Rommelhoek

Het blog van een zeer gewaardeerde medeblogster zette me ineens aan ’t denken. Het feit dát ik er over nadenk, is al veelzeggend want het geeft aan dat social media voor mij nog steeds heel belangrijk zijn. En dan vooral facebook. Ik heb daar al ‘ns eerder over geschreven (over SocMed in het algemeen en wat het voor mij betekent en doet. Zo ergens eind 2011 was dat) maar bij tijden heb ik een aanval van opruimwoede en momenteel zit ik ook in zo’n fase. Dat kan real life opruimen zijn (wat zeldener voor komt) of 2.0-opruimen (wat ook geen regelmaat is, maar toch iets vaker). Want zeg nou zelf, wat wíl je van deze media? Moet de halve wereld wel weten wat mij bezig houdt? Wat wil IK van deze media? Waarom ben ik er te vinden? Hoeveel ‘vrienden’ op facebook ken ik écht? En hoe geïnteresseerd ben ik werkelijk in ze? Moet ik alles van iedereen altijd bij houden, op gepaste tijden op “vind ik leuk” klikken en voorallll hun verjaardag niet vergeten?

Nee. Moet ik niet. Als ik het leuk vind of er zin in heb, doe ik dat. Maar mijn visie op facebook (en de rest van de social media daarmee gemakshalve even over één kam scherend) is klaarblijkelijk een andere. Het is mijn rommelhoek. Mijn knutselschuurtje waar iedereen, die ik een sleutel geef, in kan en rond mag koekeloeren en -wroeten. Met die sleutels ben ik niet al te selectief maar ergens toch ook wel weer een beetje. Zo wil ik bijvoorbeeld niet al teveel met ‘jonge familie’ (lees: achterneefjes en -nichtjes) bevriend zijn. Ik ben nogal van de ehm… zwartgallige cq. sarcastische cq. volwassenenhumor en laat dat nou net geen familiekant van me zijn… Mijn directe nichtjes heb ik nog wel te facebookvriend maar ik weet niet hoe dat gaat worden als ze daar ook daadwerkelijk meer aanwezig zijn en mee gaan lezen. Sowieso ben ik eigenlijk niet/nauwelijks met kinderen ‘bevriend’. Ook kinderen van vriendinnen accepteer ik o.h.a. niet. Ik heb ook mijn donkere kanten zeg maar.

Maar verder is het dat wat het is: een rommelhoek waar ik met enige regelmaat hele leuke dingen (terug)vind. Mensen van vroeger, humor, mijn draad met Nederland, leuke nieuwe mensen die ik via via leer kennen, mooie foto’s, updates, snelle conversatie, een hoop lol en af en toe zelfs een beetje liefde. Ik vind ’t gewoon lekker.

Voor zover ik weet heb ik m’n privacy-instellingen op orde, post ik heel weinig tot geen (herkenbare) foto’s van mijn kinderen, noem ik hun namen niet bij foto’s (en sowieso het liefst zo weinig mogelijk), heb ik het daar nooit over mijn relatie(s) want dat zou me niet in dank afgenomen worden en probeer ik me redelijk fatsoenlijk te gedragen (nou ja, het zijn goede pogingen, toch?) Ik post m’n blogs, ik knuffel en zoen wat af (virtueel dan) en blijf een beetje op de hoogte van de mensen die me lief zijn. Maar verder neem ik het geheel niet al te serieus.

Maar juist daarom vraag ik ’t me dus af: moet ik daar nu echt maar eens op gaan ruimen? Die mensen er uitknikkeren die ik éigenlijk niet echt ken? Waar ik minder tot weinig contact mee heb? Nóg selectiever zijn bij het accepteren van vriendschapsverzoeken? Bang zijn dat ik toch teveel zeg en te open ben? Ik ben tot nu toe als zelfstandige werkzaam en ik vrees dat ik ook nooit echt meer in een werknemerspositie zal komen dus voor een potientiële werkgever hoef ik me ook niet echt in te houden (wat ik trouwens wél doe, u moest ‘ns weten, ghehheh). Overigens waren (zijn) er wel degelijk bepaalde mensen die mij vreselijk irriteerden of die ik ergens toch een beetje ‘eng’ of te opdringerig vond en die ik er dus wel uit gesodemieterd heb. Maar om het nou echt “uitmesten” te noemen, nee…

Ik laat ’t nog maar even zo.
Dat verfoeide Facebook.
Mijn knutselschuur.
Mijn rommelhoek.
Waar ik steeds vind
Wat ik niet echt zoek
Opperste vlakkigheid,
Lul-, ontbijt- en lariekoek.
Liefde, lol, mooie dingen
‘t-Is één groot feestboek.
Mijn knutselschuur.
Mijn rommelhoek.

extractors

fout gedacht

Elke avond steeds opnieuw
geef ik  jou een mega duw.
In de afgrond oh zo groot
stort ik jou in de eeuwige dood.
Hang ik je vol genoegen op
aan m’n zelfgevlochten strop.
Snijd ik je keel zomaar door,
met een mes je hart doorboor.
Haal ik de trekker lekker over
die knal, een echte oorverdover.
In de kiem word jij gesmoord,
want jij bent NIET prettig gestoord.
Precies wat ik altijd al verwachtte,
jij rottige, negatieve gedachte…

Katten en muis

Gisternacht, kwart voor twaalf. Ik was al halverwege de trap naar boven, op kousevoeten en moemoemoe. De hele avond waren onze katten al in de weer geweest, onrustig, een hoop herrie makend. Ik keek er niet meer van op. Maar nu ineens spitste ik daadwerkelijk toch even de oren.

Gestommel in de kelder. Gesis. Heel zacht gepiep.
Ah neeeee hè…
Niet weer…
Wel weer.
Een muis. De kat (Koschka) had een muis mee naar binnen gesleept. Een heel erg levende muis welteverstaan. Normaalgesproken zijn die beestjes (half) dood als ik ze vind, maar ook een levende exemplaren heb ik in ’t verleden al in onze kelder gesignaleerd maar die waren tot nog toe binnen no time gecopperfield (foetsie). En ik heb ook al eens een heleboel grijze veertjes gevonden… Zo langzaamaan raak ik gewend aan die half uitgekauwde of uitgekotste veldbeesten: plastic zakje over je hand, de boel oppakken (niet te hard knijpen, yuckkk), zakje eroverheen stulpen, dichtknuppen en in de kliko. Net hondenpoep. Maar levende beestjes, daar moet ik toch steeds opnieuw aan wennen… Die kan ik niet zomaar in de kliko mieteren :-S

Onze katten krijgen duidelijk teveel te vreten: de meegebrachte trofeeën dienen enkel nog voor het vertier. Met een welgeplaatste pootzwieper vliegt ’t beestje van de ene hoek naar de andere en de kat schiet vergenoegd erachteraan. Even de tanden erin (niet te hard bijten), poot erop (niet te hard drukken) en whoppaaaa daar vloog weer een grijs bolletje naar de andere kant. Dit keer was het muisje echter de sauna in gevlucht (deur open laten staan, dom dom dom…) en was daar nu samen met Koschka de weldaad van een koud damphok aan ’t bestuderen. En dát hoorde ik dus. Naar beneden gelopen en de situatie meteen scannende deed ik de saunadeur dicht. Inmiddels kwam kat nummer twee (Kitty) ook beneden en zat aan de andere kant van de saunadeur toe te kijken. Toen de muis een moment van het deurricheltje af was, heb ik haar er ook maar ingelaten, konden ze samen even lekker muisdollen. Ik hoopte op deze manier het beest wat sneller uit zijn lijden te verlossen (m.a.w. dat één van de beiden iets sneller toe zou bijten). Maar nee, het werd een gezellig potje muistennis. Uiteindelijk was de muis zo suf dat-ie enkel nog in het midden zat te wachten op de volgende zwieperd. Toen kon ik ’t niet meer aanzien en heb ’t beestje gepakt om ‘m naar buiten te gooien (bovendien wou ik eindelijk ‘ns een keer naar bed. Muistennis is saai om naar te kijken). De katten denderden achter mij en hun afgepakte speelgoed aan de trap op. Ik gooi ’t beest de voordeur uit en de katten schieten er achteraan. Deur dicht, klaar.

Eigenlijk had ik de muis dood moeten slaan want zó werd het lijden nog langduriger en overleven zou hij dit geheel sowieso niet (total shock, kapot gekauwde staart, van hersenbloedinkjes etc. maar niet te spreken). Maar ik kon het niet… Zo’n klein warm diertje, dat ratelende hartslagje, die kleine kraaloogjes die me aankeken…) In de hoop dat de katten ‘m nu toch maar snel op zouden vreten ging ik tanden poetsen en handjes wassen (jaja, was nodig). Nog geen 5 minuten later hoorde ik wéér gestommel in de kelder. En jawel, daar zat Koschka weer met haar voetbalmuis. Fijn, die katten. Echt heerlijk.
*duizend bommen en granaten vloekend*

Nu was ik het zat, heb de kat met muis en al hardhandig opgepakt, het beest uit de bek getrokken, de kat bij de voordeur naar buiten gesodemieterd en de muis met een enorme boog een heeeeeeeel eind het grote veld, dat 20m achter ons huis ligt, in gegooid (het was volle maan dus ik kon zien waar ik ‘m naartoe keilde. En het veld is een halve kilometer breed dus dat kon haast niet missen). Daar mocht hij naar hartelust en in alle waardigheid sterven wat mij betreft (als-ie z’n boogvlucht überhaupt al overleefd had).

Kattenluik op slot.
Slapen.
Eindelijk.

Duuts veur boet’nlaanders

Mit, nach, bei, seit, von, zu, zuwider, gemäß, gegenüber, nebst, samt, nahe, binnen, entsprechend, entgegen, außer, aus.
Datief (derde naamval)
.
Durch, für, ohne, um, bis, gegen, wider, je.
Akkusatief (vierde naamval)
.
Oberhalb, unterhalb, außerhalb, innerhalb, halber, abseits, jenseits, diesseits, zwecks, angesichts, infolge, aufgrund, anhand, kraft, trotz, wegen, zwecks, zuzüglich (en nog een paar meer)
Genitief (tweede naamval)
.
An, auf, hinter, neben, in, unter, über, vor, zwischen.
Datief OF accusatief (wo? wohin?)
.
Kent u die rijtjes nog? Kunt u ze ook nog opdreunen? Ik zal hier en daar vast nog een paar voorzetels vergeten hebben maar in principe ken ik ze nog. Nou ja, een beetje dan. Die van de derde en vierde naamval in ieder geval. En dat zorgt altijd weer voor amusante gezichten bij de oerduitstaligen. Bij hen zit dat er van de geboorte af aan gewoon in: dat zijn geen dingen waar je over na hoeft te denken, dat ís gewoon zo. Als je dan een rijtje als bovenstaande opdreunt omdat je wilt laten zien, op welke brachiale wijze JIJ duits hebt moeten internaliseren (omdat het zo’n kl…taal is om te leren), vallen ze bijna van hun stoel van verbazing. “Dat hoef je toch niet te léren?? Dat IS toch gewoon zo?? Dat voel je toch?” Ja, nu onderhand wel. Na een kwart eeuw duits praten doe je het meeste inderdaad automatisch, zonder nog de rijtjes af te lopen om uit te vogelen welke naamval je moet hebben. Maar dat duurt langgggg…
.
Het grappige is, dat ze het zelf ook regelmatig hartstikke fout doen. Als je er op let, merk je dat het automatisme ook regelmatig te wensen over laat. Ik, als buitenlander met al mijn ingestampte grammaticaregeltjes, naamvalrijtjes en uitzonderingen, word op school- en ouderverenigingsvergaderingen altijd tot notuliste gebombardeerd. Ik corrigeer de brieven en presentaties van mijn duitse bedrijfspartner, ik schrijf de brieven en officiële emails voor m’n man. Duits is voor duitstaligen duidelijk óók moeilijk, vooral de declinaties en verbuigingen.  Maar daar is een al eeuwenoude remedie voor: het dialect. Slik waar mogelijk de laatste letters in en je hebt nergens last meer van. Der/dem/den wordt “de”, dir/dich/die wordt allemaal “die”. Das/des/dessen wordt allemaal “de(e)s”. Enzovoort. Suit yourself. De jeugd van tegenwoordig maakt ’t zich nóg makkelijker en schrijft nu ook alles in Mundart. Op facebook zie ik geen normaalduitse zin meer in de conversaties die mijn nichtjes voeren. Wordt maar ‘ns wijs uit ’t volgende:
(een willekeurige fb-conversatie, beetje ingekort en de 486 smilies/hartjes/XXX voor het leesgemak er even uit verwijderd)
joaah….bin sooooo happy
i ah! wie ma des woi gschofft hom…!
deng mas ah…
des warad so geil won wia gemeinsom spün kinadn…!
hapts es gschofft?
suppa! es sats oba a echt guuad
es sats unsane vertreda!
wissts a scho was fir a rolle?
igfrei mi scho so
wiad sicha voi gail.
Ik vond dit dus ronduit indrukwekkend…
.
Ten eerste wordt niets meer met een hoofdletter geschreven, wat ik op zich niet zo slecht vind (dat gestoorde hoofdlettergedoe bij alle zelfstandige naamwoorden werkt op de zenuwen) maar aan ’t begin van ’n zin hoort ’t dan toch wel weer, vind ik… Ten tweede is moet elke zin hardop uitgesproken worden voordat een normaalsterfelijke kan bevatten wat er staat. Ik kan bovenstaande na een kwart eeuw oefening wel lezen en begrijpen, maar dit valt voor mij toch wel onder de noemer ‘taalmishandeling’…
.
Nog een paar leuke raadseltjes voor de enigszins duitssprekenden onder u.
Word hier maar ‘ns uit wijs:
Da Fink sogt zan Zeisal und’s Zeisal zan Fink: in d’Stodt fliagn ma ned eine, weils do goa a so stinkt.
Dea Bua dea hod zwoa lingge Hendd. Dös wiad gonz sicha a Schdudendd.
Fuat in da Fria, hoam auf d’Nocht, so hods mei Voda imma gmocht. Fuat auf d’Nocht, hoam in da Fria, joa so mochans mia!

Denk je dat je enigszins duits kunt, kun je wéér compleet overnieuw beginnen.
Op onze vrijgezellenavond heb ik de test van de natives in elk geval cum laude doorstaan.
Misschien wordt ’t dan toch ooit nog wat met die oostenrijkse integratie van mij…

(NB: Vertaling van bovenstaande enkel op veelvuldig verzoek).

Dingen

Denken over de dingen maakt dat ze meer dingen denkt. Dingen die er niet zijn maar toch zijn ze er ineens omdat ze ze tot leven denkt. Waarom niet gewoon de gedachten in de kiem smoren. Niet denken. Geen dingen meer ongewild reïncarneren. Het wil niet. Hoofd stroomt over, vingers glijden over het toetsenbord. Wat is ze blij met haar Scheidegger-diploma voor tienvingertypen. Wat had ze als dertienjarige een gloedhekel dat loodzware, met bontgekleurde knopjes bezaaide ding. De oefeningen. De lessen. Saaier dan saai. Maar wat hemels is het nu om zonder naar het toetsenbord te kijken neer te kunnen zetten wat er in haar op komt. Eerste gedachtes. Tweede. Derde. Ontelbare. En met die gedachtes ook de dingen. Nee, geen Tommyknockersdingen, zo erg is ’t niet. Maar de zwartheid die alles opslokt. Meer een Fog. Ja, zelfs Stephen King-fan is ze. Ook dat nog…

Dingen.
Waarom gebeuren ze.
Overkomen ze.
Zijn ze soms toevallig.
Of onbegrijpelijk.
Worden ze gedaan.
Zijn ze niet eerlijk.
Of überhaupt nodig.
Wat nou Lord of the Flies…
(oh Bruno…)
Dirigent van de Dingen, dát wil ze zijn.

Raar woord ook. Dingen. Er zit eind in… En gein. En enig. Het enige dat ze geinig vindt, is het eindige van al die dingen. Niks is voor eeuwig. Stel je voor dat dingen oneindig zouden zijn. Waar zou de ellende dan ooit stoppen… De ellendige dingen die ze niet weg kan troosten. Niet goed kan knuffelen. Niet weg kan typen. Niet uit kan vagen met correctielint. Of met een delete-knop. Die dingen zouden er dan voor eeuwig zijn…

Maak van die ene -n- een -i-?
Toe,
maak het
eindig

Zondagsuitje

Zondag. Prachtigmooi weer. Niks in de planning. In dat geval voelen wij ons ouders geroepen om ‘even iets leuks’ te gaan doen met onze koters. Bij voorbaat buiten.

Nu hebben wij de mazzel dat we hier in de buurt een zogenaamd “Motorikpark” hebben, een soort speeltuin voor kinderen en volwassenen met allerlei klim-, evenwichts- en balanceertoestellen. Het is buitenaf, bij een klein dorpje met de naam Lungitz. De toestellen zijn rond een mooi meertje geplaatst, je kunt er leuk om-/doorheen wandelen en de kinderen kunnen ondertussen vanalles uitproberen. We zijn er al vaker geweest en het noemen van dit uitstapje zorgt meestal voor enig gejuich, wat bij onze kinderen eigenlijk een zeldzaamheid is. Dus: op naar het motoriekpark.

Afijn. Aldaar balanceren de kinderen vlijtig in ’t rond. Man natuurlijk ook. Ik ondersteun daar waar nodig is, het ene kind over het touw, het andere over de wiebelbank. Na een kwartiertje lopen we verder naar het achterste gedeelte waar een soort evenwichts- en rondrenparcour in ’t bos is. Én een kabelbaan waar je aan moet hangen, de zogenaamde Tarzanbaan. De kinderen vechten erom wie als eerste mag en natuurlijk wint dochter dat.

Ze trekt de ‘wagen’ aan ’t touw omhoog naar het startpunt, springt, grijpt de stang en suist naar ons toe. “Wiiiiieehhhhh!!!” gilt ze nog. Tot het ding tegen de stopper dendert. Geen vering, gewoon full and total stop. Volgens mij was dit vroeger anders, er mist iets van een veer, lijkt ‘t. Een normaal mens kan dan niet blijven hangen (man (athletisch gebouwd!) heeft ’t later ook nog even uitgeprobeerd en had er bij de stop duidelijk moeite mee om niet los te laten en er normaal af te springen) en ook dochter schiet dus met volle vaart door en landt vanaf circa anderhalve meter hoogte met een gigantische opdoffer pontificaal op haar achterste.

Ze kon niet meer ademen, steunde, kreunde en hapte naar lucht, ging instinctief in de foetushouding op de drassige grond liggen. In eerste instantie moest ik  – stupid me, bad mom –  enorm lachen want het zag er echt zo ontzettend koddig en blooperachtig uit. (Man moest ook lachen. Tjee. Foei. Bad dad!) Maar al heel snel zag ik toch de absolute ernst van de zaak in. Na een eeuwigheid vond ze ineens haar adem terug en brulde het uit. Ze krijste alles bij elkaar, kon niet meer op haar benen staan. Man heeft haar (ons 33kilopummeltje) uiteindelijk het hele eind terug naar de auto gedragen en enigszins gepikeerd en ongerust reden we terug naar huis.

Onderweg heb ik man nog even zó dermate weten te irriteren (ik was het – geheel terecht!! – weer ‘ns niet eens met zijn rijstijl (veel te snel, te gevaarlijk in de bochten met wandelaars, te veel door de hobbelberm etc.)) dat hij abrupt op het landweggetje stil bleef staan, uitstapte en brulde dat ik dan maar moest rijden als ik ’t zoveel beter kon. Prima, dat wou ik zelf eigenlijk ook veel liever. Stoïcijns liep ik naar de bestuurderskant, de blikken van de voetgangers stug negerend, en reed keurig en beheerst naar huis. Thuis dochter eerst maar ‘ns twee paracetamols en een beker warme chocomelk gegeven. Languit op de bank, de rug licht gemasseerd en gestrekt.

Het gaat nu enigszins, zolang ze verder niet beweegt. Maar bij iedere beweging kermt ze van de pijn. Ik vermoed dat ze ergens in haar rug en bij haar stuitje de boel behoorlijk verstuikt heeft. Ik hoop dat dat ‘alles’ is, ze lacht inmiddels alweer een beetje en ligt nu languit op de vloer te tekenen maar misschien moeten we morgen toch nog maar even naar de dokter…

Altijd weer fijn, die zondagsuitjes van ons…

.

PS: ik heb natuurlijk al lang en breed een email naar de voor het park verantwoordelijke gemeente gestuurd. Niet dat jullie denken dat ik dit niet meld en gewoon lekker het volgende kind op zijn/haar stuit laat donderen. Ik heb braaf luid en duidelijk deze misstand onder de aandacht gebracht 🙂

Piekerhoofd

6:20h AM – Ik maak m’n zoon wakker. Bij de eerste aanraking schiet hij omhoog en mompelt: “ik heb over een aandrijving gedroomd. Je zet een magneet hier en eentje daar, dan monteer je een metaalplaatje hier en daar en dan stoot het daar af en trekt hier aan [hij tekent met zijn ogen dicht een denkbeeldige cirkel in de lucht en prikt daar waar alles moet zitten] en dan draait-ie. Dan heb je dus een perpetumobilee.” Goh… Ik ben even beduusd. Ah ja. OK… Met de korrekte uitspraak (laat staan schrijfwijze) van Perpetuum Mobile zal ik ‘m nog maar niet vermoeien. Eerst wakker worden.

11:30h. School uit. Vrijdag. Weekend. Hij dendert de aulatrap af en komt breed grijnzend op me afgestommeld, mij z’n schooltas in de maag splitsend. “Ik heb heel, hééééél rottig Duits-huiswerk!” Fijn. Ik verheug me er nu al op. Eerst maar eens wat eten. Gekookte volkorenrijst met suiker. Hoeveel meer koolhydraten kan een kind nog vragen? Bij hem maakt ’t me niet uit: áls hij maar iets eet want hij is zo mager als zijn uitgumbare balpenvulling. De rijst naar binnen werkend pakt hij zijn rekenhuiswerk. Dat is leuk want dat kan hij zonder hulp en redelijk vlot.

13:30h Langzaam komt de rest van de sores uit z’n schooltas. Duits. Rottaal om te leren. Hij leert het net zo als ik het heb moeten leren: als een buitenlander. Het ‘moedertaalgevoel’ zit er niet in. Totaal afwezig. Ach, laat dat ‘moeder-‘ maar weg eigenlijk…

Een stukje tekst over de oertijd (“ahh interessant!“): De ‘perfect’-vormen (voltooid verleden tijd)  in de zinnen moeten eerst onderstreept worden en vervolgens in de ‘preteritum’-vorm (verleden tijd) in het schrift geschreven worden. Ik denk nog: “ach, laat ik hem nog maar even niet inlichten over de plusquamperfect en de futurII…”

Ik zie zijn schouders langzaam naar beneden zakken. Hij kijkt me vragend aan, met van die droevige oogjes. “Ik snap het niet… ik snap het écht niet…” Ik probeer het hem uit te leggen, zoek á là minute voorbeelden op het internet waarmee ik hem de werkwoordsvormen wat beter uit kan leggen. To no avail. Ik zie de rode vlekjes opdoemen in zijn gezicht en hij kijkt me door een waas aan. “Waarom?? Wáárom kan ik dit niet? Wáárom zíe ik het niet??” En dan komt de huilbui. Ik huil maar weer eens met hem mee. En duw tegelijkertijd zijn Duits-schrift aan de kant. Dat doen we morgen wel. Nieuwe dag, nieuwe kansen. Over twee weken is het grote Duits-grammaticaproefwerk en ik hou mijn hart vast. Opstel schrijven was gisteren en aangezien hij zelf niet al te enthousiast over zijn eigen schrijfsel was, neem ik aan dat ook dat redelijk catastrofaal uit zal vallen.

Nu eerst maar ‘ns drumles en afreageren.

Hopelijk helpt het een beetje om dat oh-zo intelligente maar oh-zo piekerende kinderhoofd van hem te luchten…

Besprongen, bespoten en gekraakt

Lekkere titel. Toch?
Krijg ik vast een heleboel nieuwe lezers mee.

Awel, mijn ochtend was erdoor gekenmerkt dus ik mag dat. Ik had namelijk rugpijn. Bere-rugpijn, al maanden. Steeds erger,
ondanks massagestoelmat, rugspieroefeningen en rust. Deze week was het zo erg dat zelfs het ademen af en toe pijn deed. Ik was al weken bang dat ik een hernia zou hebben (het zat rechts onderin de rug én links bovenin de schouder dus ik liep inmiddels al redelijk scheef cq. gebocheld en voelde me inmiddels meer 81 dan 41), vermoedelijk het resultaat van de-elf-tonstenensjouwerij van de oprit, eind augustus. Ik ben daar niet voor gemaakt blijkbaar. Maar buurvrouw wist raad: “ga dan eens naar sportarts S!” Die had (de rug van) haar man ook al succesvol in één behandeling weer in ’t gareel gespoten. Braaf afspraak gemaakt en die was dus vanochtend.

Na het nodige PC-papierwerk mocht ik me uitkleden. Joepie. Eerst een staand onderzoek, dat viel nog mee. Toen moest ik overdwars voorover op de behandeltafel gaan liggen (niet bepaald een onsuggestieve houding :-S) en onderzocht hij zo mijn rug. De pijnpunten waren al snel gelokaliseerd. Geen wonder: als je er lichtjes op drukt, gil ik ’t al uit. Ik schrok toch enigszins omdat de edele heer zomaar ineens, zonder vooraankondiging (!), op mijn rug ging zitten, knieën aan weerskanten van mijn achterwerk op de behandeltafel. Ehhhh PARDON??? Zulke onderzoeksmethodes kende ik nog niet… *slik* Gelukkig was hij enkel vol goede bedoelingen, kraakte hij bepaalde delen van mijn rug (ongeveer boven, midden en onder, in die volgorde). Pohhh fijn is anders, moet ik toegeven. En ietwat ongemakkelijk voelde ik me toch wel, met zo’n dokter op m’n achterste.

In mijn rug zijn volgens hem een aantal spieren compleet verstard en steenhard, kunnen blijkbaar niet meer ontspannen (in fully, utter and total shock na de opritaffaire). Zeker geen hernia dus geen nood, injecties doen de trick. “Blijft u maar zo voorover liggen mevrouw, ik verdoof het lokaal een beetje en dan krijgt u drie spuiten.” Wel, u doet maar, mij zal alles worst wezen als het maar beter wordt. Twee spuiten in de onderrug, één in de schouder. Die laatste was vreselijk venijnig, daar moest ik wel even van ehm… zuchten.

Een jumbodoos spierverslappers op recept, een mooie artsenbrief (voor mijn ‘werkgever’, zodat ik me ziek kan melden hahaha. Ik zal ‘m in een mooi envelopje doen en dan aan mezelf geven) en wat extra vocht in ’t lichaam rijker mocht ik weer gaan. Oh ja, een folder over de allernieuwste zelfontwikkelde voedingsstrategie en -producten om af te vallen kreeg ik ook nog in de handen gedrukt want ik ben duidelijk overgewichtig. I know, meneer de dokter. Niks  nieuws onder deze zon…

Voorlopig zal ik ‘s-avonds wat minder lang ‘actief’ kunnen zijn want die spierverslappers maken je zo ongelooflijk moe dat je redelijk snel omkiepert en minstens 8 uur slaapt (en als je er nog een glas wijn achteraan mikt, raak je zo ongeveer bewusteloos volgens meneer de dokter, dus dat doen we dan toch maar niet…) Maar als ik om 6AM op moet staan, moet ik dus uiterlijk om 10PM een pil nemen en m’n nest in. Bij deze weet u dat. De komende weken geen middernachtsblogs en ander laatavonds geneuzel van mij meer.

Ik voel me best wel redelijk kapotgekraakt eigenlijk…

(…en hondertwintig euro’s armer, dat ook. Contant betaald van m’n verjaardagsgeld. Mezelf een nieuwe rug kado geven. Kan ik.)

Vobbele

Dinsdagavond. Championsleague-avond. Ik snap er letterlijk de ballen van. Wie speelt nu waarvoor? UEFA-cup, Championsleague, de 28e Divisie, Huppeltrut-Liga, allemaal één pot nat. WK’s en EK’s, dáár kan ik wat mee. Dan weet ik tenminste nog om welke koek ’t gaat. Maar de rest is voor mij enkel een hoop groen met kans op mooie benen.

Ik snap voetbal als sport op zich wel hoor. Ik zal wel moeten. Ik ben ‘officieel’ trainster bij de voetbalvereniging, inclusief gesponsord voetbalpakkie. Maar on the other hand, ik train de allerállerkleinsten: van 4 t/m 6 jaar, samen met nog 3 andere dames. Da’s gewoon leuk en vooral heel erg lollig. Van voetbal kun je niet echt spreken, hooguit het laatste kwartier chaosvoetbal met drie teams, drie doelen en (minstens) drie ballen in één veldje van 20 bij 20 meter. En een lol dat we hebben (ja, WE, wij ouwetjes doen o.h.a. gewoon lekker mee, dat kwartiertje). Doeltrappen mogen ze natuurlijk ook, onze bambini’s, waarbij wij dan in ’t doel staan en ze vreselijk hun best doen om vooral ONS te raken i.p.v. iets suffigs als een doelpunt te maken. Lou in d’r waffel schieten, dát is pas écht leuk voetbal.

Juventus tegen Chelsea daarentegen (momenteel op de beeldbuis) is een nogal Asamoa-geconcentreerd gehobbel. Veel ogen-en-neus-wrijvende Chelsea-spelers. Ze hebben niet voor niks blauwe tenuetjes aan, dan vallen de blauwe plekken niet zo op. En ’t past mooi bij de gele kaarten. Dat ook.  Ik blijf ’t een saai iets vinden om naar te kijken. Tenzij Nederland voor ’t WK/EK speelt. Of Oostenrijk (whaaaaaaaaaaaaaahahahahah geintje).

Laat ze maar lekker vobbele, die mennekes.
Als ze maar wel hun benen fatsoenlijk ontharen.

Klein leed

“Mam, ik moest net weer ergens aan denken maar eigenlijk gaat ’t me niks aan…”

Huh… Wat nu weer. We zitten bij ’t middageten (het warme eten in dit deel van Europa). Ik heb net hoogstgeïnteresseerd gevraagd hoe het was op school en kreeg prompt de geijkte antwoorden “ohhh saai” en “oooh goed” (zoon resp. dochter). Ineens flapt zoon er dan zo’n zin uit. Slaat zijn ogen neer en peutert wat rond in zijn gebakken aardappeltjes. Dan weet ik al hoever het is: er is weer iets gebeurd. Hét moment om even door te boren.

“Als je zoiets zegt, wil je het duidelijk wel kwijt lieverd, dus wat is datgene wat jou dan eigenlijk niks aangaat?”
“Hmmm. Nou niks hoor…”
“Ik zie toch dat je iets dwars zit… wil je het echt niet vertellen?”
“Nou… B. heeft op school zijn verjaardagsuitnodigingen uitgedeeld. En ik heb er geen gekregen…”
Licht trillende onderlip waar stevig op gekauwd wordt. Bedremmelde blik.

Laat B. nou net één van de jongetjes zijn, waar zoon tot voor kort redelijk goed mee overweg kon en waar hij wél ieder jaar uitgenodigd werd. Maar B. is ook populair, zit in ’t klassenbandje (wat geen zak voorstelt maar waar wel alle populaire jochies in  samenzweren. En waar zoon een maand of anderhalf geleden zonder omhaal uitgeknikkerd werd omdat ze een betere drummer hadden gevonden), is een slimmerik, snelleers en vooral: übercool. In tegenstelling tot zoon. Wat waar  is, is waar. Op zoon’s vraag wat B. daar uitdeelde, antwoordde deze enkel bot: “gaat je niks aan” en dat heeft hij geregistreerd: het gaat hem eigenlijk niks aan.

Ik zucht een keer. Jammer. Maar het is niet anders: ik kan het knulleke moeilijk verplichten om mijn “ietwat afwijkende” zoon in het kader van de sociale medelevendheid uit te nodigen. Dus volgt er weer een licht pedagogisch gesprekje: “Lieverd, je bent een bijzondere jongen maar je kúnt niet door iedereen aardig gevonden worden. Jij vindt zelf ook niet iedereen even lief en die dingen veranderen ook: iemand waarmee je vorig jaar nog goed op kon schieten, vind je dit jaar misschien wel helemaal niet te pruimen. En omgekeerd kan dat ook…” En daarnaast heb ik hem natuurlijk uitgelegd dat B. waarschijnlijk maar een paar jongetjes uit mocht nodigen van zijn mama en dus ook gewoon móest kiezen. Dat je dan niet binnen die keus valt dit jaar, niet langer in ‘the inner circle’ zit, is jammer maar niet onoverkomelijk.

Zoon ziet dat momenteel nog even anders. Je ziet ’t malen in zijn hoofd. Hij is lichtgeraakt en af en toe glanst er even iets vochtigs in zijn ogen. Het doet hem wat. Ook al wil hij dat niet laten blijken. Veel zelfs. En mij ook wel, moet ik toegeven. Ik had zo graag ook zo’n populaire, coole, snel-lerende, geliefde, goedmeekomende zoon gehad. Maar éigenlijk ik heb ’t nog beter getroffen. Ik heb namelijk een buitengewoon bijzonder kind.

Maar ook bijzondere kinderen hebben dus af en toe klein leed…

Black and blue

So comfortably numb

after just a split second
of feeling strangely dumb.
It’s quite normal, I reckon…
I wish I were so good.
No, wish I were just better
Never really understood
as to why it should matter.
You wanna be bad.
And so desperately loyal
to someone who had
no clue of my truely royal
sense of admiration
for a person so dull
as if under sedation.
Now banging my skull
against the concrete wall
of ignorant, dull bliss.
A love so incredibly small
Nothing but a major kiss.
What did I ever see
In a person sad as you.
Put you over my knee.
Butt black and blue.

But I’m not allowed to…

(c) Lou

Goddelijke vingers

“ah schat…masseer je m’n nek even, het zit daar echt helemaal vast…”
“neuh.”
“oh.”

OK. Schat heeft duidelijk geen zin in masseren. Niet in nekmasseren tenminste. Daarom heb ik ’t geld maar weer eens in eigen hand genomen en hem gezegd dat hij niet verder hoefde te zoeken naar een verjaardagskadootje voor mij. Zoals elk jaar heeft hij mij dus ook nu weer iets gegeven wat ik écht wil en wat hij dan ook níet zelf heeft hoeven kopen. Valt altijd goed: hoe minder moeite de bok voor ’t huisschaap mot doen, hoe beter. Dat weet ik inmiddels en ik kan daar ook heel goed mee leven omdat ik nu mezelf gelukkig kan maken. En als er iets is wat ik goed kan, dan is het mijzelf de juiste dingen kado geven.

Dit jaar waren dat dus twee goddelijke shiatsu-nekmassagevingers. Vastgemaakt aan een massage-expert met roterende, op wens verwarmde (!) ballen die mijn rug vakkundig masseren, van onder naar boven en weer terug. En voor het ultieme genot kan het onderste gedeelte van deze pro ook nog op commando vibreren… Ik was als een kind zo blij toen mijn pakket er was en heb mijn anytime-anywhere-privé-masseur dan ook meteen liefdevol op mijn computerstoel geplaatst. Vanaf nu (jaja, NU ook) zit ik te pas en te onpas braaf op zijn gewillig trillende, warme schoot… De eerste dag was ik nogal onstuimig en hebben we ons duidelijk toch iets te lang samen geamuseerd. Ik had daarna drie dagen lang een beurse rug en nek maar we leren elkaar nu langzaamaan steeds beter kennen en waarderen. Ik ben duidelijk een getalenteerd schootzitster.

Mijn massagestoelmat. Wat een uitvinding. Ik heb zo het gevoel dat dit een innige relatie gaat worden. Kijk ons eens gelukkig zijn, mijn Medischrambo en ik… Geen sadomaso- maar een een caromasso-relatie. Ik heb weliswaar niet de Rolls Royce onder de massagedingesen, maar het is onnoemelijk veel beter dan een bokkig knedende man die liever met een bierblikje in zijn hand naar FC Bayern had gekeken.

Nu nog een fatsoenlijke, gewillige, onvermoeibare, tedere rug- en haarkriebelaar vinden.
Anyone?

En toch doe ik ‘t…

Eigenlijk hè…
Eigenlijk wil ik helemaal niet.

Ik wil niet koffiezuipend achter de laptop zitten.
Ik wil geen TODO-lijst met 268 things to do voor m’n neus.
Ik wil helemaal geen megavette boer laten.
Ik wil niet sloom en willoos door ’t leven dartelen.
Ik wil vanavond niet naar die ouderinformatieavond.
Ik wil dat stuk chocola niet in mijn mond stoppen. Echt niet!
Ik wil geen balansen voor jaarrekeningen op moeten stellen.
Ik wil niet maandelijks de prut-Acer van buuf repareren.
Ik wil geen uitgekauwde muizen van ’t tapijt pulken.
Ik wil niet moeten sporten voor m’n gezondheid.
Ik wil niet slapen omdat ik anders dood omval.

Ik wíl niet als huissloof en -slaaf door ’t leven gaan.
Ik wíl niet toekijken hoe anderen onrechtvaardig zijn.
Ik wíl niet niks doen terwijl iemand verbaal afgemaakt wordt.
Ik wíl niet accepteren hoe respect en fatsoen langzaam wegkwijnen.
Ik wíl niet met lede ogen oorlogen aan moeten zien.
Ik wíl niet steeds maar om aandacht vragen.
Ik wíl helemaal geen fatsoensgrenzen overschrijden.
Ik wíl niet aanzien hoe anderen de dood ingepest worden.
Ik wíl niet gewoon maar helemaal niks doen.

Maar ach.
Ik wou ook nevernooitniet opruimen.
En toch deed ik ‘t…

Dus er is nog hoop.

ief ief

Ik ben een hypothetisch heerlijk wief.
Een echt oprechte hartedief.
Ik heb jou zó ongeloveloos lief,
actief als ook iets te passief.
Ik zorg voor jouw gevoelsgerief.
Voor jouw wensen hypersensitief.
Dat werkt soms ietwat destructief
maar ach, zie het nou maar positief:
het is nog allesbehalve definitief.
En ‘heerlijk’ is ook al zo subjectief…
Dan dus enkel maar ‘een wief’.
Heb ik fijn weer een ander lief.
Er is wel een meervoudig ongerief:
Ik ben soms mega-onproductief
en ook zonder zinvol substantief,
met grote haat aan DE kettingbrief.
Dit even oprecht en informatief
en ook een klein beetje narratief.
Zonder enig geloofwaardig motief
ben ik een procrastinatief lekker wief.
Asjeblief, heb je mij nu nog stééds lief?
Dát biedt nog ‘ns toekomstperspectief…

Ach.
Tijd dat ik optief.

Hoogstgevoelig

Ik heb sterk de indruk dat mensen zich er tegenwoordig steeds bewuster van worden dat ze sensitiever zijn dan een paar decennia geleden. Er gaat geen dag (nou ja, week) voorbij zonder dat het begrip hoogsensitief of “highly sensitive” voorbij komt rollen. Het geheel heeft een hoop namen zoals ‘nieuwetijdskinderen’, ‘hoge prikkelbaarheid’, hooggevoeligheid of ‘HSP’ maar jee, wat is dat dan precies? En waarom lijkt het alsof tegenwoordig zelfs het merendeel van de mensen zo hooggevoelig is? Zou zelfs  ik (ik kortdoordebochte, sarcastische droogklotin) het kunnen zijn?

Ik heb voor deze korte, geheel inobjectieve zelfstudie maar eens een klein aantal (tot nu toe 6) van die online HSP-tests ingevuld. Ik scoor grofweg tussen de 86 en de 94% ‘positief’ en ben dus blijkbaar – volgens deze natuurlijk absoluut niet-suggestieve, ongestuurde tests – óók een HSP-er. Met hier en daar een uitzondering: Ik voel mij niet ongemakkelijk als er een hoop om mij heen gebeurt. Ik word ook niet snel overprikkeld door dingen als fel licht, sterke geuren (behalve als ze uit familiaire achterwerken komen), grove weefsels of harde sirenes. Het zal me allemaal worst wezen. Ik consumeer caffeïne als een junk en ben gek op snoeiharde muziek. Ik kan – als ik daar zin in heb – minstens 18 dingen tegelijk doen, ook in opdracht.

Maar ik kan er niks mee. Ik kan niets met het begrip ‘hooggevoelig’ zelf en ook niets met het feit dat zoveel mensen het schijnbaar met mij mee zijn. Ik vind het namelijk niet meer dan een normaal iets. Mensen ontwikkelen zich nu eenmaal. Ze evolueren, niet enkel fysiek maar ook gevoelsmatig. En hun omgeving verandert ook nog eens sterk mee. Méér mensen in de directe omgeving, méér geluiden, méér impressies, méér (al dan niet online) gedeelde gevoelens, méér en vooral ook andere (maatschappelijke) problemen, méér en snellere media, méér geluid, méér verwarring. Dat werkt al sinds decennia op ons in en wij ontwikkelen ons daarnaar (jajaja, ik weet ook wel dat ‘evolutie’ iets van miljoenen jaren is, maar deze huidige ontwikkeling is een emotioneel aanpassingsgerichte en die gaat sneller. Duhhh…) Tuurlijk merk ik snel wat er in een ander om gaat, voel ik aan wat mensen om mij heen bezig houdt, ben ik redelijk emotioneel gevoelig voor verdriet/pijn van anderen, ben ik in groepsverband niet al te assertief (nee echt niet, gek hè) en kan ik informatiestromen heel snel in mij opnemen of me er juist compleet voor afsluiten omdat ’t me teveel wordt. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Maakt mij dat ‘hoog’-gevoelig? Het maakt me menselijk. En misschien gevoelig. Maar zoals ik het nu zie, is minstens de helft van mijn omgeving net zo gevoelig en zijn we met zijn allen gewoon weer doorsneegevoelig. Ik hoor u al roepen: “jamaar, jamaar: soort zoekt soort hè!” Maar ik zoek niks, ik kijk simpelweg om me heen en constateer.

Mensen die hooggevoelig zijn, zijn volgens de onderzoeken van psychologe Elaine Aron vooral  “consciëntieus, loyaal, gericht op kwaliteit en met een hoog inzicht in mensen en processen.” Dat is op zich heel fijn, prima werknemers in mijn persoonlijke werkgeversvisie. Maar er zijn dus inmiddels heel erg veel mensen die deze eigenschappen hebben. Ze zijn daarom voor mijn begrippen niet meer HOOGsensitief, maar gewoon hedendaags sensitief met een eventueel ietwat hoger emotioneel quotiënt… Het is een simpel aangeboren iets, een karaktereigenschap, een menselijke ontwikkeling. Geen stoornis.

Ik wil hier echt niemand mee kwetsen of hordes gevoeligen over één kam scheren. En als je last van je eigen gevoeligheid hebt, is dat zeker geen pretje. Maar het helpt wél als je je bedenkt dat je niet de enige bent (langgggg niet de enige, hele volksstammen zijn inmiddels gevoeliger dan vroeger) en dat het een pure karaktereigenschap is (en dan ook nog een hele goede). De één is verlegen, de ander een exhibitionist. De één is een hork, de ander gevoelvol. De één is sympathisch, de ander empathisch. De één is tactloos, de ander sensitief. It’s just the way it is. Doe er je voordeel mee.

Als we nu allemaal onze zo prachtig ontwikkelde manier van empathisch, liefderijk, medelevend, sympathiek, altruistisch en gevoelvol leven continuëren, kunnen we het op deze aardkloot – voor zolang-ie nog bestaat, wat was ’t ook alweer, nog zo’n 45 dagen? 😛 – heel fijn hebben samen. En piekeren over de hoogste mate van sensitiviteit hoeft niet meer, we zitten praktisch allemaal in hetzelfde schuitje. We feel the same, so relax… Zullen we dat eens doen, mijn lieve hooggewaardeerde, hooggeliefde, hoogstgevoelige medemensen?

Oh, en die überbotte horken die bijvoorbeeld Tim naar de donkere kant gepest hebben, die lopen dus overduidelijk een paar miljoen jaar achter in de empathische sensitiviteitsevolutie. Stelletje ongevoelige kuddedieren. Daar wil je toch niet bij horen. Hoogste tijd voor die lui om eens een beginnetje te maken met de ontwikkeling van bijvoorbeeld een hersenstam met een klein broccolikluitje erbovenop, zou ik zo zeggen, tactvol als ik ben… *kuch*

En nu ga ik even lekker headbangen.

Tacholes(s)

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen:
YESSS!!! WE DID IT!!!
We hebben een thuisreis zonder enige noemenswaardige ellende gehad!!! Negen uur auto zonder files, zonder kotserij, zonder gezeik, zonder brullende kinderen, zonder auto-gezeur, zonder ruzie. Hoe is het mógelijk, zult u zich afvragen. Nou, dat doe ik ook. Ik weet ’t niet. Het is gewoon gelukt. We moesten het door de stortregen (die we wel hadden) weliswaar weer de hele reis zonder Tacho (kilometerteller) stellen, maar daar hebben we naveltje (onze Garmin-navigatie mét snelheidsindicator) voor, dus we wisten wel zo ongeveer hoe snel we reden.

Auwdie had deze week heerlijk vakantie gevierd in de warme garage van m’n ouders. Bij ’t starten voor de thuisreis had-ie dan ook helemaal níets te melden. We waren stomverbaasd. Het beessie wordt duidelijk oud: kou en nattigheid is niet goed voor z’n gewrichten en contactjes, warmte en een droog onderkomen doen daarentegen wonderen. Voor de terugreis had ik even tacheles met ‘m gesproken, dat ’t nu afgelopen moest zijn met dat gemekker en die flauwekul. Blijkbaar werkte het gehoorapparaat van Oudi dit keer goed want alles werkte vlekkeloos (afgezien van de Tacho). Herr Audi liet zijn olievlekken braaf in de kelder van m’n ouders liggen en reed zonder mokken naar huis.

McDonalds was nog wel even een verplicht nummertje onderweg en nu hebben we zelfs vier van die geweldige plastic Robot Bugs á là “speelgoed van het jaar” (hoe bedenken ze het…)  in huis, maar de capuccino van de McCafé is wel lekker. Dus.

Thuis wachtten de Katzi’s (die overigens nu Kitty en Koschka heten) gezamenlijk op ons en waren niet meer van schoot te meppen.

Het was een mooie, goede, fijne en oh-zo-nodige week thuis, bij pap en mam. Ik heb gezien hoe mams opgefleurd is in deze week, hoe goed het – ondanks dat het toch echt nog wel een hoop tijd nodig zal hebben – nu al gaat en ik ben met een gerust hart weer naar huis gereden. Heel veel geknuffeld, gepraat, gekaart, gelachen, verjaardagen gevierd en gewoon lekker bij elkaar gezeten. Ik ben in die hele week niet verder gekomen dan de plaatselijke AH (oh ja, toch wel: één keer met de kinderen en mam naar de speeltuin 10km verderop).
Een thuisweek.
En heel erg essentiële week.
Wat heb ik dit nodig gehad.
Nu kunnen we allemaal weer vooruit blikken.
Verder.
Door.
Bergop.
En hoe.

Uppie

Wat een dag. En hij is alweer voorbij. Mijn verjaardag in Nederland. Voor het eerst in 16 of 17 jaar (ik weet ’t niet meer precies…). In ieder geval eeuwig lang geleden dat ik het op nederlandse bodem vierde. Een megamix van toen en nu.

Een verjaardagsontbijt met m’n lieve pap en mam, met lekkere dingen én sublieme kadootjes op mijn ontbijtbordje. Net zoals vroeger, alleen nu met twee rondspringende kinderen en een man erbij. Mijn grootste rijkdom.

Zoveel felicitaties op facebook en twitter en whatsapp dat ik er echt helemaal flabbergasted van was. Dank jullie wel allemaal, wat een warm bad!!!

Sweet Christie die zomaar langs komt. Voor mij. Met een prachtig boekje met de mooiste zinnen, foto’s en spreuken erin én een verjaardagsmandala die nu daadwerkelijk af is 😉 Love you heaps, prachtig mens dat je bent!!

Mijn oh zo dierbare grote zus die me verwent met allerlei heerlijks, van cake-lollipops tot scrubcrème. M’n lieve nichtjes die met de kinderen ronddollen en lol hebben. Zou zó veel vaker zo moeten zijn.

Mijn peetoom en -tante die spontaan langs komen en gezellig meevieren want zo vaak komt ’t niet voor dat ik mijn verjaardag in Nederland vier. Zulke fijne mensen.

Liefste Heidy die zomaar ineens voor de deur staat, jij gek mens 😀 Jij bent één groot kado, weet je dat? ❤

En nu, nu is het twee november. Alweer een dik half uur. En ik ben klaar met verjaardag vieren. Iedereen is nu naar bed en ik zit hier achter mijn laptop, met het laatste glas wijn uit de fles. Ik. In m’n uppie. Luister naar de nederlandse radio met een Nije Dei en andere oerhollandse songs, maar ook met Jim Diamond en z’n “Should’ve known better” – puur jeugdsentiment. Ik word oud… En ik geniet van de rust. Mam zei daarstraks nog: “je gaat vást nog wel een blogje typen”. En ik ontkende natuurlijk in alle toonaarden: “nee zeg, nu niet meer, kom nou…” – maar kon het toch niet laten. Vandaag was een dag met een gouden randje. Een dag vol liefde. Een dag vol miezerregen, maar ook zó vol warmte…

Ik ben een rijk mens.
Niet meer jarig.
En ook nog lang niet jarig.
Maar ik hoop, dat als ik straks weer ‘ns een keer jarig ben, ik jullie allemaal nog bij me en om mij heen heb.
Mijn wereld is mij lief.
Mijn wereld, dat zijn jullie.

Allemaal.

Kus.