beter ben gheh). Dochter luistert boven naar een barbie-CD, zoon scheurt op z’n waveboard om het huis heen. Nou ik nog op de been en dan komt alles uiteindelijk toch weer goed.

’t Is verdorie nét een sprookje.

Iets met koppen, rompen en rukken

Ohhww dit is weer zo’n titel die veel clicks gaat genereren, wat ik je brom. Rukken does the trick. Maar ik kijk nu heel onschuldig naar Brigitte Kaandorp en ze zingt een liedje dat simpelweg gewoon pást nu. De woede is al wat gezakt maar nog steeds hè, nog steeds…

Ze zeggen wel de tijd heelt alle wonden,
en wat gebeurd is, dat is nou gebeurd
en wat gij niet wil dat u geschiedt,
doe dat ook een ander niet
daarom heb ik je kop nog steeds niet
van je romp gescheurd.

Oh, scheuren. Ze zong scheuren. Niet rukken. Shit. Nou, maar ik verander de titel niet. Laat ze maar komen, die klikkers.

Ze zong trouwens nog over  in de anus gepropte laptoppen en naaiende moraalridders, maar ik kan de complete lyrics niet vinden op Google dus hier laat ik ’t maar bij. Heerlijk, zulke wraakteksten. Eigenlijk is ze doodvermoeiend, deze Brigitte, maar ze heeft nog steeds prima benen en ik ben een absolute fan van haar liedjesteksten. Zó treffend. Zo ráák. Zo mij… ik herken mij in dit mens. Niet dat ik in netkousen en korset op een podium rond zou springen (je wordt duidelijk ouder, Kaandorp, maar je mag er nog steeds wezen), ammenooitniet, en zoveel woorden in één minuut zeggen als zij doet, is godsonmogelijk voor mij, maar haar humor is de mijne. Lekker sarcastisch. *like*

Maar even terug naar dat liedje. Een dag of wat geleden rees er ergens (ik vrees op facebook) de vraag of je gelooft dat ieder mens tot een moord in staat is. Nou is het woord ‘moord’ in principe direct verbonden met ‘voorbedachte rade’ en daar moet je toch wel een wat gevorderde gek voor zijn (niet dat we daar een gebrek aan hebben), maar ik denk wel degelijk dat iedere mens in elk geval tot doodslag in staat is. Of zo af en toe eens een moord uit passie zou willen plegen. Zo kwaad, zo intens gekwetst dat je iemand iets aan zou kunnen doen. Maar je doet ’t niet. Dat is dan weer het verstandelijke (en het schijterige…) in de (jaja, gebagatelliseerde ;-)) doorsnee mens. Gelukkig.

Eergisteren droomde ik nogal levendig. Ik hielp iedereen om zeep die mij ooit kwetste, die de mensen die ik lief heb pijn deed en ook degenen die me figuurlijk al zó lang in de weg stonden op mijn weg naar het geluk. En het voelde zó goed. Alleen bleef ’t natuurlijk niet verborgen, ik ben geen professional serial killer, zelfs niet in mijn dromen. Het vluchten werd steeds lastiger. Want door dat wat ik deed, moest ik ook juist mijn geliefden in de steek laten en heel hard van ze wegrennen. En dat kon ik dus niet…

’s Ochtends wakker was ik dan toch blij dat ’t maar een droom was. Maar oh wat had ik ze graag…
Als ik een hitlist had, was-ie lang. Maar ik heb er dus geen.

Ik maak ze allemaal hartstikke monddood met liefde.
Veel effectiever.

Waar blijft die kloterige rotlente eigenlijk…

Vertrouwen

Wat is nou helemaal ‘vertrouwen‘…

Het ervan op aan kunnen dat iemand jouw duistere geheimen niet doorvertelt? trust2
Het geloof dat een ander écht eerlijk en aardig tegen(over) je is?
Het weten dat je partner zijn genegenheden voor de volle 100% enkel en alleen aan jou geeft?
Het gevoel van veiligheid en geborgenheid?
De wetenschap dat iemand achter je zal blijven staan om je op te vangen als je valt?
De zekerheid dat iets uiteindelijk goed zal gaan of weer goed zal komen?
Het geloof dat iemand dat zal doen wat jij van diegene verwacht?
De hoop dat de vertrouwde persoon geen dingen zal doen die in jouw nadeel werken?

Vertel…
Wat is nou dat vertrouwen?
Wat is eerlijkheid?
Trouw. Loyaliteit. Oprechtheid.
Moeizaam en liefdevol opgebouwd oervertrouwen.
Steeds opnieuw een stukje ervan afgebroken.
Steeds opnieuw een stukje meer beschadigd.

Volgens de sociologie is vertrouwen een essentieel concept in een goed functionerende samenleving. Het vertrouwen in de medemens. Het gevoel dat niet iedereen per definitie slecht is. En daarmee ligt ook gelijk één van mijn grootste manco’s op tafel: mijn gebrek aan vertrouwen. Mijn wantrouwen. Ik geloof niet in de goedheid van de mens an sich. Ik ben ervan overtuigd dat iedere mens in eerste linie handelt vanuit een absoluut egoïstisch standpunt. Noem het overlevingsdrang, noem het eigenbelang. Ik ben – al zeg ik het zelf – goed in het bewaren van geheimen. Ik praat niet snel mijn mond voorbij, klep zelden dingen door. Heel nobel? Neuh… In principe doe ik dat omdat IK daar beter van word: degene die mij dat geheim toevertrouwd heeft, is op mij gesteld, heeft duidelijk wél vertrouwen in mij, ja houdt zelfs soms van mij. En die liefde, dat vertrouwen en die toewijding wil ik niet verliezen of beschamen dus bewaar ik dat geheim. Ik vertrouw zelf maar bar weinig mensen. Ik ben een scepticus. Zelfs een cynicus. Eerst zien, dan geloven.

Volgens mij is het enige werkelijk belangrijke vertrouwen in het leven het zelfvertrouwen. Het vertrouwen in jezelf. Het is het enige vertrouwen waar je altijd van op aan kunt omdat je het zelf in de hand hebt en ook datgene waar je mee verder moet. Laat ik daar nou óók een gebrek aan hebben. En aangelegenheden als slippertjes of buitenpartnerschappelijke relaties zijn nu eenmaal die dingen die met uitstek dat zelfvertrouwen zwaar beschadigen…

Laatst beet mijn man me nogal bits toe dat niet de hele mensheid zo slecht is als ik altijd maar denk. Touché… Maar ondertussen worden mijn naasten, degenen die ik nou juist wél vertrouw en die ik lief heb, wreder dan wreed bedrogen, houden partners van vriendinnen er al maanden (jaren?) geliefden op na, wordt de één na de andere priester of kinderarts wegens pedofilie en seksueel misbruik veroordeeld, graait die hoogstaande politicus nog een paar miljoen mee de afgrond in, is het volgende voedselschandaal uit economisch bejag alweer een feit en is er weer een twaalfjarige ‘vrouw’ verkocht voor een huwelijk met een 68-jarige man. Waar blijft dan nog dat vertrouwen…

Schijnbaar moet ik opnieuw leren te vertrouwen. Op anderen, in anderen, in mezelf. Tjezus wat is dat moeilijk… Altijd handelend met loyaliteit en integriteit, zonder verborgen agenda’s. Open in de communicatie met iedereen, niet slechts met enkelen. Beloftes nakomen. Aan verplichtingen voldoen en me richten op de belangen van anderen als ook op die van mijzelf. Wel, ik doe nog steeds mijn stinkende best. Jij ook??
.

De mens is een raar beest.
En ik ben er daar eentje van…trust

 

Der kranke Mann

Mannen, u kunt hier stoppen. Dit wordt een damesklaagzang. Over mannen. Niet allemaal hoor, dus als u niet tot de categorie ‘gemiddelde man’ behoort, die ik hier bespreek, kunt u vanzelfsprekend verder lezen. Maar ik heb u gewaarschuwd.

*rant-modus ON*

De gemiddelde man bestaat niet. Ik weet er alles van. Maar de gemiddelde man is erg slecht in het fenomeen “ziek zijn”. En mijn man is een gemiddelde man.  Qua ziek zijn dan.

Vorige week was ik zelf enigszins aangeslagen. Mijn knie en hoofd speelden (na mijn ski-ongeval van 3 weken geleden met een flinke hersenschudding en gekneusde knie tot gevolg) nog wat na, maar een kniesorin die daarop let. Ik start de week met keelpijn, hoofdpijn, oorpijn en hoesten. Ook daardoor laat ik mij niet van de wijs brengen. Drie van de vier dagen ski ik er toch aardig op los. Ik let niet op mijn nogal pijnlijke keel, mijn verstopte oor, het inmiddels notoire hoesten en die loopneus neem ik ook op de koop toe. Ik ski, ga wandelen, help met eten koken, ben ‘enigszins’ gezellig (ik heb getuigen). Ik krijg nog wel tips van man tijdens het skiën, zodat ik eventueel toch íets sneller zou gaan enzo, maar die tips mag hij tussen zijn zuurdesemstoet stoppen. Ik ben al lang blij dát ik weer ski na en met alle gedoe en vind het eerlijk gezegd best een hele prestatie van mijzelf. Het blijft edoch onopgemerkt.

Donderdag ’s avonds, net weer thuis, crash ik en sleep mij met lichte koorts het bed in. Vrijdag is een verloren dag met duidelijke  griepverschijnselen, maarrrr ik ruim wél nog even de vakantiezooi op, geef man een gedetailleerd boodschappenlijstje met wat hij moet halen, draai/droog/vouw vier wassen en kook voor de meute. Tussendoor leg ik me kort te rusten, neem een overdosis advil en parasitaknol, sleep mij erdoorheen. Zaterdag krabbel ik weer op, ga zelf boodschappen doen (…) en zondag ben ik zelfs weer zover OK dat ik het verplichte schoonmoederbezoek happy doorsta.

Maar owee. De maandag. Back to school and work. Man heeft bij het ontbijt al een muts op. Dat belooft niet veel goeds… Als ik na een behoorlijk intensieve dag ’s avonds terug kom met dochter van haar koorrepetitie, ligt hij op de bank, met muts, trui en een deken tot over zijn neus. Aiiii… hij is ziek…

En daar komt het ‘gemiddelde man’-schap om de hoek kijken. Met praktisch dezelfde griep als ik is meneer praktisch deaud. Ik heb ‘m aangestoken. “En bedankt hè?” kan er nog net vanaf. Graag gedaan hoor schat. ’s Nachts een snurkende, zwetende kriem. Slapen met muts op is echt geen remedie volgens mij, maar het moet want anders sterft hij… En hij is de expert in ziek zijn, dat is een ding wat zeker is. Dat wat ik had vorige week, was niks. Een verkoudheidje.

Vanochtend, half 7. Ik trommel de kinderen uit bed, wassen, aankleden, ontbijten, back to school. Niet al te eenvoudig na een week intensieve vakantie. Man ligt voor pampus. Ik breng hem een kop thee en jus d’O en z’n mobiel zodat hij zijn werk af kan bellen. Kinderen de deur uit. Naar de gyn voor uitstrijkje/standaardonderzoek én hormoononderzoek. Die verziekt mijn arm bij het bloedprikken behoorlijk, maar ach nou ja. Een verwijsbrief halen voor dochter, boodschappen doen, langs school voor een kort gesprek. Thuis begonnen met het in elkaar schroeven van de eerste Ikea-kast. Kan ik. Tussendoor werktelefoontjes en een gesprek met een bezorgde moeder van zoons klas (ik ben klasse-oudervertegenwoordigster, vandaar). Eten koken. Eten met de kinderen, huiswerk maken. Al die tijd kijkt man meewarig toe vanaf de bank. Zo ziek, ocherm… Ik maak hem een kop thee, een broodje, een glas versgeperst sinaasappelcitroensap. We mogen niet te hard praten (zijn hoofd), de kinderen niet TV kijken (dat doet hij nl. al, hoe kom je anders de dag door, liggende op de bank). Hij zweet wat af met muts op en drie dekens over (die ik vervolgens weer op de hand mag gaan wassen). Ik probeer hem ervan te overtuigen toch echt naar bed te gaan, maar nee, daar komt-ie de dag écht niet door. Op de bank slapen is veel beter en aangenamer. Helaas niet voor ons.

Ik maak de rest van de ikea-kast af (zacht timmerend en schroevend), ruim op, maak avondeten, breng de kinderen naar de scouting, eet zelf wat, haal de kinderen weer op, maak een smoothie voor iedereen (behalve mezelf), stop de kinderen in bed, lees voor, ruim verder op. Maak spullen en documenten in orde voor morgen (schoolaanmelding zoon), nog wat telefoontjes, verenigingswerk, e-mails. Maak thee voor man. En voor mezelf ook, toegegeven. Om 11pm weet ik hem ein-de-lijk te overtuigen dat hij in bed hoort.

Hè hè… daar waar-ie hoort. En waar ik zo meteen naast mag kruipen. Joepie, lekker…

Echt. Zieke mannen zijn een ramp. Ze doen NIKS meer, zijn tot NIETS meer in staat behalve belabberd op de bank liggen. Als ik ziek ben, gaat het leven gewoon door, ik doe alles wat ik moet doen en tussen de bedrijven door mag ik dan even uitzieken. Als een man (nee, MIJN man) ziek is, ligt-ie minstens 3-4 dagen voor dood op de bank, ook al stort het huis rondom hem in, who cares. Uitzieken zullen we. Anders komt ’t nooooooit meer goed…

Zwak geslacht…
Klaar mee.

*rant-modus OUT*

Boodschappenleed

Al dagen stilte alhier. Kan kloppen, ik was er even ‘uit’. Weg. Bij pap en mam én zus onder de vleugels. Lekker skiën en veel praten en puzzelen en bijkomen en opwarmen van binnen. Moet ook af en toe. Ik had drie weken geleden nevernooitniet gedacht dat ik nu alweer op de ski’s zou staan, maar het ging goed en ik heb er – ondanks alle persoonlijke crises – van skiengenoten. Vooral van de kinderen, zoals ze de berg af scheuren. Beide absolute ski-fanatici. Het liefst zwarte pistes. Mag hoor, ik neem de blauwe ‘Umfahrung’ wel… Met om iedere knie een orthopedische brace kachelde ik er gemoedelijk achteraan, af en toe een foto of filmpje makend.

Maar maandag voelde ik me al niet topfit en dat zette uiteindelijk gisteravond door: oorontsteking, keelpijn, hoofdpijn, lamlendig. Ik loop/lig/lummel dus al de hele dag in huis rond met een muts op m’n hoofd en een dik vest, joggingbroek en sloffen aan. Ma Flodder ten top. Who cares. Helaas moeten er, na een paar dagen huiselijke afwezigheid, wel boodschappen gehaald worden. Dat was IK vandaag dus echt niet van plan en daarom werd man erop uit gestuurd.

Wat is dat toch met mannen en boodschappen doen? Oké, laten we ze niet allemaal over één kam scheren. Er zijn hordes mannen die het wel fantastisch kunnen en ja, oefening baart kunst. Ik heb dus een nogal ongeoefend, leer-resistent en enigszins koppig exemplaar. Ik graaf de koelkasten door, maak een uitgebreid, GOED leesbaar en gedetailleerd lijstje, deels met productlocatie erbij. Ik instrueer hem uitdrukkelijk om heel goed te kijken of de groente in orde is, niet rot, geen bruine plekken enzo. Ik druk hem op het hart, mij te bellen als hij iets niet vindt/begrijpt/kan lezen. Het helpt allemaal geen biet.

wat schreef ik: “Een bak puntpaprika’s (ca. 5 stuks)”
wat kreeg ik: Een bak puntpaprika’s (oh wonder!), waarvan 2 compleet verrot en 1 deels. Het rotsap droop eruit.
wat schreef ik: “2 koolrabi’s”
wat kreeg ik: één bloemkool…
wat schreef ik: “2 grote volkoren broden, géén zuurdesem.”
wat kreeg ik: twee kleine zuurdesembroodjes
wat schreef ik: “2-3 beetje rijpe biobananen.”
wat kreeg ik: 5 lichtgevend groene ploppers uit Costa Rica.
wat schreef ik: “500g rundergehakt, bio!!!” (runder en bio onderstreept)
wat kreeg ik: 300g gemengd kiloknallergehakt.
wat schreef ik: “een zakje pecannoten”
wat kreeg ik: een telefoontje dat hij niet wist wat dat in vredesnaam was en dat we zát walnoten in de kelder hebben liggen dus als hij die dingen al ooit zou vinden in deze Lidl-chaos, zou hij ze nog niet meenemen. Fijn dan. Die in de kelder zijn trouwens niet te vreten (oud, beschimmeld) 😦
wat schreef ik: “2 stronken broccoli, goed kijken of vers!!”
wat kreeg ik: 2 stronken broccoli (jaja), helemaal geel met bruine uiteinden. Dat was dus gele broccoli vandaag. Ook lekker.
wat schreef ik: “1 biokip (ligt in de koeling, naast de gewone plofkippebouten).”
wat kreeg ik: Niks. Biokip is te duur. Ik heb vást nog wel wat anders in de vries…

Manlief, als je dit leest: sorry, ik moest ’t even kwijt.
Je doet het goed hoor. Echt. Ja echt.
Nog een béétje oefenen, dan wordt het vast nóg beter.

Ik hoop heimelijk dat ik morgen weer enigszins fit ben.
Ik moet namelijk nog boodschappen doen.

Insulinzichten

insuline is een maf goedje. Aangezien ik er door meerdere mensen op gewezen werd, dat ik wel eens diabetes zou kunnen hebben (ik had – heb – er vrijwel alle symptomen van), heb ik een uitgebreid gezondheidsonderzoek (met bloed-, urine- en weet ik veel wat voor andere metingen allemaal) laten doen. Vandaag kreeg ik de uitslag en had een lang gesprek met de onderzoekende arts. Ik plemp dit geheel maar even in een blog, dan is gelijk de hele wereld weer op de hoogte.

Samengevat: ik ben gezond. Lichamelijk dan. Mens sana in corpore sano gaat momenteel nog niet zo op voor mij. Dat mens hè, dat mens… Mijn bloedwaardes waren allemaal OK (nou ja, ik heb een ietwat hoog cholesterolgehalte, daar moet ik wel een beetje aan werken maar de rest was top). Bloeddruk (“een schitterend gemiddelde”), hartslag (“van een topsporter”), urine (“primadeluxe”, m.a.w. je zou ’t kunnen drinken), huid (“een blanco blaadje”). De hormonomononen weet ik nog niet, dat onderzoek volgt eind februari.

Wáárom ben ik dan te dik? Waarom val ik niet af terwijl ik steeds opnieuw weer zó mijn best doe? Daar kwamen de ‘nieuwetijdse’ inzichten van de dokter om de hoek. Ik heb volgens hem nog de eetgewoontes en -patronen van de oude garde in mijn hoofd. Meerdere kleine maaltijden op een dag om het bloedsuiker en de insulineproductie constant te houden, geen pieken en dalen.  Dat idee is op zich oké, als je een normaal gewicht hebt, gezond bent en verder niet hoeft af te vallen.

Door steeds kleine maaltijden te eten (en te snoepen en teveel alcohol te drinken *kuch*) blijft de insulineafgifte hoog. Insuline wordt ook wel het “mesthormoon” genoemd: het zorgt ervoor dat suikers uit het bloed opgenomen en in vet opgeslagen worden (tenzij ze á là minute door (top)sport verbrand worden, wat bij de normale mens echter zelden gebeurt). Even kort door de bocht bekeken mest het je dus, bij constant hoge levels, vet. Daarnaast zorgen snelle koolhydraten (witmeelproducten, suikers, fruit) ervoor dat de bloedsuikerspiegel heel snel stijgt/piekt, kort daarna schiet de insuline de hoogte in. Na een tijdje daalt het bloedsuiker ook weer abrupt, de insuline werkt nog door. Gevolg: tijdelijke hypoglykemie, een té laag bloedsuiker, waardoor je je weer slecht voelt en in ’t meest rotte geval vreetbuien krijgt (oh bliss… herkenning). Insulinepeil

Dat laatste, van die pieken en dalen, wist ik al. Het eerste, dat je beter niet 5-6 kleine maaltijden moet eten maar 3 hoofdmaaltijden met 4-6 uur NIKS eten daartussen, niet.  En fruit ’s ochtends bij het ontbijt (dat at ik dus tot nu toe) is helemáál slecht volgens de dokter, omdat het eerste wat je dan op de vroege ochtend al krijgt, een insulinepiek is. Gefeliciteerd. Het geluk slaat dan in de loop van de ochtend om in gigantische honger (klopt!) waardoor je er nog een tweede ontbijt achteraan gooit (ik althans, ik stierf om een uur of tien inderdaad van de honger, misselijk, slap). Dus het optimale stramien zou zijn:

– om een uur of 7 á half 8 ontbijten met veel eiwit (yoghurt/ei/vlees/kaas), volkoren brood, koffie met melk (voor mij dan alle melkproducten in de niet-koe-variant).  No problem. Kan ik.
Tussendoor: enkel kalorievrij drinken. Koffie is geen probleem, als ’t maar zonder melk/suiker is. OK, toegegeven, dit wordt moeilijk. Maar ik heb ’t vandaag al volgehouden…
– rond een uur of 12 warm eten. Het liefst ‘s-middags warm want ‘s-avonds zijn warme maaltijden o.h.a. te zwaar en zou men juist zo min mogelijk koolhydraten moeten eten. Dus ‘s-middags een fatsoenlijke maaltijd van vlees/vis/kip whatever, groenten (minstens 300g) en aardappels/(volkoren) pasta/rijst/etc. Daarna rustig nog een kop koffie met melk, wat fruit (liever niet maar als je fruit wil, dan nu) en een bak yoghurt of een volkoren koekje. Tot maximaal 13 uur eten.  Ook geen probleem, lijkt me.
Tussendoor: zie hierboven. Moeilijk moeilijk moeilijk.
– rond 17/18h: avondmaaltijd. Eiwitten, groente. Groentesoep met kip bijvoorbeeld. Komkommer met kaas. Zulke dingen. In ieder geval geen brood/aardappels/pasta oid meer. Ook dit vind ik behoorlijk lastig, ik heb vooral ’s avonds zo’n zin in brood…
Rond een uur of 20-21 is volgens meneer de arts een glaasje wijn toegestaan. Eéntje.  Dat wordt dan redelijk snel afgebroken en dan ga je de nacht in, stabiliseert de boel en zou je ’s ochtends weer gereset zijn.

Daarnaast moet een mens om de dag een half uur conditiesport (intensieve beweging) doen, het liefst voor ’t ontbijt aangezien dan de insulinelevels het allerlaagst zijn. Jeumig, dat wordt moeilijk. De beweging op zich niet, maar om half 7 al aan een sporthalfuurtje beginnen wel. Dan zou ik theoretisch om 6am op moeten staan, gelijk op de fiets/loopband springen, de kinderen de deur uitwerken en dan keizerlijk ontbijten. Moet ook te doen zijn, maar ik ken mij… Dat hou ik welgeteld 2 dagen vol.

En dan het weekend. Dan slaap ik tot half 9, kom om half 10 m’n bed uit met een berehonger. Ontbijten tot half 11.  Dan kan ik alles tot aan het avondeten vergeten vanwege die 4-6 uur. Lastig lastig.

Nou ja. Ik ga het maar weer eens proberen. Ergens moet ik toch op de één of andere manier wel af kunnen vallen, toch… Man schamperde vanochtend al: “Je bent in de veertig, wat wil je nou nog?? Als je NU niet nog één keer drastisch afvalt, ga je zo [zoals je nu bent – Red.] de kist in.”
Okéééééé dan…

Poging 286 wordt gestart. Als ook deze poging mislukt, ga ik die kist bestellen.
In XXL.

.

.

(ik heb trouwens net ontdekt dat dat streepje tussen ‘s-morgens en ‘s-avonds e.d. tegenwoordig niet meer mag. Het is dus ’s morgens. Ik vind dat raar staan, maar goed, so be it. Weer wat geleerd. Nu nog leren afvallen…)

Stom

Valentijnsdag is stom.

Ik ben een oen.

Ik ben stom.

’t gaat enkel om de poen.

Valentijnsdag is kut.

En ik ben een trut.

Punt.

Wil er nog iemand discussiëren?

Pauze…

Ik wist vroeger nooit precies waar dat woord vandaan kwam maar ik vond het een mooi woord. Pontificaal. Dat stond voor “breeduit, nadrukkelijk en  groots”. Voor mij dan. Hij ging pontificaal in de weg staan. Nou, dan kwam je er écht niet meer langs. Ik heb ’t pontificaal verprutst. Erger kon het blijkbaar niet.

Inmiddels weet ik al lang waar de oorsprong van het woord pontificaal  ligt. En momenteel ligt die oorsprong zelfs op z’n pontificale gat. De paus treedt af. Joepiedepoepie. Geen dag te vroeg. “Opbokken ouwe!” zou ik willen roepen, maar dat hoeft al niet meer want hij bokt uit zichzelf. Op. Net als een paar Benedictussen eerder: Benedictus de IXe had teveel menselijke liefde in zich en verkoos in 1045 het trouwen van z’n geliefde boven zijn pontificaliteit. Geef ‘m eens ongelijk. Daarvoor (1009) hadden we nog Johannes de XVIIe (waarom die opkraste weet ik niet), daarna nog Celestinus V die sowieso nooit paus had willen worden en Gregorius XII die 1415 eruit gewerkt werd omdat hij probeerde de kerk weer een beetje te herenigen. Na een hoop gesodemieter en een pausentriootje stapte hij ‘vrijwillig’ op.  De rest van het pausgepeupel stierf in het ambt. Oh, die arme sloebers…

Zoals u merkt, heb ik niks met pausen. Vandaag vroeg ik me al even oprecht af, hoe een vrouwelijke paus zou heten. Pauze? Ja graag. Even pauze. Van al deze institutioneel overjarige hypocrisie. Ik ben geen vriend van de katholieke kerk (iets wat ik niet onder stoelen of banken steek) en daarin ben ik gelukkig niet alleen. Ik ben überhaupt geen vriend van religie whatsoever. Ook dat heb ik al uitvoerig uit de doeken gedaan. Vergeef mij alstublieft (*grijns*). Voor mijn gevoel maakt religie veel meer kapot in deze wereld dan dat het goed doet. Oorlogen, volledige onzinnige regels, vrouwenonderdrukking, vervolging, misbruik van beschermelingen, allemaal in de naam van wéér één of andere god. Maar dat een sekte-opperhoofd als de paus dan nog niet eens weet, hoe adequaat te reageren op het feit dat het deksel van de stinkende beerput onder hem opengetrokken is, is dieptriest.
Eerst maar ‘ns opzij springen. “Ieuwww, wat is DÁT?!?”
Dan proberen om dat deksel er uit alle macht weer op te sjorren.
Een poging om de stank met wat deospray te verdoezelen.
Een hoop schokkende andere dingen roepen om de aandacht af te leiden.
Wag the dog, enzo…
En vervolgens hard weg te rennen als dat allemaal zinloos blijkt.
Want je door god gegeven krachten zijn ten einde…

Laf. Dat is het.
Maar ach… dan kiezen ‘we’ toch gewoon een nieuwe?
Wat roken we dit keer?
Wit of zwart?
Wiet of shag?
Laten we het mixen.
Vijftig tinten grijs…
oh my…

PAUZE PLEASE!!!!
Pauze2

Balansdag

Vrijdag balansdag.

Positief:
– de tuner van manlief werd al om kwart voor acht geleverd door Meneer Den Drollenvangerbouwvakkersdécolletébezorger, waardoor ik gelijk op pad kon.
– de ouwe pruttel van manlief afgeleverd bij het afvalcentrum (lekker is dat toch, andermans spullen weggooien. Ik weet wel waarom dat mijn klusjes zijn…).
– een nieuwe matras gekocht. Na anderhalf uur testen en proefliggen waarvan wel 15 minuten op de betreffende matras heb ik met de madame onderhandeld, een fiks bedrag neergeteld m.b.v. mijn kredietkaart en mijn nieuwe bedpartner in de auto gepropt. Hij (het is een hij, dat weet ik zeker) ligt nu al in mijn bed op mij te wachten.
– koffie gedronken met vriendin en even de frustrerende gang van zaken op school door kunnen kletsen.
– het is een vrijdag.

Minder positief, zeg maar:
– de tuner van manlief bleek van een afzetter te komen: het ene verkopen en het andere (nl. ouwe rotzooi van z’n zolder) leveren. En nu maar zien dat je je geld terugkrijgt…
– de post leverde een boete af die we op onze vorige reis naar Nederland opgedaan had. Dertig euro. Over het fotootje van manlief op de brief viel niet te twisten. Maar verder viel het nog mee: IK had het i.i.g. niet gedaan.
– ik heb weer ‘ns in shock naar mijn winkelwagentje gestaard. Tot ca. tweederde vol, enkel totaal normale boodschappen karretje(Groente/fruit, vlees (OK, OK, deels bio-rundvlees…), kaas, eieren, diepvriespizza, brood(jes)/toast, wat naaigerei, pasta, cola, broodbeleg, melk, soyamelk enzo. Niet eens schoonmaak- of wasmiddelen of alcohol en ook niks onderop wat jullie niet kunnen zien) Hondertveertig euro. Schandalig vind ik het. Als de bevolking hier ook nog zoveel meer zou verdienen cq. netto over zou houden, was het niet zo’n ramp. Maar dat is dus niet zo. Ik weet alweer waarom ik naar de Aldi ga. En dan nog betaal ik ook zo honderd euro voor dit gedoetje. Misselijkmakend duur.
– Buurman kwam spontaan langs met een petitie en burgerinitiatief. Of we meededen. Het blijkt dat er een autobaan in de planning is. Direct in het weiland naast ons. Hooguit 50-100m van ons huis vandaan, bouwbegin over 12 jaar. NEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE!!!!  Dit kan niet waar wezen… Maar het is wel zo. Kutterdekut. Ja wij doen mee….
– toen ik de kraan van het toilet dichtdeed, brak die spontaan af. Gelukkig wist ik waar ik de toevoerkraantjes zo snel mogelijk dicht moest draaien. En hoe ik moet dweilen.
– toen ik iets uit de voorraadkast wilde pakken, viel de nieuwe fles ketchup van de plank. De dop schoot eraf, de ketchup omhoog. Ketchup is echt PRUT om schoon te maken.
– ik heb buikpijn, hoofdpijn, kniepijn, rugpijn en een rotgevoel. Morgen verjaardagsfeestje van zoon. In het zwembad. Joepie. Hoog tijd voor het uittesten van mijn wondermatras.
– het is een klotedag.

Morgen beter graag?

zo’n dag

Het is alweer zo’n dag. Zo’n dag waarop ik niks doe. Waarop ik niks fatsoenlijks uit mijn vingers krijg en me in ieder opzicht te lamlendig voel om iets zinnigs te doen. De buikgriep van de kinderen schijnt verdulleme nu ook op mij zijn weerslag te hebben maar ik zal u verdere details hieromtrent besparen. Ik hoor de verstandige hordes om mij heen al roepen: “heel goed, een dagje niks, je hebt je al twee dagen veel te veel uitgesloofd met al die opruimerij, een dagje rust is dan hoognodig. Kijk maar. Je lichaam geeft je nu de grenzen aan.”

Jaajaaajaaa… Ik weet dat natuurlijk ook wel. Maar zo’n dagje niksen maakt van mij een uiterst miserabel persoon. Ik voel me dan een nietsnut en ik weet dat ik er zelfs daadwerkelijk zoeentje ben. Met huis uitmesten ben ik voor zover wel klaar, nu is het wachten op Ikea. Zoals u misschien weet ben ik een Ikea-freak bij uitstek. Ik heb vandaag mijn bestelling via de mail aan ikea@ikea.com gestuurd (stomme shop werkte niet) en had binnen 5 minuten een bestelbevestiging én een persoonlijke mail van ‘Brenda’ (nee, niet Anna)’  met excuses en info terug. Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat ze mij kennen daar… De boel wordt over een week of 2,5 geleverd. Tot die tijd mag ik dus ‘niksen’.
Ik háát niksen…

Mijn frustraties zijn evident: zelfs de kinderen moeten ’t ontzien. Dochter is er eentje van “heeft u bloed onder de nagels? ik help!” en zat tegenover me te klieren. Buurmeisje zat ernaast, wilde eigenlijk graag met haar spelen.
Dochter:
….“Maar ik weet niet wát ik wil spelen. En ik wil nog naar D. [buurjongetje] maar dat kan niet zolang M. [buurmeisje] hier is. Mag ik dan echt niet TV kijken? Alles is saai hier. [nadruk op alles] Ik wil wel verstoppertje spelen. Maar met zijn tweeën is dat niet leuk. Dat gaat écht niet. Wat moet ik dán spelen dan?” – enzovoort. Op dramaaaaatische toon. Vanzelfsprekend.
Daarbij zit ze tegenover me aan tafel, voeten erboven op, kijkt me uitdagend aan en negeert buurmeisje M. die er wat verbouwereerd naast zit te koekeloeren.
Daarop dus mijn antwoord:
….“Ten eerste is het absoluut ONaardig van jou om M. via je D.-smoes naar huis te sturen. M. kwam hier spelen en dat vond jij goed. Dan zoek samen iets wat je kunt doen en wat jullie allebei leuk vinden [waarna ik nog 8 opties aan leuke dingen opgerateld heb]. Ten tweede heb je bérgen met speelgoed, spelletjes, een Barbiekasteel, een Barbiehuis, tonnen Pollypocketprut en anderhalve meter leuke boeken EN een echte lees-en-lounge-bank op je kamer. Als JIJ niet weet wat je daarmee moet, prima. Over 3 weken is de halfjaarlijkse vlooien- cq. ruilmarkt op school, dan verkoop ik de hele pruttel. Weg ermee. Jij hebt het blijkbaar niet meer nodig want je speelt er nooit mee.”
Waarop ze niet wist hoe snel ze met M. naar boven moest komen om te gaan spelen. Mooi zo. Dat ook weer opgeruimd.

Ondertussen zie ik best ál die dingen die ik nog wilde doen. Ik weet zat klusjes en werk wat hoognodig moet gebeuren. Maar ik krijg mezelf zover om ze te doen. Ik ben vandaag intens moe. En lamlendig. En een beetje verdrietig. En geirriteerd. (Nee. Het is niet DIE tijd van de maand. Nee.) Ik wil dus blijkbaar ook niks spelen. En ik heb óók bérgen met speeltjes, spelletjes, een levensgroot kasteelhuis, een speelkeuken en wel 10 meter boeken (en een Kindle). Ik ga maar ‘ns op zoek naar een fatsoenlijke loungebank. Want op deze kan ik niet zitten, ik old wief. En als ik met de rest van mijn speledingetjes partout niet wil spelen, moeten we die dan ook maar verkopen…

Zo’n dag dus.

Kast

De kast is laag vandaag. Werd me daarstraks verteld. Kan kloppen. Ik zou ’t niet weten: ik zit er sowieso altijd op. Ik wóón op die kast, you know… Ik kom er ook zelden vanaf. Prima plek, van daaruit kun je alles meteen overzien en de nodige omgevingsobjecten even toejubelen, mocht dat nodig zijn.

Nee gekheid. Ik woon helemaal niet op een kast. Olifanten passen niet op kasten. En ik spring er ook niet steeds op, kan ik niet eens (kloteknie). Eigenlijk ben ik zelfs redelijk relaxed momenteel (wat wil je hè, met zo’n hoofd, gheheh). De grootste stressdingen voor nu even achter de rug. Ikzelf, die langzaamaan beter wordt. De zorgen niet minder, de irritaties ook absoluut niet, maar dat is OK. Dat hoort er blijkbaar bij. Will deal with that later.

Ik heb een nieuw elektronisch speledingetje (een tweede foon, het tegendeel van mijn Note: een Mini. Schattig dingske) dus ikkast ben een happy chick. Man heeft zelfs een heleboel nieuwe elektronische speledingetjes: een geluidsinstallatie (die die idioot van de bezorgdienst gewoon pontificaal voor de deur in de sneeuwdrab zette toen ik niet thuis was: theoretisch kunnen we nu dus zeggen dat we het ding nooit gekregen hebben want een handtekening voor de ontvangstbevestiging heeft-ie niet en  misschien heeft iemand ‘m wel meegenomen in de tijd dat ik weg was, weet hij veel. En ik heb ook uitdrukkelijk gezegd dat ik dat NIET WIL!!) (Oh jah. De kast), twee gigantische boxen (dik 20 kilo per stuk…) die ook nog in MIJN woonkamer moeten komen te staan, een hoop kabelprut met blingblingstekkertjes en twee kleinere pakketjes. Geen idee wat daar in zit en ik geloof dat ik ’t ook niet wil weten ook. Maar ik mag lijen dat man nu dan ook echt happy is. In ieder geval is dit één van zijn uitingen van een vette midlife crisis. Volgens mij dan. De één doet een nieuwe sportwagen op, de andere vist een bloedjong skoon wieveke uit ’t net en die van mij gaat met vol geweld voor de subwooferboostermegasounds. Niet dat hij voorheen nou zoveel muziek luisterde, neuhhh joh!! Maar goed, wat niet is, kan nog komen.

Je hoort mij niet klagen. Liever dit dan dat skoone wieveke. Alhoewel… het één sluit het ander niet uit natuurlijk… hmmm. Niet over nadenken. Wat niet weet, wat niet deert enzo… Ik kan me lang opwinden over de noodzakelijkheid van zo’n installatie, maar dat houdt die verhipte kast niet uit.

En dan moeten we ook nog een nieuwe kast.

ik wou niet

…maar ik doe ’t toch even. Éventjes bloggen. Éven van me afschrijven. M’n laptop doet ’t op wonderbaarlijke wijze ineens weer dus ik zie m’n kans schoon. Grijpen die hap, terwijl de externe harddisk bromt tijdens het internaliseren van mijn zoveelste systeembackup die nog minstens twee uur duurt.

Vandaag was een redelijk slopende dag. En dat is dan een behoorlijk understatement. Gisteravond begon het al. Het omen was weer eens daar: mijn laptop deed ter afwisseling raar (en dat rijmt ook nog). Programma’s bevroren, ding werd extreem langzaam. Opnieuw opstarten leverde spontaan de automatische installatie van 32 heerlijke windhoosupdates op en daarna wilde mijn Vaidiootje vanzelfsprekend helemáál niet meer opstarten. Na de 3e keer in de beveiligde modus uiteindelijk dan toch wel. Data gesaved, een nieuwe reparatiesessie gestart. Het was weer een interessant rondje Windblows. Na 8 keer opnieuw starten, plug-ins deactiveren, opschonen, deïnstalleren en enige updates terugdraaien deed hij het ineens weer. En dat is nu. En nu loopt dus die backup. En kan ik even typen.

Mijn hoofd is inmiddels stukken beter maar nog steeds niet goed. Sommige dingen/namen schieten me ineens niet meer te binnen, ik kan soms zinnen plots niet meer afmaken omdat ik niet meer weet wat ik wou zeggen, ik weet de weg naar ’t ziekenhuis, waar we al een keer of zes geweest zijn, niet meer. Dat soort dingen. Een raar soort dofheid. Mijn hersenstam werkt nog niet naar behoren, zeg maar. Maar geen pijn meer en dat is al een hele vooruitgang. De rest zal ook wel weer goed komen. Mijn knie baart me meer zorgen. Veel (heul veul) pijn. Maar goed. We gaan doorrrr.

Vannacht om half twee staat zoon op de overloop te brullen. Wakker geworden van zijn eigen braaksel. Dus bed verschonen (auw),  zoon even douchen en weer verder slapen, in de hoop dat het in de ochtend allemaal weer beter is want dan moeten we naar het ziekenhuis voor een hernieuwde diagnose van zijn ‘stoornissen’. Die hebben we dringend nodig voor de inschrijving bij de nieuwe school (later deze maand) dus het móet gewoon. ‘s-Ochtends gaat het aanvankelijk toch niet geweldig genoeg en heb ik de telefoon al in handen want met een zieke kop de hele ochtend tests doen, da’s nou echt geen doen. Maar zoon wil toch gaan (de kanjer). Druivesuiker en actimel mee (want ontbijten ging niet) en uiteindelijk vind ik het ziekenhuis toch weer terug (:-S). Na vijf uur tests, vragenlijsten invullen, rondhangen, wachten, uitslagen, wachten, bespreken en een laatste test mogen we weer op huis aan. De ‘gewenste’ diagnose (zware dyslectie i.c.m. ADHD) op zak. Daar kunnen we in ieder geval mee verder. Voor de rest is hij een bovenmatig intelligent, heel gemotiveerd, werkgraag menneke dat er ‘echt wel komt’ volgens de dokter, en daar ben ik dan weer heel, heel erg blij mee.

Om ca. 1 uur thuis. Dochter (sleutelkind vandaag) zit huilend op de bank en na wat trekken en duwen komt eruit dat ze het mobieltje dat ik haar had meegegeven, in de schoolbus naar huis verloren was nadat ze mij even zinloos gebeld had om te melden dat ze nu op weg naar huis was.  Ik klim gelijk maar weer  in de telefoon en krijg uiteindelijk de betreffende buschauffeur aan de lijn. Ja, mobieltje gevonden. Daar en daar ophalen. Ik weer in de auto. Terug thuis vliegen zoon en dochter elkaar inmiddels  in de haren (zoon heeft vandaag vanwege de tests geen medicatie op en dat merk je toch wel). Eerst maar ‘ns eten maken. Het huilen staat me nader dan ’t lachen. Alles doet pijn…

De namiddag heb ik een beetje doorgebracht met afwisselend crashen, comprutter opkrikken en voorbereiden op morgen. Want morgen is het verjaardagspartijtje van dochter, dat ik inmiddels al bijna vijf maand heb uitgesteld en nu niet nóg een keer af kan zeggen. Ze heeft 9 kinderen uitgenodigd waarbij ik, stom rund, verwacht had dat er toch minstens 2 niet zouden kunnen of ziek zouden zijn. Niet dus. Ze komen allemaal. Met die van mij erbij dus 11 kinderen om te entertainen. Mensch, wat heb ik dáár nou zin an. Joepiiieeeduuuhhhhhpoepiiiee!!!

Muffins bakken. Gelukt. Knutseldingetje (bekers beschilderen) organiseren. Gelukt. Boodschappenlijstje voor man in elkaar prutsen. Gelukt, kan hij morgenochtend dan nog halen. To-Do lijstje voor morgen opstellen. Ook gelukt. Avondeten koken (spaghetti met rooie saus). Gelukt. Af en toe een kleine, verdekte crash-huilbui inlassen. Gelukt. Zich halfdeaud voelen. Lukt nog steeds geweldig goed. Daarom ga ik nu een etage hoger. Eerst heel lang en heet douchen en dan slaaaaaaapen. Ik weet niet hoe ik er morgenavond aan toe ben, maar ik vrees dat het niet beter zal zijn dan nu (en we hebben nog een logeetje ook) dus bij deze meld ik me even af. Ik kom wel weer opdagen als ik mijn wederopstanding voltooid heb en m’n plug-ins allemaal weer werken.

Laters lui!

come back to me

Langzaam verdwijnt het.
Het doffe, neergeslagen gevoel.
De watten tussen mijn hersencellen.
De snerpende pijn bij mijn slapen.
De zweepslag in mijn nekspieren.
De rotte vergeetachtigheid.

Langzaam komt ’t terug.
Die lichte scherpte en humor.
Het langer kunnen kijken naar.
Het broodnodige denkvermogen.
Het actieve herinneren van.
Het betere reactievermogen.

Please come back to me…
I never meant to hurt you…
Don’t leave me forever
I am so lost without you.
Take your time out,
Take whatever you need.
Go back to black for now,
But in the end you will
Come back to me.

Dearest brain…

Je wordt ouder, mama

Nou echt dus. Gedwongen niksdoen geeft interessante inzichten. Na koffietijd op TV (eigenlijk best te pruimen dat programma… Is dat een teken?) ben ik Goede Tijden Slechte Tijden na de eerste aanblik van Laura ontvlucht. Een lange toiletsessie kan in zulke momenten heel heilzaam zijn. Op TellSell zag ik het corrigerend en middels nanokeramische partikels cellulitisvretende ondergoed van Fir Slim en heb ’t gelijkgenoteerd: dat krijg ik op eBay vast nog wel goedkoper.

Maar toen. Viel mijn trillend oog op the Bold and the Beautiful. Jeugdsentiment. Nou ja, eigenlijk studentensentiment. Dat keek ik namelijk altijd als ik ‘s-ochtends na zwaar studentenstappen uit mijn bed rolde. Van de eerste verbazing dat die serie twintig jaar later nog steeds liep, viel ik direct in de tweede: ze waren nu inderdaad Bold geworden. Want van Beautiful was geen sprake meer en tóch stonden ze nog dapper voor de camera te paraderen. Brooke ging eigenlijk nog. Wat geijkte bovenliprimpeltjes die bij de laatste facelift niet naar behoren strakgetrokken waren. Maar dan Ridge. Oh my. Michael Jackson de tweede met vijftig tinten grauw. Neus volledig naar de kloten geopereerd, twee grote grand canyons op ooghoogte en kaken waarmee je een envelop open kon snijden. How ugly can you get. En dat was ooit toch echt een mooie man… Stephany was destijds al in oma-style maar nu was ’t werkelijk verbazingwekkend dat ze nog fatsoenlijk kon praten. Vlaswitte kortgeknipte fluimhaartjes en priemoogjes, opgesierd met zijwaarts neergetrokken botoxlippen. De rest van de crew die nog wel beautiful was, kende ik niet. Hoe ook, die verkeerden twintig jaar geleden nog in eicelvorm.

Toen kwamen de kinderen naar binnen gestuiterd en het eerste wat dochter zei toen ze een blik op de TV wierp was: “ieuwww!! Das ist ja deutlich keine Kindersendung!! Darf ich bitte umschalten?”

Ja graag lieverd. Ik kan t niet meer aanzien. Het overduidelijke bewijs dat ik met deze jeugdikonen óók 20 jaar ouder geworden ben. En dat helemaal zonder schoonheidschirurgie. Zet UIT, please…

Lijden – de tweede

sandl1      Het eerste lijden van gisteren was toch nog op een schappelijke tijd voorbij dus hebben we uiteindelijk toch de boel in de auto gegooid en zijn gaan skiën. Op naar Sandl, een durp op ongeveer veertig minuten rijden hier vandaan. Hele lichtblauwe pistes waar de kinderen zich prima vermaken. Voor ons is het een beetje saai maar ach, in Schuß naar beneden is ook best leuk. Mooi uitzicht ondanks het feit dat de zon er werkelijk geen zin in had. De kinderen gingen als kanonnen, prachtig om te zien.sandl3sandl2

Het eerste uurtje ging alles prima. Tot ik met toch wel enige vaart over een heuvel/richel skiede om vervolgens op het daaronder gelegen hobbeltje te landen. Dát ding had ik dus even niet verwacht, vloog achterover en landde op mijn achterhoofd met mijn linkerbeen achter me. Ouch. Ik stond vrijwel gelijk op en ging ook meteen maar weer zitten. Allemaal sterretjes… Mijn helm (thankgod voor dat ding want anders was ik sandl5nu waarschijnlijk gelukkige bezitster van een schedelbasisfractuur geweest) was met de klap zo naar voren geschoten dat-ie mijn skibril in mijn neus had vereeuwigd. Ouch twee. De sterretjes bleven. Ik stond nog een keer op, verzamelde mijn ski’s en zwaaide naar man bij de skilift dat-ie maar met de kinderen omhoog moest gaan omdat ik toch echt even moest gaan zitten. Ski’s aan. Knie zakte naar binnen door. Ouch drie. Ik gleed naar de skihut onderaan de piste en plofte op ’t bankje neer. Daar heb ik een half uur gezeten maar de sterretjes gingen niet weg en ik kreeg er nog een portie barstende hoofdpijn en een portie misselijkheid bij geserveerd.

sandl7Man kwam eraan om te kijken wat er nou was en ik beschreef hem de sterreflikkers  in mijn hoofd en wat er gebeurd was. “Oh, da’s een hersenschudding… blijf maar effe zitten, ik ski nog wat met de kinderen en dan gaan we naar huis”. Okidoki dan maar…

Afijn. Op de terugweg nog even bij schoonmoe langs, kinderen en man hebben daar gegeten, ik op de bank gelegen. Toch maar snel door naar huis. In bed gekropen. Wat een pijn. M’n hoofd, m’n neus, m’n knie, ik kon ’t wel uitgillen, werkelijk waar. En die deuk in mijn ego deed inderdaad ook best zeer. Hoe kun je nu zó stom vallen op een glijheuveltje dat nauwelijks een blauwe piste mag heten. Schicksal of stomheid? Ik gok op een combinatie. Maar lullig blijft het.

Nu zit (lig) ik hier met een hersenschudding (ik neem aan dat ’t een hele lichte is, gezien het feit dat ik nog kan typen en rechtop kan zitten, maar de misselijkheid, de pijn en het gevoel alsof er iemand me aan mijn achterhoofdharen omhoog trekt en de gordel om mijn hoofd steeds een stukje verder aansnoert, blijven), een kapotte linkerknie (ik denk een verrekte of ingescheurde binnenknieband en/of beschadigde meniscus) en een gekneusde neus (ach, nomen est omen). De nacht was hels, nu gaat ’t wel weer. Maar ik ga toch maar weer een advilletje erin gooien en nog een rondje slapen ofzo…

Skiën is best leuk en gezond hoor, echt.
Alleen moet je niet stom vallen.
Laat ik dáár nou juist heel erg goed in zijn…

.

sandl6

sandl4

Lijden

Pap en mam zijn weer weg. Snik. Ik zit met een kop koffie een beetje voor me uit te staren. Ik heb de skispullen voor zover ik kan ingepakt want we wilden vanmiddag gaan skien. Een paar uurtjes en dan nog even koffie drinken bij schoonmoe. Maar man zit samen met zoon tegenover me aan tafel en probeert hem voor de derde keer een navertelling voor Duits leesbaar op te laten schrijven. Zoon heeft tranen in de ogen, is de wanhoop nabij. Man ook. En ik kijk toe en lijd mee. Het is pedagogisch niet bepaald optimaal maar ik kan nu ook niet ingrijpen. Hij leert wel heel veel zo en dinsdag is ’t grote proefwerk in navertellen… Maar ik zit er met haviksogen naast en werp af en toe een verpletterende blik naar man als ik vind dat hij weer te streng is. De vertwijfeling nabij. Allemaal. Met dat skien wordt ’t zo waarschijnlijk ook niks meer. Bluh.

Ach. Ik had er toch al niet echt veel zin in. Samen een lekker potje lijden op zondag is zoveel leuker…

Gudderig

Zo heet dat. Als je het steeds een beetje koud hebt en er af en toe een rilling door je heen gaat. Niet ijskoud maar gudderig. Net als het weer. Dat kan ook gudderig zijn. Godderen, gudderen, gidderen, schijnt allemaal ’t zelfde Nedersaksisch te zijn voor ‘met kracht neervallen‘. Stamt van geuren/guren. Dat betekent ‘als stof ergens uitvallen‘. Laat ik dat nou best wel graag willen… tot stof worden en dan lekker ergens uitvallen. Bij voorkeur uit een palmboom ofzo. Of uit een hete luchtballon zonder parachute… Even dwarrelen en dan vet crashen. Ja, dat lijkt me wel wat.

Ik ben gudderig. Mijn lichaam en mijn stemming zijn gudderig. Het weer is sowieso gudderig. En mijn ogen zijn gudderig. Ze vallen letterlijk met kracht neer. Alsof mijn oogleden twee doeken met loden baleinen zijn die na een volledig mislukte voorstelling versneld dicht smakken zodat het toneel in ieder geval vast niet meer te zien is. Snel weg.

Ik zou zo graag willen gillen. Gillen dat dat meisje van vroeger echt nog wel steeds ergens heel diep binnenin mij zit. En in een hoekje zit te huilen. Ik zou willen brullen dat ik nog steeds goed genoeg ben. Voor jou. En jou.  Schreeuwen dat je op moet rotten met je kritiek en je kleinerende opmerkingen. Ik zou je hardhandig door elkaar willen schudden zodat je eindelijk wakker wordt en ziet dat ik de moeite waard ben. Maar het is zó lastig om jezelf door elkaar te schudden…

Ik roep. darksoul

Maar degene die het werkelijk zou moeten horen, is doof voor mijn geschreeuw.
Ik kan mezelf niet horen…

God wat is het donker hier binnen zeg…

Ik wil fluoriserende lichtknopjes in mijn ziel.

.

.

.

.

(Maakt u zich vooral geen zorgen. Het gaat goed met mij. Ik zat te twijfelen of ik dit er überhaupt bij zou zetten, maar zieleroerselen en realiteit hebben niks met elkaar te maken. Niemand hoeft zich zorgen te maken over mij. Dat kan ik zelf nog altijd het beste.)

Zelluf doen

Dat liedje van Rita Hovink galmt de hele dag al door m’n hoofd.
Je weet wel, dat van:
Laat me alleen, alleen met al m’n verdrietzellufdoen
’t Is beter dat ik nu geen mensen zie
Niemand, niemand, niemand die me troosten kan
Ik verloor m’n toekomst en m’n doel
Laat me alleen, alleen met al m’n verdriet
Een glimlach, dat wordt pure parodie
Iemand, iemand, iemand die gelukkig was
En verloor, begrijpt wat ik nu voel
bladiebla-huiljammer-lalala enzovoort.

Nou, zó erg is ’t dus niet 😛

Maar die eerste twee zinnen treffen ’t wel aardig. Laat me nou maar effe alleen. Láát me gewoon maar even. Ik heb geen toekomst of andere essentiële dingen verloren (absoluut niet) en m’n doel al ook niet. Ik had eigenlijk nog nooit echt een doel dus dan kan ik dat ook niet verliezen, toch? Ik weet ook heel, héél goed dat ik heel, héél veel lieve mensen om me heen heb die me allemaal willen helpen én troosten én knuffelen. En dat is ook superlief maar dat kan gewoon niet: a) omdat het niet eens zo zeer MIJN verdriet is waar ik mee zit, b) omdat het praktisch gewoon niet kán (ik moet er zelf mee dealen en de afstand is simpelweg te groot om te knuffelen, jullie wonen allemaal te ver weg!) en c) omdat men met dit soort dingen gewoon niet kán helpen.

Even een impressie van al die dingen:  Specifieke zorgen om de kinderen, groot verdriet van mijn allerliefste naasten, gemis, werkproblemen (peanuts though), mobbing-issues/gewelddadigheid op school waar ik me als klassenoudervertegenwoordigster én als moeder helaas intensief bezig moet houden, faalgevoelens, pijn (letterlijk), ontglippingssensaties (whoeiii), algehele stress en bij tijden alles verpletterende teneergeslagenheid en moeheid.

Dat laatste heeft voor het overgrote deel te maken met de winter, neem ik gemakshalve aan. Ik ben gek op sneeuw en winterse kou maar ik heb nu toch duidelijk last van winterdepressieve gevoelens. Ik slik wel vitamines (D en B enzo) en af en toe wat Sint-Janskruid maar echt helpen doet dat niet. Doorgaan dus maar. Ik heb een waslijst van (relatief grote dingen) die ik allemaal ‘moet’ en van dat vele moeten word ik ook weer moe. Heb ik ook al eens over geschreven geloof ik. Wat me momenteel heel erg bezig houdt is dat schoolgedoe. Tienjarige kinderen die door klasgenootjes in elkaar getrapt worden op ’t schoolplein, kopstoten, volledige respectloosheid naar elkaar én naar de leerkracht (“hé ouwe, waar bemoei je je mee”…), mobbing, scheldpartijen, notoir uitsluiten. Discussies voeren met ouders die de noodzaak van noodzakelijk optreden niet inzien of zelfs botweg niet geloven dat hun kind ‘dat’ doet (wat toch echt het geval is). Gesprekken met de leerkracht. Moeilijke gesprekken. En dit is dan nog maar de basisschool… Op de ‘middelbare’ school (hier is dat vanaf volgend jaar, na 4 jaar basisschool dus) gaat het er tien keer erger aan toe, heb ik al uitgebreid te horen gekregen. Fijn, ik verheug me er op :’-( Vanavond dus weer een hele avond vol e-mails en telefoontjes waar een mens nou niet bepaald vrolijker van wordt.

Dan zoon die vandaag weliswaar een geweldig cijfer voor Aardrijkskunde/Geschiedenis (hier een gecombineerd schoolvak, hij had een “1”, dat staat hier gelijk aan het cijfer 9 of 10) naar huis bracht (mensch, was ik me een potje trots! Háh!!! Heeft al ons moeizaam, langdurig en intensief samen leren daadwerkelijk vruchten afgeworpen – dit was zooooo goed en zoooo nodig voor hem!!) maar volgende week opnieuw de diagnoseprocedure in gaat voor zijn ADHD/dyslectie/dysgrammatisme/geheugenstoornis/hypermobiliteit etc. etc. omdat hij anders volgend schooljaar toch in een ‘normale’ klas zou kunnen komen en dat gaat ‘m helaas niet worden… Hij is er nu al bang voor 😦 (niet voor de diagnose maar voor een mogelijk falen op de navolgende school).

M’n liefste zus die momenteel zo verdrietig is en samen met m’n nichtjes opnieuw een flinke portie levensherinrichting moet behappen. Ik doe m’n stinkende best om haar op te vrolijken en gelukkig lukt dat bij tijden ook aardig (heb haar net even aan ’t lachen kunnen maken – ghehhh!! :-P) maar toch is het schrijnend, moeilijk, verdrietig en zit ik hier op zo’n Oostenrijkse hobbel zonder dat ik echt wat kan doen of zelfs maar gewoon een knuffel geven. Haar verdriet is simpelweg ook mijn verdriet… Love you, sweet sis!!!

Het gevoel dat ik ook bepaalde mensen ‘verloren’ heb of dat ze in ieder geval langzaam maar zeker uit mijn leven verdwijnen, om wat voor reden dan ook. Ik hou er niet van om geliefde mensen ineens weg te zien lopen, om genegenheid te zien verwateren, om de indruk te krijgen dat je éigenlijk niet langer meer nodig bent. Maar ook dat is in principe een heel normaal proces. Mensen komen zomaar in je leven en stappen er even plotseling weer uit. Net twitterfollowers of facebookvrienden. Ineens, zonder dat je de echte reden kent, zijn ze verdwenen. Floep. Dag vriend(in), zwaai zwaai, het ga je goed… Het mag dan normaal zijn, ik word er toch een beetje neerslachtig van. Ik weet dat ik ’t niet moet doen maar ik ga me dan dus afvragen wat ik fout gedaan of gezegd heb. Niet doen…

En dan die rotpijn die maar niet weggaat. Soms wat minder wordt maar nooit voor lang. Rug. Nek. Hoofd. Knie. Ik ken de oorzaak wel hoor, niks engs of chronisch aan, maar het maakt dat ik me een oud wief voel. Ik sport des te meer, in de hoop ooit weer ‘fit’ te worden (het ‘slank’ heb ik inmiddels bíjna alweer opgegeven, ik moet na 41 jaar vaststellen dat ik niet voor slank in de wieg gelegd ben maar ik was ’t zó graag geweest hè. In mijn hoofd ben ik een slank mens maar mijn lichaam werkt niet mee.  Maar dan moet je ook niet een hele doos kersenbonbons in een moment van verstandsverbijstering naar binnen werken. Nou ja. Dan maar fit & fat ofzo…). En dan zijn er nog een aantal dingen die ik hier niet kan en niet wil noemen of vertellen. Te privé, dus gewoon niet.

Pijn. Verdriet. Zorgen.
Verliezen. Stress. Faalangst.
Afvalsores. Verlatingsangst.
Nog meer verdriet. Frustratie.
Dat.
Dus.
Niks onoverkomelijks.
Er zijn ergere dingen in de wereld.
Véél ergere dingen.
Zelfs in mijn directe omgeving.
Dus.

Laat mij daarom maar fijn sudderen. Ik zal dan ook gewoon doorgaan met repareren, werken, vrolijk worden, liefhebben, ontzorgen, ontstressen, minder vreten en meer sporten.  Beloofd.  En OOIT (wat een stom woord) komt alles GOED (wat een mooi woord).
Goed?

Maar laat me nu maar even.
Ik moet het toch zelluf doen.

Life is a beautiful balance of holding on and letting go.

Ik ook van jullie.

XXX

.

(tjeejjzus, nu ik ‘m gepubliceerd heb, zie ik pas wat voor rotlap tekst dit is. Nou ja. Sorry daarvoor.)

Op

Dat is ‘t.
De koek is op.

De sociale communicatiekoek zeg maar. Ik heb er momenteel de energie niet voor. Het is misschien lullig maar het is wel zo. Ik vermoed dat een winterdepressie-achtig iets er mede schuldig aan is. Ik ben moe, uitgeblust, gedemotiveerd, nog moeier, heb een hoop pijn (rug, nek, hoofd), weinig energie en nergens zin in. Een griepje onder de leden, dat zou ook nog kunnen. Alles doet zeer. Hoofdpijn, de tranen redelijk hoog. Dat dus.

En dan heb ik dus geen zin meer in communiceren. Het hoogstnodige wel (en dat ‘hoogstnodige’ neemt dan vooral de vorm van m’n lieve zus en mijn pap&mam aan) maar verder ben ik enkel redelijk stilletjes op de achtergrond aanwezig. Een plek die me op dit moment eigenlijk wel heel goed bevalt. Klep dicht en koekeloeren. Is nieuw voor mij. Maar ’t bevalt. Ik ben er wel, ik lees wel wat maar ben niet echt merkbaar. Een dag als gisteren geeft me dan wel weer een kleine boost, dat wel. Dan merk je weer wat écht belangrijk is. Maar vandaag was het weer redelijk slopend hoewel het toch ook wel gezellig was bij onze vrienden. Maar het moeten praten, het gezellig moeten zijn, het geïnteresseerd moeten blijven, dat was vandaag ergens moeilijk op te brengen. Ik was vanmiddag werkelijk het liefst weer in mijn bed gekropen, opgerold, dekens over de neus, slapen. Was zelfs vergeten om mijn mobiel mee te nemen en dat wil wat zeggen. Ik heb ’t ding ook niet echt gemist. Dat zegt misschien wel nóg meer.

Ik schrijf daarentegen nog wel graag (vandaar ook dit blog weer). Dat is namelijk toch hoofdzakelijk een éénzijdig iets. Ik ratel er op los en men leest ’t als het hen past. Of niet. Ook goed. Reacties zijn altijd fijn (heel fijn zelfs), maar ik voel me niet standaard verplicht om daar dan weer op te reageren. Soms doe ik dat, soms ook niet (vergeef mij). Daarom is een blog ook zo’n lekker iets. Ik pleur erin waar ik over pieker, wat ik denk, wat er aan onzin in mijn hoofd rondspookt en wat me bezig houdt. Dat kan door anderen als saai of irritant ervaren worden, ook dat vind ik best. ‘t-Is mijn blog. En mijn hoofd…

Een hoofd dat raar werkt, ik weet er alles van. Een maalhoofd. Een piekerhoofd. Een zwaar hoofd. Een intern meervoudig hoofd… Een liefst verdoofd hoofd. Ik verzuchtte het al eerder: ik wou dat ik een knop had waarmee ik in m’n bovenkamer de boel gewoon uit kon doen. Als een lampje. Klik. Uit.  Niks meer denken, geen gepieker, geen vergeten dingen, geen moeten, geen pijn. Gewoon UIT. Maar zo’n knop heb ik niet en daarom ben ik dus niet ‘uit’ maar ‘op’. Van m’n eigen gedachten en gemaal. Ik kan bij wijze van spreken nog nadenken over waarom ik nu toch ineens weer een blog typ. Had ik er dan zo’n  zin in? Moest ik nou echt iets kwijt? Waarom typ ik? Waarom typ ik nu precies DIT?? Wat is überhaupt de zin van bloggen? Het is eigenlijk een redelijk onzinnige bezigheid. Je schrijft je hoofdinhoud op en laat anderen nog meegenieten ook. Maar eigenlijk kan ik het allemaal net zo goed weer met een pen in een boekje schrijven, zoals ik dat vroeger deed. M’n gedachtenboekjes van toen (hier een voorbeeld van mijn 1.0-schrijfsels…) waren (en zijn) goud waard. Voor mij dan. Alleen voor mij…

Als ik dan zo zit te typen zie ik dat m’n man wél een UITknop heeft. Die gooit de TV aan (‘click’), klikt naar kanaal 18 (Arte, steevast garant voor oersaaie documentaires) (‘click-click’), propt een kussen onder z’n hoofd en slaapt. Uit. Klaar. En ronken maar. De TV loopt naar mijn mening werkelijk voor niks te blaten, maar als ik ‘m uit doe, is man meteen weer wakker dus ergens heeft het ding toch overduidelijk een slaapverwekkende werking. Blijft die TV aan, blijft hij uit.

Wáárom kan ik dat nou niet… *jaloers naar ronkende man kijkt*

Ik pak zuchtend het laatste glas weekendwijn (het ís nog weekend hè) en typ er maar weer op los.
Wat anders kan ik blijkbaar niet.

I’ll be back. Da’s een ding wat zeker is…

technisch stuk verdriet

Vooraf: dit is een lang, lichtelijk technisch getint, saai blog.
Een blog ter verwerking van mijn eigen frustraties.

Dat u dat even weet. U bent gewaarschuwd.
.
Eergisteren. Avond. Handen in ’t haar.

Het was zover, ik had het weer voor elkaar. Een beetje teveel prutsen en voilá: laptop staakte. Ik had een nogal irriterend programma namens DownTango (mensen, installeer dit nooit, het maakt van je laptop een slak en je krijgt ’t nooit meer weg) gedeïnstalleerd en braaf ook alle “traces” gewist. Even herstarten. Dacht ik. Een pop-up van Firefox: de ge-update add-ons worden nu bijgewerkt. En dat crashte. Total freeze. Harde reset, opnieuw starten. No luck. Na ca. drie kwartier was ongeveer de helft opgestart. Nog een keer een harde reset, nu in de beveiligde modus (“abgesicherter Modus” heet dat hier). Daarmee kon ik er gelukkig nog in dus als de sodeju zoveel mogelijk gecopiëerd naar de externe harde schijf, een boot-CD gemaakt en m’n mails en bookmarks in een backup gepropt. Dat ging nog. En toen was het 1AM en ben ik met een zorgenvol hart gaan slapen. Slecht geslapen natuurlijk want Lou zonder Laptop is maar een halve Lou. Een “ou” zullen we maar zeggen…

De volgende ochtend, zondag, vol goede moed het ding toch nog een keer opgestart. To no avail. Het duurde eeuwig, de helft werd niet geladen, alle browsers, emailprogramma’s en m’n agenda deden uit alle macht alsof ze er niet waren. In de beveiligde modus nog wat gegoogeld maar de enige “oplossing” die aangedragen werd was om het systeem opnieuw te installeren resp. terug naar de fabrieksinstellingen. Joepie, daar had ik nou écht zin in…

Gelukkig voor mij had ik eind december een backup (image) gemaakt. Dat doe ik wel vaker, háh! Dus laatste lapmiddel: image technischverdrietterugzetten. Met bonkend hart harde schijf aangesloten. Boot-CD erin en restoren maar. Térgend langzaam want ja, computer- en fotofreak die ik ben, is mijn minischijfje van 500GB toch al tot bijna viervijfde gevuld (rekent u maar uit) en dat moest allemaal terug… Maar het liep. Tot ca. eenderde, toen ineens alarm. “Error reading file. Recovery failed. Abort”. Aaaaarrghhhh!!! Was m’n image nou ook nog kapot? Of nog erger, de hele (nota bene nieuwe) externe harde schijf?? Ding dichtgeklapt en naar schoonzus gegaan voor koffie en logerend kind ophalen. Eenmaal weer thuis tegen beter weten in toch nog een keer geprobeerd. En hij ging… en ging… en ging door… en jaaaaaaa de slingers mochten uit: “Recovery succesful. Please restart”

Mén wat was ik opgelucht. Alles deed ’t weer, weliswaar met een stand van 3 weken geleden but who cares. De rest zet ik dan wel weer terug. Van pure ontlading kreeg ik schitteringen in mijn ogen. Shit. De aura, here we go. Dat is een soort flikkerende halve cirkel in m’n blikveld die steeds groter wordt en als-ie weg is, komt uiterlijk een half uur later de knallende hoofdpijn. Migraine… gelijk twee advils erin gegooid, word je lekker duf van. Laptop dichtgedaan, op de bank gaan liggen en beetje met m’n foon klooien. Even een nieuwe, volle batterij erin (ik heb er nl. drie en die, die erin zat, was een hele slechte die na een paar uur leeg is). Startknop: deaud. Wilde niet meer. Diepe zucht. Nog een keer drukken. Nog een keer. M’n hart klopte alweer sneller. Ineens kwam er een mega Androidpoppetje op het display en een gele gevarendriehoek met uitroepteken en iets van “als u nu uw telefoon niet herstart, wordt de custom firmware gedownload. Dit kan gepaard gaan met een verlies van uw data” (in het engels dus). Ik drukte als een bezetene op de uitknop maar bij de eerste druk stond er al gelijk: “DOWNLOADING – do not turn off device!!!” (zo dus hè…). En ik wist inmiddels uit ervaring dat als ik iets uitzet wat op dat moment nieuwe software downloadt (en installeert), dat heel erg verkeerd uit kan pakken dus ik legde ’t ding maar op tafel en wachtte af wat er zou gebeuren…

Ik pakte in de tussentijd maar m’n iPhone met de intentie om op WhatsApp cq. facebook mijn frustraties te uiten en te vragen of iemand dit misschien kende. Facebook is kolerelangzaam op die foon dus dan maar WhatsApp gestart: “deze versie van WhatsApp is verouderd, laadt u de update s.v.p” (o.i.d.). OK… naar de appstore. Whatsapp aangeklikt. “deze versie van Whatsapp vereist iOS 4.3 of hoger.” OK… iOS 4.3 gezocht. “deze iPhone is niet compatibel met iOS4.3” Aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaarghhhh. Hear me scream. Ik wéét dat ik een ouwetje heb (een 3G) maar dat de boel dan gewoon niet meer werkt? Lang leve apple – NOT!!! Het ding is dus gewoon antiek en nu eigenlijk gereduceerd tot een simpele 1G-telefoon. Weg ermee…

Op mijn Nissan Note stond nog steeds Mr. Android te schitteren dus ben ik met m’n duffe kop maar gaan googelen op mijn – weer werkende, jippiejaajeee!!! – laptop. Op de expertenfora kreeg ik vanzelfsprekend antwoord: die Downloading-do-not-turn-off-message kon je dus negeren, dat is om je foon te flashen maar als je niks flasht, ruk je gewoon de batterij eruit en start je opnieuw. OK dan… met trillende vingers en het adrenalinelevel van Robbie Williams in concert haalde ik de batterij eruit, even wachten, er weer in, herstarten. En oohhhh bliss…. hij deed het. Alles back to normal. Behalve mijn adrenalinelevel dan, dat duurde nog even.

Toen heb ik alles in de hoek geflikkerd, ben lekker lang en heet gaan douchen en m’n bed in gedoken.

Ik en moderne techniek gingen dit weekend duidelijk NIET niet samen.

*iets met foute stand der planeten mompelt*

De wereld in drie vragen

Snelsnellersnelst moet alles gaan. En zijn. Snel uitgelegd en snel te begrijpen. Sneller te consumeren en snel nog even boodschappen doen. Snel bestellen en snelst op de plaats van bestemming. Zoals het eruit ziet zijn we met z’n allen eigenlijk  continu gestresst, lopen voortdurend kans op een burn-out en zijn voor de processen waarin we werken en leven absoluut en altijd überrelevant en onmisbaar (of we moeten van onszelf i.i.g. continu de indruk wekken dat we op ’t randje van het overspannen zijn staan want stel je voor dat dat niet zo zou zijn, dan waren we misschien wel zoiets ergs als onbelangrijk of zelfs – nog erginformatieer – vervangbaar…).

Nog nét op het nippertje halen we al die vréselijk belangrijke afspraken, zijn we – mede dankzij sociale media en moderne techniek – overal tegelijk en altijd bereikbaar en bewijzen we onszelf keer op keer opnieuw dat we ook echt die maximaal geïnformeerde, best opgeleide mensen zijn en wiens mening er ook werkelijk iets toe doet. De wereld draait om informatie. Informatie komt van het Latijnse “informare”: scholen, vormgeven, uitleggen, oftewel informeren. En dat draait enkel en alleen om de overdracht van materie, in welke vorm dan ook.

Het lullige is echter, dat duidelijke informatie m.b.t. bijvoorbeeld de volgens de maanstandskalender optimale dagen om je haren te wassen veel makkelijker te vinden is dan zoiets als objectieve en overzichtelijke info over alle crises die we heden ten dage doormaken. Eurocrisis, regeringscrisis, rechtspraakscrisis, milieucrisis, stilletochtencrisis, middenlevenscrisis, iedereen heeft wel iets van een expertenmening om rond te blaten over één of andere crisis. En als je dan voor een gefundeerde EIGEN mening alle argumenten van alle experts even door wilt spitten en het totaal aan opvattingen en informatie af wilt wegen, duurt dat wel zó gruwelijk lang dat die desbetreffende crisis al langggg weer voorbij is (of de wereld is inmiddels daadwerkelijk vergaan, dat kan natuurlijk ook).

Het zou zo gemakkelijk zijn als al het wetenswaardige, alles wat je nodig hebt om ergens snel (snelst!) geïnformeerd over mee te kunnen kletsen, in no time te lezen was in een mini-samenvattinkje ofzo. Een soort expertenservice-app voor de meelullende leek. Iets met “Ik, expert, beantwoord 3 vragen en u kom bij de essentie van uw thematiek uit”. Paar dingen aanvinken en hatsjikidee, je bent volledig en efficiënt geupdate. Geen gezond verstand meer nodig, enkel aankruisen en discussiëren maar.

Even een stom voorbeeld: een Pitbull heeft een kind gebeten (sorry hondenliefhebbers, ik zei al: stom voorbeeld) en je wilt je mening over Pitbulls geven. Dan open je de expertenapp (met een geweldige nerdy naam, zoiets als ExpApp ofzo) en doorloop je het voorgegeven vragenschema:
– waar gaat het om?
Intypen: “pitbull”. De volgende vraag rolt eruit:
– Zijn Pitbulls honden?
Expert: “ja.”
– Kunnen honden mensen doodbijten?
Expert: “ja”.
Conclusie: honden behoren tot dezelfde categorie als krokodillen, wolven en haaien en zouden dus als huisdier verboden moeten worden. Tadaaaaa! Met maar drie vragen naar een compleet gefundeerde mening.
(Jaja, ik ZEI toch. Stom voorbeeld. Maar ik heb zo gauw geen ander. Ik mis een app…)

Het enige rotte is, dat de hedendaagse aangelegenheden niet meer zo eenvoudig te reduceren zijn. Ontelbare lagen aan informatie, meningen, data, omstandigheden en aspecten liggen en lopen over en door elkaar heen. Daardoor is een actueel iets als bijvoorbeeld de “falende rechtspraak” (faalt-ie überhaupt wel? Of is dat enkel ‘één’ heersende kuddemening?) niet zomaar even met een paar vragen tot de absolute eenduidigheid terug te brengen. Wie te lang alles reduceert, trekt uiteindelijk alle verbanden kapot. Daar zijn politici dan weer heel goed in. En journalisten ook trouwens. Oh nee, dat is enkel mijn ongefundeerde mening. (Ik mis een app…)

“Verklaar de wereld in drie vragen…”
Sokrates zou waarschijnlijk meteen geantwoord hebben: “…en waarom zou ik dat moeten doen?”

Ik wou dat ik een uitschakelaar op m’n hoofd had.
*hamer zoekt*

hypothetisch

Ik zou een zoveel beter mens moeten zijn.
Ben het toch niet.
Maar goed genoeg.

Ik zou naar iedereen moeten luisteren.
Naar jou en naar
wat je me vroeg.

Ik zou niet alles er maar uit moeten gooien.
Dat ik teveel lief heb…
en soms vloek.

Ik zou me niet steeds aan moeten willen passen.
Maar dan ben ik ook
niet wat jij zoekt.

Ik zou niet steeds opnieuw moeten vragen
naar de bekende weg.
Hij’s onbekend.

Ik zou je geen klap voor je kop moeten geven
maar jij bent het
blijkbaar gewend.

Ik zou iets aardiger voor mezelf moeten zijn
maar ik ben nu eenmaal
een autosarcast.

Ik zou een egowasserette moeten zijn
die jou bij je oren pakt
en ze ‘ns flink wast…

Ik zou wérkelijk een beter mens willen zijn
één die altijd correct is
en alles juist ziet.

Ik zou zoveel beter en dapperder willen zijn
niet vooraf al veroordeeld.
Ach, wie niet…
.

.

(c) Lou

okee okee…

Genoeg gevloekt voor vandaag. Was lekker. Of nee, eigenlijk ook niet. Maar soms heb je van die dagen. Ik ben ook maar ’n mens hè. Dan
gaan de dingen niet bepaald zoals je wil, willen mensen dingen van je die jij niet wil doen, doe je dingen waar je een minuut later alweer spijt van hebt, heb je dagen waar alles mis gaat, gaat niks zoals het moet, moet je vanalles wat je niet wil, etc. Dat dus. En ik vind “fuck you” gewoon ontzettend lekker klinken, hoe maf dat ook klinkt. Ik weet ‘t, ik ben raar. Maar ik ben een zoiets als een lichaamfunctievloeker. Aangelegenheden als poepen (kak, Scheiße, shit), stinken (rot toch op), urineren (gore zeikerd) en ja, ook de liefdesdaad an sich moeten er op zulke dagen wel ‘ns aan geloven en mij dan nederig dienen als inspiratie voor mijn frustratieuitroepen. Geen mens is eeuwig de lieflijkheid zelve… [dit herlezende, klinkt het alsof ik dagelijks een potje vloek, maar dat is dus absoluut niet het geval  hoor! Ik vloek eigenlijk zelden. Echt heel zelden. Maar áls ik het doe, dan zo… dat u dat even weet]

Ik weet ‘t.
Ik zou mij veel meer moeten beheersen. Doe ik ook wel, op mijn manier: over het algemeen roep ik de grovere varianten enkel binnenshuis en dan ook nog bij voorkeur als ik alleen ben. De kinderen mogen het f-woord enkel in de auto – raampjes gesloten – roepen (en zingen: ik heb Lily Allen met haar “Fuck You” in de auto, heerlijk om knetterhard op mee te joelen, dochter kent de tekst al uit haar hoofd, net als Pink met “So What”) omdat ik het dan ook doe en dat is dan o.h.a. ook nog enkel en alleen de schuld van stuntelende medeweggebruikers die al lang niet meer in het bezit van een rijbewijs hadden moeten zijn. [en ook dit komt allemaal zonder regelmaat voor. Of met andere woorden: het komt ‘wel eens’ voor, maar niet vaak. #zucht]

Ja ja, ik weet ‘t.
Ik zou mij als goede moeder beschaafder uit moeten drukken in zulke situaties, maar aangezien ik gewoon moeder ben en niet per definitie goed, mogen de kinderen ook het botte gedeelte van mij af en toe ervaren. Welcome to the real world. Zoiets. Hard religieus vloeken doe ik niet en dat vind ik al heel goed van mezelf. Een “jezus” wil er heel soms nog wel eens uitvliegen (of een afgeleide daarvan: jemig), maar ik kan moeilijk een god aanroepen om mij te verdoemen als ik niet eens in een god geloof. Dat doen we dus niet.

Maar toch. Zo af en toe moet ik dus ook even.
Hoe vreselijk het ook klinkt. I’m a bad person.
Vloeken. Als ’t allemaal precies zó gaat als ik níet wil.
So sue me.
MENS nog an toe!

fuck you

fuck you.fuckyou
oh, mag dat niet?
bepaal zelf wel wat ik doe.
fuck you.
zoals je ziet.
pech gehad. klep toe.
fuck you.
krijg toch fijn
’t heen en weer. ben moe.
fuck you.
laat me zijn
wie ik ben: kiekeboe.

doet’t-ertoe
toedeloe
jioe-jitsoe
hengelroe
opperzoeloe
kerstmoe
maraboe
blindekoe
nie goe?
fuck you!
.
.
.
.

(háh!! lekker was dat :-))

Amsterdamned

Uiteindelijk was ik er dan toch nog. Amsterdam Centraal. Nog meer nostalgie… Mijn ophaalafspraak was er nog niet dus ik besloot om m’n tas dan maar in een kluisje te deponeren en de stad in te wandelen.

Ik prop mijn bagage in kluis 1306, duw de deur dicht en het schermpje ernaast roept al om betaling van, jawel, kluis 1306. Ik kijk nog een keer: ja klopt. 1306. Ik betaal en morrel nog een keer aan t deurtje: zit potdicht.

Nog geen uur later spring ik Gert in de armen, help hem weer overeind en we lopen samen terug naar CS omdat ik in die paar minuten al had gecheckt dat Amsterdam nog steeds hetzelfde is en ik geen zin in rondbanjeren in de miezerregen heb.

Ik loop naar de kluizensector, prop mijn kaart in de sleuf en de kluisdeur springt open. Shock. Leeg. Eerste gedachte: gestolen. Damned. Op hoge poten naar het loket, “m’n tas is gestolen!!!” roepend. De man kijkt me enigszins meewarig aan en vraagt welk nummer. Nou 1306 dus. “Oh ja die.” Ja die! “Die is niet gestolen. U hebt ’t verkeerde kluisje dicht gedrukt en betaald.” Nou, echnie… Meneer haalt een soort sleutel en een toetsenbordje met kabel tevoorschijn en prutst kluis 1302 open. “Daar. Uw tas.” Warempel…

Helemaal blij en stunned by shock bedank ik de man maar ik weet zeker dat er hier iets niet klopt. Ik had écht het goede kluisje dicht gedaan. Je zoekt toch niet minutieus een kluisje uit, kijkt naar ’t nummer, stopt je tas erin en drukt vervolgens het deurtje ernaast dicht?? Ik mag dan maf zijn maar ergens is er zelfs een grens aan mijn stomheid. En hoe wist die man dat MIJN tas in die 1302 zat?? Mysterieus. Volgens mij faalde hun kluissysteem, heeft hij gezien dat die kluis weer opensprong en vervolgens mijn tas in 1302 gestopt. Om het vertrouwen der mensheid in die amsterdamnde kluisjes en hun onfaalbaarheid niet verder te beschadigen, was het dan nu maar mijn eigen stommiteit. Ik vond ’t al lang best: ik had mijn tas weer.

Vandaag is er weer een Amsterdamse kluis blij met bagage van mij. Maar ik was uiteindelijk tóch niet dapper genoeg om 1306 nog een keer uit te proberen…

Verbeter de wereld…

begin bij jezelf.

Dat heb ik in mijn eenenveertigjarige bestaan inmiddels wel een klein beetje geleerd. Nou goed dan maar weer. Als er op de wereld al zoveel achterstallig onderhoud is waar het gaat om de beschaving als zodanig, dan moet ik maar weer eens aan mezelf gaan sleutelen om het verder afbladderen van dat laagje fatsoenschroom tegen te gaan. Bij deze.

Vandaag. Loesje-Verbeter
Dertig euro overgemaakt aan artsen zonder grenzen (geen idee wat ze ermee doen of hoeveel daarvan in de zak van eventuele “managers” verdwijnt, maar op dit moment leek het me het meest voor de hand liggende goede doel).
En nog eens een dergelijk bedrag naar een ander, persoonlijk goed doel.
Kerstkaarten geknutseld en verstuurd naar mensen die ik lief heb.
Nog geen enkele keer (hardop) gevloekt, zelfs geen fuck of kak geroepen.
Of iemand openlijk ook maar enig lelijk ding toegewenst.
Mij in het op beleefde toon discussiëren geoefend.
Dit aftakelende lichaam naar de sport gesleept om gezond te blijven.
Zoon geholpen bij het huiswerk maken en de schoolmelk inclusief huiswerk naar ons zieke buurjongetje gebracht.
De buurman een plezier gedaan door voor hem het kerstkadootje voor buurvrouw bij Amazon te bestellen.
Geen wederdiensten verlangd.
Al meerdere keren luidkeels gezongen.
Aan mensen gedacht waarvan ik weer dat ze het moeilijk hebben of verdrietig zijn.
Getracht te leren uit de dingen die mij ter ore en ter oge gekomen zijn.
Een poging gedaan om een stuk van mijn domheid en naïviteit af te knagen.
Mijn mening op – naar diezelfde mening – beschaafde wijze geuit.
De katten naar buiten geknikkerd omdat ze hoog in de kerstboom hingen.
Moment. Dat past niet werkelijk in het rijtje der zelfverbeteringen.
Hooguit in die van de boom- of katverbeteringen.

Awel.
U ziet: ik doe echt mijn best.
Het helpt alleen geen kerstbal.
.
.
.

PS: fuck zeg, dan heb je godnogantoe  éindelijk die vervloekte spellingscontrole in je browser na tien jaar ontdekt, maak je verdomme nog steeds de meest stomme grammaticafouten. Kak.

121212 en het pedoparadijs

Klinkt als een detective-roman. Zou ’t ook zomaar bijna kunnen zijn.
Pure recherche naar die stukjes wereld die nog NIET kapot zijn…
Ik snap het namelijk even écht niet meer.
Eerder deze dag leek-ie héél even zo mooi, die wereld…

Ik heb in het kader van www.12121212.org  (en voor de facebookers onder ons: 12121212events) een kadootje gegeven aan een wildvreemde. En zo duizenden mensen met mij (hoop ik). Wat een warm initiatief, wat een goed gevoel. Wat meer warmte in de samenleving door, geheel zonder commerciële bijgedachte, een willekeurig iemand op straat een klein kadootje te geven. Dat is gelukt volgens mij. En het maakte deze bijzondere dag nog specialer. Om 12:12:12h op deze 12-12-12 stond ik echter sneeuw te schuiven op onze oprit, in de stille hoop dat er eventueel nog een vreemde op ons landweggetje rondcruiste, maar nee, helaas. Mijn kadootje werd dus om (ca.) 15:12h overhandigd, een paar uur later dan bedoeld maar dat mocht ‘m de pret niet drukken.

En terwijl je zo lekker rondneust tussen al die leuke berichten over het 121212-initiatief komt je ineens ter oge dat een vriend in de penarie zit. Omdat hij een bekennend pedofiel wat lelijke dingen toegewenst heeft op Twitter. Nou is dat niks nieuws onder de verhitte twitterzon: de verwensingen, beledigingen, grofheden en moorddreigingen vliegen dagelijks, uurlijks, minuutlijks door de lucht. Zoals op een ander mooi blog al gezegd: dat zijn enkel uitingen van het feit dat men de ander niet zo aardig vindt. Kan gebeuren.

Zo ook deze vriend. Vriend wenste de kinderverkrachter een warm plekje op de brandstapel toe en nog een aantal dingen van die strekking. Meneer de Pedo stapte naar de rechter en pedorie-nog-an-toe: de rechter vond dat de man met het rappe pielemansje gelijk had. Ik noem maar geen namen want stel je voor dat ik een echte pedofiel beledig, dan mag ik ook nog ‘ns  gaan betalen. Achtduizend euro voor een seksueel gestoorde crimineel. Geweldig, die rechtspraak in Nederland: de kleutermolesteerders krijgen schadevergoeding. Hen wordt de hand boven het hoofd gehouden. Sorry hoor, maar die hand is dan voor mij dus dezelfde hand die aan onze kinderen wordt geslagen.

Oh, oh nogmaals sorry. Was niet beledigend bedoeld. Gaat het nog een beetje, meneer de rechter? (of mevrouw de rechteresse, whatever). Ziek. De wereld is ziek. Eerder vandaag was-ie nog lekker warm maar toen kwam de koorts… En nu ijlt de rechtsprekende wereld een onzinnige straf bij elkaar. Voor iemand die durft te zeggen wat we allemaal denken: opknopen die lui. Met je vieze, gore jatten van kindertjes afblijven en anders hangen we je op aan je slurfje. Maar nee, dat mag je niet zeggen. Want pedo’s hebben rechten. Gewone, fatsoenlijke mensen helaas nog steeds niet…

Dus zoek ik maar door in deze kapotte wereld. Die wereld waarin de gestoorde idioten wel mogen doen wat ze willen maar een ander niet mag zeggen wat hij daar dan van vindt. Die wereld waarin de gestoorden beschermd worden tegen de normalo’s. Ik ga eens even naarstig op zoek naar een paar fatsoenlijke stoornissen in mij. Er zijn vast nog wel een paar ernstige abnormaliteiten vinden. Want stel je voor dat ik helemaal normaal zou zijn, dan beland ik straks nog in de bak voor iets banaals en onzinnigs als het willen beschermen van mijn eigen kroost. Nee, dank je de kroepoek.

I support. Jij ook?

mmw

blik

Stilletjes zat hij daar.  Op zijn stoel aan de eettafel.
Niet onze eettafel, maar dat maakte geen verschil.
Het was een eettafel.
Verloren keek hij me aan. Die vragende, licht wanhopige blik.
De blik van “Moet ik eten? Moet ik zitten? Moet ik ademen? Moet ik?”

Ik vroeg fout. “Is er wat mis, lieffie? Wat ís er dan?”
De blik werd nóg droeviger en er glinsterde wat.
“Ik weet niet wat het is mam, het is gewoon niks.”
En ik geloofde hem niet.
Toch was het zo. Rond een uur of vier verdween de blik.

Dat krijg je, als je de dag ervoor de ADHD-medicijnen vergeet…

Sleepless in the battle

Kinderloos kerstfeestmenu met acht gangen. beddenboel
Yum.
Hotel Schoonmoe plus kindersitterservice.
Deken-, luchtbed- en kussenslachtvelden.
Volgevroten en bezopen in luchtig bed vallen.
Kunnen wij.

Luchtbed blijkt niet werkelijk luchtdicht.
Auw.
Heftigst pompen om halfdrie ‘s-nachts.
Gaskachel die zich tegen ’t warmen weert.
IJskoude neus en ademdonderwolkjes.
Hebben wij.

Half uur verwarming repareren. Zinloos.
Prut.
Houtkachel aangooien bij min tien graden.
Laatste reanimatiepoging van luchtloosbed.
Kwart over vier in lichtblauw op Nissan Note.
Zien wij.

Woelen. Vechten tegen de kou en harde vloer.
Zucht.
Gebroken en kapotstuk bij ’t ochtendgloren.
Drie uur non-slaap, oorlogswintergevoel.
Opstaan. Kop pikzwarte koffie. Allerbrakst.
Zijn wij.
.
Dat zijn nou ónze oorlogen.

Sintisklaar

Het klinkt raarsintisklaar
maar Sint is klaar…
Open deur voor de gekken:
“dan moet-ie z’n broek optrekken!!”

Ja ja. Dat ook.
Maar (z)onder de rook
van die ouwe stoomboot
lijkt Sint hier hartstikke dood.

Sint in Nederland,
= eind aan ’t gezond verstand.
Collectief gek van zo’n baardbaas.
Hier eten ze daarvan dus écht geen kaas.

Ik heb ’t geprobeerd.
Kids voor sintjournaal gedrapeerd.
Kijk daar komt die ouwe knar weer aan.
“Oh toll. Oba a Geschenk fia uns gibt’s kaan”

Skatjes denk nou ‘ns na.
Wíj hebben dat kerstkind, blablabla…
Van al die kadootjes word je sowieso gaar.
Dus vanaf dit jaar vieren we fijn: “Sintisklaar”.

Klaar.

Geen fluit

snap ik ervan.

Hoe is het mogelijk dat een assistent-scheidsrechter, een vader van drie zoons, die enkel deed wat-ie ’t liefst deed: kijken bij ’t voetbalspel van zijn zoon en een beetje lijnrechteren, doodgetrapt wordt. Het duurt soms een beetje langer voordat Nederlands nieuws hier aankomt, maar ik heb net wat berichten gelezen en ik kan ’t niet helpen: ik verval ook in cliché-denken. Hoe kan dit gebeuren. Waar moet dit heen? Een paar opgeschoten jongens van een jaar of 15-16 molesteren een toegewijde vader. Naar aanleiding van een amateurvoetbalwedstrijd.

Mijn zoon is over 5 jaar ook van die leeftijd. En als ik zie hoe gewelddadig sommige van zijn leeftijdsgenootjes al zijn, hou ik mijn hart vast. Op hun zevende wisten een aantal van die knulletjes al prima hun klasgenootjes te mobben. Waar ligt dat aan? “De verharding van de maatschappij” is ook enkel maar zo’n lekkere loze kreet. Iedereen is passend geschokt. Een paar dagen lang en dan gaat alles gewoon verder, tot de volgende doodgetrapte vrijwilliger?

Ik ben zelf functioneel bezig bij een voetbalvereniging. Ik heb nog nooit echt iets van gewelddadigheden gemerkt maar ik ben dan ook niet bepaald vaak langs de lijn te vinden, eerlijk gezegd interesseert me dat geen ene biet. Net als de namen van de daders waar iedereen naar op zoek is (was?)  omdat uit deze namen zou blijken, dat het “weer eens” om Marokkaanse jongeren zou gaan. Het hadden net zo goed ‘blanke’ knullen geweest kunnen zijn. Of meiden, for that matter… Het doet er niet toe. Waar het om gaat  is, dat er jeugdigen van die leeftijd zijn die blijkbaar helemaal geen gevoel meer hebben en niet schromen om een jong mens (net zo oud als ik) en passant even zo te mishandelen dat hij eraan overlijdt. Hoe is het mogelijk, het blijft malen.

Het maakt me bang.
Doodsbang…

Ik ga maar eens op mijn hoede boodschappen doen.
Hopelijk overleef ik dat, ik 41-jarige moeder van twee…

Wij hebben helemaal geen wereldondergang nodig.
Dat uitroeien kunnen wij mensen heel goed zelf.
Oh en een heel fijne Sinterklaas nog!
Altijd weer leuk.
Zolang ze nog met Lego spelen…

te mat om te glanzen

Een blog waarvan ik niet weet wat ik ermee wil. Ja, een gevoel beschrijven maar toch ook weer niet. Een matheid die zich uitbreidt en die alle moois opslokt. Niet in de depressieve sfeer hoor, helemaal niet. Meer iets van alles hebben wat ik schijn te willen terwijl ik dat wat ik eigenlijk wil, niet kan krijgen. En dan weet ik niet eens precies wat dat, wat ik eigenlijk wil, nou is…

Wat een geleuter. Waarom heb ik het er überhaupt over. Omdat het me mat maakt? Omdat het me zachtjes en met een tedere touch wurgt? Omdat ik er niks mee kan? Alles is goed en niks is slecht. Duizend keer door het oog van de naald met hooguit hier en daar een acupuncturele prik. Een wakkerwordsteek die me nog slaperiger maakt. Een por die me even op doet veren. Meer ook niet.

Het blijft geleuter. Een vriend in persoonlijke wanhoop, een dochter met pijn, een chronisch zieke vriendin, een bekende die zich doodrijdt, alles relativeert. Een heerlijk weekend met de kinderen, een geweldig dansconcert, zeven brandende kaarsen en een glas rode wijn in een warm thuis net zo. Het mijne is goed maar ik heb voortdurend het gevoel dat ik niet genoeg geniet. Dat ik tekort schiet in het bewuste waarderen. Dat ik de gouden randjes van de dagen niet snel genoeg herken. Dat ik te mat ben om te glanzen.

Gisteren zag ik een zangeres optreden. Ze was als ik. Qua lichaamsbouw, qua stem (als ik dat al kan of mag zeggen) maar ook in haar hele doen en gestiek. In hoe en wat ze deed. Maar zíj stond dáár, in haar duidelijk te krappe, dunleren zwarte broek te zingen, te glanzen en te léven. En ik zat in de zaal. Ja natuurlijk, ik genoot. Ik bewonderde haar enorm. Zij die zo mij was. Maar ik wist meteen dat ik nooit die moed zou hebben om daar óók eens te staan. Ik schaam me teveel terwijl ik zou moeten weten dat ik me niet hóef te schamen. Ik ga niet genoeg voor de dingen waar ik zo graag voor zou willen gaan en verdoe m’n tijd met wachten tot een glimp daarvan me toevalt, wat ’t natuurlijk niet doet. De onzekerheid maakt me mat…

Is het genoeg?
Doe ik genoeg?
Kan ik genoeg?
Ben ik genoeg?
Lééf ik wel genoeg?

Glansloos gelul.
Werkelijk waar.
Matglans zou al leuk zijn…

Katten en muis

Gisternacht, kwart voor twaalf. Ik was al halverwege de trap naar boven, op kousevoeten en moemoemoe. De hele avond waren onze katten al in de weer geweest, onrustig, een hoop herrie makend. Ik keek er niet meer van op. Maar nu ineens spitste ik daadwerkelijk toch even de oren.

Gestommel in de kelder. Gesis. Heel zacht gepiep.
Ah neeeee hè…
Niet weer…
Wel weer.
Een muis. De kat (Koschka) had een muis mee naar binnen gesleept. Een heel erg levende muis welteverstaan. Normaalgesproken zijn die beestjes (half) dood als ik ze vind, maar ook een levende exemplaren heb ik in ’t verleden al in onze kelder gesignaleerd maar die waren tot nog toe binnen no time gecopperfield (foetsie). En ik heb ook al eens een heleboel grijze veertjes gevonden… Zo langzaamaan raak ik gewend aan die half uitgekauwde of uitgekotste veldbeesten: plastic zakje over je hand, de boel oppakken (niet te hard knijpen, yuckkk), zakje eroverheen stulpen, dichtknuppen en in de kliko. Net hondenpoep. Maar levende beestjes, daar moet ik toch steeds opnieuw aan wennen… Die kan ik niet zomaar in de kliko mieteren :-S

Onze katten krijgen duidelijk teveel te vreten: de meegebrachte trofeeën dienen enkel nog voor het vertier. Met een welgeplaatste pootzwieper vliegt ’t beestje van de ene hoek naar de andere en de kat schiet vergenoegd erachteraan. Even de tanden erin (niet te hard bijten), poot erop (niet te hard drukken) en whoppaaaa daar vloog weer een grijs bolletje naar de andere kant. Dit keer was het muisje echter de sauna in gevlucht (deur open laten staan, dom dom dom…) en was daar nu samen met Koschka de weldaad van een koud damphok aan ’t bestuderen. En dát hoorde ik dus. Naar beneden gelopen en de situatie meteen scannende deed ik de saunadeur dicht. Inmiddels kwam kat nummer twee (Kitty) ook beneden en zat aan de andere kant van de saunadeur toe te kijken. Toen de muis een moment van het deurricheltje af was, heb ik haar er ook maar ingelaten, konden ze samen even lekker muisdollen. Ik hoopte op deze manier het beest wat sneller uit zijn lijden te verlossen (m.a.w. dat één van de beiden iets sneller toe zou bijten). Maar nee, het werd een gezellig potje muistennis. Uiteindelijk was de muis zo suf dat-ie enkel nog in het midden zat te wachten op de volgende zwieperd. Toen kon ik ’t niet meer aanzien en heb ’t beestje gepakt om ‘m naar buiten te gooien (bovendien wou ik eindelijk ‘ns een keer naar bed. Muistennis is saai om naar te kijken). De katten denderden achter mij en hun afgepakte speelgoed aan de trap op. Ik gooi ’t beest de voordeur uit en de katten schieten er achteraan. Deur dicht, klaar.

Eigenlijk had ik de muis dood moeten slaan want zó werd het lijden nog langduriger en overleven zou hij dit geheel sowieso niet (total shock, kapot gekauwde staart, van hersenbloedinkjes etc. maar niet te spreken). Maar ik kon het niet… Zo’n klein warm diertje, dat ratelende hartslagje, die kleine kraaloogjes die me aankeken…) In de hoop dat de katten ‘m nu toch maar snel op zouden vreten ging ik tanden poetsen en handjes wassen (jaja, was nodig). Nog geen 5 minuten later hoorde ik wéér gestommel in de kelder. En jawel, daar zat Koschka weer met haar voetbalmuis. Fijn, die katten. Echt heerlijk.
*duizend bommen en granaten vloekend*

Nu was ik het zat, heb de kat met muis en al hardhandig opgepakt, het beest uit de bek getrokken, de kat bij de voordeur naar buiten gesodemieterd en de muis met een enorme boog een heeeeeeeel eind het grote veld, dat 20m achter ons huis ligt, in gegooid (het was volle maan dus ik kon zien waar ik ‘m naartoe keilde. En het veld is een halve kilometer breed dus dat kon haast niet missen). Daar mocht hij naar hartelust en in alle waardigheid sterven wat mij betreft (als-ie z’n boogvlucht überhaupt al overleefd had).

Kattenluik op slot.
Slapen.
Eindelijk.

Zondagsuitje

Zondag. Prachtigmooi weer. Niks in de planning. In dat geval voelen wij ons ouders geroepen om ‘even iets leuks’ te gaan doen met onze koters. Bij voorbaat buiten.

Nu hebben wij de mazzel dat we hier in de buurt een zogenaamd “Motorikpark” hebben, een soort speeltuin voor kinderen en volwassenen met allerlei klim-, evenwichts- en balanceertoestellen. Het is buitenaf, bij een klein dorpje met de naam Lungitz. De toestellen zijn rond een mooi meertje geplaatst, je kunt er leuk om-/doorheen wandelen en de kinderen kunnen ondertussen vanalles uitproberen. We zijn er al vaker geweest en het noemen van dit uitstapje zorgt meestal voor enig gejuich, wat bij onze kinderen eigenlijk een zeldzaamheid is. Dus: op naar het motoriekpark.

Afijn. Aldaar balanceren de kinderen vlijtig in ’t rond. Man natuurlijk ook. Ik ondersteun daar waar nodig is, het ene kind over het touw, het andere over de wiebelbank. Na een kwartiertje lopen we verder naar het achterste gedeelte waar een soort evenwichts- en rondrenparcour in ’t bos is. Én een kabelbaan waar je aan moet hangen, de zogenaamde Tarzanbaan. De kinderen vechten erom wie als eerste mag en natuurlijk wint dochter dat.

Ze trekt de ‘wagen’ aan ’t touw omhoog naar het startpunt, springt, grijpt de stang en suist naar ons toe. “Wiiiiieehhhhh!!!” gilt ze nog. Tot het ding tegen de stopper dendert. Geen vering, gewoon full and total stop. Volgens mij was dit vroeger anders, er mist iets van een veer, lijkt ‘t. Een normaal mens kan dan niet blijven hangen (man (athletisch gebouwd!) heeft ’t later ook nog even uitgeprobeerd en had er bij de stop duidelijk moeite mee om niet los te laten en er normaal af te springen) en ook dochter schiet dus met volle vaart door en landt vanaf circa anderhalve meter hoogte met een gigantische opdoffer pontificaal op haar achterste.

Ze kon niet meer ademen, steunde, kreunde en hapte naar lucht, ging instinctief in de foetushouding op de drassige grond liggen. In eerste instantie moest ik  – stupid me, bad mom –  enorm lachen want het zag er echt zo ontzettend koddig en blooperachtig uit. (Man moest ook lachen. Tjee. Foei. Bad dad!) Maar al heel snel zag ik toch de absolute ernst van de zaak in. Na een eeuwigheid vond ze ineens haar adem terug en brulde het uit. Ze krijste alles bij elkaar, kon niet meer op haar benen staan. Man heeft haar (ons 33kilopummeltje) uiteindelijk het hele eind terug naar de auto gedragen en enigszins gepikeerd en ongerust reden we terug naar huis.

Onderweg heb ik man nog even zó dermate weten te irriteren (ik was het – geheel terecht!! – weer ‘ns niet eens met zijn rijstijl (veel te snel, te gevaarlijk in de bochten met wandelaars, te veel door de hobbelberm etc.)) dat hij abrupt op het landweggetje stil bleef staan, uitstapte en brulde dat ik dan maar moest rijden als ik ’t zoveel beter kon. Prima, dat wou ik zelf eigenlijk ook veel liever. Stoïcijns liep ik naar de bestuurderskant, de blikken van de voetgangers stug negerend, en reed keurig en beheerst naar huis. Thuis dochter eerst maar ‘ns twee paracetamols en een beker warme chocomelk gegeven. Languit op de bank, de rug licht gemasseerd en gestrekt.

Het gaat nu enigszins, zolang ze verder niet beweegt. Maar bij iedere beweging kermt ze van de pijn. Ik vermoed dat ze ergens in haar rug en bij haar stuitje de boel behoorlijk verstuikt heeft. Ik hoop dat dat ‘alles’ is, ze lacht inmiddels alweer een beetje en ligt nu languit op de vloer te tekenen maar misschien moeten we morgen toch nog maar even naar de dokter…

Altijd weer fijn, die zondagsuitjes van ons…

.

PS: ik heb natuurlijk al lang en breed een email naar de voor het park verantwoordelijke gemeente gestuurd. Niet dat jullie denken dat ik dit niet meld en gewoon lekker het volgende kind op zijn/haar stuit laat donderen. Ik heb braaf luid en duidelijk deze misstand onder de aandacht gebracht 🙂

Piekerhoofd

6:20h AM – Ik maak m’n zoon wakker. Bij de eerste aanraking schiet hij omhoog en mompelt: “ik heb over een aandrijving gedroomd. Je zet een magneet hier en eentje daar, dan monteer je een metaalplaatje hier en daar en dan stoot het daar af en trekt hier aan [hij tekent met zijn ogen dicht een denkbeeldige cirkel in de lucht en prikt daar waar alles moet zitten] en dan draait-ie. Dan heb je dus een perpetumobilee.” Goh… Ik ben even beduusd. Ah ja. OK… Met de korrekte uitspraak (laat staan schrijfwijze) van Perpetuum Mobile zal ik ‘m nog maar niet vermoeien. Eerst wakker worden.

11:30h. School uit. Vrijdag. Weekend. Hij dendert de aulatrap af en komt breed grijnzend op me afgestommeld, mij z’n schooltas in de maag splitsend. “Ik heb heel, hééééél rottig Duits-huiswerk!” Fijn. Ik verheug me er nu al op. Eerst maar eens wat eten. Gekookte volkorenrijst met suiker. Hoeveel meer koolhydraten kan een kind nog vragen? Bij hem maakt ’t me niet uit: áls hij maar iets eet want hij is zo mager als zijn uitgumbare balpenvulling. De rijst naar binnen werkend pakt hij zijn rekenhuiswerk. Dat is leuk want dat kan hij zonder hulp en redelijk vlot.

13:30h Langzaam komt de rest van de sores uit z’n schooltas. Duits. Rottaal om te leren. Hij leert het net zo als ik het heb moeten leren: als een buitenlander. Het ‘moedertaalgevoel’ zit er niet in. Totaal afwezig. Ach, laat dat ‘moeder-‘ maar weg eigenlijk…

Een stukje tekst over de oertijd (“ahh interessant!“): De ‘perfect’-vormen (voltooid verleden tijd)  in de zinnen moeten eerst onderstreept worden en vervolgens in de ‘preteritum’-vorm (verleden tijd) in het schrift geschreven worden. Ik denk nog: “ach, laat ik hem nog maar even niet inlichten over de plusquamperfect en de futurII…”

Ik zie zijn schouders langzaam naar beneden zakken. Hij kijkt me vragend aan, met van die droevige oogjes. “Ik snap het niet… ik snap het écht niet…” Ik probeer het hem uit te leggen, zoek á là minute voorbeelden op het internet waarmee ik hem de werkwoordsvormen wat beter uit kan leggen. To no avail. Ik zie de rode vlekjes opdoemen in zijn gezicht en hij kijkt me door een waas aan. “Waarom?? Wáárom kan ik dit niet? Wáárom zíe ik het niet??” En dan komt de huilbui. Ik huil maar weer eens met hem mee. En duw tegelijkertijd zijn Duits-schrift aan de kant. Dat doen we morgen wel. Nieuwe dag, nieuwe kansen. Over twee weken is het grote Duits-grammaticaproefwerk en ik hou mijn hart vast. Opstel schrijven was gisteren en aangezien hij zelf niet al te enthousiast over zijn eigen schrijfsel was, neem ik aan dat ook dat redelijk catastrofaal uit zal vallen.

Nu eerst maar ‘ns drumles en afreageren.

Hopelijk helpt het een beetje om dat oh-zo intelligente maar oh-zo piekerende kinderhoofd van hem te luchten…

En toch doe ik ‘t…

Eigenlijk hè…
Eigenlijk wil ik helemaal niet.

Ik wil niet koffiezuipend achter de laptop zitten.
Ik wil geen TODO-lijst met 268 things to do voor m’n neus.
Ik wil helemaal geen megavette boer laten.
Ik wil niet sloom en willoos door ’t leven dartelen.
Ik wil vanavond niet naar die ouderinformatieavond.
Ik wil dat stuk chocola niet in mijn mond stoppen. Echt niet!
Ik wil geen balansen voor jaarrekeningen op moeten stellen.
Ik wil niet maandelijks de prut-Acer van buuf repareren.
Ik wil geen uitgekauwde muizen van ’t tapijt pulken.
Ik wil niet moeten sporten voor m’n gezondheid.
Ik wil niet slapen omdat ik anders dood omval.

Ik wíl niet als huissloof en -slaaf door ’t leven gaan.
Ik wíl niet toekijken hoe anderen onrechtvaardig zijn.
Ik wíl niet niks doen terwijl iemand verbaal afgemaakt wordt.
Ik wíl niet accepteren hoe respect en fatsoen langzaam wegkwijnen.
Ik wíl niet met lede ogen oorlogen aan moeten zien.
Ik wíl niet steeds maar om aandacht vragen.
Ik wíl helemaal geen fatsoensgrenzen overschrijden.
Ik wíl niet aanzien hoe anderen de dood ingepest worden.
Ik wíl niet gewoon maar helemaal niks doen.

Maar ach.
Ik wou ook nevernooitniet opruimen.
En toch deed ik ‘t…

Dus er is nog hoop.

Doc Allmighty….

Laaiend.
Ziedend.
Briesend.
Woest.
Verdrietig.
Machteloos.

Meer dan anderhalve week wachten op levensbepalende uitslagen. Onderzoeksresultaten waar een toekomst van afhangt, waarna je pas weet hoe ’t verder zal gaan, waarmee je in het reine moet komen. Natuurlijk gaan die uitslagen gewoon goed zijn, dat kan sowieso niet anders. Maar waarom, wáárom is de medische wereld zo mensonterend bezig als het gaat om het zich houden aan afspraken… Als je ze sowieso niet na kunt komen, máák ze dan verdorie niet??

Nachtenlang wakker liggen, gevechten met de onzekerheid en de angst. Woelen gaat niet want dat doet teveel pijn. Toeleven naar die dag waar je meer te weten komt, te horen krijgt wat de stand van zaken is. Wachten op die ene afspraak. En dan een twintigtal minuten van te voren te horen krijgen dat de boel gewoon nog niet klaar is. “Sorry, u kunt weer naar huis rijden. Komt u morgen maar terug, hopelijk zijn de resultaten dan wel binnen”.

Daar sla je toch steil van achterover??? Sorry, maar dit kan toch niet… Het besef dat men met “echte” mensen werkt, lijkt steeds verder weg te glijden. ‘Mensen’ die zachtjes en berustend doodsangsten uitstaan. ‘Mensen’ die stilletjes wanhopig huilen omdat ze niet weten of ze weer normaal door mogen ademen of niet. ‘Mensen’ die in verlammende onzekerheid enkel nog wachten op die afspraak waar ze éindelijk meer zullen horen. Het duurt al zó lang…

En dan wordt die afspraak en passant even afgezegd.

Onmenselijk vind ik dat.
Overgeleverd aan de laksheid van de enigen die jou kunnen helpen.
Tijd en geld is blijkbaar allesbepalend, zelfs als het om mensenlevens gaat.
Triester dan triest.
Maar we slikken onze verbolgenheid in, drukken de onzekerheid met een sloot koffie maar weer terug in onze magen, slaan de ogen neer, zuchten een paar keer diep en wachten braaf verder af.
Tuurlijk doen wij dat, meneer de almachtige dokter.
Wat kunnen we anders…

Stik.

Hulktaart

Laten we beginnen met ’t feit dat dit mijn dag niet is. Ik stapte vanochtend vroeg in de auto om naar de vibrogym te tuffen en bij ’t starten verscheen er op het display een schreeuwend, knalrood, levensgroot alarmteken. Een lichte hartverzakking maar na een kleine autotest kon ik niets ‘verkeerds’ vaststellen dus ben ik toch maar heengetuft. Eenmaal weer thuis keek ik maar ‘ns in de autohandleiding (jaja, zo’n ding hebben wij) en daar stond dat bij dit teken het remsysteem van mijn Oud-i defect zou zijn. “Motor abstellen und sofort zu einer Werkstatt schleppen lassen”. Whutttt???? Tweede hartverzakking. Nog een testritje met veel gas bergaf en snoeihard remmen. Alles deed ’t werkelijk prima. Wat nou defect remsysteem, pffff.

Afijn. Dat was ’t kleinste probleem van vandaag. Wat belletjes en noodzakelijkheden, boodschappen en andere krimskrams, dat ging allemaal redelijk goed. Tot aan de avond. Zoon had voor z’n verjaardag morgen een hulktaart, oftewel een spinazietaart, besteld. Met chocolade.

OK… Spinazietaart had ik al twee keer eerder gemaakt dus dat moest wel lukken. Ware het niet dat ik het briljante idee had, om het ding in mijn silikonen bakvorm te maken. Dat is zo’n rooie flubberrand met een glasplaat als bodem, die je er los in legt. Ideaal ding. Eigenlijk. Voordat de kinderen naar de scouting moesten had ik het beslag al gemaakt. Met een hele kop olie, een bult suiker, wat meel en 6 eieren. Oerdegelijke, trigonomisch verantwoorde taart. Ik klap het ‘lege’ bakje dat voorheen nog vol was met relatief kleine eitjes, dicht en kijk er verder niet meer naar. Vlug de zooi opruimen en de vuilnis aan kant. Laat het nou zo zijn dat ik mijn eierdozen altijd platstamp en bij het oud papier doe (schoonma wil ze niet meer want al haar kippen zijn inmiddels tot soep verwerkt en statiegeld zit er ook niet op, nee…). Ik dump de doos op de grond en nog voordat mijn voet neerkomt om te pletten schiet het door m’n hoofd. “Was-ie wel leeg? Hij voelde zo zwaar…”

PLET!!! Met een ei erin. Grrrrrrrmpfffff. Die dozen houden gelukkig goed wat tegen dus het viel nogal mee met de zooi, maar duf is ’t ergens toch wel… Anyway. Ik had ’t poppenstrontachtige beslag al gemaakt (ja echt, met spinazie krijg je een prachtige groene hulktaart mee en daar was ’t zoon allemaal om te doen) maar moest dus nog even snelsnel de kinderen ophalen. Oudi heeft danige startmoeilijkheden maar het lukt nog net. Thuisgekomen nog sneller dan snel de groene blubber in de bakvorm gekieperd en hoppaaaa de oven in. En daar haperde het.

Wat ik normaalgesproken gewoon wéét en nóóit doe, deed ik nu. Ik pakte mijn bakvorm bij de randen op (zoals dat hoort) en plaatste hem vervolgens op m’n rechterhand om kelner-like richting bakoven te manouvreren. En daarmee drukte ik dus het (losse) glas inclusief smurrie zo omhoog. De groene drab gulpte over mijn hand en ik draaide zo snel mogelijk terug om de boel op m’n (thankheavens schone!!!) inductieplaat te kwakken.

Desalniettemin zat alles onder… de vloer, m’n keukenlades, het ikea-trapje, de overige bakblikken, m’n kookboeken… Nigella moest ‘ns weten hoe ze er hier vanavond bij stond :-S Wat een zooi, wat een zooi. De katten verheugden zich al op een zoete nacht. En de ervaring leert, dat spinazie in combinatie met suiker, olie, eieren en bloem een gigantische groene kleefprut oplevert, die je met de gemiddelde microvezel-vaatdoek enkel een beetje zinloos aan ’t grinniken maakt.

Ik heb eerlijk gezegd eerst zelf drie minuten keihard staan lachen, toen eerst maar ‘ns een foto gemaakt, de hoofdmoot schoongemaakt zodat ik bij de overige bakblikken kon, onderwijl grinnikend en hard vloekend, de bruikbare spinazietaartresten van de kookplaat geschraapt, in een nieuw bakblik gekwakt en dat halve geheel gebakken. En wonder oh wonder, hij is nog steeds groot genoeg. Ik blij.

Moraal van dit verhaal: ooit komt alles goed. Zelfs hulktaart. Morgen verder met spinazie van kookboeken en keukenlades afkrabben.

TrutteBel

“een uur aan de telefoon gehangen, nog zere kaken van het lachen”
“binnenkort weer even bijkletsen, ik bel je!!”
“ik denk dat wij u in dit project van dienst kunnen zijn, bladiebladiebla…”

Ik heb iets raars geloof ik.
En toch hè, tóch geloof ik dat ik hier absoluut niet alleen in ben…
Ik heb een telefoneerafkeer. Bel-angst. Ik trutteBel…

Vroeger (lees: een paar decennia geleden) was het helemaal erg. Ik kreeg al maagpijn als ik de dokter(sassistente) moest bellen voor een afspraak omdat ik dan eerst uit moest leggen waarom ’t ging. Of een potentiële klant bellen, vreselijk.  Ik schreef alles wat ik wou cq. moest zeggen minitieus op zodat ik in m’n zenuwen niks zou vergeten. Een bijna-to-be-vriendje opbellen om iets af te spreken? Godsonmogelijk. Uuuuuuuuren heb ik bij die rottelefoon gezeten, ja zelfs zo nu en dan die hoorn in de bevende hand gehad en m’n vingers over de vierkante toetsen laten zweven (ja, zo waren onze telefoons nog in die tijd. Met een hoorn en dikke vierkante druktoetsen). Toen er iets goed mis was op school m.b.t. de klas van zoon, ben ik niet in de telefoon geklommen, ik ben gelijk naar school gereden en heb daar al m’n emoties en misnoegen eruit gegooid. Aan de telefoon kán ik dat gewoon niet…

Ik ben gemaakt voor dit tijdperk. Ik ben gék op mijn telefoon, alleen niet op het telefoneren zelf. Ik mail, sms, whatsapp, chat, twitter, facebook. M.a.w. ik schríjf gewoon liever. Het probleem is namelijk, dat ik in een telefoongesprek niet visueel in kan spelen op m’n gesprekspartner, ik kan niet zien of voelen hoe diegene op dat moment tikt, ik kan niet inschatten wat die persoon denkt. Ik ben van de lichaamstaal. Ik kan mijn gesprekspartner niet zien maar moet wel direct reageren op wat hij/zij zegt. En nee, skype of videotelefonie vind ik ook weer drie keer niks want dan nog zie je elkaar maar op een klein schermpje waar ik niet veel mee kan en kan diegene mij ook nog eens zien in mijn privésituatie (met krulspelden in, een kudde ongeschminkte pukkels in m’n gezicht en fryske terpen onder m’n ogen, bij wijze van spreken…).

Bovendien ben ik ergens altijd bang om vreselijk ongelegen te bellen. Zo belde ik laatst de arts van zoon (vanwege ADHD-medicatie). Ik vroeg meteen “stoor ik?” en nog voordat ik “…want dan bel ik graag op een ander tijdstip terug” kon zeggen, schalde mevrouw al een hard “JA!” in de telefoon. Nou, geloof maar dat m’n hart dan even een slagje overslaat. Yikes… Ik wil niemand dwingen om tijd voor mij te maken. Geschreven boodschappen zijn leesbaar wanneer het de ontvanger past. En antwoorden kan die persoon dan ook wanneer ’t uitkomt. Ideaal.

Bij het geschrevene kan ik iemand anders weliswaar ook niet zien of inschatten, maar dan heb ik, door dat wat en vooral hóe de ander schrijft, een betere indruk van de persoon zelf én ik kan beter nadenken over datgene wat ik wil zeggen en hóe ik het wil zeggen. Ik prefereer dus óf ‘totally live’-gesprekken óf het geschreven woord. Eén van de twee. Maar het door een draadje (of door kilometerslange luchtstukken, for that matter) kleppen zal nooit een hobby van me worden.

Het ergst heb ik ’t met mensen die ik niet (goed) ken, diegenen weten niet hoe ik ben en vooral: ik weet niet hoe die ander is. Maar ook bellen met vriendinnen doe ik op de één of andere manier niet zo heel erg graag (alhoewel ik het dan ook écht WEL leuk vind om ze te spreken!!). Als ik ze dan eenmaal aan de telefoon heb, kan ik urenlang kletsen, dat dan wel weer. Maar ik zal zelden de initiatiefsneemster tot “eens even bellen” zijn. Ergens langs  cq. op bezoek gaan vind ik dan weer helemaal niet eng. Ook niet als het bij onbekenden is. Ik heb duidelijk géén deurBel-angst. Maar voor goede conversatie heb ik de mens in levende lijve nodig, met een lijf en niet enkel en alleen met een stem…

Ik heb inmiddels, na zo’n 40 pratende jaren (het eerste jaar liet mijn duidelijkheid, voor zover ik weet, nog te wensen over), wel redelijk goed geleerd, hiermee om te gaan. Ik heb een jaar lang in een “Großraumbüro” in Zwitserland gewerkt, zo’n kantoor waar je met z’n vijftigen in dezelfde ruimte zit, gescheiden door van die klapwandjes. En daar heb ik véél moeten telefoneren, en dan ook nog uitsluitend in het duits, steenkolenfrans of engels. Wat een kriem in ’t begin, maar uiteindelijk raak je toch een beetje immuun voor meeluisterende collega’s. Wat mot dat mot, jammer dan. Maar fijn is anders. Ook met familie en goede vrienden bel ik inmiddels zonder enige terughoudendheid (ja echt, lieverds), maar het liefst toch wel met de nodige privacy (die ik o.h.a. zelden heb in deze huishouding…). En voor alle overige nodige, zakelijke, organisatorische telefoontjes heb ik nog steeds mijn ‘briefjes’ waar op staat wat ik moet zeggen en vooral niet moet vergeten. Erg eigenlijk. Ach, iedere gek z’n gebrek.

Dus mocht u zich afvragen waarom ik zelden tot nooit bel: it’s NOT you! It’s just not me…
Ik typ je de boel liever. Capice?

Moment

Op dit moment
slaapt ze heel diep.
Op dit moment
doet de scalpel zijn werk.
Op dit moment
stel ik me levendig voor
wat die chirurgen daar nu aan het doen zijn…

Op dit moment
merkt ze niets van alles.
Op dit moment
zijn enkel anderen bang.
Op dit moment
sla ik mijn ogen neer
en denk aan hoe het morgen verder zal gaan.

Op dit moment
wordt ze gehecht.
Op dit moment
is alles al bíjna achter de rug.
Op dit moment
zou ik zo graag daar zijn
en straks naast het bed staan als ze wakker wordt.

Moment…

.

.

PS: ik ben me ervan bewust dat dit intense en zelfs intieme blogs zijn. Maar het is mijn manier van verwerken van iets waar ik geen invloed op heb, waarbij ik stilletjes af moet wachten wat er gebeurt en waar ik niet eens daar kan zijn waar ik zo graag was geweest op dit ‘moment’. Het zijn uitingen van mijn verwerkingsproces. Mocht u het even teveel vinden, voelt u zich niet bezwaard en slaat u mij in deze fase gerust over.

“Eikel eersteklas”

Een frequente gedachtengang van mij.
“Wat ben je éigenlijk toch een….”
Komt puur door de regelmatig vaute inschattingen van mezelf.
Ik kan niet zeggen dat mijn mensenkennis nou zo geweldig goed is.
Ik vind bijna iedereen aardig, ik vind veel mensen ontzettend lief.
Van een heel stel daarvan hou ik zelfs met heel mijn hart.
En zij van mij, da’s wit achter zwart 😀
Maar soms kom ik er dus na een tijdje achter.
Vallen de oogkleppen af en zie ik weer scherp.
En dan komt die gedachte dus.
Maar gelijk daarna volgt: “Ik stomme trien, wéér niet gezien.”
Ik heb een roze bril op sterkte nodig.
Het liefst multifocaal.
Eikol…

Genezen.

Waarempel…

Dat je op je blogjaardag ‘warempel’ met twee a’s schrijft.
Kan ik.
Waarachtig…
Niet warachtig?

Wa(a)rom???

gesjeesd.

Gesjeesd word ik ervan. Van dagen als deze.

Kwart over zes eruit, het ontbijt hectisch als altijd, stipt om 7:14 rennen de kinderen toch met praktisch al het benodigde én schoenen aan de deur uit en linea recta de schoolbus in. Ik ruim alles binnen op, vaatwasser uit- en inruimen, stofzuigen, katten verzorgen (die ik vanaf 4 AM om de haverklap de trap afgejaagd heb: ons ‘trapbeschermingskarton’ hebben we gisteren weggeruimd maar ik wil ze partout niet boven hebben, écht NIET. Dus moeten we ze nu bijbrengen dat ze niet naar boven mogen. Plantenspuit in de aanslag en hardnekkig cq. standvastig blijven…). Man de deur uit en vervolgens ik pak toch echt wel even mijn rustmomentje van de ochtend: met een grote mok koffie en m’n foon op ’t terras in ’t waterige ochtendzonnetje. Heerlijk. Dat moment heb ik dan toch maar mooi weer binnen.

Aan ’t werk maar zo geen zin… Een hoop rekeningrotzooi die opgeruimd moet worden, aanmaningen, belletjes. Geen leuk werk in ieder geval. Ik ben ’t zat, ik wil wat anders… Daarnaast heb ik de financiële administratie van de turnsectie van de sportvereniging op me genomen wat aandacht vergt, nu aan ’t begin van het tweede halfjaar van 2012. Iedereen moet weer betalen, de lijsten aangepast en bijgewerkt, mensen gevraagd naar de betaling en vooral: ter plekke bij de ingang staan en kasseren… Wat een chaos, die tent.

Kwart voor twaalf: beide kinderen komen binnenstuiteren. Klaar met school. Ik schiet overeind: shit het is alweer middag! Snelsnel eten koken. Spaghetti met rooie saus. “Alweer???” Ja. Alweer. “Oh lekker!”. Mooi. Ik moet ongesteld worden en dan ben ik altijd nogal kort aangebonden…  Eten en eetzooi opruimen en huppetee, allemaal aan de grote tafel: huiswerk maken. Ze treiteren elkaar tot en met maar we moeten dóór. Met z’n allen. Dochter tekent haar tweetjes en drietjes in een schrift met allemaal boogjes en bloemetjes ernaast. Het zal wel.

Zoon schrijft tien zelfbedachte zinnen in zijn duitse huiswerkschrift. Na een dik uur (…) klapt hij ’t dicht: “klaaaar!”.
“Moet ik even controleren, lieffie?” – “Neee neeee, hoeft niet.” Nou dan weet ik wel hoe laat ’t is. “Kom op joh, ik of de juf, dan heb je toch liever dat wij ’t samen verbeteren?” Zoon bokt. Ik moet kletsen als brugman om hem bij me te krijgen. Samen verbeteren we de eerste zin en hij barst meteen in huilen uit. Alweer. Geruststellen, de hemel in prijzen dat hij ’t écht heel goed gedaan heeft en dat we enkel even wat dingetjes verbeteren samen zodat hij dan weet hoe de woorden geschreven worden. Hoofdletters, omgedraaide letters, vergeten -n-en, verkeerde naamvallen. Alles zit er in dubbel- tot drievoud in, in de tien zinnen. Ik denk bij mezelf: “de volgende keer mag de juf ’t doen hoor, pffff.” Maar ik weet dan ook dat zij duidelijk minder lovend en meer degrondinborend zal zijn dan ik… Het lukt uiteindelijk. Ondertussen is het half vier en moet ik dringend door met m’n werk en m’n lijsten (en ik moet nog zóveel andere dingen doen…).

Tegen vieren maak ik wat broodjes en drinken voor de kinderen want ik moet zo weg naar de voetbal. Snel snel omkleden, om kwart voor vijf naar ’t sportveld. Trainuurtje met de jongsten van de club (4-6 jarigen). Ik moet eerder weg want om kwart voor zes moet ik alweer in de sporthal zijn om de gymmers op de lijst af te strepen en de bijdrages voor het turnen te innen of een overboekingsformuliertje te geven. Om tien voor half zeven weer thuis. Snel wat naar binnen stouwen, nog sneller kauwen, snelst wat eten voor de kinderen gemaakt die nog honger hadden en hoppaaa, weer naar de sporthal voor de volgende gymeenheid. Om kwart voor 8 weer thuis, kinderen met enige stemverheffing tot opruimen gemaand. Vanochtend was m’n huis nog zó mooi aan kant… Eigenlijk hadden ze al boven moeten zijn maar dat lukt dus nooit als ik weg ben. Man is er niet, die heeft avondschool vandaag. De kinderen zijn zo strontvervelend dat ik geen zin meer in voorlezen heb. Dan maar niet, sorry hoor. Komt niet vaak voor maar ik ben echt op.

M’n nek brandt heftig aan de linkerkant vlakbij m’n schouder (monnikskapspier?). Ik heb barstende koppijn. M’n linker oog heeft last van stuiptrekkingen (slaapgebrek?) en ik voel me intens moe.

En wat doe ik??
Een blog typen.
Ja. Inderdaad.
Gesjeesd…

Hoofdmoe

Een mat gevoel, teneergeslagen, dof. Zo moe in m’n hoofd ben ik. Lichamelijk niet, maar geestelijk duidelijk kortstondig oververmoeid. Niet meer in staat om de tranen tegen te houden. Het ene trieste nieuws na het andere komt binnen. Het ene verdriet na het andere maakt mijn ogen bijna vloeibaar. De ene zorg na de andere kan ik niet meer zomaar aan de kant schuiven. Gedachten malen zich een slag in de rondte. Have your cake and eat it. De angst en de onzekerheid maken er een sierlijk toefje bovenop.

Je anders zo rustige zoon die wanhopig in huilen uitbarst omdat hij wil weten waarom uitgerekend híj zo dyslectich is. Je moeder die ineens ernstig ziek blijkt en geopereerd moet worden. Een vroeger schoolgenoot die plotseling op de A1 om ’t leven blijkt te zijn gekomen. Het zó graag in Nederland en vooral thúis willen zijn maar het niet kunnen. Een idiote zak in een mercedes die me op ons landweggetje zo klem reed dat ik tegen de rand op moest rijden en een klapband kreeg.

Sommige dingen stemmen me enkel tijdelijk een beetje somber, andere hakken er zo ontzettend in dat ik mezelf even kwijt ben.  Op dit soort momenten voelt ieder mens de behoefte om zich terug te trekken. Ik wel in ieder geval…

Ik moet schilderen. Ik moet schrijven. Ik moet naar buiten. Ik moet slapen. Ik moet huilen.
Vervang ‘moet’ door ‘wil’.

Hoofdmoe.
Ja. Alwéér.
Prioriteiten.
Time out.
Laters…

de paddestoelen in mij

ik schijn ze te hebben. Pilze, oftewel paddestoelen.
M’n eigenste eigen champignonskwekerijtje in mijn darmen.

Ben gisterochtend naar een kinesiologe (een vriendin, overigens) geweest. Jaja, echt waar. Ik, de scepticus bij uitstek, ga naar een alternatief geneesvrouwe. Wel samen met de buurvrouw (ook vriendin), dat dan wel weer. Buurvrouw, laten we haar ‘ns Katy noemen, is weliswaar benijdenswaardig slank maar heeft, in haar eigen ogen, een paardrijbroek op haar heupen (in mijn ogen niet, maar dat doet er niet toe). Die wil ze weg hebben en kinesiologevriendin, laten we haar maar ‘ns Mary noemen, had haar verteld dat ze daar met de juiste voeding best wel af kon komen. Ja, dat zei ze.

Aangezien ik eigenlijk wel van álles af wil (over de hele linie, van onderkin tot zwabberkuit mag er wel een kilootje of 20-25 af, zoals u weet), leek het me slim om mee te gaan en eens te kijken wat ze mij zou adviseren. Een kort intake-gesprek, toen op de ligtafel (of hoe heet zo’n ding). Mary drukte met links ergens in de buurt van m’n pols op allerlei plekjes en met haar rechterhand overal en nergens op de rest van m’n lichaam. Drukken is eigenlijk teveel gezegd, aanraken dekt ’t beter. Flesjes met vanalles en nogwat op m’n borst (eh, tussen de borsten). Vragen stellen. Verder testen. Een interessante procedure op zich. Ik weet nooit zo goed wat ik er van vinden moet dus vind ik maar gewoon niks en wacht af. Het gaat echt goedkomen. Zegt ze.

Vervolgens vertelde ze me wat ik eigenlijk al wel wist:  ik ben vergeven van de candidaschimmels. En die worden tot de “Pilzartigen” gerekenend, oftewel de paddestoelachtigen. Candida op zich is geen probleem, da’s een simpele gistbacterie die bij ieder mens voorkomt. Pas als die candida schimmeldraden (myceliën) gaat vormen, begint de ellende. Eigenlijk best een kunstwerkje, met al die draadjes en puntjes, vindt u ook niet? Maar met die schimmeldraden kan de candida cellen binnendringen en ook in de bloedbaan komen. En dan heb je de poppen aan ’t dansen. Zeggen ze.

Ik wist ’t wel hoor, ik heb hier al jaaaaaren last van (ik schat zo’n 10-15 jaar, gezien de symptomen die ik me kan herinneren van een long, long time ago) omdat ik a) er gewoon gevoelig voor ben en b) ik in die jaren ontelbare antibiotica-kuren heb moeten slikken (zelfs meerdere keren d.m.v. infuus), alleen dit jaar waren het er al 4… en dat is nu eenmaal funest voor je darmen. Zeggen ze.

Even een lijstje met de heerlijke, deels smeuïge symptomen doornemen:

  • chronisch vermoeid zijn – CHECK
  • darmklachten/winderigheid – CHECK
  • extreem koude handen en voeten – CHECK
  • jeukklachten – CHECK
  • afscheidingen uit de geslachtsorganen  – soms, de vsi-tjes zijn me niet onbekend.
  • oogklachten – nope (behalve dan dat ik praktisch blind ben zonder lenzen)
  • haaruitval – soms…
  • frequente blaasontstekingen – CHECK CHECK DUBBELCHECK!
  • buikklachten – CHECK
  • (vr)eetbuien, zin in zoetigheid – CHECK
  • allergieën – neuh
  • libidoverlies – nèèèhh 🙂 (nou ja soms, als ik moe ben… of sores heb, of hoofdpijn…)
  • huidklachten – CHECK
  • overmatig transpireren – nope
  • sterke gewrichtspijnen – CHECKERDECHECK!!
  • maagklachten – CHECK
  • mentaal-/emotionele problemen, matheid/teneergeslagenheid – CHECK
  • hartkloppingen/kortademigheid – CHECK
  • geheugenstoornissen, concentratiestoornissen – CHECK
  • overgewichtig ondanks veelvuldig diëten – CHECK

okay… daar zul je ’t gedonder hebben. Als ik de ‘somsen’ even weglaat, heb ik nog altijd een score van 14 van de 20. Best aardig, vind ik zelf.  Het is niet nieuw voor me: ik was in München al bij een orthopeed (vanwege de zware gewrichtsklachten) die me hetzelfde zei en ben ook al twee keer naar de HA geweest die me anti-schimmelpillen voorschreef; ik kén de symptomen. Maar nou echt fanatiek aan zo’n candida-dieet beginnen, dat wou ik tot nog toe niet. Je leest er zoveel over, de één zegt dit, de ander dat: het helpt/het helpt geen ene moer, wel yoghurt/geen yoghurt, wel noten/geen noten,  geen appels/wel appels, candida-schimmelinfecties zijn pure verzinsels van alternatieve geneeskundigen om extra geld binnen te halen, de hele dag rauwkost/hooguit tot 15h rauwkost, etc.etc.etc.

Awel. Mijn vriendin Mary zegt dat ’t nodig is. En dus ga ik het nu toch maar ‘ns doen, zo’n candida-dieet. Het is wel afzien want ik mag van alles waar ik zó gek op ben dus niks meer. Geen chocolade (aaaaaaaaaaaaaaaaaarghhhh!!!), geen alcohol (… geen woorden voor… gaat me lukken…), geen suiker/honing/zoetigheid whatsoever, geen gewoon brood (want gist) of witmeelproducten, geen melkproducten (want ik ben ook nog koemelkeiwitintolerant en dat wordt volgens Mary opgeslagen rond de ruggewervels waardoor veel mensen, waaronder ik, voortdurend rugpijn (CHECK!) én klassieke migraine (CHECK!!) hebben) dus ook geen yoghurt en kaas enzo, geen witte rijst, geen koolzuurhoudende dranken, geen noten, geen gedroogde vruchten, geen varkensvlees. Dat was een kleine greep uit de lijst der grote verbodenheden.

Maarrrrr. Ik mag toch nog best veel wel. Ik mag eieren (joepiedepoepie!!! Ik ben gék op eieren), schape- en geitenproducten (geitenmelk is best te drinken en geitenyoghurt goed te eten, heb ik vandaag gemerkt, en ik ben gek op schapen- en geitenkaas in alle vormen en soorten), olijven (mjammmm), alle andere vlees en vis, bijna alle groente en fruit (maar na 15h niet meer rauw…), volkoren rijst en pasta, volkoren meel en vooral véééél knoflook (kan ik ^_^).

Ik ga me nu werpen op het gistvrij volkorenbroodbakken (zuurdesembrood of brood met natron/bakpoeder), ben benieuwd. Minimaal 8 weken moet ik dit volhouden (mooi, ben ik net voor de Sinterklaas en de kerst klaar, kom maar op met dat gevulde speculaas). Varkensvlees eet ik maar gewoon helemaal niet meer, da’s niet zo’n probleem (behalve als we bij schoonmoeders zijn, maar dat wordt sowieso een uitdaging :-S).

En daar zit ik dan. Een kop zwarte koffie want melk mag niet meer en aan geitenmelk in de koffie moet ik nog een béétje wennen (rijste- en soyamelk in de koffie is in ieder geval niet te zuipen, weet ik nu), een bakje geroosterde pompoenpitjes, een druk rommelende broodbakmachine die achter me een gistvrij dinkelvolkorenbroodje aan ’t kneden en bakken is, volkoren-steviakoekjes in de oven (stevia mag eigenlijk ook niet maar is voor de candida geen probleem, is mij verteld, dus daar kijk ik voor ’t gemak maar even overheen).

Kort samengevat:  Ik doe m’n best. Toch?

Maar áls die paddestoelen dan eindelijk ook uit m’n buik weg zijn, val ik volgens Mary ook weer gewoon af, als ik maar een beetje m’n best doe (goh, dat heb ik nou de laatste jaren ook nog niet gedaan LOL). Nou, volgens mij val ik met dit dieet sowieso af. Kan niet anders. En ik word natuurlijk weer supermegavitaalfithappy. Zeggen ze.

Bye bye, krakkemikkige ikke.

Lang leve(n) de Paddo’s (niet meer).

Hebt u even?

Dan heeft u vast ook meer. Er moet mij namelijk iets van ’t hart. Daar heb ik wel vaker last van. Meestal ga ik dan in de tuin wroeten om datgene wat mij op ’t hart ligt tussen de naaktslakken te pleuren en doormidden te knippen, maar in gevallen als deze is mijn mededelingsdrang te groot. En het is nu te donker buiten, dat ook.

Ik ben de laatste tijd duidelijk minder op twitter & co te vinden. OK, op facebook hang ik nog wel wat meer rond want dat is toch echt veel leuker en persoonlijker maar op twitter voel ik me op dit moment een beetje een stropbungelaar. Je hangt er maar een beetje te hangen en als je iets teveel spartelt, krijg je het vanzelf spaans benauwd.

Dat valt nog te handelen. Wat ik niet kan handelen is als mensen elkaar afmaken (lees: afzeiken en blocken) op basis van wat gekletsklooi van anderen die ze verder ook niet echt kennen maar natuurlijk wel gelijk geloven. De eerste de beste die aardig doet en zegt dat jantje van om de hoek een flierefluitende flikflooier is die over miep van de tabakszaak zei dat ze met japie met de lange lul naar bed is geweest, wordt geloofd. Als je maar de eerste bent, ben je geloofwaardig. Zo lijkt ’t althans. En als ’t niet interessant genoeg is, wordt er zonder omhaal nog wat smeuïgs bij verzonnen.

Waarom kunnen we elkaar niet gewoon met rust laten? En dat wat er verteld wordt, eerst ‘ns goed inprikken met een vork om te kijken of ’t ook echt gaar is? Even met ’t oor luisteren of de boel ook écht klopt? Of je er gewoon niet druk om maken omdat je weet van wie ’t komt (of juist omdat je NIET weet van wie het komt door het feit dat je diegene niet eens daadwerkelijk kent?). Virtueel leven en virtueel laten leven… Wat je in real life doet zal me worst wezen, daar merk ik niks van. Maar dat elkaar voodoo-en in mijn TL, daar word ik zo drietig van hè…

Moeilijk doen, vind ik dat.
Geloof toch niet altijd gelijk alles!!
De één roddelt over de ander en die ander roddelt vervolgens nog harder over de één.
Manmanman wat een speeltuin vol wippen.

Ik ga schommelen.
Veel leuker.

Veräppelt

De appeltjes van deze wereld zijn overduidelijk nog lang geen peertjes.
Gloeilampen zat boven die rokende hoofden.
Maar ze branden voor geen meter…
De vooruitgang als patent claimen.
Als ’t maar iGeld oplevert.
Ze hebben vást en passant het wiel óók stiekem uitgevonden.
iWiel.
Straks nog éven alle auto’s laten verbieden.
Maar nu eerst de evolutie.
iEvolution.
Echt iJongens en iMeisjes, dit is kleutergedrag.
Jullie veräppeln de wereld.
op z’n “iFuckU’s” en men merkt ’t niet eens.
Veräppeln, een prachtig duits werkwoord.
Ik besef nu pas ten volle waar ’t vandaan komt.
Stevig in de zeik genomen worden door een stelletje appelvreters.
Ik ontwikkel zo langzaamaan een appelallergie.
Deze propriëtaire iKinderachtigheid werkt op de zenuwen.
Ik krijg er vette uitslag van.
Allemaal puntjes….
Op een rotte i.

iAllergy.

Alle appelvreters verenigt u!
Go for iWorld Domination!
En veräppelt uzelf hevigst in the iProcess?
iPlease?

Rust roest…

maar rust is toch ook wel fijn…
Vooral op vakantie.
Ik vind ’t dan ook ontzettend moeilijk om een goede middenweg te vinden tussen dingen doen en dingen laten, tussen meetings, bezoeken en koffiekransjes plannen en gewoon lekker thuis zijn. Vooral tijdens mijn Nederlandvakanties… We zijn er gemiddeld een dag of 8 . Soms zijn het er 6, soms zelfs 10, hoewel dat laatste niet vaak meer voor zal komen omdat we onze twee rooie katertjes niet langer alleen kunnen (en willen) laten.

Over het algemeen ben ik dus twee keer per jaar in Nederland. In die twee keer één week per jaar wil ik mijn familie bezoeken, mijn grote zus zien (die ik verder dus ook nooit zie), bij mijn ouders zijn (die weliswaar nog redelijk vaak naar Oostenrijk en bij ons komen maar die het toch ook wel heel leuk vinden als ik ook eens een keer gewoon thuis ben) én een hele bups meer dan lieve en goeie vrienden opzoeken die ik óók allemaal mis… Allemaal mensen van wie ik houd en die ik zo graag éven ‘live’ zou willen zien. Maar daarnaast ben ik nu eenmaal ook nog met m’n gezin ‘op vakantie’ – deze zomer zelfs de enige vakantie die we met elkaar hebben – en dus wil ik ook met hun hier nog wat leuke dingen ondernemen en niet 6 van de 8 dagen moeten zeggen: “jongens, jullie bekijken het maar, amuseer je, ik ben de hort op”.

Het is simpelweg niet in te passen in die ene week. Veel mensen vragen of ik niet ergens een klein gaatje heb, gewoon om even langs te komen en koffie te drinken. Of waarom ik ze nou nooit op kom zoeken als ik al een keer in Nederland ben. Nou daarom dus… Niet dat ik niet wil, integendeel! Maar mijn tijd is zo ontzettend beperkt, helemáál voor meetings waarvoor ik nog eens uren moet rijden. Ik kom zelden tot nooit in het Westen of bijvoorbeeld het verdere Zuiden van het land, simpelweg omdat ik dan minimaal 2 tot 3 uur (heen, en ook nog eens een keer weer terug…) moet rijden – de zeer waarschijnlijke files niet meegeteld – voor even koffie drinken of meeten. Na krap duizend kilometer naar Nederland karren heb ik daar heel eerlijk gezegd ook niet zo heel veel zin meer in.

Van hier naar Den Haag = 220 kilometer, 5 uur heen-en-terug.
Van hier naar Amsterdam = 180 kilometer, 4 uur heen-en-terug.
Van hier naar Vlissingen = 330 kilometer, 7 uur heen-en-terug.
Van hier naar Breda = 230 kilometer, 5 uur heen-en-terug.
Sorry, maar dat wordt ‘m dus echt niet….

Ergens blijven slapen is ook geen geweldige optie. Ik weet dat mijn mams dat niet echt leuk vindt en ik weet vooral ook dat mijn kinderen het nog minder leuk vinden. Man laat me razen (letterlijk ^_^), de lieverd. Hij weet heel goed dat vrienden bezoeken in Nederland enorm belangrijk voor me is maar ook hij staat vanzelfsprekend niet van enthousiasme te springen als ik ergens blijf slapen. Het gebeurt wel af en toe een keer, als ik bijvoorbeeld zo’n geweldig feestje heb als de vorige keer in Groesbeek (:-)) waar ik zoveel heerlijke mensen in één klap kan zien en dan bij liefstelieve vrienden mag blijven slapen, maar het blijven uitzonderingen.

Later, als de kinderen wat groter zijn, kan ik ooit ook wel ‘ns alleen naar Nederland, denk ik. Dan is in ieder geval het schuldgevoel naar hen toe niet meer zo groot (om over de overige schuldgevoelens maar niet te praten). Dan kan en wil ik ook best ‘ns wat langer rondtouren en mensen opzoeken, maar nu zit dat er echt niet in.

Dus mensen, mocht ik jullie ook dit keer niet komen opzoeken: het ligt écht niet aan jullie, het ligt aan mij. Ik kan ’t niet bolwerken en ik kan mezelf nog steeds niet vierendelen (en zelfs dan was ik niet voldoende…)

Lang leve de social media, zo ‘zien’ we elkaar toch nog 😉

*virtuele kus toewerpt*

Autosores en een naveltje

Het was weer zover. Er moest gereden worden. Moeders wilde weer ‘ns terug naar haar roots dus pakte zij kinderen, man en andere pruttel in haar Audietje en karde heenen..

Tot aan ’t tankstation 3 kilometer verderop mocht ik maarliefst rijden, toen had man ’t wel bekeken. Wáár laat je in vredesnaam je benen als in die krappe beenruimte al een grote koeltas met onderwegvreten en een tas met alle waardespullen, telefoons en andere santemekaraam overlevingsbelang staat. Tja, mij lukt dat wél dus mocht ik daar (weer) zitten.

Tot aan ’t tankstation 30 kilometer verderop: toen merkte man dat hij toch wel verrekte moe was van het opritbestraten. Ik mocht het stuur weer overnemen en hij wurmde al ogensluitend zijn benen tussen de tassen.

Maar. Wie op die plek zit, is van de bediening. Zo zijn de regels. Je hebt rijders en bedieners. En ik was nu rijder. Na circa tien kilometer begon dochter: “ik heb honger.” OK, dat kan nog niet want we hebben thuis voor we weggingen uitgebreid gegeten. “Zijn we al in Duitsland? Mogen we een film kijken?” (Dat is ook een regel: filmpjes kijken doen we vanaf de duitse grens. Vraag me niet wie die regel bedacht heeft, ik niet, maar ze moeten dus eerst 1,5 uur stil kunnen zitten of met echte dingen kunnen spelen of naar buiten kunnen staren voordat de DVD aan mag. Dat kan enkel iemand bedenken die normaalgesproken rijdt en niet van de bediening is). Mijn standaard antwoord luidde dan ook: “Moet je papa vragen, die is van de bediening.” Maar papa sliep. Zo zag ’t er in ieder geval uit. Ik porde hem in zijn zij en hij werd sjaggie ‘wakker’ om het bij voorbaat bekende “NEE” door de auto te brullen.

Daarna had ik geen rust meer. Ik voegde niet snel genoeg naar links in. Ik moest eerder mijn knipperlicht uit doen. Ik moest niet zo snel naar rechts gaan om anderen voorbij te laten, dan moesten ze maar even remmen. Ik moest wél spaarzaam rijden en harder dan 130 is níet spaarzaam (dús moet je vaker naar rechts om anderen voorbij te laten…). Ik reed te dicht op m’n voorganger (maar ja, ik moest wél sneller naar links invoegen…). Na 4x diep zuchten brulde ik dan ook gefrustreerd “BEMOEI JE D’R NIET MEE, IK RIJD!! JIJ GING SLAPEN!!”.  Prompt volgde er op onze woordenwisselingen een straf  van boven, in de vorm van een stortbui, waardoor ik sowieso niet harder kon dan 80. En met stortbuien heeft mij Audietje het niet zo, want dan wordt-ie nukkig en wil-ie niks meer vertellen. Vooral niet hoe hard je rijdt, wat je verbruik is, hoe vol je tank nog is etc. etc. Niks meer. Gevoelig contactje dat bij natheid nattigheid voelt. En dat blijft dan ook een dag of 3 zo…

Gelukkig hebben wij daarvoor ons naveltje, onze Garmin Nüvi. Die zegt namelijk wél hoe snel je rijdt en dat is toch best fijn om te weten. No real problem dus. Man dutte weer in, de kinderen jengelden voort. Ik mompelde noodgedwongen dat ik naar de plee moest (tja, die koffie hè) en stuurde de eerstvolgende parkeerplaats aan. Een klein pseudoplasje om er daarna even snelsnel zelf een DVD in te douwen en de rust was wedergekeerd in de auto.

Ik tufte de volgende 600km door, de kinderen keken DVDs en man deed zijn best in de bediening, krampachtig zijn mond houdend over welke rijstijl dan ook. Een file, een hoop halve gekookte eieren en stukjes worst, wat broodjes nutella, 18 wegopbrekingen en Baustellen verder was ik het zat en reed lijnrecht naar een grote gele M. Het was een primitieve dit keer. Gruwelijk onvriendelijk personeel, ellenlange wachtrijen, verstopte toilettekes van 1 meter lang bij 60cm breed, het speelgoed bij de happymeals (stappentellers, bewegingstellers, pingpongtellers) was op (een absolute ramp op gezinsgebied) op de sprongtellers na (een nog grotere ramp: nu wilden ze niet meer zittend eten maar enkel nog springend eten…).  Onze vette hap naar binnen gewerkt en hoppetee, de auto weer in. Nieuwe DVD erin, benen tussen de tassen proppen en gaan met die banaan.

Man reed, naveltje wees de weg. Prima, kon ik naar hartelust bedienen. Naveltje wil o.h.a. echter standaard iets anders dan dat wij willen en natuurlijk sjeesde man de juiste, níet door naveltje aangekondigde, afslag voorbij. Iets van 30km verderop durfde ik voorzichtig te opperen: “hé hadden wij niet al ‘ns af gemoeten?” maar pas na een volgende 10km wilde hij dat ook toegeven. Nou ja, dan maar de route van naveltje volgen. Het is een Garmin en Garmins weten vast wel wat ze willen. Tot Münster was ’t sowieso autobahn en vanaf daar een prachtige snelweg. Alles Bestens. Rond 22 uur kwamen we in de buurt van de bestemming en man riep ineens: “Héé hier moet ik af, dit is onze autobaan, dan zijn we er zo!” waarop ik nog harder gilde: “Nee joh, dan gaan we weer richting Oosten, kijk maar, dat wat naveltje wil is veel richter en anders rijden we een klere-eind om!! Dat is niet goed!!”

En hoppeteeee waren we de afslag voorbij. Ik moet toegeven: ik heb niet altijd gelijk… In dit geval hadden we die afslag moeten pakken. Nu waren we dankzij mijn gegil en naveltjes antinavigatiekunsten gedoemd om dwars door Gronau, dwars door Overdinkel, dwars door Losser en dwars door Oldenzaal heen te rijden. Dat was op zijn zachtst gezegd geen pretje… Het was dan ook ijzig stil in de auto (nadat ik minstens 23 keer aan heb moeten horen dat ik het NIET altijd beter weet en gewoon mijn kop had moeten houden, dat HIJ reed en HIJ dan ook de beslissingen had moeten nemen. Waarop ik antwoordde dat HIJ zélf besloten had om naar mijn gegil te luisteren en NIET af te slaan. Dat was NIET het goede antwoord). Door alle bochten, vluchtheuvels en nieuwhollandsche rotondes moest dochter gedurende de laatste 8 kilometer toch nog een kotszakje onder haar neus houden maar dankzij diep ademhalen en open ramen lukte het toch nog om – weliswaar een krap half uur later dan mogelijk was geweest – kotsvrij op de plaats van bestemming aan te komen. De kilometerteller gaf trouwens een gereden afstand van 112,9km aan. Oostenrijk en Nederland liggen helemaal niet zo ver uit elkaar eigenlijk…

En nou doe ik vakantie vieren. Ik heb vandaag al de nieuwe sjoelbak gepolijst, man geholpen met de Wifi-problemen alhier, koffie gedronken, thee gedronken, boodschappen gedaan in het zelfgeknutselde winkeltje van de kinderen (“Dat kost dan 20 euro!” “Oh, ik heb alleen maar een briefje van 500…” “Ah da’s ook goed, dank u wel” :-S) en koffie gedronken. En nu een blog getypt. Tijd om te koken… lang leve de vakantie, yeah!!

Lak aan lak

Het was u misschien al opgevallen maar ik ben niet zo van de lange, opgetutte nagels. Ik heb korte werknagels die standaard afbreken en steevast voorzien zijn van lichtgrijze tot zwarte randjes die ik daar echt niet zo 1-2-3 wegkrijg. Maar zo heel af en toe krijg ik dus een soort van aanval en wil ik ook aantoonbare nagels. Dat gebeurt hooguit 2 tot 3 keer per jaar. Vandaag was het zover.

Teennagels zijn over het algemeen geen probleem: ik schilder de lak er prachtig op (want alles kan met rechts), loop – zoals ik altijd doe – op blote voeten verder en hoppetee, gedroogd en mooi. Ware het niet dat ik eigenlijk nauwelijks teennagels heb want ze zijn ieniemienie klein uitgevallen. Maar van een mooi laagje ‘buiten de randjes gedrapeerde’ nagellak voorzien lijkt het net of ik ze wel heb. Prima zaak dus, teennagels lakken.

Maar dan de handen. Ik heb een French Manicure setje, zo’n pen waarmee je mooie witte randjes op je nagels kunt kalken en dan doe je er vervolgens een top coating overheen. Very professional, you know… De randjes aan mijn rechterhand zijn duidelijk hakkeliger dan links maar dat neem ik voor lief. Ik deed er dit keer liefdevol een laagje zijdecoating overheen om er vervolgens achter te komen dat ik toch wel verrekte nodig naar de WC moest. Het ontbreekt mij duidelijk aan nagellakervaring want anders was ik wel in de pré-lakfase naar het toilet gegaan of had ik tenminste een jurkje (liefst zonder slip…) aangedaan ipv een redelijk strak zittende spijkerbroek…

Toen ik uiteindelijk niet meer kon en dacht dat het wel kon, nam ik de grote stap om mij toch maar te ontkleden. Het was duidelijk te vroeg. Ik was er nog niet klaar voor… en na de hijspartij duidelijk onherstelbaar beschadigd. Mijn duimnagels in ieder geval. Maar met wat goedgeplaatste renovatiearbeid kreeg ik beide weerbarstige nagels toch nog weer in het gareel.

Opgelucht haalde ik adem. Totdat man binnen kwam stuiteren. Hij was klaar met de rest van de beruchte oprit en nu moest alles hup hup hup opgeruimd worden zodat hij er met de vasttrilplaat (ik weet nog steeds niet hoe zo’n ding in ’t nederlands heet) overheen kon huppelen. Of ik even die steenresten daar en die reststenen hier allemaal weg kon ruimen terwijl hij de aanhanger haalde. Tuurlijk, doe ik toch. Ik sjouwde stenen naar hun tijdelijke rustplaats, bezemde snel de hele verhipte oprit en hielp de zware diamantzaag weg te zetten. Vervolgens laadden we samen nog even 10 europaletten op de aanhanger want die moesten terug naar de bouwmarkt. Null problemo. Kan ik.

Maar helaas niet zonder mijn versgelakte nagels tot miniatuurberglandschappen te verworstelen (ja dat is een Austrianisme: verwurschteln klinkt duidelijk beter). Ik zuchtte, keek meewarig naar de ruïnes van mijn franse nagelverzorgingskunsten en pakte de fles aceton er maar weer bij. Waar zou een vrouw zijn zonder aceton…

French Manicure brengt duidelijk enkel ongeluk dus nu zijn ze roodkoperkleurig gelakt. Hopelijk zijn ze dit keer droog voordat ik zometeen man mag helpen om die trilplaat van de aanhanger af te sjorren. Oh kijk, daar zul je ‘m hebben.

Voor de komende maanden heb ik alweer helemaal ’t lak aan dat gelak.

 

Goed dan. Ook hier nog een kleine naschrift:
De lak is er alweer af. Ik heb vandaag een flinke lading aceton (nah jahhh ‘nail polish remover’ met een mooie drie woorden) erdoorheen gejaagd maar nu zijn ze voor de 3e keer blanco vandaag. Ik ga vanavond, als ik echt NIX meer hoef te doen behalve typen (en dat kan ik met verse nagellak), nog één poging wagen. En als die niet lukt, hou ik ’t voor gezien met die nagelonzin. Ik heb er nu echt helemáál falikant ’t lak aan.