Blik kan doden

Mijn Audi roest. Een beetje. Hier en daar zelfs wat meer. Eén van de redenen die de APK -man aanvoert voor zijnRoestaudi oordeel: afgekeurd. Ik snap dat niet. Afgekeurd vanwege oxiderend ijzer. Als ik zie wat voor bruine bakken er wél op de weg mogen… Onbegrijpelijk. Roest wegwerken vergt wat inspanning en mijn man doet zijn uiterste best inzake reanimatie. Noeste arbeid steekt hij erin om roest, haperende remmen,  sturingsproblemen en kapotte lagers weer in het gareel te krijgen. Ik denk bij mezelf: “oh my god, daarmee ben ik met 200km/h naar München gescheurd…” maar wie ben ik om te klagen; ik leef nog. En ik kan het niet repareren dus ik houd mijn gemak en laat hem prutsen. Stukken blik worden met urenlang minutieus gepriegel gebogen en gevormd. De lokale garageflip moet die er dan aansluitend in gaan lassen.

Ik ben ook nuttig bezig geweest. Ik heb uitgebreid de tuin doorgeploegd. De hoeveelheid tuinafval is indrukwekkend en mag in ieder geval niet op onze oprit wegrotten, dus laad ik alle zakken, kratten, kisten en dozen in onze andere auto (een Skoda, zijn auto. Hahahaha). Op naar het afvalcentrum. Ook nog een oude fietsband, een ijzeren onding namens booglampenvoet, wat reststukken blik, een oude deken en een zak met vergaan plastic uit de garage ingeladen. Opruimen is mooi werk.

Na het afvalcentrum scheur ik door naar de Lidl, waar ik ineens zie dat ik vijf telefoontjes gemist heb. Ai. Meteen gaat foon alweer opnieuw over. Man. In paniek stamelt hij:  “WAAR IS DAT STUK BLIK WAT IK GEBOGEN HEB???” Ik antwoord bedremmeld dat ik werkelijk waar geen idee heb. Ik heb wat afvalstukken weg gesodemieterd, dat wel… “Het lag in een kist met spullen op de grond!” Oh… ja… die kist… die heb ik ook opgeruimd. Alles in de gigantische oudijzercontainer die al half vol was met groot en klein schroot. Ik hoor de vertwijfeling in zijn stem. Die jammert heel hard ‘neeeeee….’ Hij legt me melodramatisch uit dat hij daar gisteren de hééééle godsganselijke dag mee bezig is geweest (duh… maar twee uur. Ik weet dat) en dat ik NU METEEN naar huis moet komen omdat we SAMEN dat stukje blik in die rotcontainer gaan zoeken. Bevel is bevel. Zonder een verder overbodig woord laat ik de Lidl achter me en haal hem op. We rijden onder het genot van een gefrustreerd potje doodzwijgen terug naar het ASZ.

Daar kijkt hij verbouwereerd in de container. Acht meter breed, drie meter diep. En bovenop mijn ‘oud ijzer’ ligt al lang een nieuwe lading grof oud ijzer. We moeten erin. Ik haal zuchtend een ladder bij een medewerker. Handschoenen aan. In de container is het een enorme zooi met veel scherpe randen en acuut instortgevaar. De loodzware voorplaat van een gestorven sigarettenautomaat bedekt een verbogen winkelkarretje. Al dat spul is in nog geen kwartier erbij gekomen.. Daaronder nog meer chaos. Ik mompel dat dit onbegonnen werk is, vind maar eens een stukje plaatblik van twintig centimeter lang en en zes centimeter breed in deze metersdiepe ijzerpuinhoop. Man kijkt me pisnijdig aan. “JIJ hebt het weggegooid, terwijl het duidelijk géén afvalstuk was!! Zoeken!!” (Het woord ‘kreng’ dacht hij er met grote zekerheid achteraan). Voor mij was het overduidelijk wél een afvalstuk maar het lijkt me beter om dat nu maar even voor me te houden.

Na wat pijnlijk ijzerworstelen was ie daar dan toch. Het stuk blik van onschatbare waarde. Ik lever man thuis af, grom  iets te luid dat hij het ding vooral nog even goed moet knuffelen en oogst een zoveelste blik die kan doden.

Oh Lidl, ik kom eraan!!!

 

Kwetsbaar

“Je zult je eigen kwetsbaarheid moeten accepteren en ook het feit omarmen dat jij, net als ieder ander, imperfect bent.” Ik weet niet of ik dat kan maar ik zal het in ieder geval proberen. Als Brené het zegt… Ik weet namelijk heel goed dat ik niet perfect ben. Alles andere dan dat. Maar dat gegeven als notoir perfectionist dan ook nog moeten omarmen…

Ik heb op YouTube een film gezien van Dr. Brené Brown. Ze heeft jarenlang intensief onderzoek gedaan naar de kwetsbaarheid van de mens en de voordelen die met een dergelijke kwetsbare opstelling te behalen zijn. Iedere mens met een gezonde dosis eigenwaarde heeft inherent daaraan een sterke drang om zich geliefd te voelen en om ergens bij te horen. Zulke mensen vinden namelijk dat ze die liefde en dat gevoel van verbondenheid waard zijn. Bindingsangst is in die zin dus enkel de angst om die verbondenheid niet waardig te zijn. “Waar heb ik jouw liefde aan verdiend? Dat ben ik niet waard…” Herkenbaar?

De mensen die zichzelf al datgene juist wél waard vinden, zijn meteen ook de meest oprechte mensen. Ze hebben de moed om imperfect te zijn, de compassie om eerst aardig voor zichzelf te zijn en dan voor anderen, en de verbondenheid die het resultaat is van hun oprechtheid. Ze hebben de capaciteit om los te laten wie ze volgens ‘de meningen’ zouden moeten zijn zodat ze kunnen laten zien hoe hun persoonlijke werkelijkheid er uit ziet. Deze mensen omarmen daarmee hun kwetsbaarheid. Het is de wil en het vermogen om als eerste “ik hou van je” te zeggen, niet wetende of het “ik ook van jou” er ooit op zal volgen.

Wij, en veruit de meeste mensen met ons, zijn juist geneigd om onze kwetsbaarheid weg te moffelen. Onder het tapijt ermee. Vooral niet naar omkijken, niet laten zien. Maar je kunt emoties als zodanig niet selectief onderdrukken. Als je slechte gevoelens wilt onderdrukken, onderdruk je daarmee meteen de totaliteit van emoties. Het enige wat varieert van mens tot mens, is de manier waarop er onderdrukt wordt. De één doet dat met alcohol, de volgende met drugs of antidepressiva, weer een ander sluit zich gevoelsmatig volledig af en vegeteert voort binnen de eigen vier wanden. Comfortably numb. And comfortably lifeless…

Het zichzelf openlijk, diepgaand en kwetsbaar kunnen laten zien.
Het oprecht liefhebben, ook al is er nooit enige zekerheid omtrent wederliefde.
De dankbaarheid voor wat er dan wél gegeven is.
Het kunnen zeggen: “Moet je kijken, zó veel kan ik van je houden!” (en dan de armen zo wijd mogelijk uitspreiden), zonder er gelijk een dramatische rampzaligheid van te maken.
Geloven, nee wéten dat je goed bent zoals je bent, met al je imperfecties en eigenaardigheden.
Alleen dan kunnen we eindelijk ophouden met schreeuwen en beginnen met luisteren.

En ik vind dat ze dat meer dan mooi gezegd heeft, die Brené Brown.

Nu nog doen.

Liever parallel

Vanochtend zag ik een plaatje op Facebook. Ik was er meteen door gefascineerd. De triestheid van de lijnen, waarvan ik er één ben. Doet me denken die eenzaamheid van de priemgetallen. Levenslijnen in levende lijve.

Ik zou het plaatje willen bewerken: er staan duidelijk te weinig lijnen op. In ieder geval een flinke set parallellen meer. Sommigen heel dichtbij. Zo dichtbij dat je bijna niet ziet dat we nog twee lijnen zijn. Sommigen wat verder weg, maar nog steeds gelijk opgaand, altijd naast me.

Er zijn zoveel lijnen die kruisen. Ineens botsen we op elkaar, gaan in elkaar over. Op het kruispunt denk ik: hier stoppen we allebei met lijn zijn en worden voor eeuwig een punt. Maar zo werkt het blijkbaar niet. Ik loop door, of ik wil of niet. Zo gaat dat met lijnen. Langzaam weer weg van dat punt van perfecte interactie. Dan loop ik toch liever parallel…

Hé, ik zie een lijn die praktisch gelijk met mij loopt… Nog veel te ver weg en de toenadering is haast onmerkbaar. We lijken parallel maar zijn het niet. Uiteindelijk komt er een snijpunt. En daarna wil ik dood.

parallellines

Bea

zouze3Zou ze ooit één grijze haar onder haar hoedje uitrukken?
Zou ze ooit in de keuken de beslagkom leeg likken?
Zou ze ooit nog een keer een mindblowing orgasme hebben?
Of er ooit één hebben gehad, met veel heet gesteun en gesis?

Zou ze ooit in de auto keihard meeblèren op Lily’s “Fuck You”?
Zou ze ooit op de WC ongegeneerd in haar neus rondboren?
Zou ze ooit onder de dekens haar linkerbil even snel optillen,
zodat haar stinkende scheet niet zo snoeihard te horen is?

Zou ze ooit gedachten hebben: “Is dit nou werkelijk alles..”
Zou ze ooit uit die Bilderbergclan hebben willen ontsnappen?
Zou ze ooit nog een geile chat met de prins van Zamunda snel
wegklikken omdat haar PA weer loopt te zeiken als Manneke Pis?

Zou ze ooit haar beschoeide voeten op de salontafel pleuren?
Zou ze ooit snel haar paarse dildo schoonmaken onder de douche?
Zou ze ooit een enorm stuk in haar bontkraag zuipen, enkel
vanwege het anders aan creativiteit zo ondraagbaar grote gemis?

Zou ze ooit na het afvegen naar haar toiletpapiertje kijken?
Zou ze ooit het lopend buffet overgeven door haar neus?
Zou ze ooit eens bankhangend naar Kim Holland zappen.
Ach nee, toe zeg, kom nou, nevernooitniet, neen toch gewis…

De slachting van Robbie

Ergens eind oktober had ik een grote hokkaidopompoen namens ‘Robbie’ van mijn schoonmoeder gekregen. Ja. Robbie. Het ding kreeg een naam, dit was ’t en niet anders.Robbie  Robbie was goed 4,5 kilo zwaar en heeft uiteindelijk bijna drie maand lang bij ons mogen bivakkeren. Het was een lief ding met een hoge gezelligheidsfactor en een frishollandse kleur die bij elke gang naar de keuken een beetje van mijn heimwee weg wist te nemen. Na een tijd in de keuken naast het fruit, op het afdruiprek, op het aquarium (dat was een uitdaging) en op een bolle vaas (een nog grotere uitdaging) gepronkt te mogen hebben, werd Robbie uiteindelijk wat weekjes. Hij voelde zich duidelijk verwaarloosd en zocht daarom de warmte en het innige gezelschap van enige bacteriën en schimmels aan zijn verkilde voeteneinde.

Wel. Robbie vond ik op zich best goed te hebben. Hij was rustig, keek gemoedelijk toe, bracht een beetje kleur in het keukenleven en als paper weight deed hij het ook niet slecht. De schimmelkoloniën vond ik daarentegen duidelijk minder. En daarom stond mijn besluit vast: Robbie moest vandaag dan toch maar geslacht worden. De schimmelvrienden heb ik met een dunschiller geëlimineerd en Robbie zelf van zijn ingewanden bevrijd. Mummificeren was hiermee dus ook nog een optie geweest maar dan had ie nog wéér zo lang in de weg gelegen…

Middels rituele slachting in stukken gehakt en professioneel in meerdere plastic zakken verpakt, verdween tweederde van Robbie vooralsnog in de diepvries. We konden hem niet in één keer opvreten, hij was simpelweg te pompeus. De overige kilo Robbievlees wilde ik vandaag nog tot iets lekkers (nou ja, eetbaars) omtoveren. In iets wat de kinderen in ieder geval niet meer als Robbie zouden herkennen. Een taart was snel gegoogeld. Pompoentaart. Dus.

Eerst moest ik Robbies in stukken gehakte vlees nog verder verkleinen. In mijn Tupperware-speedychefmaalding ging dat prima. Gehakte hazelnoten, twee eigelen, suiker, boter, stijfgeklopte eiwitten, zelfrijzend bakmeel, alles werd liefdevol met elkaar en met de Robbieprut gemengd. Ik mompelde in mezelf: “dit ziet er eigenlijk best wel uit als kots…” en de alleshorende kinderen riepen heel hard: “iiiiewwww!” om vervolgens een vinger door de smurrie te halen en me gerust te stellen dat ’t in ieder geval niet naar kots smaakte. Maar wat waren dan die oranje stukjes? Wortel? Euh… ja.

RobbietaartNa de voorgeschreven vijfenveertig minuten bij 175° in de oven was de Robbietaart nog steeds half vloeibaar. Nog maar ‘ns dertig minuten dan. Vervolgens tien minuten in de magnetron want Robbie hield de smurriefase krampachtig vast. Nog eens tien minuten in de oven. Toen was ik het zat. Ik zette de bakvorm op z’n kop op een bord (c.q. ’t deksel van de bakvorm) in de hoop dat de taart er gracieus uit zou ploppen. Helaas plopte alleen de ongare binnenkant plomp op het bord, de rand bleef muurvast in de vorm zitten. Het bord met de smurriebrokken gelijk maar weer in de oven gepleurd, de randen uit de vorm gebikt en met een flinke dosis poedersuiker zo goed als onherkenbaar aan de kinderen gevoerd.

De commentaren van de vakjury logen er niet om (in deze volgorde):
“Het ziet er nog steeds uit als kots. Gebakken kots.” (zoon)

“Maar het is te eten. Best aardig zelfs…” (zoon, bedenkelijk kauwend)
“Lekker!” (Dat was dochter. Die vindt alles wat ook maar enigszins zoet is, lekker)

“Ik hoef niet meer. Maar het was wel oké hoor!” (Dat was ook dochter, na twee kleine stukjes, mijn vlammende ogen ontduikend).
“Euh… zoals ik zei: het is eetbaar. Maar dit hoef je écht niet nog een keer te maken.” (zoon)

“Mam? Waar is Robbie?” (allebei)

De nagebakken smurriebrokken (zie afbeelding) waren helaas niet veel beter maar ik heb in ieder geval al wél een kilo Robbie weg weten te moffelen. Ik zal binnenkort vast wel in staat zijn om die overige twee kilo ook nog spoorloos te laten verdwijnen. Iemand nog suggesties? (en nee, soep is geen optie).

gevalletje meteen

klungelknieNet terug van het ziekenhuis. Ik had weer een afspraak voor mijn klungelknietje en met de foto’s van de MR-scan onder de arm wandelde ik dus bij de orthopedie naar binnen. Meneer de dokter bestudeerde de beelden en keek toen onderzoekend naar mij. “… En u kunt nog gewoon lopen?!?” klonk het ietwat verbaasd. Ehh, nou, ja hoor. Ik loop prima op dit moment, ik heb toevallig een ‘goede fase’. Tuurlijk, de boel doet pijn maar dat doet het altijd en uiteindelijk wen je daar ook aan hè. Ik heb gisteren nog tweeëndertig baantjes getrokken in ’t zwembad. Da’s wel achthonderd meter, in een goed half uur. En ’s avonds nog de laatste voetbaltraining met de minikiddo’s doorstaan.

In ieder geval ben ik dus nog steeds redelijk mobiel en daarover verwonderde zich de goede man duidelijk. Hij mompelde in zijn dictafoonding: “Korbhenkelriss, Riss des inneren Kniebandes, Knochenschäden, Chondropathie dritten Grades, bladiebladiebla…. Operation erforderlich. Akuter Fall” Dát had ik dus begrepen. De vraag was: wat voor operatie? Tot mijn grote opluchting slechts een arthroscopie. Ikke blij! En maar twee weken uit de running (letterlijk). Men wil mijn knie nog zo lang mogelijk in mij voort laten bestaan. Een nobel streven. Als die pijn maar weg is, vind ik alles best.

De operatiedatum werd in overleg met de assistente meteen vastgelegd: volgende week donderdag. Zo gaat dat hier: je hebt niks in te brengen, je krijgt gewoon een afspraak, take it or leave it. Tja euhh, sorry maar dan kan ik helaas écht niet…. “OK, wanneer dan? Dit is namelijk wel “ein Fall für ‘Sofort'” [“een gevalletje ‘Meteen'”, vrij vertaald] dus wel zo snel mogelijk a.u.b.” Het lijkt wel of zijn knie door mij geopereerd moet worden i.p.v. andersom. De donderdag erop wordt democratisch vastgelegd. Jemig, wat snel… ik voel me niet als een spoedgeval maar 7 november snijden ze voor de zoveelste keer mijn rechterknie open. Ik hoop met heel mijn hart dat ie ’t daarna dan toch weer een tijdje pijnvrij doet.

Here we go again…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

zeven miljard

Een paar maand geleden heb ik het meest recente boek van Dan Brown, Inferno, gelezen. (Ja ja, ik lees ook dat soort literaire pulp). Hoewel de boeken van Brown – naast best wel aardig spannend – altijd redelijk extreem geprofileerd zijn, ben ik elke keer weer gefascineerd door de zogenaamde facts die er in opgerakeld worden. Afgezien van het feit dat de bad guy (of was het nou toch de good guy?) snel even de batterij uit zijn iPhone haalt (diep respect…) kan ik, blond naïevelingetje, van de rest niet gelijk zeggen of het geloofwaardig is of niet. Ik voel dan ook elke keer weer een sterke drang om even een rondje fact-checking doen: wat van al datgene wat de goede man in zijn boek beweert, is ook écht zo? En dan gaat het me niet eens zo zeer om de culturele dingen (die slik ik wel, ik cultuurbarbaar. En even wikipedia surfen voor wat betreft Florence, Instanbul en Venetië does the trick as well) maar in dit boek vooral om de demografische beweringen. In zijn boek heeft Brown het over de snel toenemende overbevolking van de aarde en over een beweging namens Transhumanisme, die eigenlijk best erg aan de nazi-denkwijze herinnert.

Transhumanisme, de angstaanjagende beweging en filosofische denkrichting die de grenzen der menselijke mogelijkheden en de perfectionering van de mens zelf wil verleggen door de inzet van technologische procedés. Genetische manipulatie om tot de ultieme mens te komen. Daarnaast neemt de mens het heft in de hand inzake reproductie: men wil eveneens door genetische manipulatie ervoor zorgen dat enkel gezonde, sterke kinderen ter wereld komen.

7miljardIn het boek van Dan Brown schijnt echter de angst van deze ‘beweging’, dat de gewenste technologische perfectionering van de mens nooit plaats zal vinden omdat de mens zichzelf al lang van tevoren uitroeit, de overhand te nemen. De demografische groei van de wereldbevolking is blijkbaar zo schrikbarend en volgens de gepresenteerde data zowat meer dan exponentieel, dat wij al op zeer korte termijn niet meer in staat zullen zijn om onszelf te voeden en in leven te houden. De vervuiling zou niet eens relevant zijn omdat de mensheid volgens de opgeworpen theorieën binnen honderd jaar uitgestorven zou zijn. Veel te vroeg voor de transhumanisten om hun genetisch perfectionisme in realiteit om te zetten.

En daar is waar Dan Brown volgens mij en vele anderen de mist in gaat. De wereldbevolking stijgt vooralsnog inderdaad en ís ook meer dan sterk gestegen in de afgelopen anderhalve eeuw. De zenit schijnt echter ergens rond 2050 te zijn. Daarna neemt de bevolking volgens de demografische experts in rap tempo af. Niet omdat we dan niks meer te vreten hebben maar omdat in praktisch alle landen de geboorteratio’s zelf door sterke vergrijzing ineens schrikbarend snel teruglopen. Dat is in veel landen nú al het geval. De ‘westerse’ wereld heeft inmiddels zwaar te kampen met die vergrijzing. In Japan worden bijvoorbeeld al sinds tijden meer seniorenluiers dan babyluiers verkocht! En de aarde op zich ís niet eens overbevolkt. Ze heeft enkel te lijden onder een heel slechte oppervlakteverdeling van die bevolking. Als we alle mensen ter wereld – nu zo’n zeven miljard!! – in Oostenrijk zouden proppen, hoe hoog zou de piramide dan zijn? Got ya!! Er zal helemaal geen piramide zijn. Iedere mens zou nog steeds elf (!) vierkante meter op de begane grond ter beschikking hebben. En de rest van de aarde zou dan dus volledig mensenvrij zijn. Het gaat er ook niet om hoeveel land iemand ter beschikking heeft maar om de footprint, de hoeveelheid aardoppervlak die de mens nodig heeft om in zijn/haar gevoelde basisbehoeften te voorzien. En die footprint is voor de gemiddelde mens te groot: we leven op te grote voet. Maar wij produceren met zijn allen op dit moment al wél meer dan voldoende om krap 10 miljard mensen te voeden. Ja, inderdaad. Zó veel wordt er zinloos weggeflikkerd…

We zouden dus duidelijk beter om moeten gaan met dat wat we hebben. Minder nutteloos verbruiken. Minder ongebruikt weggooien. De verdeling van de bevolking over de aarde zou verbeterd moeten worden. Weet iedereen eigenlijk wel. Maar jemig, hoe dóe je zoiets?? Daarover heeft men nog steeds geen idee. Globaal gezien dan. Op micro-niveau weet iedereen wel enigszins hoe het moet, he diet je allerbeste best om in ecologisch zo goed mogelijk te leven. Afvalscheiding, bio-gedoe, zo min mogelijk plastic, duurzaam verbruik, groene energie (we hebben gisteren onze energieleverant ingewisseld voor een nieuwe: eentje met hoofdzakelijk energie uit waterkracht. Yeah). Het begin is er. Maar enkel in je eigen kikkerlandje, een speldenprik op de wereldbol. Om van de schaliegaswinningsintenties maar even niet te spreken…

En als je dan een aantal berichten leest over iets onbekends als de neodymium-winning in China, hét goedje dat nodig is om de sterke magneten te fabriceren waar onder andere al onze windmolens – onze ‘schone’ energievoorzieningen – op draaien maar wat bijvoorbeeld ook voor magneten in harddisks en voor fluorescerende lampen gebruikt wordt, en dan ziet wat voor puinhoop ze er van maken om maar zo goedkoop mogelijk te kunnen leveren, dan ga je heel hard janken. Janken van ellende, de ellende die onze aarde pas écht om zeep helpt. Niet omdat er teveel mensen op wonen maar puur omdat de mens als zodanig teveel belust is op eigenbelang en winst. Niet die arme kloothommels die dag in dag uit in de vrolijk doorstralende zee van uranium en thorium (een paar van de radioactieve nevenstoffen die vrijkomen bij de winning van neodymium) staan te baggeren, die mensen hebben geen enkele keus. Ach ja, toch wel: nu van de honger dood omvallen of over tien jaar gevild worden door de kanker. Een geweldige keus. Nee, niet die mensen. Maar wel de exploitanten die dat neodymium, dat overal in de aarde zit maar waarvan de winning hier te lande met zoveel reglementen en voorschriften gepaard zou gaan dat het spulleke onbetaalbaar wordt, met gruwelijk harde hand en volledig onverantwoord uit moeder aarde persen om maar winstgevend te kunnen leveren. Een kolossale ramp die verdekt blijft omdat de rest van de wereld profiteert van het feit dat die ellende ‘mooi daar’ blijft. Je wilt niet weten hoe de aarde er daar uit ziet. Of eigenlijk wil je dat wel…

En dat is slechts nog maar één voorbeeld.
Waar zijn we in vredesnaam mee bezig…

*blogje op mijn old school van neodymium-magneet voorziene harde schijf opslaat…*

 

bang verdriet

tears“mam, ik ben zo bang…
bang dat ik alles fout doe…
bang dat ik iets vergeet…
bang dat ik niks kan…
bang dat ik het niet weet…”

“mama… ik ben zo bang…
bang dat ik iets kapot maak…
bang dat jullie dood gaan…
bang dat iemand inbreekt…
bang om voor gek te staan…”

“mams… wat moet ik nou…
moet ik echt harder worden?
of gewoon maar nooit meer wakker?”
onkinderlijk groot zijn de zorgen.
van mijn oh zo lieve arme stakker…

Zo gruwelijk verdrietig en onzeker, zo verschrikkelijk onder druk. Dichtklappen, niks meer kunnen zeggen. Toch maar iets opschrijven, op goed geluk… Maar zo gaat het niet langer, dit gaat niet goed. Je kind zo te zien lijden, werkelijk waar, mijn moederhart bloedt. Het enige wat ik kan doen is helpen, alle hulptroepen aanslepen. Hem toch maar weer opbeuren door al zijn goeds te onderstrepen… Maar soms weet ik het echt niet meer, is mijn engelengeduld op. Kijk ik enkel nog vol emotie naar zijn geworstel en getob. Sluit ik mijn ogen, terwijl ik me achter mijn handen verschuil. Opdat hij niet ziet hoe hard ik om hem huil…

..

(c) Lou

Costa!

De Costa Concordia. Dat ene wrak daar. Iedereen heeft het erover. Nu of nooit, de laatste poging om het ding weer rechtop te krikken. De wereld is er live bij. Het lijkt wel een soap. Pure spanning. it’s now of never. In goede en in slechte tijden het ding rechtop krijgen (uhuhh). As The Ship Turns. En ook al zegt de baas van deze hele bergingsactie dat succes 100% verzekerd is, dan blijft nog steeds de vraag wat dat succes dan werkelijk is…. Er kan alsnog een hoop fout gaan. Het kan zijn dat de boel buigt tot het barst, dat het schip zó aan de rotsen vastgekluisterd zit dat het niet losgetrokken kan worden, dat er vanalles uit het schip omhoog kan komen (en dan hebben we het nog niet eens over die twee mensen die ze nooit gevonden hebben), dat het schip te ver doorschiet naar de andere kant, dat er een minivloedgolfje de haven in spoelt, enzovoort.

Een week of zes geleden lag ik naast dat kolos in de zee. Twee kolossen, gemoedelijk naast elkaar in het Gigliose kustwater (ghehehe, sorry, kon ’t niet laten). De oliebarrières in de haven en voor het strandje lieten al wel vermoeden dat La Costa niet helemaal dicht was. Hopelijk werken die dingen als er straks eventueel meer van vanallesennogwat uit komt. Het gemoedelijke, piepkleine haventje, toen bloedjeheet en loom onder de met wijnranken overgroeide terrasjes, nu in de koude slagregen, volgepropt met 350+ journalisten en fotografen. Toen we door Porto di Giglio heen liepen, stonden we bij een oude kademuur. Daar was de verleiding te groot: éven een fotootje maken waar je doet alsof je dat bootje wel even tussen duim en wijsvinger neemt en huppakeee, rechtop zet.

Ik moet toegeven, het is werkelijk een imposant ding. En nog imposanter als je nadenkt over hoe die stuurlui zo’n gigantisch schip zo gruwelijk hard langs de rotsen hebben kunnen laten schuren. Een gapend gat in de romp van wel zeventig meter lang. Over wie er schuld aan is en wat wie nu wel of niet had moeten doen, is alles al  wel gezegd geloof ik. Het blijft triest. De Costa Concordia ligt werkelijk vlák voor de haven van Giglio, griezelig dichtbij. Hoe hebben ze het voor elkaar gekregen…

Anyway. De berging verloopt vooralsnog blijkbaar volgens plan. De veerbootmaatschappijen die op Giglio varen, zullen er vast helemaal niet blij mee zijn. Ach. Was ik toch maar mooi één van die ontelbare ramptoeristen die in een warme julimaand naast een slagzijliggend cruiseschip hebben mogen zwemmen. Altijd nog beter dan een boottoerist die in een ijskoude januarimaand naast een slagzijliggend cruiseschip móet zwemmen…

Costa1Costa2 Costa3costa4