de eerste

Dat is het alweer. De eerste februari 2014. Nog nooit was het vandaag, maar nu is het dan éindelijk zover. Als ik het gesprek – nou ja, gesprek, hoe noem je zo’n heen-en-weer-gedoetje op facebook – mag geloven, ben ik gezegend met het feit dat mijn man warm kan douchen en heb ik bovendien geleerd dat ‘simpele vrouw’ een pleonasme is. Maar als de man die het zei een beetje verder had gedacht, had hij zich gerealiseerd dat het eigenlijk geen pleonasme maar schier een onmogelijkheid was. Geen enkele vrouw valt als simpel te beschrijven. De mogelijke kans (oh, een pleonasme…) om een simpele vrouw (oh, nog eentje…) (maar die kenden we al) (of toch niet?) te vinden, is geminimaliseerd door het feit dat het wel degelijk aanwezige maar bewijsbaar lichtelijk kleinere brein van de vrouw mogelijk door meer hormonen beïnvloedt wordt dan het mannelijk brein, dat doorgaans zelfs twee plekken in het lichaam schijnt te kunnen bewonen.

Ach fuck it.
Ik ga slapen.

 

Schudtaart

Gisteren had ik een vergadering. Een vergaderingsgenote sprak na afloop lyrisch over een zogenaamde schudtaart. En wie ben ik om dat niet gelijk de volgende dag uit te proberen? Juist, diegene ben ik! Bij deze een fotoverslagje (recept inbegrepen):

Schudtaart1Schudtaart2Schudtaart3

Boekrecensie Crossfire 2

Boekrecensie: “Crossfire 2 – Begeerd door jou” van Sylvia Day
door: Louise Larndorfer-Bartels

Het tweede boek van de Crossfire trilogie, die inmiddels geen trilogie meer is want er schijnt ook al een deel 4 (deel 5? deel 6? deel 28?) te zijn. Het eerste heb ik in ieder geval ook uitgebreid onder de loep genomen, dat kun je hier lezen. Hoewel ik bij het eerste boek nog dacht dat ik geen goed publiek was voor dit soort erotische half-pornografische boeken, moet ik zeggen dat ik Crossfire 2 duidelijk lezenswaardiger vond. Er gebeurde in ieder geval significant meer dan enkel een beetje om elkaar(s geslachtsdelen) heen draaien, maar voor het interessantere leesvoer moet je wel eerst even verhit doorzwoegen tot – pak ‘em beet – hoofdstuk 14.

Eva Lauren Tramell is in boek 2 vanzelfsprekend nog steeds betoverd door en volledig in de ban van het mooiste en aantrekkelijkste mannelijke exemplaar dat op deze aardbol rondwandelt: Gideon Cross. Alleen de naam doet je al sidderen. Maar waar het in boek 1 bleef bij vanillesex (oh wacht, dat woord hoort bij dat andere boek) en wat uit extreme jaloersheid en bezitterigheid ontspruitende ontwikkelingen, gaat boek 2 toch iets verder in op de verkniptheid van de personages zelf. Ergens rond pagina 20 uit Gideon zelfs al het feit dat hij iemand zou kunnen vermoorden voor Eva en al zijn bezit zonder meer op zou geven voor haar, maar Eva zelf opgeven zal hij nooit. Daarnaast maakt meneer eveneens redelijk snel het statement: “Dokter, ik blijf pas van haar af als ze dood is.”  Mooi. Dat belooft wat.

Eva en yummie tycoon Gideon zijn nu inmiddels enkele weken een paar maar de relatie is niet bepaald easy-going vanwege de mentale beschadigingen die ze ieder afzonderlijk uit hun verleden meeslepen. De één nog erger dan de ander. Daarom zijn ze dan ook al gelijk in relatietherapie; daar kun je nu eenmaal niet vroeg genoeg mee beginnen. De meervoudige overdracht van de huissleutels symboliseert het serieuze karakter van het geheel. Toch distantieert Gideon zich steeds opnieuw, laat Eva tot in het extreme schaduwen maar lijkt er zelf toch nog een second life met zijn ex op na te houden, wat Eva wederom nóg jaloerser maakt. Seks als goedmakertje schijnt keer op keer toch weer te werken, wat voor de nodige erotische intermezzo’s in het verhaal zorgt.  In het verhaal zelf zijn nu meer wendingen – een liefdesweekend aan het strand, een met een knuppel half dood gemepte huisgenoot, Eva’s vroegere vriendje die nu zanger van een succesvolle band is en haar gescheiden ouders die elkaar na lange tijd weer zien – verweven. Op ca. tweederde van het boek lijkt Gideon echter heel plotseling volledig op afstand te gaan en daarmee is voor Eva, die zelf weliswaar ook de nodige amandelonderzoekende tongdraaiers met haar zingende ex (met alle gevolgen van dien) toeliet, de kous helemaal af: het herhaaldelijk gevraagde (geëiste) vertrouwen is volledig weg, alle banden worden doorgeknipt en de beruchte sleutels wederom geretourneerd. De cover van het boek zegt genoeg. Maar uiteindelijk blijkt ook nu maar weer dat Gideon daadwerkelijk niets zonder reden doet…

Het toeval wil, dat ik nu – simultaan met het lezen van Crossfire 2 – toch ook die vijftig tinten grijs (deel 1) maar eens uitgelezen heb. En ik moet bekennen: dat was bij tijden redelijk verwarrend. Blonde Eva, onervaren Ana, tycoon Gideon Cross (GC), miljardair Christian Grey (CG), beetje controledwang hier, wat sadistische dominantie daar, alles bepoederd met een verrot laagje uit zware misbruikverledens en gewenste naïviteit. Af en toe wist ik daadwerkelijk niet meer wie nou wat waar en met wie gedaan had, zo erg leken de beide literaire ero-epossen soms op elkaar. Het grijzige boek heb ik echter in het Engels gelezen en dan klinken die seksuele aktes toch duidelijk opwindender en sensueler.  Voorbeeldje? “Eva!” gromde hij toen hij de eerste dikke, hete lading sperma tegen mijn buik spoot. Dat klinkt toch best wel een beetje afgestompt, vind ik. Dat zal ook vast de reden zijn waarom dat zinnetje (p65) dan ook gelijk gevolgd werd door het veel erotischer klinkende “Fuck.”  Op de één of andere manier vind ik het niet echt opwindend om omschrijvingen als ‘drijfnatte kut’ of ‘keiharde pik’ te lezen, maar dat zal vast aan mij liggen. Met meer poëtische omschrijvingen als ‘Ik voelde de brede kroon van zijn pik in mijn spleetje kerven […]’  (p242) kan ik klaarblijkelijk ook niet zoveel, maar ach, ze doen hun dienst. Mijn partner heeft er in ieder geval geen bezwaar tegen, dat ik deze boeken lees. Integendeel.

Samengevat: Wederom een – in tegenstelling tot het uiterst banaal opgezette fifty shades – acceptabel geschreven erotisch-pornografische roman en een duidelijke verbetering t.o.v. het eerste boek. Grote typografische missers heb ik dit keer niet kunnen vinden, wel weer een hoop best opwarmend beschreven seks, wat meer spanning en een boeiend (maar helaas wel degelijk voorspelbaar) einde. Ik vrees dat boek 3 (“Verbonden met jou”) er ook gaat komen, al vraag ik me wel af wat er nu in vredesnaam nog te schrijven valt over de protagonisten in deze liefdesconstellatie. Ik ga er maar vast vanuit dat ze, á là Twilight, spectaculair gaan trouwen of zo. We zullen het lezen.

Auteur: Sylvia Day
Titel: Begeerd door jou – Crossfire 2
Oorspronkelijke titel: Reflected in you
Paperback, 325 pagina’s.
Uitgever: A.W. Bruna Uitgevers, Utrecht 2013
Taal: Nederlands (vertaling: Marike Groot en Sander Brink,  Grootenbrink Vertalingen)
ISBN10: 9400503970
ISBN13: 9789400503977
Prijs:  € 10,00 tot 15,00

Recensie geschreven in opdracht van Verboden Voor Mannen

Gazellifant

Met mijn olifantenpoten ren ik hard. Nog harder om alles toch maar in te halen. Hier en daar een porseleinen kopje vertrappend, draaf ik nog steeds blind voort. Over de droge savanne vol met noodlotten en de woeste steppe van incomplete conclusies. Geen idee waar te beginnen, niet eens een hint over waar als eerste te stoppen om de armen te spreiden. Dus ren ik maar verder. Als ik blijf staan, zinken mijn grote, stampende poten weg in de uit andermans ongeluk en mijn eigen machteloosheid bestaande blubber.

Slopende ziektes waar ik nooit weet van had tot ze ongeneeslijk werden. Andermans innerlijke worstelingen waarvan ik me bewust was maar die ondergingen in de myriaden van mijn eigen gedachten. Zware operaties die al voorbij waren voor ik op tijd ‘nog heel veel sterkte’ kon wensen. Verjaardagen die ik om twee voor twaalf bijna had vergeten. Zorgen die geuit werden maar die door extreme externe filtering voor mijn oren weg werden gerukt. Knuffels die in mid-air bleven hangen…

En dus loop ik zo snel mogelijk door.gazellifant
Niks ziend, allenig, nadenkelijk.
Geconcentreerd op iedere pas.
Blijf vooral draven…
Hup hup, achter die feiten aan.
Ze zullen altijd sneller zijn dan ik.
Was ik maar een gazelle…

aldimannetje

Door het smalle gangpaadje tussen de metershoge torens van plastic flessen jus en tetrapakken druivensap manoeuvreer ik mijn karretje naar de enige open kassa en duw de metaalspijlen neus van mijn aldi-limousine bijna in die van een oud manneke dat blijkbaar synchroon met mij bij kassa twee arriveert.

Breed grijnzend laat hij zijn kunstgebit even hoognodig luchten en stoot met zijn elleboog samenzwerend tegen mijn arm.
“Wij zijn net die twee vrachtauto’s, vanochtend op de A7. Alleen kon ik nog uitwijken en reed jij geen spook.”

Kassa één gaat ook open.
De redding is nabij.

huh

kon jij maar mij zijn jij
dan wist ik wel
dat ik mij wou.
kon jij maar mij zijn
dan kon ik zeggen
dat ik van mij hou.

maar als ik de vingers
van mijn rechterhand
op ‘t  toetsenbord één
plek naar links verschuif,
ben jij enkel nog maar

huh …?

.

.

© Lou

niet goed bezig

Gisteren opende ik – hoe kan het ook anders – ergens in de loop van de ochtend even facebook op mijn foon. Het eerste plaatje wat ik zag was van een half verbrande jonge man. Hij was, volgens de ernaast staande tekst, aangestoken. Een brandende autoband om zijn nek. Omdat hij homoseksueel zou zijn en dat mag dus niet in Oeganda (en niet alleen daar…). Sterker nog: zulke mensen mag je dus legaal, met de wet achter je, in de fik steken en toejuichen terwijl ze creperen. Ik kreeg spontaan kokhalsneigingen en dikke tranen in de ogen, moest noodgedwongen verder scrollen. Ik kon het simpelweg niet aanzien. Want wat moest ik hier nou mee? Onvoorstelbaar gruwelijk om te zien op een gezapige zondagochtend. Wat een wereld. Een bevestiging van mijn opvatting dat mensen de enige werkelijke beesten op deze aarde zijn.

Ik moest het plaatje eigenlijk delen om mijn solidariteit met de homoseksuelen op deze aarde te betuigen. Maar ik kon het niet… wetende dat ik een dermate afgrijselijke foto dagenlang op mijn eigen wall zou zien, een wall waar ook kindekes mee koekeloeren… en ook wetende dat het geen ene donder zou helpen. Ik ben vanzelfsprekend solidair met iedere andere mens die in naam van onzinnige (veelal religieuze) wetten gediscrimineerd, gemarteld, gedood wordt. Maar mijn solidariteit lost helemaal niets op. Ook een petitie met miljoenen email-handtekeningen eronder haalt niks uit. Ik onderteken ze allemaal want het is geen moeite en ik laat in ieder geval op microniveau zien dat ik het er niet mee eens ben, de NSA aan m’n broek of niet. Maar helpen doet het niks, ik ben niet zo naïef om te denken dat er in de toekomst ook maar íets anders zal gaan vanwege een simpele petitie. Geen meisje minder verkracht of op 9-jarige leeftijd uitgehuwelijkt, geen honingbij gered, geen niet-ondertekend TIPP, geen asiel voor meneer Snowden, geen betere vrouwenrechten, geen boycot van de olympische spelen in dat hypocriete Sotchi/Rusland, geen betere arbeidsomstandigheden voor die arme chinese kindertjes in de neodymiumwinning. Gewoon. Niks. Lijdzaam toezien is alles wat je mag vandaag de dag. En dat is ook nooit anders geweest.

Daarom deelde ik de foto niet… want ergens, ergens moet ik nog altijd míjn leven leven. Of dit nou allemaal gebeurt of niet. Dat van anderen kan ik niet leven. En ik moet dus zorgen dat mijn leven góed geleefd wordt, al naar gelang de omstandigheden. Dat is iets wat ik in ieder geval wél kan doen. En dan niet voor mij. Egocentrische gedachtes heb ik al genoeg (“ik moet goed voor mezelf zorgen”, “die Note 3 wil ik toch wel heul erg graag”, “wat zal ik eens eten vandaag” – en zo). Maar voor de bewonderenswaardige mensen en mensjes om mij heen. Mijn zoon die maar door bokst en vecht om op school mee te komen. Mijn dochter die morgen weer naar de dokter mag voor een uitgebreide hartcontrole. Dat gaatje zit er nog steeds hè… ook al denk je er dan praktisch nooit aan, het blijft eeuwig een issue. Vrienden en vriendinnen die vechten tegen dodelijke ziektes, financiële sores, rottige werkgevers, mishandelende echtgenoten, depressies. Ouders die een dagje ouder worden en allebei al kanker hebben gehad. Ons eigen hachje (lees: ‘relatie’) bij elkaar en leefbaar houden. Dat zijn de dingen waar ik in eerste linie mee bezig zou moeten zijn, ik weet het. Ik weet het zo goed…

En toch ben ik het niet.

toedeledoki

geen hond die nu nog
aan jou denkt.
geen man en zelfs geen mens.

iedereen is weg.

geen kip die jou nog
aandacht schenkt.
aan je daden of jouw wens.

enkel van de leg.

geen vuige duivel die
je nu nog wenkt.
kom hier lief, in mijn hens?

let op wat ik zeg.

een zware tientonner die
plots uitzwenkt.
al geplet, schrik je je lens.

wat een pech…

weg.

.

.

© Lou

De slachting van Robbie

Ergens eind oktober had ik een grote hokkaidopompoen namens ‘Robbie’ van mijn schoonmoeder gekregen. Ja. Robbie. Het ding kreeg een naam, dit was ’t en niet anders.Robbie  Robbie was goed 4,5 kilo zwaar en heeft uiteindelijk bijna drie maand lang bij ons mogen bivakkeren. Het was een lief ding met een hoge gezelligheidsfactor en een frishollandse kleur die bij elke gang naar de keuken een beetje van mijn heimwee weg wist te nemen. Na een tijd in de keuken naast het fruit, op het afdruiprek, op het aquarium (dat was een uitdaging) en op een bolle vaas (een nog grotere uitdaging) gepronkt te mogen hebben, werd Robbie uiteindelijk wat weekjes. Hij voelde zich duidelijk verwaarloosd en zocht daarom de warmte en het innige gezelschap van enige bacteriën en schimmels aan zijn verkilde voeteneinde.

Wel. Robbie vond ik op zich best goed te hebben. Hij was rustig, keek gemoedelijk toe, bracht een beetje kleur in het keukenleven en als paper weight deed hij het ook niet slecht. De schimmelkoloniën vond ik daarentegen duidelijk minder. En daarom stond mijn besluit vast: Robbie moest vandaag dan toch maar geslacht worden. De schimmelvrienden heb ik met een dunschiller geëlimineerd en Robbie zelf van zijn ingewanden bevrijd. Mummificeren was hiermee dus ook nog een optie geweest maar dan had ie nog wéér zo lang in de weg gelegen…

Middels rituele slachting in stukken gehakt en professioneel in meerdere plastic zakken verpakt, verdween tweederde van Robbie vooralsnog in de diepvries. We konden hem niet in één keer opvreten, hij was simpelweg te pompeus. De overige kilo Robbievlees wilde ik vandaag nog tot iets lekkers (nou ja, eetbaars) omtoveren. In iets wat de kinderen in ieder geval niet meer als Robbie zouden herkennen. Een taart was snel gegoogeld. Pompoentaart. Dus.

Eerst moest ik Robbies in stukken gehakte vlees nog verder verkleinen. In mijn Tupperware-speedychefmaalding ging dat prima. Gehakte hazelnoten, twee eigelen, suiker, boter, stijfgeklopte eiwitten, zelfrijzend bakmeel, alles werd liefdevol met elkaar en met de Robbieprut gemengd. Ik mompelde in mezelf: “dit ziet er eigenlijk best wel uit als kots…” en de alleshorende kinderen riepen heel hard: “iiiiewwww!” om vervolgens een vinger door de smurrie te halen en me gerust te stellen dat ’t in ieder geval niet naar kots smaakte. Maar wat waren dan die oranje stukjes? Wortel? Euh… ja.

RobbietaartNa de voorgeschreven vijfenveertig minuten bij 175° in de oven was de Robbietaart nog steeds half vloeibaar. Nog maar ‘ns dertig minuten dan. Vervolgens tien minuten in de magnetron want Robbie hield de smurriefase krampachtig vast. Nog eens tien minuten in de oven. Toen was ik het zat. Ik zette de bakvorm op z’n kop op een bord (c.q. ’t deksel van de bakvorm) in de hoop dat de taart er gracieus uit zou ploppen. Helaas plopte alleen de ongare binnenkant plomp op het bord, de rand bleef muurvast in de vorm zitten. Het bord met de smurriebrokken gelijk maar weer in de oven gepleurd, de randen uit de vorm gebikt en met een flinke dosis poedersuiker zo goed als onherkenbaar aan de kinderen gevoerd.

De commentaren van de vakjury logen er niet om (in deze volgorde):
“Het ziet er nog steeds uit als kots. Gebakken kots.” (zoon)

“Maar het is te eten. Best aardig zelfs…” (zoon, bedenkelijk kauwend)
“Lekker!” (Dat was dochter. Die vindt alles wat ook maar enigszins zoet is, lekker)

“Ik hoef niet meer. Maar het was wel oké hoor!” (Dat was ook dochter, na twee kleine stukjes, mijn vlammende ogen ontduikend).
“Euh… zoals ik zei: het is eetbaar. Maar dit hoef je écht niet nog een keer te maken.” (zoon)

“Mam? Waar is Robbie?” (allebei)

De nagebakken smurriebrokken (zie afbeelding) waren helaas niet veel beter maar ik heb in ieder geval al wél een kilo Robbie weg weten te moffelen. Ik zal binnenkort vast wel in staat zijn om die overige twee kilo ook nog spoorloos te laten verdwijnen. Iemand nog suggesties? (en nee, soep is geen optie).

hoog

daar heel hoog in de keel.slikken
net achter de klieren.
ze zitten er, wachtend op
een succesvolle uitbraak.
slikken. nog een keer.
vochtige waas voor de ogen.
knipperen. alweer.

radeloosheid is a bitch.
emotruttengedoe.
niemand mag het zien.
niemand mag het weten.
nee, jij ook niet.
enkel omdat ik het wil
en jij het nog niet weet.
life doesn’t suck at all.
it only pushes like hell.
ze blijven hoog zitten.
brandend.
met goed en hard slikken
kom je een heel eind.
maar echt hoog zul je
er nooit mee komen.
sper die luchtpijp van je.
ver open, want ik heb
een prachtig zwaard…

doemdenker

Ik zit weer eens in een denkfase. Zo’n fase waarin ik meer dan anders nadenk over het hoe en wat in deze wereld. Waarom de dingen gaan zoals ze gaan, wie er daadwerkelijk aan de touwtjes trekt. En dat is dan nog heel summier en oppervlakkig gezegd. Ik kijk documentaires, luister naar ‘afvallige’ professoren, uit de school klappende voormalige politici en journalisten die zich vastgebeten hebben, praat met de één of de ander.. Maar het wordt er niet beter van. Integendeel.WatAls

Het zou echt mogelijk moeten zijn om je hersenen stop te zetten. Maar wel zonder angstaanjagend elektronisch gespuis. Gewoon. Zelf. Het kan ook, met simpel mediteren. Maar daar ben ik niet zo goed in. Wel geprobeerd, maar ook dat lukt me op de één of andere manier niet.

Ik staar in ’t niets en denk aan alles en iedereen. Vooral aan mijn kinderen, aan hoe alles zal zijn als ze eenmaal volwassen zijn. Hebben ze dan ook een chip in hun pols? Mogen ze nog vrij reizen? Hun eigen geld beheren? Zelf bepalen óf en hoeveel kinderen ze in de wereld willen zetten, mocht dat dan allemaal nog op de ‘normale’ manier gaan? Zijn ze nog vrij in hun denken en in het bepalen welk werk ze het liefste zouden doen? Zijn er tegen die tijd nog bijen of doet de mens dan inmiddels zelf aan bestuiving omdat geen insect dat meer kan doen? Welke nieuwe ziektes zijn er dan ontstaan (of gemaakt), welke oorlogen uitgevochten en hoeveel mensen zijn er tegen die tijd nog overgebleven op deze aarde? En zo ratelt het door in mijn warrig hoofd.

Ik ben misschien nog net geen doemdenker maar wel een overmatig piekeraar. Ik kan niet tegen mijn eigen machteloosheid en ook niet tegen de wildheid van mijn gedachten. Ik wil wat doen maar ik weet niet wat. Ik zou heel hard willen gillen maar als ik dat zou doen, zou ik enkel maar raar aangekeken worden. Waar maak je je druk om, mens… Tja. Dat weet ik ook niet. Nog niet.

Toch een doemdenker.

Net niet

Ik stond echt op ’t puntje om weer eens een nieuw leven te beginnen. Dat leven waarin ik zó veel van mijzelf houd. En ook nog van de rest van de wereld.  Waarin ik heel hard fuck you schreeuw en doe wat ik wil. En iedereen omarm. Maar ’t lukte even niet. Nét niet. Alweer niet.

Vanochtend sprong ik uit bed en dacht: ik voel me tóp!! Tot ik plotsklaps dubbelklapte en mijn ingewanden eruit spuugde. Ik hield ’t allemaal even niet meer binnen. Nét niet. Maar het duurde maar heel kort, tot die hervonden tiptop-status.

Vandaag wist jij me zowat te overtuigen dat alles nu weer goed is. Maar het mislukte, net als een te natte rozijnenpannenkoek. En ik blijf zien hoe het er echt voor staat. Kledderig. Klote. Maar helaas.

Ik dacht heel even hoopvol: “je bent dus tóch nog steeds diegene die je was, toen ik dacht, dat ik je kende.” Maar je was het niet meer. Al lang en nét niet meer.

Bijna had ik vandaag zelfs mijn oh zo noodzakelijke werk gedaan en de boel afgemaakt. Maar het ligt hier nog naast me in een rode map.
Het lukte net niet. En morgen is er in dit geval geen nieuwe dag. But hey, we’ve got the night…

Zo’n lelijke, grootse terugval schampte zomaar ineens rakelings aan mij voorbij. Alleen nét niet helemaal. En ik haalde die bocht lekker toch. Met een noodvaart zelfs. Ja, dat net weer wel.

Ik mijmerde over hoe mooi het allemaal geweest had kunnen zijn. Maar dat is het nu ook weer niet geworden. Nét niet. So what. Op naar het volgende wat zo mooi zou kunnen zijn.

Vandaag was het immers óók mijn dag.

Nét niet.

natuurlijk

natuurlijk kijk ik naar Ursulaursula
hoe ze haar schelp weer eens
uit de zee vist, ’t zand afveegt.

natuurlijk denk ik herhaaldelijk
“lulkoek, zo bang voor James”
hij flirt toch tot-ie een ons weegt?

natuurlijk gaat breinlief tekeer
dik 50 jaar oud, slecht geacteerd en
ik vind dat Ursula een beetje slist.

natuurlijk schiet een dendriet uit
naar die hersencel die verder denkt
aan jou en dat je me ook mist.

natuurlijk…

© Lou

De TupTupclub

Ik durf het bijna niet te zeggen maar ik heb een Tupperware-verleden. Het is ook echt een verleden: het was nooit wat en nu is het al jaren helemaal niks meer. Hier in Oostenrijk zijn allerhande ‘party’s’ heel populair. Je hebt Partylight-party’s (met kaarsen en andere decopruttel), Reinzeit-party’s (allerhande überfantastisch schoonmaakmateriaal en ook etherische oliën), Gonis-party’s (knutsel-/teken-/verfmaterialen), DildoFee-party’s (zegt genoeg), Wenatex-party’s (orthopedische bedsystemen en matrassen) en natuurlijk ook de – volgens mij – oudste in de partycategorie: Tupperware-party’s. Er zijn wel meer verkooppartyvarianten maar op bovengenoemde party’s ben ik allemaal al wel eens geweest. Ik muts. Maar ik moet toegeven: afgezien van het verkoopgedoetje is het best wel leuk. ’t Is net als bij skiën: je gaat stiekem éigenlijk toch gewoon voor het après 😛

Ooit heb ik me echter toch op de één of andere dubieuze manier laten strikken door een vriendin die ook tupperware-hostess was. Het was zooooo goed te combineren met kleine kinderen, het verdiende super (en ik wou wel wat bijverdienen want mijn eigen zaak werpt in plaats van sappige vruchten over het algemeen hier en daar een droge beukennoot af…) Ik kwam in haar hostessengroepje, ging mee naar een aantal verplichte T-bijeenkomsten en ik kan niet anders zeggen dan: wát een idioterie. Een klein beetje sekte-achtig, een zaal met werkelijk óveral het tupperware-logo, kunststof en een stuk of honderdvijftig dames (geen heren… goh, hoe zou dat nou komen) die elkaar op regelmatige tijdstippen toejuichen en strijden om de hoogste groepsomzet. De winnende groep krijgt vervolgens een bups stickertjes (en balpennen… what the…) en bij een x aantal stickers krijgen ze dan een vaag kadootje (nog meer balpennen). Ik moest gelijk aan mijn smiley-systeem voor de kinderen denken. Wat een happiness en wat een groepsgevoel. Alleen voelde ik dat helaas niet zo heel erg (of eigenlijk helemaal niet). Het was me toen al duidelijk dat ik niet geschikt ben voor een T-carrière. Ik naam mijn werkelijk enorme T-tas volgestouwd met T-pruttel met enige schroom in ontvangst,  propte er pro forma een stapel catalogi en bestelformuliertjes in, smeet alles in de kofferbak en scheurde hard weg. En dat was het einde van mijn T-loopbaan want een echte party hosten heb ik uiteindelijk nooit gedaan. Die drie keer dat dat moest (om nog meer T-waar in de wacht te slepen), heeft vriendin dat gedaan en stond ik als hostess op het papiertje. Dat was echt lief van haar, maar natuurlijk kreeg zij daardoor ook een fonkelnagelnieuwe T-auto onder haar achterste geschoven waarmee ze van party naar party mocht tuffen. Ik moet wel toegeven dat de tupperware-artikelen zelf écht hartstikke goed en duurzaam zijn. Maar ze zijn ook reteduur (en ik ken de marges…) en het is en blijft – hoe je het ook draait of keert – kunststof, niet bepaald mijn favoriete materiaal op deze aarde. Maar wel mooi en onkapotbaar kunststof. Dat wel.

En nu, nu gaf mijn buurvrouw dus zomaar ineens een T(ea)-party. Nadat ik het twee jaar succesvol uit mijn leven heb weten te weren, was de T ineens back. Buuf had, wetende van mijn licht tot matige T-allergie, in de SMS-uitnodiging van midden december heel geheimzinnig “verrassingsparty” geschreven dus ik hoopte lange tijd op een lingerie-party (die heb je ook en daar was ik nou nog nooit, lijkt me best geinig en de lingerie die ze dan verkopen is werkelijk waar om je vingers bij af te likken) of nog beter: een dildo-party (da’s sowieso altijd lachen-gieren-brullen), maar woensdag ervoer ik dus wat me echt te wachten stond. Weigeren kon ik niet want buurvrouw was ook op alle party’s die ik ooit in een vlaag van verstandsverbijstering gehouden had (welgeteld vier: twee keer Tupperware, één keer Gonis, één keer Partylight). Dan bak je een taart, zet je thee, koffie, wijn, sekt en een bak chips op tafel en dan komt de desbetreffende hostess jou en je medeslachtoffers vertellen wat je voorrrralllll allemaal moet kopen omdat het nu zo gewéldig in de aanbieding is.  Dat duurt een uurtje of anderhalf, moet je even doorheen. De rest van de avond is dan wel leuk.

Gisteren viel het echter heel erg mee. Het meeste van de T-waar heb ik al lang (tja…), ik heb wat vervangende onderdelen (je verliest wel ‘ns wat hè, en ik vrees dat de meeste missende onderdelen ergens in de biobak beland zijn :-S ) weten te ritselen, en gezien het feit dat ik geen alcohol meer gewend ben, kwamen de twee glazen rode wijn behoorlijk goed aan en vond ik alles best. Ik heb het bestelformuliertje natuurlijk nog hier thuis liggen, ter plekke bestellen is nooit een goed idee. De dame pakte na haar verhaaltje haar roze mega-T-tas op rolletjes weer in en kletste vervolgens gezellig mee in onze ronde van acht. Ze deed nog een magere poging om mij terug te winnen voor het T-bootcamp maar die dagen zijn vervlogen nadat ze er nooit geweest waren.

Ik heb genoeg duur(zaam) Tupperspul. Mijn kinderen hebben straks in ieder geval een leuke, onbreekbare erfenis.

Tupper

Sorry

… maar vandaag wordt ’t hem ook niet.

De kat is teruggekeerd (zat waarschijnlijk ergens in een muffe garage vast totdat de bezitter het ding vandaag tegen de middag weer open deed), alle laptops doen wat ze moeten doen, zoon leert Engels, het familiebezoek was best gezellig en kort genoeg, de peperdure coffeïne-shampoo die ik heb gekocht, doet daadwerkelijk wonderen (die zich in de vorm van een geëxplodeerd kapsel manifesteren), het is nog steeds mistig en miezerig buiten,  the time of the month has passed on once more. Dus. Nog steeds heen ene lol te beleven aan mij en ik voel me dan ook echt intens en verschrikkelijk saai.

Gisteren zei ik vol goede moed: “tot morgen”.
Dat zeg ik vandaag dan maar gewoon opnieuw.

Tot morgen.
Of overmorgen…

 

(en natuurlijk moest het GEEN ene lol zijn, maar goed, die ene lol is ook henen…)

De ondraaglijke leegte van het schrijven

Ik snap het niet. Ik zit hier al minstens een uur naar een leeg en wit wp-blok te koekeloeren. Kijk met een half oog naar een gruwelijke middeleeuwse film, kopieer de 36GB aan foto’s van mijn moeder van hot naar her (eerst vanuit de voor de ene computer niet leesbare image op de externe harde schijf naar mijn eigen computer die ze wel kan lezen – yeah man – en van de mijne als normale jpeg’s terug naar de externe harde schijf zodat ik ze op andere laptop, waar ze eigenlijk heen moeten, op kan slaan. Een proces wat ettelijke uren in beslag neemt), maak thee, lurk op facebook, whatsapp wat in het rond, zie Buzz Aldrin op TV offliften, bedenk me dat ik de was er nog uit moet halen, drink nog maar een kop thee. Maar schrijven lukt niet. Niet zoals ik het wil.

Er is zoveel gebeurd de afgelopen weken… Dingen die lange tijd een gegeven waren, zijn ineens niet meer. Weggevaagd. Dingen waarvan ik wist dat ze 2013 niet meer goed zouden komen, gaan in 2014 met volle zekerheid de fase van de positiviteit in. Alles komt tóch nog goed. Dingen die ik al lang verloren gegaan achtte, blijken ineens nog aanwezig te zijn. Floep, daar zijn ze. En dan staat het woord ‘Dingen’ voor veel meer dan enkel ‘dingen’. Het meeste ervan is sowieso niet tastbaar.

Buzz is alweer terug van zijn maantripje. Voor de zoveelste keer. Mijn galstenen zijn inmiddels ook klaar met hun potje Yahtzee. Sinds nieuwjaarsdag vonden ze het blijkbaar nodig om mij eens even te laten voelen hoe dat dobbelen écht moet. En dat voelde niet fijn, kan ik u verzekeren. Als ze nog een keer zo’n bui hebben, gaan ze d’r uit. Kunnen ze in een potje verder vegeteren. En ik, ik zit op de bank en denk na. Op mijn eigen chaotische wijze. Morgen is de laatste dag van de kerstvakantie. Ja echt, 6 januari is een feestdag hier hè. Die drie koningen moeten nog even voorbij hobbelen.

Maar het schrijven zelf wil nog steeds niet. Ik mis mijn humeurigheid. Het ontbreekt mij aan stemmingswisselingen. En aan de ‘highs’ die mij deden borrelen. Aan de diepe dalen die me met tranen in de ogen emotionele woorden lieten produceren. Aan de vlakheid die me liet ratelen over de meest onzinnige dingen.  Ik ben te zen… En dat zelfs ondanks het feit dat het weer zo’n geweldige tijd-van-de-maand is. Hoe is het mogelijk… Kan dit überhaupt? Man bemerkte het ook al. Toen ik hem mededeelde dat hij alle denkbare bedactiviteiten behalve slapen momenteel kon vergeten vanwege dattem, zei hij enkel: “Dat kan niet. Je bent helemaal niet explosief geïrriteerd…”. Nee, inderdaad. Maar alles is ‘gewoon oké’. Behalve dan dat er weer eens een kat van ons de hort op is en maar niet thuis wil komen, maar dat is nou ook niet de meest interessante lectuur voor de gemiddelde bloglezer.

Zogauw ik weer instabieler, emotioneler, geflipter of liefdesgestoorder raak, meld ik me weer.
Tot morgen.
Of overmorgen…