Liet vrij

Al mijn ‘toen’. Dat was met jou.
Een verleden zwanger van ’t leven.
Door de jaren roerloos heengegaan.
Kunnen we ’t nu niets meer geven.

Jij wou die verre einden lopen
Ik wilde enkel hoger springen.
Jij wou niet praten, op meer hopen.
Ik wilde zó veel liever zingen…

Jij schoot wortels, meters diep
Ik had ineens vleugels gekregen.
En de stilte die ons zo luid riep
Hebben we samen bruut doodgezwegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Voelde me jonger. Wist niet waarom.
Jij voelde je misplaatst. Bal naast de stip
Zo vielen we tergend langzaam om.
Verloren we meer en meer de grip.

Ik snapte dat jij er niets van snapt.
Ik begreep dat jij het niet bevat.
Waarom was alles dan níets waard?
Er volgde een lawine. ’t Grote gat.

We vergaten enkel te bewegen.
Was ik ervoor, was jij ertegen.
En nu, nu gaan we dus toch
voorgoed gescheiden wegen.

Mijn hart slaat sneller dan dat van jou.
Nooit meer synchroon en zo vol pijn.
We stralen veel harder zonder elkaar.
Dan heeft het wellicht zo moeten zijn.

Rest ons dat ene verstokte ritueel,
waar de één de ander vermijdt
Zien al niet meer, wat ons verbond,
enkel nog al dat, wat ons scheidt.

We moeten ademen en weer groeien
elkaar niet langer meer vermoeien
Daar waar we onszelf opnieuw ontmoeten
Krijgen wegen weer handen en voeten.

Wegen die altijd verbonden blijven
Alleen lopen wij ze nu niet meer samen
Al mijn ‘nu’ ligt ergens anders
We gingen sneller dan we ooit kwamen.

Ik liet je vrij. We blijven verbonden.
Ik liet je vrij. Laat jou weer je leven.
Ik liet mij vrij. Lik ons beider wonden.
Ik liet mij vrij. Kunnen we vergeven…

=================================

geïnspireerd door (en deels vertaald vanuit) de prachtige song van Andreas Bourani – Auf Anderen Wegen

Huilen mag.

Ik zou niks moeten zeggen. Stil en berustend moeten wachten tot ook deze storm weer overwaait. Maar ik kan het niet laten. De openlijke agressie maakt me bang. De agressie, die mensen tentoonspreiden naar aanleiding van een simpel stukje tekst. Je kunt het ermee eens zijn of niet. Je mag het belachelijk vinden en dat uiten. Je mag er natuurlijk kwaad om worden. Je mag te allen tijde je gal spuwen over de inhoud en de – in jouw ogen – minderwaardige kwaliteit van het stuk. Je mag woest worden over volgens jou niet kloppende ‘feiten’ en proberen een discussie aan te gaan met argumenten. Allemaal prima. Zo gaat en hoort dat in de hedendaagse samenleving. Let it all out.

Maar de realiteit is zo schrikbarend… Het blijft namelijk niet bij discussiëren of argumenteren Het blijft niet bij simpele, al dan niet getemperde woede en onenigheidsuitingen. Schrijf je vandaag de dag een tekst over een gevoelig onderwerp (abortus? De doodstraf? Feminisme? Terrorisme? Ik noem maar wat hoor!), over een penibel persoon (Zwarte Piet?) of een op zijn minst dubieuze groepering (euh… Hooligans? ISIS? Nee, laten we voor de zekerheid maar even iets rustigers als de Hell’s Angels of de Japanse Maffia nemen), kun je ervan uitgaan dat je de komende weken minstens acht keer per dag hartstikke deaud (DOOOOOOD!!!) moet. Dat je een vette NSB-er bent. Dat je de kankerteringtyfus moet krijgen, je moeder een kk-k*thoer is (en je oma natuurlijk ook), dat ze écht wel weten waar jouw huis woont en je binnenkort een kogel door je kop gaat krijgen. Je mag hard hopen dat je niemand van de aanhangers tegen zult komen want dan kun je voortaan vanaf een wolkje op hunne koppen spugen. Men (ver)vloekt, tiert en bedreigt, men wenst de langzame dood, hels verderf en eeuwige verdoemenis. De brandstapel is uit; men komt je wel eigenhandig de nek omdraaien met een meegebrachte bankschroef. Dat alles in bewoordingen die je ogen doen bloeden, om het maar even niet over het Nederlands taalgebruik als zodanig te hebben.

Ik vind het eng. Zijn dit echt mensen die in onze samenleving ‘functioneren’? Waarom wordt er dermate overtrokken gereageerd op een stuk tekst, waarin een overduidelijke problematiek kort en pregnant belicht wordt, in combinatie met een aantal op het moment van schrijven nog geldende feiten? Waarom is men door een summiere column (een column nota bene!! geen journalistieke tekst!) zó zeer op de gevoelige pik getrapt? Misschien omdat het onderhuids toch jeukt dat er een kern van waarheid in steekt? Omdat er wel degelijk een probleem is, wat men – read no evil, see no evil – liever niet wil erkennen? Of omdat men bij een eenvoudig “Oh, maar zó ben ik niet, wat een lulkoek en wat jij roept, is stierenpoep” geen genoegdoening meer voelt? Al deze mateloos overtrokken agressie laat alleen maar zien dat de tekst tóch een heel gevoelige plek raakt bij de betreffende groep. Een groep waarvan het gros duidelijk niet (meer) over normale meningsuitingscapaciteiten beschikt. De laagbijdegrondse bewoordingen en de ongenuanceerde uitbarstingen laten enkel zien dat de heersende vooroordelen over de meute in kwestie helemaal geen vooroordelen zijn: ze kloppen gewoon…

Met openlijke bedreigingen en iemand dood wensen kom je helemaal nergens.

Hooguit voor de rechter.

Huilen mag.

(Moet ik nu ook dood?)

Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?

 

Kom Karma, kom!

“Karma? Kom je nog?” Karma slaapt. Diep. Onwetend waar het de gevolgen betreft van alles, wat zich vandaag afspeelde. Rustig ademend ligt ze op de sofa, droomt over iedereen die ze nog te grazen mag nemen. Zelfs haar comateuze wijze van slapen is nooit zonder uitwerking want uitgestelde wraak is des te zoeter. Als ze na haar dutje maar niemand vergeet…

Wie neemt haar naam niet in de mond als het even zo uitkomt? Karma is gonna get you. Karma is a bitch. Simpel principe van oorzaak en gevolg. Alles wat een mens doet, is uiteindelijk van invloed op de rest van diens onbetekenende leventje. Er zijn te veel spreekwoorden voor: Wie goed doet, goed ontmoet. Boontje komt om zijn loontje. Boeddha wist waarover hij het had; betitelde zijn liefdevolle karma-doctrine als de ‘leer der daden’. Maar wat ik me steeds opnieuw afvraag: waarom komen zoveel mensen dan tóch weg met alle afschuwelijke dingen die ze uitvreten?

Net acht jaar oud. Je kwetsbare, naakte kruisje wordt zorgvuldig uitgestald op Marktplaats. Je ouders zitten tot over hun oren in de schulden en hopen deze met het geld van een paar pedofielen af te kunnen betalen. Je mams heeft het je meermaals toegebeten: “Waar heb ik jou anders voor gemaakt? Een beetje profijt hebben van mijn eigen productie, daar is toch niks mis mee? Toch??” De gegadigden krijgen van pap alvast wat lekkermakende foto’s van jou, zodat ze een grof beeld kunnen schetsen van alles, wat ze met je zouden willen doen en daarvoor een passend bod uit kunnen brengen. Bedragen tot vijftigduizend euro om bij jou alle denkbare lichaamsopeningen te mogen vullen, worden geboden. En maar al te graag geaccepteerd. Je kamertje is al zorgvuldig geblindeerd, je meisjesbed van een vochtdicht hoeslaken voorzien. Maar het lot wil dat je oplettende oom de laptop van papa leent. Heb jíj even geluk, meiske…

“Van je zwager moet je het maar hebben”, zal moeders gedacht hebben. In de verhoren volgen allesomvattende maar onvatbare bekentenissen. Jammer genoeg zijn die voor de poes haar spleetje: Men vergeet je ouders te wijzen op hun recht op een advocaat. Dit vormfoutje maakt de biecht in één klap waardeloos. De pedo’s komen niet. De ouders wel. Vrij. Als Karma per toeval eens níet ligt te slapen, zal die vrijheid hun straf worden.
Karma? Kom nou toch…

All Hallow’s Eve

Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik een gruwelijke hekel aan Halloween heb. Ik heb helemaal niets tegen zombies, heksen, vampieren en andere donkere figuren. Integendeel. En als quasi-möchtegern-heks heb ik ook absoluut geen hekel aan All Hallow’s Eve als zodanig. Mijn aversie richt zich vooral, op het vercommercialiseren van al die ‘dagen’, de opgelegde consumptiedwang, op het verkleed  het langs de deuren te gaan om om snoep te bedelen, als zijnde weer zo’n liefchristelijke traditie. Thanks but no thanks.

Halloween stamt uit de tijd van de Kelten. Een voorchristelijk en eigenlijk heidens ritueel om de wederopstanding der geesten te vieren. Het is de avond (“Eve”) voor Allerheiligen (“All Hallows”) en aangezien de Ieren alles aan elkaar brabbelen, werd All Hallow’s Eve(ning) verbasterd naar Hallow-e’en.

Even Wikipedia citeren (is wat makkelijker dan zelf onherkenbaar herschrijven):
“In de Keltische kalender begon het jaar op 1 november, dus 31 oktober was oudejaarsavond. De oogst was binnen, het zaaigoed voor het volgende jaar lag klaar en dus was er even tijd voor een vrije dag, het Keltische Nieuwjaar of Samhain (uitspraak Saun, het Ierse woord voor de maand november). Samhain was ook nog om een andere reden zeer bijzonder. De Kelten geloofden namelijk dat op die dag de geesten van alle gestorvenen van het afgelopen jaar terug kwamen om te proberen een levend lichaam in bezit te nemen voor het komende jaar. Op het eiland Groot-Brittannië werd Halloween vooral door de Kelten gevierd. De geesten die uit dode mensen op zouden rijzen, werden aangetrokken door voedsel voor hen neer te leggen voor de deuren. Om echter de boze geesten af te weren droegen de Kelten maskers.”

Natuurlijk kon de katholieke kerk dit heidense gebruik niet verkroppen en moest zich erin mengen. Vervolgens gingen een hoop Christenen op twee november (Allerzielen dus) in lompen de straat op om om brood met krenten (zogenaamde zielencake) te bedelen, in ruil voor een gebedje voor dode familie van de gulle gever om de weg van die geliefde familieleden door de hel wat te vergemakkelijken zodat ze sneller in de hemel zouden komen. Dat gebruik was vervolgens weer mooi te combineren met die maskers en hopsakee, Halloween was ineens een kerkse traditie. Allemaal weer blij.

Toen sleepten de katholieke Ieren (en Schotten) hun heidens-christelijke gebruik op de boot mee naar Amerika, waar de boel uit- en omgebouwd werd naar wat het nu is: een overtrokken leur- en bedelfeest. En aangezien wij blijkbaar nog steeds maar al te graag alles van Amerika kopiëren, wordt ook deze “traditie” hier nu met beide kinderhandjes aangegrepen om je te beschilderen en in het zwart met een hoed of een litteken op je wang om “Süßes oder Saures” of “trick or treat” te bedelen.

Wat mij dus ook een doorn in het oog is, is dat men hier eigenlijk Allerzielen (de herdenking van de doden, of liever gezegd: het feest van het bidden voor degenen die in het hellevuur branden, jaja…) op Allerheiligen (de herdenking van de gemeenschap der heiligen, een feest dat in 835 al werd ingevoerd door Louis Le Pieux, ofwel Ludwig “de Vrome”) viert. Niet omdat ik nou zoveel heb met die heiligen, maar het is wéér zo’n dingetje van de katholieke kerk. Eén november is ten eerste makkelijker te onthouden dan twee november. Dat voor alle suffies onder ons. En een mooiere dag voor een katholieke feestdag dus, zo direct grenzend aan dat heidense gebruik (foei). Daarnaast werd op die dag werd er door Paus Gregor III ooit één of andere kapel in de Sint-Pieters-Dom officieel ingewijd en vanaf toen begon men alvast op één november met het doden herdenken en groeide één november uit tot dé feestdag, i.p.v. twee november.

triquetraMoeten ze fijn doen. Maar niet op mijn verjaardag. Toevallig. Waarom moet ik nou exact op één november naar de kerk en het kerkhof om doden te herdenken? Ik herdenk de mensen die ik wil herdenken op de tijdstippen dat ík daar behoefte aan heb. Niet op een voorgeschreven dag, tijd of plaats. En ik wil niet de dag ervoor als herrezen zombie of halfdood skelet om snoepjes bedelen om de volgende dag vroom op een kerkhof te gaan staan ‘herdenken’. Ik ga liever een rondje dansen in mijn met kaarsen omringde triquetra.

Val dood met je Halloween.

doodgehoaxt

Als je iemand tien jaar geleden zou zeggen dat er at this very moment een persoon doodgehoaxt wordt, dan zou diegene waarschijnlijk de eerste de beste kliniek voor geestesgestoorden bellen om te vragen of ze nog een plekje voor je vrij hebben. Goed, Lou Reed blijkt dan vandaag echt overleden te zijn, wat op zich weer níet goed en zelfs een groot verlies voor de muzikale wereld is, maar de hoaxdood van Mel Gibson (“auto-ongeluk in Australië”) hakte er bij mij toch even in. En als ik live mee had gekregen dat Johnny Depp in 2010 ook al een keer voor hartstikke dood verklaard is geweest, had me dat ook niet koud gelaten. Hoe naïef kun je zijn… Wat kun je nog geloven vandaag de dag??

hoax2Het is niks nieuws, die doodshoaxes. Dat niet. In 1969 was er al een wereldberoemde death hoax: “Paul is dead”. Paul McCartney zou dood zijn – een verhaal dat door een paar Amerikaanse studenten in de wereld werd gezet – maar was dat dus niet. McCartney zou al in 1966 eveneens bij een auto-ongeluk om het leven zijn gekomen en heimelijk vervangen door een look-alike. Het verhaal werd groot. Heel groot. En probeer dan maar eens te bewijzen, dat jij echt niet dood bent en écht je levende zelf bent… Zelfs na de tweede wereldoorlog ontstonden er al hoaxes over de dood van bijvoorbeeld Frank Sinatra en Charlie Chaplin. So what’s new…

Wat er nieuw is, is de verspreidingssnelheid van dat nieuws. Toen duurde het nog een halve eeuwigheid voordat zulk nieuws bij het onderste volk aan kwam. Nu duurt dat een paar seconden. Social media to the max. Je schreeuwt iets in de ruimte en men deelt het. Zo ook de dood van celebs. Wat is er mooier dan een shocking nhoaxieuwtje en duizenden clicks, likes en shares… Even de aansteker van facebook en twitter eronder en whammoooooo, dood ben je.

Helaas Lou, voor jou was de hoax er slechts eentje dat je nog niet dood was.

Another Lou has left us.
It’s no longer such a Perfect Day…

The end of an era.

cryingeyeIk snap het weer eens niet. Komt vaker voor. Call me stupid, call me blond, maar soms snap ik er echt de ballen van. Je denkt: “Dit is voor altijd. Vanaf nu voor altijd. Nú zit het echt goed.” Je hebt wat problemen, je eigen sores, zorgen om je kinderen, ziekte, liefde, grenzen verleggen. In jezelf gekeerd.

En dan ineens knalt er een rotje. Oorverdovend, net naast je oor. BAFFFFF!!!! Geschrokken opzij kijkend denk je: “shit, wat da foek was dat”. Dat was een vriendschapsverband, dat weer los schoot. Net stevig vastgeknupt, nu weer on the loose. Ik kan hier dus niet tegen… Er zijn mensen op wie ik moet kunnen bouwen. Vertrouwen. Terugvallen. Mensen die er eens zijn, en er ook altijd zijn. Al ben ik zelf wel eens afwezig of met anderen bezig, ben ik in mijzelf gekeerd of door wroeging verteerd, ik bén er. En ik blíjf er. No matter what. Groepen die een eenheid vormen. For better or for worse. Waardevol.

Vrienden zijn er ook in mindere tijden. In tijden van weinig contact. Vrienden zijn de bloemen in je levenstuin. Ze bloeien zomaar, ineens, en op die tijden dat je het nodig hebt. Een echte vriend grinnikt over je grooooote verhalen, ook al zijn ze eigenlijk helemaal niet zo groots. En een echte vriend leeft met je mee als je diep in de problemen zit, ook al zijn die problemen óók niet zo gigantisch. Maar weg gaan, juist in de tijden dat je het moeilijk hebt, dat hoort er voor mijn gevoel niet bij…

En nog zo’n mooi cliché: een goede vriend is als de maan. Je hoeft hem niet altijd te zien, soms is-ie verscholen achter de hele wereld, soms wat onbeschenen en dus onschijnbaar, maar je weet gewoon dat hij er is…  En dat is wat ik nodig heb. Iemand waarvan ik weet dat hij/zij er is. No matter what. Niet weglopen uit de cirkel als je het gevoel hebt, in dat kringetje even niks te kunnen betekenen. Niet die oh zo belangrijke band doorbreken…

Een einde.
Weer eentje.
Maar oké.
Je bent niet weg.
Gelukkig niet.
Alleen moet ik
de nieuwe constellatie
éven verwerken.
Time. Place.
Will be.

maar het blijft
een dingetje…

zeven miljard

Een paar maand geleden heb ik het meest recente boek van Dan Brown, Inferno, gelezen. (Ja ja, ik lees ook dat soort literaire pulp). Hoewel de boeken van Brown – naast best wel aardig spannend – altijd redelijk extreem geprofileerd zijn, ben ik elke keer weer gefascineerd door de zogenaamde facts die er in opgerakeld worden. Afgezien van het feit dat de bad guy (of was het nou toch de good guy?) snel even de batterij uit zijn iPhone haalt (diep respect…) kan ik, blond naïevelingetje, van de rest niet gelijk zeggen of het geloofwaardig is of niet. Ik voel dan ook elke keer weer een sterke drang om even een rondje fact-checking doen: wat van al datgene wat de goede man in zijn boek beweert, is ook écht zo? En dan gaat het me niet eens zo zeer om de culturele dingen (die slik ik wel, ik cultuurbarbaar. En even wikipedia surfen voor wat betreft Florence, Instanbul en Venetië does the trick as well) maar in dit boek vooral om de demografische beweringen. In zijn boek heeft Brown het over de snel toenemende overbevolking van de aarde en over een beweging namens Transhumanisme, die eigenlijk best erg aan de nazi-denkwijze herinnert.

Transhumanisme, de angstaanjagende beweging en filosofische denkrichting die de grenzen der menselijke mogelijkheden en de perfectionering van de mens zelf wil verleggen door de inzet van technologische procedés. Genetische manipulatie om tot de ultieme mens te komen. Daarnaast neemt de mens het heft in de hand inzake reproductie: men wil eveneens door genetische manipulatie ervoor zorgen dat enkel gezonde, sterke kinderen ter wereld komen.

7miljardIn het boek van Dan Brown schijnt echter de angst van deze ‘beweging’, dat de gewenste technologische perfectionering van de mens nooit plaats zal vinden omdat de mens zichzelf al lang van tevoren uitroeit, de overhand te nemen. De demografische groei van de wereldbevolking is blijkbaar zo schrikbarend en volgens de gepresenteerde data zowat meer dan exponentieel, dat wij al op zeer korte termijn niet meer in staat zullen zijn om onszelf te voeden en in leven te houden. De vervuiling zou niet eens relevant zijn omdat de mensheid volgens de opgeworpen theorieën binnen honderd jaar uitgestorven zou zijn. Veel te vroeg voor de transhumanisten om hun genetisch perfectionisme in realiteit om te zetten.

En daar is waar Dan Brown volgens mij en vele anderen de mist in gaat. De wereldbevolking stijgt vooralsnog inderdaad en ís ook meer dan sterk gestegen in de afgelopen anderhalve eeuw. De zenit schijnt echter ergens rond 2050 te zijn. Daarna neemt de bevolking volgens de demografische experts in rap tempo af. Niet omdat we dan niks meer te vreten hebben maar omdat in praktisch alle landen de geboorteratio’s zelf door sterke vergrijzing ineens schrikbarend snel teruglopen. Dat is in veel landen nú al het geval. De ‘westerse’ wereld heeft inmiddels zwaar te kampen met die vergrijzing. In Japan worden bijvoorbeeld al sinds tijden meer seniorenluiers dan babyluiers verkocht! En de aarde op zich ís niet eens overbevolkt. Ze heeft enkel te lijden onder een heel slechte oppervlakteverdeling van die bevolking. Als we alle mensen ter wereld – nu zo’n zeven miljard!! – in Oostenrijk zouden proppen, hoe hoog zou de piramide dan zijn? Got ya!! Er zal helemaal geen piramide zijn. Iedere mens zou nog steeds elf (!) vierkante meter op de begane grond ter beschikking hebben. En de rest van de aarde zou dan dus volledig mensenvrij zijn. Het gaat er ook niet om hoeveel land iemand ter beschikking heeft maar om de footprint, de hoeveelheid aardoppervlak die de mens nodig heeft om in zijn/haar gevoelde basisbehoeften te voorzien. En die footprint is voor de gemiddelde mens te groot: we leven op te grote voet. Maar wij produceren met zijn allen op dit moment al wél meer dan voldoende om krap 10 miljard mensen te voeden. Ja, inderdaad. Zó veel wordt er zinloos weggeflikkerd…

We zouden dus duidelijk beter om moeten gaan met dat wat we hebben. Minder nutteloos verbruiken. Minder ongebruikt weggooien. De verdeling van de bevolking over de aarde zou verbeterd moeten worden. Weet iedereen eigenlijk wel. Maar jemig, hoe dóe je zoiets?? Daarover heeft men nog steeds geen idee. Globaal gezien dan. Op micro-niveau weet iedereen wel enigszins hoe het moet, he diet je allerbeste best om in ecologisch zo goed mogelijk te leven. Afvalscheiding, bio-gedoe, zo min mogelijk plastic, duurzaam verbruik, groene energie (we hebben gisteren onze energieleverant ingewisseld voor een nieuwe: eentje met hoofdzakelijk energie uit waterkracht. Yeah). Het begin is er. Maar enkel in je eigen kikkerlandje, een speldenprik op de wereldbol. Om van de schaliegaswinningsintenties maar even niet te spreken…

En als je dan een aantal berichten leest over iets onbekends als de neodymium-winning in China, hét goedje dat nodig is om de sterke magneten te fabriceren waar onder andere al onze windmolens – onze ‘schone’ energievoorzieningen – op draaien maar wat bijvoorbeeld ook voor magneten in harddisks en voor fluorescerende lampen gebruikt wordt, en dan ziet wat voor puinhoop ze er van maken om maar zo goedkoop mogelijk te kunnen leveren, dan ga je heel hard janken. Janken van ellende, de ellende die onze aarde pas écht om zeep helpt. Niet omdat er teveel mensen op wonen maar puur omdat de mens als zodanig teveel belust is op eigenbelang en winst. Niet die arme kloothommels die dag in dag uit in de vrolijk doorstralende zee van uranium en thorium (een paar van de radioactieve nevenstoffen die vrijkomen bij de winning van neodymium) staan te baggeren, die mensen hebben geen enkele keus. Ach ja, toch wel: nu van de honger dood omvallen of over tien jaar gevild worden door de kanker. Een geweldige keus. Nee, niet die mensen. Maar wel de exploitanten die dat neodymium, dat overal in de aarde zit maar waarvan de winning hier te lande met zoveel reglementen en voorschriften gepaard zou gaan dat het spulleke onbetaalbaar wordt, met gruwelijk harde hand en volledig onverantwoord uit moeder aarde persen om maar winstgevend te kunnen leveren. Een kolossale ramp die verdekt blijft omdat de rest van de wereld profiteert van het feit dat die ellende ‘mooi daar’ blijft. Je wilt niet weten hoe de aarde er daar uit ziet. Of eigenlijk wil je dat wel…

En dat is slechts nog maar één voorbeeld.
Waar zijn we in vredesnaam mee bezig…

*blogje op mijn old school van neodymium-magneet voorziene harde schijf opslaat…*

 

bang verdriet

tears“mam, ik ben zo bang…
bang dat ik alles fout doe…
bang dat ik iets vergeet…
bang dat ik niks kan…
bang dat ik het niet weet…”

“mama… ik ben zo bang…
bang dat ik iets kapot maak…
bang dat jullie dood gaan…
bang dat iemand inbreekt…
bang om voor gek te staan…”

“mams… wat moet ik nou…
moet ik echt harder worden?
of gewoon maar nooit meer wakker?”
onkinderlijk groot zijn de zorgen.
van mijn oh zo lieve arme stakker…

Zo gruwelijk verdrietig en onzeker, zo verschrikkelijk onder druk. Dichtklappen, niks meer kunnen zeggen. Toch maar iets opschrijven, op goed geluk… Maar zo gaat het niet langer, dit gaat niet goed. Je kind zo te zien lijden, werkelijk waar, mijn moederhart bloedt. Het enige wat ik kan doen is helpen, alle hulptroepen aanslepen. Hem toch maar weer opbeuren door al zijn goeds te onderstrepen… Maar soms weet ik het echt niet meer, is mijn engelengeduld op. Kijk ik enkel nog vol emotie naar zijn geworstel en getob. Sluit ik mijn ogen, terwijl ik me achter mijn handen verschuil. Opdat hij niet ziet hoe hard ik om hem huil…

..

(c) Lou

niet harder

De wereld om je heen is harder dan jij.nietharder
Zachtheid, emotie tot pulp gemalen.
Nog kind zijn niet langer toegestaan.
Niet uit je woorden komen is falen.

De wereld om je heen is harder dan jij.
En daarom huil jij een verborgen traan.
Verlegen- en onzekerheid zijn killing.
Prestatiedwang werpt je uit jouw baan.

De wereld om je heen is veel te hard.
Maar ik kan haar niet zachter maken.
Ik wou zó dat ik ’t kon, lieve schat.
Maar ik zal zelf over je moeten waken…

Voor mij hoef jij niet harder te worden.
Maar zonder verharding geen overleven.
Langzaam verdringen ze het kind uit jou.
En verleer jij om écht om mensen te geven…

De wereld is gewoon zo veel te hard.
Jíj bent juist precies zoals het moet!
Toch wordt er anders van je verwacht.
En kijk ik lijdzaam toe, naar wat het met je doet…

.
Rotwereld.

.

.

© LouTerLou

ja wat nou!

ik weet geen titel. Ik heb al in geen eeuwen meer geschreven. Zo voelt ’t althans. Mijn laatste blog is van 20 juli, bijna drie weken geleden. Het lijkt echt een eeuwigheid. We zijn op vakantie geweest. Een niet onverdeeld overgelukkige en relaxte vakantie, een schriftelijke klacht incluis. Daar blog ik ook nog wel een keer over. Vandaag nog effe niet.

Ik weet niet eens meer hoe het moet, dat bloggen. Ik zit hier en denk: “why the hell zal ik dit hier neerzetten.” Maar het is het gevoel wat er uit moet. Het gevoel dat alles te snel voorbij gaat. Het gevoel dat alles onder mijn neus gebeurt maar ik het niet zie. Het gevoel dat ik niet voldoende leef. Ik rij de berg af naar beneden, op weg naar de Lidl en het enige wat in me opkomt is: “bekrompenheid ten top”. Een durp, een school, een Lidl. Holladijeee.

Ik wil weg… Ik wil léven!!
Want zomaar ineens is het over en zelfs dat merk je dan zelf niet meer. Vandaag vernam ik dat een kennis (vader van vriend) een week geleden zomaar ineens, out of the blue, een zware hartaanval heeft gehad. De tot dan toe relatief fitte, vrolijke, levenslustige man van 63 kiepte om. Hersenschade niet te overzien. Net met pensioen en vanaf nu een kasplantje. Ik heb meerdere keren samen met hem getraind. En zomaar, van het ene op het andere moment, is deze mens onvrijwillig klaar met zijn leven. Want écht leven kan hij niet nu meer. Een toestand tussen coma en heel marginaal bewustzijn, nooit meer trainen, nooit meer reizen, nooit meer zijn kleinkind knuffelen, nooit meer zijn vrouw omarmen, nooit meer uit eten, nooit meer lachen, nooit meer liefhebben, nooit meer niks. Nooit meer. Zelfs de hoop dat hij weer zelf zal kunnen praten of eten is praktisch nihil. Wat is dat nou voor leven…

Na de eerste shock komt voor de achtenzeventigste keer het besef: leef nu… lééf!! Doe wat goed voelt, eet wat goed doet, zorg voor jezelf, geniet van alles wat goed is. Want zomaar ineens is alles voorbij. Dan is het te laat om te genieten. Het kloterige eraan is: hoe doe je dat. Hoe geniet je bewust. Hoe doe je precies dát waar je zin in hebt. Het dagelijkse leven haalt je na verloop van tijd toch weer in. Plichten, verantwoordelijkheden, kinderen, huishouden, moeten. En eigenlijk is dat maar goed ook. Want van de hele dag verplicht genieten wordt een mens ook weer intens moe.

Ik rommel maar wat verder met mijn leven. Als ik nu ineens omkieper, kan ik in ieder geval terug kijken op dik zeshonderd geschreven blogs. Oh nee. Dan kan ik niet meer terug kijken.

Ja wat nou…

Verbitterd

Ik ben, naast een gezegend mens (zie vorig blog), ook een uiterst verbitterd mens…

En dat niet eens qua gemoedstoestand maar in de absoluut letterlijke zin van het woord. Het is werkelijk niet te geloven hoe smerig medicijnen kunnen zijn. Mijn huidige antibiotica (waar ik inmiddels licht allergische reacties op vertoon maar met de gebruikelijke antihistaminica blijft ’t gelukkig nog binnen de perken) is zó ontzettend bitter dat alles in mij nu ook bitter is. Mijn bloed is bitter, mijn huid smaakt bitter, mijn speeksel is ’t allerbitterst. Waarschijnlijk is zelfs mijn vagina inmiddels verbitterd maar dat heb ik nog niet laten testen *kuch*.

Verbitterder kan ik niet zijn…

Lang leve de suikervrije mintdrops die ik zelfs in mijn slaap sabbel omdat ik anders dat bittere speeksel niet meer weg krijg. De shit is, dat de dingen die ik normaal gesproken lekker vind (koffie, (groene) thee, chocola, volkoren brood, gehaktballen enzo) nu óók bitter smaken. Alleen zoetigheid smaakt nog steeds zoet.

Nog een bitterzoet weekje voor de boeg…

.

Your touch so bittersweet
Baby, don’t forget my name
When the morning breaks us…

 

 

(Ellie Goulding – Bittersweet)

moor letoh ylenol
a ni dloc dna toh
uoy snrub ti wonk I
dna dloc dna toh

(hot and cold and
I know it burns you
hot and cold in a
lonely hotel room)