De pot verwijt de ketel…

…dat ie zwart ziet. Kan die uitspraak eigenlijk nog vandaag de dag, met al die ZP-ellende? De pot en de ketel zijn allebei zwart van het roet, maar de pot maakt de ketel daar dus verwijten over.

Ik voel me soms ook zo’n pot. Ik was vroeger namelijk de attentheid zelve. Kaartjes en cadeautjes sturen vond ik heerlijk, mensen verrassen ook. Een soort van hobby. Ik dacht werkelijk aan alle verjaardagen, wenste sterkte en beterschap bij de vleet, in kaartvorm of in de chat, stuurde felicitaties voor huwelijken, heette nieuwgeboren kindekes welkom op de wereld, leefde intens mee met alles wat er gebeurde. Ik had altijd cadeautjes bij me als ik ergens op bezoek ging, zei op de juiste momenten en op gepaste wijze ‘dankjewel’, belde mijn zus/familie/beste vrienden zeer regelmatig om even bij te kletsen, vroeg mensen oprecht belangstellend hoe het met ze ging en bood altijd een luisterend oor als daar behoefte aan was. Zelfs midden in de nacht. Maar aan de andere kant verweet ik sommigen dan soms toch heimelijk ook een beetje, dat ze op hun beurt op bepaalde – voor mij belangrijke momenten – níet aan mij dachten. Geen moeite deden om mij óók eens te verrassen. Geen belangstelling voor mij toonden en enkel met hun eigen sores en leven bezig waren En dáár ging ik de fout in…

Verwachtingen scheppen op basis van wat je zelf doet (deed), op basis van wat je zelf als vanzelfsprekend ofwel belangrijk acht, is een weg die onvermijdelijk tot teleurstellingen leidt en die relaties erg kan laten bekoelen. Verwachtingen zijn eigenlijk rotdingen. Verwacht gewoon niks en de teleurstellingen zijn uit je leven verdwenen. En alles wat dan wél komt, is ineens een fijne verrassing, want je had het immers niet verwacht.

Maar nu, nu ben ik zelf ineens in de ketelpositie. Ik ben met mijn eigen sores bezig, vergeet verjaardagen compleet, denk er simpelweg niet meer aan om mensen te vragen hoe het met hen gaat (ook al denk ik wél heel regelmatig aan ze), ben chaotisch, verward, te druk, te moe, te zeer in gedachten. Ik heb inmiddels lieve vrienden dermate ‘verwaarloosd’ dat ik vermoed dat ik ze inderdaad min of meer verloren heb. Mijn leven (en niet alleen dat van mij…) is in korte tijd volledig op zijn kop gezet, grotendeels door eigen toedoen. De relaxte alledaagsheid, de alledaagse relaxtheid maar vooral ook de zeeën van tijd zijn plots weg. Waar ik vroeger momenten te over, ja zelfs te veel had voor mijn werk, hobby’s (tekenen/schilderen/schrijven/zingen/drummen), kinderen, vrienden, chatten, facebook enzovoorts, moet ik nu – ondanks de chaos en intense vermoeidheid in mijn hoofd – heel hard schipperen om de boel nog enigszins op een rijtje te krijgen.

Het gevoel dat ik mensen van wie ik houd, chronisch verwaarloos, groeit en groeit… Soms voel ik me een ware loser, iemand die praktisch alles fout doet en zelfs de belangrijkste dingen vergeet. Iemand die steeds ongewild de foute dingen zegt, vooral te weinig zegt en dan ook nog vergeet wat ze nu wel of niet gezegd heeft. Iemand die zich niet meer voldoende om anderen bekommert en mensen teleurstelt.

Het knaagt aan mij. Ik wíl dat helemaal niet. Ik wil er juist wél zijn voor anderen. Ik bén helemaal niet zoals ik nu ben. Ik ben enkel in een soort van – hopelijk tijdelijke – geestelijke noodtoestand, maar eigenlijk klinkt dat ook weer te zwaar. Tegelijkertijd kijk ik naar mijn twee met “TO DO’s” volgekalkte A4-tjes, vragen de kinderen wanneer we nu eindelijk dat beloofde spelletje gaan spelen (ik kies steevast ‘Mens-erger-je-niet’), staat de vaat torenhoog op het (nieuwe) aanrecht, moet ik de was (om 1:15AM…) nog ophangen en mijn zakenconnectie dringend bellen (morgen) om nu eindelijk eens vooruit te komen met het project, wil ik nog een blog schrijven, vijf portretten tekenen en een hond schilderen, een tekst redigeren, vertaalwerk doen, een business-idee uitwerken en een gedichtenbundel produceren, moet ik een jaar- én een maandafsluiting voor de zaak maken, verzekerings- en ziektekostengedoe uitzoeken, een auto importeren, solliciteren (en mijn CV bijwerken), het verjaardagsfeestje van dochter plannen en regelen (twee maand later, jawel…), tig afspraken maken die meer dan dringend zijn, de verenigingsadministratie doen en lijsten naar cursusleiders sturen en tegelijkertijd ook nog even aan nog 238 andere dingen én mensen denken. En mijn lief wil ik zo af en toe toch ook nog even spreken…

Dan zucht ik maar eens diep, kijk met waterige blik naar mijn laptop, dan naar mijn kinderen en ga vervolgens toch maar een spelletje met ze spelen. Ik noteer op een aparte lijst (met pen… op papier…) wie ik allemaal nog wil bellen, mailen of een kaartje sturen. Misschien werkt dat…

Ik ben niet langer die pot die de ketel verwijt.
Ik weet nu echt wel hoe het komt, dat zwart zien…

Sorry.

Ontheemd

Waar is thuis? Waar hoor ik? Ik weet het niet meer. Ik heb het eigenlijk ook nooit geweten. “Wherever I lay my hat, that’s my home,” krakeelde Paul Young.  Ik heb geen hoed maar als ik er eentje had, zou ik ‘m meteen opzetten en diep over mijn ogen trekken, zodat niemand de tranen zou zien glinsteren.

Vandaag voelt werkelijk niet als Bevrijdingsdag. Veel meer als een onverwachte gevangenisdag. Gevangen in mijn hoofd, gevangen in het alledaagse, gevangen in een overweldigend onbestemd gevoel. Ik functioneer absoluut niet. Ik ben stuk. Zelfs grasmaaien lukt voor geen meter: ondanks de lentezon blijft het gras te nat en loopt de maaier na wat gesputter steeds opnieuw vast. Ik had ’t kunnen weten. Een lichte misselijkheid golft al sinds het opstaan met vlagen door me heen. Wat dóe ik hier eigenlijk? Behalve doorademen en wachten tot de motor der normaliteit weer een beetje regelmatiger draait? Alles revolteert in mij.

Ik zou mijn bestaan nu per direct en uit alle macht radicaal om willen gooien maar ik kan het niet. Nog niet? Rationaliteit, gebondenheid, realisme en machteloosheid weerhouden me. Ik voel me meer dan stevig vastgesnoerd in een korset van ooit gemaakte keuzes. Met dubbele knopen op de rug. Een immense drang om los te komen. Een ziekelijk groeiend heimwee. Als een opzwellende groene hulk in mij. Kon ik ook maar zo oersterk zijn en uitbreken…

Ik voel me ontheemd.
Ik ben in mijn huis, maar steeds minder thuis.
Misschien gaat het ook dit keer voorbij.

Misschien ook niet meer…

Doe jij even

… de huishouding, de was, de vuilnis?DoeJijEven
… de kinderen, het eten, de administratie?
… de kerstcadeaus, de tuin, de rekeningen?
… de katten, de doktersbezoekjes, de boodschappen?
… de vaatwasser, de correspondentie, mijn leven?

Natuurlijk, schat. Doe ik. Vanzelfsprekend.

Vanzelfsprekendheden zijn killing. En ik ben ogenschijnlijk de vanzelfsprekendheid in persoon. Ben ik dan ook killing? Voelt eigenlijk meer als slowly being killed. Maar het is goed zo. Beter wordt het waarschijnlijk niet. Wel lastiger om vol te houden. Bij veel van wat ik doe, denk ik: “Het klopt niet. Zó ben ik niet. Dit ben ik niet.” Op een onverwacht moment wordt je een spiegel voorgehouden en vraag je je af wie je dan wél bent. Je weet het antwoord al. Ik ben degene die gekozen heeft. Dus ook degene die moet leven met de consequenties daarvan. Daar voeg ik mij naar: het waren mijn keuzes. Mijn verantwoordelijkheden verzaak ik niet.

Groei is pijnlijk. Verandering is pijnlijk. Maar niets is zo pijnlijk als ergens vast te zitten waar je niet thuis hoort.” Mandy Hale (Auteur van ‘The Single Woman’) zei dat. Mandy zegt trouwens een heleboel en het meeste daarvan schaar ik onder het kopje ‘gewauwel met hoog open-deur-gehalte”, maar in dit geval vind ik dat ze gelijk heeft. Het is pijnlijk te beseffen dat je vast zit in een rol die je jezelf weliswaar aangemeten hebt maar waarvan je tijdens de hele opvoering bemerkt, dat je hem niet naar behoren kunt spelen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“je weet niet wat je mist, tot het er niet meer is.”
De waarheid is: Je wist precies wat je had.
Je had alleen niet gedacht, het ooit te kunnen verliezen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“Het leven gaat door.” Play your part.
Neem het vooral niet te letterlijk.
Hopelijk kan het tóch weer beter worden…

Uitgebrand?

Vandaag zag ik er weer één.  En vorige week woensdag ook. Net als al zovele keren daarvoor. Een zogenaamd uitgeblust, opgebrand persoon. Iemand met een burn-out. Ik heb al meerdere keren gedacht dat ik zelf zoiets als een burn-out zou kunnen hebben, maar ik heb inmiddels sterk het vermoeden dat ik dat niet kan, dat opgebrand raken. Depressief worden kan ik wel degelijk (heel goed zelfs, maar dat is ook weer zoiets wat je éigenlijk niet hardop mag zeggen hè…) maar volledig en totaal uitgeblust raken, schijnt mij een onmogelijkheid. Ligt misschien aan de mate waarin het brein in staat is, zichzelf te amuseren, te bedotten en te verwarren… Het mijne kan dat in ieder geval verschrikkelijk goed. Maar waarom zijn er dan tegenwoordig zó veel mensen die zomaar ineens niet meer verder kunnen? Geen stap meer? Bij wie de accu leeg is, de energie verbruikt, de vlam uit? Waarom is die ingebouwde oplaadbare batterij ineens totaal lamgelegd, rijp voor het afvalstoffencentrum? En waar haal je dan in hemelsnaam een nieuwe?

Geen idee. Ik denk persoonlijk wel dat burn-out-patiënten eigenlijk de geijkte slachtoffers van onze van het padje geraakte maatschappij zijn. Iedereen wordt onderhand voor het overgrote deel van zijn of haar leven gecontroleerd, gestuurd en beheerd. Passief vegeteren omwille van het bestaan versus actief de dingen (be)leven die men ook werkelijk beleven wíl. Zo gezien zijn mensen met een burn-out eigenlijk de voorboden van de uiteindelijk onvermijdbare systeemcrash zelf. Een systeem waarin steeds meer mensen een baan met een extreem intensieve en vooral heel ver reikende sociale omgeving hebben. De werktechnische sociale invloeden komen nu van veel verder weg, in veel grotere getale en zijn in veel intensievere mate aanwezig dan ooit het geval was. Tegenwoordig wordt de samenleving vooral gedomineerd door de prestaties van sterk narcistische individuen die enkel nog hun eigen ikje dwangmatig celebreren. Het gemeenschapsgevoel ontbreekt, overal wordt tegenaan geschopt, niets is meer goed, niet eens meer goed genoeg. En dat zowel op maatschappelijk macro-niveau als in de directe sociale micro-omgeving. Men loopt maar door in zijn of haar eigen verchroomde tredmolentje. En ook al heeft dat gepolijste looprad dan alle nodige blingbling en luxe, het blijft een tredmolen en je moet doorhollen, of je nu wilt of niet.

De vraag is: hoe breek je uit? Ik heb een gloeiende pesthekel aan dat boek van Elizabeth George (na drie pogingen heb ik ’t aan de kant gesmeten, geen doorkomen aan) maar in die titel, “Eat, pray, love”, daar zit wel wat in. Eten moet je en daarvoor moet je dus werken (als je in het gelukkige bezit van een baan bent tenminste). Hoe je het ook draait of keert, er moet op de één of andere manier geld binnenkomen. Is nu eenmaal zo en de ruilhandel is helaas al uitgestorven. Maar de tijd die je met werken doorbrengt, zou eigenlijk ook zinvolle tijd moeten zijn en geen moeizame kwelling. Geen zich erdoorheen moeten slepen tot het volgende weekend. Die luxe heeft niet iedereen: werk is werk per slot van rekening; je mag blij zijn als je een baan hebt. Daarom moet er in de eerste plaats tijd náást het werk vrij geschoffeld worden én die tijd zou dan volgens de experts vooral benut moeten worden om na te denken over zichzelf, de wereld en het grote ‘waarom’. Het ‘Pray’, zeg maar.  Vroeger werden vragen hieromtrent vooral door de verschillende religies beantwoord maar vandaag de dag is de relevantie van het geloof an sich bij veel mensen al lang en breed weggevaagd.  Zoals vroeger de religie voorschreef wat en vooral hoe te denken en wat de zin van het leven was, zo moet en wil men dat nu lekker fijn zelf invullen. En dat is niet makkelijk, levenszin vinden zonder voorgekauwde kerkse lariekoek (zo zie ik ‘t, ieder zijn mening). Daar komt dan ook meteen de ‘love’ om de hoek koekeloeren. Op z’n positiviteitsgoeriaans gezegd: “Liefde, in de vorm van het vermogen om de relevante dingen in het hier en nu zowel bij anderen als bij zichzelf aan te voelen, op te merken én te waarderen en in de vorm van de capaciteit om niet langer simpel voorbij te gaan aan wat is, te laten rusten wat was en uit te kijken naar wat nog kan komen.” En juist dát schijnt heden ten dage steeds opnieuw geleerd te moeten worden…

No love, no life.
’t Is net muziek.

En daarom haat ik positiviteitsgoeroes.
Want hemeltjelief, wás het maar zo eenvoudig.
Gooi die blonde manen in de wind en doe voorrrrrallll wat je moet doen.
En de rest niet. En zo.
Waarom moet ik nu in vredesnaam ineens aan Adam Curry denken…
Sorry Adam.

Keuzegemis

Hé mam… voelde jij je op je tweeënveertigste soms ook zo buiten alles, zo afzijdig als ik?mam
Zo, alsof je iets herkenbaars had moeten kleien van je leven maar dat het nu eenmaal die blobvorm kreeg, die er simpelweg in gedrukt werd?
Hunkerde je ook wel eens naar alles wat zo ontzettend verschrikkelijk uit den boze was? Naar dat wat zeker niet goed voor je was?
En ook naar het ‘wat als’ van al dat, wat je sowieso nooit van tevoren had kunnen weten?

Oh, en mam… heb je ook wel eens gedacht over hoe het was geweest als je dat had gedaan wat je moeder eigenlijk helemáál niet wou?
En vooral ook datgene, wat je pap je ten strengste verboden had?
Denk je wel eens over datgene wat er uit gekomen was, als je pak ‘m beet een halve eeuw geleden nét even anders gekozen had?

Ik mis ze soms heel erg.
Mijn keuzes van toen.
Ik zou ze zó graag nog eens terug zien…

Net niet

Ik stond echt op ’t puntje om weer eens een nieuw leven te beginnen. Dat leven waarin ik zó veel van mijzelf houd. En ook nog van de rest van de wereld.  Waarin ik heel hard fuck you schreeuw en doe wat ik wil. En iedereen omarm. Maar ’t lukte even niet. Nét niet. Alweer niet.

Vanochtend sprong ik uit bed en dacht: ik voel me tóp!! Tot ik plotsklaps dubbelklapte en mijn ingewanden eruit spuugde. Ik hield ’t allemaal even niet meer binnen. Nét niet. Maar het duurde maar heel kort, tot die hervonden tiptop-status.

Vandaag wist jij me zowat te overtuigen dat alles nu weer goed is. Maar het mislukte, net als een te natte rozijnenpannenkoek. En ik blijf zien hoe het er echt voor staat. Kledderig. Klote. Maar helaas.

Ik dacht heel even hoopvol: “je bent dus tóch nog steeds diegene die je was, toen ik dacht, dat ik je kende.” Maar je was het niet meer. Al lang en nét niet meer.

Bijna had ik vandaag zelfs mijn oh zo noodzakelijke werk gedaan en de boel afgemaakt. Maar het ligt hier nog naast me in een rode map.
Het lukte net niet. En morgen is er in dit geval geen nieuwe dag. But hey, we’ve got the night…

Zo’n lelijke, grootse terugval schampte zomaar ineens rakelings aan mij voorbij. Alleen nét niet helemaal. En ik haalde die bocht lekker toch. Met een noodvaart zelfs. Ja, dat net weer wel.

Ik mijmerde over hoe mooi het allemaal geweest had kunnen zijn. Maar dat is het nu ook weer niet geworden. Nét niet. So what. Op naar het volgende wat zo mooi zou kunnen zijn.

Vandaag was het immers óók mijn dag.

Nét niet.

De TupTupclub

Ik durf het bijna niet te zeggen maar ik heb een Tupperware-verleden. Het is ook echt een verleden: het was nooit wat en nu is het al jaren helemaal niks meer. Hier in Oostenrijk zijn allerhande ‘party’s’ heel populair. Je hebt Partylight-party’s (met kaarsen en andere decopruttel), Reinzeit-party’s (allerhande überfantastisch schoonmaakmateriaal en ook etherische oliën), Gonis-party’s (knutsel-/teken-/verfmaterialen), DildoFee-party’s (zegt genoeg), Wenatex-party’s (orthopedische bedsystemen en matrassen) en natuurlijk ook de – volgens mij – oudste in de partycategorie: Tupperware-party’s. Er zijn wel meer verkooppartyvarianten maar op bovengenoemde party’s ben ik allemaal al wel eens geweest. Ik muts. Maar ik moet toegeven: afgezien van het verkoopgedoetje is het best wel leuk. ’t Is net als bij skiën: je gaat stiekem éigenlijk toch gewoon voor het après 😛

Ooit heb ik me echter toch op de één of andere dubieuze manier laten strikken door een vriendin die ook tupperware-hostess was. Het was zooooo goed te combineren met kleine kinderen, het verdiende super (en ik wou wel wat bijverdienen want mijn eigen zaak werpt in plaats van sappige vruchten over het algemeen hier en daar een droge beukennoot af…) Ik kwam in haar hostessengroepje, ging mee naar een aantal verplichte T-bijeenkomsten en ik kan niet anders zeggen dan: wát een idioterie. Een klein beetje sekte-achtig, een zaal met werkelijk óveral het tupperware-logo, kunststof en een stuk of honderdvijftig dames (geen heren… goh, hoe zou dat nou komen) die elkaar op regelmatige tijdstippen toejuichen en strijden om de hoogste groepsomzet. De winnende groep krijgt vervolgens een bups stickertjes (en balpennen… what the…) en bij een x aantal stickers krijgen ze dan een vaag kadootje (nog meer balpennen). Ik moest gelijk aan mijn smiley-systeem voor de kinderen denken. Wat een happiness en wat een groepsgevoel. Alleen voelde ik dat helaas niet zo heel erg (of eigenlijk helemaal niet). Het was me toen al duidelijk dat ik niet geschikt ben voor een T-carrière. Ik naam mijn werkelijk enorme T-tas volgestouwd met T-pruttel met enige schroom in ontvangst,  propte er pro forma een stapel catalogi en bestelformuliertjes in, smeet alles in de kofferbak en scheurde hard weg. En dat was het einde van mijn T-loopbaan want een echte party hosten heb ik uiteindelijk nooit gedaan. Die drie keer dat dat moest (om nog meer T-waar in de wacht te slepen), heeft vriendin dat gedaan en stond ik als hostess op het papiertje. Dat was echt lief van haar, maar natuurlijk kreeg zij daardoor ook een fonkelnagelnieuwe T-auto onder haar achterste geschoven waarmee ze van party naar party mocht tuffen. Ik moet wel toegeven dat de tupperware-artikelen zelf écht hartstikke goed en duurzaam zijn. Maar ze zijn ook reteduur (en ik ken de marges…) en het is en blijft – hoe je het ook draait of keert – kunststof, niet bepaald mijn favoriete materiaal op deze aarde. Maar wel mooi en onkapotbaar kunststof. Dat wel.

En nu, nu gaf mijn buurvrouw dus zomaar ineens een T(ea)-party. Nadat ik het twee jaar succesvol uit mijn leven heb weten te weren, was de T ineens back. Buuf had, wetende van mijn licht tot matige T-allergie, in de SMS-uitnodiging van midden december heel geheimzinnig “verrassingsparty” geschreven dus ik hoopte lange tijd op een lingerie-party (die heb je ook en daar was ik nou nog nooit, lijkt me best geinig en de lingerie die ze dan verkopen is werkelijk waar om je vingers bij af te likken) of nog beter: een dildo-party (da’s sowieso altijd lachen-gieren-brullen), maar woensdag ervoer ik dus wat me echt te wachten stond. Weigeren kon ik niet want buurvrouw was ook op alle party’s die ik ooit in een vlaag van verstandsverbijstering gehouden had (welgeteld vier: twee keer Tupperware, één keer Gonis, één keer Partylight). Dan bak je een taart, zet je thee, koffie, wijn, sekt en een bak chips op tafel en dan komt de desbetreffende hostess jou en je medeslachtoffers vertellen wat je voorrrralllll allemaal moet kopen omdat het nu zo gewéldig in de aanbieding is.  Dat duurt een uurtje of anderhalf, moet je even doorheen. De rest van de avond is dan wel leuk.

Gisteren viel het echter heel erg mee. Het meeste van de T-waar heb ik al lang (tja…), ik heb wat vervangende onderdelen (je verliest wel ‘ns wat hè, en ik vrees dat de meeste missende onderdelen ergens in de biobak beland zijn :-S ) weten te ritselen, en gezien het feit dat ik geen alcohol meer gewend ben, kwamen de twee glazen rode wijn behoorlijk goed aan en vond ik alles best. Ik heb het bestelformuliertje natuurlijk nog hier thuis liggen, ter plekke bestellen is nooit een goed idee. De dame pakte na haar verhaaltje haar roze mega-T-tas op rolletjes weer in en kletste vervolgens gezellig mee in onze ronde van acht. Ze deed nog een magere poging om mij terug te winnen voor het T-bootcamp maar die dagen zijn vervlogen nadat ze er nooit geweest waren.

Ik heb genoeg duur(zaam) Tupperspul. Mijn kinderen hebben straks in ieder geval een leuke, onbreekbare erfenis.

Tupper

Blijkbaar titelloos

If you want to touch the past, touch a rock.
If you want to touch the present, touch a flower.
If you want to touch the future, touch a life.

Die quote las ik vandaag. Geen idee wie dat ooit zei (“Unknown“) maar deze quote fascineerde me. Eenvoudig en zo waar.  Een zwerfkei, keigevormd door het grote verleden, soms eeuwenoud. Een bloem, die nu bloeit, maar morgen misschien al verdord is. Maar als je iemands leven echt raakt, dan raak je de toekomst. De toekomst van diegene maar ook die van jou. Je beseft dat dit de dagen zijn, de dagen dat je je eigen toekomst maakt. Door simpelweg een ander persoon deel ervan te maken. Door te raken.

Maar soms moet je, juist om die toekomst te kunnen blijven voelen, je handen weer langzaam van bepaalde personen aftrekken. Niet meer aanraken. Laten gaan om te blijven (be)staan. Ik heb dat, en dat besef ik nu, in de laatste jaren veel gedaan. Ik heb bepaalde levens geraakt. Dat vermoed ik althans. Nee, ik hoop het. Maar ik heb ook velen zowel gewild als onvrijwillig laten gaan. Ook dat is toekomst.

Op dit moment is er weer zo’n punt waarop ik tot de conclusie kom en ook accepteer, dat ik bepaalde mensen en ook bepaalde dingen simpelweg moet laten gaan. Ik zal ze missen. Ongetwijfeld. Maar levens collideren én divideren. Het bestaan is net een botsauto. Soms botst het en voelt het goed. Dan grijns je elkaar aan en denkt: “Ha! Dát was leuk. Nog een keer!” En met een beetje geluk is de tijd nog niet om en mag je dan ook nog even verder rondkarren. Maar soms knal je ineens tegen iemand op en voel je enkel nog de nekslag. Maar botsen zal ‘t.

Ja, ik ben bang om op deze manier te moeten verliezen. Maar ik zal nooit berouwen, iemand in mijn leven gekend te hebben. De juiste mens geeft je geluk en acceptatie. De minder geschikte mens geeft je tenminste ervaring. De allerslechtste leert je een les. En de allerbeste geeft je herinneringen. Ook al gaan ze daarna toch weer hun eigen weg. Niemand is ooit zinloos…

Let it be.
It wasn’t meant for me.
I’ll let you go.
So we can both be.
We will let it rest.
Then I will see you and
you will finally see me…

Doet me ineens denken aan een song van 10.000 Maniacs…

Let me be. Let me close my eyes.
Don’t talk. I’ll believe it.
Don’t talk. Listen to me instead.
I know that if you think of it.
Both long enough and hard

The drink you drown your troubles in
is the trouble you’re in now...
(10.000 Maniacs – Don’t Talk)

Hoe treffend was dat.

Was.

Bucket List

Bij blogster Sandra de Koning – vd Pol stootte ik een tijd geleden al op haar opmerkelijke en vooral interessante Bucket List. Zo’n lijst met dingen die je ooit nog in je leven wilt doen voordat je de aardkloot eens van de binnenkant gaat bekijken (oftewel: ‘hit the bucket’ in het Engels). Geïnspireerd door Sandra voelde ik nu ook de behoefte om zelf eens zo’n lijst te maken. Waarom? Omdat je dan wat beter na gaat denken over wat je nog wilt in en van het leven. De grote dingen, maar ook de kleinere to-do’s. Er is zelfs een film namens ‘The Bucket List’ die hierover gaat, misschien moet ik die eerst maar eens kijken. Ter inspiratie. Een levenswensenlijst. Een dingen-die-ik-echt-nog-gedaan-moet-hebben-voordat-ik-de-pijp-uit-ga-lijst dus. Oh en ik weet het hoor, het klinkt als een actie voor een rasechte midlife crisislijder, maar geef toe:  het is wél leuk om na te denken over je eigen grote (en minder grote) wensen en things to do.

Er zijn een hele hoop dingen die ik al gedaan heb: kinderen krijgen (wel twee), in het buitenland werken (vele malen, zelfs een keer meer dan een jaar lang in Zwitserland), naar Israël reizen (gedaan voor mijn scriptieonderzoek), naar Australië (op mijn 16e, naar de World Jamboree), Tina Turner met Kim Wilde in één kapsel verenigen, trouwen (pas één keer gedaan maar dat loopt tot nu toe dan ook nog steeds redelijk tot goed), studeren (ook maar liefst twee keer), mijn klasgenoten van de lagere school weer zien (afgelopen zomer, na 30 jaar, hadden we daadwerkelijk een reünie!), zweefvliegen (vorig jaar april, wat een ervaring – valt hier te lezen: “I believe I can fly“), emigreren (been there, done that: weliswaar binnen Europa, maar toch), mijn duikbrevet halen (heb ik in 2000 gedaan, sindsdien nooit meer gedoken 😦 ) en nog een hoop dingen die me nu even zo snel niet te binnen schieten.

En er zijn dingen die ik weliswaar heel graag wil doen maar die echt nooit (meer) iets zullen worden, zoals een keer naar de maan vliegen (in het echie dan hè, niet figuurlijk, maar ik kan me niet voorstellen dat dat in mijn leven nog iets gaat worden), een marathon rennen (of dan tenminste een halve. Dat wil ik al heeeeeel lang, ik heb tijden lang hard gelopen, tot 10km, maar elke keer brak het me op en gingen mijn knieën verder achteruit. Nu is dat met mijn volledig kapotte knieën daadwerkelijk een utopie geworden: ik mag niet meer hardlopen van de dokter) en ik zou ook zo graag de puinzooi in Fukushima opruimen en repareren voordat we er allemaal aan creperen, maar ook dat ligt niet in mijn vermogen helaas. Daarom doe ik maar alsof de wereld nog even doordraait én ook minstens nog een paar jaar bewoonbaar blijft en denk na over de dingen die ik nog eens zou willen doen. Ik spreek met opzet niet over wat ik zou willen hebben (een Galaxy Tab 3, een Wii, een Porsche 911 cabrio… ), dat is materialistisch en volledig zinloos want als je het eenmaal hebt, wil je toch weer wat anders. Als je dingen uiteindelijk daadwerkelijk gedaan hebt, kan het hooguit zijn dat je het nóg een keer wilt doen, en dat is dan een terechte wens in mijn ogen. Ik heb er trouwens vanzelfsprekend een hoop ‘klassiekers’ en clichés bij zitten, dat krijg je nu eenmaal als je na gaat denken over dit soort dingen.

Bij deze.
In random order.

1. mijn kinderen als gelukkige c.q. met hun leven tevredene volwassenen ervaren (duurt nog een tijdje voordat ik deze af kan strepen, ik weet ‘t, maar het is een belangrijke).
2. naar Nieuw-Zeeland reizen (daar zijn mijn paps en mams namelijk op dit moment en nu wil ik, verwend nest, daar ook een keer heen)
3. letterlijk op de kast zitten (en dan op zo’n grote ouwe, houten linnenkast. Eerste vereiste daarvoor is wel bucket list item nr. 4…)
4. nog één keer een volledig normaal postuur hebben (niet reteslank, gewoon een ‘gezond BMI’. Wordt aan gewerkt, voor de tigste keer. En ja ik weet ‘t, ik ben goed zoals ik ben, maar ik wil het tóch)  en dan ook houden natuurlijk… (maar ik streep ‘m af als ik ‘normaal’ ben. Nog 20 kilo to go…)
5. koffieleuten met FB-vriendin I.
6. parachute springen (ehm, een tandemsprong dan hè, ik wil daarna nog verdere punten van mijn bucket list weg kunnen strepen en met mijn knieën krijg ik zelfstandig vast geen normale landing voor elkaar :-/ ).
7. op bezoek bij FB- en blog-vriendin N.
8. kamperen met de kinderen (we hebben al jaren álles in huis om te kamperen, alleen doen we het niet…)
9. met dames-midlife-crisis-vakantie in een luxe resort met vriendinnen H. en H.
10. een keer in elk werelddeel geweest zijn (Europa, Australië, Azië (Israel/Bombay/SingaporeTokyo), Noord-Amerika (USA) en Afrika (Egypte) kan ik afhaken. Zuid-Amerika en Antarctica to go…)
11. een stedentrip Moskou (liefst met vriendin C.)
12. sushi eten met vriendin K. (my treat hè 🙂 )
13. mijn 9120-stukjes puzzel – de toren van Babel van Breughel – leggen (en ook afmaken)
14. nog een keer naar een P!NK-concert (een ‘moetje’; ik móet haar nog een keer zien, mijn absolute idoolvrouw)
15. een buitenmuur vol (mooie!!) graffiti sprayen (eerst een cursus doen dan)
16. een bestaand record breken (lokaal, nationaal, wereldwijd, whatever)
17. een eigen schilderij voor meer dan €200 verkopen (tot nu toe heb ik ze enkel succesvol weg kunnen geven)
18. een boek schrijven (oww mén, hoe cliché… maar ik denk dat dat er nog wel een keer van gaat komen). Oh, én uitgeven. Dat ook.
19. mijn onzekerheid voor de volle 100% killen (kan ik dat…, durf ik dat…, en dan…)
20. nog een keer met Christie naar een Bon Jovi-concert
21. een kleine tattoo laten zetten (sorry, sorry mams… ik weet dat jij dat hé-le-maal niks en echt vreselijk vindt, maar ik wil het echt heel graag en ik ben nu eenmaal een volwassen deerne en en en… en je zult er niet veel van zien, beloofd) (durf ik dit te zeggen…) (oei…)
22. professionele zangles nemen (uhm, beter gezegd: krijgen – ik sta op de wachtlijst…) en dan ooit een keer voor publiek zingen (soooooo scary)
23. goed kunnen drummen (tot nu toe is dat bij Kinderkram  en op liedjes meerammen gebleven)
24. … en mijn gitaar weer enigszins acceptabel kunnen bespelen (oefenen, oefenen, oefenen)
25. een helikoptervlucht maken (lijkt me waaaaanzinnig)
26. een keer diepzeeduiken (het diepste tot nu toe was 25m, ik wil minstens naar de 50m)
27. mijn ouders spontaan verrassen
28. Spaans leren (ooit een paar jaar Spaans op de HEAO gehad, maar daar is verrekte weinig van blijven hangen)
29. naar Stonehenge en daar rond dansen in mijn zelf op de grond getekende triquetra
30. mijn huis uitmesten (en wel: de keukenkruidenla, de apothekerskast in de keuken, de medicijnkast in de badkamer, de berging, de zolder, mijn klerenkast en de kelderkasten – kan ik dan per item afstrepen)
31. het speelgoed van de kinderen (grotendeels) verkopen (maar dat mag nu dus nog niet.  Eeeeeven wachten nog…)
32. succesvol ‘vergeten groenten’ telen in de tuin (Ik heb al pogingen gedaan, maar die zijn nog niet echt wat geworden)
33. de fotoalbums van de jaren 2010 t/m 2013 samenstellen en af laten drukken
34. alle niet digitale foto-, kaarten- en herinneringsspul (hele ikea-bak vol) ordenen en inplakken
35. tachtig baantjes van 25m in één uur kunnen zwemmen (borstcrawl). Nou ja, ik ben met zestig ook tevreden (ik heb de 50 al gehaald) maar ‘twee kilometer’ klinkt zo mooi…
36. een relevante ontdekking doen (voor wie dat dan relevant is, dat beoordeel ik t.z.t. zelf)
37. een eigen (liefst internetgebaseerd) business idee uitwerken en realiseren (ik geef ’t toe, ik ben mijn huidige business behoorlijk zat, geen uitdaging meer)
38. zonder angst mijn (eh… ‘een’) smartphone rooten
39. een volledig eigen schilderstijl ontwikkelen (tot nu toe schilder ik vanalles en nogwat, van portretten tot nageschilderde dingen, van muurschilderingen tot zentangles, maar er zit absoluut geen lijn in)
40. bij een (pop)koor zingen
41. een armband van zelf gedraaide glaskralen maken (al eens een cursus gedaan, zulk prachtig werk…)
42. in een discussie/onenigheid met mijn man ooit eens een keer gelijk hebben (dat moet toch een keer lukken??)
43. met de kinderen naar Eurodisney Parijs (en dan ook een paar dagen in Parijs blijven) (man mag ook mee trouwens)
44. met mijn zus een superdooper luxe wellness-weekendje doen
45. nog een keer succesvol triops kweken (een hobby die weliswaar in meerdere aquaria ontaard is, maar de triops zijn er bij ten onder gegaan)
46. het aantal interne persoonlijkheden reduceren tot drie (well, who am I gonna kill…)
47. mijn bootring-hartenketting repareren en voorzien van het hartje dat ik van zoon gekregen heb
48. met mijn Dremel-dinges een paasei-kunstwerk maken
49. de komeet Ison in december dit jaar voorbij zien vliegen (moet heel spectaculair gaan zijn, zo fel als de volle maan).
50. de nu nog zwarte salontafels bordeauxrood spuiten
51. een nieuwe bank in de woonkamer kopen
52. van mijn in Italie verzamelde mini-schelpjes een mooie ketting of armband maken
53. mijn bucket list updaten en met meer realistische dingen aanvullen (makes it a neverending story 😛 )

Ik vind ’t voor nu wel genoeg. Nee nee, een cursus kunstgeschiedenis zit er niet bij. Ik vond Spaans wel voldoende voor deze middenlevenscrisis. En dan heb ik natuurlijk nog enkele dingen die ik niet in het openbaar neer kan en wil zetten hè, maar die -eh- ‘donkerzwarte’ levenswensen blijven toch echt bij mij en bij mij alleen 😛 (Nee, echt, sorry, smeken helpt ook niet). De lijst is dus ook niet eindig (zie punt 53); er komen vast nog een hoop nieuwe list items bij en ooit zal ik er misschien wel een paar weg kunnen strepen. Maar het is me nu in ieder geval duidelijk geworden dat ik nog heeeeeel lang moet leven, zo lang dat ik nu nog geen midlife crisis kán hebben omdat ik nog niet op ’t midden kan zijn als ik ook echt alles wil doen wat ik blijkbaar nog wil doen.

Hatsjikideeeee!

Zwemleed

Maaiende armen, uitslaande benen, boze blikken, blauwe schenen. Sinds een paar weken ga ik op maandagochtend zwemmen. Het is op dit moment zo ongeveer de enige sport die ik nog kan beoefenen met die verrotte knieën van mij en het is gewoon goed voor me. Het enige nadeel is dat ik a) op maandagochtend nu dus standaard in de file sta want het ‘vroegzwemmen’ is van 7 tot 9 am en om die tijd willen mensen normaal gesproken naar hun werk. En het b)-nadeel is dat ik tussen de bejaarden door moet harken.

Dat laatste kan ik inmiddels – beweer ik met gepaste trots – behoorlijk goed. Ik heb mezelf een redelijk ‘rustige’ en minimaal spetterende crawl-stijl aangeleerd en ik maak hier en daar een praatje met de ouwetjes om ze goedgezind te stemmen. Zo zwemt er een oud rimpelig mensje in knalrood badpak – ze ziet eruit als een doelloos ronddrijvend roma-tomaatje met armen – standaard op haar rug. Op zich geen probleem, ware het niet dat ze haar armen niet in zwemrichting beweegt maar in een hoek van 90° op haar bolle lichaampje op en neer peddelt en daarbij ook nog eens als een Aïda-lookalike het halve bad door kruist. In eerste instantie ergerde ik me daar ook mateloos aan, maar ze is een lief mensje, ze kan niet anders en ik duik er wel onder door als het nodig is. Vindt ze prima. Een minstens vijfentachtigjarige kale knakker zwaait altijd gelijk als ik binnen kom: ik mag wel in zijn baan zwemmen. Lief, maar ik blijf lekker bij mijn rooie cruiseschipje. Die zwemt zo langzaam dat ik daar volledig berekenend omheen en onderdoor kan. Bij die knakker vermoed ik daarentegen andere motieven.

zwembadwaterZigzaggend trek ik zo mijn baantjes. Het gaat ook duidelijk vooruit met mij: in het begin zwom ik vijftien baantjes in het vijfentwintigmeterbad en vond ik het wel ju. Vandaag heb ik er al zesendertig gezwommen. En volgende week zwem ik er veertig. Da’s dan wel mooi een kilometer! Plus de nodige beentraining aan de rand van het bad. Ik zwem. Zij zwemmen. Wij zwemmen. Gestaag en redelijk harmonieus maaien we gezamenlijk het bad door.

Tot er ineens een overmatig gespierde, hevig behaarde man – ik schat ‘m een jaar of vijfendertig – met nogal krap speedo-broekje (ja, ik let op dat soort dingen) en dito badmuts op de badrand staat en met vol geweld tussen ons bejaarden duikt. Hij zwemt zo agressief dat de ouwetjes verschrikt midden in het bad blijven hangen. Eén krijgt een mep tegen de elleboog, een ander verslikt zich in het opspattende water. Ik krijg terloops nog een wappertrap tegen mijn schenen. Hij maakt aan het eind van zijn baantje van die professionele duikeldraaibewegingen om zich dan hard tegen de rand af te zetten voor de retourreis. Dat kan op zich een heel gracieuze beweging zijn maar deze aap maait zo hard met zijn benen dat er bij elke draai een fontein van minstens tweehonderd liter badwater over de rand zwiept.

Rode oma vlucht naar de kant, kijkt mij wanhopig en hulpbehoevend aan. Eh… tja. Ik kan die man moeilijk zeggen dat hij hier niet mag zwemmen. Maar een beetje rekening houden met het andere, deels dobberende zwempubliek zou niet weg zijn… We praten even, over de “Rücksichtslosigkeit” van de jeugd van tegenwoordig, gheheheh (en ondertussen voel ik me stokoud). Ze moet duidelijk haar frustratie-ei even kwijt. Ik ginnegap dat het zwembad, als die kerel nog even zo doorzwemt, zo meteen sowieso leeg is. Ze kijkt enkel ietwat bedremmeld. Aangezien wij allemaal aan de kant hangen te koekeloeren, ziet meneer dat het zwembad nu redelijk mensenvrij is en begint abrupt met zijn vlinderslagtraining. Ik kijk naar Romaatje met een blik van: “Zie je wel! Al bijna leeg!” en zie nu tot mijn grote vreugde dat de badmeester op hoge poten naar de vlinderman loopt. Zo gauw die bij de rand aangekomen is, tikt hij hem niet al te zacht met zo’n zwemstang op zijn hoofd en zegt: “SO NICHT!!!” Vlinderslag mag namelijk alleen in de afgescheiden snelzwembanen, niet tussen ons sloomzwemmertjes door.
“Maar die banen zijn allemaal bezet!”
“Dan heeft u pech gehad; moet u maar wachten. Maar op deze manier zwemt u alle anderen hier overhoop”, waarna de badmeester met grote stappen en een norse blik weer weg beent.

Wij kijken allemaal vergenoegd en breedgrijnzend naar de nog nasputterende man, die zich vervolgens nergens iets van aantrekt en stoïcijns doorgaat met terreurzwemmen. Alleen niet meer in vlinderslag. Een mini-overwinning. Hopelijk gaat hij volgende week ergens anders fladderen.

glibberzen

Vandaan heb ik iets gedaan wat ik veel te zelden doe. Ik heb mezelf verwend én uitgebreid laten verwennen. En het was heeeeeerlijk.

Nee. Niet op de manier waaraan u nu denkt. Nee, nee, echt niet. Of misschien ook wel.

glibberzen2glibberzen1

Om kwart over zeven had ik de hele familiekudde de deur uit gewerkt, zoals gebruikelijk op een doordeweekse dag. Met een kopje koffie in mijn badjas – echt koud was ’t namelijk niet – naar buiten gehobbeld om naar de optrekkende mist en de opgaande zon te kijken. Wat schetst mijn verbazing: een prachtige regenboog. Om half acht ’s ochtends!! Wat foto’s gemaakt van al dat moois en toen maar ‘ns aangekleed. Want ik had een afspraak op ’t lichamelijke vlak 🙂

glibberzen3

Kort voor negenen loop ik met een grote tas de deur uit en rij naar ‘de grote stad’. Eerst een koffie en een bagel in het cafeetje naast het zwembad, in alle rust. Als ik de hal binnenkom, merk ik dat ik veel te vroeg ben: het zwembad gaat niet om negen maar om tien uur open. Fijn dan. Ik ga op de trap zitten en kijk wat rond op facebook (en lees dingen die ik al driekwart jaar geleden had moeten lezen, maar tja, doe alles ‘ns gelijk goed hè) terwijl de horde bejaarden me achterdochtig aankijkt. Ik behoor duidelijk niet tot de standaard zwemklandizie op dit tijdstip. Kan mij ’t bommen. Zwemmen is ook goed voor míj. Toevallig. Ik heb óók krakkemikkige botten. Toevallig.

Eenmaal in ’t water begint het gevecht met de rugzwemmende, nietsziende én nietsontziende ouwe knakkers en knakkerinnen pas echt. Ik zet mijn brilletje op en zwem zonodig onder de meute door. Aangezien ik geen schoolslag kan (vanwege mijn knie, zijwaartse bewegingen zijn klote) crawl ik alleen en dat vindt men ‘not done’ want dat spattert te veel. Je hoort ze denken: “die racende veertigers van tegenwoordig…”. Na vijftien baantjes en de ‘verplichte’ beenworkout verlaat ik hun element en droog me af. Want nu komt het relaxgedeelte: een algehele lichaamsmassage. De helft ervan heb ik vorige kerst van man kado gekregen als tegoedbon en in december is die bon niet meer geldig (ik wist niet dat dat nog mocht tegenwoordig, tegoedbonnen met maar een jaar geldigheid…) dus moest het er een keer van komen. En wel nu.

Ik ben geen mens voor professionele lichaamsfriemelarij (wel voor iedere andere friemelarij trouwens). Ik ben wel eens een keer of twee naar een schoonheidsspecialiste geweest. Eén keer naar de pedicure (nooooit weer, vreselijk). Manicure enkel eens door een vriend laten doen (vind ik ook niks). Massage was tot nog toe altijd doelgericht: vanwege gruwelijke rugpijn of lymfedrainage voor mijn knie. Een totale lichaamsmassage heb ik één keer eerder gehad en dat was in een fase waar ik heel goed (en slank) in mijn vel zat. Nu is dat – op zijn zachtst gezegd – een béétje anders. De redelijk streng ogende massagemadam begint. Ik kijk door het gaatje in de massagebank naar de vloer en denk enkel “oh jee, wat gaat ze doen, wat denkt ze wel niet…” Ik doe mijn ogen maar dicht, de vloer is toch niet mooi. Hawaï-klanken op de achtergrond, aloha-gewauwel, zeegeruis en hoela-hoela moeten blijkbaar voor strand- en vakantiegevoel zorgen. Eerst de rug. Prima. Maar blijkbaar ben ik zo verkrampt dat het meeste best pijnlijk is. Ze werkt langzaam naar beneden (yikes) en mijn benen worden bewerkt. En ik maal aan één stuk door…
“Niet in DIE vetjes knijpen! En in die daar óók niet!!”
“Shit, had ik nou mijn benen nog maar even geschoren…”
“Argh, mijn teennagellak is nog maar voor een derde aanwezig. Zou ze het zien?”
“Mens relax, dit doet ze tig keer per dag, die zíet jouw eelt- en andere bulten niet eens!”
“Ojeeojeee… mijn ellebogen zijn net de Rocky Mountains…”
“Hier moet ik straks echt wel even over bloggen.”
“Niet te hard drukken daar, pleazzzzeeee…”
“Ohw… ah nee hè… daar, ja precíes daar -auw- heb ik een opengekrabt plekje…”
“Blij dat ik net uit het zwembad kom, ben ik in ieder geval schoon.”
“Nou. Daar lig je dan, gekneed te worden…”
“Zou ze mijn borsten ook masseren??” [nee, deed ze niet, pfiewwww]
En in gedachten heb ik dit halve blog ook al lang geschreven.

Maar heel langzaam lukt het. Ik begin te ontspannen. Relaxxxx, woman… Eigenlijk is het best wel heel erg fijn. Ja. Heel erg. En ineens is het vijfenvijftig minuten later. Ze fluistert: “Dankeschön…” Euh… ja… graag gedaan maar moest ik dat eigenlijk niet tegen haar verzuchten?

Ik kleed me aan, bedank en betaal. En ik mompel dat dit wel heel erg aangenaam was en dat ik dit zeker vaker ga (laten) doen. “Ja”, zegt ze, “dat zou ik ook doen als ik u was, want er zit me daar toch een partij stress, kramp en spanning die nog dringend weggewerkt moet worden…” Gohhh, dat had ik nou nóóit gedacht, hè 😛

Op de weg naar huis glibber ik heen en weer in de auto. Mijn handen glibberen over het stuur, mijn billen glibberen in mijn slip, mijn voeten glibberen in mijn laarzen over ’t gaspedaal. Best lastig rijden zo. Maar ik, ik ben nu in ieder geval even hélemaal glibberzen. Gaan we vaker doen.

 

Enjoy the silence

Ja, geniet ervan. Van mijn stilte. Het kan namelijk zo maar ineens weer voorbij zijn. Ik weet gewoon niet meer wat ik moet zeggen en dat komt niet vaak voor. De dingen die mij bezorgen, zijn de mijne, het delen ervan heeft verrekte weinig zin. Ik heb net een heerlijk weekend achter de rug, mijn lieve pap en mam een paar dagen hier. Praten, lekker samen eten koken, in de zon zitten (jaja, het is mooi weer hier), een potje kaarten of samen darts kijken, de geur van versgebakken brood op zondagochtend, een rondje tuin. Simpele dingen die zo veel waard zijn. Dingen waar je je bewust van moet worden, momenten waarvan je je moet realiseren dat ze helemaal niet zo ‘gewoon’ zijn maar juist momenten om te koesteren. De zorgen blijven. Maar raken heel even op de achtergrond.

Ik kan wel weer opnieuw opsommen wat er allemaal in me om gaat maar het heeft geen zin. Het wordt er niet anders van. Ook niet minder. Eerder meer. Hoe vaker je je zorgen oprakelt, hoe meer je jankt. Hoe meer ze aanwezig zijn en bedrukken. Dus dat ‘ogen dicht en door’ heeft wel wat. Ik voeg mond dicht eraan toe.

Zie me zitten. Silence
Ellebogen op tafel.
Ogen stijf dicht,
handen over de oren,
lippen op elkaar geperst.
Ik zie het niet.
Ik hoor niks.
Geen woord van mij.
En ik ben veilig.

Calm as cake.

Paardrijklets

paardkletslesVoor haar verjaardag had dochter een prachtige kadobon voor een ‘eerste paardrijles’ gekregen. Ik wist inmiddels ook al waar: een oude boerderij met paardenstallen en een manage, een goed kwartier rijden hier vandaan. Ik had gisteren gebeld of vandaag oké was en dat was ‘t. Joviale boer aan de lijn: “dan moej miene vrouw hebb’n, die goat over de afsproaken” (en dat dan op z’n Mühlviertlerisch hè). Mundart noemen ze dat. Mund-Art. Dialect. Ik heb er wel een jaartje of twintig over gedaan voordat ik zo’n beetje alles kon verstaan en nog zijn er veel woorden waar ik ineens weer van opkijk. Zo is bijvoorbeeld a neichtl zoiets als ‘een poosje’ of ‘eventjes’, een Bissgurn een ruziezoekende en altijd kijvende vrouw, Gschloder is slappe koffie/bocht en  een Schlampatatsch is een onordelijk persoon (een smeerderk 🙂 ). En zo kan ik nog wel even doorgaan. Op de vrijgezellenavond voor ons huwelijk moest ik van de buren een twintigtal woorden ‘ontcijferen’, anders mocht ik niet met een Oberösterreicher trouwen want dan zou ik mijn man nooit begrijpen. Gelukkig wist ik van het merendeel inmiddels al wel wat het was en met een beetje hulp van man wist ik de rest uiteindelijk ook. Maar van mijn man snap ik nog steeds geen bal. En het blijft elke keer opnieuw een avontuur om met een echte inboorling te converseren.

Zo ook vandaag. Rond kwart over drie komen we de rijhal binnen lopen, geen idee waar we ons moeten melden. Een aardige dame in rijbroek brengt ons naar het woonhuis zodat we kunnen beginnen. De boer des hoeves, ik schat hem op zo’n 75 jaar, zit in de keuken uitgebreid te kletsen met een buurboer. Over paarden en aardappels en de kwaliteit van het hooi. De dame laat ons in de keuken achter en wij wachten braaf tot meneer zich tot ons wendt. Mén wat duurt dat lang. Kort voor half vier merkt hij ineens dat we er nog steeds staan. “Ach jaaa, die Deerne die reiten lernen möchte. Mensch, mei… bist ’n du nu klan…” [“wat ben jij nog klein!”, een zinnetje waar dochter o.h.a. erg pissig van wordt] Er wordt een oude rijhelm tevoorschijn getoverd (one size fits all, one size smells all) en dan gaan we het paard zadelen. Het paard voor dochter heet Relief, zo staat het op de box. Ik dacht “oh. Opluchting, mooie naam, vast voor een rustig paard”. Toen bleek dat het als reliëf uitgesproken werd. Jeujjj… een hobbelpaard…

Relief blijkt wel gehoorzaam en geduldig. De man ratelt aan één stuk door. “Lady, je moet je bips optillen. Rechtop zitten. Paardrijden is geen lolletje, het is een sport, je moet je best doen. Paardrijden doe je met je benen en je houding, niet met je mond. Jij denkt dat je dat allemaal wel even snel kunt, maar zo werkt dat niet. Geduld. In de takt bewegen!! Nee, da’s te snel. Opletten!!” enzovoort. En dat allemaal in zwaar dialect. Dochter verstaat de helft niet maar doet alsof haar neus bloedt en gaat gewoon door. Af en toe zie ik haar even inkrimpen maar dan ook gelijk weer die rug recht en doorrrr. Ze vindt het zelfs leuk, lijkt het.

Na een dik half uur aan de longe rijdt ze op het paard terug naar de stal. Stop and Go kan ze in ieder geval al. Nu afzadelen. Man raakt in gesprek met de boer alias manegehouder. Das war ein Fehler… De man houdt niet meer op. Over werk en écht werk. Over alle managementfoezzies die overbodig zijn, de wereld heeft techneuten en paardrijders nodig. Het liefst paardrijdende techneuten. Die krijgen tenminste iets voor elkaar. En of boer huppeldepup in Schweinstein nog een tractor zus en zo heeft. Wat man doet voor werk. “Euh, leraar en techneut”. Aaaaah je ziet het boerengezicht opklaren. Een techneut! Helemaal goed. Kan man ook nog paardrijden? Nee. Oh. Da’s weer minder. Dochter gaat met een ander meisje mee, kijken hoe die paard rijdt. Ik versta alles wel maar ik ken al die boeren uit de omgeving niet én ik ben geen techneut dus ik sta er een beetje naast te dreutelen. Uiteindelijk, na een dik half uur mühlviertlerisch geratel, zegt hij ineens: “Oh ja. Betalen.” Man ziet z’n kans schoon en gaat snel kijken waar dochter uithangt. Ik ben de pineut en moet mee naar de keuken uit het jaar 1873. Betalen is mijn zaak blijkbaar. Oh wat zijn we heden blij…

De keuken is al een belevenis op zich. Een plafond waar ik bijna m’n hoofd stoot, een rioollucht van heb-ik-jou-daar, scheef hangende houten kastjes waar een houtworm nog geen droge spaander in zou kunnen vinden. Een eveneens eikenhouten kruis (mét Jezus eraan, natuurlijk) van bijna een meter lang aan de muur met een twintigtal overlijdensadvertenties sierlijk er omheen gedrapeerd. En een ouderwetsche spaarlamp boven de tafel. Mocht ook niet ontbreken natuurlijk. Gezelligheid ten top. Manegeboer gaat op de hoekbank aan tafel zitten en kijkt me ‘ns aan. “Du bist ja eh ned vo do, oda??” Nee, ik ben niet van hier. Ik kom uit Nederland. “Aaaaahhhh!!! Holland!! Na da muaß I di woas vazöhn.” [dan moet ik je even wat vertellen – Red.] Ik wíst het: ik had gewoon moeten zeggen dat ik doofstom ben. Niet van Nederland, ik stomme koe.

En daar gaat-ie weer.
Over zijn feestje in 1968 in Nederland. Zes Nederlanders en 3 Oostenrijkers. In Lelystad, dat toen net gebouwd werd volgens hem (klopt ook nog geloof ik). Er was net een café open en daar zaten ze, de bierzuipende Oostenrijkers met die drooggelegde Nederlanders. En met allemaal een 0,3l limonadeglaasje (“ein fluuu-ietje, whaahahaha“) pils voor hun neus. Waar ze dus ook met zijn zessen danig op keken, op die neus. Of de waard geen fatsoenlijk glas had. Nee, alleen dat ene 2-liter-sierglas van het Oktoberfest op een plank aan de muur. Nou, kom maar op dan, met dat glas. En die slappe pils, die drink je in één keer op. Ook twee liter. En nog een keer twee liter. En nog een keer. En die Nederlanders maar kijken. Oh en jemig, die Nederlanders zijn zoooo groot, hè!! Alle mannen zijn minstens twee meter. Hoe lang ben jij eigenlijk?? Ook wel minstens 1,90m hè? [euhh… nou euhh, ik ben wel groot maar niet zó groot]. Komt door al die overbemesting daar. Alles wordt megagroot. Mensen, Kartoffeln… Wel 200 liter pure mest per vierkante meter. In Oostenrijk is dat maximaal 80 liter. En dan krijg je zúlke Kartoffeln hè [zijn handen ongeveer 30cm uit elkaar houdend om ons hollands formaat aardappels aan te duiden] – allemaal voor die Kartoffelchips want daar heb je grooooote Kartoffeln voor nodig. En die grond daar in de polder, die is allemaal van de gemeente, en dan moeten de boeren wel duizend D-Mark (“Jullie hebben toch ook D-Mark??”) per maand aan pacht betalen en dan is het enige wat nog rendabel is, Kartoffeln. Hahahahaha…

Enzovoort. Godsamme ik moet naar de WC… en ik wil naar huis… hoe kom ik hier weg… Ineens houdt hij heel even op omdat zijn zoon binnen komt wandelen. Geen idee hoe die heet, ook Josef vermoed ik (aangezien drie van de vier Oostenrijkse mannen Josef heet: de vierde heet Heinz), maar in ieder geval heet-ie óók “mijn reddende engel”. Ik vraag snel hoeveel ik manegeboer verschuldigd ben. Veertien euro. Huh… aan de telefoon was het nog dertien. Nou ja, so what. Met deze man ga ik niet nóg eens in discussie, zeker niet over één euro. Ik leg het bedrag op tafel en wil hem bedanken, maar hij ratelt nog even door over de paarden, over dat dochter vooral geduld moet hebben (nou, dat leert ze bij hem vást wel, dat geduld hebben…) en niet te snel moet willen. En dat ze niet zo veel moet praten (mijn mond valt héél even open). En dat dit allemaal nog langgg geen paardrijden is maar gewoon wat rondhobbelen. En dat ze maar gauw weer moet komen. En oh ja. Veertien euro. Ik weet er tussenin te brengen dat mijn zoon alleen thuis is en ik nu écht weg moet maar dat we binnenkort zullen bellen om een nieuwe rij-afspraak te maken.

Ik vermoed over een jaartje of veertien.

Honger

Ik heb honger…

In levens als de mijne bestaat er niet zoiets als échte honger, dat weet ik. Maar ik heb honger. Grommende, misselijkmakende lichamelijke honger (geestelijke honger  vanzelfsprekend ook, maar da’s weer een ander hoofdstuk). Ik heb al veel vaker over mij en mijn eeuwige strijd tegen de kilo’s geblogd. Ik heb echt alles al gedaan en uitgeprobeerd, ook de minder appetijtelijke, minder lovenswaardige en minder aan te bevelen diëten. En elke keer verval ik na verloop van tijd weer in de “fuck it all”-modus. Met ondanks alle intensieve afvalpogingen toch eeuwig uitblijvend resultaat sinds ik de veertig gepasseerd ben, is mijn motivatie zo groot als een van het zich delen nahijgende bacterie.

Ik ken mijn fouten en gebreken. Ik weet waar ik de mist in ga. Ik weet wat ik moet veranderen en hoe ik het zou moeten doen. Het enige probleem is: dat geheel langer volhouden dan zes weken. Want daar zit ‘m de kneep: hoe erg ik ook mijn best doe, na een goede maand krijg ik steeds weer nog steeds nul op ’t rekest.  Niks eraf. Ook geen centimeters. Na een week of zes is er dan eventueel, met een beetje geluk, iets te zien op de weegschaal. En die week of zes haal ik niet… ik haak steevast voor die tijd af en slip weer in de allesvernietigende f.i.a.-stand.

In mijn hoofd ben ik een slank mens. Sportief ook trouwens. Maar aan de buitenkant zie je daar allemaal dus geen bal van. Hoewel veel mensen zich niet voor kunnen stellen dat ik daadwerkelijk zoveel weeg als ik doe. Dat komt doordat ik groot ben en een – de onderkin even buiten beschouwing gelaten – redelijk ‘slank’ gezicht heb. Maar ik heb een duidelijk ongezond BMI… Nou kan dat BMI me gestolen worden want op zich ben ik een heel gezond mens: mijn bloedwaardes zijn prima, mijn hartslag ook. Ik beweeg best veel en sport ook regelmatig (spiertraining, fietsen (ja echt, ondanks alles doe ik dat) en minstens 1x per week loop ik zelfs hard op de loopband in de kelder. Alleen zie je van al die inspanning echt helemaal nulkommaniks. Ik ga al sinds twee jaar twee keer in de week naar de vibrogym (powerplate-fitness, spiertraining, googelt u zelf maar). Op het raam van de studio staat: “in 30 minuten naar uw droomfiguur” (in het duits dan hè). Nou, ik heb het nagerekend: in die krappe 6000 minuten die ik al op dat ding heb gestaan, is er nog geen lijntje of bochtje veranderd in dat figuur van mij. Nou ligt dat dus niet aan de powerplate (dat is een geweldige training, ik wil niet weten hoe ik er zonder die tweewekelijkse sessies uitgezien had) maar deste meer aan mijn eet- en drinkgewoontes, die ik er maar niet uit kan rammen.

Maar goed. Het moet. Ik wil zoooooooooooooooooooooooooo graag slank zijn, dat kunt u zich niet voorstellen. Zo graag. Ik wil me goed voelen over mezelf. Mezelf mooi vinden. En vooral ook: mezelf durven laten gaan… Dat durf ik dus nu niet. Omdat ik me regelrecht schaam voor mijzelf. Hoeveel mensen me ook zeggen dat ik prachtig ben, dat ik prima ben zoals ik ben, dat ik tevreden moet zijn met mijn uiterlijk: het werkt niet. Ik ben niet tevreden met mijzelf en dat merkt ieder ander ook. Dus moet ik er toch zelf wat aan doen.

En daarom heb ik honger. Mijn maag bromt, knort, gromt. Mijn hersens hebben zin aan een heerlijke Hugo met limoen en munt op het terras. Mijn mond watert bij ’t zien van een ijsje. Maar ik ga vanavond toch maar weer op de hardloopband staan… Ze zeggen dat het eerste wat je verliest met een dieet, je goede humeur is. Nou, dat kan ik bevestigen. Ik word al creatiever in het vloeken en het werkt ook duidelijk sarcasme- en cynisme-bevorderend.

Ik wil de plakken vet er daadwerkelijk wel eigenhandig vanaf snijden maar dat staat ook weer zo verhipte slordig en bloederig. Dus doen we het maar weer ‘the old way’: HMV en dubbel zoveel sporten. Tot ik er bij omval. In dat geval zult u me maar zo moeten nemen zoals ik ben. Dik. Dan val ik uiterlijk wanneer ik tussen zes planken lig, alsnog wel af.

Wanna be good

Let me be good to you goedgenoeg
Sit in your easy chair
What you want
I’ll bring it there
Even good can be better
Here’s my love
on a silver platter
Take it all, and
Let me be good…

Een paar zinnetjes van een songtekst van Otis Redding.
Over iets wat mij continu bezig houdt.
Die innerlijke drang om gewoon ‘goed’ te zijn.
Het maakt dat ik heel vaak hoor: “zeg ook eens NEE?”
Dat ik heel goed ben in veel teveel willen.
Dat ik altijd bang ben dat ik dingen verkeerd zeg.
Dat ik dingen eruit flap die ik éigenlijk voor me had moeten houden.
Dat ik iets heel belangrijks vergeet.
Dat iets totaal verkeerd overkomt.
Dat ik niet genoeg aan iemand denk.
Dat ik niet tactvol genoeg ben.
Dat ik niet genoeg steun geef.
Dat ik niet voldoende waardeer, wat ik heb.
Dat ik niet aan bepaalde verwachtingen voldoe.

De onzekerheid groeit met de dag en wordt uiteindelijk een monster.

Goed genoeg zijn, ook al doe ik even helemaal niets.
Goed genoeg zijn, ook al verdien ik een berg kritiek.
Goed genoeg zijn, ook al ben ik tien (twintig?) kilo aangekomen.
Goed genoeg zijn, ook al weet ik niet altijd alles wat ik zou moeten weten.
Goed genoeg zijn, ook al heb ik me compleet lam gezopen.
Goed genoeg zijn, ook al heb ik werkelijk hartstikke ongelijk.
Goed genoeg zijn, ook al kom ik soms niet uit mijn woorden.
Goed genoeg zijn, ook al hoor je soms mijn gierende zenuwen.
Goed genoeg zijn, ook al wil ik mezelf soms compleet verdoven.
Goed genoeg zijn, ook al ben ik af en toe bezitterig en jaloers.
Goed genoeg zijn, ook zónder jou…

Alanis Morissette zong ’t ook al zoiets. Precies zoals ’t voelt.

But once you are good enough for others, you will finally be good enough for yourself as well…

Nou dat hopen we dan maar.

If only I could be good…

.

.

_________________________________________________
PS…
De eerste versie van dit blog schreef ik – volgens de revisielijst – al 227 dagen geleden. Zeventien revisies later had ik het nog steeds niet gepost. Nu, bij nummer 18, dan eindelijk wel. Maar het is dus  wel duidelijk dat dit een diepgaand blog is: dit zit heel diep in mij. En ik baal daar eigenlijk ontzettend van. Sabel me alsjeblieft niet meer omdat ik mijn eigen onzekerheid hier toon. Waarom zet ik het dan überhaupt online… geen idee. Of ja, toch wel. Out in the open = easier to tackle. Zichtbare monsters zijn makkelijker te bestrijden. En misschien biedt het ook wel een stukje herkenning voor anderen…

Warboel. Op naar het volgende blog…

Rubber triootje

Met zo’n titel willen de pageviews vast wel komen. Maar daar gaat ’t natuurlijk niet om. Het gaat hier om nostalgie. Om jeugdsentiment. Ja, alweer. God ik word oud… Ach, gelukkig wel.Rubbertrio

Mijn ouders brachten laatst wat kisten en zakken met oud speelgoed van mij mee. Playmobil (inclusief prinses en indianentent), mijn oude legotrein, nog meer legospul en wat andere pruttel. Het staat nu alweer een tijdje boven op de overloop, ik wil het allemaal nog bekijken en uitsorteren. De trein evt. ‘renoveren’ (kapotte delen en wielrubbertjes bij Lego nabestellen). Gisteren hebben de kinderen er al in zitten graven. Logisch, als je bakken vol playmobil en lego op de gang laat staan, dan trekt dat. Vanochtend stommelde ik op zijn zondags naar de WC en ineens lag daar mijn rubberpaard (een schimmel, dat ook nog) op de grond. Ik keek stomverbaasd naar het ding en toen in de bak ernaast. Euforie.

Mijn rubbergiraf EN mijn rubberezel (hé, “rubberezel” bestaat blijkbaar in de Nederlandse thesaurus, de spellingscontrole accepteert het. Rubbergiraffen bestaan duidelijk minder, gezien het rode golflijntje) liggen er ook in. Mijn buigbare benenknoopbeesten!! Wat heb ik daar als klein kind veel mee gespeeld. Ik moet toegeven, ze zien er redelijk anorexia-achtig uit, maar het ijzerdraad was toen eenmaal niet dikker. En nu nog steeds niet trouwens. Dát was nog eens rubber van kwaliteit. Vol met die heerlijke ouderwetse, geweldig werkende weekmakers want het rubber is nu, dik 35 jaar later, minstens net zo buigzaam als toen. En mijn beessies ruiken ook zelfs nog precies zo rubberachtig! Ietwat minder nostalgisch daarentegen: de kauw- en sabbelsporen van toen zijn nog steeds zichtbaar…

Paard heeft zijn make-up nog steeds op: een prachtig groen pseudocirkeltje boven zijn linker wenkbrauw. Zelfgetekend. Ezel heeft wat extra zwarte strepen op hals en kop. Giraf mist al zijn giraffenvlekken. Die waren blijkbaar té lekker… Ik moet de hoeven ook duidelijk eens bijwerken. Dat deed ik toen al vol overgave: de boel mooi nakleuren met pa’s dikke eddingstift. Om dat er dan vervolgens weer lekker uitgebreid af te sabbelen. Het smaakte zo… zo… zo lekker naar eddingstift met rubber. Misschien is mijn huidige migraine wel een erfenis van mijn kinky hoefsabbelarij, who knows… Interesseert me ook niet, ik leef nog. En hoe. Mijn rubber triootje is weer present. Hoewel ik niet eens meer wist dat ik ze ooit had, heb ik ze echt gemist.

Ik ga spelen.

maandowns

Het is elke keer opnieuw moeilijk te beschrijven. De neerslachtigheid die zich zo eens per maand van mij meester maakt. Zo zat je nog vol energie, ging je met alle elan te werk, pakte je alles aan. En zo heb je nergens zin meer in. Wordt de schakelaar omgegooid. Denk je de hele dag “pffffffffff waarom zou ik nog…” Intens moe. Down. Huilerig.

Het geluk is dat ik momenteel heel erg druk ben, ik móet wel door. Ik moet zoveel doen, aan zoveel dingen denken, zoveel klussen in de tuin die gewoon niet kúnnen wachten en nu moeten gebeuren, dat ik simpelweg doorga. Door met functioneren. Niet denken maar doen. Van rekeningen schrijven tot gras verticuteren, van brieven schrijven tot plantenbakken beplanten,  van presentaties bijwerken tot pannenkoeken bakken, van ouderavonden tot voetbaltrainerszittingen.

Gewoon doen. Gewoon gaan. Maar ondertussen takel ik af. Voel me mat en lusteloos. Standaard anderhalve kilo erbij waarvan ik weet dat het allemaal vocht is maar desalniettemin belanden mijn dieetpogingen meteen weer in de prullenbak en is mijn moeizaam opgebouwde discipline weer vervluchtigd. Foetsie. Ik maak meer fouten dan nodig en ben sneller geïrriteerd dan een krolse kat.

Het liefst zou ik me dan een stuk in mijn kraag zuipen om alles fijn te verdoven. Maar aan stukken in kragen zuipen doen we niet meer tegenwoordig… Morgen eerst maar weer een rondje nordic walken of fietsen of powerplaten.  Dat werkt dan toch beter. En overmorgen ziet de wereld er alweer heel anders uit. Zeker en vast…

vernachelarij

Ergens vind ik ’t wel leuk. Het feit dat foto’s heel (hééééél) soms beter uitvallen dan hoe de waarheid is. Maar aan de andere kant vind ik ’t ook lastig, want daarmee worden de verwachtingen gelijk weer een tandje opgeschroefd. Ik post zelden ‘full body’-foto’s omdat ik mijzelf veel te dik vind. Ik bén ook te dik, nog steeds. Ik mag dan inmiddels vijf kilo afgevallen zijn door alle ellende van het ziek zijn maar die vijf kilootjes vallen toch écht in ’t niet bij mijn totaalgewicht, waar nog steeds zo’n vijftien tot twintig kilo overgewicht aan hangt. Ik post wel regelmatig ‘portretfoto’s’ omdat ik met m’n kop tot zover best aardig tevreden ben, daar kan ik – ondanks onderkin en regelmatige ouderdomspuistjes – naar kijken zonder meteen te denken: “jeeminee, mot dat nou, stop die kop eerst maar ‘ns in een fatsoenlijke toiletpot en spoel minstens 3 keer”. Maar lichamelijk ben ik hoogst ontevreden met mezelf. En terecht. Ik doe mijn best maar het duurt lang en het is uiterst moeizaam, dat afvallen.

Onlangs had ik bij Otto nieuwe laarzen besteld. En ontvangen, dat ook nog :-). Laarzen zijn in mijn geval een kriem omdat ik dus niet alleen brede heupen maar ook heel brede kuiten heb. De normale laars krijg ik met geen mogelijkheid dicht. Ik moet op zoek naar “Weitschaftstiefel”, laarzen met een schacht van minstens 42cm omvang (de normale laars gaat tot maximaal 37cm). Déze laarzen waren variabel omdat ze aan de voorkant touwtjes hebben die je naar believen als een korset in kunt snoeren nadat je ze comfortabel dicht geritst hebt. Ik had beloofd ze te showen Vernaggelarijen dat deed ik gisteravond en passant dus even. Snel een foto met de mobiel voor de spiegel boven. In de pauze van het theaterstuk waar we waren dan ook nog snel even gepost en BAM, de reacties bleven niet uit. Heel veel mensen die riepen dat ik er zo slank uit zag, lekker wief, mooi, etcetera etcetera.

Op zich vind ik dat natuurlijk best leuk en fijn en aardig en vleiend maar het klopt niet. Nu zegt iedereen wel “joh, wat zeik je nou, zeg gewoon niks en geniet ervan!!” enzo, maar ergens voelt het dan toch een beetje als vernachelarij [ver·na·che·len (werkwoord; vernachelde, heeft vernacheld) (informeel): bedriegen – aldus de Dikke van Dale], als oneerlijk dus. Het schept een verkeerd beeld van mij. Ik heb de foto níet bewerkt (daar had ik helemaal geen tijd voor), het is een lucky shot, zeg maar. Maar de foto is duidelijk misleidend. Door het scheef houden van de telefoon, door het van bovenaf fotograferen en door de langwerpige, smalle spiegel lijkt het allemaal veel slanker. Tja. Ik ben een realist. Ik wéét hoe het in ’t echie is. Het is niet anders.

Nou ja. Iedereen bij deze bedankt voor de complimenten, die zijn in elk geval wél goed voor m’n doorgaans toch al zo gecrushte ego. Ik zal mijn best doen om naar het beeld op deze foto toe te werken. Maar echt, dat duurt nog even, helemaal nu ik de 40 gepasseerd ben.

Heb dus nog wat geduld met mij.
Bij voorbaat dank.

zo’n dag

Het is alweer zo’n dag. Zo’n dag waarop ik niks doe. Waarop ik niks fatsoenlijks uit mijn vingers krijg en me in ieder opzicht te lamlendig voel om iets zinnigs te doen. De buikgriep van de kinderen schijnt verdulleme nu ook op mij zijn weerslag te hebben maar ik zal u verdere details hieromtrent besparen. Ik hoor de verstandige hordes om mij heen al roepen: “heel goed, een dagje niks, je hebt je al twee dagen veel te veel uitgesloofd met al die opruimerij, een dagje rust is dan hoognodig. Kijk maar. Je lichaam geeft je nu de grenzen aan.”

Jaajaaajaaa… Ik weet dat natuurlijk ook wel. Maar zo’n dagje niksen maakt van mij een uiterst miserabel persoon. Ik voel me dan een nietsnut en ik weet dat ik er zelfs daadwerkelijk zoeentje ben. Met huis uitmesten ben ik voor zover wel klaar, nu is het wachten op Ikea. Zoals u misschien weet ben ik een Ikea-freak bij uitstek. Ik heb vandaag mijn bestelling via de mail aan ikea@ikea.com gestuurd (stomme shop werkte niet) en had binnen 5 minuten een bestelbevestiging én een persoonlijke mail van ‘Brenda’ (nee, niet Anna)’  met excuses en info terug. Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat ze mij kennen daar… De boel wordt over een week of 2,5 geleverd. Tot die tijd mag ik dus ‘niksen’.
Ik háát niksen…

Mijn frustraties zijn evident: zelfs de kinderen moeten ’t ontzien. Dochter is er eentje van “heeft u bloed onder de nagels? ik help!” en zat tegenover me te klieren. Buurmeisje zat ernaast, wilde eigenlijk graag met haar spelen.
Dochter:
….“Maar ik weet niet wát ik wil spelen. En ik wil nog naar D. [buurjongetje] maar dat kan niet zolang M. [buurmeisje] hier is. Mag ik dan echt niet TV kijken? Alles is saai hier. [nadruk op alles] Ik wil wel verstoppertje spelen. Maar met zijn tweeën is dat niet leuk. Dat gaat écht niet. Wat moet ik dán spelen dan?” – enzovoort. Op dramaaaaatische toon. Vanzelfsprekend.
Daarbij zit ze tegenover me aan tafel, voeten erboven op, kijkt me uitdagend aan en negeert buurmeisje M. die er wat verbouwereerd naast zit te koekeloeren.
Daarop dus mijn antwoord:
….“Ten eerste is het absoluut ONaardig van jou om M. via je D.-smoes naar huis te sturen. M. kwam hier spelen en dat vond jij goed. Dan zoek samen iets wat je kunt doen en wat jullie allebei leuk vinden [waarna ik nog 8 opties aan leuke dingen opgerateld heb]. Ten tweede heb je bérgen met speelgoed, spelletjes, een Barbiekasteel, een Barbiehuis, tonnen Pollypocketprut en anderhalve meter leuke boeken EN een echte lees-en-lounge-bank op je kamer. Als JIJ niet weet wat je daarmee moet, prima. Over 3 weken is de halfjaarlijkse vlooien- cq. ruilmarkt op school, dan verkoop ik de hele pruttel. Weg ermee. Jij hebt het blijkbaar niet meer nodig want je speelt er nooit mee.”
Waarop ze niet wist hoe snel ze met M. naar boven moest komen om te gaan spelen. Mooi zo. Dat ook weer opgeruimd.

Ondertussen zie ik best ál die dingen die ik nog wilde doen. Ik weet zat klusjes en werk wat hoognodig moet gebeuren. Maar ik krijg mezelf zover om ze te doen. Ik ben vandaag intens moe. En lamlendig. En een beetje verdrietig. En geirriteerd. (Nee. Het is niet DIE tijd van de maand. Nee.) Ik wil dus blijkbaar ook niks spelen. En ik heb óók bérgen met speeltjes, spelletjes, een levensgroot kasteelhuis, een speelkeuken en wel 10 meter boeken (en een Kindle). Ik ga maar ‘ns op zoek naar een fatsoenlijke loungebank. Want op deze kan ik niet zitten, ik old wief. En als ik met de rest van mijn speledingetjes partout niet wil spelen, moeten we die dan ook maar verkopen…

Zo’n dag dus.

Öpdät

Oftewel: een update. Van mijn opruimwoede. Het heeft gewerkt. Niet te geloven maar het heeft gewerkt. Waar die box-met-stereoinstallatie-woede van man al niet goed voor is. Gisteren ben ik, geheel zoals beloofd, meteen verwoed begonnen met opruimen. Wenn schon, denn schon. De woonkamer is nu redelijk tiptop. Bérgen stof verwijderd, één bank (de slaapbank) weg, die staat nu bij dochter op de kamer, weet-ik-hoeveel pruttel weggemieterd. De auto zit voor de 2e keer deze week vol met spul dat naar het afvalcentrum moet. Inclusief bejaard computerbeeldscherm van man, de ouwe hometrainer waar hij ook nog aan wou ‘sleutelen’ en een heeeeele hoop oud papier en kapotte spelletjes. Ik ben in een weggooimood en dat moet uitgebuit worden (wie weet wanneer ik in de komende 10 jaar weer zo weggooierig ben).

Onze bedbank was éigenlijk kapot en stond in de weg. Ik had al foto’s gemaakt voor ‘gratis af te halen’. Tot dochter gilde dat zij ‘m wel wilde hebben want een bank op je kamer is coooooool. Man repareerde het ding stante pede, ik sopte ‘m af en voilá: mooie bank. Dan maar gelijk dochters kamer onderhanden nemen. Weer een hoop weggegooid, nog een paar ton stof verwijderd, bank geplaatst en opgeruimd. Helemaal gelukkig was ze toen ze uit school naar boven stommelde om te kijken. Jubelend gelukkig. En dit is nog maar de helft: ze krijgt binnenkort een eigen bureau en nog een grote opbergkast waar ik op de achterkant een mooie ‘wand’-schildering ga maken en met een spiegel op de zijkant.  Wordt mooi.

Waar dochter, daar ook zoon. Die kon vanzelfsprekend niet achterblijven. Dus ook zijn kamer onder handen genomen. Zo gauw we een nieuw bankstel hebben, krijgt hij de loungestoel als leesstoel op zijn kamer. Voor nu heb ik voor hem een prachtigmooie ‘bank’ uit matrassen en kussens gebouwd. Ook hij krijgt een kast met wandschildering en spiegel. En alles is schoon en afgestoft.  Wat een heerlijkheid. Vond hij ook gelukkig.

En dan aan de online planning bij Ikea: de kastenwand in de kamer, de kasten van de kinderen, etc. etc. Ik heb ’t boodschappenlijstje nu ook klaar.  Nu nog twee keer heen en weer karren (want dat gaat nooooooit in één keer passen, zelfs niet met de imperial erop) en alles in elkaar zetten.  En dan….roffelderoffelderoffel… krijgen jullie de ‘na’-foto’s.  De ‘voor’-foto’s heb ik sowieso vergeten. Oh en de boxen van man bevallen me ook steeds beter. Ze zijn best heul cool eigenlijk. En aangezien ik hier de grotere muziekfreak in huis ben, ben ik stiekem best wel een beetje blij met die nieuwe stereo-installatie. Niet in de laatste plaats omdat het de aanzet voor deze total home make-over was.

Dössöhh… mocht u me mössen, dan ben ik klössen.

(Wat een vreselijk oninteressant blog is dit eigenlijk. Maar goed, moet ook zo af en toe. Anders worden jullie verwend.)

So far away

from me…

galmt door het huis. De ene Magnat-pilaar links achter de kachel, de andere rechts naast de TV. Man zit op een stoel tussen de twee boxen in geparkeerd, heeft z’n ouwe stereo op de bank gekwakt en aangesloten (de nieuwe Denon laat nog even op zich wachten). Sound op max, zo hard dat het echt letterlijk pijn doet aan mijn hoofd. Grijns van oor tot oor. Zo moet het leven zijn. Blow your brains out, you don’t need them anymore anyway. Money for nothing volgt met nog meer donderend geweld.

De gang staat helemaal vol met kartonnage. De trap kom je al niet meer op.
“Kun je dat straks meenemen naar ’t afvalcentrum?” vraag ik voorzichtig.
“Nee, moet nog even blijven staan, misschien is er iets niet goed hè.” Oh. Fijn.
Onze eerste midlife crisis ruzie zit er al weer op voor vandaag. Die megaMagnatdingen moeten ergens staan waar al wat staat. En ligt. Mijn deco-dozen met mijn aquarium-utensiliën. En mijn ordners van het werk (belastingen en administratie) waar ik nog mee aan de gang moet. OK, die ordners liggen daar nu ca. 2,5 jaar, maar als ik ze naar boven naar de studeerkamer breng, komt er écht nooit meer wat van. Nu is er nog een kans.
“Jemig, puur omdat jij zo’n uitstelgeval bent, hoeven we de hele woonkamer nog niet vol met rotzooi te proppen? Waarom staat die kist naast de bank? Wat zit daar nou weer voor pruttel in? Wat moet al dat kinderspeelgoed hier? Ze spelen er nooit mee!!”
Euh… nee… klopt… allemaal…

Maar degene die zijn laptop incl. werkordners, papieren, rekeningen, schriften, programmeerboeken enweetikveelwatallemaalnogmeer overal neerkwakt, die er nu wél nog even twee gigantische geluidsboxen bij in wil proppen, die óveral zijn sokken en ouwe kranten (ik lees geen krant, ik lees ’t nieuws boomvriendelijk op m’n foon) laat liggen, die in die 5 jaar dat we hier wonen nog nooit gezien heeft dat er ook ándere mensen spullen in de woonkamer ‘deponeren’, die nooit merkte dat er al dik 4 jaar een kist naast de bank staat met boeken en spullen van mij (!) erin (bij gebrek aan een fatsoenlijke kast – waar ik dan zelf ook nog ‘ns naar believen op kan klimmen), die ouwe kartonnen dozen tot in den eeuwigheid wil bewaren ‘want die zouden we nog wel eens nodig kunnen hebben’, die een ouwe hometrainer in de kelder en een nog ouwer computerbeeldscherm (55cm diep) al dik twee jaar ‘nog even bewaard’ omdat hij die eventueel nog uit elkaar wil slopen voor onderdeeltjes en mogelijke leereffecten, diegene zit nu op een stoel midden tussen zijn éigen net gekochte rotzooi. En omdat zijn twee nieuwe gigaboxen niet á là minuut dáár kunnen staan waar hij ze wil hebben, hebben we ineens teveel pruttel in de woonkamer.

Goed. Prima. Fine. Dan gaan we opruimen. Maar dan ook écht, hè. Vandaag wordt opruimdag. Dan vliegt alles eruit wat niet in de woonkamer hoort. Naar MIJN persoonlijke inzichten. Zometeen vertrekt meneer naar zijn werk. Tot vanavond schat!!

Gna.

Kast

De kast is laag vandaag. Werd me daarstraks verteld. Kan kloppen. Ik zou ’t niet weten: ik zit er sowieso altijd op. Ik wóón op die kast, you know… Ik kom er ook zelden vanaf. Prima plek, van daaruit kun je alles meteen overzien en de nodige omgevingsobjecten even toejubelen, mocht dat nodig zijn.

Nee gekheid. Ik woon helemaal niet op een kast. Olifanten passen niet op kasten. En ik spring er ook niet steeds op, kan ik niet eens (kloteknie). Eigenlijk ben ik zelfs redelijk relaxed momenteel (wat wil je hè, met zo’n hoofd, gheheh). De grootste stressdingen voor nu even achter de rug. Ikzelf, die langzaamaan beter wordt. De zorgen niet minder, de irritaties ook absoluut niet, maar dat is OK. Dat hoort er blijkbaar bij. Will deal with that later.

Ik heb een nieuw elektronisch speledingetje (een tweede foon, het tegendeel van mijn Note: een Mini. Schattig dingske) dus ikkast ben een happy chick. Man heeft zelfs een heleboel nieuwe elektronische speledingetjes: een geluidsinstallatie (die die idioot van de bezorgdienst gewoon pontificaal voor de deur in de sneeuwdrab zette toen ik niet thuis was: theoretisch kunnen we nu dus zeggen dat we het ding nooit gekregen hebben want een handtekening voor de ontvangstbevestiging heeft-ie niet en  misschien heeft iemand ‘m wel meegenomen in de tijd dat ik weg was, weet hij veel. En ik heb ook uitdrukkelijk gezegd dat ik dat NIET WIL!!) (Oh jah. De kast), twee gigantische boxen (dik 20 kilo per stuk…) die ook nog in MIJN woonkamer moeten komen te staan, een hoop kabelprut met blingblingstekkertjes en twee kleinere pakketjes. Geen idee wat daar in zit en ik geloof dat ik ’t ook niet wil weten ook. Maar ik mag lijen dat man nu dan ook echt happy is. In ieder geval is dit één van zijn uitingen van een vette midlife crisis. Volgens mij dan. De één doet een nieuwe sportwagen op, de andere vist een bloedjong skoon wieveke uit ’t net en die van mij gaat met vol geweld voor de subwooferboostermegasounds. Niet dat hij voorheen nou zoveel muziek luisterde, neuhhh joh!! Maar goed, wat niet is, kan nog komen.

Je hoort mij niet klagen. Liever dit dan dat skoone wieveke. Alhoewel… het één sluit het ander niet uit natuurlijk… hmmm. Niet over nadenken. Wat niet weet, wat niet deert enzo… Ik kan me lang opwinden over de noodzakelijkheid van zo’n installatie, maar dat houdt die verhipte kast niet uit.

En dan moeten we ook nog een nieuwe kast.