Romeo

Eigenlijk is ’t er niet.
En toch elke dag meer.
Als ’t dan plots stil is,
voelt het raar.
Onwennig.
Leeg.

Hoe lang houdt een liefhebben stand?
Hoe groot kan het ‘houden van’ nóg zijn?
Hoe lang mag ik al wat ik nooit meer dacht te mogen?
Hoe klein kan de afstand zijn voordat deze daadwerkelijk niet meer te overbruggen valt?

Zomaar ineens besef je hoe goed het is om intens lief te hebben. Dat het beter is dan welke andere sensatie ook. Ik zou niet weten waar ik anders voor gemaakt ben. Ik heb lief. Veel lief. Wat wil ik nu nog meer? Alles is er nu.

Dat ondefinieerbare gevoel dat iets eindelijk is zoals het altijd heeft moeten zijn. Die onderbuiksensatie die je niet langer meer kunt onderdrukken. Ik vond precies dat, waarvan ik nooit geweten heb, dat ik het zocht. En nu dat het er is, begrijp ik niet dat ik zo lang zonder heb kunnen leven.

Het nu is alles.

Het was nooit anders.

Call me Julia.

Worm

Ken je dat? Dat je jezelf het liefst op wilt delen?

Een schouderpartij voor de nodige steun hier, een torso voor het zware werk daar, één bil voor in bed, een hersenhelft voor het nodige denkwerk, een stukje staart voor de huishouding en met de rest van je hoofd totáál ergens anders.

Zoiets.

Maar helaas. De mens is en blijft een centralistisch wezen. Een ondeelbare bovenkamer van waaruit de boel in het gunstigste geval nog een beetje gedelegeerd wordt.

Was ik maar wat decentraler georganiseerd.
Met de mindset van een regenworm.
Of een axolotl.

Even scannen a.u.b.

Een grote bobbel. Dat is wat ik merkte, een week of anderhalf geleden. Ik legde mijn handen op mijn buik, op de onderste ribben en voelde een behoorlijke asymmetrie. Links een soort van derde, tepelloze borst, rechts gewoon ‘plat’ (voor zover plat bij mij mogelijk is) en dacht: ‘What the f….???’ en daarna niks meer, alweer vergeten. Ik blondie kan dat.

Maar de bobbel bleef en viel zelfs mijn man ineens op. Gisteren dus een eerste  poging tot betasting door de huisarts ondernomen. Helaas: die bleek op vakantie. Doorgereden naar een mogelijk vervangende arts maar die had geen praktijk op donderdagen. Nou dan niet! Bekijk het maar. Zal wel loslopen.

Vandaag heb ik toch maar een nieuwe poging gedaan: een derde lokale arts. Een internist. Om tien voor half acht was ik er al. De wachtkamer was een paradijs voor mensenkijkers. SMS-ende punkers, dames met hondjes in tassen, een peuter die de boel systematisch afbreekt, überzielige pubers met dramatranen in de ogen en een lachend levensverhalen mompelende man met Down. Een uurtje of anderhalf wachten en hoppaaa, ik ben al aan de beurt.

De huisarts drukt eens op de bobbel. Auw man! Het enige wat hij zegt is: ‘hmm’. En nog een keer. ‘Hmm’. Ik kijk hem bedenkelijk en sterk afwachtend aan.
‘Uw onderste rib is gebroken. Een pathologische breuk.’
Nu kijk ik meer dan bedremmeld. Hoe is dat mogelijk?? Ik heb niets raars gedaan, geen ongeluk gehad, niemand heeft mij mishandeld (voor zover ik me kan herinneren), ik heb mezelf niet eens naar behoren op de borst geslagen de laatste tijd.
‘De meest voorkomende oorzaak bij jonge [oh Danke, Herr Doktor!] mensen als u is een gezwel onder het bot.”
BAM. Uit het lood geslagen. Fijn hoor, zo’n eerlijke edoch tactvolle dokter.
‘U moet nu naar de radiologie in Linz. Dit moet wel gecheckt worden.’
‘Kan dat eventueel ook anderhalve week wachten? Ik heb nu erg weinig tijd…’
‘Nee. U moet nu gaan.’
De dringendheid waarmee hij dat zegt, is voldoende. Met een verwijsbrief en een kloppend hart van de schrik scheur ik naar de radiologische praktijk in de stad.

Weer een wachtkamer. En meer wachten. Een klein kwartier later ben ik al aan de beurt. Een propperige, gezette dame met jampotglazen duwt me met nogal harde hand op het verticale röntgenplateau, derde borst tegen de witte plaat.
‘En nu diep inademen en niet meer uitademen!’ Alweer auw…
‘Omdraaien tot ik stop zeg, dan weer inademen en NIET uitademen!’
Ben ik even blij dat ik tussendoor toch stiekem nog wat uitgeademd heb, anders had ik nu niet eens meer in kunnen ademen voor Tante Pollewop. Duwen, sjorren, nog een keer duwen. Zij zegt ook ‘hmm’ en haalt de opperradioloog erbij. Het zweet breekt me uit. Sta je dan, halfnaakt en klotsend tegen zo’n witte plaat op te rijen. Ik weet leukere hobby’s.

‘Ik kan het niet goed zien, de foto’s moeten later nog beoordeeld worden. Ik moet nu eerst even een echo maken’, aldus de radioloog. Ik ga op het met papier bekleede brancard liggen en oogst daarvoor meteen een klodder koude gel op mijn buik. Met de scankop drukt hij hard op de abnormale plek. Ik kan het woord ‘hmm’ inmiddels niet meer horen en vraag zonder omwegen of hij nu wat ziet of niet, en zo ja, wat.
‘Een breuk, ja. Verder niets. Raar hoor.’
Alsof hij er graag van alles had zien zitten en nu bijna een beetje teleurgesteld is. Jammer zeg, wéér geen drama vandaag… Ik  hoor het hem denken en vraag nog een keer voor alle duidelijkheid of ik me nu echt geen zorgen meer hoef te maken. Hoef ik voorlopig niet. Ja die breuk, dat is raar. Ontzien. Geen al te wilde dingen doen, niet boksen, niet bungeejumpen. Oh jee… dat wordt afkicken de komende weken. De rest lijkt oké, maar ik moet nog wel even de uitslag van de röntgenfoto’s afwachten voor het uiteindelijke ‘O.K.’ Die komen volgende week met de post. Wat een opluchting. Om tien uur ben ik weer thuis en plof met een kop koffie op de loungebank op het terras.

Na een emotioneel rondje scannen nu dan  de rest van de oorspronkelijke plannen…

Blik kan doden

Mijn Audi roest. Een beetje. Hier en daar zelfs wat meer. Eén van de redenen die de APK -man aanvoert voor zijnRoestaudi oordeel: afgekeurd. Ik snap dat niet. Afgekeurd vanwege oxiderend ijzer. Als ik zie wat voor bruine bakken er wél op de weg mogen… Onbegrijpelijk. Roest wegwerken vergt wat inspanning en mijn man doet zijn uiterste best inzake reanimatie. Noeste arbeid steekt hij erin om roest, haperende remmen,  sturingsproblemen en kapotte lagers weer in het gareel te krijgen. Ik denk bij mezelf: “oh my god, daarmee ben ik met 200km/h naar München gescheurd…” maar wie ben ik om te klagen; ik leef nog. En ik kan het niet repareren dus ik houd mijn gemak en laat hem prutsen. Stukken blik worden met urenlang minutieus gepriegel gebogen en gevormd. De lokale garageflip moet die er dan aansluitend in gaan lassen.

Ik ben ook nuttig bezig geweest. Ik heb uitgebreid de tuin doorgeploegd. De hoeveelheid tuinafval is indrukwekkend en mag in ieder geval niet op onze oprit wegrotten, dus laad ik alle zakken, kratten, kisten en dozen in onze andere auto (een Skoda, zijn auto. Hahahaha). Op naar het afvalcentrum. Ook nog een oude fietsband, een ijzeren onding namens booglampenvoet, wat reststukken blik, een oude deken en een zak met vergaan plastic uit de garage ingeladen. Opruimen is mooi werk.

Na het afvalcentrum scheur ik door naar de Lidl, waar ik ineens zie dat ik vijf telefoontjes gemist heb. Ai. Meteen gaat foon alweer opnieuw over. Man. In paniek stamelt hij:  “WAAR IS DAT STUK BLIK WAT IK GEBOGEN HEB???” Ik antwoord bedremmeld dat ik werkelijk waar geen idee heb. Ik heb wat afvalstukken weg gesodemieterd, dat wel… “Het lag in een kist met spullen op de grond!” Oh… ja… die kist… die heb ik ook opgeruimd. Alles in de gigantische oudijzercontainer die al half vol was met groot en klein schroot. Ik hoor de vertwijfeling in zijn stem. Die jammert heel hard ‘neeeeee….’ Hij legt me melodramatisch uit dat hij daar gisteren de hééééle godsganselijke dag mee bezig is geweest (duh… maar twee uur. Ik weet dat) en dat ik NU METEEN naar huis moet komen omdat we SAMEN dat stukje blik in die rotcontainer gaan zoeken. Bevel is bevel. Zonder een verder overbodig woord laat ik de Lidl achter me en haal hem op. We rijden onder het genot van een gefrustreerd potje doodzwijgen terug naar het ASZ.

Daar kijkt hij verbouwereerd in de container. Acht meter breed, drie meter diep. En bovenop mijn ‘oud ijzer’ ligt al lang een nieuwe lading grof oud ijzer. We moeten erin. Ik haal zuchtend een ladder bij een medewerker. Handschoenen aan. In de container is het een enorme zooi met veel scherpe randen en acuut instortgevaar. De loodzware voorplaat van een gestorven sigarettenautomaat bedekt een verbogen winkelkarretje. Al dat spul is in nog geen kwartier erbij gekomen.. Daaronder nog meer chaos. Ik mompel dat dit onbegonnen werk is, vind maar eens een stukje plaatblik van twintig centimeter lang en en zes centimeter breed in deze metersdiepe ijzerpuinhoop. Man kijkt me pisnijdig aan. “JIJ hebt het weggegooid, terwijl het duidelijk géén afvalstuk was!! Zoeken!!” (Het woord ‘kreng’ dacht hij er met grote zekerheid achteraan). Voor mij was het overduidelijk wél een afvalstuk maar het lijkt me beter om dat nu maar even voor me te houden.

Na wat pijnlijk ijzerworstelen was ie daar dan toch. Het stuk blik van onschatbare waarde. Ik lever man thuis af, grom  iets te luid dat hij het ding vooral nog even goed moet knuffelen en oogst een zoveelste blik die kan doden.

Oh Lidl, ik kom eraan!!!

 

Diplomatiek?

Een ware diplomaat is iemand, die twee keer nadenkt voordat hij niets zegt…

Dat zei Winston Churchill ooit. Het klopt. De ultieme diplomatie is het weldoordacht achterwege laten van woorden zodat de gesprekspartner erin kan interpreteren wat hem of haar op dat moment past. Indien nodig zelfs de onwetendheid. Stilte toelaten getuigt ook van kracht. Zelfs, of nee, juist in onderhandelingen of discussies.

Wat was ik graag stil gebleven. Weer een discussie die volledig ontaardde. Een gesprek dat geen gesprek meer was maar enkel nog een uitbarsting. Een gezwel van uitlatingen, waarbij plotsklaps sprake was van vijandige partijen in plaats van vrienden. En ik was duidelijk geen goede diplomaat. Ik had minstens twee keer na moeten denken om vervolgens heel verstandig mijn kaken op elkaar te houden en mijn vingers van het toetsenbord. Ik meldde wat ik ervan vond. En daarmee was het kwaad geschied: vanaf dat moment had ik eigenlijk moeten kiezen…

Ik weiger. Voor de zoveelste keer hou ik te laat mijn mond om vervolgens de gedwongen keuze achterwege te laten. Ik ben nog steeds een leek in de kunst van het op de juiste momenten niets zeggen.

Nooit te laat om te leren.

 

Doe jij even

… de huishouding, de was, de vuilnis?DoeJijEven
… de kinderen, het eten, de administratie?
… de kerstcadeaus, de tuin, de rekeningen?
… de katten, de doktersbezoekjes, de boodschappen?
… de vaatwasser, de correspondentie, mijn leven?

Natuurlijk, schat. Doe ik. Vanzelfsprekend.

Vanzelfsprekendheden zijn killing. En ik ben ogenschijnlijk de vanzelfsprekendheid in persoon. Ben ik dan ook killing? Voelt eigenlijk meer als slowly being killed. Maar het is goed zo. Beter wordt het waarschijnlijk niet. Wel lastiger om vol te houden. Bij veel van wat ik doe, denk ik: “Het klopt niet. Zó ben ik niet. Dit ben ik niet.” Op een onverwacht moment wordt je een spiegel voorgehouden en vraag je je af wie je dan wél bent. Je weet het antwoord al. Ik ben degene die gekozen heeft. Dus ook degene die moet leven met de consequenties daarvan. Daar voeg ik mij naar: het waren mijn keuzes. Mijn verantwoordelijkheden verzaak ik niet.

Groei is pijnlijk. Verandering is pijnlijk. Maar niets is zo pijnlijk als ergens vast te zitten waar je niet thuis hoort.” Mandy Hale (Auteur van ‘The Single Woman’) zei dat. Mandy zegt trouwens een heleboel en het meeste daarvan schaar ik onder het kopje ‘gewauwel met hoog open-deur-gehalte”, maar in dit geval vind ik dat ze gelijk heeft. Het is pijnlijk te beseffen dat je vast zit in een rol die je jezelf weliswaar aangemeten hebt maar waarvan je tijdens de hele opvoering bemerkt, dat je hem niet naar behoren kunt spelen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“je weet niet wat je mist, tot het er niet meer is.”
De waarheid is: Je wist precies wat je had.
Je had alleen niet gedacht, het ooit te kunnen verliezen…

Wat zeggen ze ook alweer?
“Het leven gaat door.” Play your part.
Neem het vooral niet te letterlijk.
Hopelijk kan het tóch weer beter worden…

Catastrofe

Toe, zeg me dat de plek waar ik nu ben, een veilige is?
Dat het woord dat je me vandaag gaf, morgen ook nog geldt?
Het goede staat plotsklaps stil maar de wereld wordt steeds sneller.
Als jij terugkomt, blijkt alles al lang nog meer veranderd gebleven.
Geef me dat beetje zekerheid dat toont dat niets écht zeker lijkt?
Ik knijp mijn ogen dicht en hoop bijna hard dat ’t ineens onwaar is.
Het is te eenvoudig: ik heb zo veel lief en word ook lief gehad.
Leef niet meer in het verleden, kijk niet eens naar de toekomst.
In gedachten ontwaak ik elke dag daar, waar ik nu zou willen zijn.
Neem een deel van mijn voortdenderende snelheid weg?
Geef me iets, maakt niet eens uit wat, dat voor altijd blijft.
Maar ook al gaat de wereld om ons heen langzaam kapot,

dit blijft eeuwig onaangetast. Niets gebeurt werkelijk…

Zo verwarrend
mag het zijn.
Zo catastrofaal.
maar zo mijn.

#usb3

Kwetsbaar

“Je zult je eigen kwetsbaarheid moeten accepteren en ook het feit omarmen dat jij, net als ieder ander, imperfect bent.” Ik weet niet of ik dat kan maar ik zal het in ieder geval proberen. Als Brené het zegt… Ik weet namelijk heel goed dat ik niet perfect ben. Alles andere dan dat. Maar dat gegeven als notoir perfectionist dan ook nog moeten omarmen…

Ik heb op YouTube een film gezien van Dr. Brené Brown. Ze heeft jarenlang intensief onderzoek gedaan naar de kwetsbaarheid van de mens en de voordelen die met een dergelijke kwetsbare opstelling te behalen zijn. Iedere mens met een gezonde dosis eigenwaarde heeft inherent daaraan een sterke drang om zich geliefd te voelen en om ergens bij te horen. Zulke mensen vinden namelijk dat ze die liefde en dat gevoel van verbondenheid waard zijn. Bindingsangst is in die zin dus enkel de angst om die verbondenheid niet waardig te zijn. “Waar heb ik jouw liefde aan verdiend? Dat ben ik niet waard…” Herkenbaar?

De mensen die zichzelf al datgene juist wél waard vinden, zijn meteen ook de meest oprechte mensen. Ze hebben de moed om imperfect te zijn, de compassie om eerst aardig voor zichzelf te zijn en dan voor anderen, en de verbondenheid die het resultaat is van hun oprechtheid. Ze hebben de capaciteit om los te laten wie ze volgens ‘de meningen’ zouden moeten zijn zodat ze kunnen laten zien hoe hun persoonlijke werkelijkheid er uit ziet. Deze mensen omarmen daarmee hun kwetsbaarheid. Het is de wil en het vermogen om als eerste “ik hou van je” te zeggen, niet wetende of het “ik ook van jou” er ooit op zal volgen.

Wij, en veruit de meeste mensen met ons, zijn juist geneigd om onze kwetsbaarheid weg te moffelen. Onder het tapijt ermee. Vooral niet naar omkijken, niet laten zien. Maar je kunt emoties als zodanig niet selectief onderdrukken. Als je slechte gevoelens wilt onderdrukken, onderdruk je daarmee meteen de totaliteit van emoties. Het enige wat varieert van mens tot mens, is de manier waarop er onderdrukt wordt. De één doet dat met alcohol, de volgende met drugs of antidepressiva, weer een ander sluit zich gevoelsmatig volledig af en vegeteert voort binnen de eigen vier wanden. Comfortably numb. And comfortably lifeless…

Het zichzelf openlijk, diepgaand en kwetsbaar kunnen laten zien.
Het oprecht liefhebben, ook al is er nooit enige zekerheid omtrent wederliefde.
De dankbaarheid voor wat er dan wél gegeven is.
Het kunnen zeggen: “Moet je kijken, zó veel kan ik van je houden!” (en dan de armen zo wijd mogelijk uitspreiden), zonder er gelijk een dramatische rampzaligheid van te maken.
Geloven, nee wéten dat je goed bent zoals je bent, met al je imperfecties en eigenaardigheden.
Alleen dan kunnen we eindelijk ophouden met schreeuwen en beginnen met luisteren.

En ik vind dat ze dat meer dan mooi gezegd heeft, die Brené Brown.

Nu nog doen.

mag ik ’t ruilen?

“Gelooft u in de liefde?
Nu lacht u.
Ik zie het.
Maar ik vraag het in alle ernst…

Natuurlijk spreek ik niet van die uitbraak van hartstocht waarvan we allemaal menen, dat deze een leven lang niet zal eindigen, die hartstocht die ons dingen laat doen en zeggen die we later berouwen, die ons wil laten geloven dat we zonder een zekere mens niet meer kunnen leven, die ons laat beven van angst bij de gedachte dat we deze mens zouden kunnen verliezen. Dat gevoel dat ons niet armer maar ook zeker niet rijker maakt omdat we enkel willen bezitten wat we niet kunnen bezitten, omdat we vast willen houden wat we niet vast kúnnen houden. Ik bedoel niet die lichamelijke begeerte, niet de eigenliefde, die parasiet die zich zo graag als de onzelfzuchtige liefde vermomt.
Ik spreek van de liefde, die blinden tot zienden maakt. Van de liefde die sterker is dan de angst. Ik spreek van de liefde die het leven weer zin geeft, die niet toegeeft aan de wetten van verval, die ons laat groeien en die geen grenzen kent. Ik spreek van de triomf over de zelfzucht en over de dood.”

Ik lees momenteel het boek “Das Herzenhören” van Jan-Philipp Sendker (origineel in het Duits, de Nederlandse versie heeft de titel “Het Theehuis van Kalaw”), een boek zoals ik nog nooit een boek gelezen heb. Ik zou op elke pagina kunnen markeren dat ik die alinea moet onthouden. Elke bladzijde is zo mooi geschreven, zo intens, zo vol hartstocht en zo waarachtig dat ik er soms de tranen van in de ogen krijg. De passage hierboven had ik als eerste gemarkeerd. Niet om het antwoord op de vraag maar om de vraag zelf. Gelooft u in de liefde? Luister met het hart en geloven verandert in weten.

Ik luister nog steeds bijna uitsluitend met mijn oren.
Mijn hart weet al veel beter maar laat het gebeuren.
Het hoofd zou enkel nog met dat wijzere hart moeten luisteren.
Toe, mag ik ’t mijne ruilen?

Liever parallel

Vanochtend zag ik een plaatje op Facebook. Ik was er meteen door gefascineerd. De triestheid van de lijnen, waarvan ik er één ben. Doet me denken die eenzaamheid van de priemgetallen. Levenslijnen in levende lijve.

Ik zou het plaatje willen bewerken: er staan duidelijk te weinig lijnen op. In ieder geval een flinke set parallellen meer. Sommigen heel dichtbij. Zo dichtbij dat je bijna niet ziet dat we nog twee lijnen zijn. Sommigen wat verder weg, maar nog steeds gelijk opgaand, altijd naast me.

Er zijn zoveel lijnen die kruisen. Ineens botsen we op elkaar, gaan in elkaar over. Op het kruispunt denk ik: hier stoppen we allebei met lijn zijn en worden voor eeuwig een punt. Maar zo werkt het blijkbaar niet. Ik loop door, of ik wil of niet. Zo gaat dat met lijnen. Langzaam weer weg van dat punt van perfecte interactie. Dan loop ik toch liever parallel…

Hé, ik zie een lijn die praktisch gelijk met mij loopt… Nog veel te ver weg en de toenadering is haast onmerkbaar. We lijken parallel maar zijn het niet. Uiteindelijk komt er een snijpunt. En daarna wil ik dood.

parallellines

Weggeglipt kruis

Verbaasd staar ik in mijn onderbroek. Het ding is echt weg. Hoe is het mógelijk… Als ik nou een tanga aan had gehad, had ik me voor kunnen stellen dat het weg kon glippen maar mijn huidige figuurcorrigerende tentje had toch echt in staat moeten zijn om dergelijk inhoud op zijn plaats te houden. Niet dus. Ik voel tegen beter weten in gelijk maar even van binnen. Ach nee, dat kan niet… dat voel ik dan toch… Toch??

Een beetje beduusd kom ik toch maar een keer overeind, uitgeplast ben ik immers al lang. Licht grinnikend kijk ik om me heen. Onder het toilet, in mijn broekspijpen, in m’n haar. Check mijn achterkant in de spiegel. Stel je voor dat het ding daar ergens hangt en de man van de pakketdienst zijn lachen daarom maar ternauwernood kon onderdrukken… Hij was wel verhipte snel weer weg.

Verdwenen is het en verdwenen blijft het. Een waar mysterie. Ik vrees het ergste, namelijk dat het bij de vorige toiletgang tijdens het omlaag sjorren vaninlegkruisje mijn broek in de toiletpot geglipt is. Bij de eerstvolgende verstopping rukt mijn man vast mijn kop eraf, als hij de oorzaak vindt. Rest mij enkel nog voor het kruis te bidden. Op dat mijn inlegkruisje alle bochten tot de hoofdrioleringsbuis tóch heeft weten te halen. Dan dobbert het nu wel moederziel alleen rond in de wateren van de zuiveringsinstallatie drie kilometer verderop… Een wit streepje in bruinzwarte soep. Ik bid ook maar meteen voor groot absorptievermogen.

Kom Karma, kom!

“Karma? Kom je nog?” Karma slaapt. Diep. Onwetend waar het de gevolgen betreft van alles, wat zich vandaag afspeelde. Rustig ademend ligt ze op de sofa, droomt over iedereen die ze nog te grazen mag nemen. Zelfs haar comateuze wijze van slapen is nooit zonder uitwerking want uitgestelde wraak is des te zoeter. Als ze na haar dutje maar niemand vergeet…

Wie neemt haar naam niet in de mond als het even zo uitkomt? Karma is gonna get you. Karma is a bitch. Simpel principe van oorzaak en gevolg. Alles wat een mens doet, is uiteindelijk van invloed op de rest van diens onbetekenende leventje. Er zijn te veel spreekwoorden voor: Wie goed doet, goed ontmoet. Boontje komt om zijn loontje. Boeddha wist waarover hij het had; betitelde zijn liefdevolle karma-doctrine als de ‘leer der daden’. Maar wat ik me steeds opnieuw afvraag: waarom komen zoveel mensen dan tóch weg met alle afschuwelijke dingen die ze uitvreten?

Net acht jaar oud. Je kwetsbare, naakte kruisje wordt zorgvuldig uitgestald op Marktplaats. Je ouders zitten tot over hun oren in de schulden en hopen deze met het geld van een paar pedofielen af te kunnen betalen. Je mams heeft het je meermaals toegebeten: “Waar heb ik jou anders voor gemaakt? Een beetje profijt hebben van mijn eigen productie, daar is toch niks mis mee? Toch??” De gegadigden krijgen van pap alvast wat lekkermakende foto’s van jou, zodat ze een grof beeld kunnen schetsen van alles, wat ze met je zouden willen doen en daarvoor een passend bod uit kunnen brengen. Bedragen tot vijftigduizend euro om bij jou alle denkbare lichaamsopeningen te mogen vullen, worden geboden. En maar al te graag geaccepteerd. Je kamertje is al zorgvuldig geblindeerd, je meisjesbed van een vochtdicht hoeslaken voorzien. Maar het lot wil dat je oplettende oom de laptop van papa leent. Heb jíj even geluk, meiske…

“Van je zwager moet je het maar hebben”, zal moeders gedacht hebben. In de verhoren volgen allesomvattende maar onvatbare bekentenissen. Jammer genoeg zijn die voor de poes haar spleetje: Men vergeet je ouders te wijzen op hun recht op een advocaat. Dit vormfoutje maakt de biecht in één klap waardeloos. De pedo’s komen niet. De ouders wel. Vrij. Als Karma per toeval eens níet ligt te slapen, zal die vrijheid hun straf worden.
Karma? Kom nou toch…

Getwijfeld over België

Luisterend naar het Goede Doel vraag ik me ernstig af, hoe een mens daadwerkelijk kan twijfelen over België. BelgIk vind Belgen leuk hoor, begrijp me niet verkeerd. Maar een land, dat het voor elkaar krijgt om ondanks het feit, dat de hele incestueuze EU in het eigenste eigen Brussel rond en in elkaar schijnt te kruipen, nog steeds zo onbetekenend kan zijn, zo’n land fascineert mij. Misschien ligt daarin dan ook wel weer de charme. Al een kwart eeuw (of langer?) kunstig balancerend op het randje van faillissement, een volledig gespleten persoonlijkheid die zich weerspiegelt in ziekelijk vlaams- cq. wallonisch patriotisme, lekkere patatten producerend, bewonderenswaardig corrupt (daar kan men nog iets van leren: mocht je daadwerkelijke een tweede witrood nummerbordje op je wagen willen – aan de voorkant bijvoorbeeld -, tel je gewoon een paar extra flappen neer), volledig vervallen tot mysterieuze, Transsylvaans aandoende ruïnes rond een paar bergen die wildwaterkanovaren, canyoning en survivallen als opperste attractie bieden, een zeikend manneke als landelijk symbool en voorzien van een flink stel stalen ballen. Ja, dat lijkt me wel wat. Ik ga toch nog eens even ernstig twijfelen over België. Oostenrijk is me te bieder gebleken.

Zouden ze in België ook een Samsungaccountsynchronisatieservice hebben?

Dopjesellende

Kwart over elf ’s ochtends. Ik ben klaar met het in de auto proppen van ski’s, schoenen, skistokken, kinderen, kleren en de hele santemekraam. My job. Voor mijn part kunnen we weg. Man mompelt dat we onderweg nog even in Machstadt bij een bedrijf langs moeten: hij heeft daar een 20-tal buisdopjes Navi1voor het luttele totaalbedrag van €1,40 besteld, die wil hij nog even ophalen. Dan kunnen we ons namelijk die tien euro verzendkosten te besparen en het is sowieso maar tien minuutjes om. Tuurlijk schat. Doen we.

Onderweg vraag ik voorzichtig of hij dan ook weet waar het ongeveer is. Hij kijkt me aan alsof ik hem net recht in zijn gezicht een lamme castraat genoemd heb. Natúúrlijk weet hij waar het is. Bij de afslag Machstadt begint het gedonder.
‘Hm. Volgens mij hadden we af gemoeten… Dit herken ik niet’
(Alsof hij ooit van tevoren in dit gat is geweest. Not.)
‘Wat raar. Hier had een weg moeten zijn volgens ’t kaartje.’
‘Welk kaartje.’
‘Dat op mijn telefoon, duhuhh. Maar ik weet het wel uit mijn hoofd.’
‘Jij hebt een káárt??? … Heb je ook het adres toevallig? Dan kan ik het in de navigatie intypen, nu we het toch niet kunnen vinden.’
‘Ik zei toch, ik wéét waar het is? Jij met je navi. Pffff…’

Ik graai zijn telefoon uit mijn (!) tas, waar ik het ding met mijn vooruitziend oog maar vast in gestopt heb omdat hij ‘m anders weer eens vergeten zou zijn, en grasduin door het oerwoud aan blauw-rood-groene windowsblokjes naar zijn notities alwaar ik een prachtig vanaf zijn laptopbeeldscherm gefotografeerd kaartje ontdek. WTF?? Daar staat nog geen miezerige straatnaam op, alleen een zigzagstreepje van de autobaan naar punt “A”. Het door hem genoteerde adres: Norderprischl 12. Ahah. Bingo. Zou je denken. Onze navi (ook liefdevol ‘naveltje’ genoemd) ziet in ieder geval nergens iets van een bingo. En Norderprischl bestaat niet, zegt ie ook. Man rijdt ondertussen lustig verder, zijn doel langzaam maar behoedzaam cirkelend besluipende. Foeterend staat hij ineens op één of andere rechter rijstrook terwijl hij toch echt linksaf had gemoeten. Links it is. Dáár moet het zijn. Hij snijdt een Twingo (ach, die hadden we toch bijna niet gevoeld als we ‘m geramd hadden) en slaat vol energieke frustratie alsnog linksaf. Ik word langzaamaan misselijk van het prutsen in mijn naveltje, die nog steeds niks vindt. Dan maar weer berustend en vooral mond houdend terug naar de navi-kaart en kijken hoe we onze rondjes draaien, op zoek naar een zakje buisdoppen.

‘Hè?? Daar is water!! Zie jij op míjn kaartje ergens water???’
‘Ik zie helemaal niks op jouw kaartje. Dat is geen kaartje, dat is hooguit een gruwelijk slechte foto.’
‘Aan jou heb ik ook niks.’
Grimmige blik.
‘Waarom heb je ze niet even gevraagd hoe je dan precies moest rijden?’
‘Aaaahhrgg!!! Omdat ik het al wist??? En het adres héb ik toch gevraagd, hoe denk je anders dat ik daar aan kom???’
‘Euh… nou… van de website of zo?’
Nog grimmigere blik.
‘Ik heb wel een Niederpirsching gevonden trouwens…’, mompel ik.
‘Nou dan typ je dat toch lekker in. Doe je best. Zonder kotsen graag.’
De navi meldt dat we 10km van ons doel af zitten.
‘Dat kan niet. Dat is sowieso fout’.
‘Maar waar zitten we NU dan volgens jou??’
‘JA WEET IK VEEL!!! OP DE WEG, MENS!! En wij zijn helemaal niet daar waar die navigatie zegt dat we zijn. Dat ding klopt voor geen ene meter.’

Ik zeg niks meer, smijt zijn (data- en navigatieloze) mobiel met prutsfotokaartje aan de kant en neem de mijne, doe GPS aan, start Google Maps en bekijk waar we volgens mijn mobiel dan nu zijn. Goh. Op het punt waar de navigatie ook al zegt dat we zijn. Verrassing…
‘Dat kan niet. Daar is een riviertje. We zíjn niet bij een riviertje.’
‘Lieverd, we zitten in midden in Wertz…’
‘Als we in Wertz zitten, laat ik de boel verdomme alsnog opsturen. Dat kan niet kloppen.’
‘Nee, de satelliet is vast een beetje van het padje, ik snap dat. Echt’
Dodelijke blik.
Dochter meldt zich luidkeels: ‘Ik moet heeeeeeeeel erg naar de WC!!!’
Zoon mompelt: ‘…en ik heb toevallig hartstikke erge honger’
Ik steun: ‘Ik heb hier geen zin meer in. Ik ben misselijk… dit alles voor rottige tien euro verzendkosten, dat zijn we nu al lang aan diesel kwijt…’
‘Ja halloooo, dat kon IK van tevoren toch niet weten???’
Waar hij gelijk heeft, heeft hij gelijk. Maar hij moppert al weer luidkeels verder dat hij nu wel weet dat hij in toekomstige noodsituaties ook helemaal niksnoppesnada aan ons zal hebben, met ons gezeur en gezeik. Als ik eens wat zoek in de toekomst, zal hij ook even lekker precies zo gaan emmeren en zeuren. Helaas voor hem gebeurt dat dus nooit, want a) noteer ik adressen zorgvuldig, b) heb ik een navigatiesysteem én een werkend mobieltje met Google Maps en c) ben ik een vrouw. Als ik het niet kan vinden, vráág ik gewoon.

Na absoluut niet overdreven een  uur en een kwartier lang rond gekard te hebben, flikkert hij de auto (mijn auto!) aan de kant en kijkt mij aan.
‘Goed. Dan zeg jíj maar hoe ik moet rijden.’
Eindelijk. Capitulatie. I’m loving it.
Het eindpunt van de zigzaglijn op zijn topkaartje bestudeerd hebbende, lijkt Niederpirsching voor mij toch echt te kloppen.
Ik klik op de routeberekening op mijn mobiel.
‘OK. Rechtsaf.’ En loods hem er linea recta naar toe.
Na een geweldige totaaltijd van dik anderhalf uur zijn we dan uiteindelijk toch bij het dopjesbedrijf, waar hij met grote stappen weg beent om zijn zakje plasticprut te halen.
Niederpirsching 12.
Met je Norderprischl…
Maar de 12 had hij tenminste goed.

De kinderen zijn inmiddels volledig gaar gekookt, we hebben allemaal honger en ik moet minstens een liter lichtgeel water lozen. Koffie drijft nu eenmaal vocht af. Conclusie: wij willen na deze odyssee naar de McDonalds. Man pertinent niet. En ik dan ben er klaar mee.
‘IK. Moet. Plassen. WIJ. Hebben. HONGER. En dus rijd JIJ nú naar de eerstvolgende McDonalds!!’
‘Grmpf.’

Navi2

Gelukkig zijn Macs duidelijk sneller te vinden dan dopjesbedrijven. Ik bestel een grote box chicken wings. Ik moet nu even ergens heel hard in bijten en het liefst tegelijkertijd een paar botten breken. Hij wil zich niet voor mijn behoeftes ter beschikking stellen en drinkt stoïcijns zijn protestkoffie.

De rest van de weg rijd ik.
Vakantie.
Met een toffe zak dopjes.
Hoezee.

“Heeft u een momentje?”

Tuudeleduudelduut…
“Goedenavond! Ik ben van de politieke onderzoeksinstelling en ben op zoek naar jonge, Oostenrijkse respondenten. Heeft u een momentje?”
“Nee.”
BAM.
Ik ben ten eerste meer dan stokoud en ten tweede zeker niet Oostenrijks. En bellen rond etenstijd is not done, ook al ben ik dan de enige Hollandse idiote in dit maffe land die ’s avonds pas warm eet op tafel pleurt.

Tuudeleduudelduut…
“Goedendag, ik bel u van de nationale consumentenvestiging, het gaat om het huidige misbruik van uw persoonlijke data.
“ooh jah!! Daar heb ik net al uitgebreid met een collega van u over gesproken!”
“Echt waar?? Hoe heette die?”
“Diana Nogwattia. Weet ik niet meer”
“Aha. Diana. En wat heeft ze genoteerd?”
“Dat ze me die flatscreen TV per omgaande gratis toestuurt omdat ze mijn data al onrechtmatig verkregen had en alles dus in orde was.”
“Euh… ja.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudelduut…
“Goedendag. Ik bel namens het marktonderzoekbureau Verteltuonsalles. Wij doen onderzoek naar schaamhaarscheermesjes [nou ja, eigenlijk zei hij “scheermesjes” maar dat staat er voor mij gelijk aan]. Heeft u een momentje?”
“Natuurlijk” [Daar weet ik namelijk alles van hè, dus dan heb ik wel een momentje om mijn expertise te delen].
Om vervolgens de heer in kwestie tot in den treure de oren vol te lullen over de scherpte van de mesjes, de stoppels, de jeuk en de pukkels die bij te snel bot geworden gereedschap gegarandeerd zijn, over het te snel roesten die bij chronisch gebruik onder de douche, over de merken die ik ken en natuurlijk niet te vergeten: mijn wedervraag over hoe hij zélf de schaamhaarcoiffure ervaart. The time of his life, gegarandeerd. We nemen als goede vrienden afscheid van elkaar.

Tuudeleduudelduut…
“Hallo! Wij bellen van Bureau Consutentenmest. Heeft u een momentje om wat vragen te beantwoorden?
“Hoe lang duurt dat momentje?”
“Hooguit vijf minuten”
“Dan nee.”
BAM.
Want vijf is minstens vijftien bij die lui. Als hij nou twee had gezegd…

Tuudeleduudeleduut….
“Firma MaxiLuxi, Schadeloosstellingsafdeling.”
“Haiii!!!”
“Mw. L.-B. het gaat om het volgende. U heeft in het verleden wel eens deelgenomen aan loterijen en nog nooit iets noemenswaardigs gewonnen in al die tijd.”
“Nee hoor. Ik heb al best vaak wat gewonnen. In 1998 zelfs al een keer 7000 gulden.” [dat was weliswaar met z’n vieren en we hebben dat geld gelijk verbrast aan gruwelijk dure sushi en wijn, maar goed.]
“Maar niks noemenswaardigs dus [euh… ok…] en daarom krijgt u nu een schadevergoeding van de Europese loterijvergoedingsorganisatie voor al die keren dat u niet gewonnen heeft.
“Ik vond het wel noemenswaardig hoor.”
“Ja… goed. Maar u heeft tóch recht op een schadevergoeding, omdat dat bij de normale loterij was en niet bij euh… euhm… telefoonloterijen.”
“Goh. Wat fijn. Hoeveel is dat?”
“Heeft u nog de laatste bevestiging van de laatst deelgenomen loterij?”
“Nee, natuurlijk niet.”
“Dan laat ik u een voucher toekomen voor 25 euro en die kunt u dan als bewijs voorleggen. Zo gauw u die heeft ontvangen, belt u het nummer op de voucher en dan krijgt u uw schadevergoeding.”
“En hoeveel ís dat dan?”
“Dat weet ik nu vanzelfsprekend nog niet, dat wordt dan vastgesteld aan de hand van wat u niet gewonnen heeft.”
“Mag ik uw naam en adres?” [met dramatische snik in de stem]
“… Waarom?”
“Omdat ik u een grote bos bloemen wil sturen voor zoveel oprechte naastenliefde en allesomvattende barmhartigheid. Uw werk maakt hele groepen mensen gevoelsmatig rijker dan ze ooit dachten te zijn, uw stem is zo zacht, zo mooi en zo… zo ontzéttend liefdevol. En het bedrijf waarvoor u werkt, verdient werkelijk waar een lintje. Een lintje voor onzelfzuchtige bedrijven. Ik heb nu letterlijk de tranen in de ogen van dit altruïstische gebaar dat u ogenschijnlijk tientallen malen per dag maakt, en zelfs vele collega’s daar met u. Wanneer komt die voucher? Dan kan ik daarmee alvast de bos bloemen kopen.”
tuut-tuut-tuut….

Tuudeleduudelduut…
“Goedenmorgen mevrouw! Mooie dag, vindt u ook niet?”
“Nee.”
BAM.
Welke telefoonidioot opent er nu zo een gesprek.

Tuudeleduudeleduut….
“Hallo?”
“Hallo, kan ik met Mw. Lou L-B. spreken?”
“Met wie spreek ik?”
“Met Anna Lucht van de Duitse Loterijmaatschappij. Spreek ik met Mw. Lou L-B.?”
“Momentje, ik moet éven kijken. Volgens mij is ze nu nét weer compulsief aan het overgeven. Ze heeft namelijk gisteravond kip gegeten bij haar schoonmoeder en sindsdien is ze niet meer van de WC af te krijgen. Spuitpoepen en kotsen alsof haar leven ervan afhangt. Doet het ook trouwens. U zou het moeten zien. De gelige kipstukjes die nu al aan de muur plakken. En de toestand van WC zelf… echt, ón-mó-ge-lijk. Heeft u beeldtelefoon?”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Hallo Mw. Lou, Ik ben Miep Gezelli van de Europese Voordeelsgemeenschap. Heeft u een momentje?”
“Nee.”
“Ik wil u namelijk graag mededelen dat uw lidmaatschap over drie maand afloopt en daarna staat u automatisch geregistreerd voor 79 euro per maand. Wilt u dit opzeggen?”
“Ik ben geen lid.”
“U bent wel lid.”
“Ik ben niet lid.”
“U bent wél lid.”
“Ik ben niet lid.”
“U bént wél lid!!!”
“Kunt u mij dan mijn lidmaatschapsbevestiging even doormailen? Op Miep@verarschtmich.de. Oh en stuur het directe telefoonnummer van uw supervisor ook gelijk even mee alstublieft.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Met Robin Wood van de Norddeutsche Klassenlotterie!”
“Ah Robin!! Wat geweldig leuk je weer te spreken!! Hoe is het met je twaalf kinderen? Leven ze allemaal nog? Ik zou dat met jouw callcentersalarisje rechtmatig kunnen betwijfelen natuurlijk.”
tuut-tuut-tuut…

Tuudeleduudeleduut…
“Kan ik Mw. LLB spreken?”
“Spreekt u mee.”
“Ah mooi. Mw. Lou, ik moet even uw gegevens verifiëren…”
“Waarom?”
“Nou u staat hier in onze database en we willen even checken of uw geboortedatum klopt.”
“OK, roept u maar, dan zeg ik wel of ’t klopt.”
“Nee, dat is bij mij zwart afgedekt, dat kan ik niet zien.”
“Hoe kunt u dan vergelijken?”
(diepe zucht aan de andere kant) “Dan…euh dan gaat er hier op mijn display een groen lichtje branden, als het klopt.”
“31 juni 1964.”
(ze typt…)
“Prima, bedankt. Wilt u in onze database blijven? Dan krijgt u over uiterlijk over een maand weer een verificatietelefoontje. En een bevestigingsbrief. Daar heb ik even uw adres voor nodig.”
“Dat heeft u toch al? U hoeft toch enkel te vergelijken?”
“Nee, daar zit ook een balkje overheen.”
“Heeft u Windows?”
“Húh?”
“Nou, vanwege al die balkjes. Ik meende daar iets in te herkennen.”
“Geen idee.”
“Wat is uw geboortedatum eigenlijk? En waar woont u?”
“Dat is hier niet aan de orde.”
“Heeft u een hond? Wat is uw hondenbelastingnummer?”
“Godsamme. Er bestáát helemaal geen 31 juni…”
tuut-tuut-tuut….

Ik ben gek op dit soort telefoontjes. Puur genot. Beter dan fast food. En minder kilocalorieën.
NEXT PLEASE!!!

Uitgebrand?

Vandaag zag ik er weer één.  En vorige week woensdag ook. Net als al zovele keren daarvoor. Een zogenaamd uitgeblust, opgebrand persoon. Iemand met een burn-out. Ik heb al meerdere keren gedacht dat ik zelf zoiets als een burn-out zou kunnen hebben, maar ik heb inmiddels sterk het vermoeden dat ik dat niet kan, dat opgebrand raken. Depressief worden kan ik wel degelijk (heel goed zelfs, maar dat is ook weer zoiets wat je éigenlijk niet hardop mag zeggen hè…) maar volledig en totaal uitgeblust raken, schijnt mij een onmogelijkheid. Ligt misschien aan de mate waarin het brein in staat is, zichzelf te amuseren, te bedotten en te verwarren… Het mijne kan dat in ieder geval verschrikkelijk goed. Maar waarom zijn er dan tegenwoordig zó veel mensen die zomaar ineens niet meer verder kunnen? Geen stap meer? Bij wie de accu leeg is, de energie verbruikt, de vlam uit? Waarom is die ingebouwde oplaadbare batterij ineens totaal lamgelegd, rijp voor het afvalstoffencentrum? En waar haal je dan in hemelsnaam een nieuwe?

Geen idee. Ik denk persoonlijk wel dat burn-out-patiënten eigenlijk de geijkte slachtoffers van onze van het padje geraakte maatschappij zijn. Iedereen wordt onderhand voor het overgrote deel van zijn of haar leven gecontroleerd, gestuurd en beheerd. Passief vegeteren omwille van het bestaan versus actief de dingen (be)leven die men ook werkelijk beleven wíl. Zo gezien zijn mensen met een burn-out eigenlijk de voorboden van de uiteindelijk onvermijdbare systeemcrash zelf. Een systeem waarin steeds meer mensen een baan met een extreem intensieve en vooral heel ver reikende sociale omgeving hebben. De werktechnische sociale invloeden komen nu van veel verder weg, in veel grotere getale en zijn in veel intensievere mate aanwezig dan ooit het geval was. Tegenwoordig wordt de samenleving vooral gedomineerd door de prestaties van sterk narcistische individuen die enkel nog hun eigen ikje dwangmatig celebreren. Het gemeenschapsgevoel ontbreekt, overal wordt tegenaan geschopt, niets is meer goed, niet eens meer goed genoeg. En dat zowel op maatschappelijk macro-niveau als in de directe sociale micro-omgeving. Men loopt maar door in zijn of haar eigen verchroomde tredmolentje. En ook al heeft dat gepolijste looprad dan alle nodige blingbling en luxe, het blijft een tredmolen en je moet doorhollen, of je nu wilt of niet.

De vraag is: hoe breek je uit? Ik heb een gloeiende pesthekel aan dat boek van Elizabeth George (na drie pogingen heb ik ’t aan de kant gesmeten, geen doorkomen aan) maar in die titel, “Eat, pray, love”, daar zit wel wat in. Eten moet je en daarvoor moet je dus werken (als je in het gelukkige bezit van een baan bent tenminste). Hoe je het ook draait of keert, er moet op de één of andere manier geld binnenkomen. Is nu eenmaal zo en de ruilhandel is helaas al uitgestorven. Maar de tijd die je met werken doorbrengt, zou eigenlijk ook zinvolle tijd moeten zijn en geen moeizame kwelling. Geen zich erdoorheen moeten slepen tot het volgende weekend. Die luxe heeft niet iedereen: werk is werk per slot van rekening; je mag blij zijn als je een baan hebt. Daarom moet er in de eerste plaats tijd náást het werk vrij geschoffeld worden én die tijd zou dan volgens de experts vooral benut moeten worden om na te denken over zichzelf, de wereld en het grote ‘waarom’. Het ‘Pray’, zeg maar.  Vroeger werden vragen hieromtrent vooral door de verschillende religies beantwoord maar vandaag de dag is de relevantie van het geloof an sich bij veel mensen al lang en breed weggevaagd.  Zoals vroeger de religie voorschreef wat en vooral hoe te denken en wat de zin van het leven was, zo moet en wil men dat nu lekker fijn zelf invullen. En dat is niet makkelijk, levenszin vinden zonder voorgekauwde kerkse lariekoek (zo zie ik ‘t, ieder zijn mening). Daar komt dan ook meteen de ‘love’ om de hoek koekeloeren. Op z’n positiviteitsgoeriaans gezegd: “Liefde, in de vorm van het vermogen om de relevante dingen in het hier en nu zowel bij anderen als bij zichzelf aan te voelen, op te merken én te waarderen en in de vorm van de capaciteit om niet langer simpel voorbij te gaan aan wat is, te laten rusten wat was en uit te kijken naar wat nog kan komen.” En juist dát schijnt heden ten dage steeds opnieuw geleerd te moeten worden…

No love, no life.
’t Is net muziek.

En daarom haat ik positiviteitsgoeroes.
Want hemeltjelief, wás het maar zo eenvoudig.
Gooi die blonde manen in de wind en doe voorrrrrallll wat je moet doen.
En de rest niet. En zo.
Waarom moet ik nu in vredesnaam ineens aan Adam Curry denken…
Sorry Adam.

Keuzegemis

Hé mam… voelde jij je op je tweeënveertigste soms ook zo buiten alles, zo afzijdig als ik?mam
Zo, alsof je iets herkenbaars had moeten kleien van je leven maar dat het nu eenmaal die blobvorm kreeg, die er simpelweg in gedrukt werd?
Hunkerde je ook wel eens naar alles wat zo ontzettend verschrikkelijk uit den boze was? Naar dat wat zeker niet goed voor je was?
En ook naar het ‘wat als’ van al dat, wat je sowieso nooit van tevoren had kunnen weten?

Oh, en mam… heb je ook wel eens gedacht over hoe het was geweest als je dat had gedaan wat je moeder eigenlijk helemáál niet wou?
En vooral ook datgene, wat je pap je ten strengste verboden had?
Denk je wel eens over datgene wat er uit gekomen was, als je pak ‘m beet een halve eeuw geleden nét even anders gekozen had?

Ik mis ze soms heel erg.
Mijn keuzes van toen.
Ik zou ze zó graag nog eens terug zien…

Bea

zouze3Zou ze ooit één grijze haar onder haar hoedje uitrukken?
Zou ze ooit in de keuken de beslagkom leeg likken?
Zou ze ooit nog een keer een mindblowing orgasme hebben?
Of er ooit één hebben gehad, met veel heet gesteun en gesis?

Zou ze ooit in de auto keihard meeblèren op Lily’s “Fuck You”?
Zou ze ooit op de WC ongegeneerd in haar neus rondboren?
Zou ze ooit onder de dekens haar linkerbil even snel optillen,
zodat haar stinkende scheet niet zo snoeihard te horen is?

Zou ze ooit gedachten hebben: “Is dit nou werkelijk alles..”
Zou ze ooit uit die Bilderbergclan hebben willen ontsnappen?
Zou ze ooit nog een geile chat met de prins van Zamunda snel
wegklikken omdat haar PA weer loopt te zeiken als Manneke Pis?

Zou ze ooit haar beschoeide voeten op de salontafel pleuren?
Zou ze ooit snel haar paarse dildo schoonmaken onder de douche?
Zou ze ooit een enorm stuk in haar bontkraag zuipen, enkel
vanwege het anders aan creativiteit zo ondraagbaar grote gemis?

Zou ze ooit na het afvegen naar haar toiletpapiertje kijken?
Zou ze ooit het lopend buffet overgeven door haar neus?
Zou ze ooit eens bankhangend naar Kim Holland zappen.
Ach nee, toe zeg, kom nou, nevernooitniet, neen toch gewis…

de eerste

Dat is het alweer. De eerste februari 2014. Nog nooit was het vandaag, maar nu is het dan éindelijk zover. Als ik het gesprek – nou ja, gesprek, hoe noem je zo’n heen-en-weer-gedoetje op facebook – mag geloven, ben ik gezegend met het feit dat mijn man warm kan douchen en heb ik bovendien geleerd dat ‘simpele vrouw’ een pleonasme is. Maar als de man die het zei een beetje verder had gedacht, had hij zich gerealiseerd dat het eigenlijk geen pleonasme maar schier een onmogelijkheid was. Geen enkele vrouw valt als simpel te beschrijven. De mogelijke kans (oh, een pleonasme…) om een simpele vrouw (oh, nog eentje…) (maar die kenden we al) (of toch niet?) te vinden, is geminimaliseerd door het feit dat het wel degelijk aanwezige maar bewijsbaar lichtelijk kleinere brein van de vrouw mogelijk door meer hormonen beïnvloedt wordt dan het mannelijk brein, dat doorgaans zelfs twee plekken in het lichaam schijnt te kunnen bewonen.

Ach fuck it.
Ik ga slapen.

 

Schudtaart

Gisteren had ik een vergadering. Een vergaderingsgenote sprak na afloop lyrisch over een zogenaamde schudtaart. En wie ben ik om dat niet gelijk de volgende dag uit te proberen? Juist, diegene ben ik! Bij deze een fotoverslagje (recept inbegrepen):

Schudtaart1Schudtaart2Schudtaart3

Boekrecensie Crossfire 2

Boekrecensie: “Crossfire 2 – Begeerd door jou” van Sylvia Day
door: Louise Larndorfer-Bartels

Het tweede boek van de Crossfire trilogie, die inmiddels geen trilogie meer is want er schijnt ook al een deel 4 (deel 5? deel 6? deel 28?) te zijn. Het eerste heb ik in ieder geval ook uitgebreid onder de loep genomen, dat kun je hier lezen. Hoewel ik bij het eerste boek nog dacht dat ik geen goed publiek was voor dit soort erotische half-pornografische boeken, moet ik zeggen dat ik Crossfire 2 duidelijk lezenswaardiger vond. Er gebeurde in ieder geval significant meer dan enkel een beetje om elkaar(s geslachtsdelen) heen draaien, maar voor het interessantere leesvoer moet je wel eerst even verhit doorzwoegen tot – pak ‘em beet – hoofdstuk 14.

Eva Lauren Tramell is in boek 2 vanzelfsprekend nog steeds betoverd door en volledig in de ban van het mooiste en aantrekkelijkste mannelijke exemplaar dat op deze aardbol rondwandelt: Gideon Cross. Alleen de naam doet je al sidderen. Maar waar het in boek 1 bleef bij vanillesex (oh wacht, dat woord hoort bij dat andere boek) en wat uit extreme jaloersheid en bezitterigheid ontspruitende ontwikkelingen, gaat boek 2 toch iets verder in op de verkniptheid van de personages zelf. Ergens rond pagina 20 uit Gideon zelfs al het feit dat hij iemand zou kunnen vermoorden voor Eva en al zijn bezit zonder meer op zou geven voor haar, maar Eva zelf opgeven zal hij nooit. Daarnaast maakt meneer eveneens redelijk snel het statement: “Dokter, ik blijf pas van haar af als ze dood is.”  Mooi. Dat belooft wat.

Eva en yummie tycoon Gideon zijn nu inmiddels enkele weken een paar maar de relatie is niet bepaald easy-going vanwege de mentale beschadigingen die ze ieder afzonderlijk uit hun verleden meeslepen. De één nog erger dan de ander. Daarom zijn ze dan ook al gelijk in relatietherapie; daar kun je nu eenmaal niet vroeg genoeg mee beginnen. De meervoudige overdracht van de huissleutels symboliseert het serieuze karakter van het geheel. Toch distantieert Gideon zich steeds opnieuw, laat Eva tot in het extreme schaduwen maar lijkt er zelf toch nog een second life met zijn ex op na te houden, wat Eva wederom nóg jaloerser maakt. Seks als goedmakertje schijnt keer op keer toch weer te werken, wat voor de nodige erotische intermezzo’s in het verhaal zorgt.  In het verhaal zelf zijn nu meer wendingen – een liefdesweekend aan het strand, een met een knuppel half dood gemepte huisgenoot, Eva’s vroegere vriendje die nu zanger van een succesvolle band is en haar gescheiden ouders die elkaar na lange tijd weer zien – verweven. Op ca. tweederde van het boek lijkt Gideon echter heel plotseling volledig op afstand te gaan en daarmee is voor Eva, die zelf weliswaar ook de nodige amandelonderzoekende tongdraaiers met haar zingende ex (met alle gevolgen van dien) toeliet, de kous helemaal af: het herhaaldelijk gevraagde (geëiste) vertrouwen is volledig weg, alle banden worden doorgeknipt en de beruchte sleutels wederom geretourneerd. De cover van het boek zegt genoeg. Maar uiteindelijk blijkt ook nu maar weer dat Gideon daadwerkelijk niets zonder reden doet…

Het toeval wil, dat ik nu – simultaan met het lezen van Crossfire 2 – toch ook die vijftig tinten grijs (deel 1) maar eens uitgelezen heb. En ik moet bekennen: dat was bij tijden redelijk verwarrend. Blonde Eva, onervaren Ana, tycoon Gideon Cross (GC), miljardair Christian Grey (CG), beetje controledwang hier, wat sadistische dominantie daar, alles bepoederd met een verrot laagje uit zware misbruikverledens en gewenste naïviteit. Af en toe wist ik daadwerkelijk niet meer wie nou wat waar en met wie gedaan had, zo erg leken de beide literaire ero-epossen soms op elkaar. Het grijzige boek heb ik echter in het Engels gelezen en dan klinken die seksuele aktes toch duidelijk opwindender en sensueler.  Voorbeeldje? “Eva!” gromde hij toen hij de eerste dikke, hete lading sperma tegen mijn buik spoot. Dat klinkt toch best wel een beetje afgestompt, vind ik. Dat zal ook vast de reden zijn waarom dat zinnetje (p65) dan ook gelijk gevolgd werd door het veel erotischer klinkende “Fuck.”  Op de één of andere manier vind ik het niet echt opwindend om omschrijvingen als ‘drijfnatte kut’ of ‘keiharde pik’ te lezen, maar dat zal vast aan mij liggen. Met meer poëtische omschrijvingen als ‘Ik voelde de brede kroon van zijn pik in mijn spleetje kerven […]’  (p242) kan ik klaarblijkelijk ook niet zoveel, maar ach, ze doen hun dienst. Mijn partner heeft er in ieder geval geen bezwaar tegen, dat ik deze boeken lees. Integendeel.

Samengevat: Wederom een – in tegenstelling tot het uiterst banaal opgezette fifty shades – acceptabel geschreven erotisch-pornografische roman en een duidelijke verbetering t.o.v. het eerste boek. Grote typografische missers heb ik dit keer niet kunnen vinden, wel weer een hoop best opwarmend beschreven seks, wat meer spanning en een boeiend (maar helaas wel degelijk voorspelbaar) einde. Ik vrees dat boek 3 (“Verbonden met jou”) er ook gaat komen, al vraag ik me wel af wat er nu in vredesnaam nog te schrijven valt over de protagonisten in deze liefdesconstellatie. Ik ga er maar vast vanuit dat ze, á là Twilight, spectaculair gaan trouwen of zo. We zullen het lezen.

Auteur: Sylvia Day
Titel: Begeerd door jou – Crossfire 2
Oorspronkelijke titel: Reflected in you
Paperback, 325 pagina’s.
Uitgever: A.W. Bruna Uitgevers, Utrecht 2013
Taal: Nederlands (vertaling: Marike Groot en Sander Brink,  Grootenbrink Vertalingen)
ISBN10: 9400503970
ISBN13: 9789400503977
Prijs:  € 10,00 tot 15,00

Recensie geschreven in opdracht van Verboden Voor Mannen

Gazellifant

Met mijn olifantenpoten ren ik hard. Nog harder om alles toch maar in te halen. Hier en daar een porseleinen kopje vertrappend, draaf ik nog steeds blind voort. Over de droge savanne vol met noodlotten en de woeste steppe van incomplete conclusies. Geen idee waar te beginnen, niet eens een hint over waar als eerste te stoppen om de armen te spreiden. Dus ren ik maar verder. Als ik blijf staan, zinken mijn grote, stampende poten weg in de uit andermans ongeluk en mijn eigen machteloosheid bestaande blubber.

Slopende ziektes waar ik nooit weet van had tot ze ongeneeslijk werden. Andermans innerlijke worstelingen waarvan ik me bewust was maar die ondergingen in de myriaden van mijn eigen gedachten. Zware operaties die al voorbij waren voor ik op tijd ‘nog heel veel sterkte’ kon wensen. Verjaardagen die ik om twee voor twaalf bijna had vergeten. Zorgen die geuit werden maar die door extreme externe filtering voor mijn oren weg werden gerukt. Knuffels die in mid-air bleven hangen…

En dus loop ik zo snel mogelijk door.gazellifant
Niks ziend, allenig, nadenkelijk.
Geconcentreerd op iedere pas.
Blijf vooral draven…
Hup hup, achter die feiten aan.
Ze zullen altijd sneller zijn dan ik.
Was ik maar een gazelle…

aldimannetje

Door het smalle gangpaadje tussen de metershoge torens van plastic flessen jus en tetrapakken druivensap manoeuvreer ik mijn karretje naar de enige open kassa en duw de metaalspijlen neus van mijn aldi-limousine bijna in die van een oud manneke dat blijkbaar synchroon met mij bij kassa twee arriveert.

Breed grijnzend laat hij zijn kunstgebit even hoognodig luchten en stoot met zijn elleboog samenzwerend tegen mijn arm.
“Wij zijn net die twee vrachtauto’s, vanochtend op de A7. Alleen kon ik nog uitwijken en reed jij geen spook.”

Kassa één gaat ook open.
De redding is nabij.

huh

kon jij maar mij zijn jij
dan wist ik wel
dat ik mij wou.
kon jij maar mij zijn
dan kon ik zeggen
dat ik van mij hou.

maar als ik de vingers
van mijn rechterhand
op ‘t  toetsenbord één
plek naar links verschuif,
ben jij enkel nog maar

huh …?

.

.

© Lou

niet goed bezig

Gisteren opende ik – hoe kan het ook anders – ergens in de loop van de ochtend even facebook op mijn foon. Het eerste plaatje wat ik zag was van een half verbrande jonge man. Hij was, volgens de ernaast staande tekst, aangestoken. Een brandende autoband om zijn nek. Omdat hij homoseksueel zou zijn en dat mag dus niet in Oeganda (en niet alleen daar…). Sterker nog: zulke mensen mag je dus legaal, met de wet achter je, in de fik steken en toejuichen terwijl ze creperen. Ik kreeg spontaan kokhalsneigingen en dikke tranen in de ogen, moest noodgedwongen verder scrollen. Ik kon het simpelweg niet aanzien. Want wat moest ik hier nou mee? Onvoorstelbaar gruwelijk om te zien op een gezapige zondagochtend. Wat een wereld. Een bevestiging van mijn opvatting dat mensen de enige werkelijke beesten op deze aarde zijn.

Ik moest het plaatje eigenlijk delen om mijn solidariteit met de homoseksuelen op deze aarde te betuigen. Maar ik kon het niet… wetende dat ik een dermate afgrijselijke foto dagenlang op mijn eigen wall zou zien, een wall waar ook kindekes mee koekeloeren… en ook wetende dat het geen ene donder zou helpen. Ik ben vanzelfsprekend solidair met iedere andere mens die in naam van onzinnige (veelal religieuze) wetten gediscrimineerd, gemarteld, gedood wordt. Maar mijn solidariteit lost helemaal niets op. Ook een petitie met miljoenen email-handtekeningen eronder haalt niks uit. Ik onderteken ze allemaal want het is geen moeite en ik laat in ieder geval op microniveau zien dat ik het er niet mee eens ben, de NSA aan m’n broek of niet. Maar helpen doet het niks, ik ben niet zo naïef om te denken dat er in de toekomst ook maar íets anders zal gaan vanwege een simpele petitie. Geen meisje minder verkracht of op 9-jarige leeftijd uitgehuwelijkt, geen honingbij gered, geen niet-ondertekend TIPP, geen asiel voor meneer Snowden, geen betere vrouwenrechten, geen boycot van de olympische spelen in dat hypocriete Sotchi/Rusland, geen betere arbeidsomstandigheden voor die arme chinese kindertjes in de neodymiumwinning. Gewoon. Niks. Lijdzaam toezien is alles wat je mag vandaag de dag. En dat is ook nooit anders geweest.

Daarom deelde ik de foto niet… want ergens, ergens moet ik nog altijd míjn leven leven. Of dit nou allemaal gebeurt of niet. Dat van anderen kan ik niet leven. En ik moet dus zorgen dat mijn leven góed geleefd wordt, al naar gelang de omstandigheden. Dat is iets wat ik in ieder geval wél kan doen. En dan niet voor mij. Egocentrische gedachtes heb ik al genoeg (“ik moet goed voor mezelf zorgen”, “die Note 3 wil ik toch wel heul erg graag”, “wat zal ik eens eten vandaag” – en zo). Maar voor de bewonderenswaardige mensen en mensjes om mij heen. Mijn zoon die maar door bokst en vecht om op school mee te komen. Mijn dochter die morgen weer naar de dokter mag voor een uitgebreide hartcontrole. Dat gaatje zit er nog steeds hè… ook al denk je er dan praktisch nooit aan, het blijft eeuwig een issue. Vrienden en vriendinnen die vechten tegen dodelijke ziektes, financiële sores, rottige werkgevers, mishandelende echtgenoten, depressies. Ouders die een dagje ouder worden en allebei al kanker hebben gehad. Ons eigen hachje (lees: ‘relatie’) bij elkaar en leefbaar houden. Dat zijn de dingen waar ik in eerste linie mee bezig zou moeten zijn, ik weet het. Ik weet het zo goed…

En toch ben ik het niet.

toedeledoki

geen hond die nu nog
aan jou denkt.
geen man en zelfs geen mens.

iedereen is weg.

geen kip die jou nog
aandacht schenkt.
aan je daden of jouw wens.

enkel van de leg.

geen vuige duivel die
je nu nog wenkt.
kom hier lief, in mijn hens?

let op wat ik zeg.

een zware tientonner die
plots uitzwenkt.
al geplet, schrik je je lens.

wat een pech…

weg.

.

.

© Lou

De slachting van Robbie

Ergens eind oktober had ik een grote hokkaidopompoen namens ‘Robbie’ van mijn schoonmoeder gekregen. Ja. Robbie. Het ding kreeg een naam, dit was ’t en niet anders.Robbie  Robbie was goed 4,5 kilo zwaar en heeft uiteindelijk bijna drie maand lang bij ons mogen bivakkeren. Het was een lief ding met een hoge gezelligheidsfactor en een frishollandse kleur die bij elke gang naar de keuken een beetje van mijn heimwee weg wist te nemen. Na een tijd in de keuken naast het fruit, op het afdruiprek, op het aquarium (dat was een uitdaging) en op een bolle vaas (een nog grotere uitdaging) gepronkt te mogen hebben, werd Robbie uiteindelijk wat weekjes. Hij voelde zich duidelijk verwaarloosd en zocht daarom de warmte en het innige gezelschap van enige bacteriën en schimmels aan zijn verkilde voeteneinde.

Wel. Robbie vond ik op zich best goed te hebben. Hij was rustig, keek gemoedelijk toe, bracht een beetje kleur in het keukenleven en als paper weight deed hij het ook niet slecht. De schimmelkoloniën vond ik daarentegen duidelijk minder. En daarom stond mijn besluit vast: Robbie moest vandaag dan toch maar geslacht worden. De schimmelvrienden heb ik met een dunschiller geëlimineerd en Robbie zelf van zijn ingewanden bevrijd. Mummificeren was hiermee dus ook nog een optie geweest maar dan had ie nog wéér zo lang in de weg gelegen…

Middels rituele slachting in stukken gehakt en professioneel in meerdere plastic zakken verpakt, verdween tweederde van Robbie vooralsnog in de diepvries. We konden hem niet in één keer opvreten, hij was simpelweg te pompeus. De overige kilo Robbievlees wilde ik vandaag nog tot iets lekkers (nou ja, eetbaars) omtoveren. In iets wat de kinderen in ieder geval niet meer als Robbie zouden herkennen. Een taart was snel gegoogeld. Pompoentaart. Dus.

Eerst moest ik Robbies in stukken gehakte vlees nog verder verkleinen. In mijn Tupperware-speedychefmaalding ging dat prima. Gehakte hazelnoten, twee eigelen, suiker, boter, stijfgeklopte eiwitten, zelfrijzend bakmeel, alles werd liefdevol met elkaar en met de Robbieprut gemengd. Ik mompelde in mezelf: “dit ziet er eigenlijk best wel uit als kots…” en de alleshorende kinderen riepen heel hard: “iiiiewwww!” om vervolgens een vinger door de smurrie te halen en me gerust te stellen dat ’t in ieder geval niet naar kots smaakte. Maar wat waren dan die oranje stukjes? Wortel? Euh… ja.

RobbietaartNa de voorgeschreven vijfenveertig minuten bij 175° in de oven was de Robbietaart nog steeds half vloeibaar. Nog maar ‘ns dertig minuten dan. Vervolgens tien minuten in de magnetron want Robbie hield de smurriefase krampachtig vast. Nog eens tien minuten in de oven. Toen was ik het zat. Ik zette de bakvorm op z’n kop op een bord (c.q. ’t deksel van de bakvorm) in de hoop dat de taart er gracieus uit zou ploppen. Helaas plopte alleen de ongare binnenkant plomp op het bord, de rand bleef muurvast in de vorm zitten. Het bord met de smurriebrokken gelijk maar weer in de oven gepleurd, de randen uit de vorm gebikt en met een flinke dosis poedersuiker zo goed als onherkenbaar aan de kinderen gevoerd.

De commentaren van de vakjury logen er niet om (in deze volgorde):
“Het ziet er nog steeds uit als kots. Gebakken kots.” (zoon)

“Maar het is te eten. Best aardig zelfs…” (zoon, bedenkelijk kauwend)
“Lekker!” (Dat was dochter. Die vindt alles wat ook maar enigszins zoet is, lekker)

“Ik hoef niet meer. Maar het was wel oké hoor!” (Dat was ook dochter, na twee kleine stukjes, mijn vlammende ogen ontduikend).
“Euh… zoals ik zei: het is eetbaar. Maar dit hoef je écht niet nog een keer te maken.” (zoon)

“Mam? Waar is Robbie?” (allebei)

De nagebakken smurriebrokken (zie afbeelding) waren helaas niet veel beter maar ik heb in ieder geval al wél een kilo Robbie weg weten te moffelen. Ik zal binnenkort vast wel in staat zijn om die overige twee kilo ook nog spoorloos te laten verdwijnen. Iemand nog suggesties? (en nee, soep is geen optie).

hoog

daar heel hoog in de keel.slikken
net achter de klieren.
ze zitten er, wachtend op
een succesvolle uitbraak.
slikken. nog een keer.
vochtige waas voor de ogen.
knipperen. alweer.

radeloosheid is a bitch.
emotruttengedoe.
niemand mag het zien.
niemand mag het weten.
nee, jij ook niet.
enkel omdat ik het wil
en jij het nog niet weet.
life doesn’t suck at all.
it only pushes like hell.
ze blijven hoog zitten.
brandend.
met goed en hard slikken
kom je een heel eind.
maar echt hoog zul je
er nooit mee komen.
sper die luchtpijp van je.
ver open, want ik heb
een prachtig zwaard…

doemdenker

Ik zit weer eens in een denkfase. Zo’n fase waarin ik meer dan anders nadenk over het hoe en wat in deze wereld. Waarom de dingen gaan zoals ze gaan, wie er daadwerkelijk aan de touwtjes trekt. En dat is dan nog heel summier en oppervlakkig gezegd. Ik kijk documentaires, luister naar ‘afvallige’ professoren, uit de school klappende voormalige politici en journalisten die zich vastgebeten hebben, praat met de één of de ander.. Maar het wordt er niet beter van. Integendeel.WatAls

Het zou echt mogelijk moeten zijn om je hersenen stop te zetten. Maar wel zonder angstaanjagend elektronisch gespuis. Gewoon. Zelf. Het kan ook, met simpel mediteren. Maar daar ben ik niet zo goed in. Wel geprobeerd, maar ook dat lukt me op de één of andere manier niet.

Ik staar in ’t niets en denk aan alles en iedereen. Vooral aan mijn kinderen, aan hoe alles zal zijn als ze eenmaal volwassen zijn. Hebben ze dan ook een chip in hun pols? Mogen ze nog vrij reizen? Hun eigen geld beheren? Zelf bepalen óf en hoeveel kinderen ze in de wereld willen zetten, mocht dat dan allemaal nog op de ‘normale’ manier gaan? Zijn ze nog vrij in hun denken en in het bepalen welk werk ze het liefste zouden doen? Zijn er tegen die tijd nog bijen of doet de mens dan inmiddels zelf aan bestuiving omdat geen insect dat meer kan doen? Welke nieuwe ziektes zijn er dan ontstaan (of gemaakt), welke oorlogen uitgevochten en hoeveel mensen zijn er tegen die tijd nog overgebleven op deze aarde? En zo ratelt het door in mijn warrig hoofd.

Ik ben misschien nog net geen doemdenker maar wel een overmatig piekeraar. Ik kan niet tegen mijn eigen machteloosheid en ook niet tegen de wildheid van mijn gedachten. Ik wil wat doen maar ik weet niet wat. Ik zou heel hard willen gillen maar als ik dat zou doen, zou ik enkel maar raar aangekeken worden. Waar maak je je druk om, mens… Tja. Dat weet ik ook niet. Nog niet.

Toch een doemdenker.

Net niet

Ik stond echt op ’t puntje om weer eens een nieuw leven te beginnen. Dat leven waarin ik zó veel van mijzelf houd. En ook nog van de rest van de wereld.  Waarin ik heel hard fuck you schreeuw en doe wat ik wil. En iedereen omarm. Maar ’t lukte even niet. Nét niet. Alweer niet.

Vanochtend sprong ik uit bed en dacht: ik voel me tóp!! Tot ik plotsklaps dubbelklapte en mijn ingewanden eruit spuugde. Ik hield ’t allemaal even niet meer binnen. Nét niet. Maar het duurde maar heel kort, tot die hervonden tiptop-status.

Vandaag wist jij me zowat te overtuigen dat alles nu weer goed is. Maar het mislukte, net als een te natte rozijnenpannenkoek. En ik blijf zien hoe het er echt voor staat. Kledderig. Klote. Maar helaas.

Ik dacht heel even hoopvol: “je bent dus tóch nog steeds diegene die je was, toen ik dacht, dat ik je kende.” Maar je was het niet meer. Al lang en nét niet meer.

Bijna had ik vandaag zelfs mijn oh zo noodzakelijke werk gedaan en de boel afgemaakt. Maar het ligt hier nog naast me in een rode map.
Het lukte net niet. En morgen is er in dit geval geen nieuwe dag. But hey, we’ve got the night…

Zo’n lelijke, grootse terugval schampte zomaar ineens rakelings aan mij voorbij. Alleen nét niet helemaal. En ik haalde die bocht lekker toch. Met een noodvaart zelfs. Ja, dat net weer wel.

Ik mijmerde over hoe mooi het allemaal geweest had kunnen zijn. Maar dat is het nu ook weer niet geworden. Nét niet. So what. Op naar het volgende wat zo mooi zou kunnen zijn.

Vandaag was het immers óók mijn dag.

Nét niet.

natuurlijk

natuurlijk kijk ik naar Ursulaursula
hoe ze haar schelp weer eens
uit de zee vist, ’t zand afveegt.

natuurlijk denk ik herhaaldelijk
“lulkoek, zo bang voor James”
hij flirt toch tot-ie een ons weegt?

natuurlijk gaat breinlief tekeer
dik 50 jaar oud, slecht geacteerd en
ik vind dat Ursula een beetje slist.

natuurlijk schiet een dendriet uit
naar die hersencel die verder denkt
aan jou en dat je me ook mist.

natuurlijk…

© Lou

De TupTupclub

Ik durf het bijna niet te zeggen maar ik heb een Tupperware-verleden. Het is ook echt een verleden: het was nooit wat en nu is het al jaren helemaal niks meer. Hier in Oostenrijk zijn allerhande ‘party’s’ heel populair. Je hebt Partylight-party’s (met kaarsen en andere decopruttel), Reinzeit-party’s (allerhande überfantastisch schoonmaakmateriaal en ook etherische oliën), Gonis-party’s (knutsel-/teken-/verfmaterialen), DildoFee-party’s (zegt genoeg), Wenatex-party’s (orthopedische bedsystemen en matrassen) en natuurlijk ook de – volgens mij – oudste in de partycategorie: Tupperware-party’s. Er zijn wel meer verkooppartyvarianten maar op bovengenoemde party’s ben ik allemaal al wel eens geweest. Ik muts. Maar ik moet toegeven: afgezien van het verkoopgedoetje is het best wel leuk. ’t Is net als bij skiën: je gaat stiekem éigenlijk toch gewoon voor het après 😛

Ooit heb ik me echter toch op de één of andere dubieuze manier laten strikken door een vriendin die ook tupperware-hostess was. Het was zooooo goed te combineren met kleine kinderen, het verdiende super (en ik wou wel wat bijverdienen want mijn eigen zaak werpt in plaats van sappige vruchten over het algemeen hier en daar een droge beukennoot af…) Ik kwam in haar hostessengroepje, ging mee naar een aantal verplichte T-bijeenkomsten en ik kan niet anders zeggen dan: wát een idioterie. Een klein beetje sekte-achtig, een zaal met werkelijk óveral het tupperware-logo, kunststof en een stuk of honderdvijftig dames (geen heren… goh, hoe zou dat nou komen) die elkaar op regelmatige tijdstippen toejuichen en strijden om de hoogste groepsomzet. De winnende groep krijgt vervolgens een bups stickertjes (en balpennen… what the…) en bij een x aantal stickers krijgen ze dan een vaag kadootje (nog meer balpennen). Ik moest gelijk aan mijn smiley-systeem voor de kinderen denken. Wat een happiness en wat een groepsgevoel. Alleen voelde ik dat helaas niet zo heel erg (of eigenlijk helemaal niet). Het was me toen al duidelijk dat ik niet geschikt ben voor een T-carrière. Ik naam mijn werkelijk enorme T-tas volgestouwd met T-pruttel met enige schroom in ontvangst,  propte er pro forma een stapel catalogi en bestelformuliertjes in, smeet alles in de kofferbak en scheurde hard weg. En dat was het einde van mijn T-loopbaan want een echte party hosten heb ik uiteindelijk nooit gedaan. Die drie keer dat dat moest (om nog meer T-waar in de wacht te slepen), heeft vriendin dat gedaan en stond ik als hostess op het papiertje. Dat was echt lief van haar, maar natuurlijk kreeg zij daardoor ook een fonkelnagelnieuwe T-auto onder haar achterste geschoven waarmee ze van party naar party mocht tuffen. Ik moet wel toegeven dat de tupperware-artikelen zelf écht hartstikke goed en duurzaam zijn. Maar ze zijn ook reteduur (en ik ken de marges…) en het is en blijft – hoe je het ook draait of keert – kunststof, niet bepaald mijn favoriete materiaal op deze aarde. Maar wel mooi en onkapotbaar kunststof. Dat wel.

En nu, nu gaf mijn buurvrouw dus zomaar ineens een T(ea)-party. Nadat ik het twee jaar succesvol uit mijn leven heb weten te weren, was de T ineens back. Buuf had, wetende van mijn licht tot matige T-allergie, in de SMS-uitnodiging van midden december heel geheimzinnig “verrassingsparty” geschreven dus ik hoopte lange tijd op een lingerie-party (die heb je ook en daar was ik nou nog nooit, lijkt me best geinig en de lingerie die ze dan verkopen is werkelijk waar om je vingers bij af te likken) of nog beter: een dildo-party (da’s sowieso altijd lachen-gieren-brullen), maar woensdag ervoer ik dus wat me echt te wachten stond. Weigeren kon ik niet want buurvrouw was ook op alle party’s die ik ooit in een vlaag van verstandsverbijstering gehouden had (welgeteld vier: twee keer Tupperware, één keer Gonis, één keer Partylight). Dan bak je een taart, zet je thee, koffie, wijn, sekt en een bak chips op tafel en dan komt de desbetreffende hostess jou en je medeslachtoffers vertellen wat je voorrrralllll allemaal moet kopen omdat het nu zo gewéldig in de aanbieding is.  Dat duurt een uurtje of anderhalf, moet je even doorheen. De rest van de avond is dan wel leuk.

Gisteren viel het echter heel erg mee. Het meeste van de T-waar heb ik al lang (tja…), ik heb wat vervangende onderdelen (je verliest wel ‘ns wat hè, en ik vrees dat de meeste missende onderdelen ergens in de biobak beland zijn :-S ) weten te ritselen, en gezien het feit dat ik geen alcohol meer gewend ben, kwamen de twee glazen rode wijn behoorlijk goed aan en vond ik alles best. Ik heb het bestelformuliertje natuurlijk nog hier thuis liggen, ter plekke bestellen is nooit een goed idee. De dame pakte na haar verhaaltje haar roze mega-T-tas op rolletjes weer in en kletste vervolgens gezellig mee in onze ronde van acht. Ze deed nog een magere poging om mij terug te winnen voor het T-bootcamp maar die dagen zijn vervlogen nadat ze er nooit geweest waren.

Ik heb genoeg duur(zaam) Tupperspul. Mijn kinderen hebben straks in ieder geval een leuke, onbreekbare erfenis.

Tupper

Sorry

… maar vandaag wordt ’t hem ook niet.

De kat is teruggekeerd (zat waarschijnlijk ergens in een muffe garage vast totdat de bezitter het ding vandaag tegen de middag weer open deed), alle laptops doen wat ze moeten doen, zoon leert Engels, het familiebezoek was best gezellig en kort genoeg, de peperdure coffeïne-shampoo die ik heb gekocht, doet daadwerkelijk wonderen (die zich in de vorm van een geëxplodeerd kapsel manifesteren), het is nog steeds mistig en miezerig buiten,  the time of the month has passed on once more. Dus. Nog steeds heen ene lol te beleven aan mij en ik voel me dan ook echt intens en verschrikkelijk saai.

Gisteren zei ik vol goede moed: “tot morgen”.
Dat zeg ik vandaag dan maar gewoon opnieuw.

Tot morgen.
Of overmorgen…

 

(en natuurlijk moest het GEEN ene lol zijn, maar goed, die ene lol is ook henen…)

De ondraaglijke leegte van het schrijven

Ik snap het niet. Ik zit hier al minstens een uur naar een leeg en wit wp-blok te koekeloeren. Kijk met een half oog naar een gruwelijke middeleeuwse film, kopieer de 36GB aan foto’s van mijn moeder van hot naar her (eerst vanuit de voor de ene computer niet leesbare image op de externe harde schijf naar mijn eigen computer die ze wel kan lezen – yeah man – en van de mijne als normale jpeg’s terug naar de externe harde schijf zodat ik ze op andere laptop, waar ze eigenlijk heen moeten, op kan slaan. Een proces wat ettelijke uren in beslag neemt), maak thee, lurk op facebook, whatsapp wat in het rond, zie Buzz Aldrin op TV offliften, bedenk me dat ik de was er nog uit moet halen, drink nog maar een kop thee. Maar schrijven lukt niet. Niet zoals ik het wil.

Er is zoveel gebeurd de afgelopen weken… Dingen die lange tijd een gegeven waren, zijn ineens niet meer. Weggevaagd. Dingen waarvan ik wist dat ze 2013 niet meer goed zouden komen, gaan in 2014 met volle zekerheid de fase van de positiviteit in. Alles komt tóch nog goed. Dingen die ik al lang verloren gegaan achtte, blijken ineens nog aanwezig te zijn. Floep, daar zijn ze. En dan staat het woord ‘Dingen’ voor veel meer dan enkel ‘dingen’. Het meeste ervan is sowieso niet tastbaar.

Buzz is alweer terug van zijn maantripje. Voor de zoveelste keer. Mijn galstenen zijn inmiddels ook klaar met hun potje Yahtzee. Sinds nieuwjaarsdag vonden ze het blijkbaar nodig om mij eens even te laten voelen hoe dat dobbelen écht moet. En dat voelde niet fijn, kan ik u verzekeren. Als ze nog een keer zo’n bui hebben, gaan ze d’r uit. Kunnen ze in een potje verder vegeteren. En ik, ik zit op de bank en denk na. Op mijn eigen chaotische wijze. Morgen is de laatste dag van de kerstvakantie. Ja echt, 6 januari is een feestdag hier hè. Die drie koningen moeten nog even voorbij hobbelen.

Maar het schrijven zelf wil nog steeds niet. Ik mis mijn humeurigheid. Het ontbreekt mij aan stemmingswisselingen. En aan de ‘highs’ die mij deden borrelen. Aan de diepe dalen die me met tranen in de ogen emotionele woorden lieten produceren. Aan de vlakheid die me liet ratelen over de meest onzinnige dingen.  Ik ben te zen… En dat zelfs ondanks het feit dat het weer zo’n geweldige tijd-van-de-maand is. Hoe is het mogelijk… Kan dit überhaupt? Man bemerkte het ook al. Toen ik hem mededeelde dat hij alle denkbare bedactiviteiten behalve slapen momenteel kon vergeten vanwege dattem, zei hij enkel: “Dat kan niet. Je bent helemaal niet explosief geïrriteerd…”. Nee, inderdaad. Maar alles is ‘gewoon oké’. Behalve dan dat er weer eens een kat van ons de hort op is en maar niet thuis wil komen, maar dat is nou ook niet de meest interessante lectuur voor de gemiddelde bloglezer.

Zogauw ik weer instabieler, emotioneler, geflipter of liefdesgestoorder raak, meld ik me weer.
Tot morgen.
Of overmorgen…

Knalluh…

“Ik ga even de brievenbus dichtspijkeren hoor!”
Huh… da’s toch niet normaal… is dat echt nodig hier?
Sterker nog, het lijkt zelfs heel vanzelfsprekend…
Iedereen doet dat.
Gewoon.

Ik lees een artikeltje over met vuurwerk opgeblazen katten en de tranen springen me spontaan in de ogen. Dit kan toch niet? Wat bezielt mensen in vredesnaam… Ergens vlakbij knalt er weer een carbidbus. Het lijkt verdomme wel oorlog… een filmpje van een vuurwerkslachtoffer dat tijdens de plastische  reconstructie van zijn gezicht per ongeluk een kontgat als mond heeft. Shit happens. De volgende knal die de ramen doet trillen. “Moeten we nog even vuurwerkbeschermbrilletjes halen voor de kinden? Een oog is zo weggeschoten…” Ja, laten we dat dan maar doen dan…

Ik kan het niet laten om hoofdschuddend te denken dat de halve mensheid hier te lande werkelijk van de pot gerukt is. Waarom moet het zo? Auto’s in de fik. Vandalisme. Vuurwerkbommen. Opgeblazen dieren. Burgerwachten die nog een beetje de orde proberen te handhaven. Speciale ‘plofvrije’ dierenasielen voor oudjaarsnacht. Je kunt zeggen wat je wil maar dit IS oorlog. En ik vind het compleet gestoord.

Een paar mooie vuurpijlen afschieten, dat is leuk. Wat siervuurwerk, een glas champagne en een zoen. Perfect. Waarom moeten we elkaar dan persé in de eerste vijf minuten van een nieuw jaar de lucht in blazen en doen alsof het bij ons óók oorlog is… we hebben al genoeg oorlogsellende in de wereld. Echt.

Leuk joh. Knalluh…

kerstgedachtes

Te stil ben je me. Dan ga ik weer piekeren. Is er iets gebeurd? Heb ik iets fout gedaan? Fout gezegd? Kan ook nog. Waar zit jij nou helemaal met je gedachten? En waar zit ik eigenlijk met de mijne…pantarhei

Ze zwerven. Ze hangen overal rond. Bij die zo veel te jong gestorven buurman die een jonge vrouw en twee kleine kinderen achterlaat. Bij de ernstig zieke vriendin (ja, ik beschouw haar als vriendin… ze is een uitermate waardevol iemand…) die 2014 nog hoopt te halen. Bij de brandmelder die om de twee minuten luid piept dat zijn batterij leeg is. Bij de zo geliefde vriend die worstelt met wat er in het verleden gebeurd is. Ik denk na over het liedje op de radio (“Say something… I’m giving up on you”) en over al die mensen die pijn hebben. Ik pieker over degenen die ik zomaar ineens mis omdat ik ze al zo lang niet gesproken heb (Ron, Erwin, Bert, Angela, Marc, Kris, Manja, Bart, Pris, Sam,  enzovoort…). Zouden ze ooit nog aan mij denken?

Verdorie. Het is alwéér kerst… En nee. Ik ga geen review van dit jaar doen. Dit jaar was een jaar net als alle andere jaren. Ups, downs, saai, spannend, verdrietig, hoopvol. Wie wil er nou reviews. Je hebt er geen zak aan, het is toch allemaal voorbij, er valt niks meer aan te veranderen. Goede voornemens zijn al net zo zinloos. Plannen helpt niet, alles komt toch weer anders dan je je had voorgenomen. Chris Rea bromt zijn Driving Home for Christmas voor de 328e keer door onze speakers. Ik wou dat ík naar huis reed vóór kerstmis. Maar zoals altijd zal het hoogstens ná kerstmis zijn. Verplichtingen, verplichtingen. Maar na kerst gelukkig wel. En dat is wat telt…

You played it to the beat. Miss Adèle zingt zoals het werkelijk was en nog steeds is. Speel mee, gewoon zoals de ritme komt. Laat het toe. Go with the flow, voel de kadans, laat het gebeuren. Het komt toch wel zo. Mijn gevoelens kan ik niet veranderen. Ze zijn zoals ze zijn. De dingen komen zoals ze komen, of ik nou wil of niet.  Mensen sterven, hebben verdriet. Of ik er nou wat aan kan doen of niet. Accept it.

De bijen sterven door ons toedoen, of ik die petitie nou onderteken of niet.
Met zes glazen wijn wordt het leven niet mooier. Integendeel. Een stuk verdrietiger.
De kindertjes in Syrië ervaren nog steeds die rotoorlog. Al jaren. Of ik het nou uitschreeuw of niet.
De jonge buurman blijft dood en zijn vrouw en kindertjes moeten door. Of ik nou kan helpen of niet.
Met twintig kilo minder zal ik nog steeds onzeker zijn. Of ik het nou wil of niet.
Mensen blijven hun handen eraf schieten met illegaal Cobra-6 vuurwerk. Of ’t nou stom is of niet.
Mijn liefde blijft steeds maar weer bij sommigen hangen. Of ze nou willen of niet.

Goed. Dat is dan het enige voornemen dat ik me voor neem voor 2014. Go with the flow. Het komt zoals het komt. Panta Rhei. Alles vloeit. In elkaar over. Alles is oneindig. Ik lachte er ooit over. Maar zo is het.

And please, stay strong while going with the flow.
The past is gone and I will go on.

eet een worst

ik typ weer ‘ns een titel en denk enkel: “Fijn. En nu?”
Om vervolgens eerst maar weer een potje te gaan candycrushen (voor de nitwits onder ons: da’s een uitermate stom spelletje op de telefoon).

Momentje.

Sorry. Duurde even.  Achteraf gezien ben ik blij dat ik niet “Of je worst lust” als titel typte. Want blogtitels komen bij mij altijd het allereerst en dan schrijf ik het blog erachteraan. Titels zijn heilig voor mij: ze veranderen brengt ongeluk dus dat gebeurt niet. Maar de titel is dan ook niet geheel zonder aanleiding. Ik heb vandaag zoveel worsten in mijn handen gehad dat ik er vannacht vast van ga dromen. Worstje hier, worstje daar, is-ie bruin? Draaien maar! Hatsjikidee.

wurscht1 (Small)Het kerstfeest voor de jeugd van de voetbalvereniging is waarlijk een vleesrijk gebeuren. Worstenbroodjes met ketchup-ui-curry-smurrie (ook wel ‘Bosner’ genoemd), Leberkässemmel, Würstl mit Sauerkraut, alles hebben we in de aanbieding. Er schijnt ergens tegenover ons nog een standje met raclettekaasbroodjes te zijn, maar daar is ’t zwartegatachtig leeg. Na de speeches over de prestaties van de verschillende groepen bestormen er dan een stuk of tachtig kinderen van zes tot en met zestien jaar ons worstenstandje. Let them come to us…wurscht2 (Small)

Ik doe dit nu al een paar jaar, altijd in goed grilgezelschap van mijn buurman. Wij zijn dan een team, de buurman grilt geen worst zonder mij en ik smeer geen smurrie op broodjes zonder hem. Ondanks zijn lichtelijk afleidende werktenue maken we worstenbroodjes aan de goed gesmeerde lopende band. Kunnen wij. Beker Glühwein erbij en whoppa, die Bratwürstl smaken nóg een graadje beter.

Of je worst lust? Nee sorry.
Nu even niet meer.

wirwar

heftige en ijzige ochtend.warrig
beetje vreemd, wel lekker.
inpakken die hap.
het is tenslotte bijna ker(st)mis.
hé jij, wat doe je hier in mijn hoofd?
tijd om op te krassen, jochie.
maar dan is er niemand meer.
da’s ook wel weer heel stil.
oma kon niet achteruit rijden.
niet zonder schampschoten.
hoe een paal een twingo de das om doet.
dassen in die bijtende kou.
hé, rode golfjes
twingo’s bestaan blijkbaar niet.
een schip aan de golvende horizon wel?
als ik echt die vriendin was,
was ik het niet vergeten.
maar ik bén het niet vergeten.
ik heb er gewoon wat later aan gedacht…
te grote pepernotenkoekjes.
die eigenlijk kruidnotenkoekjes moeten heten.
de wereld is verwarrend.
ach, als je maar een beker mee hebt, schatje.
ik mis de man met de beker.
de wolverine achter het hele plot.
hij is onder de pannen en dat is acceptabel.
pannen zijn er nu eenmaal om onder te zitten.
katy flasht haar beugel nog maar een keer.
grof terugbrullend naar een knuffeltijger.
op een eiland met grotten vol met draken.
wij vormen de heerlijkheid aldaar.
horen bij elkaar, dus zie je maar.
ik ervaar mezelf als vreemd.
lana-achtig, breek me niet af.
hoe warrig mag een mens zijn?
ontwarren behoort niet tot mijn specialiteiten.
en hoe veel denken aan is eigenlijk gezond…
hangt er vanaf aan wie.
zeg jij. mij hoor je daar niet over.
je luistert enkel met die halve oren van je.
nee, liever niet. want dan wel.
maar alles waar te voor staat is té.
who cares, dan maar té.
te raar om jezelf van buiten te zien
terwijl je er toch continu binnenin zit.
zoiets als buiten jezelf zijn misschien.
maar de zinnen zitten er nog in.
dat blijkt wel weer.
ik leer langzaam te vliegen.
tussen al die regels door.
regels schreeuwen als meeuwen.
ik zou niet goed wijs zijn.
wat zeg je? precies.
dan maar slecht wijs, da’s ook wijs.
mijn gitaar lonkt naar mij.
ik lonk terug en gooi mijn benen over de stoel.
dan denk jij weer dat je mij kunt zeggen wie ik ben.
waarom zou ik überhaupt iemand zijn.
ik ben niet iemand als ik al ik ben.
waarom dan geen hoofdletters,
als het beestje wel een naam heeft?
zonder hoofdletters worden
de letters wirwar in je hoofd.
zonder hoofd ook.

πάντα ῥεῖ

The Puking Saga

Lang gevreesd, toch gekomen. Er waart hier sinds een paar weken één of andere mutant van het noro-virus rond. Dat had ik van de moeders en juffen op school duidelijk meegekregen en daarom hebben we hier thuis al een tijdje een handenwasmanie, een ziekenbezoekverbod en een elkedagschoneklerenaanvoorschrift. Het mocht niet baten. Dochter kwam vrijdagmiddag thuis van een middagje rondbalgen bij de buren en gilde enthousiast dat buurjongetje ook aan de kots was.  Oh. Fijn…

Gisteravond een heerlijk kerstdiner cq kerstfeest gehad. De kinderen hadden onder de liefdevolle begeleiding van ons buurmeisje ook een leuke avond gehad, vol gepropt met TV, chips, popcorn, fanta en kruidnootjes. Om twee uur lagen we in bed. Binnen een half uur sliepen we als ossen, om om drie uur wakker te worden van het gekrijs: “MAAAAHAAAAAAAMAAAAAAA IK HEB GEKOTST!!!” Ik realiseerde me niet meteen de volle betekenis van haar woorden, stommelde de kamer van dochter binnen en gleed uit. In  het overgeefsel dat dochter van haar (half)hoogslaper met vol geweld over de rand naar beneden had gespuugd. Ze wou niet in bed spugen want dan zouden haar barbies en knuffelbeesten vies worden. Op zich heel lovenswaardig, maar om het dan maar van anderhalve meter naar beneden te laten klateren is ook een niet de meest aangename optie. Voor mij dan. Binnen een straal (duh… straal…) van pak ‘em beet twee meter zat het werkelijk óveral. Op de muren, in de barbiekoets, op de bank, op de kledingkast, op en achter alle treetjes van haar bedtrapje, enzovoort. Ik mompel enkel ‘oh mijn god’, staar achtereenvolgens naar huilende dochter en naar mijn blote voeten in de kots, veeg ze af aan het groene mierentapijtje van ikea (die is namelijk wasbaar, zo wakker was ik dan wel weer 🙂 ) en stommel weer naar buiten. Emmer halen, ajax erin en dweilen maar. Alle losse dingen in de douchecel gemieterd en heet afgespoeld, dochter erachter aan. God wat goor. Bed verschonen, mijn voeten en handen desinfecteren (ik kon alleen maar anti-schimmelmiddel vinden maar dat werkt ook best goed als voetendesinfectans geloof ik. Het ruikt in ieder geval naar chloor.) Wat een zooi. Wat een ongelooflijke zooi. Maar toch: om half 4 lag ik weer in bed.

Vanochtend om een uur of half acht moest ze nog een keer overgeven maar dat deed ze als vanouds: keurig op de WC. Braaf meiske. Nu ligt ze voor oud vuil op de bank en ik heb zojuist opnieuw een uitgebreide dweilsessie gehouden. Zelfs uitgekotste paprikachips geeft oranje vetvlekken op witte muren, wat een vet goedje is dat… Ongelooflijk waar dat spul overal heen sputtert. Voordeel: de hele bovenverdieping (en de trap en de gang en de keukenvloer, want met je blote kotsvoeten overal naartoe banjeren is achteraf gezien ook niet echt aan te bevelen) is nu wel weer mooi schoon, dat was heel hard nodig.

Nu is het afwachten of en wanneer wij onze ingewanden weer eens intensief mogen reinigen… Hopelijk snel, dan zijn we voor de kerst weer klaar.

Blijkbaar titelloos

If you want to touch the past, touch a rock.
If you want to touch the present, touch a flower.
If you want to touch the future, touch a life.

Die quote las ik vandaag. Geen idee wie dat ooit zei (“Unknown“) maar deze quote fascineerde me. Eenvoudig en zo waar.  Een zwerfkei, keigevormd door het grote verleden, soms eeuwenoud. Een bloem, die nu bloeit, maar morgen misschien al verdord is. Maar als je iemands leven echt raakt, dan raak je de toekomst. De toekomst van diegene maar ook die van jou. Je beseft dat dit de dagen zijn, de dagen dat je je eigen toekomst maakt. Door simpelweg een ander persoon deel ervan te maken. Door te raken.

Maar soms moet je, juist om die toekomst te kunnen blijven voelen, je handen weer langzaam van bepaalde personen aftrekken. Niet meer aanraken. Laten gaan om te blijven (be)staan. Ik heb dat, en dat besef ik nu, in de laatste jaren veel gedaan. Ik heb bepaalde levens geraakt. Dat vermoed ik althans. Nee, ik hoop het. Maar ik heb ook velen zowel gewild als onvrijwillig laten gaan. Ook dat is toekomst.

Op dit moment is er weer zo’n punt waarop ik tot de conclusie kom en ook accepteer, dat ik bepaalde mensen en ook bepaalde dingen simpelweg moet laten gaan. Ik zal ze missen. Ongetwijfeld. Maar levens collideren én divideren. Het bestaan is net een botsauto. Soms botst het en voelt het goed. Dan grijns je elkaar aan en denkt: “Ha! Dát was leuk. Nog een keer!” En met een beetje geluk is de tijd nog niet om en mag je dan ook nog even verder rondkarren. Maar soms knal je ineens tegen iemand op en voel je enkel nog de nekslag. Maar botsen zal ‘t.

Ja, ik ben bang om op deze manier te moeten verliezen. Maar ik zal nooit berouwen, iemand in mijn leven gekend te hebben. De juiste mens geeft je geluk en acceptatie. De minder geschikte mens geeft je tenminste ervaring. De allerslechtste leert je een les. En de allerbeste geeft je herinneringen. Ook al gaan ze daarna toch weer hun eigen weg. Niemand is ooit zinloos…

Let it be.
It wasn’t meant for me.
I’ll let you go.
So we can both be.
We will let it rest.
Then I will see you and
you will finally see me…

Doet me ineens denken aan een song van 10.000 Maniacs…

Let me be. Let me close my eyes.
Don’t talk. I’ll believe it.
Don’t talk. Listen to me instead.
I know that if you think of it.
Both long enough and hard

The drink you drown your troubles in
is the trouble you’re in now...
(10.000 Maniacs – Don’t Talk)

Hoe treffend was dat.

Was.

Het roze briefje

…en zo voltrok zich meteen al weer het volgende drama in Huize L.

14h.
Zoon komt binnen stommelen, kwakt zijn schoolrugzak op tafel en zakt zuchtend neer op de bank. Zoveel huiswerk. Zoveel gedoe. En nu ook nog allerlei dingen die ze moeten doen voor de kerst c.q. in de adventstijd. Een projectje om de sociale vaardigheden en naastenliefde te vergroten, volgens de lerares. Het staat allemaal op een briefje. Een roze briefje, dat hij gewetensvol onder mijn neus drukt. “Kijk, dat moet ik allemaal doen voor volgende week!”.rozebriefje
een volwassene beleefd voor iets bedanken. Oké dan, no problem: elke keer dat hij met de buurvrouw mee naar school rijdt, bedankt hij haar beleefd, dus die kunnen we afhaken.
iemand vrijwillig helpen. Dat doet hij all the time, dus ook geen issue.
helpen in de huishouding. Oh shit. Dat wil hij altijd graag maar ehm, echt handig is dat niet. Maar goed, hij mag best ramen lappen van mij.
praten met een medescholier waar hij anders niet echt veel mee praat. Moet-ie zelf doen. Kan ik niet bij helpen. Ik weet wel een hoop kandidaten…
een medescholier een compliment geven, en
een goede wens voor iemand uitspreken. Allebei ook wel te doen denk ik. Maar sociale dingen kunnen bij zoon nogal eens raar uit de mond komen, zeg maar. Het is een beetje dagafhankelijk. Goed bedoeld, raar gezegd. Ik moet bij hem vaak een beetje aan Jack Nicholson als Melvin Udall in ‘As good as it gets’ denken.

Goed, ik heb het roze briefje gelezen, denk in stilte ‘wat een onzin‘, leg het weer op tafel en ga door met mijn bezigheden. Nadat hij nog even de absolute relevantie van het briefje benadrukt, duikt zoon op zijn wiskundehuiswerk en op het oefenen van z’n opstel. Morgen dé toets der toetsen: opstel Duits. Ach, een ramp wordt ’t sowieso wel. Het briefje verdwijnt uit de aandacht. ’s Avonds voor het naar bed gaan, wil hij zijn rugzak inpakken. “Maham, waar heb jij mijn roze briefje nou gelaten?” Euh, ik? Huh? Geen idee joh, ik heb het gewoon weer op tafel gelegd. Niet waar. Wel waar. Echt, jij hebt het ergens in gestopt. Nietes. Enzovoort.

In z’n pyjama begint hij wanhopig te zoeken. Spichtig, op blote voeten, verontrust. Ik zie zijn ogen overal heen schieten. “De juf heeft gezegd dat dat briefje heeeeel belangrijk is en dat we het niet mogen verliezen. Dan krijgen we een minnetje… En dat als we het toch verliezen, we dan zelf maar moeten zien hoe we een nieuw briefje krijgen…” Ik hoor de wanhoop in zijn stem, zie tranen glinsteren. We zoeken overal. Zelfs in de vuilnis- en de oudpapierbak, hoewel ik zeker weet dat ik dat soort dingen echt niet zomaar achteloos weg gooi. De boeken, de schriften, de rugzak, de blocnotes, alles kijken we wel drie keer na. En nog een vierde keer. Uiteindelijk stuur ik zoon om een uur of negen toch maar naar bed (morgen om 6am weer op…) maar kan het niet loslaten. Ik schrijf een bericht aan de klassenlerares in het communicatieschriftje, over het feit dat het vooral echt mijn schuld is dat we het kwijt zijn en of ze hem alsjeblieft toch nog een keer zo’n roze briefje mee wil geven. Dat hij al zo ontzettend onzeker is en altijd alles goed wil doen en dan dit…

Daarna toch weer zoeken. Nog een keer álles nakijken. Boven gecheckt. Op de WC’s, in de badkamer. Nog een keer alle paperassen nakijken. En toch ook nog maar een keer de blocnote waar hij zijn oefenopstel in schreef. En verrek, daar gloort iets rozigs achterin. Jawel! BAM! Daar is het, dat verdraaide roze briefje. De vorige vijf keer blijkbaar niet gezien. Pfffffffffffffff… Gelukkig heb ik het bericht in het schrift met potlood geschreven en dus gum ik de boel minitieus weer uit. Daarna fluister ik m’n halfslapende zoon in zijn oor dat ik het gevonden heb. Zijn ogen gaan abrupt wijd open en hij slaakt een luide zucht van verlichting, om vervolgens echt in slaap te donderen.

Ik plof neer op de bank en vervloek grondig alle roze briefjes met sociale opdrachten.
Stomme dingen.

Walrusslacht

Nee nee, geen documentair verslag over jonge walrusjes die neergeknuppeld worden om wol van hun snorharen te spinnen. Nee, echt niet.  Leest u maar.

Vandaag, twee weken na mijn knieoperatie, toog ik vol goede moed en frisse zin naar het zwembad om eindelijk weer met mijn zwemtraining te beginnen. Het zwembad waar ik voorheen zwom, heeft op dinsdag absurde openingstijden dus ging ik dit keer naar een ander binnenbad (Linz heeft er een stuk of 4), iets dichterbij. Om kwart voor tien – de geruchten wilden dat men om die tijd al naar binnen zou mogen – stond ik in de hal bij de kassa. Met nog twintig  andere, mij sceptisch bekijkende (want te jong), bejaarden. En het werden er steeds meer… En nóg meer…  Stipt om tien uur ging de kassa open (niks kwart voor tien, duh) en stormde de meute waterhongerige oudjes  met hun abonnementskaartjes hoog in de lucht geheven naar binnen. Ik kocht braaf een normaal entreebewijs. De kassamiep casseerde vier euro terwijl ‘kort zwemmen’ (max. twee uur) maar €3,10 is, maar helaas, daar kwam ik achteraf pas achter. Namelijk toen ik de folder meenam om te kijken waar ik in vredesnaam wél fatsoenlijk zou kunnen zwemmen.

Afijn. Snel omkleden, douchen, zwembrilletje op en hoppa, baantjes trekken.
Dacht ik.
Echnie…

Stelt u zich een stinknormaal 25m-bad voor, 12,5m breed. Daarvan waren twee brede banen (zo’n 4m in totaal) afgesneden voor schoolklasjes. In de overige luttele achtmeternogwat peddelden zo’n zestig half-comateuze walrussen. Ik was totally in shock. Brilletje weer af. Kijken. Nee. Het werd er niet beter op.

Werkelijk waar, hele kuddes dames van 150 kilo en meer, stuk voor stuk met zo’n zwemhulpding op de rug gesjord en luidkeels ginnegappend over Maria die nu ineens met Hans in plaats van met Gerhard in kamer 138 had liggen te vozen en over eveneens heftig in het bad rondzwemmende lange haren die daar enkel en alleen waren omdat de jeugd van tegenwoordig allemaal zonder badmuts en zo asociaal onder water zwemt.  In ieder geval kwamen die haren tenminste nog stukje bij beetje vooruit in het water… Ik voelde me trouwens niet aangesproken want a) zwom ik helemaal niet (geen doorkomen aan) en b) heb ik mijn haar altijd samengebonden in een knot en daar nog een zwembrilletje overheen, daar komt geen haar meer vrij. A head like Alcatraz. En al zou er eentje uitbreken, viel die nog niet op tussen al die chronisch uitvallende grijze pluisharen die woest door de hal wapperden. (oh en c) ik kan mij helaas niet echt meer onder het begrip ‘jeugd’ scharen :-S). De meeste vrouwen zwommen overigens in volle entourage: met haarknipjes, brillen (incl. brillenkoordjes), make-up en oorbellen. Het hoofd komt toch niet onder water. Stel je voor zeg, de gedachte alleen al…

De mannen waren zo mogelijk nog erger. Ongedoucht wierpen ze hun stinkende oksels in de strijd. Oh zwom jij daar? Nou, nu dus niet meer.  BAFFF. Sowieso uitkijken voor rond wapperende velvleugels. Uitslaande benen. Lange teennagels die striemen op je schenen krabden. Kunstgebitten die als slagtanden in standje ‘aanvallen’ stonden. Diepbrommende snor- en baardharen (zoals het een goede walrus betaamt). Vuile blikken: ‘wat mot jij hier in mijn stukje zwembad.’

Ik heb zegge en schrijve zes baantjes ‘gezwommen’. Zigzaggend, armen, benen en boze blikken ontwijkend (omdat ik borstcrawl zwem: ik mag met mijn knieën niet schoolzwemmen, sorry). Mijn slag is werkelijk heel rustig, ik neem beduidend minder plek in beslag dan die ronddobberende galjoenen en ik ben ook nog eens veel flexibeler. Maar het was me duidelijk, ik hoorde daar niet thuis. Uiteindelijk heb ik het opgegeven en enkel nog een dik half uur lang oefeningen aan de rand gedaan. Benen-buik-armen. Ook dat kan ik. Maar zelfs aan de kant lag ik blijkbaar in de weg en kreeg spontaan heimwee naar mijn romaatje in het andere zwembad. Daar was het bij tijden weliswaar ook oorlog en ging het er eveneens hard aan toe maar toch was het volk duidelijk toleranter en minder anti-‘echtzwemmen’ dan hier.

Wel, lieve overjarige walrussen,
ik ben er alweer van tussen.
Heb nog veel plezier in uw pissoir.
U hebt het nu al voor elkaar:
Mij zult u in uw pierenbad niet meer zien.
Menschnochmal, elllllende voor tien…

Zoet

Had je echt gedacht
dat het eeuwig stil zou blijven
dat alles altijd op jou wacht
en jij je bittere spot kunt drijven

Had je echt gedacht
dat je zomaar een gat kunt boren
in dat hart, zo week en zacht
en ’t nog steeds jou zal behoren

Had je echt gedacht
dat haat het zal kunnen winnen
dat je uiterlijk steeds weer lacht
toch verscheurd bent van binnen

Had je echt gedacht
dat jij er ook maar iets toe doet
terwijl jij enkel alles diep veracht
ach weet je, wraak is nooit zoet…

.

.

© Lou

zoek zoek zoek

Ik zoek en vind niet. Het is weg. Foetsie. Ik zoek al dagen. Weken. Maanden? Ik zoek in mijn achterste achterkamertjes, onder mijn zwevende vingers, achter mijn pijnlijke rug, tussen mijn dovemansoren. Het is er niet meer. Ik sta op een droogje, zoals blijkbaar zovelen met mij momenteel. Al een tijdje eigenlijk, heb al een maandje of wat geleden over mijn interne leegte bericht. Er is zoveel waar ik over zou kunnen schrijven. Er is ook veel wat ik wel opgeschreven heb maar wat op ‘Privé’ blijft staan omdat ik dat niet in de openbaarheid wil hebben. Blogs voor mezelf, over mezelf. Ze gaan over mijn eigen falen, mijn verdrieten, mijn verslavingen en mijn donkerste gedachtes. Opschrijven helpt nog steeds, maar gelezen hoeft het niet te worden. Misschien dat ik over een paar jaar denk: “ik ben er nu compleet overheen, nu kan ik terugblikken en eventueel mijn annalen van toen wel openbaren.” Maar die kans is klein.

Ik zit in een rare fase. Ik zoek naar mijn eigen leven. Zo voelt het. Ik was het leven even kwijt. Dat zei een dame namens Petra laatst in het TV-programma ‘Verslaafd’. Dat zinnetje trof me enorm. Ik herkende het. En nu ben ik zoekende. Van dat leven heb ik al wel weer een paar stukjes terug gevonden maar ik zoek nog steeds naar het grotere geheel en mijn eigen verstandige ik. Naar mijn gezondheid. Naar de essentie. Naar zin.

En ik ren mezelf voorbij als het gaat om houden van. Ik hou van veel mensen en ook van veel dingen. Maar van mezelf houden, dat kan ik niet goed. Nog steeds niet. Ik wil zelfs zo ver gaan om te zeggen dat ik mezelf bij tijden regelrecht mishandel. Of mishandeld heb, in ieder geval. Maar nu, nu mept mijn altijd zo braaf incasserende maar gekrenkte lichaam zomaar ineens terug. Mijn buik wil geen slecht voedsel meer. Mijn maag wil geen sloten koffie meer. Mijn lever wil geen alcohol meer. Mijn knieën willen mij niet meer dragen. Maar mijn hoofd wil het dat allemaal nog niet beseffen. Dus zoek ik.

Ik zoek ik…

En met al dat monotone gezoek ben ik momenteel mijn blogzin kwijt geraakt. Ik neem aan dat dat tijdelijk is. Het komt wel weer, dat weet ik zeker. Tot die tijd zoek ik maar gewoon een beetje verder.

Zoek, zoek, zoek…

Bucket List

Bij blogster Sandra de Koning – vd Pol stootte ik een tijd geleden al op haar opmerkelijke en vooral interessante Bucket List. Zo’n lijst met dingen die je ooit nog in je leven wilt doen voordat je de aardkloot eens van de binnenkant gaat bekijken (oftewel: ‘hit the bucket’ in het Engels). Geïnspireerd door Sandra voelde ik nu ook de behoefte om zelf eens zo’n lijst te maken. Waarom? Omdat je dan wat beter na gaat denken over wat je nog wilt in en van het leven. De grote dingen, maar ook de kleinere to-do’s. Er is zelfs een film namens ‘The Bucket List’ die hierover gaat, misschien moet ik die eerst maar eens kijken. Ter inspiratie. Een levenswensenlijst. Een dingen-die-ik-echt-nog-gedaan-moet-hebben-voordat-ik-de-pijp-uit-ga-lijst dus. Oh en ik weet het hoor, het klinkt als een actie voor een rasechte midlife crisislijder, maar geef toe:  het is wél leuk om na te denken over je eigen grote (en minder grote) wensen en things to do.

Er zijn een hele hoop dingen die ik al gedaan heb: kinderen krijgen (wel twee), in het buitenland werken (vele malen, zelfs een keer meer dan een jaar lang in Zwitserland), naar Israël reizen (gedaan voor mijn scriptieonderzoek), naar Australië (op mijn 16e, naar de World Jamboree), Tina Turner met Kim Wilde in één kapsel verenigen, trouwen (pas één keer gedaan maar dat loopt tot nu toe dan ook nog steeds redelijk tot goed), studeren (ook maar liefst twee keer), mijn klasgenoten van de lagere school weer zien (afgelopen zomer, na 30 jaar, hadden we daadwerkelijk een reünie!), zweefvliegen (vorig jaar april, wat een ervaring – valt hier te lezen: “I believe I can fly“), emigreren (been there, done that: weliswaar binnen Europa, maar toch), mijn duikbrevet halen (heb ik in 2000 gedaan, sindsdien nooit meer gedoken 😦 ) en nog een hoop dingen die me nu even zo snel niet te binnen schieten.

En er zijn dingen die ik weliswaar heel graag wil doen maar die echt nooit (meer) iets zullen worden, zoals een keer naar de maan vliegen (in het echie dan hè, niet figuurlijk, maar ik kan me niet voorstellen dat dat in mijn leven nog iets gaat worden), een marathon rennen (of dan tenminste een halve. Dat wil ik al heeeeeel lang, ik heb tijden lang hard gelopen, tot 10km, maar elke keer brak het me op en gingen mijn knieën verder achteruit. Nu is dat met mijn volledig kapotte knieën daadwerkelijk een utopie geworden: ik mag niet meer hardlopen van de dokter) en ik zou ook zo graag de puinzooi in Fukushima opruimen en repareren voordat we er allemaal aan creperen, maar ook dat ligt niet in mijn vermogen helaas. Daarom doe ik maar alsof de wereld nog even doordraait én ook minstens nog een paar jaar bewoonbaar blijft en denk na over de dingen die ik nog eens zou willen doen. Ik spreek met opzet niet over wat ik zou willen hebben (een Galaxy Tab 3, een Wii, een Porsche 911 cabrio… ), dat is materialistisch en volledig zinloos want als je het eenmaal hebt, wil je toch weer wat anders. Als je dingen uiteindelijk daadwerkelijk gedaan hebt, kan het hooguit zijn dat je het nóg een keer wilt doen, en dat is dan een terechte wens in mijn ogen. Ik heb er trouwens vanzelfsprekend een hoop ‘klassiekers’ en clichés bij zitten, dat krijg je nu eenmaal als je na gaat denken over dit soort dingen.

Bij deze.
In random order.

1. mijn kinderen als gelukkige c.q. met hun leven tevredene volwassenen ervaren (duurt nog een tijdje voordat ik deze af kan strepen, ik weet ‘t, maar het is een belangrijke).
2. naar Nieuw-Zeeland reizen (daar zijn mijn paps en mams namelijk op dit moment en nu wil ik, verwend nest, daar ook een keer heen)
3. letterlijk op de kast zitten (en dan op zo’n grote ouwe, houten linnenkast. Eerste vereiste daarvoor is wel bucket list item nr. 4…)
4. nog één keer een volledig normaal postuur hebben (niet reteslank, gewoon een ‘gezond BMI’. Wordt aan gewerkt, voor de tigste keer. En ja ik weet ‘t, ik ben goed zoals ik ben, maar ik wil het tóch)  en dan ook houden natuurlijk… (maar ik streep ‘m af als ik ‘normaal’ ben. Nog 20 kilo to go…)
5. koffieleuten met FB-vriendin I.
6. parachute springen (ehm, een tandemsprong dan hè, ik wil daarna nog verdere punten van mijn bucket list weg kunnen strepen en met mijn knieën krijg ik zelfstandig vast geen normale landing voor elkaar :-/ ).
7. op bezoek bij FB- en blog-vriendin N.
8. kamperen met de kinderen (we hebben al jaren álles in huis om te kamperen, alleen doen we het niet…)
9. met dames-midlife-crisis-vakantie in een luxe resort met vriendinnen H. en H.
10. een keer in elk werelddeel geweest zijn (Europa, Australië, Azië (Israel/Bombay/SingaporeTokyo), Noord-Amerika (USA) en Afrika (Egypte) kan ik afhaken. Zuid-Amerika en Antarctica to go…)
11. een stedentrip Moskou (liefst met vriendin C.)
12. sushi eten met vriendin K. (my treat hè 🙂 )
13. mijn 9120-stukjes puzzel – de toren van Babel van Breughel – leggen (en ook afmaken)
14. nog een keer naar een P!NK-concert (een ‘moetje’; ik móet haar nog een keer zien, mijn absolute idoolvrouw)
15. een buitenmuur vol (mooie!!) graffiti sprayen (eerst een cursus doen dan)
16. een bestaand record breken (lokaal, nationaal, wereldwijd, whatever)
17. een eigen schilderij voor meer dan €200 verkopen (tot nu toe heb ik ze enkel succesvol weg kunnen geven)
18. een boek schrijven (oww mén, hoe cliché… maar ik denk dat dat er nog wel een keer van gaat komen). Oh, én uitgeven. Dat ook.
19. mijn onzekerheid voor de volle 100% killen (kan ik dat…, durf ik dat…, en dan…)
20. nog een keer met Christie naar een Bon Jovi-concert
21. een kleine tattoo laten zetten (sorry, sorry mams… ik weet dat jij dat hé-le-maal niks en echt vreselijk vindt, maar ik wil het echt heel graag en ik ben nu eenmaal een volwassen deerne en en en… en je zult er niet veel van zien, beloofd) (durf ik dit te zeggen…) (oei…)
22. professionele zangles nemen (uhm, beter gezegd: krijgen – ik sta op de wachtlijst…) en dan ooit een keer voor publiek zingen (soooooo scary)
23. goed kunnen drummen (tot nu toe is dat bij Kinderkram  en op liedjes meerammen gebleven)
24. … en mijn gitaar weer enigszins acceptabel kunnen bespelen (oefenen, oefenen, oefenen)
25. een helikoptervlucht maken (lijkt me waaaaanzinnig)
26. een keer diepzeeduiken (het diepste tot nu toe was 25m, ik wil minstens naar de 50m)
27. mijn ouders spontaan verrassen
28. Spaans leren (ooit een paar jaar Spaans op de HEAO gehad, maar daar is verrekte weinig van blijven hangen)
29. naar Stonehenge en daar rond dansen in mijn zelf op de grond getekende triquetra
30. mijn huis uitmesten (en wel: de keukenkruidenla, de apothekerskast in de keuken, de medicijnkast in de badkamer, de berging, de zolder, mijn klerenkast en de kelderkasten – kan ik dan per item afstrepen)
31. het speelgoed van de kinderen (grotendeels) verkopen (maar dat mag nu dus nog niet.  Eeeeeven wachten nog…)
32. succesvol ‘vergeten groenten’ telen in de tuin (Ik heb al pogingen gedaan, maar die zijn nog niet echt wat geworden)
33. de fotoalbums van de jaren 2010 t/m 2013 samenstellen en af laten drukken
34. alle niet digitale foto-, kaarten- en herinneringsspul (hele ikea-bak vol) ordenen en inplakken
35. tachtig baantjes van 25m in één uur kunnen zwemmen (borstcrawl). Nou ja, ik ben met zestig ook tevreden (ik heb de 50 al gehaald) maar ‘twee kilometer’ klinkt zo mooi…
36. een relevante ontdekking doen (voor wie dat dan relevant is, dat beoordeel ik t.z.t. zelf)
37. een eigen (liefst internetgebaseerd) business idee uitwerken en realiseren (ik geef ’t toe, ik ben mijn huidige business behoorlijk zat, geen uitdaging meer)
38. zonder angst mijn (eh… ‘een’) smartphone rooten
39. een volledig eigen schilderstijl ontwikkelen (tot nu toe schilder ik vanalles en nogwat, van portretten tot nageschilderde dingen, van muurschilderingen tot zentangles, maar er zit absoluut geen lijn in)
40. bij een (pop)koor zingen
41. een armband van zelf gedraaide glaskralen maken (al eens een cursus gedaan, zulk prachtig werk…)
42. in een discussie/onenigheid met mijn man ooit eens een keer gelijk hebben (dat moet toch een keer lukken??)
43. met de kinderen naar Eurodisney Parijs (en dan ook een paar dagen in Parijs blijven) (man mag ook mee trouwens)
44. met mijn zus een superdooper luxe wellness-weekendje doen
45. nog een keer succesvol triops kweken (een hobby die weliswaar in meerdere aquaria ontaard is, maar de triops zijn er bij ten onder gegaan)
46. het aantal interne persoonlijkheden reduceren tot drie (well, who am I gonna kill…)
47. mijn bootring-hartenketting repareren en voorzien van het hartje dat ik van zoon gekregen heb
48. met mijn Dremel-dinges een paasei-kunstwerk maken
49. de komeet Ison in december dit jaar voorbij zien vliegen (moet heel spectaculair gaan zijn, zo fel als de volle maan).
50. de nu nog zwarte salontafels bordeauxrood spuiten
51. een nieuwe bank in de woonkamer kopen
52. van mijn in Italie verzamelde mini-schelpjes een mooie ketting of armband maken
53. mijn bucket list updaten en met meer realistische dingen aanvullen (makes it a neverending story 😛 )

Ik vind ’t voor nu wel genoeg. Nee nee, een cursus kunstgeschiedenis zit er niet bij. Ik vond Spaans wel voldoende voor deze middenlevenscrisis. En dan heb ik natuurlijk nog enkele dingen die ik niet in het openbaar neer kan en wil zetten hè, maar die -eh- ‘donkerzwarte’ levenswensen blijven toch echt bij mij en bij mij alleen 😛 (Nee, echt, sorry, smeken helpt ook niet). De lijst is dus ook niet eindig (zie punt 53); er komen vast nog een hoop nieuwe list items bij en ooit zal ik er misschien wel een paar weg kunnen strepen. Maar het is me nu in ieder geval duidelijk geworden dat ik nog heeeeeel lang moet leven, zo lang dat ik nu nog geen midlife crisis kán hebben omdat ik nog niet op ’t midden kan zijn als ik ook echt alles wil doen wat ik blijkbaar nog wil doen.

Hatsjikideeeee!

Niksig

Zaterdagnacht. niksig
Kort voor twaalven.
En ik, ik voel me niksig.
Ach wat nou, niksig.
Nou gewoon… Als niks.
Wat kan ik nou.
Wat bén ik nou.
Wie vraag ik al niet eens meer.

De dingen die ik zou willen veranderen, blijven eeuwig hetzelfde.
De dingen die ik zou willen doen, blijven een utopie.
De dingen die ik zou willen repareren, blijven gebroken.
Dat wat ik zo graag wil, blijft altijd buiten mijn bereik.
De dingen die me grote zorgen baren, escaleren vanzelf.

Het is zinloos.
Ik ben machteloos.
Dus voel ik me niksig.
En ga maar slapen.
Morgen een nieuwe
dag waarop alles
wéér anders blijft.

Miljarden aardachtige planeten in ons melkwegstelsel, hmm?
Ik hoop dat ze er daar wat beters van bakken dan wij hier…

s(h)itting life

ik blog te weinig, ik weet het. Maar dat heeft een oorzaak: momenteel wind ik mij nergens over op en is mijn wereld verrekte klein. Dat eerste komt door de medicatie, vermoed ik. Van veel pijnstillers krijg je een betonnen plaat voor je kop. En van te weinig koffie word je een sufkop, dat ook. Goh, een taifoen… wat rot… 0,1% economische groei (ook wel stagnatie genoemd), wat prachtig… over een weekje gaat de wereld ten onder aan nucleaire straling… tja, ’t is niet anders hè, daarna zien we wel weer verder… Of niet. Oh en dat tweede komt door het feit dat ik al meer dan een week huisarrest heb. Ik mag niks. Liggen, zitten, liggen, naar de wc krukken. En weer terug.

Mijn hoofd is een vlakte. Een droge steppe. Ik heb m’n werk inmiddels actief en succesvol weten te verdringen. Geen zin in. Komt volgende week wel weer. Of ook niet. Ik doe een dutje als de kinderen de deur uit zijn, het liefst met één of twee slapende katten tegen me aan. Ik teken een zentangle of een zendoodle, schrijf wat en delete ’t dan weer (too boring, net als dit hier). Na de middag vragen de kinderen een hoop aandacht (school kills, had ik dat al gezegd?). Zoon vertelt en passant dat men zijn pennenetui met dagelijkse regelmaat door de klas heen keilt, maar ach, ze rapen het over het algemeen ook wel weer op. Goh, fijn. En hij heeft eindelijk een ‘echt’ vriendje gevonden. Dat is niet ‘goh, fijn’, dat is geweldig. Het is nog een aardig jong ook. zentanglecollage

Ik kijk naar de kat, die op dit moment onze koeienvlekkendeken probeert te slachten. En naar de zooi in de keuken. Als huisman is mijn man duidelijk net zo geschikt als een genarcotiseerde mol. Hij ziet niks, werkt de pruttel wat opzij, stopt bij tijden een noedel of een stuk oud brood in zijn mond, duwt af en toe wat in-de-weg-liggends aan de oppervlakte (zodat ik het weg kan ruimen) en graaft zich dan weer met verbazingwekkende snelheid in de onzichtbaarheid (namens ‘zijn werk’). Ik doe dus – ondanks de situatie – toch zo goed als alles, op mijn rollator – hatsjikideeee – en weet inmiddels ook welke kant-en-klare c.q. diepvriesmaaltijden geapprecieerd worden en welke niet. Het maakt mij geen bal uit: ik eet ze toch niet.

Ik teken wat meer, kijk naar Koffietijd (shocking) en de samenvatting van DWDD (saai gelul). Ik zie Miracle Blades, Magic Bullets, FabAbTrainers, wonderkorsetten en geweldige aztekische afvalpillen met de onuitspreekbare naam Alcachofa de Laon (Artisjokken in poedervorm voor maar vijftig euries per week!) bij Tommy Teleshopping en Tellsell (sorry, Netflix werkt niet in Oostenrijk). Dr. Google geneest mij snel weer van onverhoopt ontstane koopneigingen en ik dank de mensen die de moeite hebben genomen om de realiteit omtrent deze verzameling schroot en pseudo-hoopgevers in een recensie weer te geven. Thank you, thank you, thank you. Apropos, recensies. Ik schrijf nog wat meer. Recensies (hiero!) over seksboeken (zogenaamde ‘erotisch-pornografische romans’). Leuke bezigheid, moet ik toegeven, al behoor ik duidelijk tot het minder geschikte publiek voor dit literaire genre (over immuniteit gesproken…).

Het meest opwindende in mijn leven is momenteel de tijd die ik nodig heb om van de bank naar het toilet te komen. Die wordt namelijk steeds korter, naarmate ik mijn rollator met meer behendigheid en snelheid om de bocht kan manoeuvreren en met mijn krukken grotere sprongen kan maken (als ik zo doorga, mag mijn linkerknie straks ook geopereerd worden). Mijn rug gilt het elke avond uit van de excruciërende pijn. Ah… the blessings of a s(h)itting life. Ik verheug me inmiddels al op een heerlijk simpel rondje boodschappen doen. Vanmiddag onderneem ik ein-de-lijk weer eens een poging tot autorijden. Ik mis ‘m, mijn Oud-i… De kinderen moeten naar de gym resp. naar judo en er is niemand anders die dat kan doen, momenteel. Ja ja, dit wordt een topmiddag!!

Boekrecensie Crossfire

Boekrecensie: “Crossfire 1 – Verslaafd aan jou” van Sylvia Day
door: Louise Larndorfer-Bartels

Het eerste boek van een trilogie, die opvallend veel aan ‘Fifty Shades of Grey” doet denken. Ero-literatuur is hip tegenwoordig, dus dit moet ook geproefd worden.

Eva Tramell is een beeldschone, net afgestudeerde twintiger die aan haar eerste baantje bij een reclamebureau in New York begint. Op haar eerste werkdag botst ze in de lobby van het gigantische Crossfire-gebouw waar ze werkt gelijk tegen Gideon Cross, de eigenaar van het imposante bouwwerk, op. Cross is blijkt een nogal vurige man te zijn. Hij is machtig, extreem attractief en heel erg dominant. Eva voelt zich meteen magisch tot hem aangetrokken maar merkt (vanzelfsprekend) instinctief, dat ze beter uit zijn buurt zou moeten blijven. De pech is: hij wil haar blijkbaar ook:  voor de volle honderd procent en enkel onder zijn voorwaarden. Eva kan niet anders dan toegeven aan haar verlangens en samen ontdekken ze hun donkerste hartstocht, hun geheime fantasieën en hun verknipte misbruikverleden.

Het verhaal gaat absoluut gelijk op met het veelgeroemde als ook verguisde Fifty Shades of Grey: een relatief onschuldig meiske dat in de seksbeluste klauwen van een steenrijke, machtsbeluste tycoon geraakt. Met het verschil dat Fifty Shades meer richting BDSM gaat en het in dit boek meer rechttoe rechtaan seks betreft. Maar er is nog een groter verschil: de romans van Sylvia Day zijn leesbaar. Ik ben destijds begonnen in het eerste deel van Fifty Shades maar ben na hoofdstuk negen afgehaakt. Ik kon het “Oh my” en “don’t bite your lip!” simpelweg niet meer zien. Amateuristisch geschreven, plat, saai. ‘Verslaafd aan jou’ heb ik redelijk snel uitgelezen, de schrijfstijl en het verhaal zelf maken het goed te doen, al lees ik niet graag vertalingen als ik het origineel ook kan begrijpen. De vertaling van Groot en De Groot is acceptabel maar niet overweldigend goed. Bovendien klinken sommige dingen in het Engels tien keer beter en sexyer dan in het Nederlands, dat staat als een paal boven ‘nattigheid’.

Het boek komt redelijk snel ter zake en tot dé ontmoeting: op pagina 11 valt Eva al voor Cross’ voeten en is meteen sprakeloos. Toch duurt het nog tot pagina 81 voordat er echt wat gebeurt. Meteen ook de uiterst discrete vraag van Cross: “Je bent [,,,] zo gretig. Hoe lang is het geleden dat jij geneukt bent?” en dat terwijl enkel Eva degene is die in eerste instantie ‘bediend’ wordt met vingers en tong. Niks neuken. Ik vind dat trouwens zo’n verschrikkelijk onerotisch woord dat ik er, elke keer dat ik het weer lees, onaangenaam door afkoel. Maar goed. Er volgen een aantal  jaloerse intermezzo’s en confrontaties met exen en groupies van Cross voordat het in de limousine uiteindelijk tot de lang verwachte, allereerste wederzijdse climax komt. Zinnen als “hij is zo groot”, “wat zuig je me goed” en “je bent zo nat/lekker/strak” worden goedgemaakt door wat meer epische omschrijvingen als “Ik golfde om hem heen, persend, trillend op het randje van een orgasme.”

Ondanks dat het lijkt alsof Cross eigenlijk geen sociale omgang wenst met de vrouwen die hij daadwerkelijk penetreert, komen er dan toch steeds meer romantische tussenwerpsels. Enorme bossen thuisbezorgde rode rozen met ‘Ik denk aan je’-kaartjes en uitspraken als “Jezus, Eva. Elke dag sinds ik je heb ontmoet heb ik mijn mond op je kut gewild.” Pure romantiek dus. Jezus, Christus en God komen sowieso erg vaak om de hoek kijken, trouwens. Je moet ervan houden.

Aan seks in ieder geval geen gebrek, wat natuurlijk ook niemand verwacht had. Maar na verloop van tijd lees je toch redelijk nuchter en vluchtig over banale zinnen als “De eerste straal sperma was zo dik dat ik hem nauwelijks kon doorslikken” heen. Ik ben waarschijnlijk geen goed publiek voor eropornoboeken…

Samengevat: Een aardig geschreven, onderhoudende, erotisch-pornografische roman met hier en daar een schrijffoutje (bijv. “…en toen ging de deur werd dicht” – p234), veel harde, hijgende, pulserende seks, bergen jaloezie en bezitterigheid, een mespuntje romantiek en een horde verknipte personen. Op naar boek twee.

Auteur: Sylvia Day
Titel: Verslaafd aan jou
Oorspronkelijke titel: Bared to you
Paperback, 320 pagina’s, 7e druk, augustus 2013
Uitgever: A.W. Bruna Uitgevers, Utrecht 2012
Taal: Nederlands (vertaling: Marike Groot en Ineke de Groot)
ISBN10: 9400502389
ISBN13: 9789400502383
Prijs:  € 15,00

Recensie geschreven in opdracht van Verboden Voor Mannen

kniegeknoei

Donderdag tien voor zes. Klaarwakker. Ik sta op, joggingbroek, shirt en vest aan. Kinderen wakker gemaakt, ontbijten. Ik enkel een glas water en een kop groene thee, nuchterheid is voorschrift. Om kwart voor zeven duw ik de kinderen de deur uit richting buuf die op de verdere gang naar school toeziet en stappen man en ik in de auto, op naar Linz.  Half acht, aanmelding op de orthopedische poli, samen met minstens twintig andere ongelukkigen. Ene kamertje in, paar dingen ondertekenen (de man vraagt naar mijn dubbele achternaam en of ik de volgorde zelf mocht kiezen. Zou hij ook binnenkort gaan trouwen of zo?) en weer naar buiten. Wachten, wachten.  Andere kamertje in. Daar leer ik mijn operateur kennen. Operatietijd: niet voor enen. Oef. Later dan ik gehoopt had, de honger loopt al aardig te keten. Op naar de afdeling met mijn hele hebben en houwen voor eigenlijke opname. Weer wachten. Een humoristische dame namens Greti begint alvast bij alle wachtenden hun eet- en drinkwensen in de computer in te voeren. Ineens hoor ik de verpleegsters en een OK-assistent over mij praten. “Dan maar naar kamer drie verhuizen, daar is nu een bed vrij. Ja nu.” Greti krijgt instructies om eerst mijn eetgegevens op te nemen omdat ik blijkbaar nu al geopereerd wordt. Joepie! Greti is heel snel klaar met mij en kan niet vatten dat ik echt helemaal niks wil. Nee, geen avondeten. Nee, geen Kuchen. Nee ook geen ontbijt. “Ook geen soep?? U moet toch iets eten?” Ik vertel haar dat ik een speciaal dieetprogramma doe en mijn eigen eten bij me heb. Ter geruststelling bestel ik voor na de operatie toch maar een Grießnockerlsuppe, dat is een heldere runderbouillon met een soort knödel van griesmeel en ei erin. Best lekker. “U bent wel een vreselijk goedkope patiënt zo hoor!!” Ja. Fijn hè.

In kamer drie moet ik mij volledig uitkleden, zo’n achtervastknoopoperatiejurkje aantrekken en wordt mijn linkerbeen van teen tot heup ingezwachteld. “Ter voorkoming van eventuele fouten [duhhh…] en tegen eventuele trombosevorming,” zegt ze. Eveneens in kamer drie ligt een oudere dame die, als ik eenmaal alleen in het bed lig te wachten, haar kans schoon ziet om even te kletsen over wat er allemaal misgelopen is bij haar. Een nieuwe knie, ging helaas niet zo lekker en bij het röntgen hebben ze haar vervolgens zo in positie gedraaid dat haar patellapees abrupt afgescheurd is. En nu ligt ze daar al drie weken te koekeloeren, mag het bed niet uit en men probeert alle fouten krampachtig te herstellen. Ik begin te snappen waarom zij inmiddels alleen op een kamer ligt: men wil misschien liever niet dat ze elke patiënt inlicht over medische missers…

Mahmud de beddentaxi komt breed lachend binnen stommelen, roept ‘aahh ben je alweer op de verteltoer Maria??’ en vraagt vervolgens ook al naar de afkorting van mijn naam (L…..-Ba. Meer staat er niet op het etiket op mijn bed want dat was blijkbaar te lang. LouLaBa was nog helemaal niet zo’n slechte afkorting eigenlijk), over haren op patiëntenknieën (heb ik niet!! Braaf geschoren!), over de te slome lift en nog veel meer. In het voorportaal van de OK komt de narcosearts me halen en merkt op dat hij mij kent. Huh?? Ik ben hier nog nooit geweest hoor. Nee, nee, maar hij woont in mijn dorp en zijn kinderen zaten bij mij op de voetbal. Ahaaaaaaa… ik herken hem nog steeds niet maar ik krijg van hem een spuit en een mooie roze handkatheter. Langzaam druppelen de knock-outdruppels in mij. Ik weet mijn geboortedatum nog te melden en dat ze vooral mijn rechterknie moeten nemen, ik mompel mijn adres nog half en rond tienen ben ik dan echt weg. Om half één schijn ik huilend van de pijn wakker geworden te zijn op de uitslaapkamer. Gelijk een infuus met pijnstillers erin en tsjakkaaaa foetsie ben ik weer. Om iets na tweeën  kom ik bij, om half drie ben ik op de kamer. Een andere kamer want naast mij ligt nu ineens Beatrix. Bea heeft een mobilisatie van haar kunstknie voor zich, het ding wil niet ver genoeg buigen. Dat gebeurt ook onder narcose want anders is het een vreselijk pijnlijke aangelegenheid. Ze is ook al sinds de avond ervoor nuchter en sterft van de honger en de dorst, maar ze mag niks want ze weet niet wanneer ze aan de beurt komt.

Ik moet plassen maar mag het bed niet uit vanwege de drainageslangen die nog in mij zitten. Minstens tot de ochtend in bed blijven. Uiteindelijk hou ik het niet meer uit en roep de verpleegster, hoe dat dan nu moet. Ze komt met een plastic ondersteek (hoe heet dat, een bedpan?). Die wurmt ze onder mijn kont (ik moet mij optrekken aan die bungelende steun boven het bed. Pijnnn!!) en zegt “Zo. En nu plassen.” Euh… tja… euh… liggend??? Ik kan niet liggend plassen. Ik hijs mezelf overeind en probeer wel vijf minuten lang er een druppel uit te persen. Bea kijkt discreet de andere kant op. Wat een ellende. Maar uiteindelijk komt het.

Om vijf uur ligt Trix nog naast me, met hoorbaar rommelende maag. Ik krijg mijn kop bouillon met griesknödel en kan het bijna niet eten omdat ik het zo sneu vind voor haar. Maar ik heb zo’n ongelooflijke zin in iets warms dat ik de bouillon inclusief knödel in no time naar binnen gewerkt heb. Wat een heerlijkheid. Een blok van mijn eigen astronautenvoer erachter aan en ik ben weer bijgetankt. Wat zal ik nu eens gaan doen, zo zonder foon… Beatrix slaapt. Goed idee.

Om 17:45 wordt Bea eindelijk opgehaald en kort na zevenen is ze alweer terug, nog volledig onder zeil maar het OK-personeel wilde naar huis ziekenhuiszentangledus moet ze maar op de kamer uitslapen. Ik teken wat aan mijn ziekenhuiszentangle en luister naar de radio. Roxette in bed. On the drip, slangetjes die voor mijn neus bungelen. Opnieuw de plasellende (de bouillon is doorgelopen). De nacht was oké (met slaaptablet) en het eerste wat ik ’s ochtends om kwart voor zes in het halfdonker voor me zie, is Christus aan ’t kruis. Die hangt direct voor mijn neus, net als bij alle anderen hier bij de Barmhartige Gezusters. Aangrenzend aan dit ziekenhuis is het hospitaal der Barmhartige Broeders. Dat was vroeger dus the place to go voor de mannen, nu is alles gefuseerd tot één groot gemengd ziekenhuis. Christus kan ’t vast ook aan mij zien: ik moet alweer vreselijk erg plassen. Zo nodig… Maar de drains zitten er nog in  dus ik mag nog steeds niet uit bed. Wéér op de ‘Schüssel’ (zo noemen ze dat ding hier, officieel is het een ‘Steckbecken’). Wat een verschrikking. Mijn buik is sinds 4 am een soloconcert aan het opvoeren. Zo luidruchtig dat ik er zelf meerdere keren wakker van word. Alle tonen, brom- en klopgeluiden en ik hoop maar dat buuf Bea het niet hoort. 6AM: bammm, het licht gaat aan. Ik krijg een glas water en twee tabletten: een maagbeschermer en een Voltaren. Wat een geweldig ontbijt. Licht uit.

Ik merk dat het beschermingsmatje waar ik – nog steeds onderbroekloos vanwege de slangen – op lig, inmiddels redelijk nat geworden is. Blijkbaar laten mijn bedpanplaskunsten nog duidelijk te wensen over. Yuck. Ik eet de maagbeschermer en mijn dieetvoederblok met een groot glas water erbij en hoop dat dat mijn buik een beetje milder stemt. Daarna wil ik de Voltaren slikken maar die floept uit het bakje en klettert met oorverdovend getik op de grond. Scheiße… Licht weer aan (sorry buuf) en ik buig me over alle kanten van het bed. Jah! Daar ligt-ie. Denk ik.  Met enige rek- en strekoefeningen (pijn) krijg ik ‘m te pakken en slik alsnog het kleine roze tabletje, in de hoop dat het echt de Voltaren is en niet iets anders wat toevallig nog daar op de grond lag. Beatrix mag met een loopkarretje naar de WC en ik ben jaloers. Ik wil ook.

Redelijk vroeg komt ons de afdelingsarts met zijn aanhang visiteren. Hij heeft meer belangstelling voor mijn tekengedoe dan voor mijn knie en vraagt of ik denk dat ik naar huis kan. Jaaaa!! Dat kan ik hoor!! Mogen dan nu die slangen eruit??? Dat mag. De zuster komt en met een paar korte maar uiterst pijnlijke, misselijkmakende rukjes ben ik eindelijk bevrijd.  Verbinden, handkatheter eruit en whoppaaaa naar de WC. Wat een opluchting…  Ik was me, kleed me aan, prop alles in de tas en om half tien ben ik bereid voor transport. Helaas kan mijn man me pas na tweeën ophalen dus regelt de zuster een ziekentransport voor me (“wordt vergoed hoor!”, zegt ze, en ik geloof haar). Die liet ook nog op zich wachten, maar rond twaalven ben ik dan toch eindelijk thuis. Home sweet home!!!

En nu, nu heb ik een heerlijk bedje in de woonkamer, een rollator, krukken en mij op mijn wenken bedienende kinderen. Ik had ’t slechter kunnen treffen. Maar het blijft een geknoei met die knie van mij…

.

Ik was nog niet klaar eigenlijk. 
Ik wou bij deze nog wel even de zusters, dokters en personeel van het ziekenhuis der Barmherzigen Schwestern in Linz bedanken voor hun goede zorg, snelheid, adequaatheid en vakkundigheid. Tot nu toe het beste ziekenhuis waar ik ooit gelegen heb. Niet dat jullie dit ooit lezen (en al helemaal niet in het Nederlands), maar ik wil het wel even gezegd hebben.

Laatste

De laatste dag uitbundig vieren.
De laatste slechte tafelmanieren.

Het laatste tij teneinde keren.
De laatste shot diep inhaleren.

De laatste keer alles verdoven.
De laatste zucht aan jou beloven.

Het laatste glas té leeg drinken.
Het laatste wolkje laten bezinken.

De laatste hap donkerbruin brood.
Morgen gaat mijn oude ik weer eens dood.

.
You wait and see…

.

.

© Lou

All Hallow’s Eve

Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik een gruwelijke hekel aan Halloween heb. Ik heb helemaal niets tegen zombies, heksen, vampieren en andere donkere figuren. Integendeel. En als quasi-möchtegern-heks heb ik ook absoluut geen hekel aan All Hallow’s Eve als zodanig. Mijn aversie richt zich vooral, op het vercommercialiseren van al die ‘dagen’, de opgelegde consumptiedwang, op het verkleed  het langs de deuren te gaan om om snoep te bedelen, als zijnde weer zo’n liefchristelijke traditie. Thanks but no thanks.

Halloween stamt uit de tijd van de Kelten. Een voorchristelijk en eigenlijk heidens ritueel om de wederopstanding der geesten te vieren. Het is de avond (“Eve”) voor Allerheiligen (“All Hallows”) en aangezien de Ieren alles aan elkaar brabbelen, werd All Hallow’s Eve(ning) verbasterd naar Hallow-e’en.

Even Wikipedia citeren (is wat makkelijker dan zelf onherkenbaar herschrijven):
“In de Keltische kalender begon het jaar op 1 november, dus 31 oktober was oudejaarsavond. De oogst was binnen, het zaaigoed voor het volgende jaar lag klaar en dus was er even tijd voor een vrije dag, het Keltische Nieuwjaar of Samhain (uitspraak Saun, het Ierse woord voor de maand november). Samhain was ook nog om een andere reden zeer bijzonder. De Kelten geloofden namelijk dat op die dag de geesten van alle gestorvenen van het afgelopen jaar terug kwamen om te proberen een levend lichaam in bezit te nemen voor het komende jaar. Op het eiland Groot-Brittannië werd Halloween vooral door de Kelten gevierd. De geesten die uit dode mensen op zouden rijzen, werden aangetrokken door voedsel voor hen neer te leggen voor de deuren. Om echter de boze geesten af te weren droegen de Kelten maskers.”

Natuurlijk kon de katholieke kerk dit heidense gebruik niet verkroppen en moest zich erin mengen. Vervolgens gingen een hoop Christenen op twee november (Allerzielen dus) in lompen de straat op om om brood met krenten (zogenaamde zielencake) te bedelen, in ruil voor een gebedje voor dode familie van de gulle gever om de weg van die geliefde familieleden door de hel wat te vergemakkelijken zodat ze sneller in de hemel zouden komen. Dat gebruik was vervolgens weer mooi te combineren met die maskers en hopsakee, Halloween was ineens een kerkse traditie. Allemaal weer blij.

Toen sleepten de katholieke Ieren (en Schotten) hun heidens-christelijke gebruik op de boot mee naar Amerika, waar de boel uit- en omgebouwd werd naar wat het nu is: een overtrokken leur- en bedelfeest. En aangezien wij blijkbaar nog steeds maar al te graag alles van Amerika kopiëren, wordt ook deze “traditie” hier nu met beide kinderhandjes aangegrepen om je te beschilderen en in het zwart met een hoed of een litteken op je wang om “Süßes oder Saures” of “trick or treat” te bedelen.

Wat mij dus ook een doorn in het oog is, is dat men hier eigenlijk Allerzielen (de herdenking van de doden, of liever gezegd: het feest van het bidden voor degenen die in het hellevuur branden, jaja…) op Allerheiligen (de herdenking van de gemeenschap der heiligen, een feest dat in 835 al werd ingevoerd door Louis Le Pieux, ofwel Ludwig “de Vrome”) viert. Niet omdat ik nou zoveel heb met die heiligen, maar het is wéér zo’n dingetje van de katholieke kerk. Eén november is ten eerste makkelijker te onthouden dan twee november. Dat voor alle suffies onder ons. En een mooiere dag voor een katholieke feestdag dus, zo direct grenzend aan dat heidense gebruik (foei). Daarnaast werd op die dag werd er door Paus Gregor III ooit één of andere kapel in de Sint-Pieters-Dom officieel ingewijd en vanaf toen begon men alvast op één november met het doden herdenken en groeide één november uit tot dé feestdag, i.p.v. twee november.

triquetraMoeten ze fijn doen. Maar niet op mijn verjaardag. Toevallig. Waarom moet ik nou exact op één november naar de kerk en het kerkhof om doden te herdenken? Ik herdenk de mensen die ik wil herdenken op de tijdstippen dat ík daar behoefte aan heb. Niet op een voorgeschreven dag, tijd of plaats. En ik wil niet de dag ervoor als herrezen zombie of halfdood skelet om snoepjes bedelen om de volgende dag vroom op een kerkhof te gaan staan ‘herdenken’. Ik ga liever een rondje dansen in mijn met kaarsen omringde triquetra.

Val dood met je Halloween.

Hartkloppingen

noteEven checken. Waar is ie. Ik woel in mijn tas. Een typische vrouwenhandtas, groot, model zwart gat. Ik graaf. Borstel, stoffen zakje met EHBO-prut en make-up-spul, grote portemonnee, iets kleinere portemonnee, brillenetui nummer één (voor brillen), brillenetui nummer twee (voor de reservebatterijen van mijn mobiel), kauwgumpjes, paspoort, noodsetje (deo, muggenspul – hé dat kan eruit – en mondspray), zakdoekjes, alles moet SOFORT moven. Uit mijn weg. Waar is ie nou…

Mijn hart gaat sneller kloppen. Ik sta met mijn karretje midden in het gangpad van de Aldi en kan geen stap meer verzetten. Waar… Ik hyperventileer licht. Hij is er niet… Nergens te vinden… zal wel uit mijn zak gegleden zijn in de auto. Dat moet haast wel. Ik hou het niet meer uit, laat het muntloze karretje met drie produkten erin in het gangpad staan en draaf naar buiten. In de auto zit het hart in mijn keel: ik zie ‘m niet… Niet op de stoel, niet in de spleet ertussen, niet op de grond. Ik ga zitten en sluit mijn ogen en mompel hardop. “Kutfokkkkut, ik zal ‘m toch niet in het ziekenhuis verloren hebben… in het trappenhuis had ik hem nog, dat weet ik zeker. En die man bij de betaalautomaat in de parkeergarage, die stond wel verrekte dichtbij om me te helpen toen dat stomme apparaat mijn briefje van vijf niet wilde accepteren… oh nee… het zal toch niet, hè…” Mijn hart gaat te keer als dat van een hitsige kolibrie. Ik stop de sleutel in ’t contact, dan maar terug rijden naar het ziekenhuis. Op hoop van zegen dat ze ‘m toch ergens gevonden hebben… Als ik de gordel vast wil maken, zie ik een oranje streep achter dat klikding. ORANJE BOVEN!!! Mijn flipcover is namelijk oranje. Mijn gelukspoppetje bungelt gelaten ernaast.

De opluchting is bijna tastbaar. Ik aai ‘m (nou ja, quasi) en steek hem dan in mijn binnenzak. Rits dicht. Van mij. Mijn hersenen en mijn leidraad, mijn agenda en mijn personal organizer, mijn maatje en entertainmentapparaat. Dan merk je pas hoe verknocht je aan zo’n stom stuk techniek bent. Ziek…

me

lees me
whap me
bel me
zeg me
dat.

hoor me
voel me
zie me
snap me
nou.

streel me
kus me
heb me
maak me
heel.

verdomme…

Fictie

Lieve en uiterst gewaardeerde lezers,

Even een berichtje aan jullie. Opnieuw een blogje ter verduidelijking. Zoals u vast al gemerkt heeft, schrijf ik een hele hoop. Van dagelijkse onzinnigheden tot gedichten, over gebeurtenissen en over mezelf, van frustratie tot verdriet. En éigenlijk schrijf ik ook heel graag fictieve dingen. Tot nu toe hield ik me in wat fictie betreft, vooral omdat op elk fictief stuk of gedicht wat ik tot nu toe schreef, geschrokken of verontruste reacties kwamen: mensen die over het hoofd zien dat het fictie is en denken dat ik nu psychisch volledig in de kreukels lig, dat mijn relatie cq. huwelijk ten einde is, dat ik er minstens achtendertig lovers op na houd, dat ik mezelf wat aan doe of weet ik veel wat nog niet meer.

Ik heb al vaker een blogje als dit geschreven (‘Mind the tag’ heette dat geloof ik, u mag zoeken), ter geruststelling of ter uitleg. Ik kan u verzekeren, dat ik zo dermate gestoord ben, dat ik veel, héél veel uit mijn duim kan zuigen. Hoe verzint een schrijver een roman? Hoe schreef J.K. Rowling die zeven Harry Potter-boeken? Hoe verzint Stephen King zijn horrorverhalen? Waar kwamen die vijftig tinten grijs vandaan?? Een rijke fantasie en een sick mind. Het blog hiervoor heeft bijvoorbeeld werkelijk NIETS met mij te maken. Ik pikte ergens in de dieptes van het internet een oude schrijfopdracht op. Een 400 woorden-verhaaltje. Mijn huwelijk is nog prima in orde (voor zover ik weet). Mijn man hééft geen halfzusje. Of hij een buitenechtelijke relatie heeft, weet ik niet, maar in ieder geval merk ik er dan niks van. Hij merkt van de mijne natuurlijk ook niks… (BOEHHH!! GEINTJE!!!! ECHT HÈ!!!) (Hij merkt het wel) (WAHHH, ALWEER ZO’N GEINTJE!! 😉 ).

OK, genoeg gedold. Mijn vraag aan jullie: Iemand een suggestie hoe ik mijn blog beter kan “markeren”? Ik wil alles wat fictief is, in ieder geval vanaf nu in een andere kleur posten (zoals vandaag het geval was, maar ik ga alle voorgaande fictieve dingen niet alsnog in een andere kleur zetten, no way), maar voor zover ik weet, zie je dat bij het lezen op de telefoon dus niet. Daar blijft de tekst gewoon zwart… Net als de tags, die zijn op de telefoon in eerste instantie ook niet te zien. Dan kan ik taggen en markeren wat ik wil, de foonlezers blijven zich lens schrikken. En om nu boven elk blog eerst een uitgebreide uitleg te gaan typen, dat vind ik nou ook zowat…

Voor het geval ik geen adequate oplossing vind, moet u zich er maar bij neerleggen, dat u ook in de toekomst af en toe een shock te verduren krijgt. Mocht u zich werkelijk ernstige zorgen maken, vraag dan. Of laat een comment achter, dan zal ik o.h.a. wel zo snel mogelijk uitleg geven. Vooralsnog moet u er maar gewoon vanuit gaan dat ik een sick mind heb. En dat afgezien van die mind alles in orde is. Deal?

Dream on…

Ik vroeg je wat er nou werkelijk mis was maar je antwoordde niet. Je keek me heel even intens aan en toen weer wezenloos naar buiten.

Een minuut of wat later zei je me, nog steeds naar buiten starend: “Lieverd, dat kán ik niet zeggen. Dat zou ons huwelijk abrupt om zeep helpen.” Gedachteloos meestarend informeerde ik je dat ik wat kortstondige, betekenisloze seks buiten de deur echt wel zou kunnen verkroppen. Things like that happen. Dat weet ik wel. Ja, ik weet dat echt. Maar je keek de andere kant alweer op, alsof het allemaal al veel te laat was. En nog veel later…

Uit pure wanhoop draaide ik om je nietsziende blik heen en probeerde je ogen te vangen.
“Wie is het dan? Waarom een ander? Wat was er dan zo mis? En waarom zijn ‘wij’ niet meer te repareren?”
“Lieverd… dat heb ik helemaal niet gezegd. ‘Wij’ zijn er nog steeds. En ik hou ook nog van je. Maar er miste iets. De geestelijke verbondenheid, denk ik. Die heb ik met mijn halfzusje wel…”

“Je halfzusje???”, schreeuwde ik. “Sinds wanneer heb jij een halfzusje? En sinds wanneer DOE jij het met een halfzusje???” Je draaide weer weg. De onbereikbaarheid werd groter.

Uiteindelijk knapte je. Gaf je toe. Natuurlijk was het niet zoals het zou moeten zijn, het was niet eens zoals het zou mógen zijn. Maar het gaf je alles wat je naast mij nog nodig had. De geborgenheid, de passie, de waardering, het respect. Alsof ik geen respect had. Dat stak. Diep.
“We hebben samen een klein appartementje in Losdorp. Daar ben ik regelmatig. Overdag tussen het werk door. Als ik ga fietsen. En tijdens de voetbal ook. Ze is mijn andere jou…”

Ik kreeg er geen woord meer uit. Flabbergasted. Maar je stopte niet.
“Zij betekent alles voor me. Ik heb haar pas een paar jaar geleden teruggevonden.”
Een paar jaar? EEN PAAR JAAR?? Hoe lang was dit dan al aan de gang dan… Je ging maar door.
“Het doet er niet eens toe. Ik heb jou. Ik houd jou. Ik wil jou. Ik blijf bij jou. En natuurlijk bij de kinderen. Maar ik wil haar erbij. Dan heb ik eindelijk alles wat ik nodig heb.”

En ergens…
ergens heel diep,
kon ik dat volledig begrijpen.
Dat was het meest verontrustende…

Vannacht droomde ik.

En jij lag rustig,
onschuldig,
onwetend,
gewetenloos,
naast me
te snurken.

.

.

400 word story.
FICTIEF!!

Steekwoord: Bedrog zijn dromen.

Zwemleed

Maaiende armen, uitslaande benen, boze blikken, blauwe schenen. Sinds een paar weken ga ik op maandagochtend zwemmen. Het is op dit moment zo ongeveer de enige sport die ik nog kan beoefenen met die verrotte knieën van mij en het is gewoon goed voor me. Het enige nadeel is dat ik a) op maandagochtend nu dus standaard in de file sta want het ‘vroegzwemmen’ is van 7 tot 9 am en om die tijd willen mensen normaal gesproken naar hun werk. En het b)-nadeel is dat ik tussen de bejaarden door moet harken.

Dat laatste kan ik inmiddels – beweer ik met gepaste trots – behoorlijk goed. Ik heb mezelf een redelijk ‘rustige’ en minimaal spetterende crawl-stijl aangeleerd en ik maak hier en daar een praatje met de ouwetjes om ze goedgezind te stemmen. Zo zwemt er een oud rimpelig mensje in knalrood badpak – ze ziet eruit als een doelloos ronddrijvend roma-tomaatje met armen – standaard op haar rug. Op zich geen probleem, ware het niet dat ze haar armen niet in zwemrichting beweegt maar in een hoek van 90° op haar bolle lichaampje op en neer peddelt en daarbij ook nog eens als een Aïda-lookalike het halve bad door kruist. In eerste instantie ergerde ik me daar ook mateloos aan, maar ze is een lief mensje, ze kan niet anders en ik duik er wel onder door als het nodig is. Vindt ze prima. Een minstens vijfentachtigjarige kale knakker zwaait altijd gelijk als ik binnen kom: ik mag wel in zijn baan zwemmen. Lief, maar ik blijf lekker bij mijn rooie cruiseschipje. Die zwemt zo langzaam dat ik daar volledig berekenend omheen en onderdoor kan. Bij die knakker vermoed ik daarentegen andere motieven.

zwembadwaterZigzaggend trek ik zo mijn baantjes. Het gaat ook duidelijk vooruit met mij: in het begin zwom ik vijftien baantjes in het vijfentwintigmeterbad en vond ik het wel ju. Vandaag heb ik er al zesendertig gezwommen. En volgende week zwem ik er veertig. Da’s dan wel mooi een kilometer! Plus de nodige beentraining aan de rand van het bad. Ik zwem. Zij zwemmen. Wij zwemmen. Gestaag en redelijk harmonieus maaien we gezamenlijk het bad door.

Tot er ineens een overmatig gespierde, hevig behaarde man – ik schat ‘m een jaar of vijfendertig – met nogal krap speedo-broekje (ja, ik let op dat soort dingen) en dito badmuts op de badrand staat en met vol geweld tussen ons bejaarden duikt. Hij zwemt zo agressief dat de ouwetjes verschrikt midden in het bad blijven hangen. Eén krijgt een mep tegen de elleboog, een ander verslikt zich in het opspattende water. Ik krijg terloops nog een wappertrap tegen mijn schenen. Hij maakt aan het eind van zijn baantje van die professionele duikeldraaibewegingen om zich dan hard tegen de rand af te zetten voor de retourreis. Dat kan op zich een heel gracieuze beweging zijn maar deze aap maait zo hard met zijn benen dat er bij elke draai een fontein van minstens tweehonderd liter badwater over de rand zwiept.

Rode oma vlucht naar de kant, kijkt mij wanhopig en hulpbehoevend aan. Eh… tja. Ik kan die man moeilijk zeggen dat hij hier niet mag zwemmen. Maar een beetje rekening houden met het andere, deels dobberende zwempubliek zou niet weg zijn… We praten even, over de “Rücksichtslosigkeit” van de jeugd van tegenwoordig, gheheheh (en ondertussen voel ik me stokoud). Ze moet duidelijk haar frustratie-ei even kwijt. Ik ginnegap dat het zwembad, als die kerel nog even zo doorzwemt, zo meteen sowieso leeg is. Ze kijkt enkel ietwat bedremmeld. Aangezien wij allemaal aan de kant hangen te koekeloeren, ziet meneer dat het zwembad nu redelijk mensenvrij is en begint abrupt met zijn vlinderslagtraining. Ik kijk naar Romaatje met een blik van: “Zie je wel! Al bijna leeg!” en zie nu tot mijn grote vreugde dat de badmeester op hoge poten naar de vlinderman loopt. Zo gauw die bij de rand aangekomen is, tikt hij hem niet al te zacht met zo’n zwemstang op zijn hoofd en zegt: “SO NICHT!!!” Vlinderslag mag namelijk alleen in de afgescheiden snelzwembanen, niet tussen ons sloomzwemmertjes door.
“Maar die banen zijn allemaal bezet!”
“Dan heeft u pech gehad; moet u maar wachten. Maar op deze manier zwemt u alle anderen hier overhoop”, waarna de badmeester met grote stappen en een norse blik weer weg beent.

Wij kijken allemaal vergenoegd en breedgrijnzend naar de nog nasputterende man, die zich vervolgens nergens iets van aantrekt en stoïcijns doorgaat met terreurzwemmen. Alleen niet meer in vlinderslag. Een mini-overwinning. Hopelijk gaat hij volgende week ergens anders fladderen.

doodgehoaxt

Als je iemand tien jaar geleden zou zeggen dat er at this very moment een persoon doodgehoaxt wordt, dan zou diegene waarschijnlijk de eerste de beste kliniek voor geestesgestoorden bellen om te vragen of ze nog een plekje voor je vrij hebben. Goed, Lou Reed blijkt dan vandaag echt overleden te zijn, wat op zich weer níet goed en zelfs een groot verlies voor de muzikale wereld is, maar de hoaxdood van Mel Gibson (“auto-ongeluk in Australië”) hakte er bij mij toch even in. En als ik live mee had gekregen dat Johnny Depp in 2010 ook al een keer voor hartstikke dood verklaard is geweest, had me dat ook niet koud gelaten. Hoe naïef kun je zijn… Wat kun je nog geloven vandaag de dag??

hoax2Het is niks nieuws, die doodshoaxes. Dat niet. In 1969 was er al een wereldberoemde death hoax: “Paul is dead”. Paul McCartney zou dood zijn – een verhaal dat door een paar Amerikaanse studenten in de wereld werd gezet – maar was dat dus niet. McCartney zou al in 1966 eveneens bij een auto-ongeluk om het leven zijn gekomen en heimelijk vervangen door een look-alike. Het verhaal werd groot. Heel groot. En probeer dan maar eens te bewijzen, dat jij echt niet dood bent en écht je levende zelf bent… Zelfs na de tweede wereldoorlog ontstonden er al hoaxes over de dood van bijvoorbeeld Frank Sinatra en Charlie Chaplin. So what’s new…

Wat er nieuw is, is de verspreidingssnelheid van dat nieuws. Toen duurde het nog een halve eeuwigheid voordat zulk nieuws bij het onderste volk aan kwam. Nu duurt dat een paar seconden. Social media to the max. Je schreeuwt iets in de ruimte en men deelt het. Zo ook de dood van celebs. Wat is er mooier dan een shocking nhoaxieuwtje en duizenden clicks, likes en shares… Even de aansteker van facebook en twitter eronder en whammoooooo, dood ben je.

Helaas Lou, voor jou was de hoax er slechts eentje dat je nog niet dood was.

Another Lou has left us.
It’s no longer such a Perfect Day…

geen titel

Ik kan effe geen titel meer bedenken. Ik ben leeg. Na twee volledig gestresste verjaardagdagen is de koek op. Deze hele week was al een crime, maar gisteren en vandaag spanden de kroon.

24-10-13. Zoonlief is jarig. 5:50h opstaan om om 6:30h aan het verjaardagsontbijt te zitten, want dat hoort zo: kadootjes en verse broodjes, een partykaarsje en een bloemetje naast het bord. Kort na zevenen de deur uit, schoolsores. Hij wil voor het naar buiten lopen nog wel even weten waarom hij op zijn verjaardag in vredesnaam naar school moet. Dat is toch onzinnig, op zo’n speciale dag??? Tja…

Half twaalf: na een hoop werk (zowel zaak als vrijwilligerswerk) scheur ik met een noodvaart naar de supermarkt want ik bedenk me dat ik daar vrijdag helemaal geen tijd meer voor heb én dat zaterdag hier een feestdag is (vergelijkbaar met bevrijdingsdag) dus alles dicht. De ene helft vind ik niet, de andere vergeet ik. Gaat lekker.

Half één: dochter komt thuis. Ik sta inmiddels wat klungelig voor te bereiden voor het verjaarspartijtje van dochter. Ik had bedacht dat we maar megakoekjes gaan versieren. Een bordvullend zandkoekje. Daar moet ik er dus ook nog even snel snel twaalf van fabriceren. En al mijn eetbare dekospul bij elkaar zoeken. Half twee: zoon ophalen. Als ik hem niet ophaal, heeft hij niet meer genoeg tijd om zijn huiswerk af te krijgen (met de bus duurt het drie kwartier langer). Samen leren voor de toets Engels van morgen (vrijdag dus). Elke keer opnieuw goed voor tranen. kwart voor vier: dochter in een sportbroek gehesen en naar de gym. Door naar de supermarkt om de vergeten cq. niet gevonden spullen nog in te slaan. Dochter opgehaald, kwart over vijf weer thuis. Zoon in sportbroek gestouwd en om kwart voor zes naar zijn allereerste judoles gebracht. Bleek dat de ouders moesten blijven. Al die tijd nog niks gegeten: geen tijd gehad. Ook niks gedronken, spreekt voor zich. Om kwart over zeven weer thuis. Ik flikker mijn tas in de hoek, smijt de friteuse aan (zoon wil frietjes en nuggets als verjaardagseten) en ik flans een koolsalade in elkaar. Om kwart voor acht eten we. Eindelijk. Lekker vet.

Bij het eten zie ik een klein flikkerend rondje, dit keer midden in mijn blikveld en weet ik al hoever het weer is… Ik neem drie paracetamollen tegelijk in. Ja drie, anders helpt ’t geen bal. Het rondje wordt groter en groter. Dan verdwijnt het en een minuut of tien later komt de hamer. BOEM. Gevloerd. Ik strompel het bed in. De hoofdpijn is nu – dankzij de para’s – een dof dreunen. Ik val met kleren aan in slaap, om kwart over tien word ik weer wakker. Naar beneden om nog het hoogstnodige te doen (tafel dekken voor vrijdag, vaatwasser aan zetten), douchen en dan echt slapen. Nog niks gedaan voor morgen… Maar ik kán simpelweg niet meer.

Vrijdag, 6:15h. Wakker met hoofdpijn. Gelijk weer twee paracetamollen erin. Een kop koffie en een cracker en dan moet het maar goed zijn. Man brengt zoon naar school. Om 7:15h is iedereen weg en wapper ik in mijn ochtendjas door het huis: opruimen, tafel leegruimen, stoelen van boven naar beneden en van de kelder omhoog slepen. Twaalf kinderen, da’s geen kattenpis…

Om half negen sta ik alweer in de school van zoon: ophalen voor een tweede gesprek met de kinderpsychologe. Half elf: zoon terug gebracht naar school. Tien over half elf: dochter en vriendinnetje ophalen van school, vriendinnetje naar huis brengen en dan als een haas naar huis om te beginnen met alles wat nog moet voor het verjaardagspartijtje van dochter (anderhalve maand later, maar dat is redelijk ‘snel’ voor mijn doen). Taart bakken (op bestelling van madam: Schwarzwälder-Erdbeerkuchen met veul chocolade) en maken. En natuurlijk decoreren. Tafel dekken voor twaalf. Voorbereiden. Matras naar beneden slepen voor de film. Drinken koud zetten, tafel versieren, etc.

Om twee uur zijn ze alle twaalf binnen. Taart met limo, kadootjes verstoppen en zoeken, de megakoekjes versieren, buiten verstoppertje spelen en voetballen, een film kijken met popcorn en chips (die overigens natuurlijk NIEMAND heeft afgekeken: toen de chips en de popcorn op waren, was het interesse weg en racete driekwart van de kids naar buiten. Ook prima; totally fine with me. Amuseer je maar lekker hoor.) Ik maak frieten en knakworstjes klaar, de meute eet weer eens wat (hoe past het er in vredesnaam nog in…). Er wordt nog halfenthousiast hier en daar gespeeld en om goed zes uur vertrekt de laatste (op één speciaal vriendinnetje, dat blijft slapen, na).

Puinruimen. Stofzuigen. Schoonmaken (vooral de WC, pfoehh eyy…). Bed maken voor vriendinnetje. Drie bakken fruit maken voor de kinderen, zodat ze toch nog íets gezonds eten vandaag. Verder opruimen. Dames in bed stoppen (Zoon gaat inmiddels zelf naar bed, yesss). En nu: Plof. Crash. Diepe zucht. Ik ben er helemaal klaar mee. Volledig. Morgen doe ik niks (nou ja, de hele dag huiswerk maken met zoon, maar verder…).

Oh en als u zich afvraagt waar man was in dit hele verhaal: die was mijn kapotte ruitenwisser repareren bij een vriend die dat soort dingen kan (koud lassen heet dat geloof ik).
En dat kon alleen op deze vrijdagmiddag.
Vanzelfsprekend…

hij, van mij

vandaag alweer elf jaar geleden. Rond half acht ‘s-avonds… Zo gaat dat met moeders. Die denken daaraan, elk jaar opnieuw. Vandaag precies elf jaar geleden om die tijd keek ik verveeld naar een voetbalwedstrijd. AC Milaan tegen FC Bayern, Champions League. Jaja, ik weet ’t nog. Bayern verloor. Tuurlijk weet ik dat nog. Voetbal is niet goed voor vruchtvliezen. Daar breken ze namelijk van. Wel dik drie weken te vroeg.

Krap anderhalve meter knul ligt nu boven in bed, mompelde daarstraks iets van “alweer zo’n vette shitdag”… Inmiddels weet hij dat het geen fuckyoudag is maar gewoon een shitdag. Of een Scheißtag. En zo leer je er elke dag iets essentieels bij. Dus niet: “How was your day?” en dan antwoorden: “fuck you”, maar gewoon “shit”. Klaar.  Je mag dan fuck you leren van P!NK maar “I’ve had a shit day” komt toevallig ook uit haar mond 🙂

Terug naar die essentials. Elf jaar geleden. Who cares about FC Bayern. Waar was dat verrekte ziekenhuis ook alweer… De weeën begonnen en hielden niet meer op. Weeënpauzes? Doorpuffen? Een paar minuten bijkomen? Ach, wat een mooie sprookjes. Het zat er niet in. In de kliniek zag men mij worstelen. Om een uur of half twaalf was ik op. Vier uur lang één constante wee zonder enig moment van pauze wegpuffen, ik kon het niet meer en smeekte om hulp. De zuurstofwaardes van de kleine en van mij daalden met de minuut. Op de één of andere manier heb ik een handtekening gekrabbeld op een papiertje. Daarmee kreeg ik een ruggeprik die ze er wonderbaarlijk genoeg na slechts drie keer mis prikken (wat wil je ook met een vrouw die geen kromme rug kan maken vanwege een al te langdurige wee) al in kregen. En ineens kon ik weer ademen… Wat een zegen.

Maar ik voelde dan ook niks meer. Ineens was ’t “PERSEN MEVROUW!!” Huh? Persen? Nu al? Okee dan… “STOPPEN MEVROUW!!!” Hij zat klem. Met zijn hoofd op het ongunstigste punt moest ik me ineens inhouden want hij lag verkeerd. Er werd wat gewroet en ik mocht weer. Lang leve de bekkenbodemspieren die ik wekenlang getraind heb, lang leve de Epi-No die ervoor zorgde dat er niks ernstig scheurde (googelt u zelf maar). Maar het hoofdje van zoon zag er na de bevalling uit als die van een rasechte Conehead met een behoorlijke deuk rondom, ca. twee cm boven zijn wenkbrauwen.

Ik schrok. Ik had ‘m werkelijk finaal de vernieling in gedrukt… Mijn manneke hing slap op de arm. Huilde niet. Neusje en keel werden leeg gezogen. Geen resultaat. Een tik van de zuster op zijn billen hielp wel maar ik kromp ineen… Hij werd weggebracht, naar de couveuse. Ik werd genaaid. Letterlijk. Man stond in een hoek en keek naar de gruwelen die zich voor zijn ogen voltrokken. Na wat gevechten en dreigementen had ik mijn kind na uren wachten eindelijk dan toch bij me. Een flesje melk met glucose zat er al in, ook al had ik uitdrukkelijk aangegeven dat ik dat NIET wilde…

En nu, nu vraag ik me steeds opnieuw af… dat geboortetrauma, zijn verdrukte hersentjes… in hoeverre zien wij daar nu de gevolgen van… Je mag het je niet afvragen, het is ook zo zinloos als een zak veren, maar toch doe ik het. Heb ik destijds iets fout gedaan… komt het door mij? Mijn mooie jongen lijdt. Geheugenopslagstoornis, dyslectie, attention deficits, angsten, black-outs. Waarom…

Maar hij, hij is van mij. En ik zal alles geven en alles doen om hem gelukkig te maken én gelukkig te houden. Iemand die zo liefdevol is, zó goudeerlijk en zulk doorzettingsvermogen heeft, mag niet afglijden. Zo iemand is de mooiste mens op deze wereld. En die mens is van mij. Ik heb hem gemaakt. Ik heb hem dat leven gegeven en ik ga er álles wat in mijn vermogen ligt aan doen om ervoor te zorgen dat dat een fijn leven wordt.

Morgen, lieve schat, morgen TenIk
word jij werkelijk alweer elf…
En morgen ben je ook nog steeds
je eigen speciale, lieve zelf.
Weet, mijn prachtige knul, dat ik
je altijd onder mijn liefde bedelf.
Ik ben en blijf jouw eeuwig
beschermend koepelgewelf.

gevalletje meteen

klungelknieNet terug van het ziekenhuis. Ik had weer een afspraak voor mijn klungelknietje en met de foto’s van de MR-scan onder de arm wandelde ik dus bij de orthopedie naar binnen. Meneer de dokter bestudeerde de beelden en keek toen onderzoekend naar mij. “… En u kunt nog gewoon lopen?!?” klonk het ietwat verbaasd. Ehh, nou, ja hoor. Ik loop prima op dit moment, ik heb toevallig een ‘goede fase’. Tuurlijk, de boel doet pijn maar dat doet het altijd en uiteindelijk wen je daar ook aan hè. Ik heb gisteren nog tweeëndertig baantjes getrokken in ’t zwembad. Da’s wel achthonderd meter, in een goed half uur. En ’s avonds nog de laatste voetbaltraining met de minikiddo’s doorstaan.

In ieder geval ben ik dus nog steeds redelijk mobiel en daarover verwonderde zich de goede man duidelijk. Hij mompelde in zijn dictafoonding: “Korbhenkelriss, Riss des inneren Kniebandes, Knochenschäden, Chondropathie dritten Grades, bladiebladiebla…. Operation erforderlich. Akuter Fall” Dát had ik dus begrepen. De vraag was: wat voor operatie? Tot mijn grote opluchting slechts een arthroscopie. Ikke blij! En maar twee weken uit de running (letterlijk). Men wil mijn knie nog zo lang mogelijk in mij voort laten bestaan. Een nobel streven. Als die pijn maar weg is, vind ik alles best.

De operatiedatum werd in overleg met de assistente meteen vastgelegd: volgende week donderdag. Zo gaat dat hier: je hebt niks in te brengen, je krijgt gewoon een afspraak, take it or leave it. Tja euhh, sorry maar dan kan ik helaas écht niet…. “OK, wanneer dan? Dit is namelijk wel “ein Fall für ‘Sofort'” [“een gevalletje ‘Meteen'”, vrij vertaald] dus wel zo snel mogelijk a.u.b.” Het lijkt wel of zijn knie door mij geopereerd moet worden i.p.v. andersom. De donderdag erop wordt democratisch vastgelegd. Jemig, wat snel… ik voel me niet als een spoedgeval maar 7 november snijden ze voor de zoveelste keer mijn rechterknie open. Ik hoop met heel mijn hart dat ie ’t daarna dan toch weer een tijdje pijnvrij doet.

Here we go again…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.

glibberzen

Vandaan heb ik iets gedaan wat ik veel te zelden doe. Ik heb mezelf verwend én uitgebreid laten verwennen. En het was heeeeeerlijk.

Nee. Niet op de manier waaraan u nu denkt. Nee, nee, echt niet. Of misschien ook wel.

glibberzen2glibberzen1

Om kwart over zeven had ik de hele familiekudde de deur uit gewerkt, zoals gebruikelijk op een doordeweekse dag. Met een kopje koffie in mijn badjas – echt koud was ’t namelijk niet – naar buiten gehobbeld om naar de optrekkende mist en de opgaande zon te kijken. Wat schetst mijn verbazing: een prachtige regenboog. Om half acht ’s ochtends!! Wat foto’s gemaakt van al dat moois en toen maar ‘ns aangekleed. Want ik had een afspraak op ’t lichamelijke vlak 🙂

glibberzen3

Kort voor negenen loop ik met een grote tas de deur uit en rij naar ‘de grote stad’. Eerst een koffie en een bagel in het cafeetje naast het zwembad, in alle rust. Als ik de hal binnenkom, merk ik dat ik veel te vroeg ben: het zwembad gaat niet om negen maar om tien uur open. Fijn dan. Ik ga op de trap zitten en kijk wat rond op facebook (en lees dingen die ik al driekwart jaar geleden had moeten lezen, maar tja, doe alles ‘ns gelijk goed hè) terwijl de horde bejaarden me achterdochtig aankijkt. Ik behoor duidelijk niet tot de standaard zwemklandizie op dit tijdstip. Kan mij ’t bommen. Zwemmen is ook goed voor míj. Toevallig. Ik heb óók krakkemikkige botten. Toevallig.

Eenmaal in ’t water begint het gevecht met de rugzwemmende, nietsziende én nietsontziende ouwe knakkers en knakkerinnen pas echt. Ik zet mijn brilletje op en zwem zonodig onder de meute door. Aangezien ik geen schoolslag kan (vanwege mijn knie, zijwaartse bewegingen zijn klote) crawl ik alleen en dat vindt men ‘not done’ want dat spattert te veel. Je hoort ze denken: “die racende veertigers van tegenwoordig…”. Na vijftien baantjes en de ‘verplichte’ beenworkout verlaat ik hun element en droog me af. Want nu komt het relaxgedeelte: een algehele lichaamsmassage. De helft ervan heb ik vorige kerst van man kado gekregen als tegoedbon en in december is die bon niet meer geldig (ik wist niet dat dat nog mocht tegenwoordig, tegoedbonnen met maar een jaar geldigheid…) dus moest het er een keer van komen. En wel nu.

Ik ben geen mens voor professionele lichaamsfriemelarij (wel voor iedere andere friemelarij trouwens). Ik ben wel eens een keer of twee naar een schoonheidsspecialiste geweest. Eén keer naar de pedicure (nooooit weer, vreselijk). Manicure enkel eens door een vriend laten doen (vind ik ook niks). Massage was tot nog toe altijd doelgericht: vanwege gruwelijke rugpijn of lymfedrainage voor mijn knie. Een totale lichaamsmassage heb ik één keer eerder gehad en dat was in een fase waar ik heel goed (en slank) in mijn vel zat. Nu is dat – op zijn zachtst gezegd – een béétje anders. De redelijk streng ogende massagemadam begint. Ik kijk door het gaatje in de massagebank naar de vloer en denk enkel “oh jee, wat gaat ze doen, wat denkt ze wel niet…” Ik doe mijn ogen maar dicht, de vloer is toch niet mooi. Hawaï-klanken op de achtergrond, aloha-gewauwel, zeegeruis en hoela-hoela moeten blijkbaar voor strand- en vakantiegevoel zorgen. Eerst de rug. Prima. Maar blijkbaar ben ik zo verkrampt dat het meeste best pijnlijk is. Ze werkt langzaam naar beneden (yikes) en mijn benen worden bewerkt. En ik maal aan één stuk door…
“Niet in DIE vetjes knijpen! En in die daar óók niet!!”
“Shit, had ik nou mijn benen nog maar even geschoren…”
“Argh, mijn teennagellak is nog maar voor een derde aanwezig. Zou ze het zien?”
“Mens relax, dit doet ze tig keer per dag, die zíet jouw eelt- en andere bulten niet eens!”
“Ojeeojeee… mijn ellebogen zijn net de Rocky Mountains…”
“Hier moet ik straks echt wel even over bloggen.”
“Niet te hard drukken daar, pleazzzzeeee…”
“Ohw… ah nee hè… daar, ja precíes daar -auw- heb ik een opengekrabt plekje…”
“Blij dat ik net uit het zwembad kom, ben ik in ieder geval schoon.”
“Nou. Daar lig je dan, gekneed te worden…”
“Zou ze mijn borsten ook masseren??” [nee, deed ze niet, pfiewwww]
En in gedachten heb ik dit halve blog ook al lang geschreven.

Maar heel langzaam lukt het. Ik begin te ontspannen. Relaxxxx, woman… Eigenlijk is het best wel heel erg fijn. Ja. Heel erg. En ineens is het vijfenvijftig minuten later. Ze fluistert: “Dankeschön…” Euh… ja… graag gedaan maar moest ik dat eigenlijk niet tegen haar verzuchten?

Ik kleed me aan, bedank en betaal. En ik mompel dat dit wel heel erg aangenaam was en dat ik dit zeker vaker ga (laten) doen. “Ja”, zegt ze, “dat zou ik ook doen als ik u was, want er zit me daar toch een partij stress, kramp en spanning die nog dringend weggewerkt moet worden…” Gohhh, dat had ik nou nóóit gedacht, hè 😛

Op de weg naar huis glibber ik heen en weer in de auto. Mijn handen glibberen over het stuur, mijn billen glibberen in mijn slip, mijn voeten glibberen in mijn laarzen over ’t gaspedaal. Best lastig rijden zo. Maar ik, ik ben nu in ieder geval even hélemaal glibberzen. Gaan we vaker doen.

 

LY2?

Most of the people LiefI love
they love you.
Now should I be
envious? Or
should I complain?
Should I feel worried
that we are the same?
No I should not, cause
if they love you,
the only sensible thing
that I could ever do
is to see that you’re good
and do as they do.
Which means that I
simply will love you,
too.

.

© Lou

Two-face

Twee gezichten heb ik. Twee kanten. Letterlijk. Om van het aantal persoonlijkheden nu maar eens even niet te spreken. Ik beken: ik zal nooitneverniet zonder make-up de straat op gaan. Net zomin als ik naakt de deur uit zou lopen. Zonder make-up ben ik voor mijn gevoel namelijk ook nakend.

Ik zie best vaak mensen waarvan ik denk: “slechts een héél klein beetje oogschaduw hier en een likje mascara daar en je zou er een ander mens door worden.” Maar zo mag ik niet denken, want iedereen is van nature mooi. Gewoon mens én gewoon goed, zonder hulpmiddelen. Maar dan nog: je let toch ook op wat je aan hebt? Een beetje leuke kleding, een verzorgd uiterlijk, een enigszins bij je passend kapsel? Dan mag dat beetje make-up er ook best bij. Oké, de vergelijking gaat niet helemaal op want ik wandel rustig in een ouwe joggingbroek en met crocs aan mijn voeten (ja die dingesen) bij de buurvrouw naar binnen. Maar zonder make-up zou ik daar dus écht niet eens aan dénken.

Ik zie er namelijk slaperig uit zonder make-up. Heel. Erg. Slaperig. Niet meteen foeilelijk (neem ik aan), maar wel anders. Extreem basic. Vlak. Toen ik net 13 was, metamorfoseerde ik mezelf. Ik ontdekte de oogschaduw. Eerst het geijkte blauw met roze, soms groen met geel en meer van die afzichtelijke foute kleuren. Maar ze pasten niet bij mij en de boel werd al snel donkerder. Heel donker. Zwart zeg maar. Tegelijkertijd fabriceerde ik mijn punk- en  tina-turnerlook (maar da’s weer een ander blog: wilde haren…). Loesje werd ineens een ander mens. Bij mijn eerste vriendjes maakte ik me zelfs grote zorgen over het feit dat ze me ooit zonder make-up of getoupeerd haar zouden gaan zien. Want ohw-my-gawdddd, dat zou een regelrechte ramp zijn. Hoe moest dat dan later, als we samen zouden wonen??? Dan moest ik in vredesnaam maar met schmink op m’n falie slapen…

Het is toch nog goed gekomen. Ik durf nu wel afgeschminkt naast m’n man in bed te stappen. Ik durf zelfs zonder te ontbijten :-D. Als ik zestig ben, durf ik vast ook wel een stap buiten de deur te doen zonder extra opgedirkte ogen. Ik ben weliswaar geen lippenstiftmens (hou ik ab-so-luut niet van, van die smeerprut op mijn lippen, ook niet van lipgloss of labello. Gelukkig ben ik gezegend met een paar redelijk rode, volle lippen dus die laat ik maar zoals ze me gegeven zijn) en mijn gezicht blijft doorgaans ook redelijk ‘natural’ (geen geplamuurde kunstwerken op mijn wangen, no thanks). Maar mijn ogen, die maak ik sprekender. Altijd. Vanochtend heb ik eens een projectje gedaan. Ik heb één kant van mijn gezicht opgemaakt en de andere in mijn slaperige ochtendlook gelaten. Ik post de foto hier, maar u moet weten dat dit echt een coming-out voor mij is, eigenlijk zelfs een verschrikking. Een foto van mij, als two-face. Een foto out in the open, online, met één alledaagse, sprekende kant en één volledig ongecorrigeerde, blanco kant.

U mag slechts één keer raden welke kant dat is 😛

Twoface1a

Begrijpt u nu waarom?

Enjoy the silence

Ja, geniet ervan. Van mijn stilte. Het kan namelijk zo maar ineens weer voorbij zijn. Ik weet gewoon niet meer wat ik moet zeggen en dat komt niet vaak voor. De dingen die mij bezorgen, zijn de mijne, het delen ervan heeft verrekte weinig zin. Ik heb net een heerlijk weekend achter de rug, mijn lieve pap en mam een paar dagen hier. Praten, lekker samen eten koken, in de zon zitten (jaja, het is mooi weer hier), een potje kaarten of samen darts kijken, de geur van versgebakken brood op zondagochtend, een rondje tuin. Simpele dingen die zo veel waard zijn. Dingen waar je je bewust van moet worden, momenten waarvan je je moet realiseren dat ze helemaal niet zo ‘gewoon’ zijn maar juist momenten om te koesteren. De zorgen blijven. Maar raken heel even op de achtergrond.

Ik kan wel weer opnieuw opsommen wat er allemaal in me om gaat maar het heeft geen zin. Het wordt er niet anders van. Ook niet minder. Eerder meer. Hoe vaker je je zorgen oprakelt, hoe meer je jankt. Hoe meer ze aanwezig zijn en bedrukken. Dus dat ‘ogen dicht en door’ heeft wel wat. Ik voeg mond dicht eraan toe.

Zie me zitten. Silence
Ellebogen op tafel.
Ogen stijf dicht,
handen over de oren,
lippen op elkaar geperst.
Ik zie het niet.
Ik hoor niks.
Geen woord van mij.
En ik ben veilig.

Calm as cake.

Radioactive!

de song van ‘Imagine Dragons’ spookt de hele dag door m’n hoofd. Ik ben er veel mee bezig, met die radioactiviteit… Volg het nieuws uit Fukushima op de voet. Weer een voorval. Maar ‘alles is in de reactor gebleven’… Tuurlijk, tuurlijk. Die driehonderd tonnen zwaar radioactief water die er en passant nog even uitgedruppeld en in zee gespoeld zijn, zijn sowieso peanuts. Toch? Druppels in een oceaan die al lang en breed straalt als een supernova.

Niemand heeft het over de staven in reactor nummer 4, de reactor waar niemand meer in kan en waarvan niemand weet hoe het er binnenin aan toe gaat. De staven waarvan, volgens de berekeningen van de ‘experts’, de beschermende zirkoniumomhulsels in verregaande staat van ontbinding zijn en waarvan men vermoedt, dat ze uiterlijk over anderhalve maand volledig zullen smelten en de hitte die daarbij vrijkomt zoveel stoom in de reactor zal produceren, dat de hele boel met een gigantische klap uit elkaar springt, waardoor er een aarde-omspannende wolk radioactiviteit de atmosfeer in als mede een enorme golf onvoorstelbaar radioactief water de zee in geblazen wordt. Niemand heeft een oplossing. Niemand wil het geld voor het snel vinden van een oplossing zelfs maar op tafel leggen. Dus zwaai maar dag met je handje, zolang je nog kunt…

Doemscenario’s. Andere kant van de wereld? Dan niet meer hoor… Maar afgezien daarvan hebben we hier om de hoek ook zo’n heerlijke kerncentrale. Een oud krot, zo goedkoop mogelijk gebouwd door de Tsjechische regering, met een hoop subsidie van de staat. Een kerncentrale met aan de lopende band incidenten die allemaal vakkundig onder de Tsjechische tapijten geveegd worden. Dat dan wel weer. De verdere uitbouw van Temelin in de zeer nabije toekomst was al in kannen en kruiken: nogmaals vier grote reactoren graag! Joepiehie…duhhuhh…poepie. En dat hemelsbreed slechts vijftig kilometer verderop… Eindelijk, EINDELIJK heeft de EU nu eens een ‘goede’ beslissing genomen: De subsidiëring van kernenergie en van de bouw van nieuwe reactoren is niet langer toegestaan. Daarmee zijn de geplande Temelin-reactoren al vóór de bouw onrendabel en zullen ze er dus niet komen. Mede dankzij de petitie van Global2000 tegen de subsidiëring (die ik vanzelfsprekend ook ondertekend heb, en vele tig-duizenden met mij). Maar ook dit is slechts een druppel…

kaliumjodidGerustgesteld ben ik niet. Integendeel. Ik kijk met lede ogen naar Japan. En ook naar het laatste ongelukje, daar vijftig kilometer verderop. Ten gevolge van Tsjernobyl kunnen we hier in Oberösterreich bijvoorbeeld nog steeds geen truffels (de paddenstoelen hè) eten: streng verboden, nog steeds té radioactief als gevolg van de wolk die destijds, 27 jaar geleden op de bossen en weilanden hier neerdaalde… Zevenentwintig jaar!

Laatst heb ik mijn voorraad kaliumjood-tabletten maar eens hernieuwd. Ik had één pakje thuis, destijds via school opgedrongen gekregen. Maar kaliumjood moet je hier in onze contreien inmiddels standaard in huis hebben, voor het geval er weer eens een kernrampje of iets dergelijks gebeurt. De tabletten zorgen er dan voor, dat de schildklieren geen radioactief jodium op kunnen nemen. Vooral bij kinderen ontstaat er dan namelijk vaak en vrijwel direct de heel agressieve schildklierkanker. Bij de apotheek werden mij voor vier personen gelijk acht pakjes in de handen gedrukt. “Neemt u maar, ze zijn inmiddels gratis. Iedereen móet ze nu hebben. Nieuw voorschrift.”

Oh…Hoe geruststellend. Not…

Mijn voorraad drinkwater in de kelder (tot voor kort zo’n tachtig liter) heb ik nu dan ook maar opgeschroefd naar de tweehonderd…
Niet dat het ook maar een bal helpt, want het liefst ga ik dan maar gelijk de pijp uit in plaats van alle ellende nadien mee te moeten maken. Maar ja. Voorschriften hè…

Eens kijken hoe zeer we met zijn allen stralen over anderhalve maand. Van het lachen zal het niet zijn…

Ik ben twee.

Ja, vandaag ik ben twee. En zo langzaamaan leer ik lopen…twee

Nou, eigenlijk ben ik ‘in mij’ wel meer (vier ofzo?) maar ik, als blog, ben vandaag twee.
En aangezien verjaardagen en zelfs blogjaardagen altijd weer uitnodigen om te reflecteren op wat ooit was en wat is geweest, grasduin ik door mijn allereerste hersenspinsels en kan met enige al dan niet gepaste trots concluderen, dat mijn blog zich toch aardig ontwikkeld heeft. Van niks naar zo’n zeventigduizend page views (is niet echt veel, weet ik maar ik vind ’t best oké klinken, voor mij als prutsende blogpoeper) en krap 200 vaste lezers; ik ben een tevreden mens. Zó veel mensen die mijn loutere geleuter interessant genoeg vinden om regelmatig te lezen, dan kan ik alleen maar heel oprecht “dank jullie wel!!” zeggen.

Ik ga nog even door met grasduinen. Omdat mijn eerste blogs (tot midden oktober 2011, ik ben ergens in augustus dat jaar begonnen met bloggen dus éigenlijk ben ik nu twee jaar en een paar maanden 🙂 ) in eerste instantie op blogspot stonden en van daaruit hierheen gemigreerd zijn, zijn die nu dus allemaal zonder comments, lezers of likes en dus simpelweg aan de meesten voorbij gegaan. Alleen daarom al lees ik ze zelf maar af en toe terug. Altijd weer grappig om te zien hoe ik toen in ’t leven stond. En enigszins verontrustend om te merken dat er niet werkelijk veel veranderd is sinds in die twee jaar, behalve dan dat ik ouder en duidelijk nog emotioneler, instabieler, gekreukter en onverstandiger geworden ben.

Ik kan het niet laten. Enkele quotes en passages uit mijn allereerste blogs. Ze doen ’t nog steeds.

We shall draw from the heart of suffering itself the means of inspiration and survival.
(Winston Churchill)

“Accepteren dat ik heel veel dingen niet gedaan heb en ook nooit meer zal doen in mijn leven. Accepteren dat ik in veel opzichten heel veel geluk heb gehad waar anderen zoveel pech hebben. Accepteren dat ik meestal écht niks kan doen of betekenen voor mensen om me heen die zoveel pijn en verdriet hebben. Maar ook accepteren dat niet iedereen mij een prettig, lief, leuk of bijzonder mens vindt. De dingen vallen langzaam op hun plek, maar soms vallen ze er toch ook nog steeds een gigantisch stuk naast…”

“Zolang ze maar in je hoofd zitten, zijn gedachten ongevaarlijk. Je kunt denken, dat je ze nooit hebt gehad. Maar als je ze opschrijft, kunnen ze niet meer weg. Als weggewaaide papiertjes waar je je voet op hebt gezet. Toch schrijf ik ze op. Dan kunnen ze zien dat ik niet bang voor ze ben…”
(Tim Krabbé, uit “Een tafel vol vlinders”)

“Die zilveren zieledruppels weer aan elkaar.
Worden ze weer een gedaante.
Er zit nog niet zoveel vorm aan
Je herkent jezelf niet meer
Een maanlandschap van littekens
Een wanstaltig geheel van zeer
En toch begint het er weer op te lijken
Nog wel heel broos en fragiel
Maar toch een weer functionerend geheel
Een Terminatorziel.” 

Ach… ik kan wel aan ’t koekeloeren en kopiëren blijven.
Over tot de orde van de dag.
Verder met het hier en nu.
Maar niet voordat ik gezegd heb:
Bedankt allemaal.
Bedankt voor het lezen, voor alle reacties, steun, lieve en leuke woorden, inputs en likes.
Ik waardeer dat én jullie enorm!!
Op naar een nieuw blogjaar.
💋 van Lou.

kermis

Het is verbazingwekkend hoeveel mensen er in je leven zoal voorbij rollen.
Het ene moment zijn ze alles voor je, overdonderen je, laten je opleven. Geven je precies dat wat je nodig hebt. En jij hen.

Two worlds collided.kkerm

Je denkt dat diegene blijft. Voor eeuwig. Of in ieder geval tot aan het einde van de tijd van één van jullie. Dit zit goed. Verrijking. Liefde. Lot.

Never tear us apart.

Maar dan, dan ineens is je lotgenoot, je destiny, zomaar doorgelopen. Doorgehold, naar de volgende levensuitdaging. En toegegeven, je merkte het in eerste instantie niet eens… Het intense contact wordt langzaamaan weer oppervlakkig. En dan nihil…

Worlds drifted apart.

Ach wat nou voor werelden. Het is allemaal één en dezelfde aardkloot… Die personen lopen nog steeds om je heen, enkel nu in ietwat wijdere (of nóg wijdere) kringen. Niet meer in jouw golden circle. Enkel nog een bittere nasmaak, ergens achterop je tong…

Worlds collapsed.
(Maar dát zong Michael nou net weer niet)

Wat wil je nou… dat er om je na getreurd wordt? Dat er gerealiseerd wordt, wat voor onbetaalbare brok goud hij/zij zomaar links heeft laten liggen? Dat diegene éigenlijk spijt heeft als haren in een hooiberg, als stralen van de dark side of the moon, als een kip met een dubbele kop…

Ja.
Dat wil je.

Dus profileer je je opnieuw. Zoekt dat nieuwe daglicht dat jou kan beschijnen zoals het daglicht betaamt. Je blaat in het rond dat het voorrrralll beter voor jou is zo: “Oh my… your loss, dear!!” En dan vooral heel hard zelf geloven dat het ook daadwerkelijk een verlies is voor die ander. Daar wringt de pantoffel dan toch weer enigszins, want meestal is dat dus niet zo. Auw. Blaren. Enzo. Je gaat een “kijk mij, ik ben zelfs méér dan goed genoeg!!”-air vertonen. Vooral ook om je onzekerheid te bedekken onder een dun laagje goedkope glitternagellak. Je post een ongegeneerd portfolio aan hooggestylde foto’s op alle relevante social media, in de hoop dat de dumper ze ziet en denkt “ooooh… wat heb ik gedaan… waarom heb ik jou nu niet meer…” Als klapper op de vuurpijl word je in allerijl een slanke den, vastklampend hopende dat je nu dan eindelijk weer terug in de gratie valt [het moge aan de hand van dat laatste voorbeeld in ieder geval duidelijk zijn dat dit alles met de grootste zekerheid níet over mij gaat, ik val namelijk voor geen meter af. Oh en nee, het gaat ook niet over jóu 😉 Het gaat namelijk over de algehele onzekerheid in persona, het bijbehorende losergevoel en over de wereld die door rolt. Of zoiets].

Je probeert je algehele imago op te krikken.
Megacoole dingen doen.
Stoute dingen. Onwijze dingen.
In pure excessie.
I’m bad. Really, really bad.
Too bad.

Wat een verrekte kouwe kermis…

I told you that we could fly,
‘cause we all have wings.
But some of us don’t know why…

En dan kom je thuis.
Out excess.
Rotkermis…

_________________________________________
bron songtext: INXS – Never tear us apart

© Lou

The end of an era.

cryingeyeIk snap het weer eens niet. Komt vaker voor. Call me stupid, call me blond, maar soms snap ik er echt de ballen van. Je denkt: “Dit is voor altijd. Vanaf nu voor altijd. Nú zit het echt goed.” Je hebt wat problemen, je eigen sores, zorgen om je kinderen, ziekte, liefde, grenzen verleggen. In jezelf gekeerd.

En dan ineens knalt er een rotje. Oorverdovend, net naast je oor. BAFFFFF!!!! Geschrokken opzij kijkend denk je: “shit, wat da foek was dat”. Dat was een vriendschapsverband, dat weer los schoot. Net stevig vastgeknupt, nu weer on the loose. Ik kan hier dus niet tegen… Er zijn mensen op wie ik moet kunnen bouwen. Vertrouwen. Terugvallen. Mensen die er eens zijn, en er ook altijd zijn. Al ben ik zelf wel eens afwezig of met anderen bezig, ben ik in mijzelf gekeerd of door wroeging verteerd, ik bén er. En ik blíjf er. No matter what. Groepen die een eenheid vormen. For better or for worse. Waardevol.

Vrienden zijn er ook in mindere tijden. In tijden van weinig contact. Vrienden zijn de bloemen in je levenstuin. Ze bloeien zomaar, ineens, en op die tijden dat je het nodig hebt. Een echte vriend grinnikt over je grooooote verhalen, ook al zijn ze eigenlijk helemaal niet zo groots. En een echte vriend leeft met je mee als je diep in de problemen zit, ook al zijn die problemen óók niet zo gigantisch. Maar weg gaan, juist in de tijden dat je het moeilijk hebt, dat hoort er voor mijn gevoel niet bij…

En nog zo’n mooi cliché: een goede vriend is als de maan. Je hoeft hem niet altijd te zien, soms is-ie verscholen achter de hele wereld, soms wat onbeschenen en dus onschijnbaar, maar je weet gewoon dat hij er is…  En dat is wat ik nodig heb. Iemand waarvan ik weet dat hij/zij er is. No matter what. Niet weglopen uit de cirkel als je het gevoel hebt, in dat kringetje even niks te kunnen betekenen. Niet die oh zo belangrijke band doorbreken…

Een einde.
Weer eentje.
Maar oké.
Je bent niet weg.
Gelukkig niet.
Alleen moet ik
de nieuwe constellatie
éven verwerken.
Time. Place.
Will be.

maar het blijft
een dingetje…

zeven miljard

Een paar maand geleden heb ik het meest recente boek van Dan Brown, Inferno, gelezen. (Ja ja, ik lees ook dat soort literaire pulp). Hoewel de boeken van Brown – naast best wel aardig spannend – altijd redelijk extreem geprofileerd zijn, ben ik elke keer weer gefascineerd door de zogenaamde facts die er in opgerakeld worden. Afgezien van het feit dat de bad guy (of was het nou toch de good guy?) snel even de batterij uit zijn iPhone haalt (diep respect…) kan ik, blond naïevelingetje, van de rest niet gelijk zeggen of het geloofwaardig is of niet. Ik voel dan ook elke keer weer een sterke drang om even een rondje fact-checking doen: wat van al datgene wat de goede man in zijn boek beweert, is ook écht zo? En dan gaat het me niet eens zo zeer om de culturele dingen (die slik ik wel, ik cultuurbarbaar. En even wikipedia surfen voor wat betreft Florence, Instanbul en Venetië does the trick as well) maar in dit boek vooral om de demografische beweringen. In zijn boek heeft Brown het over de snel toenemende overbevolking van de aarde en over een beweging namens Transhumanisme, die eigenlijk best erg aan de nazi-denkwijze herinnert.

Transhumanisme, de angstaanjagende beweging en filosofische denkrichting die de grenzen der menselijke mogelijkheden en de perfectionering van de mens zelf wil verleggen door de inzet van technologische procedés. Genetische manipulatie om tot de ultieme mens te komen. Daarnaast neemt de mens het heft in de hand inzake reproductie: men wil eveneens door genetische manipulatie ervoor zorgen dat enkel gezonde, sterke kinderen ter wereld komen.

7miljardIn het boek van Dan Brown schijnt echter de angst van deze ‘beweging’, dat de gewenste technologische perfectionering van de mens nooit plaats zal vinden omdat de mens zichzelf al lang van tevoren uitroeit, de overhand te nemen. De demografische groei van de wereldbevolking is blijkbaar zo schrikbarend en volgens de gepresenteerde data zowat meer dan exponentieel, dat wij al op zeer korte termijn niet meer in staat zullen zijn om onszelf te voeden en in leven te houden. De vervuiling zou niet eens relevant zijn omdat de mensheid volgens de opgeworpen theorieën binnen honderd jaar uitgestorven zou zijn. Veel te vroeg voor de transhumanisten om hun genetisch perfectionisme in realiteit om te zetten.

En daar is waar Dan Brown volgens mij en vele anderen de mist in gaat. De wereldbevolking stijgt vooralsnog inderdaad en ís ook meer dan sterk gestegen in de afgelopen anderhalve eeuw. De zenit schijnt echter ergens rond 2050 te zijn. Daarna neemt de bevolking volgens de demografische experts in rap tempo af. Niet omdat we dan niks meer te vreten hebben maar omdat in praktisch alle landen de geboorteratio’s zelf door sterke vergrijzing ineens schrikbarend snel teruglopen. Dat is in veel landen nú al het geval. De ‘westerse’ wereld heeft inmiddels zwaar te kampen met die vergrijzing. In Japan worden bijvoorbeeld al sinds tijden meer seniorenluiers dan babyluiers verkocht! En de aarde op zich ís niet eens overbevolkt. Ze heeft enkel te lijden onder een heel slechte oppervlakteverdeling van die bevolking. Als we alle mensen ter wereld – nu zo’n zeven miljard!! – in Oostenrijk zouden proppen, hoe hoog zou de piramide dan zijn? Got ya!! Er zal helemaal geen piramide zijn. Iedere mens zou nog steeds elf (!) vierkante meter op de begane grond ter beschikking hebben. En de rest van de aarde zou dan dus volledig mensenvrij zijn. Het gaat er ook niet om hoeveel land iemand ter beschikking heeft maar om de footprint, de hoeveelheid aardoppervlak die de mens nodig heeft om in zijn/haar gevoelde basisbehoeften te voorzien. En die footprint is voor de gemiddelde mens te groot: we leven op te grote voet. Maar wij produceren met zijn allen op dit moment al wél meer dan voldoende om krap 10 miljard mensen te voeden. Ja, inderdaad. Zó veel wordt er zinloos weggeflikkerd…

We zouden dus duidelijk beter om moeten gaan met dat wat we hebben. Minder nutteloos verbruiken. Minder ongebruikt weggooien. De verdeling van de bevolking over de aarde zou verbeterd moeten worden. Weet iedereen eigenlijk wel. Maar jemig, hoe dóe je zoiets?? Daarover heeft men nog steeds geen idee. Globaal gezien dan. Op micro-niveau weet iedereen wel enigszins hoe het moet, he diet je allerbeste best om in ecologisch zo goed mogelijk te leven. Afvalscheiding, bio-gedoe, zo min mogelijk plastic, duurzaam verbruik, groene energie (we hebben gisteren onze energieleverant ingewisseld voor een nieuwe: eentje met hoofdzakelijk energie uit waterkracht. Yeah). Het begin is er. Maar enkel in je eigen kikkerlandje, een speldenprik op de wereldbol. Om van de schaliegaswinningsintenties maar even niet te spreken…

En als je dan een aantal berichten leest over iets onbekends als de neodymium-winning in China, hét goedje dat nodig is om de sterke magneten te fabriceren waar onder andere al onze windmolens – onze ‘schone’ energievoorzieningen – op draaien maar wat bijvoorbeeld ook voor magneten in harddisks en voor fluorescerende lampen gebruikt wordt, en dan ziet wat voor puinhoop ze er van maken om maar zo goedkoop mogelijk te kunnen leveren, dan ga je heel hard janken. Janken van ellende, de ellende die onze aarde pas écht om zeep helpt. Niet omdat er teveel mensen op wonen maar puur omdat de mens als zodanig teveel belust is op eigenbelang en winst. Niet die arme kloothommels die dag in dag uit in de vrolijk doorstralende zee van uranium en thorium (een paar van de radioactieve nevenstoffen die vrijkomen bij de winning van neodymium) staan te baggeren, die mensen hebben geen enkele keus. Ach ja, toch wel: nu van de honger dood omvallen of over tien jaar gevild worden door de kanker. Een geweldige keus. Nee, niet die mensen. Maar wel de exploitanten die dat neodymium, dat overal in de aarde zit maar waarvan de winning hier te lande met zoveel reglementen en voorschriften gepaard zou gaan dat het spulleke onbetaalbaar wordt, met gruwelijk harde hand en volledig onverantwoord uit moeder aarde persen om maar winstgevend te kunnen leveren. Een kolossale ramp die verdekt blijft omdat de rest van de wereld profiteert van het feit dat die ellende ‘mooi daar’ blijft. Je wilt niet weten hoe de aarde er daar uit ziet. Of eigenlijk wil je dat wel…

En dat is slechts nog maar één voorbeeld.
Waar zijn we in vredesnaam mee bezig…

*blogje op mijn old school van neodymium-magneet voorziene harde schijf opslaat…*

 

bang verdriet

tears“mam, ik ben zo bang…
bang dat ik alles fout doe…
bang dat ik iets vergeet…
bang dat ik niks kan…
bang dat ik het niet weet…”

“mama… ik ben zo bang…
bang dat ik iets kapot maak…
bang dat jullie dood gaan…
bang dat iemand inbreekt…
bang om voor gek te staan…”

“mams… wat moet ik nou…
moet ik echt harder worden?
of gewoon maar nooit meer wakker?”
onkinderlijk groot zijn de zorgen.
van mijn oh zo lieve arme stakker…

Zo gruwelijk verdrietig en onzeker, zo verschrikkelijk onder druk. Dichtklappen, niks meer kunnen zeggen. Toch maar iets opschrijven, op goed geluk… Maar zo gaat het niet langer, dit gaat niet goed. Je kind zo te zien lijden, werkelijk waar, mijn moederhart bloedt. Het enige wat ik kan doen is helpen, alle hulptroepen aanslepen. Hem toch maar weer opbeuren door al zijn goeds te onderstrepen… Maar soms weet ik het echt niet meer, is mijn engelengeduld op. Kijk ik enkel nog vol emotie naar zijn geworstel en getob. Sluit ik mijn ogen, terwijl ik me achter mijn handen verschuil. Opdat hij niet ziet hoe hard ik om hem huil…

..

(c) Lou

geen probleem

Ik heb geen probleem hoor. Echt niet. Ik niet.
Misschien zie jij het als een probleem. Maar het is er niet.
No problem. Ik luister wel naar die saaie Righteous Brothers.
Lonely rivers flow to the sea. To the open arms of the sea…
Daar ga ik ook maar heen, lijkt me het beste.

Ik heb geen probleem hoor. Echt niet. Ik niet. Jij?
Dat jij nooit aan me denkt, enkel en alleen als het voor jou convenient is,
dat is ook niet mijn probleem. Ik heb je liefde blijkbaar wel nodig,
maar ik overleef ook zonder. Genoeg vervangend materiaal. Zeggen ze?
Genoeg in ieder geval om mij op de goede weg te houden.

Ik heb geen probleem hoor. Echt niet. Ik niet. Jij wel?
Ik wandel door. Ik heb gezien waar het allemaal zo hard om draait.
Meer van hetzelfde en steeds opnieuw dezelfde uitgezette vallen.
Ik trap er niet meer in. Ik loop er met een grote boog omheen.
Set me free if you can’t handle me. Mijn leven aan mij.

… en langzaam loop ik die trap weer omhoog.
De trap naar een non-existente hemel.

forever young?

Alle wegen die we hadden moeten nemen, zijn vol met bochten…
Alle lichten die ons daarheen hadden moeten leiden, zijn enkel verblindend.
Er zijn zoveel dingen die ik je had willen zeggen, maar ik weet niet hoe.
Want misschien ben jij uiteindelijk tóch degene die mij gaat redden…

Alleen heb ik geen idee waar je bent, mijn schat.

Maar laten we eerst in stijl dansen, al is het maar voor heel even.
De hemel kan wel kort wachten terwijl wij de lucht bestuderen…
We hopen op het beste maar verwachten het ergste.
Ik zou voor altijd jong willen zijn, ja, dan zou ik ook wel altijd willen leven.

Althans, met jou. Maar toch ergens ook weer niet…

Ik kan me niks herinneren, weet niet of dit waar is of een droom.
Diep in mij wil ik enkel nog schreeuwen maar de stilte stopt me…
Nu de wereld weg is, ben ik enkel nog één. Sta me bij.
Ik kan niet leven maar ook niet sterven, gevangen in mij.

Niet dat dat een straf is. In mij is het goed.

Maar degene voor wie jij me waarschuwde, degene waarvan jij zei
dat ik wel zonder kon. Ik kan niet zonder. We zitten diep in de shit,
echt waar. Maar ga nu niet tegen me preken… Help mij??
Ik hou van hem. Echt, ik hou zoveel van hem…

Jemig, wat een ellende, die liefde. Maar het komt wel goed….

Haar haar herinnert me aan dat ene veilige plekje
waar ik me als kind kon verstoppen, hopend dat de donder
en de regen wel onopgemerkt aan mij voorbij zouden gaan…
Maar waar gaan we dan nu heen, lief kind van me??

Zover mijn ogen kunnen zien, schaduwen die op me afkomen.

En voor degenen die ik inmiddels heb achtergelaten
Ik wil dat jullie weten, dat jullie altijd in mijn diepste gedachten waren
Jullie volgen me waar ik ook ga… maar als ik oud en wijs ben,
Betekenen al die bittere woorden niks meer voor mij.

Herinner je enkel nog, dat je ooit een vriend van me was…

.

(Anyway, ik ben mij er natuurlijk geheel en al van bewust dat dit allemaal songtekstinterpretaties zijn met hier en daar een eigen tussenwerpsel. The tag says it all. Bij deze bedankt Oasis, Alphaville, Nirvana, Madonna, Guns ’n Roses en Alan Parsons Project).

cut

cut
cut the crap
don’t you see
it’s just a trap
and
it’s not me…

you are the cut
slashed too deep
try keepin’ it shut.
can’t
even sleep…

trapped my soul
took my will
played a role
you
caught me still

cut me loose
or take it all
cruelly seduce
but
don’t hear my call

cut me off,
off of you?
can’t love
this
cut is due…

.

.
(c) Lou

Social shit

De pleuris, goffer, gadver, kak.
Wat ben je ook een slappe zak.
Een klojo zonder ruggengraat
die doelloos door het leven gaat.
Gezeik, gezeur, gescheld, gekloot.
Ga zuipen, eet shit uit de goot.
Tief op en get lost, jij idioot,
krijg tieten, stik en val toch dood.

Een nieuwe tweet en weer een wens
Liefdadigheid van mens tot mens.
Prachtnamen om elkaar te noemen.
Hard meedoen tot je kop gaat zoemen.
Social media maar dan asociaal
Ach schelden doen we toch allemaal…
Dus struikel voorzichtig, stomme trut.
Love you heaps, en zelfs dat is klote.

(C) Lou

Paardrijklets

paardkletslesVoor haar verjaardag had dochter een prachtige kadobon voor een ‘eerste paardrijles’ gekregen. Ik wist inmiddels ook al waar: een oude boerderij met paardenstallen en een manage, een goed kwartier rijden hier vandaan. Ik had gisteren gebeld of vandaag oké was en dat was ‘t. Joviale boer aan de lijn: “dan moej miene vrouw hebb’n, die goat over de afsproaken” (en dat dan op z’n Mühlviertlerisch hè). Mundart noemen ze dat. Mund-Art. Dialect. Ik heb er wel een jaartje of twintig over gedaan voordat ik zo’n beetje alles kon verstaan en nog zijn er veel woorden waar ik ineens weer van opkijk. Zo is bijvoorbeeld a neichtl zoiets als ‘een poosje’ of ‘eventjes’, een Bissgurn een ruziezoekende en altijd kijvende vrouw, Gschloder is slappe koffie/bocht en  een Schlampatatsch is een onordelijk persoon (een smeerderk 🙂 ). En zo kan ik nog wel even doorgaan. Op de vrijgezellenavond voor ons huwelijk moest ik van de buren een twintigtal woorden ‘ontcijferen’, anders mocht ik niet met een Oberösterreicher trouwen want dan zou ik mijn man nooit begrijpen. Gelukkig wist ik van het merendeel inmiddels al wel wat het was en met een beetje hulp van man wist ik de rest uiteindelijk ook. Maar van mijn man snap ik nog steeds geen bal. En het blijft elke keer opnieuw een avontuur om met een echte inboorling te converseren.

Zo ook vandaag. Rond kwart over drie komen we de rijhal binnen lopen, geen idee waar we ons moeten melden. Een aardige dame in rijbroek brengt ons naar het woonhuis zodat we kunnen beginnen. De boer des hoeves, ik schat hem op zo’n 75 jaar, zit in de keuken uitgebreid te kletsen met een buurboer. Over paarden en aardappels en de kwaliteit van het hooi. De dame laat ons in de keuken achter en wij wachten braaf tot meneer zich tot ons wendt. Mén wat duurt dat lang. Kort voor half vier merkt hij ineens dat we er nog steeds staan. “Ach jaaa, die Deerne die reiten lernen möchte. Mensch, mei… bist ’n du nu klan…” [“wat ben jij nog klein!”, een zinnetje waar dochter o.h.a. erg pissig van wordt] Er wordt een oude rijhelm tevoorschijn getoverd (one size fits all, one size smells all) en dan gaan we het paard zadelen. Het paard voor dochter heet Relief, zo staat het op de box. Ik dacht “oh. Opluchting, mooie naam, vast voor een rustig paard”. Toen bleek dat het als reliëf uitgesproken werd. Jeujjj… een hobbelpaard…

Relief blijkt wel gehoorzaam en geduldig. De man ratelt aan één stuk door. “Lady, je moet je bips optillen. Rechtop zitten. Paardrijden is geen lolletje, het is een sport, je moet je best doen. Paardrijden doe je met je benen en je houding, niet met je mond. Jij denkt dat je dat allemaal wel even snel kunt, maar zo werkt dat niet. Geduld. In de takt bewegen!! Nee, da’s te snel. Opletten!!” enzovoort. En dat allemaal in zwaar dialect. Dochter verstaat de helft niet maar doet alsof haar neus bloedt en gaat gewoon door. Af en toe zie ik haar even inkrimpen maar dan ook gelijk weer die rug recht en doorrrr. Ze vindt het zelfs leuk, lijkt het.

Na een dik half uur aan de longe rijdt ze op het paard terug naar de stal. Stop and Go kan ze in ieder geval al. Nu afzadelen. Man raakt in gesprek met de boer alias manegehouder. Das war ein Fehler… De man houdt niet meer op. Over werk en écht werk. Over alle managementfoezzies die overbodig zijn, de wereld heeft techneuten en paardrijders nodig. Het liefst paardrijdende techneuten. Die krijgen tenminste iets voor elkaar. En of boer huppeldepup in Schweinstein nog een tractor zus en zo heeft. Wat man doet voor werk. “Euh, leraar en techneut”. Aaaaah je ziet het boerengezicht opklaren. Een techneut! Helemaal goed. Kan man ook nog paardrijden? Nee. Oh. Da’s weer minder. Dochter gaat met een ander meisje mee, kijken hoe die paard rijdt. Ik versta alles wel maar ik ken al die boeren uit de omgeving niet én ik ben geen techneut dus ik sta er een beetje naast te dreutelen. Uiteindelijk, na een dik half uur mühlviertlerisch geratel, zegt hij ineens: “Oh ja. Betalen.” Man ziet z’n kans schoon en gaat snel kijken waar dochter uithangt. Ik ben de pineut en moet mee naar de keuken uit het jaar 1873. Betalen is mijn zaak blijkbaar. Oh wat zijn we heden blij…

De keuken is al een belevenis op zich. Een plafond waar ik bijna m’n hoofd stoot, een rioollucht van heb-ik-jou-daar, scheef hangende houten kastjes waar een houtworm nog geen droge spaander in zou kunnen vinden. Een eveneens eikenhouten kruis (mét Jezus eraan, natuurlijk) van bijna een meter lang aan de muur met een twintigtal overlijdensadvertenties sierlijk er omheen gedrapeerd. En een ouderwetsche spaarlamp boven de tafel. Mocht ook niet ontbreken natuurlijk. Gezelligheid ten top. Manegeboer gaat op de hoekbank aan tafel zitten en kijkt me ‘ns aan. “Du bist ja eh ned vo do, oda??” Nee, ik ben niet van hier. Ik kom uit Nederland. “Aaaaahhhh!!! Holland!! Na da muaß I di woas vazöhn.” [dan moet ik je even wat vertellen – Red.] Ik wíst het: ik had gewoon moeten zeggen dat ik doofstom ben. Niet van Nederland, ik stomme koe.

En daar gaat-ie weer.
Over zijn feestje in 1968 in Nederland. Zes Nederlanders en 3 Oostenrijkers. In Lelystad, dat toen net gebouwd werd volgens hem (klopt ook nog geloof ik). Er was net een café open en daar zaten ze, de bierzuipende Oostenrijkers met die drooggelegde Nederlanders. En met allemaal een 0,3l limonadeglaasje (“ein fluuu-ietje, whaahahaha“) pils voor hun neus. Waar ze dus ook met zijn zessen danig op keken, op die neus. Of de waard geen fatsoenlijk glas had. Nee, alleen dat ene 2-liter-sierglas van het Oktoberfest op een plank aan de muur. Nou, kom maar op dan, met dat glas. En die slappe pils, die drink je in één keer op. Ook twee liter. En nog een keer twee liter. En nog een keer. En die Nederlanders maar kijken. Oh en jemig, die Nederlanders zijn zoooo groot, hè!! Alle mannen zijn minstens twee meter. Hoe lang ben jij eigenlijk?? Ook wel minstens 1,90m hè? [euhh… nou euhh, ik ben wel groot maar niet zó groot]. Komt door al die overbemesting daar. Alles wordt megagroot. Mensen, Kartoffeln… Wel 200 liter pure mest per vierkante meter. In Oostenrijk is dat maximaal 80 liter. En dan krijg je zúlke Kartoffeln hè [zijn handen ongeveer 30cm uit elkaar houdend om ons hollands formaat aardappels aan te duiden] – allemaal voor die Kartoffelchips want daar heb je grooooote Kartoffeln voor nodig. En die grond daar in de polder, die is allemaal van de gemeente, en dan moeten de boeren wel duizend D-Mark (“Jullie hebben toch ook D-Mark??”) per maand aan pacht betalen en dan is het enige wat nog rendabel is, Kartoffeln. Hahahahaha…

Enzovoort. Godsamme ik moet naar de WC… en ik wil naar huis… hoe kom ik hier weg… Ineens houdt hij heel even op omdat zijn zoon binnen komt wandelen. Geen idee hoe die heet, ook Josef vermoed ik (aangezien drie van de vier Oostenrijkse mannen Josef heet: de vierde heet Heinz), maar in ieder geval heet-ie óók “mijn reddende engel”. Ik vraag snel hoeveel ik manegeboer verschuldigd ben. Veertien euro. Huh… aan de telefoon was het nog dertien. Nou ja, so what. Met deze man ga ik niet nóg eens in discussie, zeker niet over één euro. Ik leg het bedrag op tafel en wil hem bedanken, maar hij ratelt nog even door over de paarden, over dat dochter vooral geduld moet hebben (nou, dat leert ze bij hem vást wel, dat geduld hebben…) en niet te snel moet willen. En dat ze niet zo veel moet praten (mijn mond valt héél even open). En dat dit allemaal nog langgg geen paardrijden is maar gewoon wat rondhobbelen. En dat ze maar gauw weer moet komen. En oh ja. Veertien euro. Ik weet er tussenin te brengen dat mijn zoon alleen thuis is en ik nu écht weg moet maar dat we binnenkort zullen bellen om een nieuwe rij-afspraak te maken.

Ik vermoed over een jaartje of veertien.

toeval? nèèh…

Toeval bestaat niet. Alles komt zo als ’t komt en uiteindelijk zelfs wel goed.

Vandaag besloot ik om zoon op te halen van school, ietwat vervroegd omdat ik even de mentrice van zijn klas of desnoods de directeur zelf aan wou spreken om te vragen of we een afspraak konden maken voor een gesprek. Zoon heeft, zoals de meesten inmiddels wel weten, enige problemen. Hij is dyslectisch, heeft ADHD en dysgrammatisme, is heel faalangstig en onzeker, een erg lief en zacht manneke dat helaas nu al niet zo goed mee lijkt te komen op zijn nieuwe school. Dat maakt zich dus al bemerkbaar en daarom zocht ik het gesprek. En aangezien ik nog geen telefoonnummers etc. heb, ben ik maar zelf naar school gereden.

Een minuut of 15 voor de bel wandel ik met dochter aan de hand naar binnen, de trap op, op zoek naar een bekend gezicht (ik ken er eigenlijk maar drie tot nu toe dus de kans op dat bekende gezicht was klein, maar goed, een poging was het waard.) Ik kijk wat onzeker rond en er komt een wat oudere, redelijk lange mevrouw met vriendelijke, open blik op mij af. Ik herken haar van de schoolfoto waarop ik de docenten van zoon al heb opgezocht en denk: “oh shit, het zou toch niet hè…”

Het zou wel. Ze vraagt heel aardig of ik iemand zoek en of ze wat voor me kan doen. Goh, sympathiek mens, die docente Engels van zoon… (zie mijn schriftelijke ‘aanvaring’ in mijn blog van 17 september). Voordat ik dochter de mond kan snoeren, legt madam al uit: “Jaaaa, ich bin die Schwester von [voornaam zoon]. Sie wissen schon: der [voornaam zoon, achternaam zoon…]!! Und wir suchen seine Frau Lehrerin!!” OMG, why on earth neem ik dat kind überhaupt mee….

Ik hoor haar denken. “Aaaahhh. Ahaaaa! Díe!!” en ze glimlacht. Thank god, ze glimlacht… En ze bedankt me voor mijn briefje. Ze was er blij mee geweest (ja blij!) en had me ook gelijk geantwoord. Blijkbaar kan ik het toch wel zo heel af en toe, dat diplomatiek zijn. We raken in gesprek, dochter al gangdansend om ons heen. De problemen van zoon waren haar ook al opgevallen. En dat hij het achterin de klas niet zo goed doet. “neeee, weil T. kriegt ja alles nicht so gut mit, ‘ne??” jodelt dochter erdoorheen, al dansende toch heftig meeluisterend. Frau Lehrerin vertelt dat hij wel degelijk opvalt. En dat ik inderdaad in gesprek moet gaan met de klassedocente over hoe we hem het beste kunnen stimuleren en hoe met zijn onzekerheid omgegaan moet worden. Etc. etc. Het was een heel goed ganggesprekje.

Volgens mij heeft ze nu wel gezien dat ik niet de bitch ben die alle folies en hoesjes per definitie met haar slagtanden verscheurt. En ik heb gezien dat zijn docente Engels een prima mens is waar goed mee te praten valt.

Wat toevallig dat ik dan in die grote school nou juist háár tegen het lijf moet lopen…

Ach nee. Toeval bestaat niet.

niet harder

De wereld om je heen is harder dan jij.nietharder
Zachtheid, emotie tot pulp gemalen.
Nog kind zijn niet langer toegestaan.
Niet uit je woorden komen is falen.

De wereld om je heen is harder dan jij.
En daarom huil jij een verborgen traan.
Verlegen- en onzekerheid zijn killing.
Prestatiedwang werpt je uit jouw baan.

De wereld om je heen is veel te hard.
Maar ik kan haar niet zachter maken.
Ik wou zó dat ik ’t kon, lieve schat.
Maar ik zal zelf over je moeten waken…

Voor mij hoef jij niet harder te worden.
Maar zonder verharding geen overleven.
Langzaam verdringen ze het kind uit jou.
En verleer jij om écht om mensen te geven…

De wereld is gewoon zo veel te hard.
Jíj bent juist precies zoals het moet!
Toch wordt er anders van je verwacht.
En kijk ik lijdzaam toe, naar wat het met je doet…

.
Rotwereld.

.

.

© LouTerLou

slechte start

Ik heb het weer voor elkaar hoor. I pissed off a teacher :-S

Zoon (bijna 11) gaat nu naar de middelbare school (hier in Oostenrijk heb je vier jaar basisschool en ga je met 10/11 jaar dus naar de middelbare). Ergens aan het begin van de zomervakantie krijg je dan van de betreffende school een ellenlange lijst (2 A4-tjes vol!!) met zeer gedetailleerde beschrijvingen van alles wat het kind moet hebben. Vervolgens mag je op pad om die waslijst aan spullen bij elkaar te zoeken en een honderd tot zelfs tweehonderd euro neertellen voor precíes DIE schoolspullen. Geen andere please: een plakkaatverfdoos van Pelikan, een passer van duurmerkzusenzo, een blauwe Leitz-ordner, folies, schriften met plastic omslaghoezen in alle mogelijke voorgeschreven kleuren, stiften, potloden, figuurzaag, schuurpapier, haaknaalden, wol, hoesjes, mappen, enzovoort. Sportschoenen, schoolsloffen, zwembrilletje, handdoek, zelfs het soort zwembroek was duidelijk voorgeschreven. Een kolerewerk.  Ik had alles aan het begin van de vakantie al klaar want ik ken mij: de laatste vakantieweek begin september wordt dat niks meer en doe resp. koop  ik werkelijk alles fout. Schullisten

Het mocht echter niet baten: ook nu had ik het blijkbaar fout gedaan. Gisteren kwam zoon uiterst chagrijnig thuis en smeet twee enveloppen met folies (“Klarsichtfolien”) op tafel. Doordat ik het verkeerde had gekocht (het hadden hoesjes moeten zijn, zogenaamde “Klarsichthüllen”), was hij heel erg achter geraakt in de les, kon zijn ordner niet naar behoren invullen en had zowaar bijna moeten huilen (aiii….). Nu ben ik normaal gesproken niet de moeilijkste en wissel de boel gewoon om, maar tja. Het was nu eenmaal de hormonale rottijd van de maand, ik had een hoop dingen aan mijn hoofd, een hoop pijn elders in het lichaam en ik was moe. En toen werd ik woest. Wel verdriedraaidedubbeltjesnogantoe. Er stond FOLIE! Niet HÜLLE!! Een folie is een folie. Een doorzichtig dun stuk plastic. Een Hülle is een – al dan niet doorzichtig – hoesje, iets waar je iets in kunt stoppen. En een folie is geen hoesje. Als ze dan al van die mierenneukerige, ellenlange lijsten van voorgeschreven schoolspullen maken, dan moeten ze de boel ook GOED opschrijven zodat zelfs achterlijke Hollanders als ik de boel snappen. Er stond nota bene voor het ene vak “folie” en voor het andere vak wél “hoesje” op de lijst, en toch bedoelden ze hetzelfde. Dat heb ik dus ook even in duidelijke taal in het mededelingenschriftje geschreven. Niet in deze bewoording, maar toch. Ik heb ze haarfijn uitgelegd dat een folie geen hoesje is en dat ze de boel ook niet door elkaar op dezelfde lijst moeten gebruiken omdat het dan echt niet meer duidelijk is. Stomme materie. Hoesjes, folies, who cares. Ik vond op dat moment dat ik ’t best goed verwoord had. Moeten ze volgend jaar maar beter uit hun doppen kijken.

In ieder geval had ik er al niet eens meer aan gedacht tot zoon vandaag dus weer thuis kwam uit school en vertelde dat de lerares Engels ‘not amused’ was. Ze had gezegd dat het – ahum – niet zo aardig geschreven was. Nee. Verrek. Teruglezend zie ik dat ook. En dat voor een paar stomme hoesjes… Dit was wat je een “communicatief uiterst slechte start” kunt noemen. En dat voor het hoofdvak Engels waar hij alle hulp en sympathie nodig zal hebben die hij kan krijgen. What was I thinking…

Waarom telde ik niet tot 2.865, sliep er een nachtje over, stopte ik de goede hoesjes in z’n rugzak en klaar? Nee. Madam moest d’r waffel opentrekken. Er zat maar één ding op. En dat heb ik vanmiddag dan maar getypt. Mijn verontschuldigingen voor de ietwat onsympathieke manier waarop ik duidelijk had gemaakt dat ik het niet met ze eens was hoe die dingen heten. Dat ik als persoon eigenlijk helemaal niet zo opbruisend ben. En dat dit wellicht niet zo’n goede start was voor onze communicatie. Enzo. Een klein briefje aan de desbetreffende docente. Hopelijk doet dat nog enig goed. En anders ga ik wel met de madam praten, dan ziet ze vanzelf dat ik in ’t echie helemaal niet zo snel en hard bijt. Eventueel “I’m only human” neuriënd ofzo.

Ik legde het aan zoon uit en die zei “ach Mama, ich sag’ ihr einfach, dass gestern nicht dein Tag war” (oftewel: … dat je gisteren gewoon niet je dag had). Ik dacht nog: “ach, da’s nou lief”. Maar toen keek hij ineens scheef en zei “Oder soll ich ihr besser sagen, dass du einfach deine Tage hattest?”…

Gadsamme. Dat jong kent me al beter dan ik dacht…
Ik ga nog maar even een potje tegen de maan janken.
Of ik vlieg gewoon op m’n bezemsteel een rondje om het ding heen.
Dat kan ook. Kom kat, we gaan.

Costa!

De Costa Concordia. Dat ene wrak daar. Iedereen heeft het erover. Nu of nooit, de laatste poging om het ding weer rechtop te krikken. De wereld is er live bij. Het lijkt wel een soap. Pure spanning. it’s now of never. In goede en in slechte tijden het ding rechtop krijgen (uhuhh). As The Ship Turns. En ook al zegt de baas van deze hele bergingsactie dat succes 100% verzekerd is, dan blijft nog steeds de vraag wat dat succes dan werkelijk is…. Er kan alsnog een hoop fout gaan. Het kan zijn dat de boel buigt tot het barst, dat het schip zó aan de rotsen vastgekluisterd zit dat het niet losgetrokken kan worden, dat er vanalles uit het schip omhoog kan komen (en dan hebben we het nog niet eens over die twee mensen die ze nooit gevonden hebben), dat het schip te ver doorschiet naar de andere kant, dat er een minivloedgolfje de haven in spoelt, enzovoort.

Een week of zes geleden lag ik naast dat kolos in de zee. Twee kolossen, gemoedelijk naast elkaar in het Gigliose kustwater (ghehehe, sorry, kon ’t niet laten). De oliebarrières in de haven en voor het strandje lieten al wel vermoeden dat La Costa niet helemaal dicht was. Hopelijk werken die dingen als er straks eventueel meer van vanallesennogwat uit komt. Het gemoedelijke, piepkleine haventje, toen bloedjeheet en loom onder de met wijnranken overgroeide terrasjes, nu in de koude slagregen, volgepropt met 350+ journalisten en fotografen. Toen we door Porto di Giglio heen liepen, stonden we bij een oude kademuur. Daar was de verleiding te groot: éven een fotootje maken waar je doet alsof je dat bootje wel even tussen duim en wijsvinger neemt en huppakeee, rechtop zet.

Ik moet toegeven, het is werkelijk een imposant ding. En nog imposanter als je nadenkt over hoe die stuurlui zo’n gigantisch schip zo gruwelijk hard langs de rotsen hebben kunnen laten schuren. Een gapend gat in de romp van wel zeventig meter lang. Over wie er schuld aan is en wat wie nu wel of niet had moeten doen, is alles al  wel gezegd geloof ik. Het blijft triest. De Costa Concordia ligt werkelijk vlák voor de haven van Giglio, griezelig dichtbij. Hoe hebben ze het voor elkaar gekregen…

Anyway. De berging verloopt vooralsnog blijkbaar volgens plan. De veerbootmaatschappijen die op Giglio varen, zullen er vast helemaal niet blij mee zijn. Ach. Was ik toch maar mooi één van die ontelbare ramptoeristen die in een warme julimaand naast een slagzijliggend cruiseschip hebben mogen zwemmen. Altijd nog beter dan een boottoerist die in een ijskoude januarimaand naast een slagzijliggend cruiseschip móet zwemmen…

Costa1Costa2 Costa3costa4

niks terug!

Gisteren was ik weer ‘ns in the mood. Vandaag plofte het resultaat daarvan in sommige brievenbussen. Soms heb ik van die buien, dan wil ik mensen die me (heel) na aan ’t hart gaan even een blijk geven van het feit dat ik aan ze denk, dat ik van ze hou, dat ik om ze geef en dus ook graag iets geef. Dat ik ze zo graag even zou willen zien glimlachen. Ik ben namelijk gék op kadootjes geven, op even attenttechnisch uit de band springen, op mensen verrassen. In zo’n vlaag van verstandsverbijstering en impulsiviteit gaat mijn surfvingertje naar een aantal sites waar ik het simpelweg heerlijk kadootjeskopen vind. Kleinigheden die door de brievenbus passen. Die goed doen.

Het zijn ook nooit álle mensen in één keer, een andere keer zijn het weer andere mensen die ineens raar opkijken. Of toch ook weer dezelfden, ligt aan de dingen die gebeuren, het verdriet en de pech of de pijn die ze hebben, de liefde die ze missen. Maar wat ik éigenlijk wil zeggen, is dat ik dit dus niet doe omdat ik nou zo graag lief gevonden wil worden of wil horen dat men van mij houdt of omdat ik denk dat mensen mij anders vergeten of iets dergelijks. Not. Echt gewoon NIET. Ik doe dit omdat IK het leuk vind. Zie het voor mijn part als een hobby. Eentje die ik weliswaar maar heel sporadisch uitoefen (maar goed ook, anders was ik in no time blutterdanblut), maar die ik gewoon af en toe weer even oppik. Net als schilderen. Een hobby die overigens ook voort komt uit het feit dat ik zelf zó graag af en toe dichter bij zou willen zijn maar dat niet kan. Ik ben heel ver weg maar zo ben ik voor mijn gevoel af en toe tóch ineens weer heel even dichtbij.

Ik vind het dus ‘lekker’. En ik doe het gewoon ‘omdat het kan’. Mag dan een stom zinnetje wezen, maar ik bedoel het letterlijk: nú kan het. Ik kan het me vandaag veroorloven om een paar kleine attenties rond te (laten) sturen. Morgen kan dat alweer totaal anders zijn. Dus waarom dan niet nu, nu het kán? En wat ik al helemáál niet wil: dat men het gevoel krijgt, dan ook iets terug te moeten doen. Ik wil niks terug. Ik weet ook dat veel van de lieverds die ik soms wat stuur, financieel of lichamelijk helemaal niet in staat zijn om iets terug te doen, alleen daarom wil ik dat dus al niet. Gooi dat gevoel aan de kant, please?? Want zo gauw dat ontstaat, kap ik er gelijk mee. Ik wil in geen geval iets van een plichtsgevoel genereren. Dus lieve schatten: gewoon blij mee zijn. Verder niks. Even glimlachen ook al zijn de tijden nog zo kloten, dan ben ik ook weer helemaal blij.

Niks terug.
Capice?
Dat dus.
Kus.

.

Oh, en mijn favo shops:
http://www.leukdoordebrievenbus.nl
http://www.troostgeschenk.nl

Nine Eleven

Elf september…

Acht jaar geleden…

Nee, nee, niet twaalf jaar geleden. Daar bloggen en schrijven anderen al zat over. Natuurlijk herinner ik mij ook aan die afschuwelijke gebeurtenissen, die rampdag, het ongeloof, de ontreddering, de tranen in mijn ogen en in die van vele anderen. Maar acht jaar geleden werd deze dag toch ineens weer een prachtdag…

Acht. Dus.
Onnoemelijk veel naweeën later mocht ik uiteindelijk in slaap vallen. Dochter lag al die tijd in het pasgeborene-bedje aan mijn voeteneind. En ze jarigvond ’t maar niks daar. Draaien. Smakken. Huilen. Kreunen. Nog meer huilen. Volgens de zuster was het niet goed om haar bij mij in bed te nemen: te gevaarlijk vanwege mijn vermoeidheid van de bevalling, ik zou in mijn diepe slaap bovenop haar kunnen gaan liggen en haar verstikken. Welke diepe slaap, dacht ik alleen maar… Ze hadden haar heel lang op de neonatologie gehouden. Veel te lang. Tot ik haar – nog steeds nabloedend – ben gaan halen. Ik wou m’n baby. Het eerste flesje melk zat er natuurlijk al in. Scheiße. Ik had nog zo gezegd dat ik dat niet wou… Ik legde haar al zittend aan maar geen honger meer.

Uiteindelijk hield ik het niet meer uit. Ik heb haar tegen al die goedbedoelde adviezen in tóch dicht bij me in bed genomen, weer aangelegd (weliswaar nog steeds geen honger maar zo veel zuigbehoefte) en me om haar heen gerold. En zo hebben we dan toch nog geslapen, een uitgetelde twee-eenheid. Een grote C met een piepkleine komma erin.

Die dag werd ik zelf een beetje opnieuw geboren. Net als op de dag dat mijn zoon geboren werd, drie jaar daarvoor… Ineens had ik er in mijn leven een heel stuk níeuw leven bij. Een verrijking, een nieuwe fase, een geboorte van een nieuw stukje mij. Dus ben ik ook jarig vandaag. En in oktober. En in november ook natuurlijk. En ik realiseer me dat. Elke keer een stukje meer mij.

Vandaag. Nine Eleven.
De dag van een ongekende catastrofe.
De dag van de inkeer.
De dag dat ik een stukje opnieuw geboren ben.
De dag van de geboorte van mijn dochter.
En toch gewoon een dag.
Zoals elke dag simpelweg bijzonder…

wereldwonder

Ze is mijn wereld.wereldwonderballons
Kan niet zonder
Ze is mijn eigen
wereldwonder.

Ze is mijn meiske
zelf gemaakt,
van gezondheid
ronduit blaakt.

Ze is mijn allesie
maar jemig, wacht.
Mijn alles is plots
alweer acht…

(c) Lou

En dat is ze.

Elke vrouw die kinderen heeft mogen krijgen denkt ergens in het jaar wel een keer: “x jaar geleden om deze tijd…” en dan vul maar aan. Keek ik voetbal en braken m’n vliezen. Begonnen de weeën. Lag ik al 20 uur te puffen. Lag ik al in het ziekenhuis te wachten. Ging het helemaal niet goed. Merkte ik nog niks. Etcetera etcetera.

Bij mij was ’t dus dat eerste: ik keek iets van voetbal op TV en m’n vliezen braken. Al waterend naar het ziekenhuis. Geen weeën. Die begonnen pas om half drie ’s nachts. En om om 3:17h was ze er. Een persoonlijk wereldwonder, neergezet in 47 minuten. Beetje veel bloed maar zonder (kleer)scheuren. Een perfect wichie!!

En dat wichie is nu een brok meid van acht. Een gevoelig rauwdouwertje, een banjerende ballerina, een door het leven kuierend knuffelbeest. Morgen vier ik mijn wereldwondertje. En hoe vreselijk ze dat ook vindt, ze zal altijd mijn krissiebissiepoepelissie blijven.
Sorry lieffie 😉

Liefste, mooie dochter van me, ik wens je een heel nieuw, prachtig, vreugde- en liefdevol, lachend en knuffelend wonderjaar toe.
Mama loves you.
Always. No matter what.
Never forget dat!

wereldwonderslingers

the other day

zo relaxed als gisteren en eergisteren waren, zo hectisch was vandaag.
De eerste schooldag na die oversized zomervakantie.
5 am. Man en ik schrikken wakker. De wind is een storm geworden en laat onze tuinstoelen, rolluiken en nog uitgerolde zonweringen letterlijk donderen. We rennen wat in het rond, maken alles z.g.a. stormveilig en vallen nog voor een half uurtje terug in bed. Tien voor zes ben ik klaarwakker en ga er dan toch maar uit, dit wordt niks meer. Even wat in mijn ochtend-uppie aanklooien (en een ongestoorde toiletgang, ik kan er écht niet tegen als er ‘s-ochtends al door twee behoeftige kinderen aan mijn toiletdeur lopen te rukken omdat ze ook moeten maar te lui zijn om beneden te gaan. Me-time on the toilet dus). Om half zeven maak ik de kinderen wakker. Bam, licht aan. Hard maar effectief. Ik jodel “EEEHEEEEERSTE SCHOOOOOOLDAAAAAG!!!” door het huis (in ’t duits dan, hè, dat werkt beter). Aankleden, ontbijten, zenuwen sussen, tanden poetsen.

10 over 7 schuif ik dochter de deur uit, die moet met de buurvrouw meerijden want ik moet zoon voor zijn allereerste dag op een middelbare school wegbrengen en daar wordt verwacht, dat minstens één ouder aanwezig is. Aangezien man zelf leraar is en óók in alle vroegte op zijn school aanwezig moest zijn, ging ’t effe niet anders. Sorry dochter. Forgive me. Bij de school van zoon is het een drukte van jewelste, geen parkeerplaats in een straal van een kilometer ofzo. Ik gooi zoon er voor de deur uit en rij in ’t rond tot de eerstvolgende parkeermogelijkheid op een onverharde parkeerplaats. Daar mág ik dus eigenlijk niet rijden want mijn auto is weer eens kapoet: de Getriebemanschetten (weet ik veel hoe die dingen in het nederlands heten) zijn gescheurd waardoor er steentjes in kunnen komen en dat zou dan de hele schakelbak ruïneren. Volgens man. Ik moest dan ook plechtig beloven om niet over steentjes en gruis te rijden. Ahum. Goed. OK schat :-/

Met m’n manke poot hobbel ik zo snel ik kan naar school. De kinderen worden afgeroepen. Gelukkig zit zoon in 1D en werden er voor hem nog 94 andere kinderen afgeroepen dus ik was op tijd. Allemaal mee de klas in. Alle instructies (bustrajectkaartaanvraag, brief voor vrijstelling godsdienstles en meer van dat soort ongein) voor de ouders aanhoren en deels opschrijven. Dan zijn we bevrijd. Ik besluit de auto maar te laten staan (zo min mogelijk rijden…) en te voet even naar de apotheek en de drogist te lopen voor wat noodzakelijke dingen. Best wel auw. Half tien kind weer ophalen. Ja, half tien. Toen was het alweer klaar voor vandaag.

huiswerk1Naar huis. Dochter komt gelukkig weer met buurvrouw mee. Even wat te drinken maken en natuurlijk ook praten over school. Ze hebben allebei een huiswerkopgaven dus hoppakee, gelijk aan het werk. Dochter moet in twee zinnen opschrijven wat ze het leukst vond in de vakantie en dat er dan bijtekenen. Zoon moet op drie papiertjes opschrijven waarover hij zich verheugt, waar hij bang voor is en wat hij zich voorneemt. Ze smeren wat af met hun hanepoten maar uiteindelijk wordt het nog wat. Vooral dochter blijkt heel ‘efficiënt’, met haar tekeningen van twee vlaggen… Ik werk ondertussen aan documenten voor vanavond (vergadering).huiswerk2

Eten koken (want vanavond geen tijd voor). Vissticks (ja sorry hoor), aardappelen en groente. Basic. Opruimen. Belsessies (scouting, judovereniging, busbedrijf over bustijden en overstappen voor zoons thuisreis in de gevallen dat hij niet fietst, sportvereniging, manege) en een korte koffiesessie met de buurvrouw om alles wat ik van de lagere school (dochter) heb gemist en nog moet weten door te spreken. Notulen voor vanavond voorbereiden en ook de lijsten voor de voorturners. Formulierenlayouts afmaken. Lijst met namen voetbalkinderen updaten. Enzovoort. Oh en de was tussendoor. Dat ook. Meer bellen. Kwart over vier: ballen, sporttas en andere pruttel in de auto en op naar het voetbalveld: F-jes training. Collega-trainster (degene die de trainings samenstelt) blijkt in een vergadering vast te zitten dus ik doe met andere medetrainster het uur op de bonnevooi. We doen maar wat en dat blijkt goed genoeg. De kleintjes zijn happy. Om half zeven drop ik de ballenzak in het materiaalhok en loop weer naar boven. Half uurtje pauze, ik kijk naar de wedstrijden van de wat ‘hogere’ koters (8-jarigen) op het veld en klets met een andere moeder van school. Zeven uur, vergadering van de turnsectie  van de sportvereniging. Veel te doen (ik doe de hele ledenadministratie, de financiële rompslomp en documentensantemekraam, en dus ook snel, snel even de notulen). Om half negen zijn we er wel klaar mee en rij ik naar huis. Kinderen nog even goeienacht zeggen. Kop koffie en een gebakken spiegelei (berehonger, sinds vanmiddag niet gegeten). Laptop aan. Lijsten aanpassen. De was uit de wasmachine in de droger. Notulen uitwerken. Begin maken met de maandafsluiting van de zaak.

Nu nog even de was uit de droger opvouwen.
Dan, na achttien uur doordouwen, eindelijk weer slapen.
En…. u verwacht het niet, hè, maar morgen wéér zo’n dag!!
Yiiiihaaaaaa!! 😀

Alles over Niets

Nou bij deze.
Hier.
Heb je alles.
En het gaat werkelijk over niets.
Want eigenlijk is alles gewoon niets.

Lekker zweverig hè.
Toegegeven, mijn allereerste gedachten bij ‘dat boek’ en ‘die film’ waren dan ook: “ah nee hè, wéér zo’n goeroeboek over zelfacceptatie en de zin vanallesoverniets het leven…”  En er staan bijdrages in, die naar mijn persoonlijke smaak daadwerkelijk een beetje te filosofloating zijn, maar ieder z’n ding. Het boek zelf was voor mij echter toch een eye-opener. Waarom? Omdat het me aanzette om eens na te denken over het “ik-begrip”, het beeld dat ik denk van mij te hebben, de persoon die ik denk te zijn. Wie bén ik nou helemaal?

Back to basics.
Wat maakt een mens menselijk? Voor mijn gevoel (en ook duidelijk voor anderen, zie boek) is dat de capaciteit tot zelfreflectie en het zich bewust zijn van een ‘ego’. Maar wie is dat dan? Wie ben ‘ik‘ nou eigenlijk helemaal? Deze (te) zeer uit de kluiten gewassen bundel cellen? (ik krijg acuut visioenen van ‘the blob’). En waar in mij zit die ‘ik‘ dan? Waarom praat ik over ‘mijn lichaam’ terwijl ik dat lichaam bén? Alleen dat getuigt al van dualiteit in mij: ik zie mijzelf in delen. Hier is mijn lichaam en ergens in de bovenkamer van dat lichaam huist mijn ‘ik‘. En die ‘ik‘ kijkt naar dat lichaam en denkt “mwahhh, dat kan beter…” Maar die ‘ik‘ IS mijn lichaam. Ik ben in feite helemaal niet duaal, ik ben non-duaal. Eén ding. Daar verwijst dus ook die ineens zo veelbesproken non-dualiteit naar: alles is één. Het wordt ook wel “a-dvaita” genoemd, wat zoveel betekent als: “alles in het universum is gemaakt van één en hetzelfde spul, namelijk energie” [citaat: Paul Smit, Alles over Niets]. Alles is één. Bij dit soort definities haak ik als nuchter en uitermate atheïstisch kalf over het algemeen al af, maar als ik me de oerknaltheorieën even voor de geest haal, klopt het ergens ook wel weer een beetje. Denk ik. Denk ik?

Alles ontstond gewoon.
Van het een kwam het ander, de ééncellige werd een meercellige, de spore een boom, en het groeide. Daar deed niemand iets aan, het was simpelweg zo. En is nog steeds zo! Alleen is het wezen namens mens met z’n hersenen vanaf een jaar of 1-2 ineens in staat om zichzelf te herkennen en aan de hand van dat groeiende ik-gevoel een zelfbewustzijn te creëren. En dán wordt het pas lastig. Want als ik ik ben, wie ben jij dan? En als jij anders bent, ben jij dan beter of slechter? Of enkel anders? Of eigenlijk hetzelfde maar toch niet helemaal? Floep, daar komt het concurrentiedenken om de hoek kijken. En ook het zich juist willen identificeren met anderen. Het ‘goed genoeg’ en vooral ‘goed bezig’ willen zijn. Vanaf dat moment maken we het onszelf dus verrekte moeilijk.

Goh. Herkenning. Tja. Hmmm. En nu?
Juist. NU. Daar gaat het dus om. Tien jaar geleden had ik heel andere dingen voor mij in gedachten. Tien jaar geleden dacht ik niet, dat ik als überstadsmens in een koeiendorp in Oostenrijk aan een houten eettafel blogjes zou zitten schrijven. Ik plande mijn carrière (mijn zaak verder op- en uitbouwen, zo snel mogelijk weer leuke en grote projecten gaan doen, stiekem veel geld verdienen…). Ik plande waar ik zou zijn (of liever gezegd, waar ik zou blíjven: in ons prachtige, grote appartement in München, met mijn vriendinnen om me heen en mijn zaak in het centrum van deze miljoenenstad, met een hoop voorzieningen, een tof uitgaansleven en een hamam en een delicatessensupermarkt om de hoek). Ik plande nog minstens twee kinderen erbij (zoon was 10 jaar geleden 10 maand oud en er kwam er uiteindelijk ‘maar’ eentje bij -dochter- en toen was het ook gewoon goed) en een volledige kinderdagopvang zodat ik weer 60 uur in de week kon werken (maar mijn kinderen maakten dat het allemaal anders kwam). Ik plande dat ik een boek zou schrijven (tot nu toe nog steeds niks van gekomen, maar dà ken nog, hè). Ik plande nog veel en veel meer. En nu, tien jaar later, is alles anders dan ik had gepland. Mijn leven kwam er zomaar ineens tussen…

En is dat dan goed, vraag je je…
Kijk, en dát maakt dus geen bal uit. Het is zoals het is. Het is gewóón simpelweg zo gegroeid. Vanzelf. Of ik ’t nou plande of niet. Het echte ‘leven’ als zodanig gebeurt je. Het ‘doet’ je. Je kunt natuurlijk je best doen om ‘verstandige beslissingen’ te nemen, maar zelfs van beslissingen is inmiddels in neurologische onderzoeken bewezen dat je die onderbewust (nanoseconden tot dagen tot weken) van te voren al genomen hebt voordat je ze uiteindelijk ook manifesteert. Hersenen zijn rare dingen. Maar door te reflecteren, door te kijken naar anderen, door zelfs te gaan nadenken over wat anderen van mij zouden vinden, kreeg ik stress, prestatiedrang, last van perfectionisme en werd ik steeds ontevredener met en onzekerder over mijzelf. Niet dat dat nou in één klap foetsie is hoor, helaas niet. In het boek noemt meneer Smit dit ‘kramp’. Ik heb geprobeerd mijn kramp weg te vreten. Werkte niet. Integendeel. Extreem afvallen deed de truc evenmin. Ik heb geprobeerd de boel dan maar te verdoven met alcohol. Werkte ook voor geen meter. Ik heb geprobeerd om er een hoop materieel spul tegenaan te gooien (mooie inrichting, kleren, electronische speledingetjes). Hielp niet. Ik heb meermaals geprobeerd het op te schrijven, mijn kramp te verwoorden. Lukte een beetje (vooral ook vanwege het gevoel van her- en erkenning dat dat schrijven genereerde) maar uiteindelijk zette het nog meer tot malen aan. En ik maal nog steeds. Maar nu in ieder geval met een ander grondbeginsel.

Het boek levert dan ook geen oplossingen, methoden of goeroe-denkwijzen. Alweer helaas, zou je zeggen. Maar dat had ik eerlijk gezegd ook niet verwacht. Enkel en alleen de inzichten die geleverd worden, zijn al bere-interessant. Ik zal nooit een heel spiritueel mens worden. Hoeft ook niet. Maar nadenken over mijn geestelijke krampen en tot het inzicht komen, dat ‘ik’ als zodanig enkel een idee, een concept van mijzelf ben, een imago dat in de loop der tijd in mijn hersenen gevormd is, dat werkt best wel heel erg bevrijdend. Het inzicht, dat enkel het nu telt en niet al die opgebouwde ik-omhulsels uit het verleden en ook niet al die geplande ik-vormen in de toekomst, zorgt voor meer acceptatie en bewustwording van het grotere geheel. Ja, my dear friend, dit is ik-denken op het allerlaagste nano-niveau. En zelfs dat is nog steeds te hoog. ..

I’ll get there.
Because there is no I.
And there is no there…

.

.

Blog n.a.v. het boek “Alles over Niets”, Samenstelling van Han van den Boogaard, Samsara uitgeverij bv 2013, ISBN: 978-94-91411-04-5
Een aanrader voor iedere hedendaagse, ik-denkende zoeker. De film is ook het verinnerlijken waard: hoge herkenningsfactor 😉

De laatste dag

Dat was ‘m dan. De laatste dag van de zomervakantie. Morgen begint alles weer. Het normale leven enzo. Nu pas? Ja nu pas. Hier in Oostenrijk heeft ‘men’ negen weken vakantie. En ik kan u vertellen: dat is lang. Héél lang. Heel érg lang. Vooral omdat man leraar is en dus óók negen weken vakantie heeft. En die negen weken zijn zo mogelijk nóg langer. Het is niet gezond voor een doorsnee echtpaar om 65 dagen lang bij elkaar op de lip te zitten. Er schijnen mensen te bestaan die het liefst al die tijd zelfs IN elkaar zouden willen zitten, maar bij ons houdt de vreedzame co-existentie na circa drie weken echt wel op. (Hé, dit blog gaat een heel andere kant op dan ik eigenlijk gepland had. Nou ja, planning is voor watjes dus we gaan lekker verder). Dan moet één van de twee kortstondig opkrassen, zij het in de vorm van een dag met de fiets de hort op, een dag met vriendin en kinderen weg of een lange dag krampachtig shoppen, whatever. En een dag is dan dus eigenlijk veel te kort. Daarom zag ik ook mijn kans schoon toen ik samen met de kinderen met mijn ouders mee terug naar Nederland kon rijden. Man had nog zat te doen thuis en zou zich in Nederland toch hoofdzakelijk vervelen. Ik daarentegen heb er wederom een hoop leuke dingen gedaan, mensen opgezocht (grotendeels zelfs samen met de kinderen) en een heerlijk relaxte tijd gehad. Na krap twee weken kwam man met de auto na (ja iemand moest ons daar toch ook weer ophalen, hè) en zie daar: na een onwennige eerste avond (hij leek in eerste instantie niet bepaald blij me weer te zien…) was het goede van onze relatie tóch weer omhoog geborreld. Het was er weer. Die tijd apart was blijkbaar hoger dan hoognodig. Moeten we dus in de toekomst absoluut vaker doen.
Maar waar ik eigenlijk op doelde, was deze dag. De allerallerALLERlaatste vakantiedag. De kinderen hebben nulkommanul zin in school. Sterker nog, ze zijn nu (voor de latere lezers: dit ‘nu’ is om ca. 19:30h) nog steeds de hort op, ergens in de buurt (weet ik veel waar) voetballen en trefballen alsof er geen morgen bestaat. Vandaag is volgens de berichten voorlopig ook de laatste dag ‘mooi weer’ dus ik laat ze maar. Ik zit buiten, klein glaasje wijn na mijn vakantieafsluitmaaltijd, en adem diep in. Avondlucht met een tikkeltje geurige regendreiging. Maar nog steeds 24 graden dus prima te doen. Man prutst wat aan zijn fietshelm, die hij “gewassen” heeft (aiii…). Hij wil morgen op de fiets naar zijn werk. Zegt-ie.

Ik heb wat rond gekuierd in de tuin, cherrytomaatjes van de struik gegeten, hier en daar wat onkruid eruit gerukt. En verder veel gelounged, gelezen, wat geschilderd (te weinig), gewhapt, WordOn en WordFeud gespeeld (te veel). Oh en 21 potten bramenjam gemaakt, dat ook. Ik wil er maar niet aan dat ik morgen weer om zes uur in alle vroegte op moet staan. Ik moet de schooltassen nog ‘klaar’ maken voor morgen. Logistiek gezien heb ik alles al wel geregeld met de buurvrouw (zij neemt dochter mee naar de basisschool, ik haar en mijn zoon mee naar de middelbare. Lastig, twee verschillende scholen die om dezelfde tijd beginnen én eindigen op die eerste dagen…)

Dat was dus dik twee maand tot half negen in je nest liggen. Veel mooi weer (na al die regen). Zwemmen. Buiten ontbijten. Mensen ontmoeten. Italië. Tot ’s avonds laat bij het kampvuur zitten met de buren. Geen voetbaltraining, geen scouting, geen sportverplichtingen, geen stress in de ochtend, geen schoolvergaderingen, geen ouderavonden, geen geregel. Geen stress. Ik moest mijn werk natuurlijk wel even doen, tussen het vakantievieren door, maar dat is niet echt een probleem. En morgen, morgen is dat alles weer voorbij…

Wereldondergangsstemming.
En toch draait die ook gewoon weer door.
En blijkt elke dag toch weer een nieuwe laatste dag van tenminste íets te zijn.
De laatste dag.
De dag vóór de dag waarop we toch weer verder leven.
Tot de echte laatste dag.

Als Alice

in Wonderland.
Zo voelde ik mij vandaag.

Vanochtend heb ik wijselijk besloten, de hele dag enkel dingen te doen waar ik echt zin in had. Man ging met een stel vrienden (buurmannen) een hele dag mountainbiken. Prima. Om half 8 was hij weg. Ik kroop met een kop koffie op de loungebank buiten, zwaar genietend van het ochtendzonnetje en de frisse lucht. Prachtig weer. Alweer. Ontbijt voor ons drietjes gemaakt, lekker buiten gefrühstückt. Dochter besloot na het ontbijt, haar dagelijkse sommetjes en een spontane knuffelsessie een langnietgezien vriendinnetje op te zoeken. Ook prima. Zoon amuseerde zich met sudoku’s waarna ook hij een buurjongetje op ging zoeken. Wat een rust en wat een weelde…

Ik besloot maar eens lekker te gaan schilderen. Dochter had al sinds tijden onze kat Koschka op doek besteld en ik was er weliswaar al wel aan begonnen maar nog niet veel verder gekomen. Nu wel. Tussendoor kwam zoon met een moeilijke sudoku aanzetten en hebben we die samen buiten gemaakt, daarna nog een kruiswoordraadsel uit de krant. De buurvrouw (wiens man ook mee fietsen was) kwam koffie drinken en haar irritatie even luchten over haar fietsende en volgens haar überluie man.. Een goed gesprek over acceptatie en luchtiger leven leek haar uiteindelijk milder gestemd te hebben. Ik voelde me bijna een goeroe maar niet heus.

Een lichte lunch met de kinderen. Verder
Lees verder

Blog over blog

Nog even over mijn blogjes. Gisteren postte ik weer een gedichtje dat (de gebruikelijke) vragen opriep. Mensen vroegen zich af of het écht wel goed gaat met mij (vriendin), of het over hen ging (man), of ik geen rare dingen ging doen, of ik echt zo eenzaam ben, etc. Maar, zoals de meeste gedichten die ik eruit pers, ging ook dit blog niet per definitie over mij.

Bij mij gaat dat zo: ik lig in bed, zit op de bank of aan tafel, lees, zie of hoor iets, dat komt ‘binnen’ en ineens ‘plop(perdeplop)’ voel ik wat zinnen opborrelen. Die plemp ik dan in één of andere al dan niet poëtsiche vorm en voilá: bloggedicht. Dat kán deels gebaseerd zijn op eigen onbestendige of onbewuste gevoelens en gedachten maar in veruit de meeste gevallen gaat het over iemand anders (zelfs een persoonlijk verhaal op de radio heeft al als inspiratie gediend), ook al gebruik ik dan ‘mij’ of ‘ik’ in dat blog. Ik denk over dit soort blogs dan ook niet lang na: het komt in me op, ik ram het in mijn telefoon, lees er nog één keer overheen en pats, daar staat-ie.

Bovendien kan ik op de telefoon niet fatsoenlijk taggen (als er iets van ‘fictief’ onder staat, is het dat ook) en kunnen mensen die blogs op hun telefoon lezen, eventuele tags niet zien. Als het echt over mij gaat, staat dat er meestal wel in één of andere vorm onder: the whole truth, LooneyLou, Me myself and I, Gevoelsdingetjes o.i.d.

Daarom vraag ik u, waarde lezer, mijn wat cryptischere of poëtischere blogs/gedichten met een vette korrel zout (en een obligatoir schijfje citroen) te nemen: zie ze als ter plekke neergekrabbelde literaire uitspattingen ofzo. Een romanschrijver schrijft ook zelden autobiografisch, you know…  Mocht u zich echt zorgen maken, herlees dan nog eens op de computer (daar staan de eventuele tags eronder) of vraag mij even ;-). O.h.a. gaan dit soort dingen dus niet direct over mij en gaat hier alles prima, gewoon OK en/of gezapig zijn gangetje. Zelfs mijn huwelijk doet het nog steeds naar behoren 😛

So no worries!
Okay?

blog

Kom. Laat ik maar weer eens een blog schrijven.

Over de vakantie in Italië? Een blog over het huiske dat niet aan onze verwachtingen voldeed maar dat ik – op kosten van het resort – ‘verbeterd’ heb, over de gestoorde italianen die van service nog nooit gehoord hebben en rijden als maniakken, over de gekko’s die ’s avonds sprinkhanen vingen op de muur naast mij, over de Costa Concordia die nog steeds scheef ligt en over het strandje waar ik op de rotsen bijna gestorven ben? Ach nee…

Over mijn Nederlandtijd? Over vriendinnenbezoeken, #annelies, tranen met tuiten lachen, heerlijke dineetjes en een geweldige reünie van mijn lagere-schoolklas, waar ik mensen na bijna 30 jaar weer gezien heb en merkte, dat we gewoon nog hetzelfde zijn als toen en dat de school van binnen in werkelijkheid veel kleiner is dan ik in herinnering had? Ach nee…

Over de katten, mijn Stephen-King-obsessie, mijn stabiel mislukkende afvalpogingen, mijn zeker niet van de liefde knikkende rechterknie, mijn absolute chaostuin, mijn zomaar ineens whatsappende buurvrouw, mijn vreselijk onattente maar oh zo hard werkende en ondanks dat toch echt wel lieve man, mijn niet nader te noemen flirts, mijn stiekeme dingen die ik officieel niet heb,  mijn steeds slomer wordende en dus duidelijk aan een opruiming toe zijnde Nissan Note, mijn Audi met opvliegers in de vorm van ‘Motorsteuerungs’-problemen, de snelle maar wegens algeheel gebrek aan kinder-DVDs (in NL vergeten) slopende terugreis van Nederland naar huis, de overheerlijke opgewarmde zuurkoolstamppot met worst van mama die mijn heimwee vol geweld nieuw leven in blies, mijn persoonlijke en uitgesproken mening over Obama, Syrië, PRISM en de luierverwisselingsfrequentie van de hollandse bejaarden, de nieuwetijdse mummie van Nordrhein-Westfalen of mijn imminente salary cut.

Ach.
Nee.

Ik ga gewoon maar weer een lekker potje op mijn rug staan.
Knikkende knie incluis.

Hart verpand

aan Nederland.

Was altijd al zo, zal ook altijd zo blijven. Ik mag dan al zo’n zestien jaar weg zijn, ’t helpt geen bal inzake vaderlandsgevoel kwijtraken.
Ik hartje Nederland.

Vandaag zocht ik iets ‘rustigs’ om met de kinderen te doen. Iets waar ik geen kilometers voor hoefde te rijden (want geen eigen auto en snelkotsende kinderen), iets met een beetje natuur erin. Ik struikelde bij het zoeken naar ‘Uitjes in Dinkelland’ over het Lutterzand. Een paar handdoeken in een tas gepropt, kinderen in de auto (“Maham ik wil thuisblijven… Ik hou niet van wandelen. En niet van beekjes. En ook niet van vissen die in mijn tenen bijten”). Luttele 15km verderop stapten we uit.

Eén blik en de kinderen renden er gelijk op los. Een mul, grillig zandpad langs de Dinkel. Omgevallen boomstammen, zandduinen. Weinig mensen. 20130827_135055En veel zand. Heel veel geel zand. Heerlijk om met de blote voeten in te lopen. Bij de eerste inham van de Dinkel waar je bij het water kon komen, denderden ze naar beneden. Pootjebaaien in ’t gelige water, wat eigenlijk helemaal niet geel was maar kraakhelder. De gele zandondergrond gaf de kleur. Weer een stukje verder lopen. En weer een soort van strandje, dit keer groter. Onder de enorme loofbomen zat een heftig zoenend stelletje op een picknickdeken.
20130827_145042
“Mam, die wolln knutschen. Geh’ ma weida…” (oftewel: mam, die willen zoenen, lopen we een stukje verder). Hoe attent 🙂 Plek zat daar dus dat verder was ook een prima stukje natuur. Weer een baaitje. Een paar mensen lagen in het zand, een paar kinderen poedelden in het water. De mijne ook. En uiteindelijk ik eveneens. Wat een weelde. Het zacht stromende, heldere water over je voeten voelen glijden. De kinderen in hun element. Een lichte dennengeur van het gemengde bos. Grazende koeien in de wei ernaast. En een ijsje toe op het terras van het restaurant.

Thuis gekomen zet ik de samen met mijn mam alvast klaargemaakte pan met hummekessoep op het fornuis. Nog even wat fijngesneden prei en een verse rookworst erbij in. Oerhollandsche pot. En dubbelvla na.

Ja. Ik hou van Nederland.

20130827_135715   20130827_133419 20130827_133305  20130827_130448

20130827_131633

Koeientreinen

Gisteren ben ik in de trein gestapt. De laatste keer dat ik in Nederland in de trein zat, is alweer driekwart jaar geleden. Daarvoor was het zelfs minstens een decennium terug…trein3

Onderweg moet ik al toegeven: ik geniet. Midden tussen de stadse huizen een weiland vol met zwart-witte koeien, daarnaast een kudde goed over het groene gras verdeelde schapen. Roodbonte koeien. Witte koeien. Zwarte koeien. En toen was daar ineens Almelo. Graffiti op de muren, op de wagons, op de glazen geluidswerende panelen, op de brug, op stroomkastjes, op alles. Een volledig verroeste colonne goederenwagons, het voorste gedeelte – locomotief incluis – ook weer geheel in kleurige gigaletters gedompeld. De trein staat nog geen minuut stil en glijdt bijna onhoorbaar weer verder.

Oude loodsen, industrieterreinen, meer koeien, conducteur. Oh. Conducteur! Ik tover met een goed geweten mijn blijkbaar van chip voorziene dalurendagkaart van de blokker (tip van en gekocht door sweet sis, die me zo dik 25 euro bespaarde) tevoorschijn en hij houdt ‘m tegen zijn apparascandinges aan. Wat een techniek… bij ons heb je nog gewoon een man met een tang die een gaatje in je kaartje boort. In ieder geval heb ik blijkbaar goed ingecheckt want hij mompelt “bedankt” en ik mag blijven zitTrein1ten, verder boemelend op een treintraject wat ik in mijn studententijd wel kon dromen.

Nederland stikt van de rotondes. Het valt echt op. En de rijbanen zijn o.h.a. te smal. Dat ook. Een trekker draait gemoedelijk zijn rondjes. Kilometerslange maïsvelden en een windmolen in een privéwolkje. Een minispoorwegovergang mét slagbomen voor enkel een fietspad. Twee fietsers staan al kletsend te wachten. Moestuintjes, rijtjeshuisjes, volgekalkte trafokastjes. Koeien. Altijd weer koeien.

Bij het volgende station gaat ineens de airco aan. Godsenegriebels wat koud. Naast me, aan de andere kant van het gangpad, zit een werkende moeder met haar – ik schat niet ouder dan 4-jarige dochtertje – en tussen haar telefoontjes door bediscussiëren ze liefdevol wat de op reis gaande Sanne allemaal in haar koffer heeft. Ze looft haar dochter. Zo schattig om te horen. Volgende belletje en moeders moet zich even wegdraaien van kakelende dochter om iets te kunnen verstaan. Een bewaakte fietsenstalling met wel duizend fietsen. De IJssel. Mét uiterwaarden. Een caravanboer. Geen tunnel onbeklad. Nog meer volkstuintjes. Ik kan er geen genoeg van krijgen.trein2

De werkende moeder blijkt ineens niet de moeder te zijn maar een goed onderhouden of gewoon nog zeer jonge oma want kindeke noemt haar zo. Perfect gekleed, felblauw jurkje met prachtige rode handtas en dito schoenen, slank en sportief. Ik schat haar echt nog geen 45 :-S. Dochtertje graait de mobiel van oma van het klaptafeltje. Voordat oma “ja is goed” kan zeggen, mept het meiske al op de toetsen en belt spontaan met haar mama. “Met wie spreek ik?? Mama?? Ik versta d’r bijna hélemaal níks van hoor… Maar mama? Ik hou van jou! Mama? Waar ben je nu? … Mama? Veel plezier hoor!! Ja. … Ja. Jahaaa… Over één, twee, drie, víer nachtjes gaan we op vakantie hè? … Ja ik ook. Ja doeiiiii!! Mama? Ik hou van jou!!! Mama… jíj zou toch ophangen? Ja. Doe nou. Ja. Doehoeiiii!!!” Ik grijns me suf.

Amersfoort. Plek van overdracht, zo blijkt. Oma stapt uit, papa stapt in. Ze gaan nu op een raamplek twee stoelen voor me zitten. Oma zwaait en meiske gebaart met veel omhaal “Ik hou van jou” naar oma, wijst naar zichzelf, maakt met haar vingertjes een hartje en wijst dan naar oma. Ik heb wel eens afvallig geblogd over treinreizen. Maar ik neem alles terug. Treinreizen in Nederland is best goed te doen (als die dingen op tijd rijden tenminste) en bij tijden zelfs echt leuk.

De terugweg was wel wat minder. Te vroeg… maar ondanks dat toch te donker om wat te zien buiten, een te volle blaas en een pleevrije trein. En ik had blijkbaar uit moeten checken en weer in moeten checken enzo. En dan weer uitchecken. Ik snap ‘em niet. Ik heb toch een dagkaart? Inchecken, één dag geldig, klaar. Maar nee. Je moet uitchecken. Dat is dan óók weer Nederland…

Wegprutsers

Comfortabel rijd je weg. Alles in de bus gestouwd, man uitgezwaaid, de katten geknuffeld en de kinderen inmiddels happy met Cars 2 op hun DVD-speler. Ik dut een beetje weg. Na een uur ineens file. Een politiebusje staat rechts, zwaailichten aan. Dat betekent alvast niets goeds… na een minuut of twintig file zien we de oorzaak. Een grote brandweerauto, politieauto’s, een kraan die probeert om een kleine, gekantelde vrachtauto die dwars over de weg lag met de voorkant in spookrijrichting, van de weg af te tillen. Een volledig verbrijzelde voorruit en een enorme, shockerende bloedstreep op de weg. Meterslang, daar waar het zijraam aan bestuurderskant met chauffeur en al over de grond gesleurd is…

Ik krijg er zowat tranen van in de ogen. De kinderen zien ’t bloed gelukkig niet. Afschuwelijk. Als deze persoon het überhaupt overleefd heeft, mag dat een wonder heten. Weer een leven verwoest. Zomaar, op een vrijdagochtend. En wij, wij rijden maar weer door, dankbaar dat wij ook dit keer weer niet de oorzaak van de file waren…

Ergens halverwege moeten we tanken. Een favoriet Autohof van m’n pap. Eentje waar je in ieder geval fatsoenlijk naar de WC kunt. De afrit gaat onder de autobahn door. Ineens trapt de nieuwe witte BMW direct voor ons op de rem en draait abrupt om. Midden op de afrit. Over de doorgetrokken streep. Onvoorstelbaar. Blijkbaar kwam het blondje (het was daadwerkelijk een duf kijkend blondje met een grote zonnebril in het haar) achter ’t stuur er ineens achter dat ze er toch niet af wou. Of in de andere richting moest. Dan liever nog spookrijden ofzo. Paps remt uit alle macht. Blondje staat dwars op de weg en komt er dan achter, dat dit misschien toch ook niet zo handig is. Ze maakt haar rondje vol en kart vervolgens doodgemoedereerd achter ons aan om de ‘normale’ oprit in de tegenrichting te nemen. Sommige mensen zouden ze werkelijk direct ’t rijbewijs af moeten pakken.

Een kilometer of 50 verder. Het is redelijk vol op de weg. We rijden links in colonne en een stukje verderop zwenkt ook een vrachtauto naar links om een collega in te halen. Rechts van ons rijdt een bebrilde kukel met een behoorlijke aanhanger. Ineens gaat ie naar links en is ’t kiezen of delen: of remmen of een aanhanger in je waffel. Remmen dan maar. De vrachtauto is inmiddels ook klaar en de auto scheurt met aanhanger en al met dik 130 ervandoor… terwijl we nog even verbouwereerd nakijken scheurt er rechts een zilvergrijze stationwagon voor bij, slipt naar links om vervolgens weer rechts in te halen.

De rest van de reis trotseren we nog een flink aantal wegsluipers, noodremmers, bumperklevers, zonderknipperlichtlinksafslaanders, aandrukkers, treuzelaars en freestyle-joyrijders. Op zich is autorijden toch eigenlijk niet moeilijk of gevaarlijk, maar die idiote prutsers op de weg maken ’t er niet bepaald fijner op…

Verwachtingen zijn domme dingen

Je zou verwachten dat ik het verwacht had. Maar dat had ik niet. Totaal onverwacht moest ik mijn verwachtingen bijstellen. Of nog liever: ze laten varen. Want ze bleken onrealistisch. Alweer.

Waarom verwacht een mens iets? Is het eigenlijk gewoon simpele hoop? De hoop dat een ander iets zal doen omdat je diegene goed genoeg denkt te kennen? De hoop dat iets zijn intrede zal doen omdat je er zo hard voor gewerkt hebt? De hoop dat iemand jou op waarde weet te schatten zodat diegene ook met alle redelijkheid kan verwachten dat jij bepaalde dingen niet zult doen of zeggen? De hoop dat iemand je dermate lief heeft dat diegene net zo vaak aan jou denkt als andersom het geval is en dat diegene je dus ook af en toe laat weten, jou te zien en te waarderen?

Allemaal ijdele hoop. De kans dat iets of iemand aan jouw verwachtingen voldoet, is verrekte klein.
“Als je zó van me houdt als je zegt, waarom lees je dan nooit mijn blogs? Waarom kijk je dan nooit op mijn facebookprofiel om te zien wat er zoal met mij en bij mij gebeurt? Waarom stuur je me niet af en toe even een Whatsapp of zelfs maar een SMSje? Waarom zíe je mij nou niet?”
Te veel verwachtingen aan de foute persoon...
“Ik doe zo mijn best om alles goed te doen, ik werk er zó hard voor. Dan had ik ook verder moeten komen, lijkt me? Dan had me dat toch moeten lukken? Dan kán ik toch niet falen?”
Klaarblijkelijk wel…
“Ik doe zó veel aan beweging, ik doe twintigduizend serieuze en goede pogingen om af te vallen. En toch blijf ik te dik, heb ik een hernia en een kapotte knie. Waarom laat mijn lichaam me zo in de steek…”
Omdat ik er zelf blijkbaar niet goed genoeg voor zorg…
“Ik heb alles voor je gedaan. Had alles voor je over. We hadden het zó goed. En zomaar ineens laat je me vallen als een gloeiende baksteen. Waar heb ik dit aan verdiend?”
Je hebt ’t niet verdiend. Je had enkel alwéér te hoge verwachtingen aan de verkeerde persoon…

Niks is zeker, geen doel, geen liefde, geen aandacht, geen beloning, geen leven samen. Het enige wat je kunt doen, is je verwachtingen bijstellen. Nog beter: schrappen. Verwacht niks, dan valt alles altijd mee. Minimaliseer je verwachtingen en je leven wordt een stuk makkelijker. Maar zonder verwachtingen ook geen brandstof voor onze dromen, onze liefde en onze hoop…

Guy Finley zei ’t al heel mooi:
“What’s the first sign of a lurking, hidden expectation you didn’t know you had? Pain! People don’t do what we want, things don’t happen quickly enough, the weather doesn’t cooperate, our bodies don’t cooperate. Why are these moments so painful? Because our minds are focused on a static, unchanging, me-centric picture while the dynamic unfolding of a broader life continues around us. There is nothing wrong with expectations per se, as it’s appropriate to set goals and work, properly, towards their fruition. But the instant we feel pain over life not going “my way,” our expectations have clearly taken an improper turn. Any moment you feel resistance or pain, look for — and then let go of — the hidden expectation. Practice giving yourself over to what “you” don’t want. Let the line at the store be long. Let the other person interrupt you. Let the nervousness make you shake. Be where your body is, not where your mind is trying to take you.”

Ik stel ze dus toch maar een beetje bij.
Ik verwacht niks meer van jou.
Ik verwacht minder van mezelf.
Misschien krijg ik dan tóch nog een keer meer dan ik ooit verwachtte…

Mooie ziel

“Een mooie ziel gaat langer mee dan een mooi lichaam.”

Deze quote zag ik laatst op Facebook (dankjewel Sheila 😉 ). Dit zijn zinnen waar ik dan gelijk weer heftig over na moet denken. Klopt het wel? Ik geloof namelijk zelf niet in een hiernamaals of in het voorbestaan van de ziel als zodanig. En wat is een ziel überhaupt… Een forse bundel neuronen, synapsen en hersencellen die samen het bewustzijn van een menselijk wezen vormen. Staken die fysieke dingen hun werk, is er ook geen ziel meer…

Oh, en wat is dan een mooi lichaam? Een slank, gespierd, gazelle-achtig lichaam voor een vrouw? Een zo mogelijk nog gespierder, gestaald, sportief en gebruind instantsixpacklichaam inclusief sixpack voor de man? Feit is, dat lichamen die gezond en gespierd zijn, het over het algemeen (uitzonderingen daargelaten) langer doen dan het onfitte, slecht onderhouden lichaam. Maar zo’n perfect body hoeft dan dus weer niet per definitie een mooie ziel (ik prefereer: een mooi karakter of een mooi persoon) te herbergen. Dat is dan waarschijnlijk ook waar deze zin op doelt.

Ik weet wel, dat ik zelf geen ‘mooi lichaam’ heb. De boel doet het, maar daar houdt ’t ook mee op. Ik moet bekennen dat ik eigenlijk een bloedhekel aan sport heb, ik doe het omdat ’t mot. Het is ‘goed’ voor me. Ik heb veel pijn (geen idee wat de oorzaak is), ik heb volledig kapotte knieën (meerdere operaties, kruisbandplastiek, scheuren in de botten) en chronische, bij tijden meer dan heftige rugpijn (nu bijvoorbeeld). Als ik niet sport, wordt dat alles nog pijnlijker, dus ik móet wel. Ik ben naar de huidige BMI-maatstaven ook absoluut veel te zwaar. Maar!! Ik ben ook zacht en rond (“met veel knuffelvlees”, ook zo’n toffe facebookvondst). De hoop op dat slanke, gespierde lichaam laat ik onbewust maar des te realistischer en zekerder steeds meer varen. Oh, ik ben best gespierd hoor, jawel jawel. Alleen zitten die spieren in een verrekte goeie laag isolatie verpakt, dus je ziet ze niet. Maar geen jam- of augurkenpot die ik niet open krijg.

Met die langzaam maar gestaag van mij wegvarende hoop rest mij dus enkel nog het mooier maken van mijn ziel. Mens sana in corpore sano is ook niet meer mogelijk want mijn geest als zodanig is redelijk ziekelijk (ik noem even mijn heerlijke multiple personalities en mijn joy van een dirty mind, de minority reports laat ik gemakshalve maar achterwege), maar in de meeste opzichten dan wel op een prettige manier. En daar moet mijn lichaam het dan maar mee doen. Dus: hou ’t uit jonguh, want mijn ziel danst nog lang en vrolijk verder!!

moeizaam

moeizaam richt ik mij steeds weer op.

fier in de tegenwind, ik vang iedere klap.

sterk tegen alles wat niet goed kán zijn.

krachtig ondanks alles wat ik niet snap.

moeizaam kom ik weer overeind.

ondanks alles wat zó niet eerlijk is.

ondanks jou, jij die mij zo vaak niet ziet.

ondanks het intense, brandende gemis.

moeizaam maar zeker word ik ik.

steeds verder weg van wie ik ooit was.

steeds meer lak aan wat men zoal denkt.

you know what? you can kiss my royal …

(c) Lou

ja wat nou!

ik weet geen titel. Ik heb al in geen eeuwen meer geschreven. Zo voelt ’t althans. Mijn laatste blog is van 20 juli, bijna drie weken geleden. Het lijkt echt een eeuwigheid. We zijn op vakantie geweest. Een niet onverdeeld overgelukkige en relaxte vakantie, een schriftelijke klacht incluis. Daar blog ik ook nog wel een keer over. Vandaag nog effe niet.

Ik weet niet eens meer hoe het moet, dat bloggen. Ik zit hier en denk: “why the hell zal ik dit hier neerzetten.” Maar het is het gevoel wat er uit moet. Het gevoel dat alles te snel voorbij gaat. Het gevoel dat alles onder mijn neus gebeurt maar ik het niet zie. Het gevoel dat ik niet voldoende leef. Ik rij de berg af naar beneden, op weg naar de Lidl en het enige wat in me opkomt is: “bekrompenheid ten top”. Een durp, een school, een Lidl. Holladijeee.

Ik wil weg… Ik wil léven!!
Want zomaar ineens is het over en zelfs dat merk je dan zelf niet meer. Vandaag vernam ik dat een kennis (vader van vriend) een week geleden zomaar ineens, out of the blue, een zware hartaanval heeft gehad. De tot dan toe relatief fitte, vrolijke, levenslustige man van 63 kiepte om. Hersenschade niet te overzien. Net met pensioen en vanaf nu een kasplantje. Ik heb meerdere keren samen met hem getraind. En zomaar, van het ene op het andere moment, is deze mens onvrijwillig klaar met zijn leven. Want écht leven kan hij niet nu meer. Een toestand tussen coma en heel marginaal bewustzijn, nooit meer trainen, nooit meer reizen, nooit meer zijn kleinkind knuffelen, nooit meer zijn vrouw omarmen, nooit meer uit eten, nooit meer lachen, nooit meer liefhebben, nooit meer niks. Nooit meer. Zelfs de hoop dat hij weer zelf zal kunnen praten of eten is praktisch nihil. Wat is dat nou voor leven…

Na de eerste shock komt voor de achtenzeventigste keer het besef: leef nu… lééf!! Doe wat goed voelt, eet wat goed doet, zorg voor jezelf, geniet van alles wat goed is. Want zomaar ineens is alles voorbij. Dan is het te laat om te genieten. Het kloterige eraan is: hoe doe je dat. Hoe geniet je bewust. Hoe doe je precies dát waar je zin in hebt. Het dagelijkse leven haalt je na verloop van tijd toch weer in. Plichten, verantwoordelijkheden, kinderen, huishouden, moeten. En eigenlijk is dat maar goed ook. Want van de hele dag verplicht genieten wordt een mens ook weer intens moe.

Ik rommel maar wat verder met mijn leven. Als ik nu ineens omkieper, kan ik in ieder geval terug kijken op dik zeshonderd geschreven blogs. Oh nee. Dan kan ik niet meer terug kijken.

Ja wat nou…

…en dan

… en dan schreeuw ik mijn smart uit wronglove
maar je hoort het niet.

… en dan toon ik mijn innerlijkste aan jou
maar je ziet het niet.

… en dan werp ik mijn gevoel te grabbel
maar je begrijpt het niet.

… en dan vraag ik één enkele échte zoen
maar je geeft hem niet.

wrong time.
wrong place.
wrong person.

Next…

Void

Zeggen en doen.
Zijn twee paar schoenen.
Iets zeggen is zo makkelijk.
Te makkelijk soms…

“Ik hou van jou.”
Hoppa, daar staat het al! Maar doe je het ook? Van sommigen wel. Anderen zijn weliswaar heel lief maar echt houden van is dan toch nog weer een ander kaliber. Ook al zeg je het dagelijks…

“LIKE!”
Op een knop drukken (klikken) is makkelijk. Maar vind je het ook écht leuk? Veruit de meeste likes zijn nog altijd plicht-, beleefdheids- of gewetenslikes. En dat geldt echt niet alleen voor mij…void

“Ik denk aan je!!”
Oh echt? Welnee joh. Je zegt het en dan ga je verder met je dagelijkse beslommeringen terwijl je nog even met je moeder staat te bellen. En je denkt helemaal nergens meer aan.

“Je bent altijd in mijn gedachten.”
Maar ondertussen ben je ook veel te druk om met iemand in je hoofd rond te lopen. Het enige wat er in je gedachten rondspookt, is wat je allemaal nog moet doen, wat er misgegaan is en dat je moe bent en honger hebt. En verder enkel nog het achteloos en gedachteloos voortbestaan.

Ik wou dat je het meende…
Ik wou dat je écht van me hield.
Ik wou dat je me daadwerkelijk zag.
Ik wou dat je oprecht aan me dacht…

Maar als puntje bij paaltje komt,
lijk ik er toch niet in te zitten…

<Void>

.

.

.

PS:
even een PS. Dit blog is meer dan 3 weken geleden geschreven. Het is een volledig ad-hoc out-of-the-blue gevoelsdingetje. Ik dacht dat ik het na 3 weken wel ‘onopgemerkt’ op openbaar kon zetten, maar dat onopgemerkt lukt niet zo heel erg goed. Lieve mensen, IK ben de grilligheid zelve. IK ben degene met die gevoelsgolven. U hoeft zich geen zorgen te maken. Het is enkel maar ‘een’ blog…

Reces?

Éigenlijk wou ik een puur therapeutisch blog schrijven. Weer eens over de kinderen. En daarover dat ze nog absoluut NIET gewend zijn aan het feit dat ze recesnu daadwerkelijk vakantie hebben. Dat ze enkel rondhangen en zich dood vervelen. Ja, nu al. Dat ze enkel met elkaar aan het klieren zijn, alleen maar TV willen kijken of uuuurenlang met de nintendo/iPod/mijn Note ( 😦 ) op de bank hangen. Dat ze qua humeur allebei niet te genieten zijn. Enzo.

En dan natuurlijk ook nog wat eveneens hoogtherapeutisch geblaat over mijn man de leraar die er net zo niet aan kan wennen. Of juist teveel. Enkel slapend en snurkend op de bank ligt. Of buiten op de loungeset. En als-ie daar niet ligt, is-ie weg. Met collega’s de hort op (Jonguhhh, je hebt eindelijk vakantie van die hele schoolmeute! Dan ga je toch niet met collega’s op stap??) of werken bij z’n moeder (tegels zetten, elektra vernieuwen, stal opruimen, muurtjes bouwen, etc.). Of hele dagen fietsen. Zulke dingen doe je toch niet op de eerste dagen van je vakantie? Hij wel.

Maar ja. Wat doe IK dan die eerste dagen? Ik ben zelf niet veel beter… Ik maak de schoolspullen voor het komende schooljaar in orde. Hele waslijsten aan spullen, schriften, stiften, geodriehoeken, handvaardigheidsdozen, boeken, mappen. Zelfs the looks van het benodigde gummetje zijn voorgeschreven: Wit en 6cm lang. Ik werk me een slag in de rondte. Ik hou grote schoonmaak. Ik doe de administratie van de afgelopen anderhalf jaar  (*kuch*). Ik ploeter voort in de tuin. Ik maak thuis-schoolmappen voor de kinderen (want ik zeg ’t je, die hersenfuncties worden in die negen weken geminimaliseerd als je er niks mee doet). En ik heb nog een hele hoop vergelijkbare dingen op mijn bucket list. Bloggen staat er niet op trouwens… Ik ben daar ook niet echt voor in de stemming momenteel. Te veel in mijn hoofd, te veel dingen die gebeuren, te veel moeten, te veel ‘vrij’. Ik moet eerst weer naar beneden komen geloof ik. Down to earth. Mocht er nou toevallig toch nog iemand zijn die me mist (zou ja kunnen, theoretisch…), maak u geen zorgen. I’m OK. Just don’t feel like blogging. Got a writersblog 😛

Nee, klopt ook niet. Ik zal zo af en toe echt nog wel bloggen hoor. Als ’t moment past. Maar de frequentie zal even wat lager zijn. Een blogvriendin noemde het ‘reces’. Zomerreces. Zoiets dus. Ik zit niet zonder inspiratie, absoluut niet. Maar het komt er op dit moment even niet van. Reces dus. Ik wens jullie bij deze in ieder geval een heerlijke zomer. Ik fladder wel voorbij, zo nu en dan. Nu eerst in die vakantiestemming zien te komen. Laters!!!