Ze worden zó snel groter. Tot ze het ineens niet meer worden.

Je merkt het niet, die tijd. Hij raast voorbij, zoals het cliché zegt. Tot je naar je kinderen kijkt. En ze alweer een jaar ouder zijn. Mijn oudste wordt vandaag 15. Hij is al een echte kerel: een lange slungel met de baard in de keel. Kijkt naar Game of Thrones en naar weet-ik-veel wat voor andere inhoud op YouTube. Game’t zich suf, maar Ego Shooter is gelukkig stom. GTA daarentegen…

Hij is met zijn veranderende lichaam bezig, maar voor het ouderlijk oog zijn meisjes nog totaal oninteressant. Zonder ouderlijk oog in de buurt is dat vast al anders. Ik hoef hem niet meer naar bed te brengen (liever niet, zelfs). Hij kan zelf eten koken.

Hij is een eerlijke, sociale, behulpzame vent met verantwoordelijkheidsgevoel geworden, die ’t nog steeds oké vindt dat zijn moeder hem van school op komt halen (“Vind je dat niet genant, dan?” “Nee, mam, vind ik juist cool! Ik heb een hartstikke coole mam!” – dat compliment stak ik maar glunderend in mijn bloemetjesschortzak).

En tegelijkertijd is hij nog zo’n kind… Het kind dat hij in mijn hoofd nog steeds is. Dat hummeltje dat maar niet fatsoenlijk aan de borst wil drinken. De peuter die leert lopen en pontificaal op zijn voortanden dondert. Het knulletje dat leert fietsen en zo de plomp in slingert. De ik-weet-alles-beter-achtjarige. De zoenen-is-bah-en-seks-is-ieuw-prepuber. En hij groeit maar door, uiterlijk én innerlijk.

Bij verjaardagen in het verleden betrapte ik mij erop dat ik wenste dat ze – mijn beide kinderen – nog even klein en knuffelig zouden blijven; ze worden zó snel groter en ouder… Ik besef nu dat dat een rare wens is. Eentje die ik sinds goed een jaar niet meer heb. Ik ben me er nu van bewust dat je dat niet, nóóit moet wensen. Iets meer dan een jaar geleden, augustus 2016, overleed lieve, kleine Floor, toen 6 jaar oud, aan kanker (neuroblastoom). Het was niet te bevatten. En dat is het nog steeds niet.

Als ik de foto’s en herinneringen op de profielpagina van haar moeder zie, komen meteen de tranen weer. En dan besef ik eens te meer: wens, als die kindertijd weer eens te snel aan je voorbij raast, nóóit of te nimmer dat ze ‘nog heel even klein’ blijven. Want in één tel van de tijd blijven ze zomaar ineens voor altijd klein en kunnen ze enkel in je hoofd en je hart nog verder groeien.

Als je al iets wenst, wens dan je kinderen – naast ‘gezond en gelukkig’ – groot. Groots. Altijd.

bron: eigen foto (LB)


Ook verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

Zo snel en eindig is het

1 augustus 2017, 12:11h
“Mam, breng je ons nu eindelijk naar ’t zwembad?”
“Ja, schatje, één moment. Even dit nog afmaken.” Ik zucht. Stress. Werk. Zorgen. Teveel aan mijn hoofd. Veel te veel.
Ik adem diep door, klap mijn computer dicht, graai de autosleutels van het kastje en spring in de auto. Dochter voorin, zoon op de achterbank. Buiten is het 38°C, in de auto nog veel heter.

Ik draai het 4m brede slingerweggetje naar het dorp op. Aan weerskanten van de berm hoog, niet te overzien gras. Ik rij goed aan mijn kant; ik ken deze bochten. Mijn nog onzichtbare tegenligger, een grote SUV,  blijkbaar niet. Hij rijdt midden op de weg, zelfs deels op mijn toch al zo smalle weghelft. En veel te hard.

In een flits zie ik wat er gaat gebeuren als ik niet onmiddellijk ingrijp. Een frontale crash. 110km/u (minstens) tegen 80km/u. Op een landweggetje. Ik rem, stuur abrupt de berm in en kom net voor een paaltje tot stilstand. Ik weet dat de kinderen gegild hebben, maar ik heb het niet bewust gehoord. De tegenligger is met volle vaart doorgereden. Het was een metallic-grijze auto, vermoedelijk een BMW, maar het ging zó snel…

bron: eigen foto (LB)

Ik draai mijn auto weer de weg op. Alles is nog heel voor zover ik kan zien en voelen.
“Mama, als je nou niet zo razendsnel het gras ingereden was, waren we dan nu dood geweest?”
“Misschien. In ieder geval had je dan de airbag mogen kussen,” grap ik, met het hart nog steeds in de keel. Omwille van hen slik ik mijn schriktranen weg.

Ineens zijn al die zorgen, al het gedoe en geregel, alle problemen en juridische shit weer even heel nietig en onbelangrijk geworden. Hoofd leeg. Daar was dit incident dan wel weer goed voor.

1 augustus 2017, 13:01h
En doorrrr. Het mag nog.
Dank, beschermengel.

Zo snel gaat het.
Zo eindig is het.


Tegelijkertijd verschenen op: HoeVrouwenDenken.nl

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Gelukkig Kippetje

Avondeten. Zoonlief (14) vreet weer eens als een bootwerker en pakt het derde (flinke!) stuk gekruide kalkoen met lekker veel knoflook.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gromt dochter hem toe.
“Hou je erbuiten. Je bent m’n moeder niet,” bitst hij terug.
“Zo, jij weet wel waar je het moet laten, hè?” gooi ik er maar gelijk achteraan.
“Ja.”
Oh.

bron: commons.wikimedia.org (licence CC 2.0)

“Mam, vroeger was T. toch ooit een tijdje vegetariër?”
Jee, dat ze dat nog weet. Ze moet 6 geweest zijn of zo. Zoon was toen 9 en zat onder de ritalin. Een compleet verkeerde keuze destijds, hoewel het in het begin zo goed leek te gaan. Voor ons was het sowieso niet nodig (zoon is een geweldige, lieve, rustige en verstandige jongen), maar voor hem zelf wilden we álles proberen. Alles waardoor hij zich maar een beetje beter en vooral minder chaotisch, minder ‘anders’, meer geaccepteerd en minder verloren zou kunnen gaan voelen. Het werd helemaal niet beter, enkel slechter. Ook Strattera en Medikinet bleken geen uitkomst. Naast de nachtmerries, de lusteloosheid, de hartkloppingen, de gejaagdheid en de depressieve fases had hij ook nog eens totaal geen eetlust meer. Vel over been was hij. Na een jaar ‘proberen’ was het punt bereikt: weg met die rottige pillen.

“Ja, lieffie, klopt. T. wilde een tijd lang helemaal geen vlees eten. Door de ritalin vond hij alles vies, dus ook vlees. Daarnaast dacht hij ineens over álles na. En dus ook over waar ’t beest op zijn bord vandaan kwam. Als ik een gebraden kip op tafel zette, was het eerste wat hij bulderde: “Is dit wel een gelukkig kippetje geweest?” Als in bio-vrije-uitloop-kip. Daarop antwoordden wij dan natuurlijk bevestigend. En dan nóg at hij niks. Waar je al niet allemaal over nadenkt met die pillen…”

“Dat kwam helemaal niet door die pillen. Dat kwam door jullie,” mompelt zoon.
Die zag ik niet aankomen. Huh? Wij?
“Ja, jullie. Ik was toen weer eens ziek en jullie moesten allebei even weg, dus parkeerden jullie mij op de bank met één of andere suffe kinderuitzending op tv en legden vervolgens, zoals altijd, de afstandsbediening boven op de kast. Maar toen de serie afgelopen was, kwam er een documentaire. Over kippenfokkerijen. En ik had geen afstandsbediening en geen zin om van de bank af te komen, dus heb ik die hele docu afgekeken. Vanaf toen wilde ik geen ongelukkige kip meer eten.”
Aha. Oké dan. Daar kan ik me niets meer van herinneren.

“Nou, eh, deze kalkoen was echt een hele gelukkige bio-kalkoen, hoor!” stotter ik.
“Kan mij ’t bommen. Als ie maar lekker is. En dat is ie.”

Zoon begint aan zijn vierde stuk. Opdat hij maar een potige kerel mag worden.
Hij is in ieder geval goed op weg, mijn nu prima in zijn vel zittende, gelukkige haantje.
Zónder ritalin & co, welteverstaan.

bron: pixabay


Deze blog is ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

Eerlijkheid voor alles: Kinders over moeders

Bij voorbaat mijn excuses voor het feit dat hier nu nog zo’n lijstjesding verschijnt. Eentje die onze lieve Klivia dit keer zelf bedacht heeft. Zij beschreef het als de ‘moeder/dochter-tag’ of zoiets: “Tien vragen over jou, aan je dochter – wat weet ze nou echt van me?” Tien vragen over mij dus, die dan door het kind in kwestie vanzelfsprekend aller-aller-eerlijkste wijze beantwoord moeten worden.

Nu heb ik – naast een lieftallige dochter (11) – toevallig ook nog een zoon (14). Daarom heb ik ze tijdens het avondeten maar meteen simultaan ondervraagd. Mochten ze lekker door elkaar gillen. Lang leve de voice-recorder. En ik heb de boel dus wel even vanuit ’t Duits vertaald.

Wie van de twee kent mij het beste? En hoe goed kennen ze me daadwerkelijk?

Bring it on…


Wat eet ik het liefste?
Dochter: “Groente. Broccoli en boontjes en salade en zo. Oh, en biefstuk. Met lekkere jus.”
Zoon: “Biefstuk. En eieren. In alle vormen, maakt niet uit hoe, als het maar ei is.”
[Hah, ze weten het precies. Biefstuk, groente, eieren. Niet noodzakelijk in die volgorde]

Wat is mijn minst leuke eigenschap?
D: “Laat hem maar beginnen.”
Z: “Ik weet niks.”
Ik: “Ach, kom op zeg, nu effe eerlijk.”
D: “Oké dan. Wat ik het minst leuk aan jou vind, is dat je zo ontzettend veel werkt. Maar dat is geen eigenschap. Maar jij bent zowat verslaafd aan je werk, en dat is wel weer een eigenschap, toch?”
Z: Nou ja dat. Maar verder weet ik nog steeds niks.
[Ik heb het echt geprobeerd! Ze mochten alles zeggen. Ik had geen mes in de hand. Maar ze wisten het niet. Echt niet.] 

En mijn leukste eigenschap?
D: “Tjee, nou eh, zoveel, poeh…” [Ja, wát dan? Hmm?]
Z: “Jij helpt altijd. Iedereen. Mij met mijn huiswerk en anderen als het niet goed gaat. Jij luistert altijd. En jij weet ook altijd alles. Zelfs beter dan ik en dat is best moeilijk. En je kunt goed koken, dat is ook wel heel fijn. Je bent altijd vriendelijk en je troost iedereen en mij ook als ik weer eens slecht cijfer heb. Je wordt dan nooit boos.”
D: “Ha, ik weet het nu, ik weet het! Met jou kan je lachen! Dat vind ik het leukst.”
[Van mij mochten ze nog wel even doorgaan met deze vraag, maar zo was het wel weer genoeg, volgens de kinderen.]

Wat zou ik aan mijzelf willen veranderen als dat zou kunnen?
D: “Dat weet ik! Jij zou jezelf meteen superslank maken.”
Z: “Wat ik dan weer stom vind. Want je bent gewoon gewoon.”
Ik: “Jij bent niet objectief. Jij ziet mij als moeder, niet als vrouw. Moeders zijn nooit te dik.”
Z: “Nou, jij bént toch een moeder? Dan bén je dus nooit te dik. Je zegt het zelf.”
[Ik mag die logica van zoon wel]

Wat vind ik het allerstomste?
D: “Dat je soms zoveel moet werken. En dat Luuk zo ver weg is.”
[Zij zei het! Niet ik. Ik heb de soundfile als bewijs.]
Z: “Dat wij zoveel voor de TV hangen en die niet uit onszelf uitdoen om wat ‘zinnigs’ te gaan doen. Want dat zeg je altijd. En dat we dan ook nog eens zoveel ‘stomme dingen’ kijken.”
[Klopt. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik geen ‘echte’ TV heb: ik ‘zuig’ wat mee van de buren en via internet, dus in principe hebben ze een hoop keus, maar niet het normale TV-programma hier. Veel werken vind ik trouwens gewoon lekker. Niet stom. Wat dus eerder neerkomt op een verslaving dan wat anders.]

Waaraan ben ik echt verslaafd?
Z: “Aan werken. Koffie. Skypen.”
D: “Koffie. Wijn. En werken ook, ja.”
Z: “Oh, en aan e…”
Ik: “Stop maar, stop maar. Deze vraag slaan we verder maar over.”
D: “Jij bent verslaafd aan kinderen!”
Ik: “Ja hallo, ik hoef echt niet dagelijks een heel kind te consumeren om geen afkickverschijnselen te krijgen. Dus ik ben niet verslaafd aan kinderen.”
Z: “Dan water! Ik wed dat jij geen twee dagen zonder water kunt. Mooi dat je dan wél afkickverschijnselen krijgt! Je had er gewoon nooit mee moeten beginnen, met dat water zuipen.” En vervolgens ligt hij dubbel om zijn eigen gein.

Waarmee kun je mij pissig krijgen?
D: “Als we elkaar aan ’t klieren zijn en ruziën over de controller van de Wii.”
Z: “Als we niet luisteren wanneer jij iets vraagt. Dan vraag je het nog een keer en dan reageren we weer niet. En dan ben je pissig. Dan begin je “Joehoe! Zit ik hier in mijn eentje te lullen of wat!? Reactie graag!!” te roepen.”
D: “Oh, en van die ene fotograaf, toch? Daar werd je toch ook mega-pissig van?”
[Oeh, dat laatste… ai. Ik heb maar gelijk de volgende vraag gesteld.]

Waarvan word ik hartstikke blij?
Z: “Van een speurtocht in ’t huis, met Sinterklaas.”
[Ik weet natuurlijk meteen wat hij bedoelt: met Sinterklaas had hij een speurtocht uitgezet met een schatkaart (plattegrond). De schatkaart leidde tot een prachtig, zelf geknutseld cadeau. Ik was tot tranen geroerd.]
D: “Als ik je haren uitgebreid kam en je rug masseer als je moe bent en bij ons op de bank hangt.”
Z: “En schilderen! En mooie foto’s maken. Daar word jij ook happy van, toch?”
D: “En van heel harde muziek tijdens het autorijden. En dat we dan met z’n allen meezingen.”
[Klopt allemaal. Als een bus.]

Als ik iets in mijn leven over zou kunnen doen, wat zou dat dan zijn?
D: “Stomme vraag. Ons krijgen. Dat zou je toch meteen weer doen? Toch?”
Z: “Laten we bij het begin beginnen: Je eigen geboorte natuurlijk.”

Stel dat ik 1000 euro zou krijgen, wat zou ik dan als eerste kopen?
D: “Een nieuwe smartphone. Met een nóg betere camera.”
Z: “Niks. Je zou het geld sparen voor dagelijkse dingen, en voor straks, als het nieuwe huis klaar is.”


Wel, ik kan maar één ding concluderen: Mijn kinderen kennen mij. Door en door.
En mijn zoon is een zeer logische denker, maar dat wist ik al.

ussie

“Wel even melden hoor!”

Heel vroeger, toen ik nog jong en wild was (en thuis woonde), ging ik in het weekend vaak tot diep in de nacht stappen. Mijn ouders lieten mij een mijn zus behoorlijk vrij: ze hadden vertrouwen in ons. Er was wel één voorwaarde: Wij moesten ons wél melden als we ’s nachts om 3 uur weer naar binnen kwamen strompelen. Altijd. Want alleen dan had mijn moeder ook weer peace of mind en kon zij eindelijk ook met een gerust hart gaan slapen.

bron: pixabay

Ik vond het destijds ietwat overdreven (want wat kon er nu misgaan…), maar ik was me ervan bewust dat ma wakker zou liggen tot ze wist dat haar kroost  weer veilig thuis was. Dus meldde ik me met liefde af bij de slaapkamerdeur, hard fluisterend: “Mahaam, we zijn thuis hoor!! Alles oké!”
“Mooi zo. Slaap lekker,” klonk het dan prompt (en erg wakker) terug.

Nu, bijna drie decennia later, is dat nog steeds niet anders. Kar ik van Nederland terug naar Oostenrijk (of vice versa) of onderneem ik een andere, langere reis, moet ik me bij aankomst op bestemming zo snel mogelijk melden.
“Ik ben over hoor, alles oké! Weer een hoop ongelukken gezien onderweg!! :-p ”

Toch is er een verschil met toen: mijn ouders moeten het nu óók, dat afmelden. Want wij kinderen maken ons inmiddels net zoveel zorgen over hen als zij over ons. En mijn ouders reizen veel. Erg veel. De hele wereld rond. Zeventigplussers on the road.

Pap en mam melden zich dan ook braaf: ze weten immers hoe het is om in onzekerheid te zitten over geliefden. Zijn ze aangekomen, komt er steevast een whatsappje: “Wij zijn [er, hier, daar, over, in Kaapstad/Tokyo/Helsinki, in het hotel, wherever], slaap lekker!” Altijd.

bron: pixabay

Gisteren niet. Ze waren weer eens onderweg van hot naar her, dat wisten we (een aangekondigde reis). Maar sinds vertrek geen bericht meer over de aankomst. En geen bericht is met de huidige constante bereikbaarheid al lang geen goed bericht meer. Integendeel. De voorstellingen van wat er allemaal gebeurd kan zijn, denderen weer eens door mijn hoofd. Ik piekerkont. Ik zoek vluchtig het internet af, even kijken of er op de weg – daar waar zij zouden rijden – nog ‘iets’ voorgevallen is. Niks te vinden.

Om half 1 ’s nachts whatsapp ik in onze familiechatgroep: “Zeg lui, hoe zit dat, zijn jullie goed aangekomen? Geen bericht… is alles oké?” Geen reactie. Vanochtend, na een wat onrustige nacht, ook niet. Ik whatsapp zus met de vraag of zij iets gehoord heeft. Nee, niks. Zorgelijk.
“Nou, om 9 uur ga ik ze bellen, hoor! Dan bel ik ze maar uit bed.”
(Bellen is tegenwoordig altijd de laatste optie, hè).

Om 5 voor 9: floep, een berichtje.
Hoera, het is m’n pa. “Ja. De wifi deed het niet. Nu wel weer. Alles oké.”
Pfff, opluchting! Ze zijn weer veilig thuis.

De goede man erop wijzen dat hij ook 3G én SMS op zijn telefoon heeft…
Ach, dat doe ik later wel een keer.


Eerder verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

De Speurtocht van ’t Sinterkind

Een paar dagen geleden had ik beloofd, dat de kinderen (volstrekt Sinterklaas-ongelovig, maar in ‘Sintermama’ geloven ze voor altijd) hun schoen mochten zetten. Dat is niet tegen dovemansoren gezegd, want als er iets te halen valt, wordt alles met enthousiasme meegespeeld. Alleen vind ik mijn kinderen nu wel oud genoeg voor een tegenprestatie. Laat ze de goede Sint na al die jaren maar eens helpen. Mijn voorwaarde was dan ook: Sinterma doet wat in jullie schoen als de Sinterkinderen wat in Sinterma’s schoen doen. Voor wat hoort wat (en chantage werkt nu eenmaal hartstikke goed in de opvoeding).


Zaterdag, ’s avonds tegen achten: de schoenen zijn netjes gezet. Met een duidelijke hint van de kinderen erbij:
Sinterdinges‘Kom maar op! Sinterdinges!’

Aha. Duidelijk. Challenge accepted. Een paar wortels erbij en twee half bedorven mandarijntjes. Mooi laten staan. Ik kom wel op. Maar jullie dan ook. Game on!

We kijken gezellig The Voice of Germany (ellende), spelen een spelletje Kenniskwis. Tegen elven (bedtijd!) begint zoon ietwat nerveus te murmelen dat zijn schoencadeautje toch eigenlijk wel nú ‘uitgepakt’ c.q. ‘gespeeld’ moet worden. Morgen is het echt te laat…

Ik snap er niks van, maar ik ben de beroerdste niet, dus Why Not: Kom maar op! Sinterkind!

We moeten naar de keuken, alwaar bovenop de eettafel zoons andere, gruwelijk smerige gymschoen staat te gloren. Met iets van een brief erin. Voor mij én dochter: zoon heeft het ‘cadeautje’ namelijk voor ons allebei gemaakt, de schat.

De brief blijkt een plattegrond van ons appartement. Alleen de muren zijn te zien, verder niks. De verhoudingen kloppen niet helemaal (had ik maar zoveel ruimte!) maar dat mag de pret niet drukken.

Verder krijgen we nog een hulpkaart (‘HILFE!’) mee, voor als we echt niet meer weten hoe het verder moet. En natuurlijk een eerste aanwijzing: ‘DU HIER’.

Schoenvulling: brief

dav

‘DU HIER’ klopt niet helemaal, want we staan in de keuken en ‘HIER’ is in de woonkamer, maar dat kon niet anders, volgens zoon, want dan zouden we meteen gezien hebben wat er in de schoen zat.

Op naar de woonkamer, om het ‘DU HIER’ alvast kloppend te maken. Daar ontvangen we het startkaartje met zoekinstructie voor wat een uitgebreide speurtocht door eigen huis blijkt te zijn. Het kaartje laat zien waar we het volgende papiertje kunnen vinden, en het past precies op de nog lege plattegrond, vast te plakken met keurig in de schoen meegeleverde pritstift.

Van de woonkamer rennen we naar het voorraadhok (1) naast de keuken. Really? In die puinbak moeten wij het volgende kaartje vinden?!? Onmogelijk. De voorraden blikjes, flessen sa en cassis (en wijn), emmers, koelkast, schoonmaakspullen, zelfs de broodbakmachine, alles wordt doorzocht. Niks. Nada.

Dan klinkt het achter ons zalvend:
“De blikken van ma en zus zijn steeds naar het lagere gericht, maar bovenin, daar schijnt pas écht het licht!”
We kijken omhoog. Tjemig. Achter het peertje zit een briefje geklemd: een miniplattegrondje van mijn slaap-/werkkamer (2).

Hop, opplakken en door naar mijn slaapkamer. Ik vrees het ergste: de aangegeven zoeklocatie is namelijk in de kast, waar ik al mijn eigen cadeautjes voor Sint en Kerst bewaar. Zoon voelt meteen mijn onrust en zegt: “No worries, mam, ik wéét dat ik daar niet mag komen. Het zit in de andere kant van de kast.” Oh, hoe volwassen en meedenkend, die knul van mij.

We graven door de bak met sokken, BH’s en onderbroeken. Yes! Het volgende kaartje is gevonden. En zo zwoegen we het hele huis door: van de slaapkamer naar de kinderslaapkamer (3), in het bed van dochter (ontsteltenis: “JIJ zat in MIJN bed?? Aaahh!!!”). Ik snap ineens ook waarom het persé vanavond nog moest gebeuren.

Naar de keuken (4). Het papiertje is praktisch onvindbaar in mijn kruiden-en-specerijen-la. De hele handel wordt met grof geweld ontruimd door dochter en daarna weer zuchtend ingeruimd door mij.

Van de keuken moeten we naar de gang (5), waar we de ‘HILFE’-kaart in moeten zetten wegens ‘te goed verstopt’. “Kijk vooral niet in het felle licht, doe dan liever maar de ogen dicht.” Een ware dichter, die jongen! Het kaartje is wederom in ‘het zonlicht’ alias de lamp verstopt.

Vervolgens struinen we naar de wc/badkamer (6) en van daaruit uiteindelijk terug naar de woonkamer (7), waar ik nog steeds niks anders zie dan alles wat er al stond toen we begonnen.

Leuk, zo’n speurtocht door je eigen huis. En jee, wat een werk heeft die knul erin gestopt… Hij geniet er zelf dan ook zichtbaar van.

Daar waar het locatie-kruisje staat, staat het scherm van de beamer. Dochter rukt meteen het scherm van het kastje en voilá.

Onze Sinterdinges-verrassing in volle glorie: een origami-kunstwerk. Mijn houten schaal met kaarsen is omgetoverd tot een waar landschap met mini-tulpen (bespoten met mijn favoriete rozenparfum o.O ), twee grote vlinders, een gigantische ‘sneeuwvlok’ en een hart dat ik achter mijn decolleté kan klemmen.

Ik ben zwaar ontroerd. Allemensen, wat een creativiteit, moeite en liefde heeft hij erin gestopt. En dat voor een 14-jarige puber…

Ik weet nu ook dat hij die middag helemáál niet met zijn Engels-huiswerk bezig is geweest: hij heeft zitten origamiën! En ik besef ineens waar hij al die gekleurde post-its, dat printerpapier, de tandenstokers en die groene eddingstift voor nodig heeft gehad. Huiswerk, duh.

Dan wijst hij vol trots op de ‘Bonus’:
“Hey Mamsiesint, speciaal voor jou is er nog een bonus. Hophop, verder zoeken.”

Het bonus-envelopje bevat wéér een aanwijzing. Vertaald staat er iets op in de trant van: “Mama werkt echt véél te veel en haar valt nu de verlichting ten deel. Ga terug naar de gang en jaag jezelf niet teveel op stang.“
Ik sta werkelijk versteld van mijn eigen kind en kan mijn tranen nauwelijks bedwingen.

In de gang vinden we nóg een kaartje: “Der Spielemacher muss jetzt schlafen” oftewel: de spelmaker moet nu naar bed. Dochter racet meteen naar de kinderslaapkamer (waar ze wegens ruimtegebrek beiden bivakkeren) en duikt zonder omhaal in de hoogslaper van zoonlief.

Dan houdt ze een rol WC-papier omhoog.
“Wat moet jij met pleepapier in je bed, joh? Je kunt ’s nachts óók gewoon naar de WC hoor!” joelt ze met tranen in de ogen van het lachen. Ik kijk geamuseerd naar puberzoon.
“Die is voor als ik mijn neus moet snuiten!! Echt!! Die is nog van toen ik zo verkouden was!!”
Ik lig in een deuk. Alleen de spontane, keiharde ontkenning is al goud waard.

“En. Dat. Is. NIET. De. Bonus!!! Kijk effe verder, ja?”
“Ik durf niet meer!” gilt dochter. “Straks vind ik nog een of ander blotevrouwenblaadje!”
Ik heb het niet meer.
“Kijk dan in die Donald Duck!!” roept zoon terug, lichte vertwijfeling in zijn stem.

Dochter doet braaf wat haar opgedragen is en tovert een prachtige origami-zwaan tevoorschijn.

“Voor jou, mams. Voor de beste en liefste mama van het universum. Met jou kan ik toch altijd weer lachen.”

Ik ben totaal van de kaart. Tot tranen geroerd.

Want mijn zoon weet exact hoe onmetelijk groot dat universum is.

 


 

Overigens kreeg ik van dochter (11) de volgende ochtend dit in mijn schoen:

Een geweldig geschreven, ontzettend lieve brief van Sinterklaas himself (!) aan mij. Dit stond erin (vertaald):

Dankjewel Louise, dat je me al die jaren geholpen hebt. Je hebt me een last van mijn schouders genomen en daarvoor wil ik je bedanken. Ik wil dat je nu ook iets van mij krijgt, als teken van mijn dankbaarheid. Ook wanneer je kinderen ruzie maken, willen ze jou het leven niet moeilijk maken. Wie weet, misschien zul je nog verrast zijn over wat er in je schoen zit en wat je kinderen voor jou doen. Ik zeg enkel: „laat je verrassen!“

Ze heeft de brief helemaal zelf geschreven op de computer, met plaatje erbij. En dan nog dat geweldige pepernotenkunstwerk met hart en naam. En een hoop knuffels.

Ah, de liefde!

Mijn Sinterklaas kan in ieder geval niet meer stuk 🙂


 

 

Kinderfilosofie

“Mam, wat nou als jij mij niet gekregen had… Had iemand anders mij dan gekregen?”
Poeh, da’s best wel een filosofische en spirituele vraag. En ik ben zo a-spiritueel en a-filosofisch als wat.

“Da’s een moeilijke, schatje. Als je bijvoorbeeld gelooft in reīncarnatie en in een ziel, dan zou het best zo kunnen zijn dat jouw ziel in het lichaam van een andere mens terecht zou zijn gekomen.”
“Dat snap ik niet. Dan zou ik ‘ik’ toch niet meer geweest zijn?”
“Het is maar hoe je het bekijkt. Dan ben je de ‘jij’ die je dan geworden zou zijn. Van de ‘jij’ die je nú bent, zou je dan nooit iets geweten hebben.”

“Maar… dat is toch erg? Dan had niemand mij ooit gekend zoals ik nu ben! En dan had jij me moeten missen!”
“Nee, want dan had IK jou nooit gehad. Dan zou ik je ook niet missen, omdat ik je nooit gekend zou hebben.”
Het begint wel wat ingewikkeld te worden nu.
“Maar, maar… als ik er niet geweest was, dan zou jouw wereld nu toch heel anders zijn? Of weet je dan niet eens dat ie anders is, omdat je niet weet dat ik óók had kunnen bestaan?”

Filosofie van de hoogste plank.
En dat voor een tienjarige…
Ze heeft bijna tranen in haar ogen, maar ze gaat door.
“En als jij papa nooit ontmoet zou hebben, dan waren wij er zelfs allebéí niet geweest…”

Zoon (13) mengt zich in het gesprek: “Ja, maar dan wéét je dat toch niet? Als je helemaal niet bestaat, mérk je toch ook niet dat je nooit bestaan hebt? En als je wel bestaan hebt en je bent doodgegaan, weet jij dat zelf toch óók niet? Dat weten alleen de anderen, die nog wél leven.”

“Daar wil ik niet over nadenken. Ik word hier heel verdrietig van.”
Zoon rolt met zijn ogen en zucht eens diep. En dan ratelt hij erop los.

bron: pixabay.com

bron: pixabay.com

“Als mama nooit geboren was, was jíj nooit geboren. En als oma nooit geboren was, was mam er ook niet geweest. En als de oerknal nooit gebeurd was, waren er helemaal nooit mensen geweest. Dan was alles gewoon nog lekker leeg, want dan was er niet eens een ‘alles’! En als je zo nodig in een God wilt geloven, en die God had toevallig een rotdag gehad en geen zin om van Adams rib nog even een vrouw te knutselen, dan waren er helemaal geen vrouwen geweest. Dan hadden mannen zichzelf moeten klonen of de hele mensheid was gewoon een foutje geweest. Is ie sowieso. En dan had jij óók niet bestaan.”

Dochter kijkt haar broer met grote, waterige ogen aan.
“Waar héb je het over?”

“Over het feit dat de wereld om de zon draait en niet om jou.”

Basta.


Eerder gepubliceerd op: HoeVrouwenDenken.nl <- kijk daar voor meer artikelen, blogs en columns!

Afscheid van volwassenheid

“Volwassen worden is afscheid nemen van steeds meer vormen van jezelf die je ooit had kunnen zijn en de beperkingen aanvaarden van de persoon die je merkt te zijn geworden.”
(uit: “Een tafel vol vlinders” – Tim Krabbé)

afscheidvanvolwassenheidvlindersLBNou, ik merk niks. Toevallig. Niets van die vermeende volwassenheid, niets van de personen die ik allemaal niet geworden ben. Lichamelijk volwassen ben ik al lang. En breed ook. ‘Ervaringsvolwassen’ ben ik – vrees ik – eveneens. Alleen dat geestelijk volwassen worden, dat wil maar niet lukken.

Ik heb dan ook nooit echt afscheid genomen van al die persoonsvormen die ik had kúnnen worden, simpelweg omdat ik nooit heb stilgestaan bij wie ik allemaal geweest had kunnen zijn. Ik ken alleen de ik die ik nu ben, inclusief de beperkingen van die ene ik. Oh, de eenzaamheid… Ik kan dus eigenlijk alleen maar concluderen, dat ik ondanks alles nog steeds kind ben gebleven: een 14-jarige met 30 jaar ervaring. Misschien moet ik dan nu maar afscheid nemen van het algehele concept ‘volwassenheid’?

Mijn mama zei ooit: “je wordt pas écht volwassen als je ouders er niet meer zijn.” Ze sprak uit eigen ervaring. Ik denk dat het klopt. Het hoeft niet eens de fysieke afwezigheid, de dood van je vader en/of moeder te zijn; als je ouders geestelijk (bijvoorbeeld door psychische achteruitgang, dementie of zelfs amnesie) niet meer in jouw leven deel kunnen nemen, is degene die altijd verantwoordelijk voor jou was, ineens jouw verantwoordelijkheid geworden. DAT is volwassenheid door afscheid.


Eerder gepubliceerd op HoeVrouwenDenken.nl

Da Vinchelangelo

Het leven van een moeder gaat niet over rozen. Niet eens over geschilderde rozen. Enkel over donkergrijs asfalt, op het moment dat ze haar boze zoon gaat ophalen bij het busstation.

Boos, ja. Want: lang verhaal.

Zoon (13) heeft morgen een spreekbeurt. Zelf gekozen onderwerp: Leonardo Da Vinci. Daar kwam hij vorige week mee aanzetten: “Mam… ik weet echt niet hoe ik het aan moet pakken. Er is zó veel over die Da Vinci, hoe krijg ik dat in tien minuten gepropt? Ik kán dit gewoon niet.” Tja. Wat doe je dan als moeder? Juist. Je mompelt een keer: “daar kom je lekker vroeg mee, lieffie…” en gaat samen met je kind aan het werk. Info verzamelen, tekst in elkaar flansen, grote posters knutselen met prachtige, op sjiekdefriemel fotopapier geprinte foto’s met titels erbij etc. etc. (en ja, hier op school moet alles nog op grote posters die je dan op het schoolbord plakt; computers met powerpointpresentaties en beamers zijn voor watjes).

Manmanman. Wat een werk. Maar: zoon was happy. En dáár gaat het om.

Vandaag 13:00h
Mobieltje schreeuwt “Plinggg!” Een stinkchagarijnige zoon meldt dat hij vandaag geschiedenisles had. Het ging over Michelangelo. De docent toonde (op de overheadprojector, dat kan/mag qua techniekgehalte nog net daar op school) het schilderij ‘De schepping van Adam‘. Prachtig schildering in de Sixtijnse Kapel. Staat ook in volle glorie op de spreekbeurtposter van zoon, dus meldde hij prompt in de les: “Huh wat? Michelangelo? Niks Michelangelo! Dat is van Da Vinci! Heb ik allemaal uitgezocht voor mijn spreekbeurt morgen!”

Vervolgens lachte de klas hem pontificaal uit. Da Vinci? Niks Da Vinci!
Oeps. Dat hadden wij in al onze spreekbeurtstress dus heel even -eh- ‘over het hoofd gezien’. Zoon kreeg meteen de vraag of hij wel zeker wist of hij zijn spreekbeurt morgen nog wilde houden, want misschien stond er onverhoopt ook nog wel iets over Picasso, Rembrandt of Botticelli in?

En toen was zoon boos. Op mij. Want IK had dat moeten weten. Had ik ook. Wist ik ook. Maar ik had óók stress.

13:05h
Ik scheur over dat donkergrijze asfalt naar het busstation (want de bus naar hier had zoon inmiddels gemist), pik mijn über-chagrijnige jongske op, race naar het huis van ex, alwaar zoon zijn daar gestalde posterpruttel meegrist, rij verder naar huis. Eerst brood in het arme jong gestopt (want honger) en ondertussen – Adam inclusief titel – minutieus van de poster gepeuterd. (Prittstift plakt beter dan ik dacht). Niet mooi, maar goed. Tekst veranderd. Nieuw meesterwerk gezocht. Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal hadden we natuurlijk al, dus nu kwam De Doop van Christus er dan nog maar bij. Een interessant schilderij, er stond Da Vinci bij, dus kon niet missen. Uitgeprint, opgeplakt, tekst en spiekkaartjes verbeterd. Opluchting.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Andrea_del_Verrocchio_002.jpg

bron: Wikimedia Commons

Blijkt dat het schilderij door Verrocchio, de leermeester van Leonardo geschilderd is. Leonardo mocht, in het kader van een leerzame schilderles, het engeltje linksonder schilderen. En dat is ook te zien ook: duidelijk fletser en onscherper dan de rest. De prutser.

Toen was ik er klaar mee. “Nou, dan vertel je DAT maar. Hoe hij in één van zijn eerste officiële schilderpogingen een engeltje in het schilderij van zijn leraar mocht kliederen. Klaar.” Lang genoeg tegen die doop aangekeken. Allejezus…

Zoon protesteerde niet, de verstandige jongen. Spreekbeurtzooi weer in de tas gepakt, zoon met tas en al in auto gestopt en terug naar ex gebracht, alwaar hij zijn ‘nieuwe’ spreekbeurt mocht gaan oefenen.

Veel succes morgen, lieverd! Met je Da Vinchelangelo.

Brullen met tranen

21 uur. Bedtijd voor kleine kindekes.
“Mam, die zelfgemaakte patat ligt me dwars…”
“Neem je slokdarm als zweep en sla ‘m in ’t fatsoen, ja?”

Zoon grinnikt.
“Nee echt, als ik van hiero naar beneden op het parket kots [zoon heeft, net als dochter, een hele hoge hoogslaper], mag jíj de boel straks van het plafond schrapen.”
“Been there, done that, got the swiffer. Mij maak je niet bang.”

De humor. Vandaag is ie weer groots. Zoon stommelt naar de badkamer om vervolgens onverrichter zake voor een glas water naar de keuken lopen. En passant graait hij in de bak met laadkabeltjes (dat doet hij nu eenmaal graag, een automatisme). Eentje daarvan valt me nu ineens op.

“Hé, weet je nog, dat op afstand bestuurbare helicoptertje dat ik stante pede terug gestuurd heb omdat ie het niet goed – of eigenlijk helemaal niet – deed? Nou, dít is de laadkabel daarvan.”
Zoon ligt in een deuk. Tranen. Nu moet ie pas écht kotsen. Zegt ie.

“Oh en ik heb dat pakje met 3 nieuwe AAA-batterijtjes, waarvan ik claimde dat ze eveneens niet in de verpakking zaten, laatst ook in hal gevonden…”
“Waarom deed dat ding het niet dan? Waarom moest ie terug?”
“Nou, dáárom dus…”

Ze zijn eindelijk zo ver: ze liggen in hun bedden, of ‘doodskisten’ zoals dochter het blieft te noemen. Het plafond is namelijk slechts zo’n 50 cm boven hun neuzen. Tja, je moet wat hè. Zoon weet in ieder geval de oplossing om snel in slaap te vallen: met een noodvaart rechtop in bed gaan zitten. “Nou euh, tot over een dag of drie!!” brult ie jolig. In hun kamer [ja, ze slapen ook nog eens samen in één kamer, groot is het hier nu eenmaal niet] heb ik altijd de neiging om zooi op te ruimen en stof af te nemen. Ik, de huishoudelijke slons bij uitstek. U kunt zich voorstellen hoe het er daar uitziet.

Het los liggende dekseltje van een door dochter zelf gekleid paars-rood-blauw potje doe ik vol opruim-enthousiasme weer netjes op het onderste deel. Resultaat: de tanden en kiezen vliegen me om de oren.

“Neeeeeee, stupido!!! Mijn kiezen!! En ik verlies er al zo veel!!”
Da’s waar. Ze heeft boven en onder nog nét twee voortanden en hier en daar een hoektand. Daar houdt het wel mee op.
Dochter stommelt van de ladder omlaag om op de grond haar tanden bijeen te rapen.
Met de tranen nog in de ogen, jodelt zoon, dat je in dit huis sowieso elke dag minstens drie tanden verliest en dat op een blokje lego trappen er echt niks bij is. Maar: als we straks allemaal kunstgebitten hebben, zien we ze op de grond in ieder geval niet meer zo snel over het hoofd. Wel zo handig. De grapjas.

Ineens komt hij daadwerkelijk met een rotvaart overeind, ramt zijn hoofd tegen het plafond, dondert zijn hoogslapertrap af, geeft mij in het voorbijgaan met de ene hand een pets op mijn hoofd terwijl hij zijn andere voor zijn mond klemt. Een perfecte home run naar het toilet, om daar vakkundig zijn beugel eruit te spugen, begeleid door de genoemde patatten. En wie oh wie mag die beugel tussen het braaksel door weer uit het toilet vissen en minutieus schoonmaken, hmm? Juist. Di Mamma.

Het min of meer gebruikelijke avondritueel in huize(ke) Bartels.
Altijd weer leuk.

Muggenbulten

“Mam, weet je wel dat jij nog steeds muggen hier in huis hebt?”
Zoon (13) krabt demonstratief aan zijn benen.
“Echt, ik heb óveral muggenbulten. Ze jeuken niet zo erg, maar toch ook wel een beetje. En soms doen ze zelfs pijn…”
Hij trekt er een gruwelijk meelijwekkend gezicht bij.

Ik weet heel zeker dat er geen muggen meer in huis zijn. Het is nota bene eind november, buiten vriest het en ik heb zelf al weken geen mug, vlieg of ander ongedierte meer gezien. Enkel joekels van herfstspinnen en een verloren fruitvliegje.

“Nou, laat eens zien dan?”
Hij showt z’n been. Ik zie een klein rood restplekje.
“Die was vorige week nog écht groter, hoor! Maar op de één of ander manier is ie nu ineens weer bijna weg.”
Ik vraag of hij er dan misschien nog meer heeft. Hij keert me letterlijk de rug toe.
“Kijk! Hier! Een hele grote, rare. Met een bobbeltje. Ik voel ‘em!”

Ik grinnik vertederd.
Mijn puber krijgt puistjes.

Beschrijf je zusje

Zo luidt vandaag zoons oefenopdracht voor het vak Duits (als in: Nederlands voor Nederlandstalige kinderen, maar dan net even anders). Over twee weken het grote proefwerk: De Persoonsbeschrijving.

Ik zit te werken op mijn kantoortje, hij om de hoek aan de keukentafel, nog geen twee meter verderop. Ik hoor hem foeteren en ploeteren.

Persoonsbeschrijver“Ik beschrijf mijn zusje.

“Kolere, wat schrijf je nou over een zusje.”
“Mijn zusje heet Tina*. Ze is een meisje, maar dat had u vast al verwacht.”
Dochter grinnikt vanuit de woonkamer.
“Ze is toevallig ook nog het kind van mijn moeder. Net als ik.”

Ik schiet ook in de lach, maar luister nu wat preciezer naar zijn gemompel; zoon heeft duidelijk inspiratie. En een pesthumeur.
“Gossamme, hoe schrijf ik meer dan tweehonderd woorden over iets dat ik niet eens beschrijven wíl?”

Mijn zusje heeft een grote mond waar ze vaak vet veul eten in propt.
Luid protest vanuit de woonkamer dat die zin onmiddellijk ‘geinktwisserd’ moet worden. (“Héé! Das wirst du sofort tintenkillern! SOFORT!”)

Dan barst hij los, zoals altijd hardop denkend (waar ik mij dit keer echter zeer over verheug)

“Mijn zusje heet Tina. Ik zal het even spellen. We hebben een teeee. We hebben een iiiii, we hebben een ennn en natuurlijk hebben we ook nog de aaaa. Mijn zusje ziet er precies zo uit als mijn moeder, alleen kleiner.”
Ik hoor hem in zijn tas rommelen.
“Hier, heeft u een foto van mijn moeder.”
Ik grijns vertederd.
“Deze foto heeft net als alle foto’s vier hoeken en is nogal klein. Hij is geprint op fotopapier met een…”

“Maahaaam! Wat voor merk printer heb jij?”
“…Brother-printer. Die printer heeft mijn moeder natuurlijk ook bij Amazon gekocht.”

Stilte. Ik neem aan dat zijn hersenen even op adem moeten komen.
En het is me nu ook duidelijk dat ik veel te vaak iets bij Amazon bestel.

Amazon is een mega-groot bedrijf dat overal op de wereld een hoop rotzooi aan mensen verkoopt. Maar onze printer is geen rotzooi, die is goed. Dat ziet u wel aan deze foto. En mijn moeder zegt dat ook iedere dag. Amazon komt trouwens uit Amerika. Amerika noemen ze ook wel de Verenigde Staten maar eigenlijk is Amerika een continent en de Verenigde Staten gewoon een land van veel landen.”

“Ze hebben daar een vlag met strepen en sterren erop. Sterren staan ook aan de hemel. Maar de hemel zelf is een verzinsel. Het is gewoon ons zonnestelsel in het universum, waar we met zijn allen stom naar zitten te staren.


“Zo, nu weet u ook hoe mijn zusje eruit ziet.

“Hoeveel woorden heb ik nu”

“Ik reken mooi die gespelde letters ook als woorden.”

“Sjezus, nóg vijftig!” Hij tikt getergd met zijn pen op tafel, op zoek naar een oplossing.

“Mijn zusje stottert nogal. Ondanks dat praat ze toch irritant graag en veel. Als mijn zusje iets tegen mij zegt, dan gaat dat altijd zo: “Hey, hey, hey, hey, blijf blijf blijf blijf met met met met je je je je je vieze vieze vieze rot rot rot rot ving-ving-vingers van van van van de de de de af-af-af-afstands be-be-be-diening-ning af af af af af. AF!” Ja, mijn zusje kijkt erg graag naar de televisie.”

“Zo. Dat moet wel genoeg wezen.”





*) Die naam heb ik verzonnen. De rest niet. Ik heb getuigen. En nee, ‘Tina’ stottert niet.

Vluchteling in de bus

Dochter (10) komt ’s middags met de schoolbus naar huis. Ze knalt de deur dicht, smijt haar tas in de hoek en roept meteen: “Mam! Weet je wat? Vandaag zat er een vluchteling in de bus! En IK zat naast hem!!”

Tja, dat kan gebeuren: nog geen vijfhonderd meter verderop is een net gerenoveerd hotel annex restaurant met nog veel vrije kamers en gastenappartementen in no time omgetoverd tot een opvanghuis annex AZC voor de vóór de Duitse grens gestrande vluchtelingen. Inmiddels zitten er een stuk of vijftig, waarvan circa tien kinderen bij dochter op school zitten. Ze wonen daar heel erg mooi, met een zwemmeertje [‘oh jee…’ dacht ik. (vergeef me)], een prachtig beekje [meer oh jee’s misschien?], een speelplaats met leuke wipwappen en bungeltoestellen en alle benodigde faciliteiten tot hun beschikking. Een persoonlijk initiatief van de hotelier met (financiële en psychische) ondersteuning van de lokale Diakonie. Zelfs een eigen bus is inmiddels geregeld om te voorkomen dat de oorlogsvluchtelingen ter plekke in een isolement raken; er rijdt daar [‘in deze negorij hier’ denk ik dan (vergeef me opnieuw)] immers geen ‘normale’ busdienst. En misschien worden het er binnenkort wel honderd, maar tot nu toe heb ik nog helemaal niets van ze gemerkt [ja, ik hoor ’t u vragen: “móet dat dan?” Nee.]. Niets gezien; geen incidenten, geen bedreigde vrouwen, geen inbraken, geen vechtpartijen, geen iPhones, geen overlast, he-le-maal niets. Tot vandaag.

Dochter vertelt honderduit over haar ‘dispuutje’ met ‘de vluchteling in de bus’. Een jochie van een jaar of acht.
“We hebben van die enkele en dubbele zitplaatsen in de bus, maar hij ging dus op een dubbele zitten en ik ben gewoon maar eens naast hem gaan zitten want hij zag er best heel interessant uit.” Helemaal goed, schatje. Geen xenofobische trekjes in ieder geval.

Maar het geijkte obstakel doemde klaarblijkelijk al snel op: ’t jochie sprak geen woord Duits en dochter helaas geen Syrisch (of was het toch Ghanees?). Het mocht niet deren: als dochter wil communiceren, wordt er gecommuniceerd. Punt. Het jochie schoof wat op en trok vervolgens zijn voeten in kleermakerszit onder zich op het zitvlak de stoel.

“Ja, en dát, mam, DAT kon dus écht niet hè!! Hij had vreselijk gore schoenen aan, vol met modder! [‘van het rondploeteren in dat zwemmeertje??’ denk ik dan. (Vergeef mij nog maar eens een keer…)] En sowieso mag je in de bus niet met je vieze schoenen op de zitting. Dat mag thuis toch ook niet? Van Harry [=de buschauffeur] mag dat dus al helemáál niet niet! Maar die zag dat niet want die moest rijden en hij was aan het telefoneren en zijn sigaret aan het maken tegelijk, en…” Dochter kakelt aan één stuk door. Ik smeer een boterham, aanhoor haar en denk enkel: “Morgen eens even een woordje met die Harry wisselen over telefoons en sigaretjes-rollen tijdens het rijden.”

“…dus zeg ik tegen hem: ‘Hé jij, vluchtelingenjongetje! Dat mag niet van Harry, hoor!’ Nou, hij keek me toch een potje raar aan… Toen wist ik het: hij verstónd me helemaal niet! Dus deed ik mijn voeten óók heel even onder me op de stoel en toen wees ik ernaar, keek hem hartstikke boos aan en schudde heel hard m’n hoofd en wijsvinger voor z’n neus. Toen zette ik mijn voeten weer op de grond, wees ernaar en knikte lachend naar hem. Mét duim omhoog. En weet je wat, mam? MET DIE DUIM HIJ SNAPTE HET INEENS!!! Hij deed meteen z’n voeten omlaag. Hij keek me héél even weer zo raar vragend aan maar ik knikte blij, zo van ‘ja jochie, zo is ’t goed’. Toen lachte hij zelfs naar me! Lief hè? Ik vond ‘m echt heel aardig. En hij heeft hele mooie tanden! Maar weet je, als je een vluchteling gewoon zégt – nou ja, zoiets van zeggen dan hè, dat snap je wel – wat er hier allemaal niet mag, dan doen ze dat dus ook niet meer! Ze wéten het alleen niet, want bij hun thuis was dat anders. Dus je moet het ze zéggen! Én je duim omhoog doen. Tof hè?”

Afijn. Samenvatting niet nodig, lijkt me.

_______________________________________

WAARSCHUWING n.a.v. een posting van Tiny S. op FB: Wees voorzichtig met die duim!! Misinterpretatie is mogelijk 🙂 Tiny schrijft: “Een duim omhoog is een veilig positief gebaar, zolang je niet in Latijns-Amerika, West-Afrika, Griekenland, Rusland of in het Midden-Oosten bent. Daar betekent een duim omhoog ongeveer hetzelfde als een middelvinger hier. Volgende keer dus eerst even goed nadenken wie je op Facebook een ‘like’ met een duimpje omhoog geeft.” 

En een kleine aanvulling m.b.t. de context van dit blogje: Hier (dat is dus in Oostenrijk en dan vooral in het deel waar ik woon), zijn erg weinig (lees: praktisch geen) buitenlanders. Anders getinte mensen – ik weet niet hoe ik het anders kan/mag omschrijven -kom je hier nauwelijks tegen. Op de school met pak-em-beet 220 leerlingen zaten tot voor kort welgeteld 3 kinderen die niet Oostenrijks-katholiek zijn: een Jehova’s getuige, een Turks jongetje en een ‘ongelovige’ (=dochter). Een vluchteling is dus daadwerkelijk een exoot hier, en daarom ‘interessant’; men ként het (ze) gewoon niet. Misschien is dit ook de reden voor de grotendeels afwezige agressie tegen en/of allergie voor alles wat met vluchtelingen/asielzoekers te maken heeft. Dochter was in dit geheel enkel onbevangen, niet vooringenomen en open voor ‘nieuwe aapjes’ (zoals het op facebook genoemd werd). Dit blog is niet denigrerend bedoeld, het is enkel een anekdote in genoemde context.

Lintworm

Zondags ontbijt.
Dochter neemt een grote hap van haar broodje filet americain. Ze kauwt genoeglijk.
LintwormOnderwijl oppert zoon nonchalant: “Hey mam, lintwormen zitten in rauw vlees, hè?”
“Euh, ja. Ook.”
Ik kijk hem scheef aan, snap heel goed waar hij heen wil met zijn vraag.
“En als je een lintworm hebt, dan vreet ie alles in je darmen op, toch?”
Alsof hij dat niet zou weten. Het jong weet sowieso alles.

Ik leg zo zakelijk en droog mogelijk uit dat lintwormen bij mensen maar héél zelden voorkomen, bij dieren die rauw vlees eten en vaak vlooien (overdragers van dergelijk gespuis) hebben, zoals katten, wel wat vaker. Dat koeien die wormen en hun eitjes in hun darmen kunnen hebben door gras met besmette ontlasting te eten. Dochter stopt met kauwen.
“Yuck!! Kunnen jullie het niet éven over iets anders hebben?”

Maar zoon weet van geen ophouden.
“Joh, maak je niet druk. Als jij een lintworm hebt, word je eindelijk slank. Mooi toch?”
Dochter kijkt verongelijkt naar haar buik.
“En als je niet genoeg eten in je buik hebt, begint ie gewoon met je ingewanden. Dan word je van binnen helemaal uitgehold. Oh, en hij legt ook eitjes die naar je hersenen kunnen gaan. Dan word je nog gekker dan je nu al bent.”
Dochter wordt bleek.
“Ja, echt! En koeien hebben het nu ook nog heel vaak hoor! En dan zitten de eitjes in het vlees. In gehakt en zo. Lekker joh!”

Ik kijk zoon vermanend aan. Nú stoppen of in de woonkamer verder eten. Met de deur dicht a.u.b.
Zoon staart stoïcijns terug en mompelt tussen neus en lippen door: “Nou zeg, ik wou alleen maar even waarschuwen. Dat wat zij nu eet – hoofdknikje richting dochter – is ook hartstikke rauw, gemalen koeienvlees.”
Dochter racet naar de badkamer.

Elke keer weer gezellig, dat zondagse ontbijt.

Mijn zaad is op.

MinecraftIk lig in bed. Zondagochtend, veel te vroeg wakker door mijn eeuwig lawaaiige buren. Dit keer een heftig stampende bovenbuurvrouw. Zoon en dochter zitten al lang en breed in de woonkamer, TV aan. Klinkt als StarWars. Keuvelende kinderen, niks leukers om stiekem naar te luisteren.

“Tjeeeee, jij bent ook zo’n jonkie hè, toen jij in deze wereld kwam, was ik al zesentwintig.”
[Huh? Echnie. Je was nog net geen drie toen je zusje kwam. Zesentwintig, tssss…]
“Zal ik jóu eens wat vertellen over de andere wereld? Ik kan je er wel even naar toe helpen, hoor.”
[Hola, wat zijn we van plan? Mijn ogen worden groter. Even naar de andere wereld helpen, da’s toch geen typische zondagochtendactiviteit…]
“Rot op, ik kan het echt wel alleen in dit leven.”
[Dat is nog eens een statement. Go for it, girl.]
“Als jij zo oud en zo ver bent als ik, moet je met heel andere bazen vechten. Jouw bazen zijn watjes. Je koopt ze zo. Met boter.”
“Mijn baas is toevallig Het Einde. En hij heeft een coole draak.”
[Oh, wacht eens…]

“Zo maar eens even met de dorpelingen onderhandelen. Ik heb nog een paar diamanten over.”
“Emeralds doen het veel beter, hoor.”
“Je moet naar andere dimensies gaan. Dán kom je pas echt verder. Veel meer boter daar, ook.”
“Ja, maar sommige dimensies zijn de hel…”

“Hey, ik heb nieuwe wapens gemaakt, kijk. Met mijn dolk kun je ook nog eens supersnel oogsten. En in no time vet killen.”
“Jemig joh, je moet het echt langer volhouden, hoor!! Langer! Blijven steken! Nog langer! Ja!! Jaaa!!!!”
“Nou, ik heb mijn schuilhut toevallig wel mooi af. Nog even een bed bouwen en dan ben ik weer veilig. Je mag wel in mijn bed straks. Zijn we eigenlijk alweer verbonden?”
“Jij met je hutten en je grotten. Ik heb een gigamegakasteel gebouwd, kijk dan!?!”

“Mijn hongerrepen zijn op. Heb jij nog wat te kanen? Ruilen?”
“Als je nou eens een boerderij begint, heb je zat te vreten voor de rest van je leven.”
“Hmmm. Heb jij dan nog wat zaad voor mij?”
“Nee, mijn zaad is hartstikke op. Ik ga hout hakken.”

Ah… Aha.
Minecraft, de digitale legoversie.
Even verlang ik terug naar de 1.0-blokkendozentijd.
Toen kon je nog gewoon horen hoe ze elkaars kastelen omver trapten.

De Liefde – revisited

Vandaag is het dan toch zover: ik heb weer twee kinderen. Het ene heeft zich stierlijk verveeld omdat ze vijf dagen lang niemand had om haar ergernissen op bot te vieren. Het andere was een midweek op schoolkamp en is nu ineens als een halve puber terug gekomen.

Om half één rijd ik de parkeerplaats op, direct achter de bus waar met koeienletters “Alles wird Gut” op de achterruit staat. We hopen het maar. Door de letters heen zwaaien er een paar kinderen enthousiast naar alles wat rijdt. Ze leven nog, dat is een goed teken. Verstoppen onder de stoelen is er blijkbaar al niet meer bij.

Zoon komt scheef grijnzend de bus uit springen, mompelt iets van: “eyy mam,” en loopt linea recta naar de bagageruimte waar hij zijn weekendtas uit de massa opgraaft. Hij laat zich een korte ‘mama-moet-nu-toch-echt-éven-knuffelen-sessie’ welgevallen en na een fatsoenlijk afscheid c.q. bedankje aan de docente rijden we naar huis. Liefde

Hij vertelt niet veel. Ik moet alles eruit trekken, mocht ik echt iets willen weten. Maar ineens houdt hij het niet meer uit en barst los: “ik heb nóg een brief gekregen!!” M. heeft hem nu officieel de liefde verklaard, maar dan wel in het geheim. Een geheime liefde. Hij duwt me zijn portemonnee in de handen, waar alle briefjes, inclusief die, die hij op mijn commando uit de prullenbak heeft gevist, ingepropt zijn.

Ik ontfrommel ze, strijk ze een beetje glad. De evolutie van het liefdesgebeuren wordt duidelijk zichtbaar. Het eerste briefje is een cool aftasten: “Hallo, hoe gaat ie. Groetjes, M.”  Tja. Wat móet je ermee als elfjarige… Iets antwoorden van “Hey, ja goed hoor, maar nu dus net even iets minder – en bedankt hè!”  is ook not done. Het tweede briefje is in het geniep door een vriendinnetje in zijn jaszak gestopt: “jij bent  cool.”  Dát is nog eens een statement. Een groter compliment kun je een jongen op die leeftijd niet maken. Vooral niet als de knul in kwestie met duidelijke coolnessmankementen te kampen heeft. Het derde briefje heeft zoon door de telefoon al beschreven. De keuzemogelijkheden van het algemene aardig vinden: JA of NEE. Eigenlijk zou hij dit briefje al niet meer in bezit moeten hebben: aankruisen en terug ermee. Klaar. Makkelijkste methode. Het vierde briefje is duidelijk van een ander, intenser kaliber: “Ik hou van jou, T. [hartje]. Als jij ook van mij, geef me een teken. En het is geheime liefde (niet doorvertellen a.u.b.) [hartje][hartje]”

God wat een moed. Ik bewonder M. Zo jong en toch al zó dapper in liefdesaangelegenheden. Ik vraag zoon losjes of hij haar dan al iets geantwoord heeft. “Ja ja. Ik heb een brief terug gestuurd!” Vol goede hoop informeer ik wát hij dan geschreven heeft. “Nou gewoon: ‘Ik weet het nog niet. Ik moet er nog even over nadenken,’” en hij kijkt mij triomfantelijk aan. “Je kunt niet gelijk toegeven hè, dat hóórt niet!”

Een harde noot, die zoon van mij.
Een zomaar ineens bijna puberale noot.
Komt goed.

Als de liefde toeslaat…

…moet je als elfjarige blijkbaar even heel hard slikken.
Én je moeder bellen.
Dat ook.

Bezweet kijk ik, na een uurtje intensieve, sportieve bezigheid, op mijn telefoon. Eén gemiste oproep: het nummer van een vriendje van mijn zoon. Ze zijn een week op schoolkamp en zoon wilde geen mobiel meenemen. Dat was volgens hem nergens voor nodig. Waarom zou hij ons in vredesnaam moeten bellen? En als we hem wat dringends te zeggen hadden, konden we toch de begeleidend docente bellen? Ik kijk naar m’n display, voel naast mijn zweet nog wat andere nattigheid en bel het nummer terug. Zoon neemt meteen op en mijn indruk dat er iets is, wordt zo mogelijk nog sterker.

‘Oh haaaai mam…’ meldt hij zich nonchalant.
‘Hey lieverd! Marco heeft gebeld? Vertel, wat is er aan de hand? Hebben jullie het naar de zin daar?’
‘Euh… jawel hoor… we hebben gewandeld en een mierenhuisdinges in het bos gebouwd en gisteren hadden we een fakkelwandeling en kampvuur en zo. Best leuk, ja…’
‘Fijn. Kun je ook een beetje goed slapen? Je hebt toch geen heimwee of zo, hè?’
‘Nee nee, nergens last van…’
‘Lieverd, wat is er?’
Ik wacht gespannen af. Korte stilte, diepe zucht. En dan wat beschaamd gefluister. Tot drie keer toe zeg ik dat hij toch echt harder moet praten omdat ik er werkelijk geen bal van versta.
‘Ik… heb… ‘n… l..fd.sbr..f gekregen…’
‘Een wat?’
‘Een l…d.sbr..f.’
‘Wat???’
‘EEN LIEFDESBRIEF!’
Hij spuugt het er bijna uit. Alsof het een vreselijk smerig woord is. Ik moet mijn best doen om niet heel erg in de lach te schieten en vuur wat standaardvragen op hem af: Van wie?? Wat vind je er zelf van? En wat schreef ze dan?
‘Hij is van Melinda*.’
Dan nog meer stilte, een hoop ‘euhs’ en wat gefluister op de achtergrond.
‘Heb je de brief daar nog?’ vraag ik voorzichtig.
‘Nee, natuurlijk niet. Ligt in de prullenbak.’
Ik sommeer hem de brief er weer uit te halen; hij moet hem bewaren want dit zijn waardevolle dingen. Bovendien is het meisje in kwestie heel moedig geweest en is dit iets ontzettend liefs, ook al ziet hij dat nu nog niet zo. Als hij ‘m niet wil houden, bewaar ik de brief wel tot hij hem wél kan waarderen. Als hij twintig is of zo. Schoorvoetend loopt hij met mobiel en al naar de prullenbak en vist de brief er met hoorbare tegenzin weer uit.
‘Nou ehm… ze schrijft: Hoe gaat het met jou? Vind je mij aardig? Er staan twee vakjes achter waar ik JA of NEE aan kan kruisen. En dan: Ik vind jou heel aardig!’
Stilte. Alweer.
‘Goh lieverd… en wat vind je er zelf van?’ De geijkte moedervraag als je het zelf ook niet meer weet.
‘Maaham… dit is beangstigend… Ik weet echt niet wat ik ermee moet.’

Beangstigend. Zijn beschrijving voor een liefdesverklaring. Ik heb met mijn kind te doen… Nog drie dagen schoolkamp en hij weet zelfs niet eens meer hoe hij het meisje in kwestie moet aankijken. Voordat ik überhaupt iets kan zeggen, schalt hij alweer in het mobieltje:
‘Oh mam? Ik bel je morgen nog wel! Ik ga nu chips eten met Marco en Abdullah. Doeiiii!!’

En weg is ie, mij grinnikend en vertederd achter latend.
Als de liefde toeslaat, slaat ie hard.
Dan helpt alleen nog maar paprika-chips.

.

.

*) naam om privacyredenen veranderd 🙂

De slachting van Robbie

Ergens eind oktober had ik een grote hokkaidopompoen namens ‘Robbie’ van mijn schoonmoeder gekregen. Ja. Robbie. Het ding kreeg een naam, dit was ’t en niet anders.Robbie  Robbie was goed 4,5 kilo zwaar en heeft uiteindelijk bijna drie maand lang bij ons mogen bivakkeren. Het was een lief ding met een hoge gezelligheidsfactor en een frishollandse kleur die bij elke gang naar de keuken een beetje van mijn heimwee weg wist te nemen. Na een tijd in de keuken naast het fruit, op het afdruiprek, op het aquarium (dat was een uitdaging) en op een bolle vaas (een nog grotere uitdaging) gepronkt te mogen hebben, werd Robbie uiteindelijk wat weekjes. Hij voelde zich duidelijk verwaarloosd en zocht daarom de warmte en het innige gezelschap van enige bacteriën en schimmels aan zijn verkilde voeteneinde.

Wel. Robbie vond ik op zich best goed te hebben. Hij was rustig, keek gemoedelijk toe, bracht een beetje kleur in het keukenleven en als paper weight deed hij het ook niet slecht. De schimmelkoloniën vond ik daarentegen duidelijk minder. En daarom stond mijn besluit vast: Robbie moest vandaag dan toch maar geslacht worden. De schimmelvrienden heb ik met een dunschiller geëlimineerd en Robbie zelf van zijn ingewanden bevrijd. Mummificeren was hiermee dus ook nog een optie geweest maar dan had ie nog wéér zo lang in de weg gelegen…

Middels rituele slachting in stukken gehakt en professioneel in meerdere plastic zakken verpakt, verdween tweederde van Robbie vooralsnog in de diepvries. We konden hem niet in één keer opvreten, hij was simpelweg te pompeus. De overige kilo Robbievlees wilde ik vandaag nog tot iets lekkers (nou ja, eetbaars) omtoveren. In iets wat de kinderen in ieder geval niet meer als Robbie zouden herkennen. Een taart was snel gegoogeld. Pompoentaart. Dus.

Eerst moest ik Robbies in stukken gehakte vlees nog verder verkleinen. In mijn Tupperware-speedychefmaalding ging dat prima. Gehakte hazelnoten, twee eigelen, suiker, boter, stijfgeklopte eiwitten, zelfrijzend bakmeel, alles werd liefdevol met elkaar en met de Robbieprut gemengd. Ik mompelde in mezelf: “dit ziet er eigenlijk best wel uit als kots…” en de alleshorende kinderen riepen heel hard: “iiiiewwww!” om vervolgens een vinger door de smurrie te halen en me gerust te stellen dat ’t in ieder geval niet naar kots smaakte. Maar wat waren dan die oranje stukjes? Wortel? Euh… ja.

RobbietaartNa de voorgeschreven vijfenveertig minuten bij 175° in de oven was de Robbietaart nog steeds half vloeibaar. Nog maar ‘ns dertig minuten dan. Vervolgens tien minuten in de magnetron want Robbie hield de smurriefase krampachtig vast. Nog eens tien minuten in de oven. Toen was ik het zat. Ik zette de bakvorm op z’n kop op een bord (c.q. ’t deksel van de bakvorm) in de hoop dat de taart er gracieus uit zou ploppen. Helaas plopte alleen de ongare binnenkant plomp op het bord, de rand bleef muurvast in de vorm zitten. Het bord met de smurriebrokken gelijk maar weer in de oven gepleurd, de randen uit de vorm gebikt en met een flinke dosis poedersuiker zo goed als onherkenbaar aan de kinderen gevoerd.

De commentaren van de vakjury logen er niet om (in deze volgorde):
“Het ziet er nog steeds uit als kots. Gebakken kots.” (zoon)

“Maar het is te eten. Best aardig zelfs…” (zoon, bedenkelijk kauwend)
“Lekker!” (Dat was dochter. Die vindt alles wat ook maar enigszins zoet is, lekker)

“Ik hoef niet meer. Maar het was wel oké hoor!” (Dat was ook dochter, na twee kleine stukjes, mijn vlammende ogen ontduikend).
“Euh… zoals ik zei: het is eetbaar. Maar dit hoef je écht niet nog een keer te maken.” (zoon)

“Mam? Waar is Robbie?” (allebei)

De nagebakken smurriebrokken (zie afbeelding) waren helaas niet veel beter maar ik heb in ieder geval al wél een kilo Robbie weg weten te moffelen. Ik zal binnenkort vast wel in staat zijn om die overige twee kilo ook nog spoorloos te laten verdwijnen. Iemand nog suggesties? (en nee, soep is geen optie).

The Puking Saga

Lang gevreesd, toch gekomen. Er waart hier sinds een paar weken één of andere mutant van het noro-virus rond. Dat had ik van de moeders en juffen op school duidelijk meegekregen en daarom hebben we hier thuis al een tijdje een handenwasmanie, een ziekenbezoekverbod en een elkedagschoneklerenaanvoorschrift. Het mocht niet baten. Dochter kwam vrijdagmiddag thuis van een middagje rondbalgen bij de buren en gilde enthousiast dat buurjongetje ook aan de kots was.  Oh. Fijn…

Gisteravond een heerlijk kerstdiner cq kerstfeest gehad. De kinderen hadden onder de liefdevolle begeleiding van ons buurmeisje ook een leuke avond gehad, vol gepropt met TV, chips, popcorn, fanta en kruidnootjes. Om twee uur lagen we in bed. Binnen een half uur sliepen we als ossen, om om drie uur wakker te worden van het gekrijs: “MAAAAHAAAAAAAMAAAAAAA IK HEB GEKOTST!!!” Ik realiseerde me niet meteen de volle betekenis van haar woorden, stommelde de kamer van dochter binnen en gleed uit. In  het overgeefsel dat dochter van haar (half)hoogslaper met vol geweld over de rand naar beneden had gespuugd. Ze wou niet in bed spugen want dan zouden haar barbies en knuffelbeesten vies worden. Op zich heel lovenswaardig, maar om het dan maar van anderhalve meter naar beneden te laten klateren is ook een niet de meest aangename optie. Voor mij dan. Binnen een straal (duh… straal…) van pak ‘em beet twee meter zat het werkelijk óveral. Op de muren, in de barbiekoets, op de bank, op de kledingkast, op en achter alle treetjes van haar bedtrapje, enzovoort. Ik mompel enkel ‘oh mijn god’, staar achtereenvolgens naar huilende dochter en naar mijn blote voeten in de kots, veeg ze af aan het groene mierentapijtje van ikea (die is namelijk wasbaar, zo wakker was ik dan wel weer 🙂 ) en stommel weer naar buiten. Emmer halen, ajax erin en dweilen maar. Alle losse dingen in de douchecel gemieterd en heet afgespoeld, dochter erachter aan. God wat goor. Bed verschonen, mijn voeten en handen desinfecteren (ik kon alleen maar anti-schimmelmiddel vinden maar dat werkt ook best goed als voetendesinfectans geloof ik. Het ruikt in ieder geval naar chloor.) Wat een zooi. Wat een ongelooflijke zooi. Maar toch: om half 4 lag ik weer in bed.

Vanochtend om een uur of half acht moest ze nog een keer overgeven maar dat deed ze als vanouds: keurig op de WC. Braaf meiske. Nu ligt ze voor oud vuil op de bank en ik heb zojuist opnieuw een uitgebreide dweilsessie gehouden. Zelfs uitgekotste paprikachips geeft oranje vetvlekken op witte muren, wat een vet goedje is dat… Ongelooflijk waar dat spul overal heen sputtert. Voordeel: de hele bovenverdieping (en de trap en de gang en de keukenvloer, want met je blote kotsvoeten overal naartoe banjeren is achteraf gezien ook niet echt aan te bevelen) is nu wel weer mooi schoon, dat was heel hard nodig.

Nu is het afwachten of en wanneer wij onze ingewanden weer eens intensief mogen reinigen… Hopelijk snel, dan zijn we voor de kerst weer klaar.

Het roze briefje

…en zo voltrok zich meteen al weer het volgende drama in Huize L.

14h.
Zoon komt binnen stommelen, kwakt zijn schoolrugzak op tafel en zakt zuchtend neer op de bank. Zoveel huiswerk. Zoveel gedoe. En nu ook nog allerlei dingen die ze moeten doen voor de kerst c.q. in de adventstijd. Een projectje om de sociale vaardigheden en naastenliefde te vergroten, volgens de lerares. Het staat allemaal op een briefje. Een roze briefje, dat hij gewetensvol onder mijn neus drukt. “Kijk, dat moet ik allemaal doen voor volgende week!”.rozebriefje
een volwassene beleefd voor iets bedanken. Oké dan, no problem: elke keer dat hij met de buurvrouw mee naar school rijdt, bedankt hij haar beleefd, dus die kunnen we afhaken.
iemand vrijwillig helpen. Dat doet hij all the time, dus ook geen issue.
helpen in de huishouding. Oh shit. Dat wil hij altijd graag maar ehm, echt handig is dat niet. Maar goed, hij mag best ramen lappen van mij.
praten met een medescholier waar hij anders niet echt veel mee praat. Moet-ie zelf doen. Kan ik niet bij helpen. Ik weet wel een hoop kandidaten…
een medescholier een compliment geven, en
een goede wens voor iemand uitspreken. Allebei ook wel te doen denk ik. Maar sociale dingen kunnen bij zoon nogal eens raar uit de mond komen, zeg maar. Het is een beetje dagafhankelijk. Goed bedoeld, raar gezegd. Ik moet bij hem vaak een beetje aan Jack Nicholson als Melvin Udall in ‘As good as it gets’ denken.

Goed, ik heb het roze briefje gelezen, denk in stilte ‘wat een onzin‘, leg het weer op tafel en ga door met mijn bezigheden. Nadat hij nog even de absolute relevantie van het briefje benadrukt, duikt zoon op zijn wiskundehuiswerk en op het oefenen van z’n opstel. Morgen dé toets der toetsen: opstel Duits. Ach, een ramp wordt ’t sowieso wel. Het briefje verdwijnt uit de aandacht. ’s Avonds voor het naar bed gaan, wil hij zijn rugzak inpakken. “Maham, waar heb jij mijn roze briefje nou gelaten?” Euh, ik? Huh? Geen idee joh, ik heb het gewoon weer op tafel gelegd. Niet waar. Wel waar. Echt, jij hebt het ergens in gestopt. Nietes. Enzovoort.

In z’n pyjama begint hij wanhopig te zoeken. Spichtig, op blote voeten, verontrust. Ik zie zijn ogen overal heen schieten. “De juf heeft gezegd dat dat briefje heeeeel belangrijk is en dat we het niet mogen verliezen. Dan krijgen we een minnetje… En dat als we het toch verliezen, we dan zelf maar moeten zien hoe we een nieuw briefje krijgen…” Ik hoor de wanhoop in zijn stem, zie tranen glinsteren. We zoeken overal. Zelfs in de vuilnis- en de oudpapierbak, hoewel ik zeker weet dat ik dat soort dingen echt niet zomaar achteloos weg gooi. De boeken, de schriften, de rugzak, de blocnotes, alles kijken we wel drie keer na. En nog een vierde keer. Uiteindelijk stuur ik zoon om een uur of negen toch maar naar bed (morgen om 6am weer op…) maar kan het niet loslaten. Ik schrijf een bericht aan de klassenlerares in het communicatieschriftje, over het feit dat het vooral echt mijn schuld is dat we het kwijt zijn en of ze hem alsjeblieft toch nog een keer zo’n roze briefje mee wil geven. Dat hij al zo ontzettend onzeker is en altijd alles goed wil doen en dan dit…

Daarna toch weer zoeken. Nog een keer álles nakijken. Boven gecheckt. Op de WC’s, in de badkamer. Nog een keer alle paperassen nakijken. En toch ook nog maar een keer de blocnote waar hij zijn oefenopstel in schreef. En verrek, daar gloort iets rozigs achterin. Jawel! BAM! Daar is het, dat verdraaide roze briefje. De vorige vijf keer blijkbaar niet gezien. Pfffffffffffffff… Gelukkig heb ik het bericht in het schrift met potlood geschreven en dus gum ik de boel minitieus weer uit. Daarna fluister ik m’n halfslapende zoon in zijn oor dat ik het gevonden heb. Zijn ogen gaan abrupt wijd open en hij slaakt een luide zucht van verlichting, om vervolgens echt in slaap te donderen.

Ik plof neer op de bank en vervloek grondig alle roze briefjes met sociale opdrachten.
Stomme dingen.

hij, van mij

vandaag alweer elf jaar geleden. Rond half acht ‘s-avonds… Zo gaat dat met moeders. Die denken daaraan, elk jaar opnieuw. Vandaag precies elf jaar geleden om die tijd keek ik verveeld naar een voetbalwedstrijd. AC Milaan tegen FC Bayern, Champions League. Jaja, ik weet ’t nog. Bayern verloor. Tuurlijk weet ik dat nog. Voetbal is niet goed voor vruchtvliezen. Daar breken ze namelijk van. Wel dik drie weken te vroeg.

Krap anderhalve meter knul ligt nu boven in bed, mompelde daarstraks iets van “alweer zo’n vette shitdag”… Inmiddels weet hij dat het geen fuckyoudag is maar gewoon een shitdag. Of een Scheißtag. En zo leer je er elke dag iets essentieels bij. Dus niet: “How was your day?” en dan antwoorden: “fuck you”, maar gewoon “shit”. Klaar.  Je mag dan fuck you leren van P!NK maar “I’ve had a shit day” komt toevallig ook uit haar mond 🙂

Terug naar die essentials. Elf jaar geleden. Who cares about FC Bayern. Waar was dat verrekte ziekenhuis ook alweer… De weeën begonnen en hielden niet meer op. Weeënpauzes? Doorpuffen? Een paar minuten bijkomen? Ach, wat een mooie sprookjes. Het zat er niet in. In de kliniek zag men mij worstelen. Om een uur of half twaalf was ik op. Vier uur lang één constante wee zonder enig moment van pauze wegpuffen, ik kon het niet meer en smeekte om hulp. De zuurstofwaardes van de kleine en van mij daalden met de minuut. Op de één of andere manier heb ik een handtekening gekrabbeld op een papiertje. Daarmee kreeg ik een ruggeprik die ze er wonderbaarlijk genoeg na slechts drie keer mis prikken (wat wil je ook met een vrouw die geen kromme rug kan maken vanwege een al te langdurige wee) al in kregen. En ineens kon ik weer ademen… Wat een zegen.

Maar ik voelde dan ook niks meer. Ineens was ’t “PERSEN MEVROUW!!” Huh? Persen? Nu al? Okee dan… “STOPPEN MEVROUW!!!” Hij zat klem. Met zijn hoofd op het ongunstigste punt moest ik me ineens inhouden want hij lag verkeerd. Er werd wat gewroet en ik mocht weer. Lang leve de bekkenbodemspieren die ik wekenlang getraind heb, lang leve de Epi-No die ervoor zorgde dat er niks ernstig scheurde (googelt u zelf maar). Maar het hoofdje van zoon zag er na de bevalling uit als die van een rasechte Conehead met een behoorlijke deuk rondom, ca. twee cm boven zijn wenkbrauwen.

Ik schrok. Ik had ‘m werkelijk finaal de vernieling in gedrukt… Mijn manneke hing slap op de arm. Huilde niet. Neusje en keel werden leeg gezogen. Geen resultaat. Een tik van de zuster op zijn billen hielp wel maar ik kromp ineen… Hij werd weggebracht, naar de couveuse. Ik werd genaaid. Letterlijk. Man stond in een hoek en keek naar de gruwelen die zich voor zijn ogen voltrokken. Na wat gevechten en dreigementen had ik mijn kind na uren wachten eindelijk dan toch bij me. Een flesje melk met glucose zat er al in, ook al had ik uitdrukkelijk aangegeven dat ik dat NIET wilde…

En nu, nu vraag ik me steeds opnieuw af… dat geboortetrauma, zijn verdrukte hersentjes… in hoeverre zien wij daar nu de gevolgen van… Je mag het je niet afvragen, het is ook zo zinloos als een zak veren, maar toch doe ik het. Heb ik destijds iets fout gedaan… komt het door mij? Mijn mooie jongen lijdt. Geheugenopslagstoornis, dyslectie, attention deficits, angsten, black-outs. Waarom…

Maar hij, hij is van mij. En ik zal alles geven en alles doen om hem gelukkig te maken én gelukkig te houden. Iemand die zo liefdevol is, zó goudeerlijk en zulk doorzettingsvermogen heeft, mag niet afglijden. Zo iemand is de mooiste mens op deze wereld. En die mens is van mij. Ik heb hem gemaakt. Ik heb hem dat leven gegeven en ik ga er álles wat in mijn vermogen ligt aan doen om ervoor te zorgen dat dat een fijn leven wordt.

Morgen, lieve schat, morgen TenIk
word jij werkelijk alweer elf…
En morgen ben je ook nog steeds
je eigen speciale, lieve zelf.
Weet, mijn prachtige knul, dat ik
je altijd onder mijn liefde bedelf.
Ik ben en blijf jouw eeuwig
beschermend koepelgewelf.

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.

bang verdriet

tears“mam, ik ben zo bang…
bang dat ik alles fout doe…
bang dat ik iets vergeet…
bang dat ik niks kan…
bang dat ik het niet weet…”

“mama… ik ben zo bang…
bang dat ik iets kapot maak…
bang dat jullie dood gaan…
bang dat iemand inbreekt…
bang om voor gek te staan…”

“mams… wat moet ik nou…
moet ik echt harder worden?
of gewoon maar nooit meer wakker?”
onkinderlijk groot zijn de zorgen.
van mijn oh zo lieve arme stakker…

Zo gruwelijk verdrietig en onzeker, zo verschrikkelijk onder druk. Dichtklappen, niks meer kunnen zeggen. Toch maar iets opschrijven, op goed geluk… Maar zo gaat het niet langer, dit gaat niet goed. Je kind zo te zien lijden, werkelijk waar, mijn moederhart bloedt. Het enige wat ik kan doen is helpen, alle hulptroepen aanslepen. Hem toch maar weer opbeuren door al zijn goeds te onderstrepen… Maar soms weet ik het echt niet meer, is mijn engelengeduld op. Kijk ik enkel nog vol emotie naar zijn geworstel en getob. Sluit ik mijn ogen, terwijl ik me achter mijn handen verschuil. Opdat hij niet ziet hoe hard ik om hem huil…

..

(c) Lou

Paardrijklets

paardkletslesVoor haar verjaardag had dochter een prachtige kadobon voor een ‘eerste paardrijles’ gekregen. Ik wist inmiddels ook al waar: een oude boerderij met paardenstallen en een manage, een goed kwartier rijden hier vandaan. Ik had gisteren gebeld of vandaag oké was en dat was ‘t. Joviale boer aan de lijn: “dan moej miene vrouw hebb’n, die goat over de afsproaken” (en dat dan op z’n Mühlviertlerisch hè). Mundart noemen ze dat. Mund-Art. Dialect. Ik heb er wel een jaartje of twintig over gedaan voordat ik zo’n beetje alles kon verstaan en nog zijn er veel woorden waar ik ineens weer van opkijk. Zo is bijvoorbeeld a neichtl zoiets als ‘een poosje’ of ‘eventjes’, een Bissgurn een ruziezoekende en altijd kijvende vrouw, Gschloder is slappe koffie/bocht en  een Schlampatatsch is een onordelijk persoon (een smeerderk 🙂 ). En zo kan ik nog wel even doorgaan. Op de vrijgezellenavond voor ons huwelijk moest ik van de buren een twintigtal woorden ‘ontcijferen’, anders mocht ik niet met een Oberösterreicher trouwen want dan zou ik mijn man nooit begrijpen. Gelukkig wist ik van het merendeel inmiddels al wel wat het was en met een beetje hulp van man wist ik de rest uiteindelijk ook. Maar van mijn man snap ik nog steeds geen bal. En het blijft elke keer opnieuw een avontuur om met een echte inboorling te converseren.

Zo ook vandaag. Rond kwart over drie komen we de rijhal binnen lopen, geen idee waar we ons moeten melden. Een aardige dame in rijbroek brengt ons naar het woonhuis zodat we kunnen beginnen. De boer des hoeves, ik schat hem op zo’n 75 jaar, zit in de keuken uitgebreid te kletsen met een buurboer. Over paarden en aardappels en de kwaliteit van het hooi. De dame laat ons in de keuken achter en wij wachten braaf tot meneer zich tot ons wendt. Mén wat duurt dat lang. Kort voor half vier merkt hij ineens dat we er nog steeds staan. “Ach jaaa, die Deerne die reiten lernen möchte. Mensch, mei… bist ’n du nu klan…” [“wat ben jij nog klein!”, een zinnetje waar dochter o.h.a. erg pissig van wordt] Er wordt een oude rijhelm tevoorschijn getoverd (one size fits all, one size smells all) en dan gaan we het paard zadelen. Het paard voor dochter heet Relief, zo staat het op de box. Ik dacht “oh. Opluchting, mooie naam, vast voor een rustig paard”. Toen bleek dat het als reliëf uitgesproken werd. Jeujjj… een hobbelpaard…

Relief blijkt wel gehoorzaam en geduldig. De man ratelt aan één stuk door. “Lady, je moet je bips optillen. Rechtop zitten. Paardrijden is geen lolletje, het is een sport, je moet je best doen. Paardrijden doe je met je benen en je houding, niet met je mond. Jij denkt dat je dat allemaal wel even snel kunt, maar zo werkt dat niet. Geduld. In de takt bewegen!! Nee, da’s te snel. Opletten!!” enzovoort. En dat allemaal in zwaar dialect. Dochter verstaat de helft niet maar doet alsof haar neus bloedt en gaat gewoon door. Af en toe zie ik haar even inkrimpen maar dan ook gelijk weer die rug recht en doorrrr. Ze vindt het zelfs leuk, lijkt het.

Na een dik half uur aan de longe rijdt ze op het paard terug naar de stal. Stop and Go kan ze in ieder geval al. Nu afzadelen. Man raakt in gesprek met de boer alias manegehouder. Das war ein Fehler… De man houdt niet meer op. Over werk en écht werk. Over alle managementfoezzies die overbodig zijn, de wereld heeft techneuten en paardrijders nodig. Het liefst paardrijdende techneuten. Die krijgen tenminste iets voor elkaar. En of boer huppeldepup in Schweinstein nog een tractor zus en zo heeft. Wat man doet voor werk. “Euh, leraar en techneut”. Aaaaah je ziet het boerengezicht opklaren. Een techneut! Helemaal goed. Kan man ook nog paardrijden? Nee. Oh. Da’s weer minder. Dochter gaat met een ander meisje mee, kijken hoe die paard rijdt. Ik versta alles wel maar ik ken al die boeren uit de omgeving niet én ik ben geen techneut dus ik sta er een beetje naast te dreutelen. Uiteindelijk, na een dik half uur mühlviertlerisch geratel, zegt hij ineens: “Oh ja. Betalen.” Man ziet z’n kans schoon en gaat snel kijken waar dochter uithangt. Ik ben de pineut en moet mee naar de keuken uit het jaar 1873. Betalen is mijn zaak blijkbaar. Oh wat zijn we heden blij…

De keuken is al een belevenis op zich. Een plafond waar ik bijna m’n hoofd stoot, een rioollucht van heb-ik-jou-daar, scheef hangende houten kastjes waar een houtworm nog geen droge spaander in zou kunnen vinden. Een eveneens eikenhouten kruis (mét Jezus eraan, natuurlijk) van bijna een meter lang aan de muur met een twintigtal overlijdensadvertenties sierlijk er omheen gedrapeerd. En een ouderwetsche spaarlamp boven de tafel. Mocht ook niet ontbreken natuurlijk. Gezelligheid ten top. Manegeboer gaat op de hoekbank aan tafel zitten en kijkt me ‘ns aan. “Du bist ja eh ned vo do, oda??” Nee, ik ben niet van hier. Ik kom uit Nederland. “Aaaaahhhh!!! Holland!! Na da muaß I di woas vazöhn.” [dan moet ik je even wat vertellen – Red.] Ik wíst het: ik had gewoon moeten zeggen dat ik doofstom ben. Niet van Nederland, ik stomme koe.

En daar gaat-ie weer.
Over zijn feestje in 1968 in Nederland. Zes Nederlanders en 3 Oostenrijkers. In Lelystad, dat toen net gebouwd werd volgens hem (klopt ook nog geloof ik). Er was net een café open en daar zaten ze, de bierzuipende Oostenrijkers met die drooggelegde Nederlanders. En met allemaal een 0,3l limonadeglaasje (“ein fluuu-ietje, whaahahaha“) pils voor hun neus. Waar ze dus ook met zijn zessen danig op keken, op die neus. Of de waard geen fatsoenlijk glas had. Nee, alleen dat ene 2-liter-sierglas van het Oktoberfest op een plank aan de muur. Nou, kom maar op dan, met dat glas. En die slappe pils, die drink je in één keer op. Ook twee liter. En nog een keer twee liter. En nog een keer. En die Nederlanders maar kijken. Oh en jemig, die Nederlanders zijn zoooo groot, hè!! Alle mannen zijn minstens twee meter. Hoe lang ben jij eigenlijk?? Ook wel minstens 1,90m hè? [euhh… nou euhh, ik ben wel groot maar niet zó groot]. Komt door al die overbemesting daar. Alles wordt megagroot. Mensen, Kartoffeln… Wel 200 liter pure mest per vierkante meter. In Oostenrijk is dat maximaal 80 liter. En dan krijg je zúlke Kartoffeln hè [zijn handen ongeveer 30cm uit elkaar houdend om ons hollands formaat aardappels aan te duiden] – allemaal voor die Kartoffelchips want daar heb je grooooote Kartoffeln voor nodig. En die grond daar in de polder, die is allemaal van de gemeente, en dan moeten de boeren wel duizend D-Mark (“Jullie hebben toch ook D-Mark??”) per maand aan pacht betalen en dan is het enige wat nog rendabel is, Kartoffeln. Hahahahaha…

Enzovoort. Godsamme ik moet naar de WC… en ik wil naar huis… hoe kom ik hier weg… Ineens houdt hij heel even op omdat zijn zoon binnen komt wandelen. Geen idee hoe die heet, ook Josef vermoed ik (aangezien drie van de vier Oostenrijkse mannen Josef heet: de vierde heet Heinz), maar in ieder geval heet-ie óók “mijn reddende engel”. Ik vraag snel hoeveel ik manegeboer verschuldigd ben. Veertien euro. Huh… aan de telefoon was het nog dertien. Nou ja, so what. Met deze man ga ik niet nóg eens in discussie, zeker niet over één euro. Ik leg het bedrag op tafel en wil hem bedanken, maar hij ratelt nog even door over de paarden, over dat dochter vooral geduld moet hebben (nou, dat leert ze bij hem vást wel, dat geduld hebben…) en niet te snel moet willen. En dat ze niet zo veel moet praten (mijn mond valt héél even open). En dat dit allemaal nog langgg geen paardrijden is maar gewoon wat rondhobbelen. En dat ze maar gauw weer moet komen. En oh ja. Veertien euro. Ik weet er tussenin te brengen dat mijn zoon alleen thuis is en ik nu écht weg moet maar dat we binnenkort zullen bellen om een nieuwe rij-afspraak te maken.

Ik vermoed over een jaartje of veertien.

niet harder

De wereld om je heen is harder dan jij.nietharder
Zachtheid, emotie tot pulp gemalen.
Nog kind zijn niet langer toegestaan.
Niet uit je woorden komen is falen.

De wereld om je heen is harder dan jij.
En daarom huil jij een verborgen traan.
Verlegen- en onzekerheid zijn killing.
Prestatiedwang werpt je uit jouw baan.

De wereld om je heen is veel te hard.
Maar ik kan haar niet zachter maken.
Ik wou zó dat ik ’t kon, lieve schat.
Maar ik zal zelf over je moeten waken…

Voor mij hoef jij niet harder te worden.
Maar zonder verharding geen overleven.
Langzaam verdringen ze het kind uit jou.
En verleer jij om écht om mensen te geven…

De wereld is gewoon zo veel te hard.
Jíj bent juist precies zoals het moet!
Toch wordt er anders van je verwacht.
En kijk ik lijdzaam toe, naar wat het met je doet…

.
Rotwereld.

.

.

© LouTerLou

slechte start

Ik heb het weer voor elkaar hoor. I pissed off a teacher :-S

Zoon (bijna 11) gaat nu naar de middelbare school (hier in Oostenrijk heb je vier jaar basisschool en ga je met 10/11 jaar dus naar de middelbare). Ergens aan het begin van de zomervakantie krijg je dan van de betreffende school een ellenlange lijst (2 A4-tjes vol!!) met zeer gedetailleerde beschrijvingen van alles wat het kind moet hebben. Vervolgens mag je op pad om die waslijst aan spullen bij elkaar te zoeken en een honderd tot zelfs tweehonderd euro neertellen voor precíes DIE schoolspullen. Geen andere please: een plakkaatverfdoos van Pelikan, een passer van duurmerkzusenzo, een blauwe Leitz-ordner, folies, schriften met plastic omslaghoezen in alle mogelijke voorgeschreven kleuren, stiften, potloden, figuurzaag, schuurpapier, haaknaalden, wol, hoesjes, mappen, enzovoort. Sportschoenen, schoolsloffen, zwembrilletje, handdoek, zelfs het soort zwembroek was duidelijk voorgeschreven. Een kolerewerk.  Ik had alles aan het begin van de vakantie al klaar want ik ken mij: de laatste vakantieweek begin september wordt dat niks meer en doe resp. koop  ik werkelijk alles fout. Schullisten

Het mocht echter niet baten: ook nu had ik het blijkbaar fout gedaan. Gisteren kwam zoon uiterst chagrijnig thuis en smeet twee enveloppen met folies (“Klarsichtfolien”) op tafel. Doordat ik het verkeerde had gekocht (het hadden hoesjes moeten zijn, zogenaamde “Klarsichthüllen”), was hij heel erg achter geraakt in de les, kon zijn ordner niet naar behoren invullen en had zowaar bijna moeten huilen (aiii….). Nu ben ik normaal gesproken niet de moeilijkste en wissel de boel gewoon om, maar tja. Het was nu eenmaal de hormonale rottijd van de maand, ik had een hoop dingen aan mijn hoofd, een hoop pijn elders in het lichaam en ik was moe. En toen werd ik woest. Wel verdriedraaidedubbeltjesnogantoe. Er stond FOLIE! Niet HÜLLE!! Een folie is een folie. Een doorzichtig dun stuk plastic. Een Hülle is een – al dan niet doorzichtig – hoesje, iets waar je iets in kunt stoppen. En een folie is geen hoesje. Als ze dan al van die mierenneukerige, ellenlange lijsten van voorgeschreven schoolspullen maken, dan moeten ze de boel ook GOED opschrijven zodat zelfs achterlijke Hollanders als ik de boel snappen. Er stond nota bene voor het ene vak “folie” en voor het andere vak wél “hoesje” op de lijst, en toch bedoelden ze hetzelfde. Dat heb ik dus ook even in duidelijke taal in het mededelingenschriftje geschreven. Niet in deze bewoording, maar toch. Ik heb ze haarfijn uitgelegd dat een folie geen hoesje is en dat ze de boel ook niet door elkaar op dezelfde lijst moeten gebruiken omdat het dan echt niet meer duidelijk is. Stomme materie. Hoesjes, folies, who cares. Ik vond op dat moment dat ik ’t best goed verwoord had. Moeten ze volgend jaar maar beter uit hun doppen kijken.

In ieder geval had ik er al niet eens meer aan gedacht tot zoon vandaag dus weer thuis kwam uit school en vertelde dat de lerares Engels ‘not amused’ was. Ze had gezegd dat het – ahum – niet zo aardig geschreven was. Nee. Verrek. Teruglezend zie ik dat ook. En dat voor een paar stomme hoesjes… Dit was wat je een “communicatief uiterst slechte start” kunt noemen. En dat voor het hoofdvak Engels waar hij alle hulp en sympathie nodig zal hebben die hij kan krijgen. What was I thinking…

Waarom telde ik niet tot 2.865, sliep er een nachtje over, stopte ik de goede hoesjes in z’n rugzak en klaar? Nee. Madam moest d’r waffel opentrekken. Er zat maar één ding op. En dat heb ik vanmiddag dan maar getypt. Mijn verontschuldigingen voor de ietwat onsympathieke manier waarop ik duidelijk had gemaakt dat ik het niet met ze eens was hoe die dingen heten. Dat ik als persoon eigenlijk helemaal niet zo opbruisend ben. En dat dit wellicht niet zo’n goede start was voor onze communicatie. Enzo. Een klein briefje aan de desbetreffende docente. Hopelijk doet dat nog enig goed. En anders ga ik wel met de madam praten, dan ziet ze vanzelf dat ik in ’t echie helemaal niet zo snel en hard bijt. Eventueel “I’m only human” neuriënd ofzo.

Ik legde het aan zoon uit en die zei “ach Mama, ich sag’ ihr einfach, dass gestern nicht dein Tag war” (oftewel: … dat je gisteren gewoon niet je dag had). Ik dacht nog: “ach, da’s nou lief”. Maar toen keek hij ineens scheef en zei “Oder soll ich ihr besser sagen, dass du einfach deine Tage hattest?”…

Gadsamme. Dat jong kent me al beter dan ik dacht…
Ik ga nog maar even een potje tegen de maan janken.
Of ik vlieg gewoon op m’n bezemsteel een rondje om het ding heen.
Dat kan ook. Kom kat, we gaan.

Nine Eleven

Elf september…

Acht jaar geleden…

Nee, nee, niet twaalf jaar geleden. Daar bloggen en schrijven anderen al zat over. Natuurlijk herinner ik mij ook aan die afschuwelijke gebeurtenissen, die rampdag, het ongeloof, de ontreddering, de tranen in mijn ogen en in die van vele anderen. Maar acht jaar geleden werd deze dag toch ineens weer een prachtdag…

Acht. Dus.
Onnoemelijk veel naweeën later mocht ik uiteindelijk in slaap vallen. Dochter lag al die tijd in het pasgeborene-bedje aan mijn voeteneind. En ze jarigvond ’t maar niks daar. Draaien. Smakken. Huilen. Kreunen. Nog meer huilen. Volgens de zuster was het niet goed om haar bij mij in bed te nemen: te gevaarlijk vanwege mijn vermoeidheid van de bevalling, ik zou in mijn diepe slaap bovenop haar kunnen gaan liggen en haar verstikken. Welke diepe slaap, dacht ik alleen maar… Ze hadden haar heel lang op de neonatologie gehouden. Veel te lang. Tot ik haar – nog steeds nabloedend – ben gaan halen. Ik wou m’n baby. Het eerste flesje melk zat er natuurlijk al in. Scheiße. Ik had nog zo gezegd dat ik dat niet wou… Ik legde haar al zittend aan maar geen honger meer.

Uiteindelijk hield ik het niet meer uit. Ik heb haar tegen al die goedbedoelde adviezen in tóch dicht bij me in bed genomen, weer aangelegd (weliswaar nog steeds geen honger maar zo veel zuigbehoefte) en me om haar heen gerold. En zo hebben we dan toch nog geslapen, een uitgetelde twee-eenheid. Een grote C met een piepkleine komma erin.

Die dag werd ik zelf een beetje opnieuw geboren. Net als op de dag dat mijn zoon geboren werd, drie jaar daarvoor… Ineens had ik er in mijn leven een heel stuk níeuw leven bij. Een verrijking, een nieuwe fase, een geboorte van een nieuw stukje mij. Dus ben ik ook jarig vandaag. En in oktober. En in november ook natuurlijk. En ik realiseer me dat. Elke keer een stukje meer mij.

Vandaag. Nine Eleven.
De dag van een ongekende catastrofe.
De dag van de inkeer.
De dag dat ik een stukje opnieuw geboren ben.
De dag van de geboorte van mijn dochter.
En toch gewoon een dag.
Zoals elke dag simpelweg bijzonder…

wereldwonder

Ze is mijn wereld.wereldwonderballons
Kan niet zonder
Ze is mijn eigen
wereldwonder.

Ze is mijn meiske
zelf gemaakt,
van gezondheid
ronduit blaakt.

Ze is mijn allesie
maar jemig, wacht.
Mijn alles is plots
alweer acht…

(c) Lou

En dat is ze.

Elke vrouw die kinderen heeft mogen krijgen denkt ergens in het jaar wel een keer: “x jaar geleden om deze tijd…” en dan vul maar aan. Keek ik voetbal en braken m’n vliezen. Begonnen de weeën. Lag ik al 20 uur te puffen. Lag ik al in het ziekenhuis te wachten. Ging het helemaal niet goed. Merkte ik nog niks. Etcetera etcetera.

Bij mij was ’t dus dat eerste: ik keek iets van voetbal op TV en m’n vliezen braken. Al waterend naar het ziekenhuis. Geen weeën. Die begonnen pas om half drie ’s nachts. En om om 3:17h was ze er. Een persoonlijk wereldwonder, neergezet in 47 minuten. Beetje veel bloed maar zonder (kleer)scheuren. Een perfect wichie!!

En dat wichie is nu een brok meid van acht. Een gevoelig rauwdouwertje, een banjerende ballerina, een door het leven kuierend knuffelbeest. Morgen vier ik mijn wereldwondertje. En hoe vreselijk ze dat ook vindt, ze zal altijd mijn krissiebissiepoepelissie blijven.
Sorry lieffie 😉

Liefste, mooie dochter van me, ik wens je een heel nieuw, prachtig, vreugde- en liefdevol, lachend en knuffelend wonderjaar toe.
Mama loves you.
Always. No matter what.
Never forget dat!

wereldwonderslingers

the other day

zo relaxed als gisteren en eergisteren waren, zo hectisch was vandaag.
De eerste schooldag na die oversized zomervakantie.
5 am. Man en ik schrikken wakker. De wind is een storm geworden en laat onze tuinstoelen, rolluiken en nog uitgerolde zonweringen letterlijk donderen. We rennen wat in het rond, maken alles z.g.a. stormveilig en vallen nog voor een half uurtje terug in bed. Tien voor zes ben ik klaarwakker en ga er dan toch maar uit, dit wordt niks meer. Even wat in mijn ochtend-uppie aanklooien (en een ongestoorde toiletgang, ik kan er écht niet tegen als er ‘s-ochtends al door twee behoeftige kinderen aan mijn toiletdeur lopen te rukken omdat ze ook moeten maar te lui zijn om beneden te gaan. Me-time on the toilet dus). Om half zeven maak ik de kinderen wakker. Bam, licht aan. Hard maar effectief. Ik jodel “EEEHEEEEERSTE SCHOOOOOOLDAAAAAG!!!” door het huis (in ’t duits dan, hè, dat werkt beter). Aankleden, ontbijten, zenuwen sussen, tanden poetsen.

10 over 7 schuif ik dochter de deur uit, die moet met de buurvrouw meerijden want ik moet zoon voor zijn allereerste dag op een middelbare school wegbrengen en daar wordt verwacht, dat minstens één ouder aanwezig is. Aangezien man zelf leraar is en óók in alle vroegte op zijn school aanwezig moest zijn, ging ’t effe niet anders. Sorry dochter. Forgive me. Bij de school van zoon is het een drukte van jewelste, geen parkeerplaats in een straal van een kilometer ofzo. Ik gooi zoon er voor de deur uit en rij in ’t rond tot de eerstvolgende parkeermogelijkheid op een onverharde parkeerplaats. Daar mág ik dus eigenlijk niet rijden want mijn auto is weer eens kapoet: de Getriebemanschetten (weet ik veel hoe die dingen in het nederlands heten) zijn gescheurd waardoor er steentjes in kunnen komen en dat zou dan de hele schakelbak ruïneren. Volgens man. Ik moest dan ook plechtig beloven om niet over steentjes en gruis te rijden. Ahum. Goed. OK schat :-/

Met m’n manke poot hobbel ik zo snel ik kan naar school. De kinderen worden afgeroepen. Gelukkig zit zoon in 1D en werden er voor hem nog 94 andere kinderen afgeroepen dus ik was op tijd. Allemaal mee de klas in. Alle instructies (bustrajectkaartaanvraag, brief voor vrijstelling godsdienstles en meer van dat soort ongein) voor de ouders aanhoren en deels opschrijven. Dan zijn we bevrijd. Ik besluit de auto maar te laten staan (zo min mogelijk rijden…) en te voet even naar de apotheek en de drogist te lopen voor wat noodzakelijke dingen. Best wel auw. Half tien kind weer ophalen. Ja, half tien. Toen was het alweer klaar voor vandaag.

huiswerk1Naar huis. Dochter komt gelukkig weer met buurvrouw mee. Even wat te drinken maken en natuurlijk ook praten over school. Ze hebben allebei een huiswerkopgaven dus hoppakee, gelijk aan het werk. Dochter moet in twee zinnen opschrijven wat ze het leukst vond in de vakantie en dat er dan bijtekenen. Zoon moet op drie papiertjes opschrijven waarover hij zich verheugt, waar hij bang voor is en wat hij zich voorneemt. Ze smeren wat af met hun hanepoten maar uiteindelijk wordt het nog wat. Vooral dochter blijkt heel ‘efficiënt’, met haar tekeningen van twee vlaggen… Ik werk ondertussen aan documenten voor vanavond (vergadering).huiswerk2

Eten koken (want vanavond geen tijd voor). Vissticks (ja sorry hoor), aardappelen en groente. Basic. Opruimen. Belsessies (scouting, judovereniging, busbedrijf over bustijden en overstappen voor zoons thuisreis in de gevallen dat hij niet fietst, sportvereniging, manege) en een korte koffiesessie met de buurvrouw om alles wat ik van de lagere school (dochter) heb gemist en nog moet weten door te spreken. Notulen voor vanavond voorbereiden en ook de lijsten voor de voorturners. Formulierenlayouts afmaken. Lijst met namen voetbalkinderen updaten. Enzovoort. Oh en de was tussendoor. Dat ook. Meer bellen. Kwart over vier: ballen, sporttas en andere pruttel in de auto en op naar het voetbalveld: F-jes training. Collega-trainster (degene die de trainings samenstelt) blijkt in een vergadering vast te zitten dus ik doe met andere medetrainster het uur op de bonnevooi. We doen maar wat en dat blijkt goed genoeg. De kleintjes zijn happy. Om half zeven drop ik de ballenzak in het materiaalhok en loop weer naar boven. Half uurtje pauze, ik kijk naar de wedstrijden van de wat ‘hogere’ koters (8-jarigen) op het veld en klets met een andere moeder van school. Zeven uur, vergadering van de turnsectie  van de sportvereniging. Veel te doen (ik doe de hele ledenadministratie, de financiële rompslomp en documentensantemekraam, en dus ook snel, snel even de notulen). Om half negen zijn we er wel klaar mee en rij ik naar huis. Kinderen nog even goeienacht zeggen. Kop koffie en een gebakken spiegelei (berehonger, sinds vanmiddag niet gegeten). Laptop aan. Lijsten aanpassen. De was uit de wasmachine in de droger. Notulen uitwerken. Begin maken met de maandafsluiting van de zaak.

Nu nog even de was uit de droger opvouwen.
Dan, na achttien uur doordouwen, eindelijk weer slapen.
En…. u verwacht het niet, hè, maar morgen wéér zo’n dag!!
Yiiiihaaaaaa!! 😀

De laatste dag

Dat was ‘m dan. De laatste dag van de zomervakantie. Morgen begint alles weer. Het normale leven enzo. Nu pas? Ja nu pas. Hier in Oostenrijk heeft ‘men’ negen weken vakantie. En ik kan u vertellen: dat is lang. Héél lang. Heel érg lang. Vooral omdat man leraar is en dus óók negen weken vakantie heeft. En die negen weken zijn zo mogelijk nóg langer. Het is niet gezond voor een doorsnee echtpaar om 65 dagen lang bij elkaar op de lip te zitten. Er schijnen mensen te bestaan die het liefst al die tijd zelfs IN elkaar zouden willen zitten, maar bij ons houdt de vreedzame co-existentie na circa drie weken echt wel op. (Hé, dit blog gaat een heel andere kant op dan ik eigenlijk gepland had. Nou ja, planning is voor watjes dus we gaan lekker verder). Dan moet één van de twee kortstondig opkrassen, zij het in de vorm van een dag met de fiets de hort op, een dag met vriendin en kinderen weg of een lange dag krampachtig shoppen, whatever. En een dag is dan dus eigenlijk veel te kort. Daarom zag ik ook mijn kans schoon toen ik samen met de kinderen met mijn ouders mee terug naar Nederland kon rijden. Man had nog zat te doen thuis en zou zich in Nederland toch hoofdzakelijk vervelen. Ik daarentegen heb er wederom een hoop leuke dingen gedaan, mensen opgezocht (grotendeels zelfs samen met de kinderen) en een heerlijk relaxte tijd gehad. Na krap twee weken kwam man met de auto na (ja iemand moest ons daar toch ook weer ophalen, hè) en zie daar: na een onwennige eerste avond (hij leek in eerste instantie niet bepaald blij me weer te zien…) was het goede van onze relatie tóch weer omhoog geborreld. Het was er weer. Die tijd apart was blijkbaar hoger dan hoognodig. Moeten we dus in de toekomst absoluut vaker doen.
Maar waar ik eigenlijk op doelde, was deze dag. De allerallerALLERlaatste vakantiedag. De kinderen hebben nulkommanul zin in school. Sterker nog, ze zijn nu (voor de latere lezers: dit ‘nu’ is om ca. 19:30h) nog steeds de hort op, ergens in de buurt (weet ik veel waar) voetballen en trefballen alsof er geen morgen bestaat. Vandaag is volgens de berichten voorlopig ook de laatste dag ‘mooi weer’ dus ik laat ze maar. Ik zit buiten, klein glaasje wijn na mijn vakantieafsluitmaaltijd, en adem diep in. Avondlucht met een tikkeltje geurige regendreiging. Maar nog steeds 24 graden dus prima te doen. Man prutst wat aan zijn fietshelm, die hij “gewassen” heeft (aiii…). Hij wil morgen op de fiets naar zijn werk. Zegt-ie.

Ik heb wat rond gekuierd in de tuin, cherrytomaatjes van de struik gegeten, hier en daar wat onkruid eruit gerukt. En verder veel gelounged, gelezen, wat geschilderd (te weinig), gewhapt, WordOn en WordFeud gespeeld (te veel). Oh en 21 potten bramenjam gemaakt, dat ook. Ik wil er maar niet aan dat ik morgen weer om zes uur in alle vroegte op moet staan. Ik moet de schooltassen nog ‘klaar’ maken voor morgen. Logistiek gezien heb ik alles al wel geregeld met de buurvrouw (zij neemt dochter mee naar de basisschool, ik haar en mijn zoon mee naar de middelbare. Lastig, twee verschillende scholen die om dezelfde tijd beginnen én eindigen op die eerste dagen…)

Dat was dus dik twee maand tot half negen in je nest liggen. Veel mooi weer (na al die regen). Zwemmen. Buiten ontbijten. Mensen ontmoeten. Italië. Tot ’s avonds laat bij het kampvuur zitten met de buren. Geen voetbaltraining, geen scouting, geen sportverplichtingen, geen stress in de ochtend, geen schoolvergaderingen, geen ouderavonden, geen geregel. Geen stress. Ik moest mijn werk natuurlijk wel even doen, tussen het vakantievieren door, maar dat is niet echt een probleem. En morgen, morgen is dat alles weer voorbij…

Wereldondergangsstemming.
En toch draait die ook gewoon weer door.
En blijkt elke dag toch weer een nieuwe laatste dag van tenminste íets te zijn.
De laatste dag.
De dag vóór de dag waarop we toch weer verder leven.
Tot de echte laatste dag.

Hart verpand

aan Nederland.

Was altijd al zo, zal ook altijd zo blijven. Ik mag dan al zo’n zestien jaar weg zijn, ’t helpt geen bal inzake vaderlandsgevoel kwijtraken.
Ik hartje Nederland.

Vandaag zocht ik iets ‘rustigs’ om met de kinderen te doen. Iets waar ik geen kilometers voor hoefde te rijden (want geen eigen auto en snelkotsende kinderen), iets met een beetje natuur erin. Ik struikelde bij het zoeken naar ‘Uitjes in Dinkelland’ over het Lutterzand. Een paar handdoeken in een tas gepropt, kinderen in de auto (“Maham ik wil thuisblijven… Ik hou niet van wandelen. En niet van beekjes. En ook niet van vissen die in mijn tenen bijten”). Luttele 15km verderop stapten we uit.

Eén blik en de kinderen renden er gelijk op los. Een mul, grillig zandpad langs de Dinkel. Omgevallen boomstammen, zandduinen. Weinig mensen. 20130827_135055En veel zand. Heel veel geel zand. Heerlijk om met de blote voeten in te lopen. Bij de eerste inham van de Dinkel waar je bij het water kon komen, denderden ze naar beneden. Pootjebaaien in ’t gelige water, wat eigenlijk helemaal niet geel was maar kraakhelder. De gele zandondergrond gaf de kleur. Weer een stukje verder lopen. En weer een soort van strandje, dit keer groter. Onder de enorme loofbomen zat een heftig zoenend stelletje op een picknickdeken.
20130827_145042
“Mam, die wolln knutschen. Geh’ ma weida…” (oftewel: mam, die willen zoenen, lopen we een stukje verder). Hoe attent 🙂 Plek zat daar dus dat verder was ook een prima stukje natuur. Weer een baaitje. Een paar mensen lagen in het zand, een paar kinderen poedelden in het water. De mijne ook. En uiteindelijk ik eveneens. Wat een weelde. Het zacht stromende, heldere water over je voeten voelen glijden. De kinderen in hun element. Een lichte dennengeur van het gemengde bos. Grazende koeien in de wei ernaast. En een ijsje toe op het terras van het restaurant.

Thuis gekomen zet ik de samen met mijn mam alvast klaargemaakte pan met hummekessoep op het fornuis. Nog even wat fijngesneden prei en een verse rookworst erbij in. Oerhollandsche pot. En dubbelvla na.

Ja. Ik hou van Nederland.

20130827_135715   20130827_133419 20130827_133305  20130827_130448

20130827_131633

VAAKAAANSIE!

Mannnohmannnnn wat ben ik daar aan toe…

Voor man en kinderen is dat nu daadwerkelijk zover. Zomervakantie. Negen weken lang. NÉGEN weken! Ik durf het bijna niet te zeggen maar echt, dit is te lang… Vijfenzestig dagen lang (jaja, ik heb nageteld) vierentwintig/zeven echtgenoot en kroost om mij heen. Elk jaar weer een beproeving van en voor mijn opperste ikje. En van onze relatie, dat kan ik u wel vertellen. Het enige ‘vakantieïge’ hieraan voor mij is het feit dat ik minstens twee maanden lang niet om 6:15h op hoef te staan. Dat maakt veel goed. Maar dan nog is mijn neiging om te vluchten verdacht groot. Ik hoop maar dat man heel veel gaat racefietsen. En dat het heel mooi weer gaat worden (hopen mag, hè?) zodat ze veel in het zwembad liggen en niks van mij willen.

Vandaag bleek wel weer hoe erg ik aan vakantie toe ben: op hun laatste schooldag haalde ik de kinderen dus te laat op. In de vaste DespicableMeveronderstelling dat ze om 9:30h vrolijk de school uit zouden komen stormen deed ik nog gauw even de boodschappen (o.a. ijs en kinderchampagne om de vakantie goed in te luiden), bracht de boel nog snelsnel naar huis en zag om twaalf over negen dat er ondertussen iemand gebeld had. Onbekend nummer.  Ik belde meteen terug. De moeder van een klasgenootje van Dochter. “Ja, je dochter staat hier te huilen, kom je je kinderen alsjeblieft gauw ophalen??”
Kaaa!!!
Uuuuu!!!
Teeeee!!!
Niks half tien!! Negen uur dus. Met meer dan 100km/h de berg af naar school gesjeesd om mijn verdrietige kinderen met hun rapporten alsnog in de armen te sluiten (en de moeder, die gebeld had, met rode wangen van schaamte uitvoerig te bedanken…)

Dochter had al visioenen hoe man en ik alleen op vakantie zouden zijn gegaan. Zoon zei enkel droog dat-ie wel naar huis was gelopen maar dat zijn zus niet wou. Ze hadden alles afgezocht naar mij. Maar ik was er niet. Ook de gelegenheid om de juffen nog even een hand te geven en te bedanken was hiermee al lang en breed vervlogen. Tja. Oh, er zijn ergere dingen, absoluut. Maar geloof mij, ik voelde mij verschrikkelijk. Een slechte moeder. Een een chaotisch rund. Dat ook. Despicable me…

Om het weer een béétje goed te maken heb ik ze meegenomen naar de bioscoop. En wat keken we daar?? Juist. Despicable me 2. Hoe passend. Superleuke film. Chips, popcorn en fanta present. Helemaal goed. Én we hebben gelachen. Heel veel gelachen. Daarna nog een rondje Mc Donalds (Nee, echt, dat doen wij NIET elke week, hooguit eens per twee maanden maar de kinderen vinden het nog steeds geweldig en nu helemaal omdat er Minions bij de Happy Meals zaten. Een must, quasi…)

Nu hang ik achter mijn laptop, de kinderen hangen op de bank en kijken iCarly. Allemaal uitgeteld. Mijn vakantie is begonnen: Mijn massagemat kneedt mijn zere rug, ik moet even niks meer, de kinderen gaan zometeen zelf naar bed (kunnen ze), en dan pak ik een groot glas wijn.

Want het is vrijdag.
En zomervakantiebegin.
En al was het dat niet, dan nog.
Morgen uitslapen.
Mensch nochmal.
Wat wil een mens nog meer…

geflipt

Zojuist ben ik volledig uit mijn slof geschoten. Dat gebeurt me niet vaak, maar daarnet was het zover. Eerst een heerlijk rapportgesprek over dochter, met dochter erbij. Mij wordt verteld dat madam veel teveel praat, heel snel afgeleid is door haar eigen gerebbel, anderen van het werk houdt (om ze vervolgens uitgebreid te gaan helpen met hun opgaven maar haar eigen taken vergeet) en waarschijnlijk tóch dyslectisch is gezien haar stand van (niet) begrijpend lezen.

Thuis gekomen bestelt miep de troela een dubbel spiegelei op brood en een glas water. De huisslaaf doet haar werk. Daarna rukt huisslaaf de nintendo uit de dochterhanden en maant tot het maken van het huiswerk. Onder protest en met opgetrokken knieën neemt ze haar rekentaak voor zich. De eerste vraag:
“Een boer verkoopt 15 liter melk en 3 liter melk. Hoeveel liter melk heeft de boer verkocht?”
Dochter jammert erop los.
“Hoe moet ik dat nou weten? Ik kan niet met liters rekenen. Is dit een min- of een plussom?”
“Nou dát moet jij dit keer toch echt uitzoeken lieverd, dit ga ik niet voorkauwen”
“Wèèèh, nou dan is het een minsom.”
“Pfffffff echt… kijk. Ik verkoop jou vijf potloden [*5 potloden aan dochter geeft*] en nog eens 3 potloden [*nog drie potloden geeft*]. Hoeveel potloden heb ik jou nu verkocht?”
“Teveel om vast te houden!!!”
“Kom op zeg, hoeveel????” [*Het geluid van wegklaterend geduld hoort*]
“Euhm. Acht.”
“OK. was dat een min- of een plussom?”
“Een minsom”
[Met hoofd op tafel bonkt]
“Waarom?” [Hoe krijg ik die vraag er nog zo rustig uit??]
“Nou, je hebt ze toch verkocht? Dan heb je ze niet meer”
[Nog harder op tafel bonkt]
“Nee schatje, ik heb er jou vijf EN drie verkocht. Hoeveel heb ik je er in totaal verkocht?”
“Je hebt ze helemaal niet verkocht. Je hebt ze me gegeven.”
“HOEVEEL!?!?!?”
“Acht.”
“DUS????”
“Dus is het een maalsom. Want een minsom is het niet en een plussom ook niet.”
“AAAAARGHHH!!”

En toen sloeg ik kneiterhard met mijn hand op tafel (i.p.v. op haar hoofd, dat dan wel weer) en gilde dat ze dan de hele kolererotzooi maar op haar kamer moest gaan maken omdat ik dit soort onnadenkende opperstommiteit werkelijk niet langer kon verdragen, waarna dochter met huiswerk en al luid huilend de trap op denderde. Ik was geflipt. Zonder zelfs tot tien te tellen. Nou heeft dat afwezige lontje van mij absoluut weer iets te maken met de tijd van de maand (die dan weer niet komt waardoor ik nog sneller explodeer) maar dat maakt mijn reactie niet minder pedagogisch onverantwoord. I’m sorry. I’m only human. A menopausal pre-nonmenstrual human. Op dit soort tijden zou gewoon niemand in mijn buurt moeten komen.

Dochter bonkt stampend en schoppend door haar kamer, luid brullend. Na vijf minuten komt ze de trap weer af.
“Ik weet het nog steeds niet maar ik wil nu eerst knuffelen.”
Pfiewww. Er wordt geknuffeld.
“Het is een plussom hè?”
“Ja lieffie, er staat “EN” in de som. Dat is altijd plus.”
“Waarom zeg je dat dan niet gelijk…”

Zucht. Geduld is een schone zaak.
Op naar de volgende som…

Fietsen voor gevorderden

Daarnet moest ik Zoon ophalen van school. Hij heeft namelijk vandaag zijn fietsdiploma gehaald. Een kind van tien mag hier niet zomaar op straat fietsen: het moet daar een officieel fietsrijbewijs (een ambtelijk papiertje mét foto etc.) voor hebben. Heb je dat niet, mag je tot en met je twaalfde enkel onder begeleiding van een volwassene op de openbare weg fietsen.  En dat is – naast erg lastig voor de desbetreffende ouders – mega-uncool.

Nou moet ik bekennen dat ik hier in Oostenrijk geen fietsmens ben. In Nederland was ik dat wel: ik hou van fietsen op langgerekte, vlakke, brede fietspaden door de weilanden en langs de rivieren. Maar dat kleien tegen de berg op vind ik fietsronduit crimineel. Man is daarentegen een fietsfanaticus. Minstens drie keer per week zit hij op zijn supersonische racefiets of op zijn sooperdooper carbon-mountainbike en scheurt tientallen (honderden?) kilometers in de rondte. Per jaar zijn ’t er minstens anderhalf tot tweeduizend. Berg op, berg af. Er is niks mooiers volgens hem en daarom snapt hij er ook geen bal van dat IK dat nou net níet leuk vind. En dan is ‘niet leuk’ nog een understatement. Ik vind het oerstom (tegen een berg op lopen vind ik al niet echt geweldig, tegen een berg op fietsen is voor mijn het toppunt van onzinnigheid) en uiterst pijnlijk (geen zadel waar ik langer dan een half uur normaal op kan zitten zonder dat mijn zitbotten het uitschreeuwen). En de opmerking “oh maar dat went wel” kan ik ook al niet meer horen. Nee, het went niet!! Het blijft pijn doen en ik wil geen eelt op mijn zachte achterwerkvetlagen, om de geïrriteerde clitoris maar even buiten beschouwing te laten.  Ik had dan tot voor kort ook een perfect alibi om niet te fietsen: ik had geen geschikte fiets. Een oudhollandsche fiets met drie versnellingen is geen doen hier en de oude mountainbike van Man had Zoon inmiddels al. Dus: ik kon niet! Joepie!! Helaas. Man had afgelopen week bij de Aldi ineens een fiets in de aanbieding gekocht. Voor mij. Een Trekking Bike (m.a.w.: een normale, sportieve, redelijk lichte damesfiets met 24 versnellingen voor luttele tweehonderd eurootjes die we eigenlijk wel beter kunnen gebruiken op dit moment). Maar goed, nu kon ik dus ook fietsen. En oefenen met Zoon. Wel verdorie nog an toe.

Nou hebben wij de pech, zelf ook op een berg te wonen. Voor Oostenrijkse begrippen in ieder geval een heel behóórlijke heuvel. Eraf gaat prima, maar er tegenop is ronduit Scheiße. Het fietsparcours van de proef is echter beneden in ’t dorp. Daar staan dan op het moment suprême – naast een kunstmatig stopbord – een stuk of drie gebarende en grinnikende politieagenten om de kinderen te beoordelen op hun rijkunsten. En daar moesten wij dan dus ook heen met hem om te oefenen. Berg af, acht keer dat geijkte rondje kneuren (waar óók nog weer heuveltjes in zitten want hier is praktisch niks plat), een hoop geschreeuw en gevloek en dan weer de berg op. Driewerf bah. Maar ik moest wel: man had écht geen tijd en er moest toch geoefend worden. Niemand rijdt hier zonder helm (wat bergaf ook best zinvol is) dus ik in dit geval ook niet. Zwéten in dat ding joh! Uiterst kapselongunstig.

Tot mijn allergrootste vreugde is Zoon geslaagd vandaag. Smile van oor tot oor. Bij hem ook. En ik mocht hem natuurlijk weer op gaan halen. Met de fiets? Neuh. Man is niet thuis en ik heb toch een Oudi? Bovendien weet ik vanzelfsprekend héél goed hoe ik de achterbanken plat leg en een fiets erin moet proppen. Twee kinders op de voorste stoel (mag ook niet but so what) en ik kar heel gemoedelijk en blij de berg op. Wat een weelde. Ik ben voorlopig wel weer klaar met dat gefiets. Dit bergfietsen hier is fietsen voor gevorderden. Ik ben en blijf gewoon lekker een beginneling.

Standaard zondag

Gewoon een standaard zondag.
In Oostenrijk toevallig ook vaderdag, een week eerder dan in Nederland maar ze zijn hier sowieso standaard vroeger met alles. Van opstaan tot kinderen krijgen, van uitgaan tot vaderdag, alles is vroeger. De ochtendseks was dus ook vroeger want ik moest nog samen met de kinderen tafeldekken voor de heer des huizes. Wij doen niet aan ontbijt op bed, daar hebben wij een gruwelijke hekel aan.  Het zelfgebakken brood geurde, de standaard knutseldingen waren verstopt, het standaard bloemetje uit de tuin stond naast zijn bord (en staat nu voor mijn neus te verleppen).

Dochter leest haar gedichtje voor, zoon mompelt ook (een standaard) iets. StandaardZondag3Man pakt vol enthousiasme zijn gevilte sleutelring en zijn placemet uit, om zich vervolgens – zoals altijd – uitgehongerd op het ontbijt te storten. Vervolgens mag hij doen waar hij zin aan heeft en dat is standaard klussen. Ik lig op de loungeset en kijk toe. Eigenlijk wou ik gelijk na het ontbijt hardlopen maar ik geef het toe: ik ben te lui. Nu nog althans. Zoon drentelt om man heen, wil koste wat ’t kost helpen. Dochter plonst al lang en breed samen met buurjongetje in het zwembad. De tuinspots moeten gemonteerd worden en zoon mag helpen om de draadjes aan elkaar solderen. Man vloekt: zoon soldeert zijn wijsvinger een beetje mee. Man legt de gloeiend hete soldeerbout even op de grond voor verder gebruik en zoon, inmiddels in zwembroek op weg naar het zwembad, stapt er met het volle gewicht op. Hij stort meteen ter aarde, schreeuwt het uit. Man ziet niet wat er gebeurd is en maant hem tot minder meisjesachtig gegil, hij is toch enkel gestruikeld? Ik denk “oh shit, hij heeft op een bij of wesp getrapt” en snel toe. Dan zien we de schade: een perfecte, lijkwitte, opzwellende afdruk van de soldeerbout onder zijn voet. Ai. Ik sleur hem naar het zwembad – lang leve het zwembad – en de trap op alwaar hij bijna drie kwartier lang met zijn voet in het nog koude water zit. En hartverscheurend huilt..StandaardZondag2.

Ik maak hem uiteindelijk een voetenbad met koud water, haal zijn boek, wat te drinken, paracetamol enzovoort en draag hem op mijn rug naar de tuinstoel waar ik hem installeer. Man voelt zich duidelijk enorm lullig op zijn vaderdag. “Had ik dat ding nou niet daar neergelegd, had ik ‘m maar in de standaard gezet… stom stom stom…” je hoort het hem denken. Ondertussen belt de moeder van het vriendinnetje waar dochter gisteren de hele middag was: “Ja sorry, maar wij hebben allemaal luizen, dus check je dochter ook even?”
Aargh…

De buurvrouw had me gisteren al om luizenshampoo gevraagd voor haar jongens en zoon zelf had ook al bultjes en jeuk op zijn hoofd. Ik denk nog steeds dat het muggenbulten zijn maar voor de zekerheid heb ik zijn haar gisterochtend al gemillimeterd. Daar is geen luis of neet meer op te bekennen, ook al hadden ze er gezeten. Maar aan de luizenkammerij ontkomen we niet. Dochter stuur ik naar boven om haren te wassen, spray haar vervolgens in met antiklitspul (klinkt dat… ehm… interessant) en ga met de netenkam aan de gang. Dochter vindt ’t prima, die is gek op alles wat met haargepruts te maken heeft. Of het nou een netenkam is of vlechtjes. Haarfriemelen is altijd goed. Gossie, wat lijkt ze toch op haar moeder.

Ik installeer zoon, inmiddels met behandelde en verbonden voet, StandaardZondag1op de bank voor de TV met een bak cereals en ga een standaard driekwartier sporten in de kelder. Daarna haren wassen en mezelf glink onder handen nemen met diezelfde luizenkam. Geen luis te bekennen, ook geen neet (bij dochter trouwens ook niet, pfiewwww). Maar wel een kop vol megagladde, superstatische haren. Opluchting alom. Wij zijn vooralsnog luisvrij. Preventief verwissel ik toch nog snel het beddengoed en gooi de boel op 90°C in de wasmachine. Je weet maar nooit hè… gespuis…

Man gaat fietsen met de buurman. Mag-ie mooi doen op vaderdag. Ik gooi een kip in de oven en zet de frituurpan klaar. Kip met frieten, zijn standaard lievelingseten. De obligatoire groente zoek ik zelf uit, die is sowieso onbelangrijk. Zoon is inmiddels naar het zwembad gestrompeld en peddelt op een luchtbedje rondjes door het water. Dochter speelt met buurjongetje badminton. De rust is wedergekeerd. Ik neem een roséetje en typ een blog. Bij deze. Een standaard blog.

Alles over alles

Alles-kaplakat Ontbijt is nu, om kwart over elf, dan toch op. Lekker laat en vooral lekker lang dit keer. Want vandaag is het een feestdag: het feest van “Fronleichnam”. Geen idee wat dat in het Nederlands is, mijn moeder had ’t over Sakramentsdag. Het is het feest van de herdenking van wederopstanding van Christus door de apostelen die op de 2e donderdag na Pinksteren zijn hernieuwde aanwezigheid middels brood en wijn – zoals Jezus bij het laatste avondmaal had gezegd – celebreerden.  Of zoiets. Kan zijn dat het niet helemaal klopt, maar dit heb ik ervan begrepen en dat is al heel wat voor een ongelovig Tomaatientje als ik. Er zijn sowieso niet veel mensen die weten wat ze nou precies vieren vandaag. Wij vierden het in ieder geval alvast met brood, de wijn komt vanavond wel (een champagneontbijt werd me toch iets te gortig).

Na ons Fronleichnamsontbijt stort zoon zich vol goede moed op z’n huiswerk: het verbeteren van zijn proefwerkopstel voor Duits. Koschka, onze kat, springt op tafel en er ook gelijk weer vanaf om zich vervolgens in één van zoons gebouwde kapla-blokkentorens te nestelen. Zoon springt – vanzelfsprekend – ook meteen op en vraagt me of ik zijn T*** Towers nu eindelijk al eens heb gezien. Eh, nee nog niet. Maar dat maak ik nu goed. Zoons voornaam begint met een T en hij heeft op beide torens een grote T gebouwd. Man noemde ze daarom gisteren al de Twin Towers en zoon doopte ze vervolgens om tot T*** Towers. Hij heeft in beide torens een kussen ingebouwd zodat de katten er kunnen slapen. En dat doen ze dus ook enthousiast.

“Mam, waarom noemde papa ze de “Twin Towers”? Wat zijn die twin towers ook alweer?”
Ik leg hem uit wat de twin towers waren en ons gesprek ontwikkelt zich.
“Goh, dan zijn dit dus helemaal niet de enige T-Towers ter wereld!” Jawel… want die andere T-Towers zijn er niet meer…
Waarom niet?
Omdat terroristen ze kapot gemaakt hebben. Ze hebben vliegtuigen gekaapt en zijn met die vliegtuigen in die torens gevlogen. Daarna stortten ze allebei in en zijn er wel 3000 mensen om het leven gekomen…  [overigens hebben we het hier al wel eens eerder over gehad, temeer omdat dochter ook op 11 september geboren is (vier jaar later), maar hij wist het blijkbaar niet meer. Ook heeft hij al wel eens eerder beelden ervan gezien…]
Wat zijn terroristen?
Dat zijn mensen met een bepaalde extreme politieke of religieuze overtuiging die mensen, die niet geloven of doen zoals zij dat goed vinden, als ‘slecht’ en vijandig zien. Ze willen door zulke verschrikkelijke acties die mensen dwingen, anders te geloven of te doen. Door zoveel mogelijk mensen te treffen willen ze zoveel mogelijk aandacht wekken voor hun overtuiging en voor de veranderingen die zij willen. Meestal zijn die veranderingen vanuit een bepaalde sterke geloofsovertuiging. [Ik moest snel denken hè, mijn uitleg mag er wat naast liggen maar dit was mijn manier om het hem op dat moment uit te leggen]
Ze doen dat dus voor hun god?
Dat is vaak wel een reden ja, niet zozeer voor een god maar wel in hun overtuiging dat dat wat zij doen of geloven het beste en enig ware is en dat mensen die dat niet geloven, overtuigd moeten worden, desnoods met angst en dood…
Dat is dom. Als mensen er zulke dingen door gaan doen, is geloven in een god gewoon dom.
Nee, lieverd, dat is het niet. Dat moet iedereen voor zich bepalen. Geloven in God of in ‘een god’ of in andere hogere machten en krachten is ieders goed recht en ieders eigen gevoel. Alleen moet men anderen niet met geweld proberen te overtuigen, dat te geloven wat men denkt dat het enig juiste is… Ik heb ook het recht om niet te geloven. En jij mag geloven wat jij wilt. Als jij ervan overtuigd bent dat er een god is, dan is dat prima. Maar dat moet jij voor jou zelf ontdekken. Dat kan ik niet voor je doen…
Okee... maar dan zijn die terroristen in dat vliegtuig dus ook dood gegaan?
Ja. Maar dat was voor henzelf helemaal niet erg want zij geloofden dat ze daarna op een veel betere plek, zoiets als een hemel, zouden komen. Of dat ze na dit leven nog andere levens hebben. Dus dit leven was voor hen redelijk onbelangrijk, daarna zou alles sowieso beter en nieuw worden en zouden ze door hun god beloond worden voor hun daden. Kijk. IK geloof dat niet. Ik geloof dat dit HET leven is voor mij, dat ik hieruit moet halen wat ik kan en dat ik zoveel goed moet doen en zijn voor anderen als ik kan. Ik wéét gewoon niet of er hierna nog iets anders komt. Ik denk het zelf niet maar mocht het zo zijn, dan ben ik heel blij verrast als het zover is. Zo niet, heb ik in ieder geval zo veel en zo goed geleefd als ik kon. Hier. En nu. NU leuke dingen doen, NU leren voor straks als je groot bent zodat je jezelf en je familie kunt onderhouden, NU zinvolle beslissingen nemen, NU lol hebben. Niet morgen. NU.
Okee, dan kap ik NU met huiswerk en ga even met de ipod, dat mag wel hé?
Ehh… nou, eh… nee… Want NU leren is ook heel belangrijk zoals ik zei. Het leven bestaat ook weer niet alléén maar uit spelletjes en lang-leve-de-lol, dat weet jij ook.
Ja, dat weet ik. Maar ik heb ’t vet fout opgeschreven en m’n inktwisser is leeg. Kun je een nieuwe halen?
Zo meteen. Ik moet nog wat schrijven. Dan haal ik er eentje voor je, boven (ik heb die dingen op voorraad hè).
Maar goed, dan moet ik nog wel een keer bungeejumpen. Vanaf de Grand Canyon. Want dat hoort bij mijn leven NU.
Euh… *even met mond vol tanden staat* ja tuurlijk. Maar vandaag niet. En je springt niet vanaf de Grand Canyon maar IN de Grand Canyon. En bungeejumpen daar is sowieso niet verstandig want dan kletter je tegen de zijwand. Tenzij je vanaf een brug óver de Grand Canyon springt. Maar er is geen brug want daarvoor is de Grand Canyon veel en veel te breed. Dan kun je beter gaan paragliden, dan zie je meer en vlieg je langer.
Euh, ik dacht dat de Grand Canyon een berg was…
Vanaf een berg kun je sowieso niet bungeejumpen schat. Maar nee dus, het is een hele diepe kloof in Amerika. Vroeger was daar een rivier (die heet de Colorado) en die heeft het landschap helemaal naar beneden uitgesleten. [Ik laat ‘m even wat plaatjes zien]
Jeetje. Hoe zijn die bergen eigenlijk ontstaan dan?
Door aardverschuivingen in de oertijd. En nog steeds verschuiven er delen van de aarde en verandert het landschap heel langzaam…
Oh ja. Dat weet ik allemaal al lang. Oerknal, kaboeffff, Pangea, dinosauriers, meteoriet, enzovoort.
[blij dat hij dat allemaal al weet, hoeven we dat niet meer door te kauwen vandaag]
Heb je nou al gezien hoe Koschka in m’n T-Tower ligt??
Jaja, ik heb ’t gezien. We hebben een echte kaplakat.
Ik maak tot zijn grote tevredenheid even wat foto’s van de bouwwerken inclusief kat.
Fijn mam, dat we het nu even over alles hebben gehad. Mag ik nog eens zien hoe die vliegtuigen in die torens vlogen?
Oh jee… dat had ik al een beetje gevreesd. Ik kan die filmpjes dus niet kijken zonder te huilen. Maar goed, ik offer mijzelf op, het is ook belangrijk dat hij weet wat er gebeurd is en wat 11 september 2001 betekent. Ik vind een herdenkingsfilmpje. Enya zingt “Only time” op de achtergrond. We kijken samen naar de vliegtuigen, de explosies, het instorten van de torens en de enorme ravage erna. Zoon mompelt wel acht keer “Grausam… grausam…” En ja hoor, daar lopen ze. Over mijn wangen…
Alles-KoffiemetpilMam? Huil je??
Ja lieverd… ik kan dit simpelweg niet kijken zonder tranen in mijn ogen, sorry.
Oh dat geeft niet. Zal ik dan maar een kopje koffie voor je maken?

Ik loop even naar boven, op zoek naar de essentie van de hedendaagse levenslessen: een inktwisser. Zoon zet een kop koffie voor me neer. “Mét een stukje chocolade en een happy-pil”, zegt-ie grijnzend. Die happy-pil is een druivensuikerdragée. Wat een lekker jong is het toch ook. Hij wil de koffie proeven en dat mag van mij. Hij is uiteindelijk al tien hè. Na voorzichtig aan de koffie genipt te hebben, scheurt hij naar de wasbak om het uit te spugen en zijn mond te spoelen. Duidelijk genoeg 🙂

Ik heb op mijn computer nog een tab open staan over een boek en een video met de titel “Alles over niets”.  Ik wil het bestellen.
Nondualiteit, een prachtig iets.
Maar vandaag was het niet niets.
Het was alles.
Met mijn alles over alles praten.
Het heeft wel wat op zo’n dag…

niets

Zoon heeft zijn dagelijks middageten-vragen-en-feitenuurtje.
Wat heeft tweeënveertig ogen maar kan niet denken? Een dobbelsteen.
Duhh.
Een dobbelsteen heeft helemaal geen tweeënveertig ogen.
Oh ja.
Nou goed dan, dan zijn het twee dobbelstenen.
Dochter werpt er even wat tussen: Wat heeft honderdmiljardduizend ogen maar kan niet denken?
Zoon ratelt verder.
De lucht heeft helemaal geen ogen!
En áls de lucht ogen had, waren het er veel meer dan dat!!
En honderdmiljardduizend is sowieso geen getal.
Mam, wist je dat er een chinees meisje is, dat tegelijkertijd met de ene hand engels en met de andere chinees kan schrijven?
En er is iets dat wij niet meer kunnen maar wat de oermensen nog wel konden. Weet je wat?
Nee…
Slikken en ademen tegelijk!!! Háh!
Oh mam, wat is eigenlijk ‘het niets’?
En hoe groot is het universum?
Waarom wordt het nog steeds groter?
Wat is er dan daar, waarheen het zich uitbreidt? Is dat weer ‘het niets’?
Kun je je echt in laten vriezen zonder dat je cellen afsterven? Want als dat kan, kun je je in een ruimteschip in laten vriezen en duizenden lichtjaren ver reizen.
Mama ik ga me nu even aan jou vastlijmen.
Ik lust dit  (opgewarmde ovenschotel met gehakt, wortel en aardappelen) niet. Eergisteren nog wel, maar toen zat die smurrie er nog niet tussen. Welles. Nietes. Nou dan wel, maar dan nog lust ik het nu niet meer.
Mag ik vandaag de slakken in de sla doorknippen?
Nee.
Waarom niet?
Daarom niet.
Oh.

Hij eet. Met hernieuwde tegenzin.
Prikt met zijn vork de wortels en het gehakt er tussenuit.
Ik zucht en ruim de eetrotzooi op.
Verder met de orde van de dag…

.

.

PS: eigenlijk frappant dat ’t niemand opvalt dat je ogen hebt om te zien, niet per se om te denken… ik kwam er pas later op. Waarom zou iemand of iets met ogen per definitie ook moeten kunnen denken? Ach. Laat maar 🙂

mei zon dag

gewoon.

Gewoon een heerlijke dag. Uitgeslapen. Weliswaar wakker geworden met een onmeunige rugpijn van mijn plantenbakbeplantingsactie van gisteren maar twee advils doen wonderen. Uitgebreid ontbijten, koffie op ’t terras in de zachte kussens van de loungeset. In slaap gedommeld.

Een rondje tuin, wat onkruid getrokken, met m’n blote voeten het te hoge gras bevoeld. Heerlijk. Mijn werk van gisteren bewonderd, de daaruit resulterende rugpijn vervloekend. Ja, toch ook heerlijk. Meer koffie, kletspraat met de buurvrouwen. De kinderen duiken bij buren A in het zwembad. Komen terug voor wat brandstof (lunch) en duiken vervolgens bij buren B in het volgende zwembad. Ons eigen zwembad is duidelijk nog te koud. Ik denk dat ik er morgen maar ‘ns een litertje of 40 kokend water in ga gooien, anders hangen ze nog wekenlang bij de buren rond…

Meer terrashangen. En vooral ook: meer niksdoen. De kinderen komen binnenvallen. “GAAN WE VANAVOND BBQ-en????” Nou, ehh, pffff… kweenie… Ik heb niks in huis en ik heb al gekookt vanmiddag dus eigenlijk: NEE.

bbq3 Maar ik ga toch eens graven in de vriezer. Misschien heb ik nog wel wat spul wat nodig op moet. Een paar knakworsten en een rol eeuwenoud pizzadeeg.  Hout uit de kist in de schuur gegraaid. Zoon – “ik ben bij de scouting hoor!!!” – bouwt een tipi-vuurtje. Hij zegt er niet bij dat hij er éigenlijk helemaal niet meer naar toe wil; voor dit vuurtje is de scouting dan toch nog weer goed genoeg. Ruzie om wie de hens erin mag steken. Ook een standaarbbq2d discussiepunt.

De boel brandt. En rookt. Ik schenk een wit wijntje in en duw de inmiddels ontdooide worsten op een uitschuifbare spies. Een reep pizza-deeg  om een andere en grillen maar. De kinderen vinden het geweldig. Elke keer opnieuw. Ik kijk toe. How bbq4relaxing…

“Krijgen we straks ook marshmallows in een koekie???”
“Nee. Genoeg zoetigheid gehad vandaag, het is goed met jullie.”
“Wèèèhh!!”

Ik kan niet tegen ‘wèèèh’ dus duik ik de gangkast in. Daar ligt daadwerkelijk nog een nieuwe zak marshmallows. Van de Haribo nog wel. En een pak koekjes. Ach soit.
Overstag. De kinderen jubelen. “JIJ bent de liefste mama van alle mama’s, mama!!”. Tuurlijk. Als je maar met marshmallows op de proppen komt. Vanzelfsprekend verbrandt het eerste paar schromelijk maar het volgende gaat altijd beter. Ik hou ’t maar bij witte wijn qua avondetenbbq1. bbq5Werkt ook prima, qua koolhydraten dan.

Ja. Dit was een mooie zondag.
Bevrijdingsdag…
Sterfdag van mijn oma…
En toch ook gewoon
een mooie zondag in mei.

koningin van gisteren

Nooit verwacht maar ineens was ’t daar. Dat vaderlandsgevoel. Ook ik keek mee in m’n Oostenrijkse Hütte. Oh grutjes, we hebben een koning… In eerste instantie dacht ik nog: “wat een heisa om een verouderd ambt” en “wie heeft dat koningshuis nou nog nodig? Kost een hoop geld…” Ik plande onderbewust om er toch vooral maar niks op uit te doen. Maar toen de fitnesstrainer belde dat er om 9 uur al een plek vrij was i.p.v. om tienen was ik stiekem ineens een beetje blij. “Yesss! Dan kan ik om tien uur  toch nog de abdicatie en de speech kijken.” Huh?? Ik??  Wtf….koningsdag2

Afijn. Ik pink een traantje tijdens Bea’s emotionele afscheidswoorden. Aandoenlijk hoe ze  even de hand van Willlem-Alex pakte. Die blikken van Máxima… Ach wat mooi. Ja toch wel. Ineens krijg ik ’t op m’n heupen. Wáár is die verhipte vlag? Ik had toch een vlag? In de kelder graaf ik mijn WK-oranjespul weer uit. Twee boa’s, een kroontje met vlechtjes, rood-wit-blauwe kettingen en een hoop vlaggetjesslingers die ik voor ’t huis in de planten en de aan de koningsdag1regenpijp drapeer. De boa’s er ook maar aan. Het kroontje en de kettingen blijven bij mij hangen.

Dochter komt thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand schat, we hebben een nieuwe koning.”
“Hebben we hier in Oostenrijk ook koningen dan???”
Nee, die hebben we hier niet. Maar in Nederland nu wel…
Zoon komt een uurtje later ook thuis. “Wie is er jarig???”
“Niemand lieverd, maar in Nederland is er een nieuwe koning, de eerste koning sinds 123 jaar dus dit is een historisch iets.”
(ik dacht, laat ik even wat uitgebreider antwoorden dan daarnet).
“Wat een onzin zeg… wanneer mag ik dan Phineas en Ferb kijken??”

Ik merk ook dat ik ergens een steek in de opvoeding heb laten vallen: in beide kinderen zit, hoewel ze allebei officieel Nederlanders zijn, werkelijk geen greintje Hollandgevoel. Niets. Het mijne daarentegen laait met de minuut hoger op. Ik vind ’t geweldig om het enthousiasme van die oranjegekleurde meute te zien. Hoe men samen viert, blij is. De uitbundigheid en ergens ook een soort teruggevonden verbondenheid die al sinds tijden mijlenver te zoeken was. Praktisch geen noemenswaardige incidenten. Een land, nee MIJN land viert feest. En ik zit hier…  Ondertussen koningsdag3heeft dochter toch een prachtig miniboeketje voor de kroonloze koning in elkaar geflanst. “Speciaal voor die meneer daaro, mam. Die kan wel wat bloemen gebruiken toch?” Ja, nou dat vind ik ook wel. En een biertje of zo.

Ik ben trouwens geen groot fan van het koningshuis. Ik vind ’t geheel als nationale institutie enkel acceptabel. Het kost een bom duiten maar dat kost een president nu eenmaal ook. Een koning of koningin doet zijn of haar best op handelsmissies en representeert het volk. Die eer is dus nu aan Willem Alexander. Maar het maakt niet uit wat de aanleiding was: een dag uit je bol gaan, je vaderland liefhebben, lekker gek doen en uitbundig feestvieren is simpelweg gezond. Zoon ziet dat anders: “Mam, wanneer haal je die suffe vlaggetjes nou weer weg? Ik vind ’t maar gênant… En doe dat kroontje af!! Stel je voor dat de buren binnen komen…” OK dan. Nu blijft de boel natuurlijk helemáál hangen tot de volgende koningsdag. En mijn kroontje doe ik misschien eventueel mogelijkerwijs in bed af. Maar ook dat is nog niet zeker.

Oh en dat rare koningslied?
Dat is nog steeds een groot stuk verdriet.
Bekoren kan het mij dus écht niet…
Maar ook dat interesseert niemand ene biet.
Stom lied.

beugelbekkie

Ik heb een beugelbekkie voor m’n eigen bestwilbeugel2
Da’s goed voor later, oh, daar twijfel ik niet aan
En op m’n neus – die ook niet mooi is – staat die pestbril
Dus ga ik steeds opnieuw weer voor de spiegel staan
Dan denk ik: Maakt het nou wat uit hoe ik eruit zie
Dan denk ik: Ja natuurlijk en dan denk ik: Nee
Want zonder bril weet ik heel goed, dat ik geen fluit zie
En rare tanden krijgen, da’s geen goed idee.
Oh nee…

Nou, probeer dat zoon maar ‘ns in te peperen. Het is voor je eigen bestwil, lieverd. (“Mijn bestwil wil dit niet!”). Je krijgt straks véél mooiere tanden. “Ik héb mooie tanden. Ze staan alleen een beetje scheef”). En het maakt toch niet uit hoe je eruit ziet? (“Ja wat nou, ik moet mooiere tanden maar eigenlijk maakt ’t geen bal uit??”).

Ik heb zelf bijna tien jaar lang een beugel gehad. Op mijn achtste was al duidelijk dat mijn gebit een plaatselijke ramp was. Letterlijk. Te weinig plek, dubbele tandenrijen, een overbeet waar je onder kon schuilen, enorme hazetanden en alles maar dan ook alles schots en scheef. Als ik in een appel beet, kon je de prachtige kartelrandjes bewonderen. Er werden vier melkkiezen getrokken. En gelijk daarna ook de daaropvolgende blijvende kiezen. Alles om maar meer plek te creëren. Ik had dubbele hoektanden, dus die melkhoektanden moesten er ook uit zodat de blijvende hoektanden naar beneden konden zakken (m.b.v. een beugel natuurlijk). Ik heb plaatjesbeugels, blogbeugels, beugels met hekjes (tegen ’t duimen :-S), plakkertjesbeugels (met ringetjes en elastiekjes), kapjesbeugels en weet ik veel wat voor beugels nog meer gehad. Toen ik 18 was, was de reconstructie wel ongeveer klaar. En daar zal ik m’n ouders altijd en eeuwig dankbaar voor zijn want ik weet niet hoe ik er anders had uitgezien vandaag de dag. Maar goed, zoon is er vooralsnog absoluut niet dankbaar voor.

‘Vroegah’ waren alle beugels roze. Nu niet meer. Hij mocht zelf kiezen in welke kleur hij zijn beugel wilde (blauw) en er werd zelfs een plaatje naar wens op gedrukt (in zijn geval een motor). Vroeger moesten we uuuuuuuuuuuuuuurenlang wachten op onze afspraak, hele namiddagen zaten we daar in die (enorme) wachtkamer. Nu niet meer: om half 3 stond de afspraak, om half 3 aan de beurt, om tien over half 3 stonden we weer buiten met beugel, beugelsleutel en beugelbakkie. Vroeger moesten we voor iedere aanpassing weer op komen draven. Nu niet meer: we mogen de beugels (hij heeft onder en boven zo’n plaatje met een stangetje) zelf om de vijf dagen met de beugelsleutel aandraaien dus de volgende afspraak is pas over goed 6 weken.

Het enig overgebleven probleem: Als ‘echte man’ is zoon nogal kleinzerig en overgevoelig (understatement of the year).
“Ik kan nief pfafen mef daf ding.”
“Hiebf doef ef feeerr” (‘Hier doet het zeer’ – een plekje boven zijn hoektand aanwijzend)
“Ik vind dif ech nie aangenaam, hoof…” (nooit gezegd dat ’t aangenaam zou zijn, lieffie…)
“Ik kan nief eenf ffflikken mef daf ding” (nee, maar met ’t eten mag-ie ook uit).
“wwwaaromm zif dif dingefje hier…” (een metalen uitstulpinkje met de tong aanwijzend)
“Mijn wehemelfe doef bijn” (“Mijn gehemelte doet pijn”. Oh. OK. En nu?? Platstampen ’t ding?)
“Hoe lang moef ik ‘m dan nog dragen?” (Nou, euh, nog een half jaar ofzo? En elke dag een uur of 14-16?)
Kreunsteunjammerklaag. En dat al na welgetelde twéé uur beugeldragen… Hij slurpt zich een ongeluk want “die beugel zit precíes op mijn speekselklieren en dan kan alle kwijl dus niet weg”. Uhuhh… OK, dit herken ik wel van mezelf van vroeger, maar elke 15-20 seconden heftig zuigend geslurp heeft toch best een behoorlijk negatieve uitwerking op je irritatietolerantie.

Yep. Dit wordt nog leuk, zeker weten.
Ik peper ‘m gewoon elke keer opnieuw in met de beugelverhalen en -ellende uit mijn jeugd.
TOEN was alles pas écht erg. Enzo.
En dan vooral die ene zin:
Later zul je me er dankbaar voor zijn…

Pokkezooi

Dat is het hier. En dat komt omdat ik aan ’t opruimen ben. Aangezien ik vandaag werktechnisch niks op ’t program had en best wat energie over, moest ik vandaag maar ‘ns door met mijn uitmest-en-opruim-project. Ik had al eerder geblogd dat ik bezig was, en dat gaat nu, na alle ziekte en gedoe, éindelijk verder.  Vanochtend heb ik eerst de keuken schoongemaakt, daarna een rondje vibrogym in de fitnessstudio. Maar toen was ’t toch echt hoog tijd. Ik ben namelijk aan ’t kastenswappen. Wij hebben een heul ouwe Ikea-kastenwand (“Bonde”, sinds 2010 uit het assortiment verdwenen. Verdullemie!) in de woonkamer. Of liever gezegd: in de ‘bibliotheek’ annex ‘speelhoek. Dat is een oorspronkelijk aparte kamer waar de hele speelzooi van de kinderen uitgestald ligt en wij ook nog een paar planken voor boeken ter beschikking hebben.

Door chronisch gebrek aan opbergruimte wilde ik een stuk aan de kastenwand bijbouwen, maar tja. Bonde was kassiewijle. Prima, dan maar Besta (met een rondje op de -a- maar dat wil mijn laptop niet en ik heb geen zin om nu in de ascii-tabel te gaan neuzen), zolang het maar Ikea is. Een Ikea-fan moet Ikea hebben. En ik ben bekennend Ikea-fan. Dus Besta kwam er. Maar nu blijkt Besta helemaal voor geen meter bij Bonde te passen. Dat is klote want als ik ergens een hekel aan heb, zijn het niet bij elkaar passende meubels. Voor de kinderkamers had ik ook per stuk twee Besta-kasten besteld (die staan nu nog steeds in de verpakking) maar ik heb á là minute omgepland: De kinderen krijgen allebei de helft van onze Bonde-kastenwand en de rest van de Besta-kasten komt mooi ook in de woonkamer. Dat vonden de kinderen vanzelfsprekend absoluut niet geweldig maar da’s pokkezooidan maar jammer. Mama bepaalt. Enig nadeel: de Besta had de nodige witte achterwanden (de kasten op de kinderkamers komen namelijk vrij te staan dus je ziet de achterkant), de Bonde-kasten hebben lelijke bruine spaanplaatachterkanten. Wat nu.

No problem. De kasten heb ik schoongemaakt en wat gerenoveerd (opgekalefaterd), de achterwanden eraf gesloopt en vandaag uitgebreid met witte muurverf gewit. Ze zien er nu dus uit als witte muren, helemaal mooi. Daarnaast komt er op de achterkant dus bij beide een schilderij naar wens. Ze hebben het al uitgezocht: een kat (dochter) en een skateboarder (zoon, dus). Op de zijkant komt bij allebei een lange spiegel. Gelukt: kids helemaal happy met de nieuwe ouwe kasten.

En dat heb ik dus vandaag gedaan: achterwanden gewit. En aangezien ik toch al bezig was, heb ik ook nog maar even de muur bij de eettafel weer toonbaar gemaakt (daar is een maandje of 2 geleden een vol glas rode wijn tegenaan geslingerd, op zich best een origineel patroon, maar ik vond ‘gewoon wit’ nu ook wel weer een keertje leuk. Dochter vond ’t daarentegen jammer (“ik vond opa’s versiering hartstikke mooi!!!”) maar zoals ik zei: mama bepaalt. En wit de muur. Help, mijn vrouw is klusser 😀 Maar man vindt ’t gelukkig helemaal prima, mijn klusambities.

Morgen verder. Het is hier nog steeds één grote pokkezooi hier, maar vandaag ben ik weer een stapje verder op weg naar mijn Ikea-droomhuis. Als ’t klaar is, zal ik foto’s showen van al mijn klus- en opruimwerk.

KiddySocca

kiddysocca ik heb ’t al wel ‘ns vaker uit de doeken gedaan maar ik heb dus een geheime carrière. Als voetbaltrainster. Samen met drie andere gedreven (*kuch*) dames stomen wij de kindsterretjes (liefdevol Bambini’s genoemd) van onze lokale voetbalvereniging (FC Schweinstein) klaar voor het echte werk bij de U8. Oftewel, in goed Nederlands: wij hobbelen met de F-jes over het veld tot ze eindelijk zeven zijn en naar de E-tjes mogen. Bij ons beginnen ze alleen nog nét iets vroeger dan in Nederland: niet pas met vijf maar met vier jaar al. Gezellig elke maandag een uur lang een meute 4- tot 6-jarigen over het gras jagen, wat een mens al niet voor z’n lol doet.

Vandaag begon het seizoen weer. Ik heb er de héle winter lang met smart naar uit gekeken en jaja, vandaag was het zover. (Ik kuch nog even door). Nu hebben wij een bambiniopperhoofd – laten we haar Lydia noemen – dat praktisch altijd voor het programma (“Lydia, wat doen we eigenlijk vandaag?”), het fluitje (om de meute bijeen te krijgen) en het pedagogische overwicht (ze is zelf gymlerares) zorgt. Simpelweg onmisbaar dus. Vanmiddag belde Lydia op. Bij het eerste kraken van haar stem was het duidelijk: Lydia was hartstikke ziek. Oh hemel… wat nu… geen programma, geen fluitje en vooral: geen pedagogisch overwicht en dat uitgerekend bij de allereerste training van het semester waar over het algemeen het halve dorp met kind en kegel uitloopt om het maar weer eens te proberen (“Ooit mot dat kind ’t toch leuk gaan vinden??”). Mijn hart schoot even in de zesde versnelling. De sleutel van het materiaalhok was snel opgehaald. Maar toen.

Stipt half vijf stond ik in dat hok, plompverloren zoekende naar wat bruikbare ballen en een paar als doelpalen dienende grasspiesen. De U9- en U10-tjes hadden het meeste al weggegraaid. Wat half lekke ballen weer even opgepompt (kijk dát zijn de dingen die ik wel kan) en gaan met die banaan. Mijn collega-dames kwamen ook aanzetten, thankheavens.

Wij hebben een redelijk strakke rolverdeling. Lydia is, zoals gezegd, het strenge opperhoofd. Lydia bepaalt wat er gebeurt en roept ons allemaal regelmatig tot de orde. Manuela is onze nog piepjonge meerenster, die vol overgave deelneemt aan alle spelletjes die we zoal verzinnen. Lisa is de liefdevolle begeleidster die de veters strikt en de rijtjes kinderen in het gareel houdt. En ik ben zoiets als het vervangend opperhoofd maar eigenlijk toch meer de pleisterplakster, de wc-begeleidingsdame en hoofd administratie. Ik kan best een balletje trappen hoor, maar ik ben in andere dingen nu eenmaal duidelijk beter.

Afijn. Tien voor vijf. De eerste kindekes drentelen het veld op, de hand van moeders krampachtig omklemmend. Ik geef de ouders en ’t kind een hand en druk meteen een vet naametiket goed zichtbaar op het kind. Da’s ook iets wat ik goed kan. Etiketjes op kinderen plakken. Drie Sarah’s, vier Tobiassen en twee Yannicks verder weet ik al lang niet meer wie wie is maar daar zijn dan ook die etiketjes voor. Uiteindelijk staan krap dertig stuks van het grut in een kringetje en proberen we het eerste spel uit te leggen. Lukt nog niet, ze tetteren alles bij elkaar dus eerst maar ‘ns een rondje om het hele voetbaltrainingsveld (110 bij 120 meter) jagen en wat opwarmoefeningen doen. Daarna ploffen ze dan automatisch neer en kiddysocca2luisteren stúkken beter. We doen vanalles. Zo ook dribbelen en de bal dan over de ‘krokodillengracht’ schieten. Alleen waren er al snel meer krokodillen in de gracht dan ballenredders. We speelden verstenen-met-verlossen: als je gevangen bent moet je versteend wijdbeens gaan staan en als er iemand onderdoor kruipt, ben je weer verlost. Lievelingsspelletje van Manuela die zich vol elan steeds opnieuw op de grond werpt en tussen de peuterbeentjes doorrobt om ze te bevrijden, en natuurlijk doeltrappen waarbij Lisa en ik in de doelen stonden. Dan trappen ze namelijk duideijk harder om ons vooral goed en gevoelig te raken. De meisjes durven echter de bal zelf al nauwelijks pijn te doen, de jongens daarentegen nemen een aanloop van minstens 20 meter om de bal vervolgens afketsend op mij het hek over te schieten. Ik trap iedere bal quasi-nonchalant terug naar het desbetreffende kind. Dit keer helaas ook één keer iets te nonchalant, ik glibber voorover over de bal heen en stort ter aarde voor de voeten van de toekijkende ouders. Ach. Ik ben de afgangen inmiddels wel gewend, iemand moet de clown zijn toch? Oh, wat een lol…

Aan het eind spelen we steevast een stief kwartiertje ‘chaosvoetbal’. De kleine meisjes haken nu echt af en staan wat bedremmeld langs de kant te kijken. Sorry girls, het is niet anders: er moet ook gevoetbald worden. Maar het ís ook pure chaos: drie doelen, 5 ballen (6, 7…) en nog een stuk of zesentwintig overgebleven, door elkaar sjezende koters, sommige daarvan bloedjefanatiek, andere verbitterd huilend omdat ze de bal nooohooohoooit krijgen. Dat worden steevast de afvallers. Volgende week zijn het er vást nog maar zeventien…

Traanarts

Vandaag was het weer eens zover. De tandarts stond op ’t program. Vanwege alle ziekengedoe van de afgelopen maand(en) tandartswas de afspraak inmiddels al twee keer verzet maar vandaag leek het erop dat alles ging lukken.

Weer een nieuwe tandarts. We hebben er inmiddels al vier (eigenlijk vijf, één was een ‘nood-tandartse’ waar we daarna verder niet meer zijn geweest) versleten. Zoon durfde er keer op keer niet meer heen want elke keer opnieuw was hij weer een traumatische ervaring rijker. De één boorde er lustig op los zonder te zeggen wat-ie ging doen (“dit is zo oppervlakkig, dat kan hij haast niet voelen” – yeah right), de ander japste er twee verdovingen in maar wachtte helaas niet lang genoeg waardoor zoon het trekken van zijn kapotte kies letterlijk tot in de puntjes voelde. Weer een andere zei geen woord maar liet ons stuk voor stuk fijn een half uur wachten in de stoel die toch al zo traumatisch was voor zoon. Eentje had zijn afspraken driedubbel gescheduled waardoor onze afspraak van 14:00h uiteindelijk om half 5pm kwam te vervallen. “Sorry, we gaan de praktijk nu toch maar sluiten, we zullen met u een andere afspraak moeten maken”. Nou mooi niet, ik wacht echt niet nog een keer met twee kleine kinderen 2,5 uur in een snikhete wachtkamer. Et cetera enzovoorts undsoweiter.

Deze tandarts was (is) tevens orthodontist en aangezien zoons tanden nogal scheef staan én hij (door alle antibitioca en overmatige mondgevoeligheid) nu al de tandproblemen van een volwassene heeft, leek hij me – op aanbeveling van de buurvrouw – wel een goede optie.  En dat was-ie. Een vriendelijke, lachende, open man met veel geduld en expertise. Afspraak om half vier, aan de beurt om half vier. Ondanks een volle wachtkamer. Alles prima gepland. Aardige, rustige assistentes. Ik had meteen vermeld hoe de boor in de steel zat bij zoon, dat ze echt geduld met hem moesten hebben en dat hij doodsbang was.

En toch was het ook deze keer weer opnieuw pure horror voor zoon. Er moesten afdrukken gemaakt worden voor zijn beugel (hij heeft een te nauwe beet en scheefstaande tanden). Te heftig trillend beet hij in de vinger van de assistente die de mallen vanwege de grootte even voor moest proberen. Stukjes van de felblauwe afdrukpasta raakten in zijn keel waardoor hij niet meer kon stoppen met kokhalzen. Dikke tranen. Nog meer braakneigingen, rode vlekken in zijn nek, wanhopige blik. Ik veegde met mijn vinger snel wat van de pasta uit zijn keel (mocht gelukkig) en hield zijn hand vast. Daarna moest er nog wat tandsteen ( 😦 en dat bij een tienjarige…) verwijderd worden, ook geen pretje. Ik probeerde hem steeds weer gerust te stellen maar hij verkrampte alleen maar verder. Nog meer tranen. De assistente deed het echt geweldig en zo goed als het ging tussen die duwende tong en bijtende tanden door. Het bloed dat hij uitspuugde in het spoelbakje gaf hem ’t laatste restje en hij keek me zo ontredderd aan… Spoelde zijn mond, rukte het plastic slabbetje af en rende met zijn iPod naar de wachtkamer. Wegwegweg van die stoel. Mijn arme knulleke…

Dochter was voor hem al aan de beurt geweest. Die is namelijk gek op de tandarts, heeft volledig ongevoelige tanden (net als haar vader, oh wat een zegen lijkt me dat), kreeg lof van de tandarts omdat ze zo goed gepoetst had en haar tanden prima in orde waren. Zelfs toen ze een jaar of twee geleden een gaatje had dat gevuld moest worden en ze daarbij met een spiegeltje alles minutieus kon volgen, vroeg ze naderhand wanneer ze dit nou nog een keer mocht want het was leuk! Uhuhh…

Ikzelf moest vanzelfsprekend ook nog even voor controle (alles prima, gelukkig heb ik meer dan goede, keiharde tanden want in principe ben ik net zo gevoelig en net zo’n schijterd als zoon…) en werd een klein beetje bijgepolijst maar ik kon om een paar minuten na vier alweer mijn ietwat gekalmeerde zoon oppikken in de wachtkamer, dochter vrolijk achter me aan hobbelend. Een half uur traanarts. Inclusief 3x röntgenfoto’s maken, beugelafdrukken happen en tandsteen verwijderen. Aan zoons trauma’s kan ook deze tandarts niks doen, dat hebben zijn collega’s al teveel verkloot. Maar bij deze blijven we, da’s een ding wat zeker is. Volgende week is de beugel klaar. Ik ben benieuwd of we het ding er elke dag zonder afgebeten vingers in gaan krijgen…

Lang leven

Dochter speelt buiten, schommelt in de hangstoel. Ineens komt ze naar binnen gestormd.
“Mam, hoe lang kan men eigenlijk nog leven?”
“Jee, meis, dat is heel verschillend. Sommige mensen leven maar heel kort en andere mensen weer heel erg lang…”
“Oh. Cool”
“Cool?”
“Ja. Ik ben er zoeentje die heel lang leeft, dus ik kan nog heel erg lang schommelen.”

Ah. Life is so simple…

maar ’t stinkt zo…

Ik ben er helemaal aan gewend inmiddels, aan het emmertje sjouwen, emmertje omspoelen, slokjes water geven, emmertjekotz weer aanreiken, over haren aaien terwijl de sproeikak in de toiletpot gekatapulteerd wordt, druipend achterwerk afvegen, emmertje weer aangeven, emmertje omspoelen… enzovoort. No problem. Ik heb geen emetofobie, ik verricht dit soort handelingen met stoïcijnse rust. Maar NIET als ik zelf ook misselijk ben…

Het stinkt zo… Het stinkt zó enorm dat ik zelf begin te kokhalzen en zoon en ik dan maar weer een professionele synchroonspuugact opvoeren: Hij zittend op de wc met het emmertje op schoot, ik staand ernaast, hand aaiend op zijn kruin en meespugend in hetzelfde emmertje. En een lol dat we hebben…

Het huis ruikt naar ziekte. Overal ruik ik die zure, indringende geur van overgeefsel, aan mijn vingers (vers geschrobd), mijn kleren (schoon), de bank (het doekje met dettol ligt ernaast), het bed (3x verschoond). Man had duidelijk die andere, rondwarende griepvorm: die met keelpijn, hoofdpijn, koorts en pijnlijke ledematen. Ik had die variant ook, de week ervoor, maar bij mij was het blijkbaar niet erg genoeg om écht mee te tellen in de huiselijke griepstatistieken. Met man nog zwetend boven in bed werd dochter vorige week woensdag ook ziek. Dit keer de andere variant: keelpijn, hoofdpijn, overgeven (véél overgeven, vooral ‘s-nachts en vooral náást het emmertje en in bed), spuitpoep van jewelste en enorme buikpijn. Vier dagen lang heeft ze – tot grote irritatie van man die zijn plek ingenomen zag – uitgeteld en bleekjes op de bank gelegen. Toen ging ’t weer een beetje. Gisteren uiteindelijk toch weer naar school, nog niet lekker. Vandaag belde de directrice op: of ik haar op kon halen want het ging echt niet goed.

Ondertussen crashte zoon gisteravond, nadat hij al dagen had lopen pochen dat het hem allemaal niks deed: hij was zo gezond als een vis. Die gezonde makreel kreeg dus gisteren op school ook nog even zijn DKTP-inenting en dat was de druppel: ’s avonds kwam alles eruit. En nog een keer. En nog een keer. En de hele nacht lang. Vier bedverschoningen lang. En nu nog. Vanochtend heb ik hem op m’n rug de trap af gedragen zodat hij op de bank kon liggen (de helende straling van die TV hè, die is nodig). Mocht u zich afvragen waar manlief in dit geheel is: die is skiën. Mijn eigen schuld hoor, vanochtend mompelde ik in mijn slaapdelirium dat ik het wel zou redden. Hij bood aan om thuis te blijven, vroeg of het echt wel goed ging. “Echt, ga maar schat, is goed voor je, een dagje in de frisse lucht, ik red ’t hier wel”. Dus daar klaag ik verder niet over. Nee nee, echt niet.

Dus. Nu liggen er twee kinderen te kermen op de bank. Zoon geeft nog steeds in regelmatige afstanden over (en kermt absoluut het hardst van allemaal, zoals het een echte man betaamt) (oh sorry, dat laatste floepte er zomaar uit… zoals zoveel deze dagen…), bij mij is het enkel nog misselijkheid zonder echte braakneigingen. Twee keer spugen en één keer de al door de darmen geprocesseerde rest er aan de andere kant uit knallen was genoeg voor mij. Hoop ik dan maar. En ik red ’t ook wel hoor. Heb net een pan echte kippensoep gekookt (getrokken van echte niet-plofkip (ontplofkip haahahaha)). Dochter eet ‘t. Had ik ook wel verwacht. Zoon wil niks. Had ik ook wel verwacht. Dus we sudderzieken hier gezellig nog even verder.

Ach, alles gaat voorbij. Ook dit.
Maar ’t stinkt zo hè…

.

PS: 2x spugen en 1x spuitpoepen bleek toch niet genoeg. De rest kwam vannacht. En vandaag de hele dag door. En morgen waarschijnlijk ook nog. Wat kan een mens zich belabberd voelen zeg…

Rustig aan

“Rustig aan hoor!”
“Laat alles gewoon liggen en doe even niks meer.”
“Laat je helpen. Dan moet je man maar wat meer doen…”
“Even een paar dagen niks nu, alles laten vallen.”

Maar vooral dat “even niks doen en alles laten”, dat werkt niet. Allemaal goed bedoelde, lieve adviezen. Ik wéét dat ik het rustig aan moet doen maar gewoon alles uit je handen laten vallen, op de bank gaan zitten en er drie dagen niet meer vanaf komen, dat gaat ‘m niet worden.

Gisteren was bijvoorbeeld het verjaardagspartijtje van dochter. Na bijna vijf maand uitstel wilde ik haar niet wéér teleurstellen. Dat zou haar hart breken. Iedere genodigde kon en ik had het al zo vaak verschoven… Dat ik zo stom ben om op mijn kop te donderen, tja, eigenlijk mijn probleem. En als ik niks meer had gekund, was het duidelijk geweest maar ik kan nog best heel veel en dat ziet zij ook…

Dus toch doorgezet. Man nog erop uitgestuurd voor de laatste boodschappen. Altijd weer spannend waar hij dan uiteindelijk mee thuis komt. Het viel mee. Twee moeders belden een uur van tevoren nog af voor hun kinderen, spontaan ziek, één of andere maag-darm-infectie. Kan gebeuren en ik was er stiekem wel blij mee: nu nog maar 9 kinderen om te entertainen. De muffins/soesjes kwamen matig aan, het kadootjesspelletje viel goed. Het bekers beschilderen was wat moeizaam maar leverde erg leuke resultaten op. Daarna kwam het voor mij aangenamere gedeelte: “bioscoopje spelen”. Alvin en de Chipmunks moest ’t worden. Shock: de DVD-speler begaf het. Horten en stoten en toen niks meer. Gelukkig hielp de Lou-methode: een goedgeplaatste mep erop (zal ‘m leren te haperen) en de stekker eruit en er weer in en toen deed hij ’t alsnog. Pfiewww, ik zag me al 1,5 uur lang 9 kindekes entertainen. Popcorn, chips, cola en fanta (hoe verantwoord…) erbij en ik ging even zitten en uitblazen met een kop koffie. Na de film nog friet met knakworst (hoe kregen ze het weg, maar het ging), nog twintig minuten rondracen, gillen en joelen en toen werd de eerste alweer opgehaald. Klaaaaar…

Denk je. Not. Dochter loopt lijkbleek naar de WC en gooit haar muffinknakworstfrietenchipspopcorncolabrij er weer uit. “Teveel door elkaar gegeten schat?” Ze kreunt maar wat terwijl ik haar haar naar achteren houd om verdere vervuiling te voorkomen. Vriendinnetje dat mag blijven logeren kijkt wat meewarig toe terwijl ze vermeldt dat ze die kotserij vorige week al gehad heeft. Op dat moment berouwde ik mijn opmerking over het teveel doorelkaar al. Dit was toch duidelijk dat maag-darmgedoetje…  ‘s-Nachts nog twee keer het bed volgespuugd en één keer volgepoept (de spuitpoeperij kon vanzelfsprekend niet uitblijven) maar ach, ik slaap vanwege mijn knie toch al heel slecht momenteel dus een paar bedden verschonen en wat middernachtelijke douchesessies konden er ook wel bij door. Vriendinnetje sliep ondanks de actie gelukkig gewoon door en de dames waren om half zes wakker. Fijnnnn….

Vandaag doen we het dan ter afwisseling inderdaad maar eens “rustig aan”. Dochter ligt op de bank, zoon hangt er in de stoel naast en ze ruziën gebroederzusterlijk over wat er op TV moet. Ik hang achter de (momenteel verbazingwekkend functionerende!!!) laptop. Man zit aan onze Van Haasteren-puzzel te puzzelen. Een nieuwe verslaving van hem. Eindelijk eens een leuke. Morgen rapportgesprekken op school, een bezoekje aan de schoolarts (voor zover dochter dan weer beter is) en een kleine na-vergadering na de middag (gemiste zitting van afgelopen week even bijpraten). De rest van de week is ook alweer volgepland. Het kan niet anders. Alles uit m’n handen laten vallen en drie dagen slapen, nee, dat gaat ‘m duidelijk toch écht niet worden. Hoe graag ik ook zou willen. Sorry.

 

ik wou niet

…maar ik doe ’t toch even. Éventjes bloggen. Éven van me afschrijven. M’n laptop doet ’t op wonderbaarlijke wijze ineens weer dus ik zie m’n kans schoon. Grijpen die hap, terwijl de externe harddisk bromt tijdens het internaliseren van mijn zoveelste systeembackup die nog minstens twee uur duurt.

Vandaag was een redelijk slopende dag. En dat is dan een behoorlijk understatement. Gisteravond begon het al. Het omen was weer eens daar: mijn laptop deed ter afwisseling raar (en dat rijmt ook nog). Programma’s bevroren, ding werd extreem langzaam. Opnieuw opstarten leverde spontaan de automatische installatie van 32 heerlijke windhoosupdates op en daarna wilde mijn Vaidiootje vanzelfsprekend helemáál niet meer opstarten. Na de 3e keer in de beveiligde modus uiteindelijk dan toch wel. Data gesaved, een nieuwe reparatiesessie gestart. Het was weer een interessant rondje Windblows. Na 8 keer opnieuw starten, plug-ins deactiveren, opschonen, deïnstalleren en enige updates terugdraaien deed hij het ineens weer. En dat is nu. En nu loopt dus die backup. En kan ik even typen.

Mijn hoofd is inmiddels stukken beter maar nog steeds niet goed. Sommige dingen/namen schieten me ineens niet meer te binnen, ik kan soms zinnen plots niet meer afmaken omdat ik niet meer weet wat ik wou zeggen, ik weet de weg naar ’t ziekenhuis, waar we al een keer of zes geweest zijn, niet meer. Dat soort dingen. Een raar soort dofheid. Mijn hersenstam werkt nog niet naar behoren, zeg maar. Maar geen pijn meer en dat is al een hele vooruitgang. De rest zal ook wel weer goed komen. Mijn knie baart me meer zorgen. Veel (heul veul) pijn. Maar goed. We gaan doorrrr.

Vannacht om half twee staat zoon op de overloop te brullen. Wakker geworden van zijn eigen braaksel. Dus bed verschonen (auw),  zoon even douchen en weer verder slapen, in de hoop dat het in de ochtend allemaal weer beter is want dan moeten we naar het ziekenhuis voor een hernieuwde diagnose van zijn ‘stoornissen’. Die hebben we dringend nodig voor de inschrijving bij de nieuwe school (later deze maand) dus het móet gewoon. ‘s-Ochtends gaat het aanvankelijk toch niet geweldig genoeg en heb ik de telefoon al in handen want met een zieke kop de hele ochtend tests doen, da’s nou echt geen doen. Maar zoon wil toch gaan (de kanjer). Druivesuiker en actimel mee (want ontbijten ging niet) en uiteindelijk vind ik het ziekenhuis toch weer terug (:-S). Na vijf uur tests, vragenlijsten invullen, rondhangen, wachten, uitslagen, wachten, bespreken en een laatste test mogen we weer op huis aan. De ‘gewenste’ diagnose (zware dyslectie i.c.m. ADHD) op zak. Daar kunnen we in ieder geval mee verder. Voor de rest is hij een bovenmatig intelligent, heel gemotiveerd, werkgraag menneke dat er ‘echt wel komt’ volgens de dokter, en daar ben ik dan weer heel, heel erg blij mee.

Om ca. 1 uur thuis. Dochter (sleutelkind vandaag) zit huilend op de bank en na wat trekken en duwen komt eruit dat ze het mobieltje dat ik haar had meegegeven, in de schoolbus naar huis verloren was nadat ze mij even zinloos gebeld had om te melden dat ze nu op weg naar huis was.  Ik klim gelijk maar weer  in de telefoon en krijg uiteindelijk de betreffende buschauffeur aan de lijn. Ja, mobieltje gevonden. Daar en daar ophalen. Ik weer in de auto. Terug thuis vliegen zoon en dochter elkaar inmiddels  in de haren (zoon heeft vandaag vanwege de tests geen medicatie op en dat merk je toch wel). Eerst maar ‘ns eten maken. Het huilen staat me nader dan ’t lachen. Alles doet pijn…

De namiddag heb ik een beetje doorgebracht met afwisselend crashen, comprutter opkrikken en voorbereiden op morgen. Want morgen is het verjaardagspartijtje van dochter, dat ik inmiddels al bijna vijf maand heb uitgesteld en nu niet nóg een keer af kan zeggen. Ze heeft 9 kinderen uitgenodigd waarbij ik, stom rund, verwacht had dat er toch minstens 2 niet zouden kunnen of ziek zouden zijn. Niet dus. Ze komen allemaal. Met die van mij erbij dus 11 kinderen om te entertainen. Mensch, wat heb ik dáár nou zin an. Joepiiieeeduuuhhhhhpoepiiiee!!!

Muffins bakken. Gelukt. Knutseldingetje (bekers beschilderen) organiseren. Gelukt. Boodschappenlijstje voor man in elkaar prutsen. Gelukt, kan hij morgenochtend dan nog halen. To-Do lijstje voor morgen opstellen. Ook gelukt. Avondeten koken (spaghetti met rooie saus). Gelukt. Af en toe een kleine, verdekte crash-huilbui inlassen. Gelukt. Zich halfdeaud voelen. Lukt nog steeds geweldig goed. Daarom ga ik nu een etage hoger. Eerst heel lang en heet douchen en dan slaaaaaaapen. Ik weet niet hoe ik er morgenavond aan toe ben, maar ik vrees dat het niet beter zal zijn dan nu (en we hebben nog een logeetje ook) dus bij deze meld ik me even af. Ik kom wel weer opdagen als ik mijn wederopstanding voltooid heb en m’n plug-ins allemaal weer werken.

Laters lui!

Lijden

Pap en mam zijn weer weg. Snik. Ik zit met een kop koffie een beetje voor me uit te staren. Ik heb de skispullen voor zover ik kan ingepakt want we wilden vanmiddag gaan skien. Een paar uurtjes en dan nog even koffie drinken bij schoonmoe. Maar man zit samen met zoon tegenover me aan tafel en probeert hem voor de derde keer een navertelling voor Duits leesbaar op te laten schrijven. Zoon heeft tranen in de ogen, is de wanhoop nabij. Man ook. En ik kijk toe en lijd mee. Het is pedagogisch niet bepaald optimaal maar ik kan nu ook niet ingrijpen. Hij leert wel heel veel zo en dinsdag is ’t grote proefwerk in navertellen… Maar ik zit er met haviksogen naast en werp af en toe een verpletterende blik naar man als ik vind dat hij weer te streng is. De vertwijfeling nabij. Allemaal. Met dat skien wordt ’t zo waarschijnlijk ook niks meer. Bluh.

Ach. Ik had er toch al niet echt veel zin in. Samen een lekker potje lijden op zondag is zoveel leuker…

*iets met gouden randjes*

Een zaterdag met een gouden randje.

Rond een uur of 9 word ik wakker. Ik kan me meteen levendig herinneren wat ik gedroomd heb: ik had mijn hele bovenlichaam laten tatoeëren. Een sjiek blauw corset met knoopjes over m’n romp met blauwe comicfiguren (Betty Boop, Sonic…) op mijn rechterarm en de Friese vlag over mijn hele linkerarm. En ik was er superblij mee, dat ook nog. Eenmaal wakker was ik ergens toch wel blij dat ik deze smurf-in-de-halvamel-like tattoo enkel in mijn fantasie mee heb mogen maken. Ik wil best wel een kleine tattoo (jaja, coming out of that closet too, gheheheh) maar gelijk m’n hele bovenlichaam in ’t (rood-wit-)blauw was toch wel een beetje heftig geweest. En daarbij komt dat mijn bovenkant nog best aardig is. Als er iets opgesierd zou kunnen worden, was dat eerder het gedeelte van de navel naar beneden tot aan de tenen geweest. Plek zat daar in ieder geval…

Ik overweeg of ik op zal staan of niet. Niet. Of ja toch maar. Vannacht sliepen we pas om 2am dus dat hoeft nu niet nog een keer. *kuch* Douchen, zaterdagochtendontbijt met een eitje en versgeperste jus. Man ruimt op, ik scheur even naar ’t sportveld om wat dingen te regelen en te bespreken met de verenigingsvoorzitter. Daarna: koffie, nog meer koffie en FB cq. mails checken (misschien moet ik nog Die Welt Retten hè, you never know). Ook nog een wandeling in de ijskou en wat foto’s gemaakt met m’n mobieltje. Vervolgens ga ik de kelder in, een krappe drie kwartier sporten en de kinderen sleeën zich ondertussen suf. Na de middag gaat man even naar z’n moeder, maak ik brood voor de kinderen en in no time zijn ze alwéér buiten. Ik doe wat huishoudelijke onzin (ja sorry, ook ik ben tenslotte maar een huishoudsloof, een nietszeggend en bij tijden vervelend mens en een slaaf van de alledaagsheid als je alle sjuu en tierelantuten even weg rekent. In de trant van “zelfs de koningin laat wel eens een scheet” enzo).

winterimpressionen

Ik tref eerste voorbereidingen voor het avondeten (zoete kip – “kip in ’t pannetje” heet dat – met sperzieboontjes en wilde rijst) en zie ineens de buurman voor het keukenraam voorbijstampen. Hij kijkt me triomfantelijk aan en dan zie ik ook al waarom: hij heeft mijn én zijn kinderen (5 stuks in totaal dus) zover gekregen dat ze in ganzenmars, met rooie koppen en breed grijnzend, achter hem aan stampen. Zo marcheren ze met veel kabaal drie keer rond ’t huis en dan zijn ze weer verdwenen. Toch fijn, zo’n bevestiging dat wij daadwerkelijk goed in dit buurtschap passen: ze zijn net zo gestoord als wij. Opluchting alom.

Om een uur of 5 komen de kinderen naar binnen donderen, volledig in het wit en ijskkkkoud. M’n gang is nu zeiknat but so what. Even een mok warme chocolademelk voor ze maken. Ook man is tegen half 6 thuis en we vallen aan op het zaterdagse avondeten. Het gaat schoon op. De kinderen zitten nu op de bank, zoon met m’n iPhone (mag hij hebben, rotding), dochter met haar mode-designer-kleuralbum. Man is boven, probeert z’n ouwe nieuwe boxen uit. “So far away from me” van de Dire Straits schalt kneiterhard door het hele huis. Heerlijk.

Zo meteen, als we allemaal klaar zijn met de electronische prut, gaan we zaterdagavond vieren. Dat heb ik sinds kort zo ingevoerd, om een beetje meer familiegevoel te kweken. Niet dat we dat niet hebben hoor, maar ik herinner me het van vroeger, die zaterdagavonden. Gezellig bij elkaar zitten, iets op TV kijken (de Weekendkwis of de RonBrandstederShow of weet ik veel wat) en een spelletje doen. Drinken en wat chips erbij en familie voelen. Ik wil dat mijn kinderen dat ook een beetje kunnen ervaren en daarom heb ik nu persoonlijk de zaterdagavond tot familieavond gebombardeerd. We gaan zometeen sjoelen, op wens van de kinderen. Joepiedepoepie 🙂 Ik ga ervan uit dat het volgende week een potje Monopoly wordt. Daar kan ik me dan nog een week lang psychisch op voorbereiden. Blikje Fanta (de traktatie ten top voor de onzen) en Pombär- of paprikachips en ze zijn helemaal happy. Alleen die Fred Oster, die ontbreekt een beetje. Maar dat zullen we vast ook wel overleven.

Als de kinderen straks om een uur of half 10 in bed ploffen, gaan wij hoogstwaarschijnlijk nog even naar onze (eveneens prettig gestoorde) buren om een potje darts te spelen. Altijd goed voor een hoop lol. Kortom, de zaterdag is er eentje. Een zaterdag zoals-ie moet zijn.

Als ik nou ook nog wist, dat iedereen die me lief is, óók gelukkig is, was het een echt perfecte zaterdag.
Maar dát is-ie dus helaas niet…

Thuisbrenggesprekken

Buurmeisje speelde vanmiddag hier. Gebracht door haar vader de buurman want ze durft niet alleen naar ons toe te komen. Én ze durft die ca. 200 meter dus ook niet alleen terug naar huis te lopen, daarom brachten dochter en ik haar even. Dochter op haar step, buurmeisje op haar bobbycar en ik op m’n wintercrocs…
“Kom skattie, we brengen Mina naar huis”
“Okeeeejjj dan… schoenen aaaaannnn… muts opppp…”
“Héé mijn muts met konijnenvelpompon ligt op de grond!!” gilt Mina.
So what. Zal de kat wel gedaan hebben.
Met z’n drieën lopen we rustig naar het huis van de buren.

“Hey Mina… volgens mij is er nog niemand thuis. Kijk maar, alles is donker.”Feld
“Oh jawel hoor, maar papa slaapt vast. Dat doet-ie altijd als mam aan ’t werk is. Daarom moet ik ook weg.”
Aha. Dat vermoeden had ik al wel vaker op vrijdagmiddag.
“Waar is Max [buurjongetje] dan?
“Die heeft-ie daarstraks naar een vriendje gebracht, voordat-ie mij bij jou bracht.”
“Oh. Aha. OK… Nou we kijken wel even of-ie thuis is.”
Buurman doet met slaperige ogen de deur open. Warempel.
“Ahh haiii! Dat is snel! Oh ehh, bedankt voor ’t thuisbrengen.”
“Null problemo. Doeiii Mina! Fijn weekend!”
Dochter loopt naast de step en samen lopen we zo terug.
“Maham ik loop wel. Anders ben ik zoveel eerder thuis dan jij en da’s niet leuk voor jou.”
“Uhuhh…”
“Maham kijk, die boom groeit scheef. Zou-ie rugpijn hebben?”
“Vast.”
“Maham kijk, wat een modder hè, daar zou ik heel goed even doorheen kunnen rijden.”
“Uhuhh…”
Oh. Prut. Fout antwoord. Dochter ziet haar kans schoon en scheurt met haar step de drek in. Fijn…
“Maham kijk, Norbert schildert weer! Die schildert ook élleke dag hè…”
Norbert is onze kunstschilderende buurman. Hij maakt enorm grote, werkelijk wel heel mooie schilderijen. Met overduidelijke figuratieve naaktafbeeldingen, deels “in the middle of the act of all acts” of in één of andere slangenmensachtige omstrengeling. Voor een héél groot venster op de eerste verdieping en met héél veel licht zodat hij, en ook wij wandelend publiek, alles goed kunnen zien.
“Nèèhh, die schildert niet elke dag. Maar wel vaak, da’s waar. Maar ik zie Norbert nu nergens dus misschien is ’t Jannie die de boel boven even schoonmaakt of stofzuigt ofzo.”
“Duhhh zeg. Als-ie zelf rotzooi maakt, moet-ie ’t toch ook zelf opruimen??”
“Ja eigenlijk wel. Net als jullie dat altijd doen hè?”
Dochter antwoordt wijselijk niet en kijkt dromerig over haar step het veld in.
“Mahaaam… als jij later groot bent hè, wil je dan nóg een keer kinderen?”
En ik dacht óók wijselijk niets te antwoorden en een beetje het veld in te staren.
Maar die vlieger ging niet op.

“Mam?? Ik vroeg je wat! En als ik je wat vraag, heb je ook te antwoorden hoor!”
Gohhh, waar ken ik dat van :-S
“Ehh euhh… kinderen,euh… nou, als ze zo worden zoals jullie, dan zeker wel!”
*Grijnst in haar vuistje*
Pfoeh, heb ik dát zomaar even diplomatiek eruit geperst.

“Maar lieverd, eigenlijk bén ik al groot…”
“Ja hèhè, dat zie ik ook wel mam. Kijk, jij hebt vetrolluhhh!” [port en knijpt me sneaky in de zij]
“Haaaaaaaaahaha!! Jij bent gewoon Megamama!!”
en ze zingt op de melodie van Megamindy heel hard “meeeegaaaamammaaaa”

Misschien denk ik er toch nog maar een keer over na.
Over die kinderen die ik zeker wel wil hebben als ze zo zijn als zij…
Volgende keer mag ze Mina alleen naar huis brengen.

monday monday…

…no good to me…

Ach eigenlijk ook wel, zo erg is het allemaal niet. Het normale leven is weer begonnen. Kwart over zes, mijn lichtwekker simuleert braaf het ochtendgloren. Maar verder is ’t stikdonkere nacht. Een keertje kreunen en hoppaaaa, de voetjes op de koude laminaatvloer. Stampen maar: “Waaaaaakker worden!!!” en ik stamp vervolgens linea recta door naar de WC, alwaar ik mijn buikkramp verlicht. Misschien was die eend van gisteren toch niet helemaal goed gaar. Of ik heb op de één of andere manier toch weer teveel koemelk binnen gekregen, who knows. Ik wou dat ik m’n vetrollen er net zo makkelijk af kon poepen.

Zoon draait zich fijn nog een keer om, dochter prevelt een heel verhaal over kapotte vlinders en haar knuffelbeesten die haar niet beschermen konden vannacht. Nee, die liggen beneden op hun onderhoudsbeurt te wachten. Door de meerdere gaten in hun kruisgebied komen de doorzichtige vulkogeltjes naar buiten donderen. Zo gelijk maar even doen.

Zoon krabt zich een ongeluk, heeft nog meer bultjes dan gisteren. Eén of andere rare netelroosuitslag? Ik dacht eerst aan vlooien of bedwantsen o.i.d. maar ik heb zelf niks (en vlooien moeten echt áltijd eerst mij hebben) en ik heb gisteren maar gelijk alles schoongemaakt, van bed (mét speciale antistofmijtenhoezen) tot kleding, alles op 60+ graden gewassen, alles volledig ongedierteloos. Vanmiddag maar even naar de dokter…

Dochter jammert over haar knuffels. Waarom ik nog stééds niks gedaan heb. Ja sorry hoor, ik heb de opdracht pas gisteravond gekregen, op een zondag nota bene. Eerstmogelijke uitvoeringsdatum is dan toch echt maandag. Nou goed, of ik het dan zometeen maar gelijk even in orde wil gaan brengen. “Alsjealsjealsjeblieft mamma…

Zoon stommelt naar beneden en laat gelijk de katten binnen. Samen met een sloot aan hun poten en vel hangend HuntiHasimodderwater. Fijn. Ik moest inderdaad nog de vloer dweilen. Het dagelijks kattenafdroogritueel volgt met veel gespartel en gesis. Ze vreten, drinken en gaan vervolgens op elkaar los. Galopperende, parcoursrennende katten bij ’t ontbijt, nog zo’n heerlijkheid. Ik schop ze (figuurlijk dan) gelijk maar weer naar buiten want dit verdraag ik niet op de vroege ochtend. Zoon wurgt zijn toast naar binnen, dochter prikt in haar broodje en mompelt dat ze dan nu, bij het ontbijt, ook maar eens begint met minder eten. Tanden poetsen, gezicht wassen, anti-jeukzalf op de bultjes smeren, schoenen en jas aan en naar buiten, waar precies op dat moment de schoolbus al aan komt sjezen. Veertien minuten over zeven. En weg zijn ze.

Ik maak nog maar een kop koffie en stort me op het eerste absoluut noodzakelijke project van vandaag: Knuffel-EHBO. Hunti en Hasi houden hun ingewanden weer binnen.
Nou ik nog…

Ongelooflijk

Gisterochtend dacht ik nog: “ja ja, dit wordt vast wel weer wat vandaag.” De auto volgestouwd, de DVD-speler geïnstalleerd, de tas met vreetspul voorin tussen de benen. Ignition. Hoera, hij start! Helaas de achterruitenwisser ook, hoewel die niet eens aan stond. Da’s raar. Het ding bleef maar wieberen dus in no-time had de ruitenwisser een nieuwe rustplek op de werkbank gevonden. Eraf gesloopt en hoppaaa, gáán met ons ouwe huppeltrutje.

Navigatie nog even in de sigarettenaansteker en weg. Verhip, de asbak (waar dat aanstekerstopcontact in zit) wil niet meer open. Met geen stok. Dan maar met een schroevendraaier. Asbak open gebikt, naveltje’s stekker erin gepropt. Ook klaar. Zitten we allemaal? Doet alles het? 3 – 2 – 1 – Lift off.

Op de autobaan nog even geluisterd naar een ietwat raar, schrapend motorgeluid maar aangezien Auwdi verder goed reed, hebben we daar maar geen aandacht meer aan besteed. Ik verwachtte na al deze startperikelen natuurlijk wél weer een hoogstinteressante, blogwaardige reis.

Misverwacht.

Geen files.
Geen haperende auto.
Geen kotsend kind 1.
Geen hagelsneeuwslagregen.
Geen defecte DVD-speler.
Geen 293 Baustellen (maximaal een stuk of 5).
Geen omwegen.
Geen rareroutekiezend naveltje.
Geen vertraging.
Geen kotsend kind 2.
Geen ruzie.
Niks!

Ongelooflijk…

Happy world

Happyworld1Een hoofdmassage én vlechtjes-met-ingeharkte-luizenkam krijgen van je dochter.

Je verheugen op het aansteken van de échte kaarsjes in je kerstboom en op het feest van licht&liefde.

Samen met je kinderen een lachstuip krijgen van een feelgood-filmpje op youtube.

Je neus in een glas volle rode wijn dompelen en met het puntje het vhappyworld4loeistofoppervlak raken.

Opgaan in een gezamenlijke kerstdrumsessie, ook al kun je er dan geen hout van.

Koffie drinken en het laatste lokale nieuws bekletsen met twee lieve buurvrouwen tegelijk.

Zonder muts buiten staan, je ogen sluiten en voelen hoe sneeuwvlokjes tussen je haren en op je huid smelten.

Met z’n allen kaplakunstwerken bouwen en dan met stuiterballen omver schieten.

Dochter die met de hoofdmassagespin op haar hoofd brult: “woohooo ik ben een Alien en ik ga je meeeeeenemen!!!”

Een megagrote bak lychees leeg eten tot je ellebogen er letterlijk van lekken.

Een dankbaarheidskusje van je kat op je neus krihappyworld2jgen voor dat extra lekkere stukje spek.

Met je supermarktspaarpunten die knuffel-ui krijgen waarvan je zomaar ineens wist, dat je daar nou altijd al naar gezocht hebt.

De schilderijen-in-opdracht bíjna klaar hebben maar nét die laatste climax steeds weer uit kunnen stellen.

Noghappyworld3 maar drie zakjes die aan het adventskalenderlint bungelen. Samen met een geknutselde eekhoorn.

Lachen om de Maya-prijzen in een reclamespot op TV. Zo laag dat ze bijna ten onder gaan.

De lichtjes in je kerstboom zien en beseffen hoe goed je het hebt.
En hoezeer niks te klagen…

.

Happy world binnen een straal van 30 meter.
Oh.
Binnen een straal van één meter valt de wereld in duigen.
Dochter piest zoon over de voeten.

Happyworld5

blik

Stilletjes zat hij daar.  Op zijn stoel aan de eettafel.
Niet onze eettafel, maar dat maakte geen verschil.
Het was een eettafel.
Verloren keek hij me aan. Die vragende, licht wanhopige blik.
De blik van “Moet ik eten? Moet ik zitten? Moet ik ademen? Moet ik?”

Ik vroeg fout. “Is er wat mis, lieffie? Wat ís er dan?”
De blik werd nóg droeviger en er glinsterde wat.
“Ik weet niet wat het is mam, het is gewoon niks.”
En ik geloofde hem niet.
Toch was het zo. Rond een uur of vier verdween de blik.

Dat krijg je, als je de dag ervoor de ADHD-medicijnen vergeet…

Ein Königreich für ‘ne Mama

Aangezien de Nederlandse Sint enkel nog de chocoladeletter “K” kon vinden, maar de “T” niet meer, krijgen de kinderen morgenochtend allebei een choco-“K” in hun schoen. Dochters naam begint ook met een “K”, zoons naam echter met een “T”. Dat is op zich geen probleem: De “K” van “Kind” is ook heel plausibel, toch? De bijnaam van man begint met een “P” dus die krijgt een “P”, de “P” van “Papa”. Wunderbar: ook nog duidelijk en verklaarbaar. Maar als ik dan een (op zich logische) “L” krijg, dan klopt er ergens iets niet meer… (Snapt u ’t nog??). Nou ja, daar heb ik dus nu net even een gedichtje voor in elkaar geflanst.
Voor morgen, in hun schoen.
En daar moeten ze het dan maar mee doen…

Bij deze.
(En ja, in het Duits, anders kan zoon het echt niet (voor)lezen ;-)).

.

Der Sinterklaas, der war heut’ noch im Stress
Er musste nämlich noch schnell und ganz kess…
einen Umweg über das Land Österreich machen
Dort standen noch Schuhe mit sieben SachenLama
Karotten fürs Pferd, Mandarinen für Piet
Die Kinder dort sangen sogar auch ein Lied.
Zwar „Kling Glöckchen Klingelingeling“
Aber das kümmerte ihn zurzeit nur gering.

Was schlimmer war, war jener Fakt
dass etwas nicht stimmte im Sinterklaassack.
Schokobuchstaben gab’s nun wirklich genug
K’s für Kind, P’ für den Papa, U für Unfug.
Aber das M für Mama, das fehlte komplett.
Er könnte noch eins basteln aus dem Brat’lfett…
Aber das würde ihr sicher nicht gut schmecken.
Und so suchte er weiter, an Enden und Ecken.

Kein “M”. Nur noch ein lahmes “L” konnte er finden.
Wie sollte diese Mutter DAS nur überwinden?
Warte, der Film, der hieß doch Königreich für `ne Mama?
Und diese Muti da spuckt ja viel besser als so ein Lama…
„Das ist es!!“ rief Sinterklaas nun begeistert.
„Lama, Mama, wer merkt das schon. Ich hab’s gemeistert!“
Dieses Lamaweib kriegt einfach ein passendes „L“
Und jetzt auspacken, das Zeug. Und zwar schnell!!!

.
PS: de film “Keizer Kuzco” (The Emperor’s New Groove) heet hier “Ein Königreich für ein Lama”.
Vandaarem.

Schoenensint

Sint was toch nog niet helemáál klaar…

Vanavond deden we een poging om die Sint toch nog onze kant op te lokken, een kleine omweg op zijn terugreis naar Spanje. Via Rijn, Neckar, een klein stukje klunen met de boot, Naab en Donau kan dat best. Gisteren, Sinterklaasavond, konden we door logistieke omstandigheden geen schoen zetten. Dit jaar hebben we Sinterklaas, zoals we het tot nu toe vierden, eigenlijk sowieso helemaal opgegeven. Nou ja, IK heb ’t opgegeven. Want de enige die het zó graag in stand wilde houden, was ik. Ik met mijn oerhollandsche sinterklaasgevoel…

Al die jaren las ik de kinderen weken van tevoren sinterklaasboeken voor. Ik plantte ze dagelijks voor het Sinterklaasjournaal in de hoop dat ze de hele toestand inclusief Diewertje’s gebrabbel een beetje snapten. Ik bakte pepernoten, speculaas en taaitaai met ze. Ik kocht kadootjes (en mijn mams ook, elk jaar, zo lief), speelde theater. Regelde een zak-en-wasmanden-neerzetter als wij op sinterklaasavond “even lekker gingen wandelen”.

Het mocht allemaal niet baten. Het gevoel zit er simpelweg niet in. Sinterklaas leeft hier niet zo, ook al is-ie al eeuwen dood. Ja, op school krijgen ze een chocosinterklaas in hun schoen. Fijn zelf geregeld, ouderverenigingslid zijnde. Er huppelt hier jaarlijks op 5 en 6 december ‘s-avonds een horde gruwelijk slecht verklede bisschoppen van Myra door het dorp (zo slecht dat je de baardelastieken size XXL achter hun oren ziet zitten), die huizen vol angstige kindertjes aandoen om te vertellen wie zij nu wel niet waren in vroegere tijden en dat de kindertjes vooral braaf moeten zijn. Vervolgens krijgen ze een hand vol pinda’s (het vroegere schoenalternatief voor pepernoten) en een mandarijn en dan is Sint weer met de noorderzon vertrokken. Gracias pero non gracias…

Daarom heb ik de kinderen verteld, dat de Nederlandse Sinterklaas gezegd heeft, dat hij op de terugweg naar Spanje misschien nog wel even langs Oostenrijk zou komen om de Nederlandse kinderen aldaar nog iets in de schoen te stoppen. Maar dan moesten ze wel braaf schoen zetten. Voor de (schoorsteenloze) kachel. En hárd zingen a.u.b.

Dat hoefde ik geen twee keer te zeggen. Alle schoenen die ze hadden werden in no time aangesleept.
“Nee lieverds, één schoen. Anders weet de Sint niet waar hij z’n spul in moet doen.”
De koelkast werd geplunderd: mandarijnen en wortels en chocola rond de schoenen gedrapeerd.
“Nee schatjes, IN de schoen. En geen chocola. Da’s niet goed voor Piets witte tanden.” (en haar lijn…)
De kaarsjes werden aangestoken. Daar zag ik geen probleem in dus dat mocht.
Maar dan wel zingen nu.
“Klingggg klokje, klingelingelinggggg….”
Zucht…
Zinloos…

Ik heb zelf maar even uitbundig alle sinterklaaskapoentjes en -bonnebonnebonnes door de ether geschald en ze zongen vlijtig mee, moet ik toegeven. Ik heb Kinderpunsch (een soort alcoholvrije Glühwein) gemaakt en brokken speculaas met ze gegeten (oh wat een ellende 🙂 ).

Nu is man net thuis gekomen en ga ik de onder-elf-jarigen in dit huis maar ‘ns een etage hogerop duwen.

‘ns kijken of de goedheiligman toch nog een waterig omweggetje voor ons maakt…

Morgen ga ik een kerstboom kopen.
.

EPILOOG:
Het is gelukt. Hij kwam in een sneaky moment, die Gutheiligmann. Kindertjes happy vanochtend. Ik ook.
Dank u Sintisklaarsje!!!
dankusintisklaartje Sintisklaar2

Zondagsuitje

Zondag. Prachtigmooi weer. Niks in de planning. In dat geval voelen wij ons ouders geroepen om ‘even iets leuks’ te gaan doen met onze koters. Bij voorbaat buiten.

Nu hebben wij de mazzel dat we hier in de buurt een zogenaamd “Motorikpark” hebben, een soort speeltuin voor kinderen en volwassenen met allerlei klim-, evenwichts- en balanceertoestellen. Het is buitenaf, bij een klein dorpje met de naam Lungitz. De toestellen zijn rond een mooi meertje geplaatst, je kunt er leuk om-/doorheen wandelen en de kinderen kunnen ondertussen vanalles uitproberen. We zijn er al vaker geweest en het noemen van dit uitstapje zorgt meestal voor enig gejuich, wat bij onze kinderen eigenlijk een zeldzaamheid is. Dus: op naar het motoriekpark.

Afijn. Aldaar balanceren de kinderen vlijtig in ’t rond. Man natuurlijk ook. Ik ondersteun daar waar nodig is, het ene kind over het touw, het andere over de wiebelbank. Na een kwartiertje lopen we verder naar het achterste gedeelte waar een soort evenwichts- en rondrenparcour in ’t bos is. Én een kabelbaan waar je aan moet hangen, de zogenaamde Tarzanbaan. De kinderen vechten erom wie als eerste mag en natuurlijk wint dochter dat.

Ze trekt de ‘wagen’ aan ’t touw omhoog naar het startpunt, springt, grijpt de stang en suist naar ons toe. “Wiiiiieehhhhh!!!” gilt ze nog. Tot het ding tegen de stopper dendert. Geen vering, gewoon full and total stop. Volgens mij was dit vroeger anders, er mist iets van een veer, lijkt ‘t. Een normaal mens kan dan niet blijven hangen (man (athletisch gebouwd!) heeft ’t later ook nog even uitgeprobeerd en had er bij de stop duidelijk moeite mee om niet los te laten en er normaal af te springen) en ook dochter schiet dus met volle vaart door en landt vanaf circa anderhalve meter hoogte met een gigantische opdoffer pontificaal op haar achterste.

Ze kon niet meer ademen, steunde, kreunde en hapte naar lucht, ging instinctief in de foetushouding op de drassige grond liggen. In eerste instantie moest ik  – stupid me, bad mom –  enorm lachen want het zag er echt zo ontzettend koddig en blooperachtig uit. (Man moest ook lachen. Tjee. Foei. Bad dad!) Maar al heel snel zag ik toch de absolute ernst van de zaak in. Na een eeuwigheid vond ze ineens haar adem terug en brulde het uit. Ze krijste alles bij elkaar, kon niet meer op haar benen staan. Man heeft haar (ons 33kilopummeltje) uiteindelijk het hele eind terug naar de auto gedragen en enigszins gepikeerd en ongerust reden we terug naar huis.

Onderweg heb ik man nog even zó dermate weten te irriteren (ik was het – geheel terecht!! – weer ‘ns niet eens met zijn rijstijl (veel te snel, te gevaarlijk in de bochten met wandelaars, te veel door de hobbelberm etc.)) dat hij abrupt op het landweggetje stil bleef staan, uitstapte en brulde dat ik dan maar moest rijden als ik ’t zoveel beter kon. Prima, dat wou ik zelf eigenlijk ook veel liever. Stoïcijns liep ik naar de bestuurderskant, de blikken van de voetgangers stug negerend, en reed keurig en beheerst naar huis. Thuis dochter eerst maar ‘ns twee paracetamols en een beker warme chocomelk gegeven. Languit op de bank, de rug licht gemasseerd en gestrekt.

Het gaat nu enigszins, zolang ze verder niet beweegt. Maar bij iedere beweging kermt ze van de pijn. Ik vermoed dat ze ergens in haar rug en bij haar stuitje de boel behoorlijk verstuikt heeft. Ik hoop dat dat ‘alles’ is, ze lacht inmiddels alweer een beetje en ligt nu languit op de vloer te tekenen maar misschien moeten we morgen toch nog maar even naar de dokter…

Altijd weer fijn, die zondagsuitjes van ons…

.

PS: ik heb natuurlijk al lang en breed een email naar de voor het park verantwoordelijke gemeente gestuurd. Niet dat jullie denken dat ik dit niet meld en gewoon lekker het volgende kind op zijn/haar stuit laat donderen. Ik heb braaf luid en duidelijk deze misstand onder de aandacht gebracht 🙂

Piekerhoofd

6:20h AM – Ik maak m’n zoon wakker. Bij de eerste aanraking schiet hij omhoog en mompelt: “ik heb over een aandrijving gedroomd. Je zet een magneet hier en eentje daar, dan monteer je een metaalplaatje hier en daar en dan stoot het daar af en trekt hier aan [hij tekent met zijn ogen dicht een denkbeeldige cirkel in de lucht en prikt daar waar alles moet zitten] en dan draait-ie. Dan heb je dus een perpetumobilee.” Goh… Ik ben even beduusd. Ah ja. OK… Met de korrekte uitspraak (laat staan schrijfwijze) van Perpetuum Mobile zal ik ‘m nog maar niet vermoeien. Eerst wakker worden.

11:30h. School uit. Vrijdag. Weekend. Hij dendert de aulatrap af en komt breed grijnzend op me afgestommeld, mij z’n schooltas in de maag splitsend. “Ik heb heel, hééééél rottig Duits-huiswerk!” Fijn. Ik verheug me er nu al op. Eerst maar eens wat eten. Gekookte volkorenrijst met suiker. Hoeveel meer koolhydraten kan een kind nog vragen? Bij hem maakt ’t me niet uit: áls hij maar iets eet want hij is zo mager als zijn uitgumbare balpenvulling. De rijst naar binnen werkend pakt hij zijn rekenhuiswerk. Dat is leuk want dat kan hij zonder hulp en redelijk vlot.

13:30h Langzaam komt de rest van de sores uit z’n schooltas. Duits. Rottaal om te leren. Hij leert het net zo als ik het heb moeten leren: als een buitenlander. Het ‘moedertaalgevoel’ zit er niet in. Totaal afwezig. Ach, laat dat ‘moeder-‘ maar weg eigenlijk…

Een stukje tekst over de oertijd (“ahh interessant!“): De ‘perfect’-vormen (voltooid verleden tijd)  in de zinnen moeten eerst onderstreept worden en vervolgens in de ‘preteritum’-vorm (verleden tijd) in het schrift geschreven worden. Ik denk nog: “ach, laat ik hem nog maar even niet inlichten over de plusquamperfect en de futurII…”

Ik zie zijn schouders langzaam naar beneden zakken. Hij kijkt me vragend aan, met van die droevige oogjes. “Ik snap het niet… ik snap het écht niet…” Ik probeer het hem uit te leggen, zoek á là minute voorbeelden op het internet waarmee ik hem de werkwoordsvormen wat beter uit kan leggen. To no avail. Ik zie de rode vlekjes opdoemen in zijn gezicht en hij kijkt me door een waas aan. “Waarom?? Wáárom kan ik dit niet? Wáárom zíe ik het niet??” En dan komt de huilbui. Ik huil maar weer eens met hem mee. En duw tegelijkertijd zijn Duits-schrift aan de kant. Dat doen we morgen wel. Nieuwe dag, nieuwe kansen. Over twee weken is het grote Duits-grammaticaproefwerk en ik hou mijn hart vast. Opstel schrijven was gisteren en aangezien hij zelf niet al te enthousiast over zijn eigen schrijfsel was, neem ik aan dat ook dat redelijk catastrofaal uit zal vallen.

Nu eerst maar ‘ns drumles en afreageren.

Hopelijk helpt het een beetje om dat oh-zo intelligente maar oh-zo piekerende kinderhoofd van hem te luchten…

Klein leed

“Mam, ik moest net weer ergens aan denken maar eigenlijk gaat ’t me niks aan…”

Huh… Wat nu weer. We zitten bij ’t middageten (het warme eten in dit deel van Europa). Ik heb net hoogstgeïnteresseerd gevraagd hoe het was op school en kreeg prompt de geijkte antwoorden “ohhh saai” en “oooh goed” (zoon resp. dochter). Ineens flapt zoon er dan zo’n zin uit. Slaat zijn ogen neer en peutert wat rond in zijn gebakken aardappeltjes. Dan weet ik al hoever het is: er is weer iets gebeurd. Hét moment om even door te boren.

“Als je zoiets zegt, wil je het duidelijk wel kwijt lieverd, dus wat is datgene wat jou dan eigenlijk niks aangaat?”
“Hmmm. Nou niks hoor…”
“Ik zie toch dat je iets dwars zit… wil je het echt niet vertellen?”
“Nou… B. heeft op school zijn verjaardagsuitnodigingen uitgedeeld. En ik heb er geen gekregen…”
Licht trillende onderlip waar stevig op gekauwd wordt. Bedremmelde blik.

Laat B. nou net één van de jongetjes zijn, waar zoon tot voor kort redelijk goed mee overweg kon en waar hij wél ieder jaar uitgenodigd werd. Maar B. is ook populair, zit in ’t klassenbandje (wat geen zak voorstelt maar waar wel alle populaire jochies in  samenzweren. En waar zoon een maand of anderhalf geleden zonder omhaal uitgeknikkerd werd omdat ze een betere drummer hadden gevonden), is een slimmerik, snelleers en vooral: übercool. In tegenstelling tot zoon. Wat waar  is, is waar. Op zoon’s vraag wat B. daar uitdeelde, antwoordde deze enkel bot: “gaat je niks aan” en dat heeft hij geregistreerd: het gaat hem eigenlijk niks aan.

Ik zucht een keer. Jammer. Maar het is niet anders: ik kan het knulleke moeilijk verplichten om mijn “ietwat afwijkende” zoon in het kader van de sociale medelevendheid uit te nodigen. Dus volgt er weer een licht pedagogisch gesprekje: “Lieverd, je bent een bijzondere jongen maar je kúnt niet door iedereen aardig gevonden worden. Jij vindt zelf ook niet iedereen even lief en die dingen veranderen ook: iemand waarmee je vorig jaar nog goed op kon schieten, vind je dit jaar misschien wel helemaal niet te pruimen. En omgekeerd kan dat ook…” En daarnaast heb ik hem natuurlijk uitgelegd dat B. waarschijnlijk maar een paar jongetjes uit mocht nodigen van zijn mama en dus ook gewoon móest kiezen. Dat je dan niet binnen die keus valt dit jaar, niet langer in ‘the inner circle’ zit, is jammer maar niet onoverkomelijk.

Zoon ziet dat momenteel nog even anders. Je ziet ’t malen in zijn hoofd. Hij is lichtgeraakt en af en toe glanst er even iets vochtigs in zijn ogen. Het doet hem wat. Ook al wil hij dat niet laten blijken. Veel zelfs. En mij ook wel, moet ik toegeven. Ik had zo graag ook zo’n populaire, coole, snel-lerende, geliefde, goedmeekomende zoon gehad. Maar éigenlijk ik heb ’t nog beter getroffen. Ik heb namelijk een buitengewoon bijzonder kind.

Maar ook bijzondere kinderen hebben dus af en toe klein leed…

De trip der helften.

Het was er weer eentje.
Krap duizend kilometer tuffen.
En hoe.

Zaterdagmiddag zou ’t behoorlijk gaan sneeuwen dus was ’t plan om dan maar zo snel mogelijk alles in te pakken en te zorgen dat we voor de middag Bayern cq. sneeuwrisicogebied voorbij zouden zijn. Helaas kwam ’t anders. Zoon had ‘s-nachts 39,5°C koorts en lag ook ‘s-ochtends wat bleekjes op de bank te kermen.

Wat doen we. Rijden we, rijden we niet… Na lang dubben dan toch maar, want ziek op de bank voor de TV liggen of ziek in de auto DVD-tjes kijken maakt ook niet veel verschil. Alles in de auto gestouwd, voor de zekerheid maar een emmertje bij zoon’s voeten. Bij ’t starten laat Oudi al weten, er absoluut geen zin in te hebben. ‘Bremssystem defekt’ doemt met een felrood alarmteken van het kaliber ‘onmiddelijk stoppen en naar de garage laten slepen’ op in ’t display, begeleid van een harde protestpieper. ‘Bremslicht defekt’ wordt er ook nog even als toegift achteraan gegooid. Aangezien we inmiddels weten dat dit allemaal pure aanstellerij is en de boel het prima doet, doen wij wat bij alle kleine kinderen goed helpt: negeren, dan gaat ’t vanzelf wel weer over.

Stortregen, miezerregen, sneeuwregen. Ik rij het eerste stuk. Stortregen vindt onze Oudi ook niet fijn en na een half uur valt de kilometerteller lam terug op nul. Redelijk tegelijkertijd staan we ook al stil dus was het geen probleem, die nul. Twee vrachtauto’s op elkaar geknald en een dikke, vette, kilometerslange file. Wall-E in de DVD gepropt maar ’t robotgedrocht weigert in alle toonaarden om duits te praten en een gefrustreerde bijrijder-en-bedieningsman roept naar achteren dat de kinderen dan maar engels moeten leren van dat verroeste stuk rondhobbelende ijzer. Na een goed half uur stop-en-go rijden we weer met een beetje snelheid maar de tacho blijft op nul hangen. Zoon’s maag maakt zich voor de eerste keer kenbaar en leegt zich krampachtig. Het emmertje klemt helaas dus mikt zoon van een afstandje voorover in de emmer. Het gaat biiiijjjna goed. Bijna. Parkeerplaatstijd, schoonmaaktijd. Ik ben dit keer voorbereid: water, doekjes, keukenrol, alles bij de hand. Emmertje weer schoon voor de volgende vulling maar zoon mompelt bleekjes: “Maag leger dan leeg. Emmer écht niet meer nodig”. Daar denk ik dan toch een beetje anders over en plaats de emmer dit keer zo dat hij niet klemt…

Dochter heef ’t koud dus deken over en verwarming hoger terwijl we zoon weer diep horen zuchten. Lijkbleek en ja hoor: de tweede ronde. En de volgende parkeerplaats. Dit keer is alles goed in het emmertje terecht gekomen. Emmerwas- en plaspauze bij vriesgraden. Dochter jankt van de kou, heeft rode lodderoogjes en hoofdpijn. Dan maar een lading Nurofen erin en weer verder. De emmer mag dit keer zonder protest weer bij de voeten. Wall-E is  inmiddels klaar met z’n engelse geleuter en dochter valt van ellende in slaap. Zoon kan niet slapen en heeft nekpijn van ’t hangen. Een ibuprofentablet gegeven, misschien blijft die er wél lang genoeg in en kan hij zo wat slapen. De tablet wordt vreselijk goor bevonden. Spontaan kokhalzen maar de pil blijft erin en zoon valt om. Out. Yessss, denk ik. Eindelijk. Helaas. Na vijftien minuten zit hij ineens rechtop, grijpt de emmer, verdraait z’n ogen en spuugt apathisch een sloot water, gal en een half opgeloste pil uit.  Parkeerplaats nummer drie en ik loop maar weer stoïcijns met het emmertje kots naar ’t toilet. Je went eraan.

Zoon vraagt of we al op de helft zijn en we roepen in koor (ongeveer 150 voor de werkelijke helft) “ja hoor!!”, waarna hij opmerkt dat hij dan nog maar 2 keer hoeft te spugen en dan zijn we er. Twee keer vóór de helft, één keer OP de helft, dus nu nog twee keer ná de helft en dan is ’t klaar. En of-ie wat te eten mag. Ja tuurlijk. Een banaan? Want die is zacht en laat zich tenminste goed weer uitspugen. Nee bah. Stukje kaas? Neuh. Een KinderPingui (zo’n choco-melkreep, ook heel zacht)? Ja. Na een halve reep hoeft-ie niet meer. Verstandig. “Kijk, een kerncentrale!!” waarop zoon enkel “blööööd” mompelt, maar het is toch goed voor wat afleiding. Dochter vraagt om een halve (alweer van dat halve gedoe..) pil tegen de hoofdpijn. Halve pil erin, Pinguins van Madagascar in de DVD en ik constateer dat we nu echt op de helft zijn dus omdraaien heeft ook geen zin meer. Yay.

Man en ik wisselen elkaar af bij ’t rijden want allebei nogal slaperig. We rijden half-om-half door prachtige winterlandschappen en zien gepoedersuikerde bomen voorbijrazen. Veel ongelukken en nog een keer een file van een stief kwartiertje (oftewel: een half half uurtje), maar we  komen er wel.  Shaun het schaap en Alvin & de chipmunks doen wat backseat-entertainment en dochter vraagt wanneer we nu eindelijk bij de McDonalds zijn. Zoon kokhalst bij ’t horen van die naam, maar een uurtje later is hij dan toch ineens redelijk fit en heeft een berenhonger, dus om half 7 zitten we dan toch bij de Mc. Zoon bunkert zijn happy meal naar binnen, dochter sowieso. Ik eet een McRib en vind ’t glibberige ding bij nader inzien best eetbaar. Zoon is klaar en grijnst: “Zo. Nu ben ik wel klaar met spugen.” Ik mag ’t hopen…

Om goed half tien ‘s-avonds zijn we er. We hebben ’t weer gehaald 🙂
En weet ik niet hoe snel ik uit die auto moet komen om mijn mama en papa te omarmen.

Eindelijk.

Knuffie

Tien jaar.
Eén decennium.
Een tweede lustrum.

Eind februari 2002 kwamen we erachter. We lagen bij 25°C (!!!) in de zon te suffen op ons terras, ik in de hangmat, je pa op een stretcher. Out of the blue voelde ik een plotselinge drang om een zwangerschapstest (die ik natuurlijk al langggg in huis had) te doen. “Eeeeeven naar de WC hoor”. Om een dikke vette dubbele streep te halen. Whááááhhhh!!!

Whááááhhhh hoorden we ook midden in de diepdonkere nacht op 24 oktober van dat jaar. Het duurde even voordat-ie kwam maar uiteindelijk kwam-ie. Die Whááááhhhh. Van jou. Het ging niet helemaal goed omdat je de verkeerde kant op lag te staren (sterrenkijkers noemen ze dat) maar afgezien van een megadeuk rondom je hoofd geen verdere gevolgen. De deuk was na een week of 3 ook weg. En daar was je. Mijn knuffie…

Knuffie is nu een knul geworden. En wat voor één. Een doorzetter. Een lieverd. Een bovenmatig intelligent jongetje. Je hebt ’t niet makkelijk, ik heb er al veel over geschreven. Zwaar dyslectisch, een fikse vorm van ADHD, een geheugenopslagstoornis, dysgrammatisme, hypermobiliteit. Je hebt ’t allemaal. En nóg boks je je er doorheen, blijf je ambitieus, zuig je kennis in je op. Wat jij allemaal weet, waar jij allemaal over nadenkt, wat jij allemaal uitvindt, daar kan menig volwassene jaloers op zijn. Maar je piekert ook veel… Over kerncentrales in Japan en over die ene heel dichtbij. Over het milieu en wat daar allemaal schadelijk voor is. Over energiespaarlampen die schadelijk zijn voor je gezondheid. Over of de kip op je bord wel een fijn en goed leven heeft gehad. Over hoe we water kunnen besparen. Over waarom uitgerekend jij nou zo dyslectisch bent. Over computers en het internet. Je raakt niet uitgevraagd, nog lang niet.

Met je tien jaar ben je nog steeds zo heerlijk ‘kind’. Waar je vroegrijpe klasgenootjes bezig zijn met hun  ‘coolness’, met ‘rumhängen’ en ‘meisjes’, ben jij druk in de weer met je kapla en je playmobil, je technisch lego en scouting, met buiten spelen en tekenen. Wat je aan hebt, interesseert je voor geen meter, alleen maak je je heel af en toe met gel een kuif of hanenkam in je haar (goh, je lijkt op je moeder, die had vroeger ook al zulke neigingen…). Maar haar moet voorál kort geschoren zijn vanwege je panisch angst om luizen te krijgen. Hulpvaardig en sociaal ben je ook, maar die eigenschappen behoren helaas ook niet tot de categorie “cool” zodat je met verjaardagsuitnodigingen nog wel ‘ns buiten de boot valt. Who cares, lieverd. Jij bent zoveel beter…

Ik heb een prachtzoon. Een bijzondere knul die morgen tien jaar wordt. En zich nu in bed ligt te verkneukelen op z’n verjaardag. Morgen vast een uur te vroeg wakker.

Ik heb een prachtzoon. Een heerlijk jong dat goed nadenkt over de belangrijke dingen. Eentje die er echt wel komt, ook al mag dat dan misschien iets langer duren.

Ik heb een prachtzoon. Een prettig gestoorde, creatieve doorzetter en ik ben trots op hem. Trotser kan geen mens zijn. Echt niet.

Morgen vieren we jou.
Weet dat ik zielsveel van je hou.

Knuffie.

Iets met ziel en arm

Hoewel ’t met mij, afgezien van een berenportie chronische rug- en nekpijn (ik weet ‘t… allemaal stress…), best aardig goed gaat, ben ik mezelf niet meer. Of liever gezegd: nog steeds niet. Ik pieker. En denk. En probeer me dingen voor te stellen. En denk aan hoe anderen zich moeten voelen. En pieker nog een beetje meer. Ik kan me niet meer laten gaan, niet meer ontspannen. Dat rothoofd blijft maar malen. Ik blijf de angst van anderen voelen ook al banjeren ze er zelf gemakshalve maar laconiek overheen alsof er eigenlijk niks is. Ik blijf me zorgen maken over een veelvoud aan eigen en andermans mentale issues. Het maakt me onrustig. Neerslachtig. Anxious, om het maar ‘ns met een mooi engels woord te zeggen.

De alledaagsheden gaan door. Zoon oefent zich suf op z’n nieuwe asus netbookje, hij moet blind leren typen (nou ja, hij moet gewoon leren typen) zodat hij straks op school met een laptop kan werken, wat alles voor een dyslect een stuk makkelijker zou (kunnen) maken. Dochter schrijft op de andere kinderlaptop hele romans die enkel bestaan uit de woorden “mama”, “papa”, “oma”, “opa, “am”, “lilo”, “mamamia” en hun eigen namen T. & K. Enkel nog een uitgever zoeken voor dit geniale staaltje electronisch schrijfwerk.
Man klooit in de garage rond, prutst wat aan de telefoonkabels en bám, de boel doet ’t niet meer. Telefoon deaud, internet deaud. Afgesneden van de buitenwereld… Gelukkig heb ik mijn foon met data-abo nog. Maar het is een ramp voor de familie Nerd, kan ik u zeggen. Even diep zuchten en weten dat het wel weer goed komt. Net als al het andere. Ooit…

Ziel hangt onder arm.
Die hangzielen van tegenwoordig ook…

Doe mij maar een hart onder de riem.
Waar koop ik zo’n ding…

gesjeesd.

Gesjeesd word ik ervan. Van dagen als deze.

Kwart over zes eruit, het ontbijt hectisch als altijd, stipt om 7:14 rennen de kinderen toch met praktisch al het benodigde én schoenen aan de deur uit en linea recta de schoolbus in. Ik ruim alles binnen op, vaatwasser uit- en inruimen, stofzuigen, katten verzorgen (die ik vanaf 4 AM om de haverklap de trap afgejaagd heb: ons ‘trapbeschermingskarton’ hebben we gisteren weggeruimd maar ik wil ze partout niet boven hebben, écht NIET. Dus moeten we ze nu bijbrengen dat ze niet naar boven mogen. Plantenspuit in de aanslag en hardnekkig cq. standvastig blijven…). Man de deur uit en vervolgens ik pak toch echt wel even mijn rustmomentje van de ochtend: met een grote mok koffie en m’n foon op ’t terras in ’t waterige ochtendzonnetje. Heerlijk. Dat moment heb ik dan toch maar mooi weer binnen.

Aan ’t werk maar zo geen zin… Een hoop rekeningrotzooi die opgeruimd moet worden, aanmaningen, belletjes. Geen leuk werk in ieder geval. Ik ben ’t zat, ik wil wat anders… Daarnaast heb ik de financiële administratie van de turnsectie van de sportvereniging op me genomen wat aandacht vergt, nu aan ’t begin van het tweede halfjaar van 2012. Iedereen moet weer betalen, de lijsten aangepast en bijgewerkt, mensen gevraagd naar de betaling en vooral: ter plekke bij de ingang staan en kasseren… Wat een chaos, die tent.

Kwart voor twaalf: beide kinderen komen binnenstuiteren. Klaar met school. Ik schiet overeind: shit het is alweer middag! Snelsnel eten koken. Spaghetti met rooie saus. “Alweer???” Ja. Alweer. “Oh lekker!”. Mooi. Ik moet ongesteld worden en dan ben ik altijd nogal kort aangebonden…  Eten en eetzooi opruimen en huppetee, allemaal aan de grote tafel: huiswerk maken. Ze treiteren elkaar tot en met maar we moeten dóór. Met z’n allen. Dochter tekent haar tweetjes en drietjes in een schrift met allemaal boogjes en bloemetjes ernaast. Het zal wel.

Zoon schrijft tien zelfbedachte zinnen in zijn duitse huiswerkschrift. Na een dik uur (…) klapt hij ’t dicht: “klaaaar!”.
“Moet ik even controleren, lieffie?” – “Neee neeee, hoeft niet.” Nou dan weet ik wel hoe laat ’t is. “Kom op joh, ik of de juf, dan heb je toch liever dat wij ’t samen verbeteren?” Zoon bokt. Ik moet kletsen als brugman om hem bij me te krijgen. Samen verbeteren we de eerste zin en hij barst meteen in huilen uit. Alweer. Geruststellen, de hemel in prijzen dat hij ’t écht heel goed gedaan heeft en dat we enkel even wat dingetjes verbeteren samen zodat hij dan weet hoe de woorden geschreven worden. Hoofdletters, omgedraaide letters, vergeten -n-en, verkeerde naamvallen. Alles zit er in dubbel- tot drievoud in, in de tien zinnen. Ik denk bij mezelf: “de volgende keer mag de juf ’t doen hoor, pffff.” Maar ik weet dan ook dat zij duidelijk minder lovend en meer degrondinborend zal zijn dan ik… Het lukt uiteindelijk. Ondertussen is het half vier en moet ik dringend door met m’n werk en m’n lijsten (en ik moet nog zóveel andere dingen doen…).

Tegen vieren maak ik wat broodjes en drinken voor de kinderen want ik moet zo weg naar de voetbal. Snel snel omkleden, om kwart voor vijf naar ’t sportveld. Trainuurtje met de jongsten van de club (4-6 jarigen). Ik moet eerder weg want om kwart voor zes moet ik alweer in de sporthal zijn om de gymmers op de lijst af te strepen en de bijdrages voor het turnen te innen of een overboekingsformuliertje te geven. Om tien voor half zeven weer thuis. Snel wat naar binnen stouwen, nog sneller kauwen, snelst wat eten voor de kinderen gemaakt die nog honger hadden en hoppaaa, weer naar de sporthal voor de volgende gymeenheid. Om kwart voor 8 weer thuis, kinderen met enige stemverheffing tot opruimen gemaand. Vanochtend was m’n huis nog zó mooi aan kant… Eigenlijk hadden ze al boven moeten zijn maar dat lukt dus nooit als ik weg ben. Man is er niet, die heeft avondschool vandaag. De kinderen zijn zo strontvervelend dat ik geen zin meer in voorlezen heb. Dan maar niet, sorry hoor. Komt niet vaak voor maar ik ben echt op.

M’n nek brandt heftig aan de linkerkant vlakbij m’n schouder (monnikskapspier?). Ik heb barstende koppijn. M’n linker oog heeft last van stuiptrekkingen (slaapgebrek?) en ik voel me intens moe.

En wat doe ik??
Een blog typen.
Ja. Inderdaad.
Gesjeesd…

Model zitten

In de zomer worden er hier altijd allerlei activiteiten en workshops voor schoolgaande maar vakantie vierende kinderen georganiseerd. Dit jaar zat er een nieuwe bij: een workshop vlechten. Dochter viel er meteen als een blok voor: het werd een ‘moetje’. Vlechten móest geleerd worden. Ik zag er (nog) geen onheil in: op van die make-up poppen met van dat lange vlashaar een beetje oefenen en dan trots laten zien welke kunstige knoop je gefabriceerd hebt, zeg nou zelf, dat is toch simpelweg schattig?

Maar inmiddels ligt de make-up pop van dochter in een donkere, kille hoek te vergaan en heeft mijn vlechtpro zichzelf gepromoveerd. Nephaar is geen haar, daar kan niet mee gewerkt worden. En als ik wil dat ze het later echt tot één van de meest wereldberoemde haarvlechtsters gaat schoppen, dan moet ik haar daar ook voor de volle 100% in steunen en braaf model zitten. Dagelijks.

Vroeger was dat best heel aangenaam. Vroeger. Toen ze nog niet kon vlechten. Ze haalde de Tangle Teezer (een geniaal soort borstel, errug lekker ding voor je hoofdhuid) uit de pruttelkist, je haar werd gekamd, van de ene kant naar de andere gezwieperd en vervolgens nog even met de handen doorgewoeld. Als je geluk had, kreeg je nog een hoofdmassage met dat geniale spinnending en ergens midden op je (voor)hoofd een prachtige staart met een dik postelastiek formaatje autoband erom, om de boel een beetje bij elkaar te houden. Hoppa, klaar was je supermoderne, heerlijk zittende kapsel.

Maar vroeger is voor watjes en talentloze möchtegern-kapstertjes. Vandaag is alles anders. Er wordt een fijne kam tevoorschijn getoverd. Een bak met elastiekjes van alle formaten (van babypinkringetje tot brilslang). Haarstukjes met enge klikdingen aan ’t eind. En zo nog wat meer martelwerktuig. Met de schaar mag ze niet in de buurt van mijn haar komen en tot nu toe luistert ze redelijk naar mij, maar hoe lang dat nog duurt, geen idee… Het haar wordt nietsontziend en minitieus naar luizen afgezocht (liefst met de luizenkam maar daar gil ik toch uit volle borst dat ik een vetorecht op de inzet van luizenkammen heb) en dan begint de kapselprocedure. Na menig keer hard op de tanden bijten en met wat natraantjes die nog uit mijn ooghoeken naar beneden biggelen, eindig ik dan als Pipi met de 5 vlechtjes of als ingevlochten kunstknoop.

En dan volgt de bevestigingsfase.
“Vind je het mooi mam, zoals ik je gevlochten heb?”
“Ja schat, ik vind ’t prachtig.”
“Vind je het écht wel mooi? Ik heb er zó enorm m’n best op gedaan…”
“Ja lieffie, het is echt een kunstwerk geworden. Jij wordt een pro, wat ik je brom.”
“Maham, denk je dat ik een goede kapster ga worden?”
“Ja tuurlijk! Jij wordt één van de besten, dat kan niet anders!!”
“Je mag ’t er NIET uithalen vannacht hoor!!”

*slik*

Want daar wacht ik nou juist op: het moment dat ze in bed ligt. En daar ook blijft. Dan begint de tweede martelgang van de dag: de boel er weer uit frunniken. Vandaag waren de vlechtjes heeeeel fijntjes en veelvuldig aanwezig. En voorzien van massa’s ingevlochten knoopjes.  Ik ben nu minstens duizend haren armer, een gigantische pijnervaring rijker en ik dank de Tangle Teezer weer eens op m’n blote knietjes.

De volgende ochtend gaat het dan zo:
“Ohhh mam, je hebt het eruit gehaald…” (met zo’n dramatisch beteuterd gezicht erbij).
“Neeeeee mopje, dat gebeurde vanzelf. In mijn slaap. Daar kan ik écht niks aan doen hoor.”

Vervolgens gaat ze druk aan ’t plannen welk geweldig kapsel ik dan nu maar moet gaan krijgen. En vooral: hoe ze het er nóg muurvaster in krijgt zodat het er door al mijn onbetrouwbare slaapgewoel niet zomaar weer uit gaat.

Als moeder moet je wat overhebben voor je kinderen…

*bokkepruik opzet*

De moedercursusjes

Bij ons is men gék op mama’s die cursusjes doen om bétere mama’s te zijn. En op cursusjes die van elke mama een modernere mama maken. Het liefst een échte Mutti (spreek uit: Moetie). Want zeg nou zelf, je mag dan wel mama wezen, maar een béétje bij de tijd blijven is zo af en toe best wel eens handig. En wenselijk. Moedercursusjes dus.

Dat ik de enige vrouw in mijn wijde (weide…ghehhehh ^_^) omgeving ben die wat van computers weet, die inmiddels haar 3e smartphone heeft (ja sorry, de derde pas), die een béétje de weg weet op ’t internet, die ‘gewoon’ vanuit haar eigen huis werkt en er en passant nog een eigen zaakje op na houdt, die redelijk goed weet wat ze wil en nog niet helemaal ‘lost’ is in de wereld van DE mensen (lees: mannen), dat baart mij eerlijk gezegd nog wel eens zorgen…

En daarin ben ik niet de enige. Nee nee, we hebben er hele verenigingen voor. Verenigingen die zich bezig houden met de vrouw van deze tijd en dan vooral met het ervoor zorgen dát die vrouwen een beetje bij de tijd blijven en de rest een beetje meer van deze tijd wordt.

Zoon blèrt overigens net, 22:11h,  van boven dat hij nu weet wat de zin van het leven is. Die is – volgens zoon – ” zoveel mogelijk lol hebben”. Ik heb hem teruggeblèrt dat ik het roerend met hem eens ben en dat, als hij morgen tenminste nog een béétje van die lol wil hebben, hij toch echt NU moet gaan slapen. Ik weet wat belangrijk is voor mijn familie. Velen schijnen dat niet te weten, want één van de nieuwe cursussen (cursa? cursi? curses? curse? ah fak…) van zo’n vereniging hier in de buurt is getiteld: “wat belangrijk is voor uw gezin”. Aha… okee dan…

Het blaadje met de gloedjenieuwe mamacursusjes van de Vereniging voor Vrouw, Gezin en Voortgezet Onderwijs (???) viel deze week weer in de bus. En ik heb opnieuw vol verbazing en met een brede grijns mogen genieten van de heikneuterigheid van mijn leefomgeving. Ik woon ‘op ’t land’ en ik ben net weer met mijn neus in de zwijnemest gedonderd. Wat een lol. De foldervoorkant schreeuwde het uit (even vrij vertaald hoor):
– Uw Smartphone, méér dan gewoon een mobieltje!
– Je bent wat je zegt!
– Zelfgericht leven zonder egoïstisch te zijn
– Ik vind mijn weg in het labyrint
– Wat belangrijk is voor het gezin
– Oudercoaching
OK, die laatste twee laat ik even buiten beschouwing, voor sommige ouders is het best zinvol om eens onder de neus geduwd te krijgen wat ze eventueel beter kunnen doen.

Maar jemig: Uw Smartphone, meer dan een mobieltje, boahhh… nu breekt m’n klomp. Nou, vertelt u mij maar waar die wasmachine- en die grasmaaifunctie verstopt zitten!! Ik ben benieuwd. Meneer Smid wil mij voor luttele 60 euro vertellen hoe ik een SMS en maarliefst ook een MMS (!!)  kan versturen met mijn geweldige nieuwe samsamsongetje. Ik wil hem voor luttele 120 eurootjes ook best ook wel even wegwijs maken in de wereld van de whatsapp, de facebook privacy instellingen, IMSI’s, QR-codes, IMEI’s, root numbers en de location-based services maar ik ga ervan uit dat meneer zelf denkt dat hij volledig up-to-date is als hij weet hoe hij kan zien dat z’n accu vol is.

Je bent wat je zegt? Fout! Ik zeg wat ik ben. En je doet ’t er maar mee. How ‘bout that…

Zelfgericht? Dat is toch ieder mens? Gooi twee elkaar-niet-kennende mensen bij een tsunamigolf in zee en ze zullen allebei zwemmen voor hun eigen leven, niet voor dat van die ander. Je leeft voor jezelf. Neemt niet weg dat je in dat leven dan toch veel voor anderen kunt en wilt doen. Omdat JIJ voor JEZÉLF vindt dat dat goed is, goed voor JOU is. Omdat je het belangrijk vindt. Omdat je het graag doet. Omdat het je een goed gevoel geeft. Omdat je vindt dat je dat moet doen. Omdat je het wil. Omdat je om die ander geeft.
JE. Zelfgericht. En zo altruïstisch als de pest.  Moet ik daarvoor een cursus volgen? Neuh, ik moet gewoon nadenken over wat ik wil en wat ik belangrijk vind. Dat kunnen zelfs oostenrijkse “Mutti’s”, lijkt me…

Ik vind mijn weg in ’t labyrint. Welk labyrint?? Oh, ik lees het. Mijn ziel. Welke ziel?  Maak je hoofd vrij. Open je hart. Vind rust. Laat belasting en stress achter je. Vind de antwoorden op je vragen. Kom met jezelf in contact. Uhuhh… Een verkapte cursus mediteren, omschreven als een wonderbaarlijke reis in je eigen ik.
Ik kom niet verder dan: “héb ik wel een ziel?” Mijn hoofd vrij  maken en rust vinden doe ik ‘s-nachts. Als ik slaap. Vind ik de antwoorden op mijn vragen door mediteren? Ik vind mediteren op zich een heel goed iets. Ik doe ’t ook wel eens, even niks doen, ogen dicht, een stom woord herhalen en proberen aan niks te denken. En dan val ik in slaap en doe de rest. Bij dit soort cursussen krijg ik altijd het gevoel dat ik een oersimpel persoon ben en dat ik ergens een deel van de geestelijke vercomplexisering der mensheid gemist heb. Ik slaap. Klaar. I’m simple. Ik ben van het kaliber “een zak wasabichips leegvreten en er na een ca. half uur ontzet achterkomen dat mijn glas cola al wel dertig minuten leeg is”. Ik ga me maar eens een potje zorgen maken… Misschien dat ik dan de zin van deze cursus kan achterhalen.

Awel. Al doorbladerende heb ik mijn lol.
“onze voorvaderen, de kracht en wortels van ons leven”
“de oerelementen van de jaargetijden en zo gezond het jaar door”
“Yoga voor de ogen”
“Bodystyling voor 50-plussers”
“Voorkerstige schrijfnacht”
“Problemen. Én oplossingen!!”
“English for the further-going” (oehhhh. TOLLL!)
“Examen gehaald. En nu??”
“Leren communiceren met uw kinderen”

En zo kan ik nog even doorgaan.
Dus.

Mocht u zich afvragen waar ik uithang: ik ga op cursus. Ik ga eindelijk leren hoe ik als moeder óók nog een mens kan zijn. Godsonmogelijk, maar áls ik het eenmaal weet, zal ik uitleggen hoe het moet. Tot die tijd pruts ik maar wat rond met mijn kinderen, mijn laptop en mijn smartphone.

Ich Mutti. Du Mensch.

Second life

Het tweede leven dat uit mij kwam.
Morgen wordt dat leven zeven.

Zeven jaar geleden om deze tijd voelde ik ineens dat het in mijn kruis wel érg nat werd. Ik liep naar de badkamer en voelde een stroompje langs mijn been naar beneden siepelen. Eenenveertig weken dus het was duidelijk: vruchtwater. Op naar het ziekenhuis, voor alle zekerheid, want weeën had ik niet. Zoon, toen nog nét geen drie jaar oud, dropten we bij een lieve vriendin.

CTG, harttonencheck, weeëncheck. Alles OK, lichte weeën, ingedaald maar geen ontsluiting dus zou best nog wel een zetje kunnen duren. Man en ik kregen een kamer met een ziekenhuisbed en een stoel. Ik kroop het bed in, man ging in de stoel hangen. Stoel bleek rotstoel en dus kroop hij maar bij mij het ziekenhuisbed in, lepeltjelepeltje paste dat nog best. Zo hebben we gemoedelijk geslapen.

Tot ik om half drie omhoog schoot. Allejezus wat een pijn. Een wee. De eerste. En wát voor één. Twee minuten later de volgende. En de volgende. En nog één. Ik moest halsoverkop naar de kraamafdeling, kromlopend en weeënwegpuffend. Ik strompelde het kraambed in en bleek na een kwartier al 7cm ontsluiting te hebben, iets na drieëen zat ik al op de 9cm en de weeënpauzes waren al lang verleden tijd. Eén grote wee was het. Ohwee, ohwee. Ik moest ineens echt heel erg poepen en wou al opstaan om naar de WC te gaan maar de vroedvrouw duwde me terug. Jij gaat nergens heen, dit zijn persweeën, meiske (en dat dan op zijn duits hè). Na slechts een paar persweeën kwam om 3:17h dat nieuwe leven uit mij. Een nieuw wonder, een prachtwolk van een baby, door mij de wereld in gekatapulteerd. Van nul tot 100 in 47 minuten. Dát noem ik pas optrekken :-).

11 september. Rampendag. Natuurlijk denken we ook daaraan.

11 september. De geboortedag van mijn overleden oma op wie ons meiske zó ontzettend lijkt. Toeval bestaat niet…

11 september. Geboortedag van mijn tweede kind.

11 september. Wij vieren feest met ons zevenjarig wonder.

Vandaag heeft ze voor de tweede keer haar eerste schooldag meegemaakt. Vorig jaar hebben we ook een poging gedaan maar ze was er toch echt nog niet aan toe. Nu wel. Mijn speciale, eigenwijze, enthousiaste, hulpvaardige, eigen- en uitzinnige, prettig gestoorde, creatieve, knuffelige rebbelkous. Een absoluut uniek individu met een enorm karakter. En dat laat ze dagelijks overduidelijk blijken.

Lief meiske van me, ik heb je meer dan lief.
Je bent geweldig zoals je bent.
Laat niemand je wat anders wijs maken.
Morgen vieren we jou.
Weet dat ik zielsveel van je hou.

Krissiebissiepoepelissie.

Stuiterbal

Zondagochtend half zeven. De deur gaat open en een knul in konthangjeans en een CheGuevarashirt sluipt de trap af. Kan echt niet meer slapen hoewel hij pas om middernacht daadwerkelijk ‘out’ was. Slaapstoringen, dat heeft-ie vaak de eerste week als we weer starten met de Medikinet. Bij de onderste trede ziet hij de katten, is afgeleid en dondert vervolgens over de kartonnen barricade die moet verhinderen dat de katten naar boven lopen.

Dochter wordt nu ook wakker en stommelt met vol geweld een kwartier later de trap af. En dan begint het gegil.
“Auw, hou op!!”
“Ik wíl dat niet kijken!!”
“MAAAAMAAA!!! T. slaat mij!!”
“Laat me met rust!! Hou ohhop!!”
“AAAUUWWW!!”
“Maaaaaaaaaaaamaaaaaaaaaaaa!!!”
Ik zucht een keer, gil naar beneden dat hij haar met rust moet laten en draai me om.

Knulleke heeft zich op ’t lego gestort, gecombineerd met kapla, dus even rust. Verwoed gegraaf in de bakken is tot boven te horen. De boel wordt uiteindelijk maar gewoon over de vloer uitgestort, op zoek naar dat ene stukje dat nu waarschijnlijk onder de bank ligt. Ik ga naar beneden om ontbijt te maken. Hij vindt het elastieksnoertje waar de katten zo gek op zijn, gooit zijn lego abrupt aan de kant en sjeest met het snoer door het huis, gillend en joelend op kopstemniveau, de kat erachteraan galloperend. Dochter kijkt stoïcijns naar Barbie Cinderella op TV. De kat hangt inmiddels hoog in de gordijnen en ik zucht nog een keer.

Bij het ontbijt houdt hij zijn glas aan, ik schenk multivitaminesap in. Ineens staat de kat naast hem en hij trekt, naar ’t beest kijkend, abrupt zijn glas weg terwijl ik nog doorschenk. Fijn. De vlokken worden niet behoedzaam op zijn toast geschud maar de vlokkenpot wordt gewoon omgekieperd boven het bord. Nog fijner. Ondertussen trapt hij sneaky dochter onder de tafel door tegen de benen.  Hij wil ook nog iets uitleggen over rietjes, muntjes en springveertjes maar komt niet uit zijn woorden. Een grammaticale catastrofe.

Drie dagen geleden heeft man met hem een testje gedaan. Een gecombineerde reken-/leesoefening (eenvoudig hoor, heeft-ie zelf geprogrammeerd op de laptop). Zonder medicatie, puur om te kijken hoe hij bij zoiets presteert. De oefening was in goed 8 minuten klaar.

Ik geef zoon zijn vertrouwde blauwpaarse capsule. Na een half uurtje wordt het merkbaar. Hij wordt rustiger. Leest zijn Lego-magazine. Vertelt rustig over een behendigheidsspelletje dat hij gisteren gedaan heeft. Man pakt zijn laptop en doet het testje (andere woorden, andere rekenopgaven maar zelfde niveau) nog eens met zoon. In minder dan 5 minuten is hij ermee klaar. Zoon kijkt trots op en zegt glimlachend: “zie!! ik kan het wél!!”

Ik ben blij met Medikinet. Hoe vervloekt ’t ook is, hoeveel bijwerkingen het ook heeft, het is overduidelijk goed voor hem. Goed voor zijn zelfvertrouwen en zelfbeheersing, goed voor zijn co-ordinatie en, ja toegegeven, ook goed voor ons. En voor de katten.
Hij komt er wel.
Ik krijg weer vertrouwen.

Autosores en een naveltje

Het was weer zover. Er moest gereden worden. Moeders wilde weer ‘ns terug naar haar roots dus pakte zij kinderen, man en andere pruttel in haar Audietje en karde heenen..

Tot aan ’t tankstation 3 kilometer verderop mocht ik maarliefst rijden, toen had man ’t wel bekeken. Wáár laat je in vredesnaam je benen als in die krappe beenruimte al een grote koeltas met onderwegvreten en een tas met alle waardespullen, telefoons en andere santemekaraam overlevingsbelang staat. Tja, mij lukt dat wél dus mocht ik daar (weer) zitten.

Tot aan ’t tankstation 30 kilometer verderop: toen merkte man dat hij toch wel verrekte moe was van het opritbestraten. Ik mocht het stuur weer overnemen en hij wurmde al ogensluitend zijn benen tussen de tassen.

Maar. Wie op die plek zit, is van de bediening. Zo zijn de regels. Je hebt rijders en bedieners. En ik was nu rijder. Na circa tien kilometer begon dochter: “ik heb honger.” OK, dat kan nog niet want we hebben thuis voor we weggingen uitgebreid gegeten. “Zijn we al in Duitsland? Mogen we een film kijken?” (Dat is ook een regel: filmpjes kijken doen we vanaf de duitse grens. Vraag me niet wie die regel bedacht heeft, ik niet, maar ze moeten dus eerst 1,5 uur stil kunnen zitten of met echte dingen kunnen spelen of naar buiten kunnen staren voordat de DVD aan mag. Dat kan enkel iemand bedenken die normaalgesproken rijdt en niet van de bediening is). Mijn standaard antwoord luidde dan ook: “Moet je papa vragen, die is van de bediening.” Maar papa sliep. Zo zag ’t er in ieder geval uit. Ik porde hem in zijn zij en hij werd sjaggie ‘wakker’ om het bij voorbaat bekende “NEE” door de auto te brullen.

Daarna had ik geen rust meer. Ik voegde niet snel genoeg naar links in. Ik moest eerder mijn knipperlicht uit doen. Ik moest niet zo snel naar rechts gaan om anderen voorbij te laten, dan moesten ze maar even remmen. Ik moest wél spaarzaam rijden en harder dan 130 is níet spaarzaam (dús moet je vaker naar rechts om anderen voorbij te laten…). Ik reed te dicht op m’n voorganger (maar ja, ik moest wél sneller naar links invoegen…). Na 4x diep zuchten brulde ik dan ook gefrustreerd “BEMOEI JE D’R NIET MEE, IK RIJD!! JIJ GING SLAPEN!!”.  Prompt volgde er op onze woordenwisselingen een straf  van boven, in de vorm van een stortbui, waardoor ik sowieso niet harder kon dan 80. En met stortbuien heeft mij Audietje het niet zo, want dan wordt-ie nukkig en wil-ie niks meer vertellen. Vooral niet hoe hard je rijdt, wat je verbruik is, hoe vol je tank nog is etc. etc. Niks meer. Gevoelig contactje dat bij natheid nattigheid voelt. En dat blijft dan ook een dag of 3 zo…

Gelukkig hebben wij daarvoor ons naveltje, onze Garmin Nüvi. Die zegt namelijk wél hoe snel je rijdt en dat is toch best fijn om te weten. No real problem dus. Man dutte weer in, de kinderen jengelden voort. Ik mompelde noodgedwongen dat ik naar de plee moest (tja, die koffie hè) en stuurde de eerstvolgende parkeerplaats aan. Een klein pseudoplasje om er daarna even snelsnel zelf een DVD in te douwen en de rust was wedergekeerd in de auto.

Ik tufte de volgende 600km door, de kinderen keken DVDs en man deed zijn best in de bediening, krampachtig zijn mond houdend over welke rijstijl dan ook. Een file, een hoop halve gekookte eieren en stukjes worst, wat broodjes nutella, 18 wegopbrekingen en Baustellen verder was ik het zat en reed lijnrecht naar een grote gele M. Het was een primitieve dit keer. Gruwelijk onvriendelijk personeel, ellenlange wachtrijen, verstopte toilettekes van 1 meter lang bij 60cm breed, het speelgoed bij de happymeals (stappentellers, bewegingstellers, pingpongtellers) was op (een absolute ramp op gezinsgebied) op de sprongtellers na (een nog grotere ramp: nu wilden ze niet meer zittend eten maar enkel nog springend eten…).  Onze vette hap naar binnen gewerkt en hoppetee, de auto weer in. Nieuwe DVD erin, benen tussen de tassen proppen en gaan met die banaan.

Man reed, naveltje wees de weg. Prima, kon ik naar hartelust bedienen. Naveltje wil o.h.a. echter standaard iets anders dan dat wij willen en natuurlijk sjeesde man de juiste, níet door naveltje aangekondigde, afslag voorbij. Iets van 30km verderop durfde ik voorzichtig te opperen: “hé hadden wij niet al ‘ns af gemoeten?” maar pas na een volgende 10km wilde hij dat ook toegeven. Nou ja, dan maar de route van naveltje volgen. Het is een Garmin en Garmins weten vast wel wat ze willen. Tot Münster was ’t sowieso autobahn en vanaf daar een prachtige snelweg. Alles Bestens. Rond 22 uur kwamen we in de buurt van de bestemming en man riep ineens: “Héé hier moet ik af, dit is onze autobaan, dan zijn we er zo!” waarop ik nog harder gilde: “Nee joh, dan gaan we weer richting Oosten, kijk maar, dat wat naveltje wil is veel richter en anders rijden we een klere-eind om!! Dat is niet goed!!”

En hoppeteeee waren we de afslag voorbij. Ik moet toegeven: ik heb niet altijd gelijk… In dit geval hadden we die afslag moeten pakken. Nu waren we dankzij mijn gegil en naveltjes antinavigatiekunsten gedoemd om dwars door Gronau, dwars door Overdinkel, dwars door Losser en dwars door Oldenzaal heen te rijden. Dat was op zijn zachtst gezegd geen pretje… Het was dan ook ijzig stil in de auto (nadat ik minstens 23 keer aan heb moeten horen dat ik het NIET altijd beter weet en gewoon mijn kop had moeten houden, dat HIJ reed en HIJ dan ook de beslissingen had moeten nemen. Waarop ik antwoordde dat HIJ zélf besloten had om naar mijn gegil te luisteren en NIET af te slaan. Dat was NIET het goede antwoord). Door alle bochten, vluchtheuvels en nieuwhollandsche rotondes moest dochter gedurende de laatste 8 kilometer toch nog een kotszakje onder haar neus houden maar dankzij diep ademhalen en open ramen lukte het toch nog om – weliswaar een krap half uur later dan mogelijk was geweest – kotsvrij op de plaats van bestemming aan te komen. De kilometerteller gaf trouwens een gereden afstand van 112,9km aan. Oostenrijk en Nederland liggen helemaal niet zo ver uit elkaar eigenlijk…

En nou doe ik vakantie vieren. Ik heb vandaag al de nieuwe sjoelbak gepolijst, man geholpen met de Wifi-problemen alhier, koffie gedronken, thee gedronken, boodschappen gedaan in het zelfgeknutselde winkeltje van de kinderen (“Dat kost dan 20 euro!” “Oh, ik heb alleen maar een briefje van 500…” “Ah da’s ook goed, dank u wel” :-S) en koffie gedronken. En nu een blog getypt. Tijd om te koken… lang leve de vakantie, yeah!!

Dochtergesprekken

Dochter komt huilend binnen want man (die samen met de buurman dik in de stress zit met de bestrating van de oprit) heeft haar naar binnen gestuurd omdat ze teveel wou helpen. Met andere woorden: danig in de weg liep.
Dochter: “De jongens mogen wél helpen!!! En ik niet!!”
Ik: “Tja. De jongens zijn ook 3 jaar ouder hè, en teveel helpers is niet handig.”
D.: “Ja maar ik wil ook volwassenen helpen. Die hebben dat nódig!!”
Ik: “OK, dat klopt, ik heb je nodig want de keukenkastjes zijn hartstikke goor en die mag jij poetsen. Ik heb er geen tijd voor.” En druk haar de glassex en een doek in de handen.
Dochter blij.
D.: “Zie, die mannen klungelen maar daarbuiten op de oprit met zand en water. Wij doen de écht belangrijke dingen hè mam? Mannen moet je laten. Dan voelen ze zich goed.”
Tjeejjzus. Waar heeft ze die wijsheid vandaan…
D. gaat verder: “Wij vrouwen zijn beter in de keuken. Dat is ónze job hè mam?”
Aha. Opvoeding mislukt.

Dochter: “Wahhh mam, T. [zoon dus] heeft me gebeten!!! En dat alleen maar omdat ik de afstandsbediening had!!”
Ik: “Oh. Ja. Jij hebt altijd de afstandsbediening.”
D.: “Jáá!”
D. onmiddelijk daarna: “Neeeee!!! Niet waar. T. heeft altijd de afstandsbediening!! Mag ik een ijsje??”

Dochter: “Mahamm?? Word ik te dik?”
Ik (wanhopig zoekend naar een diplomatiek antwoord): “Ehm, nou… je moet wel een beetje oppassen inderdaad. Je bent ietsje aan de stevige kant. Je lijkt gewoon op mij…”
D.: “Oh. Maar dát wil ik niet. Dan word ik maar geen mama. Mag ik een ijsje?”

Dochter: “HONGER!!!” (dat heeft ze altijd maar soms zegt ze het ook).
Ik:  “ik zal zo iets te eten maken.”
D.: “Niks maken. Jij kookt water, ik haal het pakje soep.”
Ik: “die instant noedelsoep? ah neeee joh, dat is zo ongezond… ik maak wel iets.”
D.: “Ja maar jouw ietsen zijn nooit lekker.”
Ik: “Oh. Nou doe mij dan ook maar zo’n pakje.”
D.: “Mag ik straks dan een ijsje?”
#zucht…

Dochter: “Mag ik de vissen voeren?”
Ik: “Ehm, we hebben er nog maar eentje lieverd, die andere is nu ook dood…”
D.: “Ja weet ik toch. Die heb je in de diepvries gestopt. Mag ik nou de vissen voeren?”
Ik: “ja mag, maar niet teveel voor die ene alleen”
D.: “Ik wéét dat hij alleen is. Hij mag wel wat van mijn noedelsoep mee. Eten we gezellig samen.”
Ik: “Ik denk niet dat-ie dat erg lekker zal vinden.”
D.: “In ieder geval beter dan dat voer dat jij hem geeft…”
Ik neem aan dat ook deze vis binnenkort niet meer eenzaam zal zijn en rond mag dartelen op een wolk samen met onze andere heengegane betta’s. En dan wil ik nooooooit meer vissen. Ik neem gewoon weer CPO’s (dwergkreeftjes), die vreten alles.
#dubbelzucht…

En deze gesprekken vinden, voor uw beeldvorming, dus plaats in een tijdsbestek van pakkembeet 1,5 uur, terwijl ik wanhopig probeer om serieuze dingen aan elkaar te typen.
#driedubbelzucht…

Potje swingwippen?

Negen weken zomervakantie zijn een ramp. Voor mij niet hoor, ik amuseer me prima. Maar de kinderen vervelen zich dus de pleuris. Man ploetert voort met huisrenovaties bij z’n moeder en opritbestratingen hier, die is ook volledig self-entertaining. Onder de voorwaarde dat ik hem de kinderen van het lijf houd. Laat ik daar nou niet echt goed in zijn…

Maar vandaag dus een verwoede poging. Naar de dierentuin. Voor we in de auto zaten, was 50% van het kroost al aan ’t huilen aangezien de andere helft het nodig vond om de haren even fatsoenlijk glad te trekken. Ik had eigenlijk al geen zin meer maar beloofd is beloofd. Zak gummiberen, fles limo, reserve-crocs, een handdoek, nutella-broodjes en een multigraanvolkorenstokbrood-met-kaas-en-komkommer voor mij in de rugzak gepropt. Niet dat je dat nou nodig hebt: die kinderen willen uiteindelijk toch alleen maar een portie patat, een fristie en een ijsje (en zo was het dan ook…) en in geval van nood dan nog die gummiberen.

Vrolijk zingend (blèrend) vertrokken we. Bij de kassa werd de eerste keer om ’n ijsje gevraagd. Tevergeefs. Eerst sjouwen en kijken. Een zak voederspul kregen ze nog wel voor de dieren. We zagen kroonkraanvogels (“Nett…”) en flamingo’s (“die kenne ich schon”). We kwamen bij de konijntjes en cavia’s. Dochter probeerde met alle geweld nog een brok voer in een dwerghaas te proppen maar de arme beesten waren zo dermate overvoerd dat ze alleen bij het zien van nog een geperste voederklont al spontaan aan de schijterij raakten. Hetzelfde gold voor de dwerggemsen, de muflons, de ezels, de zebra’s, de bizons, de stinknormale geiten, de herten, de kamelen en de yaks. Helaas voor de kinderen waren dit ook de enige zichtbare dieren: de lynxen, vossen, tijgers en leeuwen hadden ’t allemaal wel bekeken en zaten in hun (niet inkijkbare) binnenhokken. Niks te zien dus. “So ein blöder Tierpark.” Tja. Dat vond ik eigenlijk ook wel, maar dwing die beesten maar eens om in de felle zon rond te gaan huppelen voor ’t publiek. Is ook geen doen.

Maar. Toen. Kwamen we bij de avonturenspeelplaats. De mondhoeken kropen omhoog. “Doch gar nicht sooo blöd eigentlich…” En weg waren ze. Na 5 minuten stonden ze alweer bij mijn moeizaam veroverde schaduwpicknicktafel om luid te verkondigen dat ze honger hadden. No problem: ik heb nutella-broodjes. Niet dus. POMMES BITTE… Goed. Patat. Met een fristie (wenn schon, denn schon). En nu vort!!! Dochter rende schnurstraks naar ’t beekje dat zo vreselijk goor en veralgd is dat ze dacht dat ze er wel doorheen kon lopen. En dus vervolgens tot haar liezen vol met drek zat. No problem again: er was een schoenen- en kindwasplaats naast de toiletten. Dochter afgespoten en hoppetee, weer het avontuur in gestuurd. Het mooie daggedeelte kon beginnen. Koffie en Topfenstrudel gehaald, Twitter en WhatsApp erbij en de wereld is weer in orde. Een uur lang heb ik ze niet gezien. Toen kwamen ze even wat drinken bietsen en weg waren ze weer.

Uiteindelijk dik anderhalf uur gespeeld. Twee rode, bezwete, lachende gezichten voor me. Mooi, die zijn af. Nog even de rest van de speeltuin doorjagen, langs de wolven en de bruine beren en klaar. Ik had helaas niet met de bij de uitgang staande swingwip gerekend. Klinkt interessant, is het ook. Het is een soort wipwap die kan draaien en redelijk hoog gaat. Een swingwip dus. Een goed half uur swingwippen was de duidelijke voorwaarde voor het eventueel straks toch nog vrijwillig meegaan naar de auto. Ik zeeg neer en ging een nieuw potje blij-met-m’n-mobiel zijn.

Om half vijf was het dan toch zover: ze waren klaar en dochter verzuchtte: “Deze dierentuin is echt superleuk. Maar die dieren zijn eigenlijk niet echt nodig…”

Zondagochtenden

Zondagochtenden zijn belangrijk.

Als ’t even kan, zijn het slome ochtenden. Uitslapen (d.w.z. tot minstens half negen) en na het wakker worden nog minstens een uur lang NIET opstaan (de inhoud van dat uur laat ik aan uw eigen fantasie over, het is een liefdevol uur kan ik vertellen). De kinderen zijn dan al beneden, kijken TV, nemen wat te drinken of te bikken. Uitgebreid douchen en nog uitgebreider ontbijten. Eitje, versgeperst sap, broodjes, 8 soorten kaas, fruit. Lekker. We kletsen wat, lezen de krant of wat tweets en whatsappjes.

We ruimen samen de ontbijtpruttel op, kind één duikt in zijn bergen Kapla, kind twee verdwijnt naar haar kamer om de barbies hun burenruzies met de PollyPockets uit te laten vechten. Ik lees nog even verder in m’n tuinblaadjes en struin wat blogs af.

Langzaamaan begint zoon wakker te worden en door te draaien, fluit en gilt dat het een lust is. Speelt op zijn eigen manier met de katten die er na 48 seconden al zat van hebben en naar buiten willen. Dochter heeft, tegen alle afspraken in, haar barbiebadkuip wéér gevuld met water en Bikinibarbie samen met een PollyPockettroela erin verzopen. Man heeft snel even een nieuw programmaatje geschreven om zoon de B/D-dyslectieproblematiek te laten trainen (uitgerekend op zondagochtend natuurlijk) en sleept hem gelijk achter zijn beeldscherm om de boel uit te proberen. Zoon heeft geen zin en geeft er bij voorbaat de brui aan. Leest alles fout. Man wordt stante pede ongeduldig en ik probeer te sussen, roepende dat dát nou juist het probleem is. Dochter glijdt uit over haar eigen gecreëerde waterballet en stoot zich aan haar metalen Ikea-Minnenbed. Luid gebrul. Man legt uit dat zoon zich bij de B gewoon Borsten moet voorstellen, daar heb je er ook altijd twee van. “TWÉÉ dikke BBBBBorsten, snap je?” Helaas is zoon nog niet geïnteresseerd in borsten en mompelt bij de kleine b iets over “een geamputeerde borst”. Dochter blèrt van boven dat ze écht pijn heeft. Zoon is de tranen nabij maar man weet hem over te halen om nog 5 minuten door te oefenen.

Ik zucht.

Inmiddels lacht zoon weer en gaat het oefenen met enige druk uiteindelijk toch beter. Dochter heeft een luisterboek in haar stereo gedouwd en ligt in bed naar de Fillypaardsaga te luisteren terwijl het barbiebadwater tussen het laminaat wegsiepelt. Ik typ maar weer ‘ns een blog en ga me hierna ingraven tussen de struiken in de tuin.

Er moet nodig gesnoeid worden.

Heerlijk, die rustige zondagochtenden…

beter vriendje

Een licht bloedend hart.
Ik zal er niet aan sterven.
Ik kan alleen maar blij zijn dat zoon zo ontzettend goed is in vergeten en vergeven…

Vanochtend suggereerde ik om een vriendje, laten we hem Bob noemen, na de middag te spelen te vragen. Man was al vroeg met dochter naar oma vertrokken om daar vanalles en nogwat te  klussen, zoon wilde niet mee (en ik sowieso niet). Ik bel de moeder van Bob op maar de oppas-oma aldaar nam op, antwoordde dat moeders niet thuis was en zij Bob niet kon brengen omdat ze geen auto had cq. kon rijden. No problem, ik haal ‘m wel even op. Om kwart over twee was Bob hier, gezellig. Ze voetbalden wat in de tuin, bouwden een kapla-kattenburcht, speelden boven met playmobil en beneden met de nintendo’s tegen elkaar. Dan belt de buuf met een klein laptopprobleem en ik zeg, stom als ik ben: “kom maar even met laptop en al koffie drinken, ik kijk er dan hier wel even naar want ik heb Bob hier te spelen.”

Dat hoorde haar zoon Timmy (naam vanzelfsprekend ook gefingeerd) die Bob vandaag ook al gebeld had voor een speelafspraak, maar wij waren dus nét effe sneller geweest (gnagna). Timmy kwam ook mee, oh wonder. Op zich prima, als ze maar met elkaar spelen. Maar al snel trok Timmy Bob aan z’n shirt: “Kom je mee naar ons? Is toch veel leuker…” Mijn nekharen gingen ietwat overeind staan. Timmy is heel populair. Extreem populair, iedereen wil met hem spelen. Zoon is het tegenovergestelde, duidelijk minder cool en wat speelser/kindser. Timmy woont weliswaar twee huizen verderop maar komt nooit hier om te spelen en zoon gaat ook nooit vrijwillig daarheen. Ze liggen elkaar niet. Prima, so be it. Maar dan hoeft hij de vriendjes die zoon uitnodigt om HIER te spelen, niet weg te kapen, lijkt me zo…

Maar ja, Timmy is dus het betere vriendje… en Bob was vertrokken. Zoon keek weliswaar wat bedremmeld maar bleef buiten in de hangstoel hangen, wilde niet mee. Op stevig aandringen van mij hobbelde hij er uiteindelijk toch maar achteraan, mij met mijn bloedende hart achterlatend. Ze hebben wat starwars gespeeld met Nerf-kanonnen en toen heeft zoon ze weer terug ‘gelokt’ met cola en chips. Tja, wie ben ik om ze dat dan te weigeren hè… Cola, chips, TV.  Soit.

Toen de chips op was en  Timmy wéér begon met het meetronen van Bob heb ik hem maar met zachte hand de deur uit gewerkt, onder het mom van “avondeten, je ma heeft al gebeld” en “Bob wordt sowieso zometeen opgehaald”. Bij de deur vroeg Bob zijn vader in alle toonaarden smekend of Timmy asjeasjeasjeblieft bij hem mocht slapen vannacht en ik zag enkel zoon nog een beetje verder in elkaar krimpen. Ik kon het bijna horen galmen in zijn hoofd. “Waarom niet ik…”

Kinderen kunnen zo hard zijn.
Ik hoop dat zijn pantser harder wordt.
En dat hij zo goed blíjft in vergeten…

winkeltje

een snel adhoc-blog, moet namelijk éven iets beschrijven 🙂

Zoon en dochter spelen winkeltje met de plastic-kassa van dochter. Het ding maakt een vreselijk irritant riedeltje elke keer als de kassalade opent maar de kinderen overschreeuwen dat met gemak. Het gaat er aan toe in die winkel.

“Jij bent de kassajuf, ik koop kattenvoer.”
“Mevrouw, hoeveel kost kattenvoer bij u?”
“eeeeven scannen hoor. Ah. 38 euro voor een blikje.”
“Boahhh dat is duur!! Dat is pure afzetterij!”
“Nou dan koopt u het toch fijn ergens anders?

“OK. Jij bent nog steeds de kassajuf en ik ben de winkeldief.”
“Hééé geen kattenvoer jatten meneer!! HOUDT DE DIEF!!!”
“Ja jee zeg, maar die prijzen van u kan ik ’t toch alleen maar jatten…”
“Wèèèhh”

“IK ben nu de kassameneer, JIJ bent de klant. En je koopt met een kredietkaart.”
“Goedemiddag meneer. Ik wil dit kopen.
[dochter mietert alle flesjes en plasticprut voor de kassa neer]

“Hé zeg!! Wel alles 1 voor 1 op de band leggen hoor, anders raakt-ie verstopt!!”
[er is geen band, maar goed]
“Dat kost dan 45 euro.”
“Oh da’s goedkoop!! Dat is het jatten haast niet waard.”
“Mevrouw, mag ik even in uw tassen kijken of u niet nog echt wat meepikt?”
(Oeps)
[dochter doet denkbeeldige tas open]
“Kijk nou!! een tandenborstel!! DIEF!!”
“Maar die heb IK daar niet ingestopt hoor!! Iemand wil me erin luizen!”
“Goed, dan hier met dat ding en betalen.”
“Uw kredietkaart wordt niet geaccepteerd.”
“Hoe kan dat nou. Het is nog wel die groene van mam.”
[Een ouwe reclame-American Express, kan me voorstellen dat die ’t niet, nooit niet, nergens niet doet…]

“Inleveren die hap. Eerst betalen.”
“Maar wat moet ik eten  dan vanavond??”
“Een tandenborstel kun je sowieso niet eten.”
“Ik speel niet meer met jou.”

En vervolgens gaat dochter bellen blazen, zoon nintendo-en en ligt de hele kassa inclusief scanner en winkeltjespeelprut over  de hele woonkamer verstrooid.

Tijd voor mama om ‘ns even flink op te voeden.
Stelletje jatters.

(PS: ik heb dit natuurlijk ook even ad-hoc vertaald hè, ze praten duits ;-))

Mag ik pompen?

Ik zie net de roosvicee-reclame en dat kleine grietje dat zo gretig vraagt of ze mag pompen. Wat is daar nou aan?? Pompen! Kutklusje, zwaar en ’t kind kan zowat niet eens bij die zwengel.

Maar ik herken het wel degelijk… Waarom willen kinderen nou persé allemaal van die dingen waarvan je denkt: “kind, in vredesnaam, wáárom wil je dát nou persé doen…”

“Mam, mag ik…
… het gras stofzuigen?
… de deur met de sleutel opendoen?
… het autostuur NU vasthouden? (NEE!!)
… in de pan met jam roeren?
… de soep met m’n vingers eten?
… de kattenbak met een theelepel schoonmaken?
… aan het aquariumafzuigslangetje zuigen? (NEE!!)
… een aardappel schillen?
… de douchedeur aftrekken? (*kuch* met de ruitenwisser dus)
… de WC-borstel schoonmaken?
… op de aan-knop van de afwasmachine drukken?
… mijn taart aan de vissen voeren?
… met jouw tandenborstel poetsen? (NEE!!)
… de tuinstoelen afstofferen?
… boontjes afhalen?
… de vissen aaien?
… de katten aankleden? (NEE!!)
… met de muggenelectrocuteerder beesjesvuurwerk maken?

En dan heb ik het enkel nog over dingen, waarvan ze vooraf vrágen of ze het mogen doen…

Waar zijn de tijden gebleven, dat ze nog gewoon wilden pompen???

ergernissen

Vandaag was een ergerjesufdag.
Eigenlijk was de afgelopen week een ergerjesufweek.

Kort samengevat:
het valt niet kort samen te vatten.

Zoon is – zoals o.h.a. bekend – zwaar dyslechtisch en een overduidelijke ADHD-er met motorisch-sensorische moeilijkheden. Allemaal geen probleem, met de juiste begeleiding en de juiste medicatie (heb ik het al uitgebreid over gehad). Aan de juiste begeleiding hapert het hier nog wel eens (er is gewoon niks voor kinderen met zo’n extraatje). Sinds vorig jaar heeft hij ein-de-lijk die begeleiding op school, in de vorm van twee geweldige leraressen die een ware metamorfose in zijn (tot dan onhandelbare, luidruchtige, gestoorde, mobbende) klas hebben bewerkstelligd.

Afgelopen donderdag, op de voorlaatste schooldag, kregen de kinderen een briefje mee: de leraressen blijven – i.t.t. de beloftes en het gebruikelijke (leraressen blijven bij de klas in het 3e & 4e jaar) – NIET bij de klas. De kinderen krijgen een andere juf. Laat dat nou net een juf zijn, die niet echt goed om kan gaan met kinderen die afwijken van de norm (ik wil haar nog net geen pedagogische kruk noemen, daarvoor ken ik haar nog te weinig maar laten we het erop houden dat ‘niet echt goed’ een behoorlijk understatement is). Laat dat nou net het geval zijn in díe klas (we hebben er wel 6…). Laat nou net de klas aangevuld worden tot 25 kinderen (het waren er 15). De catastrofe is voorgeprogrameerd.

Weg, al het vertrouwen dat het wel goed komt met dat vierde (en hier in Oostenrijk laatste) jaar.
Weg, al de hoop op een goede voorbereiding op de middelbare school.
Weg, dat moeizaam opgebouwde klasgevoel bij de kinderen, ik zie ze binnen een paar maand weer als vanouds elkaar de kop inslaan.

De afgelopen dagen zijn we dus heel druk bezig geweest met het mogelijkerwijs wisselen van klas van een zestal kinderen. Om de druk in de ene klas wat te verlagen en de kinderen in beide klassen rust te verschaffen. Om uit elkaar gereten vriendschappen weer samen te voegen. We hadden alles op de rit. Een lijst met twaalf (!) wisselende kinderen waarvan iedereen het met elkaar eens en happy was. Vandaag ging ik met die lijst naar de directrice. Ze ondertekende met een grote glimlach, zó blij dat wij dit onder elkaar zo wunderschön hadden weten te regelen. Ikke blij. Met een meer dan opgelucht en licht triomfantelijk gevoel nog even boodschappen doen. Tien minuten later, ik stond inmiddels in de Lidl, belde ze me op dat het feest toch niet doorging. Noemde een aantal argumentaties die geen steek hielden. Legde haar veto op. En gaf weer opnieuw geen antwoorden op mijn vragen waarom dan. Waarom zó. Waarom wij en niet zij. Ik heb een dik half uur harde woorden gewisseld in de plaatselijke discounter. Kon mij ’t nog bommen. Het mocht niet baten.

Ik kan de details niet vertellen. Ik kan wel zeggen: ICH BIN STINKSAUER!!! Gemaakte beloftes. Een weekend lang telefoneren tussen de bruiloften door. Wakker liggen. Piekeren. Mailen. Nog meer telefoneren. Denken dat alles éindelijk gelukt is, dat alles voor elkaar en geregeld is, dat het nu toch wel goed komt. Al met één vinger in de honingpot zitten. En dan ’t deksel met vol geweld op je neus gesmeten krijgen. De lolly in je mond hebben waar-ie vervolgens door ’n ander met vol geweld weer uitgerukt wordt.

Het is oneerlijk.
Onprofessioneel.
Ondoordacht.
Ongehoord.
Het is niet anders.

Ik heb er nog één email aan vuil gemaakt. Eén mail waarin ik de argumenten vergruisd heb en duidelijk heb gemaakt dat ik dit geen manier vind. En daarmee is het af. We moeten hier mee door. Ik wou dat ik alle smerige details op tafel kon gooien, maar dan ben ik net zo politiek incorrect bezig als de school zelf. Ik weet wel dat ik als oudervertegenwoordiger (en dat ga ik blijven, dat kan ik u wel vertellen), volgend jaar met mijn neus bovenop alles zit. Ik laat mijn kind niet ruïneren door grilligheid, vriendjespolitiek, incapabele pedagogen en loze beloftes. Echnie.

Grrrrrrrrrrrrrmpffff.

Even hard slikken.

En doorrrrrrrrrrrrrgaan…

Oh en  dan nog een wijze les van vandaag: wrijf nooit in je ogen als je net je benen ingesmeerd hebt met Autan. Van spaanse pepers en tandpasta wist ik het. Bij de Autan weet ik het nu ook. Ik gil nog even door.

Een Hello Kitty alstublieft.

Vandaag was het zomerspeelfeest op school. Dat is elk jaar opnieuw op de laatste woensdag van het schooljaar, gewoon onder schooltijd. De hele schooltuin en de speelplaats zijn dan bezaaid met “speelstations” die door de leraressen en welwillende ouders bevolkt worden en waar de kinderen dan vanalles kunnen doen (van zaklopen tot knutselen enzo). De juf van dochter had me een week of 3 geleden al gestrikt voor haar station: schminken.

Ik dacht bij mezelf: “ach, why not, schminken wil toch geen kind, ik mag op een bankje zitten, een paar kindergezichten volkalken en de laatste schoolroddels bespreken, lekker relaxed” en zei dus gelijk: “oh ja túúrlijk!” voordat ik door iemand ergens anders ingedeeld zou worden (als ouderverenigingslid ben je al snel de pineut voor de duidelijk minder leuke dingen…).

Tja. Het op een bankje zitten klopte. De rest niet. De hele school stormde om stipt 8am – feestbegin – op ons schminkstation af. Een gedrang van jewelste en we moesten eerst minstens driekwart wegsturen omdat we zelf bijna platgedrukt werden. In paardrijhouding op de bank zittend maakten wij in lopendebandtempo bonte kindergezichten. Meisjes wilden hoofdzakelijk vlinders of prinsessen, jongens Frankenstein, tijgers of een spiderman. De wereld was nog in orde. Welgetelde 10 minuten lang.

Toen kwam er een übercool knulletje uit de 4e klas voor me zitten, keek me aan en zei keurig:
“ik wil een Hello Kitty, alstublieft”.
Ik keek hem ook maar eens aan en antwoordde: “pas op wat je zegt knulleke, want ik doe ’t zó hoor!!”.
Maar meneer stond erop: een Hello Kitty. Ja, echt.
Goed. Even die witte kopkat via google op m’n mobiel opgezocht en los ging’s.
“Oh, ik wil een rood strikje en een gele neus.” Prima, no problem.
En daarmee was het hek van de dam. Alle jongens van die klas dromden om me heen en wilden stuk voor stuk Hello Kitty. Ze vonden het zelf helemaal geweldig. Roze strikje, gele neus, rood strikje, zwarte neus, de wensen werden me bij ’t begin al spontaan medegedeeld door de heren.

Ik heb vanochtend in goed 3 uur tijd zonder ook maar een minuut pauze (!) ca. 35-40 kinderen geschminkt. (4-5 minuten per kind, dat klopt wel aardig). Ik denk dat er van die 40 kinderen ca. 25 Hello-Kitties waren, daarvan zeker 20 jongens. Even niet overdreven hè! Mijn armen vielen er bijna vanaf (lam van de schminkhouding) en toen ik uiteindelijk opstond, kon ik m’n benen niet meer bij elkaar krijgen (stram van de paardrijhouding) maar dat was het waard.

Al die vrolijk ronddartelende Hello-Kittie-jongetjes maakten het meer dan goed.

Elephants continued.

Vorig jaar oktober berichtte ik over de eerste danservaringen van dochter (zie hier: “Dances with Elephants“). Vandaag mochten we van het resultaat genieten. En ik kan u vertellen, het was afzien…

Wekenlange, wat zeg ik, maandelange training kwam vandaag tot een hoogtepunt. Om 11am had ik al het genoegen om dochter uit ’t zwembad te rukken en haar naar de generale repetitie te vervrachten. Bloedjeheet was het weer vandaag, we hebben de 40°C makkelijk gehaald dus echt enthousiast was ze niet. Maar wat moest dat moest.

Om half 5 de hele procedure opnieuw, nu met uiterst onwillige man en zoon op sleeptouw. De airco in de auto liet ons de hitte even vergeten. Die hitte die ons met een mokerslag trof toen we uiteindelijk drie stoelen in de overvolle, oververhitte, onverluchte zaal hadden weten te bemachtigen. Dochter had ik daarvoor al bij de achteringang naar binnen geduwd. De tijd tot voorstellingsbegin overbrugden we met het creatief waaiers vouwen van de programmaboekjes. We zaten redelijk achterin, dus zoon wilde ook nog de godsganselijke tijd op schoot zitten. Natuurlijk. Ik had het ook nog niet écht heet hoor, nèhh…

De eerste helft van de voorstelling was een opvoering van De Gelaarsde Kat in klassieke dans. Best aardig, maar ik ben niet bepaald een fan van klassiek ballet. Zoon en man waren duidelijk nog minder gecharmeerd. Bij de derde pirouette van de  kat vroeg zoon luidkeels of ik nog geld voor hem had want hij wou wat kopen. Maakte niet uit wat, als hij maar wat kon kopen. Hij kwam terug met een fles ijskoude fanta. Wat een geweldige zoon heb ik toch. Heftig waaierwapperend en fantaklokkend overleefden wij de tijd tot de pauze. In de pauze even naar buiten, waar het partout begon te waaien, te donderen en te stortregenen dus gelijk weer naar binnen. Op naar de tweede helft.

Daar zat in ieder geval meer soeps voor manlief bij: de wat hippere, jonge dames kwamen nu ook lang hossen in ultrakorte broekjes, flodderrokjes en met uitdagende dance acts. Het enthousiasme steeg duidelijk. Zoon lag inmiddels op de grond te kronkelen omdat hij het zooooooo heet had. En het zoooooooo saai vond. En het écht niet nóg langer uithield. Negeren is de beste remedie. Toch…

Als viernavoorlaatste kwam ein-de-lijk dochter met haar streetdance-groepje het podium op dribbelen. Ik snelde met mijn supergeweldige mobiele mini-pad naar een plekje waar ik beter kon filmen. Helaas. De camera wilde niet meewerken. Ging eerst spontaan uit, toen weer aan en daarmee waren alle zorgvuldig ingestelde belichtingsinstellingen weer terug op standaard. Het podium één overbelichte huppelende vlek. Ik zweette nog een tandje meer. Maakte in mijn wanhoop dan nog maar een paar foto’s. Ik heb denk ik welgetelde 20 seconden van de hele 3 minuten voorstelling gezien… Maar ze was fantastisch. Hartstikke keigoed, voor zover ik het kon bekijken. Met een trotse glimlach schreed ik terug naar mijn stoel, van binnen jankend om het gemiste filmpje. Dan toch straks maar die DVD voor 8 euro kopen. Zucht…

Na de grande finale wurmde het publiek zich met vol geweld naar buiten en vervolgens met nog meer geweld terug naar binnen. Noodweer buiten. De ouders van de kinderen moesten hun kroost echter bij de achteringang afhalen, dus ik als goede moeder snel daarheen gerend (man en zoon waren al weggestormd om de auto alvast te halen) om dochter vooral niet te laten wachten. Dat had ze al genoeg gedaan vanavond: een goed uur en drie kwartier, haar appel kauwend in de garderobes, wachten-wachten-wachten op hun voorstelling van een paar minuten. Arme kinderen… Door de stortregen spoedde ik mij naar de tape-afrastering waar wij brave ouders achter moesten wachten. Na een minuut of wat kwam de dansopperchef om het hoekje koekeloeren en riep: “alle ouders hun kinderen bij de hoofdingang afhalen a.u.b.!!” en wij ouders hobbelden vanzelfsprekend in gedweeë drommen naar de hoofdingang, wanhopig naar onze danstalenten zoekend. Mijn witte jasje was aan de achterkant inmiddels prachtig rood verkleurd. Het nadeel van je haren rood verven: het bloedt nog eeuwig na, vooral in zweet- en stortbuien. Gelukkig zag ik dat euvel thuis pas, anders had ik me daar ter plekke ook nog over op kunnen winden.

Dochter kwam over de stoelen heen naar mij toe gestommeld, lollie in de mond en roepend: “was übercool, hè mam??”
Ja dat was het lieverd. Maar volgend jaar gaan we toch echt wat anders zoeken qua beweging. Er zijn nog zóveel andere leuke sporten… Judo bijvoorbeeld. Of schaken…

Felicitatiedienst

*DING DONG!!!*

“Wij zijn van de felicitatiedienst en feliciteren u met uw prachtige nieuwe kindje, Hotel Mama genaamd!”

GEFELICITEERD!!!

Dat wilde ik toch echt even heel hard roepen hoor!

Ik feliciteer je, Thiery Thielemans (@Thierelierelier), met het behalen van 2000 verkochte aandelen op tenpages (http://www.tenpages.com/manuscript/hotel_mama) en met het feit dat het boek nu uitgegeven gaat worden!! Ik vind het geweldig. Jij kunt trots zijn op je baby!! Je hebt kei- en keihard aan de weg getimmerd voor je prachtboek en het is je gelukt!
Op naar de publicatie!

“‘Hotel Mama’, een bijzonder boek over het leven in een normaal gezin met alledaagse belevenissen en gesprekken. ‘Hotel Mama’ is een bundeling van korte verhalen die zorgen voor herkenbaarheid bij lezers vanwege het warme huiselijke karakter van de 5 permanente bewoners van Hotel Mama. ‘Hotel Mama’ beschrijft op een humoristische wijze het leven van alledag in een gezin waarin een huispuber van 16 en twee jonge prinsessen van 6 en 9 centraal staan.”
(http://hotelmama.nl/hotel-mama-het-boek/)

Dat dus.

Herkenbaar, hilarisch, huiselijk, humoristisch.

Hotel Mama.

uitgekauwd en afgezogen.

ik heb hier nu twee hinnikende kinderen omdat ik verteld heb over iets wat ik vroeger deed…

Het zit zo.
Zoon kauwt vingernagels. En dan niet een klein beetje, alles wat er ook maar enigszins af te kauwen is, is weg. Stompjes zijn het. Tot bloedens toe knaagt hij op zijn vingers. Vreselijk vind ik het en ik heb al ‘ns gedreigd dat ik aan al zijn blouses en langarmshirts permanente witte handschoentjes naai zodat hij niet meer kan kauwen. Maar ja, in de zomer is dat wat lastig met al die korte mouwen.
Dochter kauwt op de Nintendo-DS-touchpennen. Die zien er ongeveer hetzelfde uit als zoons vingers: gemolesteerd. Aangezien handschoentjes in dit geval echter zinloos zijn, heb ik nu maar gedreigd die dingen in te smeren met dat anti-duimzuigspulletje.

Ik had het kunnen weten want toen kwamen de vragen:
“bestáát dat dan??”
“hoezo ken JIJ dat?? wij zuigen namelijk niet op onze duimen…”
“zoog JIJ op je duim mama???”
“Echt??? Hoe oud was je toen?”

Tja. hoestkuchrochel… toen moest ik wel even uitleggen. Ik heb heel, héél erg lang geduimd. Zonder duim geen slaap, zonder slaap geen leven. Ik had gigantische hazetanden (want te weinig ruimte in de mond en ook dus dat duimzuigen) en al vanaf mijn 8e een beugel. Maar dat mocht ‘m de pret niet drukken: ik wurmde die duim door of langs iedere beugel heen. Op mijn 10e-11e (zoiets?) kwam mijn moeder met een doorzichtig goedje in een klein bruin flesje aanzetten en ik brulde gelijk: “ik héb geen wratten!!!” Maar mams glimlachte enkel, nam mijn duim, smeerde hem er helemaal mee in en hield mijn hand vast tot de duim droog was en het goedje ingetrokken. En ik weet nog dat ik dacht: “wat moet dit nou”… Bij de eerstvolgende keer dat ik mijn duim in de mond stopte, begon ik spontaan te kokhalzen. Jeeeeeeeeeeeemig wat bitter. Afschuwelijk!! Ik kan me de smaak nu nóg voor de geest halen. Mijn rechterduim. Onzuigbaar. Een ramp. Ik heb die dag dan ook geen duim meer in mijn mond gestopt. En links smaakte sowieso al niet, dat was geen optie. Toen het eraf gesleten was (even handen wassen hielp niet echt goed… ik wil niet eens weten wat voor spulleke dat was :-S) kwam moeders bij de eerste optisch zichtbare duimpoging gelijk met de fles aanzetten en hoppetee, duim weer onklaar gemaakt.

Maar ik was niet voor één gat te vangen. Ik ging bij de volgende keer meteen na het insmeren naar boven, waste daar met zo’n scrubding mijn duim en vervolgens zoog ik er met m’n neus dicht om de smaak zo min mogelijk te proeven zo lang, verwoed en hard op totdat het weer ‘acceptabel’ smaakte. Ik weet niet hoeveel van het goedje (en van de zeep…) ik binnen heb gekregen maar gezond zal ’t niet geweest zijn. Uiteindelijk waren m’n ouders en de orthodontist zo wanhopig over mij hardnekkige geduim dat ik rond m’n twaalfde (ik weet ’t niet meer precies) een blokbeugel met een waar hera-hekwerk erin kreeg. Daar was die duim met geen mogelijkheid meer comfortabel bij in te prutsen en met een jaar of dertien duimde ik uiteindelijk niet meer… Ik heb toen nog wel t/m mijn achttiende alle soorten beugels (van plakkertjes tot buitenboordmotoren) doorstaan en ik kon meesterlijk scherp schieten met de elastiekjes die ik i.c.m. mijn plakkertjesbeugels had. Eén onopvallende kaakbeweging en de mond een beetje open en *PÉTS* had een klasgenoot een elastiekje in ’t haar. Mooi werk. Maar het is dus goed gekomen met mij (en dank aan mijn ouders: dat moet een vermogen gekost hebben… en dan al die bezoeken aan de orthodontist… poeh…).

Afijn. Ik heb de kinderen in het kort verteld dat ik het beruchte spulleke dus gewoon met de neus dicht weer van mijn duim afzoog. Dat vonden ze hilarisch en daarom lagen ze dus te hinniken. De situatie is inmiddels alweer genormaliseerd. Dat van die elastiekjes heb ik ze nog maar niet verteld.

Over dieren, koters en hektiek.

De afgelopen dagen (week) waren echt wel een beetje hectisch. Ik heb enkel gerend, gewerkt, taxi gespeeld en afspraken afgelopen. Nemen we even donderdag en vrijdag als voorbeeld van hoe het de afgelopen week iedere dag ging:

Donderdag.
5:30h opstaan. Zoon uit bed gesjord, gezorgd dat-ie aangekleed was en iets van ontbijt erin had zitten en 6:15h naar school gebracht want ze moesten om half 7 al met de bus naar een schooluitje op een burcht. Daarna dochter naar school gedirigeerd (moet om 7:15h met de bus). Om 8:00h zelf naar de sportschool. Daarna gelijk door naar de supermarkt, boodschappen doen. Snel naar huis, werken. Maandrekening moest weer af (moet voor de 15e van de maand bij de accountant zijn). Daarnaast nog kadootje voor vriendje van zoon (verjaardagsfeestje), kadootje voor nichtje (voor vandaag, doet cq. krijgt ‘vormsel’), kadootje voor neefje (vandaag jarig) en afscheidskadootje voor de leraressen van zoon geregeld en ingepakt. 12 CD’s met foto’s gebrand (had ik beloofd). Een gedicht voor juf van dochter bijgewerkt en geprint.

Om iets na 11-en dochter opgehaald van school vanwege buikpijn. Eten koken. Half 1: zoon thuis, eten. Opruimen. Samen huiswerk maken en rekentoets oefenen voor morgen en verder werken aan maandrekening. Na de middag ging het weer beter met dochter dus naar de streetdance gebracht. Snel weer naar huis, grasmaaien (hoognodig, het stond te wuiven in de wind), daarna snel weer naar dansschool racen om dochter op te halen. Avondbroodje maken, kinderen in bed stoppen, ‘s-avonds emails, overboekingen, werken. 1am – bed.

Vrijdag:
6:15h opstaan. Alles klaargemaakt (broodjes, rugzakken want ik moest (mocht!!) mee op schoolreisje van dochter (had ik beloofd). 7:15h allemaal naar school, om half 8 zaten we in de bus naar de dierentuin. Met drieëndertig 6/7-jarigen en nog 3 andere volwassenen. Wat een geluidsniveau kunnen zulke kleintjes toch produceren… Waaaahnsinn. En ze willen allemaal voorin zitten dus een kleine oorlog hadden we bij het wegrijden ook al doorstaan. Ik heb minstens 48 keer “Zijn we er al bijna???” gehoord. Het Grote-Smurfgevoel kwam opzetten. Na 40 minuten waren we er daadwerkelijk. Toen begon het tellen. Ons klasje had 13 kinderen dus ca. 136 keer tot 13 geteld, de juf zelf ook minstens zoveel keer. Een bewonderenswaardig mens is ze, élke keer weer lief reagerend op de zoveelste “Frau Lehrerin???” En ze vragen. En vragen. En gillen. En rennen. En vragen. En treuzelen. En vragen. En moeten plassen. En vragen. En hebben honger. En vragen. En wij maar tellen. Dertien. Check!

Stipt om half 10 was het voedertijd en gingen ze allemaal ter plekke op de weg zitten om hun lunchboxjes te legen en de niet zo geapprecieerde dingen te ruilen met een ander kind of in de vuilnisbak te dumpen. Bij de lynx, die op zijn duits Luchs (spreek uit: Loeks) heet, moest ik even hard grinniken. Juf vertelde: “Kinder, dás ist ein Luchs.” Waarop dochter verzuchtte: “Mahh so schön… Du Luxus, ich hab dich lieb…”. Ik wist ’t wel, ik heb een “Luxustier”…

Bij de supergeweldige speelplaats mochten ze ‘los’ en ik zocht alvast de verbandsdoos. Ongelooflijk, net kanonskogels die afgeschoten werden. Om kwart over 11 was ’t “alle stuiterballen verzamelen” (not easy, I tell ya…) en weer in de bus proppen, na wederom een korte wie-mag-voorin-zitten-oorlog keerden we alweer heimwärts. Om goed 1 uur waren we terug bij school (inderdaad, een heel kort schoolreisje, maar ja: halve dagen school hè, dan mag je niet langer wegblijven…).

Zoon was inmiddels thuis (sleutelkind :-)) en ik sloeg abrupt weer aan ’t eten koken. Daarna aan het aquaria schoonmaken want dat waren inmiddels compleet veralgde onderwateroerwouden en ik constateerde garnalensterfte 😦 Ondertussen zoon nog ondersteunen bij huiswerk want daar zou hij in ’t weekend ook geen tijd meer voor hebben. Om kwart over 2 schrok ik op: shit, moet zoon NU wegbrengen naar verjaardagsfeestje, anders te laat. Bodemzuiger ter plekke laten vallen, kinderen in auto gestouwd. Halverwege terug: kadootje vergeten. Zoon bij vriendje gedropt, daarna nog even snel naar de Aldi om een bankje dat ik graag wilde hebben bij te kopen (ik had er woensdag al één gekocht) voordat ze uitverkocht waren. Maar voor de Aldi moet je een stukje autobaan pakken en ik domme koe had er natuurlijk niet aan gedacht dat daar op vrijdagmiddag ALTIJD file staat. Zo ook nu. Stom stom stom. Ik ergerde mij danig over mezelf dat ik daar niet aan gedacht had. Na goed 20 minuten file waren we dan toch nog bij de Aldi, alwaar mij meteen met een klap te binnen schoot dat ik dat rotbankje helemaal niet bij de Aldi gehaald had maar bij de Lidl… (en die is praktisch naast het huis van het vriendje waar ik zoon heen gebracht had). Toen ergerde ik me pas écht over mij eigen absolute leeghoofdigheid. Al “stom stom stom stom stom” mompelend terug gereden naar de Lidl, waar ze het bankje enkel nog in wit hadden (ik wou zwart, verdorie) dus toen maar de witte meegenomen. Om 16 uur eindelijk weer thuis. De aquaria verder afgewerkt en daarna ook nog even het hele huis schoongemaakt en opgeruimd (want volgende dag bezoek van pap en mam en twee paar ooms en tantes) en dan moet het wel een béétje toonbaar zijn). Stofferen zat er niet meer in want om 18 uur moest zoon weer opgehaald worden van vriendje en dochter gevoederd. Snel omgekleed en zweet van voorhoofd en uit de ogen geveegd om om 19 uur alweer samen met buurvrouw in de auto te ploffen om naar de (door mij georganiseerde) ouderstamtafel van zoons klas te gaan (die van maandag was van dochters klas,hè). Heerlijk gegeten bij een mongools restaurant (waar we echter om 22 uur met harde hand naar buiten gewerkt werden) en daarna nog naar een café. Om 1 uur had ik de dames die niet (meer) naar huis konden lopen braaf thuis afgeleverd (ik was de BOB) en om half 2 viel ik in m’n nest.

Gisteren was een hele fijne dag met gezellig bezoek, maar dochter was helaas toch best enigszins ziekig. Na een flinke dosis ibuprofen was ze na de middag echter wel enigszins leefbaar. Vannacht was het echter weer helemaal mis: Keelpijn, buikpijn, hoofdpijn, 40 graden koorts. Joepie. Vandaag zouden we namelijk alweer de hele dag op pad, om kwart over 7 op weg naar nichtje die haar “vormsel” zou krijgen (hier heet dat Firmung) maar ook vanochtend was ze te ziek (verhoging, erge keelpijn, misselijk etc.) om haar de hele dag mee te slepen. Man, zoon en schoonmoe moeten ons dus maar vertegenwoordigen vandaag…

En nu zit ik dus thuis, in alle rust. Dochter als een hoopje ellende op de bank, koortsig en jammerend. Ik met een bak koffie achter de laptop. Zometeen even de tuin in, wat hoognodige dingen doen. En verder even niks. Ik vind het wel genoeg zo. Ik moet nog zoveel maar vandaag doe ik maar eens even niks.
Ik vind dat ik dat wel mag.

Oh. PS. na het publiceren zie ik ineens de titel van dit blog. De koters en de hektiek heb ik uitvoerig uit de doeken gedaan maar de dieren zijn er redelijk bij in geschoten. Maar die waren er dus ook nog in de dierentuin. Dat u het even weet.

Door hem gemaakt

Jij maakte mij.
En dat kan iedereen duidelijk zien…

Ik heb jouw lippen, jouw tanden, jouw groen in mijn ogen.
Ik heb jouw rationaliteit, jouw nuchterheid en analysevermogen
Ik heb jouw ruimtelijk inzicht, ongeduld en technisch verstand.
Ik heb jouw volhardendheid, rechtlijnigheid en strakke hand.

Je hebt ’t me allemaal meegegeven (en zelf nog genoeg overgehouden ;-)).

Op jouw schouders mocht ik altijd zitten als ik van die moeie beentjes had.
Op jouw schouders mocht ik later uithuilen als het weer ‘ns tegen zat.
Op jou kon ik bouwen als ik raad nodig had of een gefundeerde mening.
Op jou kon ik vertrouwen voor onvoorwaardelijk steun (en zelfs een lening ;-)).

En dat kan ik nog steeds. Altijd. No matter what.
(OK, op je schouders zitten niet meer, dat wordt wel een beetje moeilijk).
Mijn papa, eeuwig hardwerkend. Met 68 jaar nog steeds dagelijks druk.
Projecten, uitvindingen, vernieuwende constructies, aandelen…
Maar ook genietend. Golf, skieën veel en ver reizen, Oostenrijk, lekker eten.
Geen killer-sudoku die niet gekilled kan worden.
En weer lijk ik in meerdere opzichten zo ontzettend op jou…

Jij hebt me zoveel bijgebracht. Me laten zien wat wérkelijk telt in het leven.
Door jou kan ik (bíjna) alles zélf. En weet ik hoe te geven.
Door jou weet ik wat ’t is om een eigen zaak te hebben en door te zetten.
Door jou snap ik het belang van jezelf trouw blijven en altijd op te letten.
Door jou heb ik geleerd vol te houden maar ook stappen terug te doen.
Door jou kan ik analyseren met de scherpte van een harpoen.
Door jou werd ik een oprecht mens met veel rechtvaardigheidsgevoel.
Door jou ben ik mezelf, als je begrijpt wat ik bedoel.

Jij hebt me gemaakt tot wie ik nu ben.
En ik zie jou terug in mijn kinderen.
Steeds meer. Steeds vaker. Steeds treffender.
Dat lied van Stef Bos mag dan inmiddels ietwat cliché zijn,
maar papa, ik lijk écht steeds meer op jou…

oh, en papa, ik hou steeds meer van jou.


(het blijft een meer dan prachtig lied…)


Shocking Day

… klinkt als Boxing Day, maar zo gezapig als op 2e kerstdag was het vandaag tot nu toe dus écht niet. Eerst een shock op Facebook, waar een nieuwgevonden vriend ineens ‘live’ alle symptomen van een hartaanval beschreef, en dat hij zich toch best wel zorgen maakte (een 112-momentje noemt hij dat, duhhh…). Sterkte Paul, ik hoop echt dat dit een giga-sisser gaat worden, maar tot nu toe ga ik nog maar even door met me zorgen om jou maken…

Ondanks dat toch maar traditiegetrouw eten gekookt (zoals wij goed geïntegreerden braaf ‘s-middags doen hier in Oostenrijk), dochter kwam inmiddels het huis binnenstommelen, bij de voordeur met schoenen aan (voor de duidelijkheid: die dienen hier bij den voordeure uitgetrokken te worden)  en ‘Schulranzen’ nog op de rug alweer haar vaste middagvraag roepend: “Darf ich fernsehen??” en ik mijn steevaste antwoord al terugbrullend: “Nee!”

Om 10 voor 1 denk ik: “Hmmm. Zoon is wel laat. Raar.” Dochter probeert ’t nog een keer met de TV en ik verzucht dat ze dan maar 5 minuten moet kijken voordat zoon thuis komt. Om 1 uur denk ik: “dit is niet normaal” en bel de buurvrouw om te vragen of haar zoon T. (zit in dezelfde klas en gaat met dezelfde bus naar huis) al thuisgekomen is. Die neemt op en ik hoor hem al op de achtergrond. “Ja hoor, die is al laaanggg thuis”, vermeldt ze. En nee, zoon zat niet in de bus. Ik hoor buurjongetje op de achtergrond brullen dat een man hem weer uit de bus gehaald en meegenomen had.

Boink… SHOCK!!! De nachtmerrie van iedere moeder. Een man. had. hem. meegenomen…
Ik kwak de hoorn op m’n iphone, sleur dochter bij de TV vandaan en prop haar met blote voeten in de auto. Met het hart achter m’n huig scheur ik over ons landweggetje (2m breed en deels opgebroken omdat er opnieuw geasfalteerd wordt). Ik geloof dat ik de 100km/h dik gehaald heb :-S (laat man het niet horen). Ik was binnen een minuut op school, ruk dochter uit de auto en ren naar binnen. De directrice zit nog in haar kamer en buiten adem en best wel redelijk in paniek (*kuch*) vraag ik haar of ze zoon nog ergens gezien heeft, of ze weet waar hij is want ik ben hem kwijt (zij kent hem heel goed). En met vermoeide doch relaxte stem zegt ze: “ja tuurlijk, die is met zijn leesbegeleider en de andere kinderen een ijsje eten, dat hadden we toch afgesproken?”

Ik zak bijna door m’n knieën. Verrek ja. Dat was ook zo. Waarom ben ik in vredesnaam zo ontzettend vergeetachtig de laatste tijd?? Als ik m’n kont niet zo goed vast had zitten, had ik dat ding ook vast nog wel ergens laten liggen… Zoon is zwaar dyslectisch en heeft op school één uur per week extra leesbegeleiding. Een uurtje intensief lezen met een ‘leespeetoom’ (zo noemen ze dat hier). En vorige week vroeg hij (persoonlijk nota bene!) of zoon deze woensdag na school mee mocht om met alle leeskinderen en leespeetoom zelf een ijsje te eten bij het plaatselijke café. Ja prima, tuurlijk mag hij dat, leuk!! Alleen was ik dat door de punctuele werkstress op het vraagmoment zelf 2 uur (nah jah, 2 minuten, zeg maar) later alweer vergeten.

Ik had het dus ook vergeten om zoon te zeggen: die wist van niks en is na school braaf in de bus naar huis gaan zitten i.p.v. met de goede man mee te gaan. Leespeetoom had dat gezien en heeft hem weer uit de bus gehaald en – zoals afgesproken (én zelfs schriftelijk ondertekend :-S) – meegenomen. DE man die mijn zoon uit de bus haalde en meenam. Hele aardige vent, echt. En goud waard voor zoon, die door hem inmiddels zoveel beter kan lezen.

Afijn. Toen ik mezelf weer bijelkaar geraapt had, bedankte ik diepzuchtend de schooldirectrice, scheurde met dochter – nog steeds zuchtend – terug naar huis om een klein bedankkadootje en -kaart voor leespeetoom in elkaar te knutselen (die goede man heeft zich dit jaar wel zo’n 30 uur met zoon bezig gehouden, hè) en toen naar het café geraced om daar – zoals óók afgesproken – zoon af te halen.

Inmiddels is mijn hartslag weer terug op normaalniveau. En ik moet de dingen duidelijk nóg beter opschrijven in m’n electronische agenda (nou ja, ik moet ze gewoon opschrijven, eigenlijk) zodat ik mezelf wat hartkloppingen en nachtmerries kan besparen.

Nog één keer diep doorademen en dóórgaan maar weer…

Oud en afgedankt

Gut Aiderbichl. Wie kent ’t niet. Nou ik dus, maar dat mocht ‘m de pret niet drukken. De ranch namens ‘Aiderbichl’ is bekend in Oostenrijk. Het wordt het dierenparadijs genoemd. Een nobele (en – moet ik zeggen – ook zeer goed gemarketeerde en gepromote) dierenopvangsinrichting. Voor dieren die zijn afgedankt. Dieren die, vooral in de zuideuropese landen, te oud waren om nog enig dienst te doen en daarom aan een boom gebonden werden om te verhongeren, naar de slacht gingen om tot ezelsalami of ragout verwurschtelt te worden, die de meest horrende pogingen tot doodmaken toch nog op de één of andere manier wisten te overleven. De dieren die ze konden (en kunnen) redden, komen hier terecht. Honderden. Misschien wel duizenden. Heel veel paarden, pony’s, muildieren en ezels. Geiten, honden en katten. Kippen, konijnen, hangbuikzwijnen, ganzen. Vossen, varkens, zelfs lama’s.

Schoonmoe wilde er graag een keer heen omdat ze het al meermaals op TV had gezien (er worden o.a. ook volksmuziekprogramma’s opgenomen). Dus was het zo ver: op stap met de hele cleanfamily. Het belangrijkste natuurlijk het eerst: eten bij de Seewirt am Zellersee. Een zeer idyllisch plekje waar de grillplatten, schweinsbraten en schnitzels van deze wereld nog in orde waren. Dochter vond het nodig om toch nog even met haar onderbroek het meer in te plonzen dus die heeft de rest van de dag in haar blote niksje onder haar jurkje rondgelopen maar ach, geen hond die dat zag.

Helaas zag man bij het achterwaarts uitparkeren wél de kans om de bips van onze (mijn!) Audi in de zijflank van een fonkelnieuwe BMW-SUV te proppen, dus moesten wij eerst nog wachten op de politie, die ‘het geval van de dag’ (het is een gehucht van 43 inwoners hè) persoonlijk moest komen opnemen. Ik denk dat het probleem niet al te groot zal zijn: even uitdeuken (*kuch*) en zelf snel overspuiten want op de zijkant van die BMW was de reclame overduidelijk: “Autolackiererei Jansen”. Meneer Jansen zelf was nergens te vinden, maar bromsnor was een joviale vent die de boel wel verder zou regelen. Prima.  Onze (mijn!!) auto had enkel een paar krassen op de bumper die in het overige op de achterkant afgebeelde dramatische autolevensportret absoluut niet opvielen. En zo gingen wij toch nog op weg naar Hoeve Ouwebeestenpret.

Onze navigatie stuurde ons als vanouds vrolijk door de onverharde oostenrijkse rimboe, wat het humeur van man nou niet bepaald ten goede kwam. Na een uitermate onschuldig, rustig commentaar van mijn kant (“he jôh, hij zei toch LINKSAF!! waarom ga je dan nóg rechtsaf??? We hadden daar afgemoeten, sjee zeg!!!”) en de duidelijk daarmee instemmende opmerkingen van dochter mompelde hij verbeten iets wat op “als jullie kippen jullie koppen nu niet als de sodemieter dichthouden, hak ik ze er zelf met de blote handen vanaf” neerkwam. Wááááár was dat ongewenstedierenparadijs ook alweer???

Op Gut Aiderbichl aanhoorden wij met stalen gezichten maar innerlijk bloedend de vreselijkste dierennoodlotten. Het personeel wist tot tranen toe te vertellen hoe gruwelijk de mensen deze dieren behandelden en hoe erg het is, dat ze niet alle dieren kunnen redden. En ik moet zeggen: ze hebben werkelijk gelijk. Het ís gruwelijk. En het is geweldig dat er mensen zijn, die dit soort dingen opbouwen (ik loop nu al de hele dag met Stichting SOZA in mijn achterhoofd. Petje af!!!). Af en toe kwam er een gruwelijk oud beest (meestal een ezel) langs sjokken, zo eentje waarvan je gelijk zag dat-ie snakte naar een spuitje. Nu zijn we dus vanzelfsprekend ook happy Foster Parents van een 16-jarige geit met een kromme nek en ze heet Miffy.

Maar het was me absoluut duidelijk: de dieren die hier op Aiderbichl oud mogen worden, hebben het echt heel, heel erg goed. Wat een heerlijkheid, álles wordt voor ze gedaan, ze krijgen heerlijk eten, lopen bijna allemaal gewoon los (de vossen en de 260kilo-zeugen niet), hebben prachtige “woongelegenheden” (de meesten hadden de naam “huppeldepup-paleis”), krijgen liefde en aai-doses in overvloed. Helaas was het witgevlekte minipeerd Franzl, venijnig achterneefje van Pipi’s Klein Witje (die er ook was!! met hartjes op z’n achterste), het geaai van die dag duidelijk meer dan zat en vond hij het nodig om zijn tanden en passant even lekker in dochter’s knie te zetten. Uitgerekend háár knie, de knie van onze de dier-en-dan-vooral-paardachtigen-liefhebster bij uitstek. Het was een enorme shock, maar ze overleefde het ternauwernood. Een dierenverzorgster nam dochter-in-shock uiteindelijk mee naar Franzl om hem de gelegenheid te geven zich te verontschuldigen. Franzl vond dat uiterst onzinnig, dus deed de dame het zelf maar even met verwrongen stemmetje. Uiteindelijk kwam het middels een vriendschappelijke maar licht gedwongen scheiding toch nog weer goed.

Een ritje met de plaatselijke on-road-trein moest natuurlijk ook nog volbracht worden. De geëngageerde pedaalmachinist verklaarde onderweg nog eens uitgebreid hoe de niet-biokippen moeten leven en dat er o.h.a. zelfs geen tijd is om de beesten op kipvriendelijke manier te slachten zodat ze al kakelend geplukt, verdrukt en uit elkaar gerukt worden, dat hun snavels afgeknipt worden waardoor ze weliswaar niet meer fatsoenlijk kunnen eten (maar in een legbatterij hoef je enkel naar binnen te schrokken wat er aan voer voorbij komt) maar elkaar ook niet meer kaal kunnen pikken. En over de paarden (die we onderweg appels en wortels mochten voeren) die ze half doodgestoken en heftig bloedend uit een dubbeldekkervrachtauto uit Roemenië hebben gered. Alle gruwelijkheden werden beschilderd. Laat ik even opmerken dat onze kinderen (6 en 9) tot de oudsten van de ca. 10 intensief luisterende, geshockeerde kinderen behoorden… Ik heb getracht de oren van dochter dicht te houden, maar dat lukte niet. Ik ben benieuwd waar ze van droomt vannacht, van Franzl of van koploos kakelende kippen…

Ach. Het was zeker een geslaagde dag.
Prachtig weer. Heerlijke landschappen, idyllische plekjes.
Een hoop dieren met een gelukkige oudedag.
En een pleeggeit en een bumperdeuk rijker.

I believe I can fly!!

I believe I can touch the sky…

Ik kon de onderkant van de wolken gisteren bijna écht krabben!!
Maar er zat een cockpitkoepeltje tussen.
En ik mocht dat ding niet even open doen om die wolk te kietelen.
Bummer… maar niet heus 🙂

Gisteren heb ik een zweefvlucht gemaakt!! Ja echt!! Joe had me een tegoedbon voor zo’n vlucht kado gedaan voor m’n (allerlaatste?? ;-)) verjaardag. De eerste afspraak, een week of 3 geleden, ging niet door: het was de hele week (wat? twee weken!) strálend weer geweest, maar die zaterdag was het ineens gruwelijk slecht, als in ‘storm’. De zondag daarentegen was wel weer prachtigmooi dus ik dacht al bij mezelf: “dit moet een teken zijn… ik mag dit niet gaan doen… ‘men’ wil blijkbaar niet dat ik ga vliegen…”. Afgelopen vrijdag cancelde de piloot ‘s-avonds voor de 2e keer: de volgende dag zou het te turbulent worden en als passagier elke 2 minuten een bijna-dood-ervaring te hebben was geen pretje volgens hem. Maar het groene sein kwam alsnog: gisteren om 8 uur ‘s-ochtends. De turbulentie bleek pas ‘s-avonds te komen en het zou een mooie, rustige vliegdag worden. Zei hij…

Om half 12 moesten we op minisportvliegveldje ‘Micheldorf’ zijn. Daar stond al een kudde zweefvliegtuigjes te wachten op de juiste thermiek en een time slot voor de lier. Het was zeer gemoedelijk: de piloten zaten op tuinstoelen of in het gras te lanterfanten. Een meer dan slechts ouwe auto (zonder kentekens) deed dienst als lier-ophaler. En er stond nog een klein motorvliegtuigje namens Samburo dat die zweefvliegtuigen omhoog bracht, die verder weg wilden vliegen cq. hoger (op 1km hoogte) wilden starten. Dat zou bij mijn vlucht dus ook het geval zijn.

Ik had thuis al één tablet primatour (tegen de kotserij) genomen en nu, op het vliegveld bij het zien van het vliegtuig zelf, nog maar eentje. En ik had natuurlijk, op instructie, ook nog Superpep (antikots-kauwgumpjes) in m’n vluchttasje gedaan, net als wat druivensuiker – aangezien ik na het ontbijt niet meer had gegeten, ik tot na de vlucht die tot ‘s-avonds zou duren ook niets meer wilde eten en ik daarbovenin niet van m’n stokje wou gaan door een te laag bloedsuikergehalte – en een klein flesje water. Oh, en m’n compact camera en m’n iphone natuurlijk. Ik wou toch wel wat foto’s maken daarboven, al was het maar als bewijs dat ik uiteindelijk niet neergestort ben. Ik kreeg eerst de gebruikelijke veiligheidsinstructies: aan uw linkerkant zit de nooduitgang, er wordt gedurende de vlucht geen eten geserveerd, hoe werkt de parachute, wat leest u zoal op al die displaytjes voor uw neus, waar dient die en die en die noodknop voor, waar waren de kotszakjes, waar mag  ik absoluut niet met m’n tengels aankomen en hoe vlieg ik in geval van nood zelf. Ehmm…. ja OK. Fijn. Wilde ik dit wel??? Ik had twijfels van jewelste over de grootte van het kuipje waar ik in moest zitten. Met parachute en al. Ik ben van mezelf al niet bepaald (bepaald niet…) klein en dan moest ik daar a) in zien te komen én b) de gordels dichtkrijgen… Het was echt even prutsen maar toen zat ik. Muurvast. Ik moest er niet aan denken dat ik me daar in geval van nood op x kilometer hoogte al neerstortend nog weer uit moest wrikken.

Vóór mij had dochter al mee mogen vliegen met een liervlucht (opgetrokken met de lier, even rondcirkelen om de thermiek te testen en dan weer landen) en ze was er helemaal wég van. Dat koppie bij het uitstappen, onbetaalbaar!! Zoon kwam bij onze terugkomst ‘s-avonds ook aan de beurt met nog een korte liervlucht en was al net zo enthousiast.

Lift-Off!!

Afijn. We stonden klaar voor vertrek, wachtend op Samburo het Motorvliegtuigje (deed me een beetje denken aan Thomas de Trein). Samburo werd voor ons vastgesjord met een kabel en whoppaaaa daar gingen we (na even uitvoerig afscheid genomen te hebben van man en kinderen – je weet maar nooit hè ^_^). Ik had het loeiheet. Herr Pilot had gezegd dat ik warme kleding aan moest trekken omdat het bovenin berekoud zou zijn. Dus langarmshirt, vestje, softshelljack, sjaaltje, petje en daaroverheen de parachute. En een tena-lady in m’n onderbroek want ik ben allesbehalve goed in plas ophouden en een zweefvlucht kan toch gauw zo’n 4 uur duren… En een board-WC was er nu eenmaal ook niet. Ik zweette me het eppieleppie aan alle kanten but soit, het was voor het goeie doel (mijn genot) en we zouden vást zo boven zijn. NOT!!! De thermiek was gruwelijkst slecht (volgens de piloot) en hij moest continu extreem kleine cirkels vliegen om hogerop te komen. Wat tot max. 1100 meter lukte, daar was een zgn. inversielaag, een luchtlaag waar je simpelweg niet doorheen komt.

Een “Blumerl”

Twee (TWEE!!)  uur lang hebben we zo in alle mogelijke bochten en cirkels gevlogen. Heet. Heter. Heetst. Felle zon op ons plexiglaskoepeltje. Ik was ontzettend blij dat ik compleet gedrogeerd was want anders had ik de binnendecoratie van zijn vliegtuigje al lang van een nieuw kleurtje voorzien. De Superpep was ook binnen de kortste keren binnenmonds: ik heb nog steeds kramp in mijn kaken van een middag lang heftigst (her)kauwen. De piloot (superaardige vent) kletste en mompelde de godsganselijke tijd: “Das kann nicht wahr sein. So schlecht heute. Versuchen wir dieses Blumerl noch mal [een “Blumerl” is een klein wolkje – een bloemetje – dat ontstaat als de thermiek verandert en dat aangeeft dat daar luchtstromingen zijn]. Ah, da ist noch ein Blumerl. Mensch, schon wieder nix. Irgendwo muss es doch gehen. Wir geben nicht auf. Irgendwo wird’s gehen. Geht’s Dir gut? [jaja, alles bestens] Fliegen wir noch mal zur Lotte [da’s een lokaal bergje waar vaak goeie thermiek heerst]. Wenn wir nicht noch mindestens 200m gewinnen, wird’s nix mehr. Ist Dir schon schlecht? [nöhhh, gewoon doorrrgaan, ik red me wel hier achterin. Ik dommelde zelfs bij tijden even weg, tja, die tabletten hè]. Wir geben nicht auf, irgendwie schaffen wir das. Ahh dieses Blumerl versuchen wir auch noch mal.” Enzovoort. Ik mompelde op regelmatige tijdstippen braaf “ja” en hield me verder geconcentreerd bezig met diep doorademen en hard naar buiten kijken om de misselijkheid tegen te gaan. En ineens, ineens lukte het. 1100m. 1500m. 2000m. En ik dacht: “wooooowww we zijn nu wel hoog genoeg hoor! Ah toe, nu rechtuit vliegen?”. Maar nee, hoger en hoger, round and round we go. Toen we op 3000m waren vond hij het geschroef in de lucht genoeg en kon het genieten echt beginnen. Het was zoooo mooi. Zo imposant. Zo onbeschrijflijk. Zo indrukwekkend.

De onderkant van de wolken schrapen.
Honderden kilometers ver kunnen kijken.
Over grote gletsjerplateaus vliegen.
Bergtopkruizen ver beneden je zien.
De zon door de wolken náást je.
Het vliegen puur op de vleugels.
Geen motorgeronk, enkel rust.
De grote roofvogels die kalm naast je vliegen.
Het even groeten naar een ander zweefvliegtuig vlakbij.
De enorme dalen die je compleet kunt overzien.

Ineens was de vlucht zo rustig dat de piloot zelf maar ‘ns ging lunchen. Broodjes werden uit een zijvak geplukt.
“Hé, geef je me even die waterfles aan die naast je ligt?” Ik geef braaf de waterfles door naar voren. We zweven. Ik zuig nog maar weer een druivensuikertje weg want ook ik heb inmiddels wel erg honger (al 7 uur geen hap gegeten hè). En we zweven verder. En verder. Zo mooi…

Ik denk dat je het zelf moet ervaren om te kunnen begrijpen hoe geweldig zoiets is.
Simpelweg vliegen op de wind, op je eigen (vliegtuig)vleugels.
Nix I BELIEVE.
I CÁN FLY!! Há!

Na een goed uur rondzweven namen we weer koers op de thuisbasis. We moesten onze hoogtewinst goed verdelen om over de laatste bergtoppen te komen (spannend :-)). Nog een paar rondjes naast een bergkam en dan toch maar langzaam de landing inzetten. Nog vlak over een kerk op een heuvel en een grote burcht gevlogen, aancirkelen en toen was het gedaan.
The eagle had finally landed. En m’n knieschijven sprongen er zowat vanaf na 4 uur met kromme benen te hebben gezeten.

Maar de tena lady is droog gebleven, yay!

____________________________________________________________
nog een paar foto’s:

Liervlucht (zoon)

Off we go!!

Me – airborne. (Ja, cockpit was klein. erg klein)

Gipfelkreuz (aan het eind van de vlucht)

Remote Control

Televisie is, hoe je het ook draait of keert, iets uitermate essentieels hier. Ik kan me er helaas niet zo in vinden, ik kijk heel erg weinig TV. Als ik al even niks beters te doen heb, luister ik liever muziek (blip er soms even lekker op los), schrijf, schilder, lees blogs, speel wordfeud, whatever, maar de meeste dingen die voorbijkomen op ’t ding interesseren me voor geen meter. Voor man en de kinderen is dat anders. Man zuigt alles in zich op wat maar een glimp van geschiedenis in zich heeft. Sowieso alles wat in zwart-wit is (gruwelijk). Van mummies tot wereldoorlogen, alles wordt tot in den treure herkauwd. Oh en sport. Voetbal (o.h.a. mee eens), Formule1 (yesss!), snooker (ook prima), tennis (is OK), ijshockey (mwah), boksen (vreselijk), wielrennen (horror) moet allemaal gekeken en geanalyseerd worden. Het moge dan ook duidelijk zijn wie er hier regeert over de afstandsbediening: NOT the mama!!

En mocht hij dan al moe zijn van alle gekoekeloer, dondert de heer des huizes met ronkend geweld in slaap op de bank. Steevast in innige omstrengeling met of – nog erger – bovenop de afstandsbediening. En als ik ‘m dan behoedzaam af zou pakken om de nog onbeperkt voortdurende WOII-documentaire weg te zappen (nee, ik wíl het niet vergeten, het ís belangrijke geschiedenis, maar ik hoef ’t niet dagelijks – werkelijk dagelijks – allemaal steeds weer opnieuw door te nemen…) wordt hij met de zekerheid van Carla Bruni’s zangcarrière weer wakker om vervolgens op mij te mopperen dat ik alleen maar onintelligente talentenshows of romantische shit wil kijken. Dat klopt overigens: áls ik al TV kijk, wil ik óf het nieuws kijken óf iets waarbij ik gewoon nog fijn verder kan typen, chatten, schilderen, lezen, grinniken – m.a.w. iets wat dermate onintelligent is dat ik er mijn miniscule brein niet bij nodig heb om het toch nog leuk te vinden op de achtergrond.

Nog handig om te weten: wij hebben onze 7 afstandsbedieningen nu sinds geruime tijd geïntegreerd in één zo’n universeel ding. Hoogingewikkeld maar voor de kinderen no problem. Op ‘TV’ drukken – ‘on’ drukken – ‘AUX’ drukken – ‘on’ drukken – 87 resp. 40 resp. 41 intypen en klaar. Kinderzender gevonden. Mochten ze van de oostenrijkse sat-receiver nog even willen switchen naar de nederlandse voor ketnet en co: ‘Sat’ drukken – ‘on’ drukken – ‘TV’ drukken – ‘bovensteknopjetussenvolume&kanaalkeuze’ drukken – ‘Sat’ weer drukken – 151 (of een of ander ander kindergetal) indrukken en weer klaar. Ze hadden het binnen een minuut of 10 onder de knie. Allebei. Ik had er wat langer voor nodig maar zelfs ik kan nu nog steeds de was doen. Ons leven-met-levend-licht draait nu in ieder geval volledig om de ‘Universalfernbedienung’, de UFB. Of UAB op z’n nederlands. Hij heet daadwerkelijk niet voor niks “Medion LIFE”…

Maar wie er pas écht afstandsbedieningsverslaafd is, dat is dochter (ze zit op dit moment naast mij te gillen, al wijzend op het plaatje in m’n blog-concept: “Schau, schau!!! MEINE Fernbedienung im Internet!!! Die heb ik, die heb ik!!!”). Ze is zo ontzettend gefixeerd op dat ding – zelfs als de TV helemaal niet aan is… – dat ze hem werkelijk overal mee naar toe sleept. De AB is dan ook regelmatig verdwenen en de daaropvolgende zoekvolgorde bekend: eerst in de WC checken, de keuken (achter het aquarium bij de snoepkast), dan haar slaapkamer, de kist met barbies en de kaplabak. Mocht hij daar onverhoopt niet liggen, dan ligt-ie tussen of onder de bank. Ze verdedigt de AB vanzelfsprekend met haar leven, bijt haar broer soms in de afstandsbedieningafpakkenwillende arm, gromt aan tafel als ik het ding aan míjn kant neerleg omdat ik niet wil dat ze met haar vette ketchupvingers ons levensmiddelpunt bevingert. De tekst op de knopjes slijt al voldoende zonder bijtende tomatenzuren. Tijdens het eten wordt er sowieso geen TV gekeken (tenzij ik ziek ben, zoals nu, waardoor de kinderen steeds opnieuw stilletjes en innigst hopen dat mijn hoestbuien daadwerkelijk overgaan in ziekte), maar dat maakt voor de positionering van de AB niet uit: die ligt in dochters hand of in ieder geval, net als het overige bestek, vlak naast haar bord. Ze kauwt er ook regelmatig op (tot grote ergernis van man die de tandafdrukken in de on-knop echt afzichtelijk vindt, ik vind ze best schattig eigenlijk) en neemt hem zelfs mee naar bed. Haar grootste vriend. Soms is hij een paar dagen weg en moeten we minstens 5 van onze ouwe afstandsbedieningen uitgraven om weer fatsoenlijk TV te kunnen kijken. Dan bidden we tot heilige Antonius (not) om de huilbuien van dochter toch eindelijk eens te kunnen stoppen en meestal komt hij dan wel weer boven water. Soms letterlijk.

Ik denk dat we binnenkort maar ‘ns een 2e, zelfde UAB, gaan halen. 1 voor het echie en 1 voor haar. Een KAB. Een knuffelafstandsbediening.

No remote, no life.

Toch?

Uit haar geboren

Veertig (en een half) jaar geleden zette jij (nóg) een hummeltje in de wereld.
Eigenlijk meer een pummeltje: bij de geboorte was ik al formaatje XL.
Een ietwat verkeerd zittende navelstreng zorgde voor enige paniek.
En een ingeslikte punaise een jaar of wat later evenzo.
Alles maakte je met me mee. Ik vrat alles op. Beklom alles. Deed alles.
Had eeuwig en altijd blauwe schenen van ’t onbenullig rondbanjeren.
Maar het maakte je niet uit. Jij zag míj. En zei “goed zo!!!”.

Ik vroeg je ononderbroken de oren van je hoofd.
Ging mee naar kantoor om daar al heel vroeg en uitbundig
de kasten vol te tekenen en je van ’t werk af te houden.
In de pubertijd werd ik vrijgelaten. Vrij om de fouten te maken die ik nodig had,
vrij om grenzen te verkennen, vrij m’n hoofd zo toe te takelen als ik wou.
Zwarte ogen, zwarte kleding, stekels en opgeschoren bakkebaarden.
“Als jij het mooi vindt, vind ik het goed hoor lieverd!”
En een koelbloedig: “Ach, dat gaat vanzelf weer over”. En dat ging het.
Om plaats te maken voor Kim Wilde- en Tina Turner-kapsels.
Maar het maakte je niet uit. Jij zag míj. En vond het goed zo.

Ik fladderde rond tussen de jongens, had te weinig harten in reserve.
Ze braken en ik kwam thuis om ze weer te laten lijmen.
Jij troostte, legde uit en zorgde dat ik weer verder kon.
Ik kon altijd alles bij jou kwijt, kon altijd alles vragen.
Een allerlaatste keer mee op vakantie, en ineens wou ik die Oostenrijker.
Jullie lieten mij naar Australië vliegen en ik vloog daarmee uit.
Op mijn allereerste autorit met rijbewijs op zak zat jij  naast me
en reageerde übercool op ons bij Zwiep bijna-uit-de-bocht-vliegen.
“volgende keer misschien toch íetsje minder hard rijden?”
doodbedaard terwijl ik zelf nog m’n hart uit m’n keel zat te vissen…
Maar jij maakte je niet druk. Jij zag míj. En dacht: “zal wel goedkomen.”

Jij was mijn eeuwige Hotel Mama om weer naar thuis te komen.
De was, het liefdesverdriet en de studiezorgen meezeulend.
Studieverenigingen, cursussen, een eigen plek in Utrecht.
Zoveel ambities en ik kreeg alle mogelijke steun voor elk van hen.
Nog een studie erachteraan, Amsterdam calling.
Ondertussen heen en weer treinend tussen Oostenrijk en Nederland.
Wat zul je je zorgen gemaakt hebben. Wat moet je gedacht hebben…
Maar jij nam ’t zoals ’t kwam. Jij zag míj. En wist dat het zo goed was.

Geëmigreerd. En weg was ze… Niet meer binnen ‘snel bereik’.
Je liet me gaan. Maar jullie steun op ieder vlak hielp me
om daar te gaan waar ik het nodig vond rond te wandelen.
Mijn geweldige, onbetaalbare kraamverzorgster na beide geboortes.
Relatiecrises, werkcrises, persoonscrises, huisbouwcrises.
Jij was er áltijd voor me. En nog steeds. Altijd een luisterend oor.
Telefoon. Af en toe een mailtje. Vaak langskomen op doorreis.
Zorgend. Meelevend. Nooit verstikkend. Altijd steunend.
Begripvol. Liefdevol. Rechtvaardig. Thuisgevend.
Zoals iedereen zich een moeder zou wensen.
Zoals iedereens moeder eigenlijk zou moeten zijn.
En ík weet: met zo’n moeder kán ’t niet anders dan goedkomen 🙂

Ik ben er nooit meer op moederdag. Nooit “live” bij jou.
Te ver weg om ‘gewoon even langs te komen’.
Mijn moeder moet het doen met een kaart en een belletje.
En met een blog. Want nu kan ik dat. Omdat ik van je hou.
Ik heb van vroeg af aan al geroepen:
“als ik zo word zoals mijn mama, dan kan ik tevreden over mezelf zijn.”
Geen idee of ik zo ben zoals jij. Nee, ik ben veel ongeduldiger,
ongeduriger, instabieler. Maar ik blijf ’t proberen…

Mijn mooie, lieve, perfecte mama.
Uit jou geboren. Zonder jou zou ik (ik) niet zijn.
Een hele fijne moederdag lieve mam!!!

Ik hou van jou.

Gewoon kappen!

Dat riep ik vanochtend binnensmonds tegen een blondzwarte friseuse.
Het was weer eens zover. Na 3 weken gezeur van dochter (6) aangehoord te hebben was ik het zat. Om stipt 8AM hing ik al in de foon.
“Wanneer schikt het u?”
“Nou, nu??”
“OK, om kwart voor elf hebben we nog een plekje.”
Ach nou ja, dat is ook bijna ‘nu’. De kinderen hadden vandaag weer eens schoolvrij om de één of andere vage reden (Landeslehrerversammlung, wat dat dan ook mag wezen. Op zulke dagen ben je blij dat je thuiswerkmammie bent). Kwart voor elf zaten ze allebei op een stoelverhoging (in de overigens compleet lege kapsalon – wat een groot ‘plekje’ hadden wij gekregen!) te koekeloeren.

Bij zoon (9) roep ik standaard: “alles op 12mm graag!” en dat gebeurt dan ook. Dit keer kwam zoon er echter zomaar ineens tussen: “Echnie. Ik wil ’t bovenop langer hebben en dan in stekels. Ik wil cool als Phil [onze drumleraar] zijn.”. Een beetje verbouwereerd door deze inmenging van zoon (want niet gewend: hij is normaalgesproken van het type ‘het zal me allemaal worst wezen, als ik hier maar snel weer weg mag’) maar er natuurlijk niks op tegen hebbend, wordt zoon daar waar ’t wél mag, gekortwiekt. Dat is nog altijd zeer easygoing. Zoon krabt zich ter afsluiting eens in z’n rooie nek, kijkt me aan, gooit er een soort holenmensen-achtig “hangghh?” uit (dat is een samenvattend synoniem voor de aan mij gerichte vragen: “nou? wat kijk je nou suf? is toch prima OK zo??”) en gaat vervolgens braaf op coole wijze bij mij op schoot zitten.  Dochter is een ander verhaal. Die weet 3 weken van tevoren al precies wat ze wil en hoe het moet. Waar kort, waar lang. De pony moet weer kort want ze ziet niks, oh en een lange zwarte haarlok erin a.u.b.

En dan zit ze daar. Mejuffrouw Prekebeen op haar stoelverhogingstroon, de kapster kritisch bekijkend en haar waardigheid beoordelend.
“Oh mam, ik wil toch geen pony meer [oh my…]. Het moet weer lang. Een pony is voor babies, behalve als-ie in de wei staat.”
Ratelderatel.
“Oh en het mag wel iets korter hier. Maar daar niet. Neeeeeeheee, ik zei toch, dáár NIET!!!”
De kapster kijkt ietwat veronzekerd naar mij en ik denk min of meer hardop: “gewoon knippen meid, ik betaal en ik vind ’t allemaal best. ‘t-groeit wel weer aan en als het niet goed is, zit ik met een kortharig krijsexemplaar, niet jij”.
Ze snapt ‘t. En knipt er lustig op los.
Dochter rebbelt voort (in het duits welteverstaan, maar ik ben zo vrij om even te vertalen):
“ik had hiervoor al een roze haarlok, maar die was echt te kort [ter info: die heb ik thuis nog een behoorlijk stuk ingekort omdat ze ‘m steeds opvrat bij het eten] en hij was ook niet mooi meer dus heeft mam ‘m er helemaal uitgehaald. En ik heb nu lang genoeg lang haar gehad. Doe ’t toch maar hartstikke kort knippen, ja? Ik zweet me het eppieleppie nu en dan gaat alles jeuken. Maar ik heb geen luizen hoor! Die heb ik nog nooit gehad. [ik klop zachtjes af op de stoelleuning]. M’n broer ook niet, want die heeft sowieso millimeterhaar en daar houden luizen niet van, dat is te licht voor ze. Luizen houden niet van zon want dan worden ze bruin en dan verschrompelen ze. En vlooien hebben we ook niet. Maar straks hebben we 2 katten en dan hebben we vast wel allemaal wel een keer vlooien. En dan komen we bij jou, mag jij ze vangen en in een potje doen. Goed?”

De kapster zegt niet veel, maar ik hoor haar denken: “blij als ik zometeen klaar ben met deze rebbelkous, poeh poeh poeh”. Of zoiets. Ik verdraai even m’n ogen en grinnik enigszins verontschuldigend (en ondertussen vind ik mijn dochter toch best heel erg leuk. Ze lijkt op d’r moeder heheh).

Met de lijmtang wordt er aan de rechterkant nog een 40cm lange lok zwart haar ingelijmd, die op mijn commando toch echt ingekort moet worden (ik zie mezelf alweer tijdens het avondeten de zwarte haren uit haar keel trekken, nee dank je de koekoek). Dochter kijkt beledigd want wil de volledige pluk zwart haar houden. “Daar betaal jij toch óók voor? Dan mag ik het toch wel houden??” Theoretisch heeft ze gelijk. Praktisch heb ik de schaar al zowat vast om de boel dan zelf maar af te knippen en dan mag ze van mij dat afgeknipte stuk best houden. De kapster is me voor en zegt diplomatiek: “kijk, deze lengte is momenteel helemaal ‘in’, dan heb je het precies zoals het hoort”, en houdt de lok op een acceptabele lengte vast. Dochter trekt haar mondhoek nadenkend omlaag maar voor verder nadenken is het al te laat: kapster weet van wanten en de lok is nu tot de helft ingekort. Klaar.

20 minuten later staan ze met korte koppen en een cola-lolly weer buiten.
Als ik in de auto stap mompel ik “Zohhh. dat hebben we voorlopig ook weer gehad”.
Maar ik weet als geen ander: erna is ervoor…

Oh, en dat je…

zomaar, midden op de dag, ineens heel blij kunt zijn met de benen van je dochter om je nek.
dat ook.

Onbetaalbaar.
Mijn nekhangdochter 🙂
(en lekkere teentjes dat ze heeft!!!)

Nan Ts’Ngonya…

…Ma Bakithi Baba!
Oftewel:
Kijk volk, hier is uw leeuw!
Meer Zulu ken ik dan ook niet.

Vanavond ben ik met de kinderen naar een lokale uitvoering van de Lion King geweest. Aangezien het een uitvoering van de plaatselijke muziekschool was en ik de originele musical al gezien had, verwachtte ik er eigenlijk niet veel van. Een uurtje liedjes en wat samengeperste tekst, muziekschoolmuziek en het koor. Ik dacht dat ’t voor de kinderen wel aardig zou zijn en vanavond was de allerlaatste (extra) voorstelling dus om half 6 stonden we bij de kaartjesmadam: of er nog kaarten waren.
Nee sorry, uitverkocht. Net als de voorgaande 19 voorstellingen. Huhh?? Hmmm. Stelletje overenthousiaste ouders die hun kinderen daadwerkelijk 20 keer gaan bekijken… Zou ’t dan toch wat zijn? De juf van de kaarten zei dat we maar tot 18 uur moesten wachten, als er dan mensen waren die hun kaarten niet afgehaald hadden, konden we die plekken krijgen.

Zoon had al lang geen zin meer, wou naar huis (Nintendo, TV, bankhangen, ijs eten, zoals ’t een zondagavond betaamt). Dochter wilde wel wachten maar alleen als ze nu meteen een ijsje kreeg. Poeh! Probeer in een paarduuzendinwonerdurp in Oostenrijk maar ‘ns een ijsje te vinden op zondagavond. Maar goed, we hadden de tijd wel mooi met wandelen overbrugd en ik beloofde ze maar snel een ijsje zometeen thuiskomst: uit beleefdheid nog even bij de ticketlady navragen maar er zouden toch wel geen kaarten over zijn. Fout gedacht! Er waren nog 2 kaarten over. Geen probleem: ik zou ons pummelientje wel op schoot nemen (en hoefde dus ook niet voor haar te betalen, best fijn, bij die prijzen. En dat voor een muziekschoolmusical…).

Afijn. Zoon sjaggie want nog steeds nulkommanul zin. Fijn zo’n enthousiaste cultuurbarbaar. Dochter sjaggo want geen ijs. Ik zag mooi niks meer van alle sjagheid want het licht ging uit. En weer aan want het begon. Mén, had ik dat mooi even onderschat!! De zaal was niet groot maar wel bommetjevol. Achter de zaal zat, in een aparte ruimte, een compleet orkest met band en koor, echt gigantisch. We konden de musici en het koor op een fatsoenlijke videowand naast het podium prima zien. Het geluid was bombastisch. De voorstelling ook. De héle musical werd gespeeld, incl. álle tekst en songs. De zang was werkelijk ge-wél-dig. Hartstikke professioneel en ontzettend goed. Ik heb de kinderen dan ook niet meer gehoord: ze hebben duidelijk genoten (hoewel dochter aan ’t eind wel wat inkakte, het was tenslotte na half negenen en dat is voor onze 6-jarige toch best aan de tijd). Stiekem had ik zoooo graag meegewerkt aan deze musical, gewoon, in het koor meezingen o.i.d. maar helaas: zanglerares (die wel meezong) had er niet meer aan gedacht dat ik dat ook wel wilde en dacht dat ik sowieso niet kon. Man zei prompt daarop: “nou, dat  zal dan wel een subtiel teken van haar geweest zijn…” (grrrmpfff. ik durf nooit meer wat te zingen, wrijf het er nog maar even in.  En bedankt hè…)

Thuis kregen zoon en dochter dan uiteindelijk toch nog het lang beloofde ijsje (daar kon ik echt niet meer onderuit en het ijs had ik – gezien mijn vriezerdebakel van de afgelopen week en de antivries-climax van vandaag – toch maar niet bij de buurvrouw geparkeerd maar in m’n eigen kleine koelkastvriezer, leek me verstandiger). Na nog een minuutje of 20 neuriënde, bedlegerige Simba’s aangehoord te hebben, lagen ze dan toch redelijk snel allebei voor pampus. Morgen om kwart over 6 weer op, dat wordt wat… (not).

Mijn complimenten aan de muziekschool, aan alle musicalisten.
Niet veel verwacht en toch overdonderd. Geweldig goed gedaan!!

Eten – een hot issue…

Dat ik een eetprobleem had en nog steeds overduidelijk heb, heb ik al eerder uit de doeken gedaan. Minder mij: dat wou ik zó graag en dat wil ik nog steeds. En ik faal ook steeds opnieuw. Maar wat ik juist probeerde te vermijden, lijkt nu toch te gebeuren: mijn gewichts- en eetmanie heeft invloed op het eetgedrag van mijn kinderen… Ik probeerde het er niet over te hebben. Ik bied mijn kinderen in het dagelijks leven gezond eten, veel fruit en groente, snoep uiteraard met mate (maximaal 1x per dag), chips eten ze nooit, chocolade zelden. Hooguit 4-5x per jaar naar de McD, verder geen fast food. Gezamenlijke maaltijden: ik kook altijd zelf. Maar toch…

Zoon (9) is altijd “stevig gebouwd” geweest. Maar sinds ca. een jaar is ook hij heel erg met eten bezig. Hij is inmiddels bijna panisch om dik te worden. In de hoogte geschoten en erg kieskeurig met eten zijn heeft ertoe geleid dat je nu zijn ribben kunt tellen, waar hij zelf soms schrikbarend vergenoegd naar kan kijken: hoe dunner hoe beter… Het liefst zou hij ook compleet vegetarisch eten. Daar heb ik op zich absoluut niks op tegen maar omdat het ijzer- en eiwitgebrek voor mijn gevoel toch echt nog te groot zou kunnen worden (hij eet namelijk ook geen alternatieven), meng ik wel stiekem vlees/eiwit/melkproducten door het eten zodat hij toch nog wát binnen krijgt. Hij lust veel dingen niet, laat zoetigheid meestal met grote overtuiging staan, drinkt steevast water i.p.v. limonade, vraagt aan tafel of die kip wel een fijn leven gehad heeft (oftewel: bio??) en ook al is het antwoord natuurlijk “ja”, laat hij de boel nog staan. Met andere woorden: hij lijkt op zijn vader (qua weinig eten dan: kieskeurig is z’n pa absoluut niet).

Dochter (6) is zomogelijk het tegenovergestelde. Eet alles. Is de hele dag op zoek naar eten en snoep. Heeft continue en altijd honger. ‘s-Ochtends bij het ontbijt vermeldt ze al wat ze bij de lunch wil eten (“Schnitzel!!”, “een ei!!”, “griesmeelpap!!” “pannenkoeken!!”). Haar bord gaat praktisch altijd schoon leeg. Een dag zonder toetje is geen dag en staat garant voor grote chagarijnigheid voor het naar bed gaan. Chocolade en zoetigheid moet ik verstoppen anders eet ze het in een verstolen moment allemaal op. Ze is de hele dag met eten bezig. Voor mijn gevoel eet ze zelfs uit verveling of omdat ze zich rot voelt. Of gewoon omdat het er staat.. Met andere woorden: ze lijkt verhipte veel op haar moeder…

Zoon is inmiddels ronduit dun, een slungelige skinny whimp, dochter heeft daarentegen al een behoorlijke buik, een rond koppie en meer dan stevige bovenbenen…

Maar jee, wat moet ik hier nu mee? Is dit nog normaal? Ik ben zelf zo deranged dat ik dat al niet meer kan beoordelen…
Kan ik dit zelf, met mijn eigen grofgestoorde verhouding tot voedsel, nog weer in het gareel krijgen?
Moet ik maar samen met ze naar een diëtiste? Gaat dit voorbij? Ik weet ’t niet…
Moeilijk…

Hoe is het mogelijk dat zoiets makkelijks als eten zo verschrikkelijk moeilijk kan zijn…