Goede meenemens

Elk jaareinde steekt het gezever weer de kop op: “En? Nog goede voornemens?” Groundhog day in de vorm van een immer op identieke wijze wederkerende nieuwjaarsplanning.

De bijdehante troela antwoordt meteen: “Ja, natuurlijk! Ik neem me voor om me dit jaar helemaal niks voor te nemen! Gaat me lukken! Oh nee, toch niet.” De twijfelaar meent er toch nog even over na te moeten denken, het optimistische type zegt: “JA! Dit jaar ga ik [vul zelf in]!” Dat kan zijn: een paar kilo aankomen, de vuilnis binnen zetten, beginnen met roken, een kind baren, wat minder sporten, lekkerder eten, het wegkwijnende bonsaiboompje snoeien, whatever. En de pessimist bromt: “Natuurlijk niet. Alles wat een mens zich voorneemt, is uiterlijk na twee en een halve week alweer vergeten. Goede voornemens zijn voor losers die al lang weten dat ze de dingen, die ze eigenlijk altíjd zouden moeten doen, sowieso niet doen gedurende de rest van het jaar. Dan maar één keer per jaar – het liefst aan ’t begin – expliciet benoemen, dan heb je dat ook weer gehad. Forget it.”

Eigenlijk is de laatste helemaal geen pessimist maar een realist. Want geef toe: zo werkt het toch? Je weet eind augustus immers net zo goed wat je allemaal zou moeten doen en laten. Daar heb je geen nieuw jaarbegin voor nodig. Maar elke laatste week van het jaar wordt de mens tóch weer mediaal doodgegooid met artikelen over wát er allemaal zou moeten, hóe dat dan moet en hoe dat eventueel langer dan die paar weken vol te houden is. De top drie van nutteloze voornemens is voorgeprogrammeerd.

Met stip op één: “De smartphone het raam uit sodemieteren”. Unpluggen. Afkicken. Want: je smartphone schijnt jou te ‘maken’, te vormen en te kneden tot dat wat je nooit wilde zijn: een schermstarende, grootogige, slape- en libidoloze zombie. Laat ik dat nou zonder mijn (twee…) smartphone(s) ook al zijn. I’m a lost case. Ik ga voor de casting van de Walking Dead. Next!

Nummer twee: “Meer en regelmatig sporten”. Awel, ‘meer’ sporten is niet moeilijk, ik doe momenteel sowieso praktisch niks dus als ik íets doe, is dat meer. Ik ben nu eenmaal geen sportmens: Ik doe enkel verwoede pogingen tot. Elke maand opnieuw. Omdat het moet. Behalve skiën en tennissen: dat vind ik wel leuk. Maar de regelmaat in de uitvoering van deze twee activiteiten is eveneens ver te zoeken. De rest van mijn beweging bestaat uit huishoudelijk werk, toetsenbordtoetsen indrukken, naar het koffiezetapparaat lopen (en weer terug), naar de auto lopen (en weer terug, soms zelfs met zware boodschappenkratten), gaspedaal c.q. rem intrappen, ver na middernacht naar mijn bed wankelen (en ’s ochtends helaas weer terug), en friemelen met mijn vingers. Daar ben ik echt goed in. Ik heb gelezen dat dat heel gezond kan zijn, dus laat mij rustig friemelen alstublieft.

Nummertje drie: “Gezonder eten, minder alcohol en véél meer water drinken”. Tja. Gezond eten doe ik eigenlijk al, maar bij mij wordt alles wat ik in mijn mond stop per definitie omgezet in een grotere buik-benen-billenomvang, of dat nou een komkommer is of een patatje kapsalon. Mijn lichaam zal in barre, voedselarme tijden (die op de één of andere manier nooit komen) nog jarenlang op de overvloedige reserves kunnen teren. Maar dat ‘meer water’ moet ik voor elkaar kunnen krijgen. Koffie is tenslotte ook water met een smaakje, toch?

En dan zijn er nog de geijkte dingen als “meer slapen en ontspannen” (ik doe mijn uiterste best om meer dan 5 uur slaap per nacht te krijgen maar het blijft een lastig dingetje), en “positiever in het leven staan” (gezeik. Ik vind mezelf positief zat voor deze verrotte wereld. Basta).

Ik vermoed dat ik dus tot de verdoemde groep pessirealisten behoor. Want: als ik me niks voorgenomen heb, is alles wat  me gedurende het komende jaar wél lukt, mooi meegenomen.

Ik doe enkel nog aan goede meenemens.

 

Kwestie van vertrouwen

Gisteren bracht ik mijn twaalf jaar oude boots naar de schoenmaker. Ik kon er niet meer omheen: de laarzen waren kliko-rijp, maar ze weggooien, dat kan ik echt niet over mijn hart verkrijgen. Ze zitten zó fijn, zijn zo lekker stoer en ze horen simpelweg bij mij. De gang naar de lokale laarzendokter was dus obligatoir. Mijn hoop was op hem gevestigd, op deze oer-Oostenrijkse 70-plusser van het oude ambacht.

Het is een piepklein winkeltje: als je de deur opent, doe je nog één pas naar voren en dan sta je voor de toonbank annex kassa annex werkbank annex koffietafel annex hele winkel. BootsAchter die met papieren, schaafsel, verweesde schoenen, schoensmeer en gereedschap bezaaide ‘balie’ staat meneer Schuhmacher zijn ding te doen met een paar bejaarde faalbeige gezondheidsinstappers. Je kunt dan rustig even gaan facebooken want hij laat je standaard minstens vijf minuten wachten; eerst afmaken waar hij mee bezig was, dan pas ben jij aan de beurt.

“Wat kan ik voor u doen?” mompelt hij, je niet eens aankijkend want die halve zool moet nog bijgesneden worden.
“Mijn lievelingslaarzen zijn kapot. Ik ben erg aan ze verknocht, dus er moeten nieuwe ritsen in en nieuwe zolen onder.” Meneer Schuhmacher pakt mijn meest kapotte linkerlaars en kijkt me dan tóch ineens, zij het zwaar medelijdend, in de ogen.
“Weet u zeker dat u dat nog wilt laten doen? Deze laarzen kunt u beter liefdevol begraven als u er zo aan gehecht bent.”
Ik kijk hem ontzet aan en vraag of hij niet toch nog mogelijkheden tot reanimatie ziet.
“Jawel, maar dat kost u minstens tachtig euro, plus nieuwe zolen, komt u op [Schuhmacher pakt overjarige calculator erbij] zo’n honderd euro. Nog een paar euro erbij en u kunt nieuwe kopen. Dat zijn deze laarzen toch niet meer waard?”
Hij snapt mij niet. Ik had van deze man meer passie voor oude schoenen verwacht. Toch blijf ik bij mijn reparatiewens. Met een laatste onbegrijpende zucht pakt hij mijn boots, draait ze voor zijn neus om, en legt ze op de all-in-one-schoenmakersmachine achter hem. Als ik ze daar moedeloos zie liggen, schiet ik bijna vol.

“Mag ik die honderd euro dan gelijk even incasseren?”
Ik frummel mijn bankpas tevoorschijn.
“Nee, alleen contant, sorry.”
Ik leg het geld op de toonbank en wacht op mijn bonnetje. Dat komt niet. Achter mij staat een oudere dame te grinniken om mijn onwetendheid: deze man doet noch aan kwitanties, noch aan enige technologie buiten zijn werkmachine en calculator om, noch aan schoenenadministratie.
“Ehm, heb ik dan geen afhaalbewijs of iets dergelijks nodig?”
Hij staat alweer met zijn rug naar me toe en buigt zich over mijn comateuze boots.
“Nee hoor, ik weet wel dat deze van u zijn. Vrijdagochtend zijn ze klaar. Tot ziens!”

Geen bonnetje. Maar ik heb er het volste vertrouwen in.

Blijft de vraag in mijn achterhoofd hangen:
Had ik er ook zo veel blind vertrouwen in gehad, als de man géén oer-Oostenrijker was geweest?

Herkenbaar in de mist

Daar zit je dan. Kort na middernacht, een voor jouw doen relatief vroeg slapengaan-tijdstip. Rechtop in bed, laptop op schoot want anders kun je niet fatsoenlijk typen. Je neus maximaal achttien centimeter verwijderd van het beeldscherm omdat je met je -4,5 dioptrie niet meer kunt herkennen, wat je zoeven in je toetsenbord gestameld hebt en je daglenzen al in de plee liggen. Eigenlijk ben je doodop. Half ziek, hoestend plus – je durft het bijna niet toe te geven – ook nog een aardig lastige blaasontsteking. Net vijf dagen lang je nog ziekere kinderen 24/7 vertroeteld en bediend. Hun papa heeft ze vanmiddag opgehaald. Zijn beurt nu.

Je zou moeten slapen. Je kunt het niet. Watje. Je smeekt er vormelijk om maar je rood doorlopen ogen willen pertinent niet dicht gaan en je snot doorlopen neus niet open. Enkel meteen, lang, en vooral diep slapen, dat is alles wat je wilt. Als het even kan met een fijne, semi-erotische en vooral onthoudbare droom. Maar nee. Niks diepte voor jou. Dan maar oppervlakkigheid. Je kijkt een aflevering van de Vampire Diaries op je laptop. Liggend op je zij, met je laptop op z’n kant. Redelijk tricky want een bloedlip door een wat onhandig op je gezicht omvallend gevaarte is al lang geen onbekende ervaring meer voor jou.

Jij. Je wilt slapen? Je móet zelfs slapen! Helaas. De ondanks je strenge dieet van astronautenvoedingsblokken met water (en koffie… en thee… en lasagne…) toch verorberde halve zak paprika-chips – je wist in je lamlendige en mistige bui  écht niet wat je bezielde – ligt verrekte zwaar op de maag.

De trein waar je het gisteren zo uitgebreid over had, lijkt inmiddels met ’t volledige tonnage over je heen gedenderd te zijn. Werkelijk, geen genade, die NS. Oh hemel, dat klinkt raar. Je maakt er maar een Fyra van. Die rijdt tenminste helemáál nergens. Die strompelt. ‘Hemel’ klinkt óók raar, wetende dat de hemel enkel op aarde bestaat. En je mist maar door. Skype en Viber lieten je vandaag danig in de steek. Dat terwijl het zo ongeveer je lifelines zijn. Hoe dúrven ze?!? Maar misschien lag het wel aan je eigen wifi, wat ondanks middels gefrustreerd eruit rukken van de stroomkabel opnieuw opstarten van je modem, nog steeds hapert. Of het ligt toch aan het WLAN aan het andere einde, you never know. Alles wat jíj weet, is dat je mist.

Twee flinke glazen wijn maken het er ook niet beter op. Enkel nóg mistiger. Een stuk schrijven onder invloed van wat dan ook is nooit aan te raden. Er komt een hoop bullshit uit je vingers waarvan je de volgende ochtend niet eens meer weet of je het wel echt zelf en met de juiste overwegingen geschreven hebt. Je zou er met Stephen King in ieder geval een leuk woordje over kunnen babbelen. En hoewel de meeste mensen abominabel slecht zijn in het goed lezen en interpreteren van bijvoorbeeld satirische teksten, lezen ze vanzelfsprekend wél feilloos je state of mind tussen die stierenpoepregels door.

En je vraagt je af.
Wat je hiermee..
überhaupt eigenlijk …
ook alweer ….
wilde zeggen…..

Ach, je weet het niet meer.

Herkenbaar.

Worm

Ken je dat? Dat je jezelf het liefst op wilt delen?

Een schouderpartij voor de nodige steun hier, een torso voor het zware werk daar, één bil voor in bed, een hersenhelft voor het nodige denkwerk, een stukje staart voor de huishouding en met de rest van je hoofd totáál ergens anders.

Zoiets.

Maar helaas. De mens is en blijft een centralistisch wezen. Een ondeelbare bovenkamer van waaruit de boel in het gunstigste geval nog een beetje gedelegeerd wordt.

Was ik maar wat decentraler georganiseerd.
Met de mindset van een regenworm.
Of een axolotl.

aldimannetje

Door het smalle gangpaadje tussen de metershoge torens van plastic flessen jus en tetrapakken druivensap manoeuvreer ik mijn karretje naar de enige open kassa en duw de metaalspijlen neus van mijn aldi-limousine bijna in die van een oud manneke dat blijkbaar synchroon met mij bij kassa twee arriveert.

Breed grijnzend laat hij zijn kunstgebit even hoognodig luchten en stoot met zijn elleboog samenzwerend tegen mijn arm.
“Wij zijn net die twee vrachtauto’s, vanochtend op de A7. Alleen kon ik nog uitwijken en reed jij geen spook.”

Kassa één gaat ook open.
De redding is nabij.

huh

kon jij maar mij zijn jij
dan wist ik wel
dat ik mij wou.
kon jij maar mij zijn
dan kon ik zeggen
dat ik van mij hou.

maar als ik de vingers
van mijn rechterhand
op ‘t  toetsenbord één
plek naar links verschuif,
ben jij enkel nog maar

huh …?

.

.

© Lou

toedeledoki

geen hond die nu nog
aan jou denkt.
geen man en zelfs geen mens.

iedereen is weg.

geen kip die jou nog
aandacht schenkt.
aan je daden of jouw wens.

enkel van de leg.

geen vuige duivel die
je nu nog wenkt.
kom hier lief, in mijn hens?

let op wat ik zeg.

een zware tientonner die
plots uitzwenkt.
al geplet, schrik je je lens.

wat een pech…

weg.

.

.

© Lou

De slachting van Robbie

Ergens eind oktober had ik een grote hokkaidopompoen namens ‘Robbie’ van mijn schoonmoeder gekregen. Ja. Robbie. Het ding kreeg een naam, dit was ’t en niet anders.Robbie  Robbie was goed 4,5 kilo zwaar en heeft uiteindelijk bijna drie maand lang bij ons mogen bivakkeren. Het was een lief ding met een hoge gezelligheidsfactor en een frishollandse kleur die bij elke gang naar de keuken een beetje van mijn heimwee weg wist te nemen. Na een tijd in de keuken naast het fruit, op het afdruiprek, op het aquarium (dat was een uitdaging) en op een bolle vaas (een nog grotere uitdaging) gepronkt te mogen hebben, werd Robbie uiteindelijk wat weekjes. Hij voelde zich duidelijk verwaarloosd en zocht daarom de warmte en het innige gezelschap van enige bacteriën en schimmels aan zijn verkilde voeteneinde.

Wel. Robbie vond ik op zich best goed te hebben. Hij was rustig, keek gemoedelijk toe, bracht een beetje kleur in het keukenleven en als paper weight deed hij het ook niet slecht. De schimmelkoloniën vond ik daarentegen duidelijk minder. En daarom stond mijn besluit vast: Robbie moest vandaag dan toch maar geslacht worden. De schimmelvrienden heb ik met een dunschiller geëlimineerd en Robbie zelf van zijn ingewanden bevrijd. Mummificeren was hiermee dus ook nog een optie geweest maar dan had ie nog wéér zo lang in de weg gelegen…

Middels rituele slachting in stukken gehakt en professioneel in meerdere plastic zakken verpakt, verdween tweederde van Robbie vooralsnog in de diepvries. We konden hem niet in één keer opvreten, hij was simpelweg te pompeus. De overige kilo Robbievlees wilde ik vandaag nog tot iets lekkers (nou ja, eetbaars) omtoveren. In iets wat de kinderen in ieder geval niet meer als Robbie zouden herkennen. Een taart was snel gegoogeld. Pompoentaart. Dus.

Eerst moest ik Robbies in stukken gehakte vlees nog verder verkleinen. In mijn Tupperware-speedychefmaalding ging dat prima. Gehakte hazelnoten, twee eigelen, suiker, boter, stijfgeklopte eiwitten, zelfrijzend bakmeel, alles werd liefdevol met elkaar en met de Robbieprut gemengd. Ik mompelde in mezelf: “dit ziet er eigenlijk best wel uit als kots…” en de alleshorende kinderen riepen heel hard: “iiiiewwww!” om vervolgens een vinger door de smurrie te halen en me gerust te stellen dat ’t in ieder geval niet naar kots smaakte. Maar wat waren dan die oranje stukjes? Wortel? Euh… ja.

RobbietaartNa de voorgeschreven vijfenveertig minuten bij 175° in de oven was de Robbietaart nog steeds half vloeibaar. Nog maar ‘ns dertig minuten dan. Vervolgens tien minuten in de magnetron want Robbie hield de smurriefase krampachtig vast. Nog eens tien minuten in de oven. Toen was ik het zat. Ik zette de bakvorm op z’n kop op een bord (c.q. ’t deksel van de bakvorm) in de hoop dat de taart er gracieus uit zou ploppen. Helaas plopte alleen de ongare binnenkant plomp op het bord, de rand bleef muurvast in de vorm zitten. Het bord met de smurriebrokken gelijk maar weer in de oven gepleurd, de randen uit de vorm gebikt en met een flinke dosis poedersuiker zo goed als onherkenbaar aan de kinderen gevoerd.

De commentaren van de vakjury logen er niet om (in deze volgorde):
“Het ziet er nog steeds uit als kots. Gebakken kots.” (zoon)

“Maar het is te eten. Best aardig zelfs…” (zoon, bedenkelijk kauwend)
“Lekker!” (Dat was dochter. Die vindt alles wat ook maar enigszins zoet is, lekker)

“Ik hoef niet meer. Maar het was wel oké hoor!” (Dat was ook dochter, na twee kleine stukjes, mijn vlammende ogen ontduikend).
“Euh… zoals ik zei: het is eetbaar. Maar dit hoef je écht niet nog een keer te maken.” (zoon)

“Mam? Waar is Robbie?” (allebei)

De nagebakken smurriebrokken (zie afbeelding) waren helaas niet veel beter maar ik heb in ieder geval al wél een kilo Robbie weg weten te moffelen. Ik zal binnenkort vast wel in staat zijn om die overige twee kilo ook nog spoorloos te laten verdwijnen. Iemand nog suggesties? (en nee, soep is geen optie).

hoog

daar heel hoog in de keel.slikken
net achter de klieren.
ze zitten er, wachtend op
een succesvolle uitbraak.
slikken. nog een keer.
vochtige waas voor de ogen.
knipperen. alweer.

radeloosheid is a bitch.
emotruttengedoe.
niemand mag het zien.
niemand mag het weten.
nee, jij ook niet.
enkel omdat ik het wil
en jij het nog niet weet.
life doesn’t suck at all.
it only pushes like hell.
ze blijven hoog zitten.
brandend.
met goed en hard slikken
kom je een heel eind.
maar echt hoog zul je
er nooit mee komen.
sper die luchtpijp van je.
ver open, want ik heb
een prachtig zwaard…

natuurlijk

natuurlijk kijk ik naar Ursulaursula
hoe ze haar schelp weer eens
uit de zee vist, ’t zand afveegt.

natuurlijk denk ik herhaaldelijk
“lulkoek, zo bang voor James”
hij flirt toch tot-ie een ons weegt?

natuurlijk gaat breinlief tekeer
dik 50 jaar oud, slecht geacteerd en
ik vind dat Ursula een beetje slist.

natuurlijk schiet een dendriet uit
naar die hersencel die verder denkt
aan jou en dat je me ook mist.

natuurlijk…

© Lou

wirwar

heftige en ijzige ochtend.warrig
beetje vreemd, wel lekker.
inpakken die hap.
het is tenslotte bijna ker(st)mis.
hé jij, wat doe je hier in mijn hoofd?
tijd om op te krassen, jochie.
maar dan is er niemand meer.
da’s ook wel weer heel stil.
oma kon niet achteruit rijden.
niet zonder schampschoten.
hoe een paal een twingo de das om doet.
dassen in die bijtende kou.
hé, rode golfjes
twingo’s bestaan blijkbaar niet.
een schip aan de golvende horizon wel?
als ik echt die vriendin was,
was ik het niet vergeten.
maar ik bén het niet vergeten.
ik heb er gewoon wat later aan gedacht…
te grote pepernotenkoekjes.
die eigenlijk kruidnotenkoekjes moeten heten.
de wereld is verwarrend.
ach, als je maar een beker mee hebt, schatje.
ik mis de man met de beker.
de wolverine achter het hele plot.
hij is onder de pannen en dat is acceptabel.
pannen zijn er nu eenmaal om onder te zitten.
katy flasht haar beugel nog maar een keer.
grof terugbrullend naar een knuffeltijger.
op een eiland met grotten vol met draken.
wij vormen de heerlijkheid aldaar.
horen bij elkaar, dus zie je maar.
ik ervaar mezelf als vreemd.
lana-achtig, breek me niet af.
hoe warrig mag een mens zijn?
ontwarren behoort niet tot mijn specialiteiten.
en hoe veel denken aan is eigenlijk gezond…
hangt er vanaf aan wie.
zeg jij. mij hoor je daar niet over.
je luistert enkel met die halve oren van je.
nee, liever niet. want dan wel.
maar alles waar te voor staat is té.
who cares, dan maar té.
te raar om jezelf van buiten te zien
terwijl je er toch continu binnenin zit.
zoiets als buiten jezelf zijn misschien.
maar de zinnen zitten er nog in.
dat blijkt wel weer.
ik leer langzaam te vliegen.
tussen al die regels door.
regels schreeuwen als meeuwen.
ik zou niet goed wijs zijn.
wat zeg je? precies.
dan maar slecht wijs, da’s ook wijs.
mijn gitaar lonkt naar mij.
ik lonk terug en gooi mijn benen over de stoel.
dan denk jij weer dat je mij kunt zeggen wie ik ben.
waarom zou ik überhaupt iemand zijn.
ik ben niet iemand als ik al ik ben.
waarom dan geen hoofdletters,
als het beestje wel een naam heeft?
zonder hoofdletters worden
de letters wirwar in je hoofd.
zonder hoofd ook.

πάντα ῥεῖ

trusten!!

ik moet nog heel  even
maar weet niet goed hoe.
dat is het schrijversleven
maar ik ben zo moe…

ik wou op de valreep
iets zinnigs opschrijven
een zinloze pennenstreep
om wakker te blijven.

ik zou me nu toch echt
in bed moeten bevinden
waar ik waarde aan hecht
kan ik geen doekjes winden.

ik ga het nu dan maar
’n etage hogerop zoeken.
en doe morgen, hé, ziedaar!
weer een dag uit de doeken.

Trusten!!

(kop in ’t kussen, kont in ’t stro, sloap-ie zooo ;-P)

gevoelige snaar

Het schijnt dat ik nu dan toch eindelijk weer eens een gevoelige snaar heb geraakt met mijn ziekemannenblog…
Sorry heren (in het algemeen maar voorállll die, die zich aangesproken voelden):
mijn oprechte excuses.
Ik zal ’t noooooit meer doen…
NOT!!!
’t Is mijn blog. Ik schrijf wat ik wil.
En lees vooral ook de titel erboven: Veel geleuter zonder clou.
U was dus gewaarschuwd. Dubbel.

To read or not to read, THAT is the question.

Hele evolutietheorieën werden er meteen weer tegenaan gegooid. Vrouwtjes die het zich niet kunnen permitteren om hun kroost in de steek te laten, mannetjes die, als ze hun territorium door ziekte niet meer kunnen verdedigen, zich dan maar volledig terug trekken. Ik vind ’t prima hoor, alleen is het dan wel ietwat teleurstellend dat het oh zo intelligente mannelijke deel van ‘mensheid’ (even sterk veralgemeniserend, alweer sorry) zich blijkbaar toch nog niet noemenswaardig ontwikkeld heeft en daardoor in tijden van zelfs enkel milde ziekte terug valt in oergedrag, daarbij denkende dat er nog steeds iets als een territorium verdedigd zou moeten worden. Ik ben gék op veralgemeniseren en bagatelliseren. Iemand moet ’t toch doen hè, anders zie je door de mannen de mensheid niet meer. *kuch*

Huh?
Oh.
De clou mist weer eens…
Ik broedmachine met hormonale storingen.
Ik vrouw.
Forgive me.
Waar zullen we het vandaag eens over hebben?
Was er niet laatst iets van een huishoudbeurs?
Vertel eens dames?
En heren, niet te hard zwaaien met die knots hoor!
U zou uw nieuwe BMW M6 per ongeluk kunnen raken…

Lieve mannen.
Trek het u toch alsteblief niet aan…
Ik raaskal maar wat.
Ik ben gek op u. Allemaal (even generaliseren).
Wat zou ’t leven zonder mannen zijn.
Enzo…

Clueless.

come back to me

Langzaam verdwijnt het.
Het doffe, neergeslagen gevoel.
De watten tussen mijn hersencellen.
De snerpende pijn bij mijn slapen.
De zweepslag in mijn nekspieren.
De rotte vergeetachtigheid.

Langzaam komt ’t terug.
Die lichte scherpte en humor.
Het langer kunnen kijken naar.
Het broodnodige denkvermogen.
Het actieve herinneren van.
Het betere reactievermogen.

Please come back to me…
I never meant to hurt you…
Don’t leave me forever
I am so lost without you.
Take your time out,
Take whatever you need.
Go back to black for now,
But in the end you will
Come back to me.

Dearest brain…

Op

Dat is ‘t.
De koek is op.

De sociale communicatiekoek zeg maar. Ik heb er momenteel de energie niet voor. Het is misschien lullig maar het is wel zo. Ik vermoed dat een winterdepressie-achtig iets er mede schuldig aan is. Ik ben moe, uitgeblust, gedemotiveerd, nog moeier, heb een hoop pijn (rug, nek, hoofd), weinig energie en nergens zin in. Een griepje onder de leden, dat zou ook nog kunnen. Alles doet zeer. Hoofdpijn, de tranen redelijk hoog. Dat dus.

En dan heb ik dus geen zin meer in communiceren. Het hoogstnodige wel (en dat ‘hoogstnodige’ neemt dan vooral de vorm van m’n lieve zus en mijn pap&mam aan) maar verder ben ik enkel redelijk stilletjes op de achtergrond aanwezig. Een plek die me op dit moment eigenlijk wel heel goed bevalt. Klep dicht en koekeloeren. Is nieuw voor mij. Maar ’t bevalt. Ik ben er wel, ik lees wel wat maar ben niet echt merkbaar. Een dag als gisteren geeft me dan wel weer een kleine boost, dat wel. Dan merk je weer wat écht belangrijk is. Maar vandaag was het weer redelijk slopend hoewel het toch ook wel gezellig was bij onze vrienden. Maar het moeten praten, het gezellig moeten zijn, het geïnteresseerd moeten blijven, dat was vandaag ergens moeilijk op te brengen. Ik was vanmiddag werkelijk het liefst weer in mijn bed gekropen, opgerold, dekens over de neus, slapen. Was zelfs vergeten om mijn mobiel mee te nemen en dat wil wat zeggen. Ik heb ’t ding ook niet echt gemist. Dat zegt misschien wel nóg meer.

Ik schrijf daarentegen nog wel graag (vandaar ook dit blog weer). Dat is namelijk toch hoofdzakelijk een éénzijdig iets. Ik ratel er op los en men leest ’t als het hen past. Of niet. Ook goed. Reacties zijn altijd fijn (heel fijn zelfs), maar ik voel me niet standaard verplicht om daar dan weer op te reageren. Soms doe ik dat, soms ook niet (vergeef mij). Daarom is een blog ook zo’n lekker iets. Ik pleur erin waar ik over pieker, wat ik denk, wat er aan onzin in mijn hoofd rondspookt en wat me bezig houdt. Dat kan door anderen als saai of irritant ervaren worden, ook dat vind ik best. ‘t-Is mijn blog. En mijn hoofd…

Een hoofd dat raar werkt, ik weet er alles van. Een maalhoofd. Een piekerhoofd. Een zwaar hoofd. Een intern meervoudig hoofd… Een liefst verdoofd hoofd. Ik verzuchtte het al eerder: ik wou dat ik een knop had waarmee ik in m’n bovenkamer de boel gewoon uit kon doen. Als een lampje. Klik. Uit.  Niks meer denken, geen gepieker, geen vergeten dingen, geen moeten, geen pijn. Gewoon UIT. Maar zo’n knop heb ik niet en daarom ben ik dus niet ‘uit’ maar ‘op’. Van m’n eigen gedachten en gemaal. Ik kan bij wijze van spreken nog nadenken over waarom ik nu toch ineens weer een blog typ. Had ik er dan zo’n  zin in? Moest ik nou echt iets kwijt? Waarom typ ik? Waarom typ ik nu precies DIT?? Wat is überhaupt de zin van bloggen? Het is eigenlijk een redelijk onzinnige bezigheid. Je schrijft je hoofdinhoud op en laat anderen nog meegenieten ook. Maar eigenlijk kan ik het allemaal net zo goed weer met een pen in een boekje schrijven, zoals ik dat vroeger deed. M’n gedachtenboekjes van toen (hier een voorbeeld van mijn 1.0-schrijfsels…) waren (en zijn) goud waard. Voor mij dan. Alleen voor mij…

Als ik dan zo zit te typen zie ik dat m’n man wél een UITknop heeft. Die gooit de TV aan (‘click’), klikt naar kanaal 18 (Arte, steevast garant voor oersaaie documentaires) (‘click-click’), propt een kussen onder z’n hoofd en slaapt. Uit. Klaar. En ronken maar. De TV loopt naar mijn mening werkelijk voor niks te blaten, maar als ik ‘m uit doe, is man meteen weer wakker dus ergens heeft het ding toch overduidelijk een slaapverwekkende werking. Blijft die TV aan, blijft hij uit.

Wáárom kan ik dat nou niet… *jaloers naar ronkende man kijkt*

Ik pak zuchtend het laatste glas weekendwijn (het ís nog weekend hè) en typ er maar weer op los.
Wat anders kan ik blijkbaar niet.

I’ll be back. Da’s een ding wat zeker is…

*iets met gouden randjes*

Een zaterdag met een gouden randje.

Rond een uur of 9 word ik wakker. Ik kan me meteen levendig herinneren wat ik gedroomd heb: ik had mijn hele bovenlichaam laten tatoeëren. Een sjiek blauw corset met knoopjes over m’n romp met blauwe comicfiguren (Betty Boop, Sonic…) op mijn rechterarm en de Friese vlag over mijn hele linkerarm. En ik was er superblij mee, dat ook nog. Eenmaal wakker was ik ergens toch wel blij dat ik deze smurf-in-de-halvamel-like tattoo enkel in mijn fantasie mee heb mogen maken. Ik wil best wel een kleine tattoo (jaja, coming out of that closet too, gheheheh) maar gelijk m’n hele bovenlichaam in ’t (rood-wit-)blauw was toch wel een beetje heftig geweest. En daarbij komt dat mijn bovenkant nog best aardig is. Als er iets opgesierd zou kunnen worden, was dat eerder het gedeelte van de navel naar beneden tot aan de tenen geweest. Plek zat daar in ieder geval…

Ik overweeg of ik op zal staan of niet. Niet. Of ja toch maar. Vannacht sliepen we pas om 2am dus dat hoeft nu niet nog een keer. *kuch* Douchen, zaterdagochtendontbijt met een eitje en versgeperste jus. Man ruimt op, ik scheur even naar ’t sportveld om wat dingen te regelen en te bespreken met de verenigingsvoorzitter. Daarna: koffie, nog meer koffie en FB cq. mails checken (misschien moet ik nog Die Welt Retten hè, you never know). Ook nog een wandeling in de ijskou en wat foto’s gemaakt met m’n mobieltje. Vervolgens ga ik de kelder in, een krappe drie kwartier sporten en de kinderen sleeën zich ondertussen suf. Na de middag gaat man even naar z’n moeder, maak ik brood voor de kinderen en in no time zijn ze alwéér buiten. Ik doe wat huishoudelijke onzin (ja sorry, ook ik ben tenslotte maar een huishoudsloof, een nietszeggend en bij tijden vervelend mens en een slaaf van de alledaagsheid als je alle sjuu en tierelantuten even weg rekent. In de trant van “zelfs de koningin laat wel eens een scheet” enzo).

winterimpressionen

Ik tref eerste voorbereidingen voor het avondeten (zoete kip – “kip in ’t pannetje” heet dat – met sperzieboontjes en wilde rijst) en zie ineens de buurman voor het keukenraam voorbijstampen. Hij kijkt me triomfantelijk aan en dan zie ik ook al waarom: hij heeft mijn én zijn kinderen (5 stuks in totaal dus) zover gekregen dat ze in ganzenmars, met rooie koppen en breed grijnzend, achter hem aan stampen. Zo marcheren ze met veel kabaal drie keer rond ’t huis en dan zijn ze weer verdwenen. Toch fijn, zo’n bevestiging dat wij daadwerkelijk goed in dit buurtschap passen: ze zijn net zo gestoord als wij. Opluchting alom.

Om een uur of 5 komen de kinderen naar binnen donderen, volledig in het wit en ijskkkkoud. M’n gang is nu zeiknat but so what. Even een mok warme chocolademelk voor ze maken. Ook man is tegen half 6 thuis en we vallen aan op het zaterdagse avondeten. Het gaat schoon op. De kinderen zitten nu op de bank, zoon met m’n iPhone (mag hij hebben, rotding), dochter met haar mode-designer-kleuralbum. Man is boven, probeert z’n ouwe nieuwe boxen uit. “So far away from me” van de Dire Straits schalt kneiterhard door het hele huis. Heerlijk.

Zo meteen, als we allemaal klaar zijn met de electronische prut, gaan we zaterdagavond vieren. Dat heb ik sinds kort zo ingevoerd, om een beetje meer familiegevoel te kweken. Niet dat we dat niet hebben hoor, maar ik herinner me het van vroeger, die zaterdagavonden. Gezellig bij elkaar zitten, iets op TV kijken (de Weekendkwis of de RonBrandstederShow of weet ik veel wat) en een spelletje doen. Drinken en wat chips erbij en familie voelen. Ik wil dat mijn kinderen dat ook een beetje kunnen ervaren en daarom heb ik nu persoonlijk de zaterdagavond tot familieavond gebombardeerd. We gaan zometeen sjoelen, op wens van de kinderen. Joepiedepoepie 🙂 Ik ga ervan uit dat het volgende week een potje Monopoly wordt. Daar kan ik me dan nog een week lang psychisch op voorbereiden. Blikje Fanta (de traktatie ten top voor de onzen) en Pombär- of paprikachips en ze zijn helemaal happy. Alleen die Fred Oster, die ontbreekt een beetje. Maar dat zullen we vast ook wel overleven.

Als de kinderen straks om een uur of half 10 in bed ploffen, gaan wij hoogstwaarschijnlijk nog even naar onze (eveneens prettig gestoorde) buren om een potje darts te spelen. Altijd goed voor een hoop lol. Kortom, de zaterdag is er eentje. Een zaterdag zoals-ie moet zijn.

Als ik nou ook nog wist, dat iedereen die me lief is, óók gelukkig is, was het een echt perfecte zaterdag.
Maar dát is-ie dus helaas niet…

S-s-saukalt

dat is het. Saukalt. Gisteren al. Vannacht gaat ’t richting de -15. Zeggen ze. Dat is op zich niet zo erg maar het heeft ook nog ‘ns enorm gesneeuwd. Eergisteravond begon het en vanmiddag is ’t gestopt. Er is nu zo’n centimeter of zestig-zeventig gevallen, niet overdreven, eerder onderdreven. OK, als dat allemaal bovenop elkaar valt, wordt de laag vanzelf weer dunner omdat het inzakt, dus nu is het nog zo’n 30-40cm. Een leuk laagje zeg maar. Ik heb gisteren maar liefst vier keer sneeuw geruimd. Nou ben ik redelijk gek op die sneeuwschuiverij (vooral nu we zo’n prachtig gladde, perfect schuifbare oprit hebben) dus dat is dan weer mazzel voor Hausmeisterin Lou, maar uiteindelijk wist ik toch niet meer zo goed waar ik die bulten sneeuw nou nog heen kon schuiven. Ja, steeds hogerop gaan, dat kon nog. Maar alle sneeuw die je aan de kant schuift ook nog eens op een berg van 1,5 meter moeten scheppen, dat werd me dan toch ook weer iets te gortig. Maar het is gelukt. Er is ook niet echt iets te merken geweest van ontwricht verkeer. Misschien een kilometer of 50 meer aan file en een hier of daar wat sterker vertraagde trein, maar geen dingen die het nieuws haalden, behalve dan de hoeveelheid sneeuw zelf.

Heel Oostenrijk verzucht: eindelijk sneeuw. Zoals Nederland elk jaar toch weer met smart wacht op een elfstedentocht, zo smacht men hier naar een flinke berg sneeuw. Na maanden van regen en föhnwind, van storm en gure, natte buien is er eindelijk sneeuw. En nu heb ik dus ook geen kind meer aan de kinderen: die maken in no time hun huiswerk (als ze na schooltijd überhaupt al binnen komen) en dan zijn ze verdwenen. Sleeën, burchten bouwen, sneeuwpoppen maken. Tegen vijven of halfzessen komen ze knalrood en zeiknat binnengestrompeld, vallen voor de TV neer, eten hun eten zonder boeh of bah op en uiterlijk half acht liggen ze voor pampus in bed. Ideaal. ‘s-Winters een berg sneeuw of zomers lekker warm zwemweer (en dan natuurlijk een zwembad in je tuin hebben hè). Alles er tussenin is prut.

Oh ja. Een paar plaatjes leverde het ook nog op, die sneeuw.

winter2 winter3 winter4 winter5 winter6 winter7 winter8 winter9

another year’s over…

Dit is natuurlijk dé uitgesproken tijd om een blog over het afgelopen jaar te schrijven2013. En vooral ook de tijd om al die goede voornemens opnieuw op te sommen. Maar waarom zou ik me aan het begin van een nieuw jaar wéér storten op datgene, wat me het afgelopen jaar ook al niet gelukt is? En waarom nou juist weer beginnen aan het begin van een nieuw jaar? Ja okee, uiterlijk de tweede januari is de hele vreterij weer achter de rug, die feestkilo’s moeten er sowieso weer vanaf. Da’s geen goed voornemen, da’s gewoon noodzaak. Net als die overige twintig kilo trouwens, maar daar heb ik nou al zo vaak over gezeurd dat ik daar ook geen fatsoenlijk voornemen meer van kan maken. ’t Mot gewoon, ’t kennie anders.

Ik zou me ook kunnen voornemen om vanaf die eerste januari fijn helemaal ’t lak te hebben aan wat anderen denken of vinden. Om heel hard te roepen “zak allemaal maar in de kippeshit, ik doe wat ik doe, ik ben wie ik ben en het maakt me geen bal uit wat jullie ervan zeggen.” Maar zo werk ik niet. Ik blijf onzeker, met die rare maagdraaigevoelens als ik zenuwachtig ben. Simpelweg het vast van plan zijn om me door niemand meer naar beneden te laten halen helpt dus ook niet.

Daarom begin ik ’t nieuwe jaar ter afwisseling maar zonder voorneemgedoe. Ik ga dit keer gewoon rustig kijken wat me gaat lukken en wat niet. En dat wat niet lukt, komt dan eventueel later wel. Of niet. Ook goed. Jammer dan. Ik wil z óveel dat dat waarschijnlijk toch niet in één jaar te doen valt. Een tienjarenplan is realistischer.

Ik zou kunnen opnoemen wat ik eventueel ánders wil gaan doen in ’t nieuwe jaar. Ik zou bijvoorbeeld meer en gedrevener achter m’n dromen aan kunnen gaan zitten. Meer en vooral beter zingen, schrijven, schilderen en een nieuwe business opzetten. Maar dat is eigenlijk een kwestie van een flinke autobioactieve trap onder mijn brede achterste. Gewoon dóen. Niet meer bang zijn voor een mogelijke afgang. Who cares of je op je snufferd gaat, opstaan moet je toch zelf doen en dat kon je immers als peuter al. Ik zou ook niet meer iedereen zoveel mogelijk willen pleasen maar eerst voor mezelf kunnen kiezen. Maar van anderen pleasen word ik nu eenmaal happy en happy zijn is toch het uiteindelijke doel? Dus dat wordt ‘m ook niet…

En nu zit ik hier. Ik pulk wat aan m’n vingers en nagels, sla mijn ogen neer en zucht een keer. Ik luister naar Christina Perri en haar duizend jaren. Die heb ik niet dus ik moet ergens toch opschieten met alles wat ik nog wil. Als veertigplusser ga je toch steeds meer door ’t leven met dat achterhoofdgevoel van “ik wil nog zó veel maar ik ben al op de helft van mijn leven dus ik moet nu ‘ns een keer opschieten…”

Oh.
Ik weet nu wat ik ga veranderen.
Dát gevoel.
“Ik wil nog zó veel en ik heb nog de minstens de helft van mijn leven vóór me!”
Hatsjikidee!
Wat of wie let mij.
Let’s go.

okee okee…

Genoeg gevloekt voor vandaag. Was lekker. Of nee, eigenlijk ook niet. Maar soms heb je van die dagen. Ik ben ook maar ’n mens hè. Dan
gaan de dingen niet bepaald zoals je wil, willen mensen dingen van je die jij niet wil doen, doe je dingen waar je een minuut later alweer spijt van hebt, heb je dagen waar alles mis gaat, gaat niks zoals het moet, moet je vanalles wat je niet wil, etc. Dat dus. En ik vind “fuck you” gewoon ontzettend lekker klinken, hoe maf dat ook klinkt. Ik weet ‘t, ik ben raar. Maar ik ben een zoiets als een lichaamfunctievloeker. Aangelegenheden als poepen (kak, Scheiße, shit), stinken (rot toch op), urineren (gore zeikerd) en ja, ook de liefdesdaad an sich moeten er op zulke dagen wel ‘ns aan geloven en mij dan nederig dienen als inspiratie voor mijn frustratieuitroepen. Geen mens is eeuwig de lieflijkheid zelve… [dit herlezende, klinkt het alsof ik dagelijks een potje vloek, maar dat is dus absoluut niet het geval  hoor! Ik vloek eigenlijk zelden. Echt heel zelden. Maar áls ik het doe, dan zo… dat u dat even weet]

Ik weet ‘t.
Ik zou mij veel meer moeten beheersen. Doe ik ook wel, op mijn manier: over het algemeen roep ik de grovere varianten enkel binnenshuis en dan ook nog bij voorkeur als ik alleen ben. De kinderen mogen het f-woord enkel in de auto – raampjes gesloten – roepen (en zingen: ik heb Lily Allen met haar “Fuck You” in de auto, heerlijk om knetterhard op mee te joelen, dochter kent de tekst al uit haar hoofd, net als Pink met “So What”) omdat ik het dan ook doe en dat is dan o.h.a. ook nog enkel en alleen de schuld van stuntelende medeweggebruikers die al lang niet meer in het bezit van een rijbewijs hadden moeten zijn. [en ook dit komt allemaal zonder regelmaat voor. Of met andere woorden: het komt ‘wel eens’ voor, maar niet vaak. #zucht]

Ja ja, ik weet ‘t.
Ik zou mij als goede moeder beschaafder uit moeten drukken in zulke situaties, maar aangezien ik gewoon moeder ben en niet per definitie goed, mogen de kinderen ook het botte gedeelte van mij af en toe ervaren. Welcome to the real world. Zoiets. Hard religieus vloeken doe ik niet en dat vind ik al heel goed van mezelf. Een “jezus” wil er heel soms nog wel eens uitvliegen (of een afgeleide daarvan: jemig), maar ik kan moeilijk een god aanroepen om mij te verdoemen als ik niet eens in een god geloof. Dat doen we dus niet.

Maar toch. Zo af en toe moet ik dus ook even.
Hoe vreselijk het ook klinkt. I’m a bad person.
Vloeken. Als ’t allemaal precies zó gaat als ik níet wil.
So sue me.
MENS nog an toe!

Rommelhoek

Het blog van een zeer gewaardeerde medeblogster zette me ineens aan ’t denken. Het feit dát ik er over nadenk, is al veelzeggend want het geeft aan dat social media voor mij nog steeds heel belangrijk zijn. En dan vooral facebook. Ik heb daar al ‘ns eerder over geschreven (over SocMed in het algemeen en wat het voor mij betekent en doet. Zo ergens eind 2011 was dat) maar bij tijden heb ik een aanval van opruimwoede en momenteel zit ik ook in zo’n fase. Dat kan real life opruimen zijn (wat zeldener voor komt) of 2.0-opruimen (wat ook geen regelmaat is, maar toch iets vaker). Want zeg nou zelf, wat wíl je van deze media? Moet de halve wereld wel weten wat mij bezig houdt? Wat wil IK van deze media? Waarom ben ik er te vinden? Hoeveel ‘vrienden’ op facebook ken ik écht? En hoe geïnteresseerd ben ik werkelijk in ze? Moet ik alles van iedereen altijd bij houden, op gepaste tijden op “vind ik leuk” klikken en voorallll hun verjaardag niet vergeten?

Nee. Moet ik niet. Als ik het leuk vind of er zin in heb, doe ik dat. Maar mijn visie op facebook (en de rest van de social media daarmee gemakshalve even over één kam scherend) is klaarblijkelijk een andere. Het is mijn rommelhoek. Mijn knutselschuurtje waar iedereen, die ik een sleutel geef, in kan en rond mag koekeloeren en -wroeten. Met die sleutels ben ik niet al te selectief maar ergens toch ook wel weer een beetje. Zo wil ik bijvoorbeeld niet al teveel met ‘jonge familie’ (lees: achterneefjes en -nichtjes) bevriend zijn. Ik ben nogal van de ehm… zwartgallige cq. sarcastische cq. volwassenenhumor en laat dat nou net geen familiekant van me zijn… Mijn directe nichtjes heb ik nog wel te facebookvriend maar ik weet niet hoe dat gaat worden als ze daar ook daadwerkelijk meer aanwezig zijn en mee gaan lezen. Sowieso ben ik eigenlijk niet/nauwelijks met kinderen ‘bevriend’. Ook kinderen van vriendinnen accepteer ik o.h.a. niet. Ik heb ook mijn donkere kanten zeg maar.

Maar verder is het dat wat het is: een rommelhoek waar ik met enige regelmaat hele leuke dingen (terug)vind. Mensen van vroeger, humor, mijn draad met Nederland, leuke nieuwe mensen die ik via via leer kennen, mooie foto’s, updates, snelle conversatie, een hoop lol en af en toe zelfs een beetje liefde. Ik vind ’t gewoon lekker.

Voor zover ik weet heb ik m’n privacy-instellingen op orde, post ik heel weinig tot geen (herkenbare) foto’s van mijn kinderen, noem ik hun namen niet bij foto’s (en sowieso het liefst zo weinig mogelijk), heb ik het daar nooit over mijn relatie(s) want dat zou me niet in dank afgenomen worden en probeer ik me redelijk fatsoenlijk te gedragen (nou ja, het zijn goede pogingen, toch?) Ik post m’n blogs, ik knuffel en zoen wat af (virtueel dan) en blijf een beetje op de hoogte van de mensen die me lief zijn. Maar verder neem ik het geheel niet al te serieus.

Maar juist daarom vraag ik ’t me dus af: moet ik daar nu echt maar eens op gaan ruimen? Die mensen er uitknikkeren die ik éigenlijk niet echt ken? Waar ik minder tot weinig contact mee heb? Nóg selectiever zijn bij het accepteren van vriendschapsverzoeken? Bang zijn dat ik toch teveel zeg en te open ben? Ik ben tot nu toe als zelfstandige werkzaam en ik vrees dat ik ook nooit echt meer in een werknemerspositie zal komen dus voor een potientiële werkgever hoef ik me ook niet echt in te houden (wat ik trouwens wél doe, u moest ‘ns weten, ghehheh). Overigens waren (zijn) er wel degelijk bepaalde mensen die mij vreselijk irriteerden of die ik ergens toch een beetje ‘eng’ of te opdringerig vond en die ik er dus wel uit gesodemieterd heb. Maar om het nou echt “uitmesten” te noemen, nee…

Ik laat ’t nog maar even zo.
Dat verfoeide Facebook.
Mijn knutselschuur.
Mijn rommelhoek.
Waar ik steeds vind
Wat ik niet echt zoek
Opperste vlakkigheid,
Lul-, ontbijt- en lariekoek.
Liefde, lol, mooie dingen
‘t-Is één groot feestboek.
Mijn knutselschuur.
Mijn rommelhoek.

extractors

Duuts veur boet’nlaanders

Mit, nach, bei, seit, von, zu, zuwider, gemäß, gegenüber, nebst, samt, nahe, binnen, entsprechend, entgegen, außer, aus.
Datief (derde naamval)
.
Durch, für, ohne, um, bis, gegen, wider, je.
Akkusatief (vierde naamval)
.
Oberhalb, unterhalb, außerhalb, innerhalb, halber, abseits, jenseits, diesseits, zwecks, angesichts, infolge, aufgrund, anhand, kraft, trotz, wegen, zwecks, zuzüglich (en nog een paar meer)
Genitief (tweede naamval)
.
An, auf, hinter, neben, in, unter, über, vor, zwischen.
Datief OF accusatief (wo? wohin?)
.
Kent u die rijtjes nog? Kunt u ze ook nog opdreunen? Ik zal hier en daar vast nog een paar voorzetels vergeten hebben maar in principe ken ik ze nog. Nou ja, een beetje dan. Die van de derde en vierde naamval in ieder geval. En dat zorgt altijd weer voor amusante gezichten bij de oerduitstaligen. Bij hen zit dat er van de geboorte af aan gewoon in: dat zijn geen dingen waar je over na hoeft te denken, dat ís gewoon zo. Als je dan een rijtje als bovenstaande opdreunt omdat je wilt laten zien, op welke brachiale wijze JIJ duits hebt moeten internaliseren (omdat het zo’n kl…taal is om te leren), vallen ze bijna van hun stoel van verbazing. “Dat hoef je toch niet te léren?? Dat IS toch gewoon zo?? Dat voel je toch?” Ja, nu onderhand wel. Na een kwart eeuw duits praten doe je het meeste inderdaad automatisch, zonder nog de rijtjes af te lopen om uit te vogelen welke naamval je moet hebben. Maar dat duurt langgggg…
.
Het grappige is, dat ze het zelf ook regelmatig hartstikke fout doen. Als je er op let, merk je dat het automatisme ook regelmatig te wensen over laat. Ik, als buitenlander met al mijn ingestampte grammaticaregeltjes, naamvalrijtjes en uitzonderingen, word op school- en ouderverenigingsvergaderingen altijd tot notuliste gebombardeerd. Ik corrigeer de brieven en presentaties van mijn duitse bedrijfspartner, ik schrijf de brieven en officiële emails voor m’n man. Duits is voor duitstaligen duidelijk óók moeilijk, vooral de declinaties en verbuigingen.  Maar daar is een al eeuwenoude remedie voor: het dialect. Slik waar mogelijk de laatste letters in en je hebt nergens last meer van. Der/dem/den wordt “de”, dir/dich/die wordt allemaal “die”. Das/des/dessen wordt allemaal “de(e)s”. Enzovoort. Suit yourself. De jeugd van tegenwoordig maakt ’t zich nóg makkelijker en schrijft nu ook alles in Mundart. Op facebook zie ik geen normaalduitse zin meer in de conversaties die mijn nichtjes voeren. Wordt maar ‘ns wijs uit ’t volgende:
(een willekeurige fb-conversatie, beetje ingekort en de 486 smilies/hartjes/XXX voor het leesgemak er even uit verwijderd)
joaah….bin sooooo happy
i ah! wie ma des woi gschofft hom…!
deng mas ah…
des warad so geil won wia gemeinsom spün kinadn…!
hapts es gschofft?
suppa! es sats oba a echt guuad
es sats unsane vertreda!
wissts a scho was fir a rolle?
igfrei mi scho so
wiad sicha voi gail.
Ik vond dit dus ronduit indrukwekkend…
.
Ten eerste wordt niets meer met een hoofdletter geschreven, wat ik op zich niet zo slecht vind (dat gestoorde hoofdlettergedoe bij alle zelfstandige naamwoorden werkt op de zenuwen) maar aan ’t begin van ’n zin hoort ’t dan toch wel weer, vind ik… Ten tweede is moet elke zin hardop uitgesproken worden voordat een normaalsterfelijke kan bevatten wat er staat. Ik kan bovenstaande na een kwart eeuw oefening wel lezen en begrijpen, maar dit valt voor mij toch wel onder de noemer ‘taalmishandeling’…
.
Nog een paar leuke raadseltjes voor de enigszins duitssprekenden onder u.
Word hier maar ‘ns uit wijs:
Da Fink sogt zan Zeisal und’s Zeisal zan Fink: in d’Stodt fliagn ma ned eine, weils do goa a so stinkt.
Dea Bua dea hod zwoa lingge Hendd. Dös wiad gonz sicha a Schdudendd.
Fuat in da Fria, hoam auf d’Nocht, so hods mei Voda imma gmocht. Fuat auf d’Nocht, hoam in da Fria, joa so mochans mia!

Denk je dat je enigszins duits kunt, kun je wéér compleet overnieuw beginnen.
Op onze vrijgezellenavond heb ik de test van de natives in elk geval cum laude doorstaan.
Misschien wordt ’t dan toch ooit nog wat met die oostenrijkse integratie van mij…

(NB: Vertaling van bovenstaande enkel op veelvuldig verzoek).

Dingen

Denken over de dingen maakt dat ze meer dingen denkt. Dingen die er niet zijn maar toch zijn ze er ineens omdat ze ze tot leven denkt. Waarom niet gewoon de gedachten in de kiem smoren. Niet denken. Geen dingen meer ongewild reïncarneren. Het wil niet. Hoofd stroomt over, vingers glijden over het toetsenbord. Wat is ze blij met haar Scheidegger-diploma voor tienvingertypen. Wat had ze als dertienjarige een gloedhekel dat loodzware, met bontgekleurde knopjes bezaaide ding. De oefeningen. De lessen. Saaier dan saai. Maar wat hemels is het nu om zonder naar het toetsenbord te kijken neer te kunnen zetten wat er in haar op komt. Eerste gedachtes. Tweede. Derde. Ontelbare. En met die gedachtes ook de dingen. Nee, geen Tommyknockersdingen, zo erg is ’t niet. Maar de zwartheid die alles opslokt. Meer een Fog. Ja, zelfs Stephen King-fan is ze. Ook dat nog…

Dingen.
Waarom gebeuren ze.
Overkomen ze.
Zijn ze soms toevallig.
Of onbegrijpelijk.
Worden ze gedaan.
Zijn ze niet eerlijk.
Of überhaupt nodig.
Wat nou Lord of the Flies…
(oh Bruno…)
Dirigent van de Dingen, dát wil ze zijn.

Raar woord ook. Dingen. Er zit eind in… En gein. En enig. Het enige dat ze geinig vindt, is het eindige van al die dingen. Niks is voor eeuwig. Stel je voor dat dingen oneindig zouden zijn. Waar zou de ellende dan ooit stoppen… De ellendige dingen die ze niet weg kan troosten. Niet goed kan knuffelen. Niet weg kan typen. Niet uit kan vagen met correctielint. Of met een delete-knop. Die dingen zouden er dan voor eeuwig zijn…

Maak van die ene -n- een -i-?
Toe,
maak het
eindig

Boe

Ik heb nu al ongeveer een maand een blog met de titel “Boe” als concept open staan.
Ik weet niet eens meer wat ik ermee wilde zeggen of wat ik nou wou schrijven, maar het begon met “Boe”…

Boe
rensnuiter.
Boe
kenlegger.
Boe
zem.
Boe
ventuig.
Boe
da pest.
Boe
noch bah.
Boe
ing.
Boe
ketje.
Boe
kieke.
Boe…

Ik weet ’t niet meer.
Dan maar gewoon Boe.