De dood relativeert, no matter what

Op 4 november 2017 verloor ik een vriendin aan kanker. Een melanoom werd een hersentumor (met de veelbetekenende naam ‘Remi’), werd een uitzaaiing in het hersen- en ruggenmergvlies, werd de dood. Dat alles in een paar jaar tijd. De laatste fase ging echter zó enorm snel dat het insloeg als een bom.

Die bominslag kwam bij mij pas meer dan een dag later. Puur omdat ik de mededeling op Facebook niet meegekregen had. 6 November ’s ochtends, een half uur voor mijn tennisafspraak. Tóén wist ik het pas. En wist niet meer hoe ik het had. Ik ben toch naar de tennisbaan gegaan, heb mijn hart uitgestort, de ogen uit mijn kop gejankt in het bijzijn van mijn tennisvriendin en toen maar een potje keihard ballen over de baan gemept. Gewoon omdat het kon. Nóg kon. Nog kán.

God, wat relativeert dit. Ik besefte pas meer dan een etmaal later dat ze overleden was. Waarom? Omdat ik met mijn eigen – nu plotsklaps tot futiele proporties geslonken – sores bezig was. De bouw van een huis, waar natuurlijk van alles misgaat in de laatste fase. Een op stapel staande verhuizing die voor een hoop stress en chaos zorgt. Wat napijn van een gekneusde rib. Een rottige rechtszaak. Een niet aflatende berg werk waar ik me doorheen moet worstelen. Een naderende scheiding, niet alleen van mijn ex, maar ook van mijn bedrijf in München (dat ik al 17 jaar heb), omdat een bedrijfspartner het voor gezien houdt. Vijf websites die door moeten draaien. Kinderen met leerproblemen die veel begeleiding vergen.

Na de ochtend van 6 november zie ik dat alles anders. Bij al die dingen denk ik alleen nog maar: NOU EN!? Ik ben BLIJ met die idiote rechtszaak; zoiets stond toch al op mijn bucket list. BLIJ met alle andere ‘problemen’, die eigenlijk helemaal geen problemen, maar gewoon ‘leven’ zijn. BLIJ met alle drukte en stress die je laten voelen dat je er nog bent. Want ja, ik besef nu dat ik er ben nog ben om het allemaal mee te maken. Maar mijn vriendin is er niet meer. Haar trof dat verrotte noodlot veel te vroeg. Haar man en twee kinderen (net zo oud als de mijne) moeten nu zonder haar verder. Onvoorstelbaar, onvatbaar, onbegrijpelijk. Alles ‘on’.

En het egoïstische in deze is: ik heb spijt. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik, de keren dat ik in de buurt was, niet even belde of ik haar kon bezoeken. Dat ik niet even iets regelde om nog een kop thee op ’t terras met haar te kunnen drinken, om nog een keertje bij te kletsen. Want ik dacht steeds: ik heb nu zoveel te doen en ben maar zo kort in Nederland; dat doe ik de volgende keer wel. Maar er komt geen volgende keer meer. Nooit meer. Mijn ‘had ik maar’-gedachten nemen de overhand. Ik kan nu alleen nog maar in mijn eigen hoofd afscheid nemen en me voor mijn kop slaan dat ik dat niet gedaan heb, toen ze er nog was. Spijt is een bitch, net als de kanker die me mijn vriendin afgepakt heeft voordat ik nog een keer met haar afgesproken had.

En dat, dát relativeert. Enorm. Who cares? I care. Maar ik geef niks meer om die mafkees die samen met zijn juriste een berg geld van me wil. Die verhuizing doe ik met links; zal wel goed komen. Scheiden? Levert óók vrijheid op. En die vrijheid om te leven, die zie ik nu weer. Door mijn vriendin. Want ik leef nog, alleen besefte ik dat de laatste tijd niet echt meer. Nu wel. Alles is nu.

Dank je Sandra, voor jou. Voor wie je was, jij positief, liefhebbend, vechtend, übermooi en veelkleurig mens. Veelkleurig was je, van je Desigual-jurkjes tot aan je hardloopschoenen. En je ijsvogel, jouw symbool geworden. Als er iemand voor mij hét voorbeeld was van een doorzetter, een nooit-opgever, dan was jij dat wel. Dóórrr!! No matter what. Je was 15 jaar lang een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van ‘gewoon goed zijn zoals je bent’. Mijn afval-maatje was je ook. Alleen vrat ik het er allemaal weer aan en jij niet; jíj zette door. Zoals je altijd door wist te zetten. Tot de marathons aan toe.
Doorloper –> Hardloper –> Marathon(s)loper –> Wereldloper –> Ultraloper! –> Roparunloper.
Zo staat het ook op je rouwkaart. Want dat was jij ‘ten voeten uit’. Letterlijk. Het waren je – opeenvolgende – titels op ‘ons’ forum. Want lopen kon je. Je begon ermee en was meteen niet meer te stoppen. Tot nu. De allerlaatste finishlijn.

Ik zal je zo ontzettend missen. Gewoon, om wie jij was. Dankjewel dat je zelfs nu nog in staat bent om eigenwijze, tobbende, zelfdestructieve mensen zoals ik weer met twee benen op de grond te zetten. Mijn spijt zal ik nu zelf de kop in moeten drukken. Voorbij moeten lopen. Want jij zou met grote stelligheid gezegd hebben: “Je hebt echt niks aan ‘wat-als’ en ‘had ik maar’!” Je zou me een knuffel gegeven hebben. Me aangemoedigd hebben om de tranen te drogen en mijn schouders weer recht te trekken. “En dóórrrr!! Ja? Je kunt het!” Ik hoor het je nog zo zeggen.

Maar ik wil nu nog niet door. Ik wil nog even huilen. Om jou. Om het verlies van een prachtmens. Meehuilen met je lieve man en je schatten van kinderen. En dán ga ik weer door. Beloofd. Met een duizend keer beter besef van wat écht belangrijk is in mijn leven. En wat totaal niet. Ik zal weer lachen. Al was het maar omdat jij dat ook altijd deed, ‘no matter what’.
Dank je, lieve San-meis.

bron: pixabay.com (en die ene Kafka)


En nee, ik probeer hier niet te ‘scoren’ met het verdriet en verlies van een ander (zoals sommigen altijd weer schijnen te denken; eigenlijk te triest dat ik de noodzaak voel om dit hier te moeten vermelden). Dit is ook mijn verlies. Dit is mijn manier van afscheid nemen, mijn manier om het verdriet te uiten, mijn manier van dankjewel zeggen, mijn manier om haar liefsten en naasten te laten weten dat ik hier en nu met ze meeleef en meehuil. Ik kan niet bij de uitvaart zijn (gelukkig wel virtueel). Het laatste afscheid dat nu, op het moment dat deze blog verschijnt, plaatsvindt. Die 1000km afstand kan soms (nu) heel bitter zijn. Daarom doe ik het maar zo.
En de nacht werd weer dag.
Dag…

“Mama, waarom was je er niet?”

bron: eigen foto (LB)

Gisteren was een gitzwarte dag in mijn moederschapscarrière. Over het algemeen doe ik het best oké als moeder, geloof ik. Maar deze vrijdag was ik bij uitstek de slechtste moeder van het noordelijk halfrond.

Een week of twee geleden moest ik weer eens een of ander briefje ondertekenen. Een voorstelling van dochter (11), samen met het theaterclubje van haar school, voor alle klassen en natuurlijk alle ouders; of en zo ja, met hoeveel personen ik de voorstelling bij zou wonen. Het was wel een dag waarop de kinderen niet bij mij zouden zijn (dus ‘vrij’ om uit te slapen, te werken en te klunzen), maar ik zou natúúrlijk gaan kijken, wat dacht je! Mijn dochter op de planken. Altijd leuk.
Ik zette mijn krabbel eronder en plantte datum en tijd in mijn online agenda. Klaar. Van later zorg.

Je raadt het: die vermaledijde vrijdag dacht ik helemaal nergens meer aan. Ik zag de notificatie van de google-agenda ook niet (was die er wel geweest?).

Om zes uur ’s avonds ging de telefoon: mijn dochter (zei ’t beeldscherm).
“Hai meiske! Wat lief dat je belt! Hoe is het, lieffie?”
Stilte.
“Joehoe! Ben je er nog?”
“Ja.”
Weer stilte. En dan:
“Mama, waarom was je er niet vandaag?”

Ik hoor de tranen in haar stem en val nu zelf stil. Dan herinner ik me wat er vandaag was. Grote K met een flinke ‘u’ en een lange ‘teeee’. Ik slik. Hoe kón ik dit vergeten… Ze is er zo lang mee bezig geweest met haar theaterclub. Kleren uitgezocht. Dagen van tevoren al zenuwen. Twee keer achter elkaar optreden. En dan ben ik er niet.
Ik kan wel door de grond zakken.

“Oh… meisje toch… ik ben het compleet vergeten. Hoe kan dit… Het spijt me zo ontzettend gigantisch…”
“Nou ja,” hakkelt ze, “geeft niet…”
“Jawel, geeft wel! Ik voel me nu echt zo, zó enorm stom… Ik bén stom! Ik had dit niet mogen vergeten. Ik heb er echt totaal niet meer aan gedacht, terwijl ik wist hoe belangrijk dit voor jou was. Het spijt me zo erg…”

“Ik heb je overal gezocht, mam,” murmelt ze schor.
Ik hoor haar de tranen wegslikken. Ik doe hetzelfde. En weet niet meer wat te zeggen.

“Ik voel me nu echt zo’n gigantisch slechte moeder…”
Ai. Dat roetsjte eruit. Dat moet ik nu juist niet zeggen, want ik weet dat ze dat gaat tegenspreken. En dat doet ze ook, lief als ze is.
“Nee, nee, dat ben je niet. Je bent geen slechte moeder. Iedereen vergeet wel eens iets. En ik ben een nog veel grotere chaoot dan jij, hoor. Ik vergeet altijd alles. Nee mam, je bent geen slechte moeder hoor. Echt niet.”

Maar ik voel me er wel eentje. Een rund van een moeder. En wie is hier nu eigenlijk de volwassene? Ik, die echt niet meer weet wat ze uit moet brengen van schaamte, of zij, die mij door haar tranen heen probeert te overtuigen dat het allemaal niet zo erg niet is?

“Is het goed gegaan dan? Was het wel leuk?” Ik probeer het maar met doorvragen.
“Ja! Het ging heel goed, maar ik was doodzenuwachtig. Waarschijnlijk was ik nog zenuwachtiger geweest als jij er wel was geweest, dus misschien was het maar beter zo. Oh, en ik ben met de buurvrouw mee terug gereden, want ik moest ook nog naar huis [= huis van vader] komen, hè…”
Oh ja. Oeps. Ook dat nog. En ik voel me zo mogelijk nóg mislukter. Ik heb mijn dochter echt volledig in de steek gelaten. Ik huil inwendig weer een beetje harder.

“Heb je foto’s? Kan ik die dan nog zien?”
“Ja, Max heeft een foto gemaakt met mijn mobiel. En een filmpje. Wacht, stuur ik je zo even op Whatsapp. Nu moet ik eten mam! Tot maandag! Ik hou nog steeds van jou, hoor!”
“Dag schatje, ik ook van jou!! En het spijt me echt, echt, echt enorm. Maar ik kan het meer niet veranderen…”
“Weet ik toch! Kus, mam, tot gauw. Kusje!”

Bron: eigen foto (LB)

*Ploink* – daar is de Whatsapp. Helaas heeft Max zijn zusje erop gezet, dus dochterlief is op het filmpje niet te zien. Op de foto nog nét. Een sliertje dochter aan de rand van het podium.
Ik stuur haar een paar hartjes en: “Jij bent de liefste en de geweldigste dochter die een moeder maar kan hebben!”
“Jij ook!” komt er meteen terug.
“Ik zal het oma zeggen  😉 ”
“Haha!”
Er volgt nog een ‘ich hab dich sooooooo lieb!!!’-appje (dochter is Duitstalig), begeleid van x-tig uitroeptekens en een buslading zoensmiley en hartjes.

En toch… Tóch zal ik me nog wel even die slechtste moeder van het noordelijk halfrond blijven voelen. Ik heb nog tot maandag de tijd om na te denken over mijn zware moederfout en hoe ik dit maandag in hemelsnaam weer goed kan maken.

Wáárom was ik er niet…


Ook verschenen op HoeVrouwenDenken.nl

De onsterfelijkheid online

Bijna middernacht. Ik wil mijn computer afsluiten en nog even welterusten wensen op Facebook en Twitter. Een rare kronkel in mijn hoofd, want waarom doe ik dat eigenlijk? De meeste mensen die ik op deze manier goedenacht wens, ken ik ‘in het echt’ niet eens. Draagt het überhaupt iets bij aan de goedheid van de nacht van al die anderen op social media? Of toch enkel maar aan mijn eigen goede gevoel?

Plop. Een groot blok met dikke donkerblauwe omranding verschijnt midden op mijn beeldscherm; een notificatie van een app die ik voornamelijk heb om die gruwelijke FB-site aan te kunnen passen aan mijn wensen. Ik kan bepalen wat er verschijnt (timeline, feeds, filters), hoe het verschijnt (lettertypes, kleuren), waar het verschijnt (zijbalken etc.). Vind ik fijn. Ook al zo’n persoonlijke kronkel: waarom pas ik iets banaals en onbelangrijks als FB aan aan mijn visuele behoeften? Maar: de app deelt je ook op de meest idiote momenten mede wie er niet meer met je bevriend wil zijn. Aan de ene kant wel handig (soort van nieuwsgierigheidsbevrediging), aan de andere kant soms ronduit shocking. Dit was zo’n mededeling.

Deze ‘ontvriending’ kwam echter van een lieve vriendin, die al anderhalf jaar niet meer op deze wereld is. Dat raakte me onverwacht diep. Ik dacht ineens terug aan haar. Nu denk ik wel vaker zonder aanleiding aan mensen die ik al lang niet meer gezien of gelezen heb. Dan kijk ik out of the blue even op hun profiel, scroll er doorheen, like wat, zeg wat, en dan weet ik weer dat alles oké is. Ik denk ook met enige regelmaat aan degenen die er niet meer zijn, maar een directe aanleiding daartoe – zoals deze notificatie was – is er zelden. Het leverde een nieuw soort gevoel van herhaald afscheid nemen op. En ik snapte het niet, waarom was ze nú plots ook hier weg? Ik keek een laatste keer op haar profiel. Het was echt zo. “(+) Vriend toevoegen” stond er, maar dat vond ik not done. Taggen was niet ook meer mogelijk in de nachtelijke posting die ik daarop vanuit mijn hart schreef:

Het heeft iets onwerkelijks om kort voor middernacht ontvriend te worden door een vriendin, die anderhalf jaar geleden overleden is. Eind juni vorig jaar ging ze heen. Ik leefde mee in haar gevecht tegen kanker. Wat heb ik gehuild. Om haar, om haar zoontje, om haar dappere man, om het volledige wegblijven van enig antwoord op het ‘waarom’. De ondoorgrondelijke oneerlijkheid. Een verloren strijd. Ik volgde haar bruiloft, nog kort voor haar overlijden. We deelden, we schreven, we schreeuwden. We jankten.
       Ik weet niet wie haar account nu beheert, en het geeft ook niet dat diegene mij nu plots verwijderd heeft. Het is goed zo. Ik snap helemaal dat dingen afgesloten moeten worden. En dat andere dingen doorgaan. Ik zag mijn voortbestaande FB-vriendschap met haar als een soort van tribute, een herinnering die online doorleefde. Maar ze is er niet meer. Het is zoals het is. Ik zal me haar altijd herinneren als de dappere, lieve, moedige, immer levenslustige B., die zelf koos, zelfs het tijdstip van haar dood. Ik mag nu dan niet meer in haar kringen zijn, maar ze is en blijft in de mijne. Dag lieve B. In mijn hart is ruimte genoeg om altijd te blijven wonen, ook al is de gedenkwaardige FB-woning nu evident te klein geworden. Ik pink mijn tranen weg en denk even weer aan jou. Zoals ik wel regelmatig doe. Aan jou, mijn voorbeeld van een eeuwig dappere, sterke vrouw. Kus. Dag…

…en ik pinkte die tranen weg. Dacht terug aan haar, maar ook aan de mensen waar ik toen, in haar laatste dagen, veel mee sprak maar die nu jammer genoeg bijna allemaal weer uit mijn leven verdwenen zijn. Peinsde over hoe lang ik eigenlijk al niet meer aan haar gedacht had en dat het ergens best fijn was, om nu weer actief herinnerd te worden.

Maar wat bleek: de app is echt niet betrouwbaar. Althans, misschien ook wel, want de profielpagina was nu omgezet naar een In-Memoriam-pagina. Dat kan blijkbaar bij overledenen en dat registreerde de app, vermoed ik. Weer zo’n kronkel in mijn digitale wereld.

Mensen blijven online vaak sterker aanwezig dan ze in je echte leven ooit waren. Hun profielen blijven bestaan, hun accounts lopen – weliswaar vanzelfsprekend zonder updates – gewoon door alsof er niets gebeurd is. Ze blijven jarig, jaar in jaar uit. Henk Krol heeft dat ook al meerdere malen mogen ondervinden.

Online ben je dus nooit écht dood, je leeft digitaal verder. Je blijft bevriend met degenen die toen al bij je waren, blijft glimlachen en toekijken vanaf je profielfoto. Als niemand de toegang tot of het beheer over het account van de overledene heeft, niemand met een overlijdensbericht in de hand een aanvraag tot deactivatie indient, blijf je tot het einde der (FB-)tijden doorgaan met bestaan.

Deze ‘ontvriending’ (die er geen was) voelde als een fotoalbum dat zonder enige aanleiding uit de boekenkast donderde. Je schrikt even, pakt het verbaasd op, bladert er doorheen. En je herinnert je degenen die je dierbaar waren. In het echte leven kan me zoiets niet meer gebeuren: al mijn oldskool fotoalbums staan nog in een kast in een huis uit – hoe cru – een vorig leven. Daarom ben ik nu maar gewoon dankbaar dat er bij mij zo nu en dan, soms ongewild, altijd onverwacht, een digitaal album uit de FB-kast flikkert. Het houdt de herinnering levend.

Opgeven mag

Wezenloos staart hij uit het raam. Het ongenadig harde hout van de keukenstoel voelt hij tot diep in de broze botten van zijn zitvlak. Een paar uitgebluste en eindeloos vermoeide ogen kijkt langs de flats naar het donkergrijze water in de verte. Hij steunt met beide handen en kin op het handvat van zijn stok. Glinsterend vocht in zijn ogen. Alles is zinloos. Grauw. Eenzaam. Niets is het nog waard om voor door te gaan. Hij slaat zijn blik neer en perst de weerbarstige tranen uit zijn ooghoeken. Ze vloeien samen onder zijn neus. Een zilte smaak op zijn droge lippen.

Ze was de liefde van zijn leven, zijn hele leven lang. Haar ogen waren altijd de mooiste, de diepste en meest liefdevolle gebleven, zelfs toen ze langzaam maar zeker uitdoofden. Tranen van vreugde moesten de laatste jaren steeds vaker plaats maken voor tranen van pijn. En wanhoop. Toch bleef daar die glans. De glinstering en de fierheid van haar levenswil, die nooit door steeds dieper wordende rimpels en bovenlipgroefjes overschaduwd werd, weerspiegeld in haar lach. In al haar uren van lijden was ze onvermoeibaar moedig gebleven. Sterk. Positief. En de zijne. Maar ze had oneindig geleden. En alleen hij wist hoe zeer…

Ook nu kan hij zich de vibraties van haar zachte, diepe maar steeds zwakker wordende stem weer exact voor de geest te halen. Haar fluisterende, warme ademzuchten in zijn gehoorgang. Haar rozige geur, halsstarrig verankerd in zijn neusharen. 

Een glimpje zon valt op zijn knokige vingers. Maar in zijn beleving is er geen plaats meer voor zon of warmte. Er is enkel nog plek voor donkere wolken. En voor orkaanwinden waar hij onophoudelijk tegenin zal moeten blijven worstelen. Elke dag opnieuw. Elke nacht een eenzame kwelling.

Vierenzestig jaar lang was zij de zin geweest. De verlichting en de vreugde. Zijn basis en zijn bestaansreden. En nu, nu weet hij niet meer hoe dat leven nog te doorleven valt. Het beste deel van zichzelf, het deel dat zij in hem was, is voorgoed verloren gegaan. Zijn leven is het zijne niet meer. Wat een nutteloos recht is het geworden, dat recht om voort te bestaan. Geen liefde zal haar ooit kunnen evenaren. Nee, nieuwe liefde bestáát simpelweg niet.

Hij heeft er lang genoeg over nagedacht. Lang genoeg om te weten, dat hij niets meer blieft van dit hier en nu. De wijkverpleegster zegt hem telkens weer dat hij op moet passen voor een depressie. Dat hij zich op ‘andere dingen’ moet concentreren om niet op elk moment van de dag aan haar te hoeven denken. Wat nou depressie? En welke dingen dan? Hij kán haar niet zomaar uit zijn gedachten wissen, niet ontkennen, niet níet missen, niet één seconde vergeten.

Langzaam staat hij op. Zijn knieën trillen. Licht voorover gebogen en nog zwaarder op de stok leunend, opent hij de deur naar het balkon van de schamele, totale leegte uitwasemende seniorenflat, de houten stoel voetje voor voetje achter zich aan trekkend. Acht hoog is een mooie hoogte, maar het uitzicht op de haven, waar hij tot zijn pensioen vol overgave zijn werk mocht doen, wordt hem sinds een krap jaar door een betonnen kantoorflat ontnomen. Ach, wat zal het. Hij ziet immers aan weerskanten het kille water nog.

Tastend en wiebelend klimt hij op de zitting. Sluit zijn ogen, ziet haar beneden in het plantsoen weer staan. Ze wuift. Zoals altijd. De twijfel over het verkozen einde slaat toe. Is het dan zo verkeerd om dat waardeloos geworden bestaansrecht nu op te geven? Zo verkeerd om haar gedachteloos te willen volgen? Zo verkeerd om zijn gezicht voorgoed van dat felle, ondraaglijk verblindende licht, dat een restleven vol gemis enkel nog is, af te wenden? De dieptes van zijn verdriet schreeuwen hem uit alle macht toe. Toch hoort hij haar zachte stem, dwars door het geraas in zijn hoofd heen. “Volg, mijn lieve lief. Opgeven mag.”

Een voet op de balustrade.
Een weloverwogen stap.
Een recht op leven ingeleverd.






Vandaag precies twee jaar geleden schreef ik deze tekst vanuit een opwelling. Een schrijfimpuls voortkomende uit een song die ik destijds vaak luisterde. U mag raden welke song. En nee, het is niet ‘Love is all’.

Kwaaie vlieg

Rust zacht. Dat wens ik je. Ja, ik óók. Ik ken jou niet. Niet meer. Ik dacht je te kennen maar wat is dat nou helemaal, ‘kennen’ op al die huidige social media. Ik voerde hele chatgesprekken met je. Steunde je toen je in een relatiecrisis van reusachtige proporties zat. Aanhoorde alles, stuurde je knuffels. Gaf raad, was er steeds weer voor je. Ook diep in de nacht. Toen ik merkte, dat je borderline-achtige trekken vertoonde, praatten we erover. Geen doekjes erom, duidelijke woorden, fijne gesprekken. Ik vond je een lief, intens mens.
Jij, die werkelijk nooit een vlieg kwaad zou doen.

En nu, nu moet ik via onze ‘gemeenschappelijke vrienden’ horen, dat je onverwacht bent heen gegaan. Een goed jaar geleden deed je mij er plotseling uit. Alleen mij. Weg ermee. De overige eenenzestig gemeenschappelijkheden mochten kennelijk blijven. Ik vroeg je, direct op de vrouw af, wat ik misdaan had. Dat doe ik wel eens. Ik leer namelijk graag van mijn fouten. Na drie weken kwam er per mail een berichtje terug: ik was gewoon een vervelend mens dat steeds in het middelpunt zou willen staan. En ik wist te veel. Ondertussen snapte ik het nog steeds niet. Wát had ik dan precies nu ineens fout gedaan? Het raakte mij. Ik delete de mail en daarmee ook maar de vriendschap.
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Onaangenaam getroffen door het bericht van je dood, zal ik er nooit meer achter komen, wat er nu zo mis was met mij. Behalve dan dat ik een vervelend mens ben. Hetzelfde gevoel dat ik destijds had bij het overlijden van mijn exschoonvader. Hij heeft me nooit gemogen, ik was precies dat: vervelend. Lastig. Te eigenzinnig. Te dwars? Een vlieg in de schone soep.  Achteraf gezien zal iedereen in mijn exschoonfamilie vast beamen, dat hij het bij het rechte eind had. En goedmaken zit er nu ook niet meer in. Als ik maar wist, wát ik dan goed had kunnen maken?
Ik, die werkelijk geen vlieg kwaad zou doen…

Rust zacht.
Ik wens het je hard.
Met heel mijn hart.
Rust zacht.

Momentje.
Even een verdwaalde wintervlieg doodslaan.

Ik ben te verliezen

Het niet praten hakte er hard in.brug
Het niet horen, wat ik uitschreeuwde
nog zo veel erger.

Het niets meer zeggen. Het zei je niets.
Onmisbaar is tenslotte geen mens,
enkel een begrip.

Het oppervlakkige van nooit echt kiezen.
Slechts in acceptatie van mijn tekort
was ik tóch te verliezen.

Toen koos ik.

Relativiteit in theorie

“Alles is relatief!” Te pas en te onpas wordt het geroepen. Te gemakkelijk om moeilijke aangelegenheden steeds opnieuw te reduceren tot minimale issues. Je leeft maar één keer, toch? En die ene keer moet je er dan maar uit halen, wat er in zit. Maar wát zit er dan in vredesnaam in? En hoe weet je wáár het zit, zodat je het er ook uit kunt halen?

Je ligt in het ziekenhuis voor een kleine standaardoperatie. Je hebt pijn; de operatie is niet helemaal verlopen zoals het zou moeten. Thuis ligt er een zo mogelijk nóg grotere berg zorgen op je te wachten. Je weet eigenlijk niet eens hoe je leven verder zou moeten, overziet het niet meer. Onmogelijke keuzes. Grote verantwoordelijkheden. Rationaliteit moet per definitie overheersen, de wanhoop de kop ingedrukt. De pijn blijft. Wie biedt er nou meer ellende?

Naast je in de ziekenhuiskamer ligt nog een mens. Haar leven doorspekt van ziekte, verlies, verdriet, dood. Haar broer en twee zussen begroetten elkaar al lang in het hiernamaals. Een dappere, oude vrouw met existentiële angsten. Haar volwassen kinderen kijken naar haar, door goed gespeelde zorgen verscheurd. De kleinkinderen drukken oma uit plichtsbesef even tegen zich aan om vervolgens op de grond te gaan zitten wachten tot ze ein-de-lijk weer naar huis mogen. Oma kijkt het met lede ogen aan. Waarom zijn ze hier? Omdat het moet? Van haar hoeft het niet. Lijden kan ze zo veel beter in haar eentje.

Je kijkt naar de drie kleine sneetjes in je buik terwijl de verpleegster de pleisters vervangt en een nieuwe dosis pijnstillers op het infuus aansluit. Drie schone gleufjes van een centimeter. Morgen mag je vast naar huis. Een blik naar de buurvrouw. Het obligatoire privacy-gordijn ontbreekt in deze kamer. Haar wonden worden open en bloot verzorgd. Lappen huid van tien bij twintig centimeter ontbreken, afgedekt door smoezelig gaas, de rafelige wondranden compleet zwart. Op haar benen en in haar liezen is het een slagveld, overal waar de kanker uitgezaaid en weer weggesneden is. Etter en pus waar je kijkt. Een onderbroek kan ze al sinds maanden niet meer dragen. Langzaamaan vergezellen steeds grotere plekken van het doorliggen de melanomen die haar langzaam opvreten. Je hoort haar onderdrukt kreunen van de pijn. Niemand mag horen hoe erg ze in werkelijkheid lijdt…

Het móet beter worden. Het leven kán hier niet ophouden want dan gaat de boerderij er aan onderdoor. Wat moet dat worden, met alle varkens en achtendertig koeien als zij er niet meer is? Wie verzorgt de katten en de kippen? Maar ze weet het zelf ook. Rationeel gezien valt er voor haar niks meer uit te halen, uit dit leven. Op naar een volgend. Ze kijkt nog eens op naar haar kleinkinderen en tekent trillend de overdrachtsverklaring. Dat is pas rationaliteit. Ratio zonder keuzemogelijkheden. Ze sluit haar ogen en ademt langzaam uit. Hoe vaak zal ze dat nog mogen doen?

Ja. Alles is relatief.

 

Buikgevoel

Ze steunt zachtjes. De wond op haar been heeft dikke zwarte rouwranden. Wat bloederige korsten groeien door het gaas van transplantatiehuid heen. Op haar dij mist ze twee afgeschaafde lappen, felrode banen die pijn doen aan je ogen. Miep (eigenlijk heet ze Elfriede maar Miep vind ik beter passen) heeft huidkanker. Die van het ergste soort. ‘De Zwarte’, zoals ze het zelf noemt. Het type kanker dat zich ook gelijk in je lymfeklieren nestelt en van daaruit de rest van je opvreet.

Miep snurkt ’s nachts. Snoeihard. De uit haar liezen verwijderde lymfeklieren maken op de buik of de zij slapen onmogelijk en op haar rug heeft ze helaas geen controle over haar tong. Miep verontschuldigt zich en ik heb maar oordopjes gevraagd. Kleine moeite, meer rust voor allebei.

Na een dag redelijke stilte komen Miep en ik nader tot elkaar. Ze vraagt of ik haar wel versta, met haar sterke dialect. Ik stel haar gerust: ze kan voor haar begrippen ‘normaal’ praten, ik snap het wel. Ik kan alleen nog steeds niet toekijken hoe haar ontstoken wonden verzorgd worden maar ik hoor haar luid lijden. Miep heeft vijf jaar geleden al kanker gehad. Darmkanker. Veertig centimeter dikke darm mist ze nu, maar met alle chemo’s is ze twee maand geleden dan toch ‘genezen’ verklaard. En toen viel ze van de trap, bezeerde haar been op de plek waar enkel een vermeende spatader zat. Alleen kwam die spatader door de val ineens naar buiten en bleek een tumor te zijn.
“Da Krebs is a Hund,” mompelt ze zonder enige verbittering. En dat is ie.

Maar ze had het ook wel kunnen verwachten, zegt ze. Haar moeder had het ook. Het vele buitenwerk op de boerderij maakt van rare plekjes nu eenmaal zwarte kanker. Haar ene zus had eveneens darmkanker, die is al lang dood. Op haar zesenveertigste. Miep’s broer had prostaatkanker maar kreeg een hartaanval dus die heeft niet lang geleden.

“Is toch een mooie dood,” zegt ze. Gewoon omvallen en niks meer merken. Ja, zo zou iedereen dood moeten gaan. Haar nicht deed dat ook al zo mooi: die stond bij de kassa af te rekenen en zakte ineens in elkaar. “Poefff, weg,” zegt Miep terwijl ze demonstratief met haar vingers knipt. Zo hoort dat. Maar Miep moet eerst nog weer opkrabbelen want de koeien, de man en de katten wachten thuis op haar. En ze is nog maar éénenzestig hè! Te jong om nu al te stoppen met lijden.

Ik nestel me weer in mijn ziekenhuisbed en aanhoor mijn luid brommende en borrelende, vers geopereerde buik. Die probeert me overduidelijk iets te vertellen. Moet ik er dan toch maar naar luisteren?

 

The end of an era.

cryingeyeIk snap het weer eens niet. Komt vaker voor. Call me stupid, call me blond, maar soms snap ik er echt de ballen van. Je denkt: “Dit is voor altijd. Vanaf nu voor altijd. Nú zit het echt goed.” Je hebt wat problemen, je eigen sores, zorgen om je kinderen, ziekte, liefde, grenzen verleggen. In jezelf gekeerd.

En dan ineens knalt er een rotje. Oorverdovend, net naast je oor. BAFFFFF!!!! Geschrokken opzij kijkend denk je: “shit, wat da foek was dat”. Dat was een vriendschapsverband, dat weer los schoot. Net stevig vastgeknupt, nu weer on the loose. Ik kan hier dus niet tegen… Er zijn mensen op wie ik moet kunnen bouwen. Vertrouwen. Terugvallen. Mensen die er eens zijn, en er ook altijd zijn. Al ben ik zelf wel eens afwezig of met anderen bezig, ben ik in mijzelf gekeerd of door wroeging verteerd, ik bén er. En ik blíjf er. No matter what. Groepen die een eenheid vormen. For better or for worse. Waardevol.

Vrienden zijn er ook in mindere tijden. In tijden van weinig contact. Vrienden zijn de bloemen in je levenstuin. Ze bloeien zomaar, ineens, en op die tijden dat je het nodig hebt. Een echte vriend grinnikt over je grooooote verhalen, ook al zijn ze eigenlijk helemaal niet zo groots. En een echte vriend leeft met je mee als je diep in de problemen zit, ook al zijn die problemen óók niet zo gigantisch. Maar weg gaan, juist in de tijden dat je het moeilijk hebt, dat hoort er voor mijn gevoel niet bij…

En nog zo’n mooi cliché: een goede vriend is als de maan. Je hoeft hem niet altijd te zien, soms is-ie verscholen achter de hele wereld, soms wat onbeschenen en dus onschijnbaar, maar je weet gewoon dat hij er is…  En dat is wat ik nodig heb. Iemand waarvan ik weet dat hij/zij er is. No matter what. Niet weglopen uit de cirkel als je het gevoel hebt, in dat kringetje even niks te kunnen betekenen. Niet die oh zo belangrijke band doorbreken…

Een einde.
Weer eentje.
Maar oké.
Je bent niet weg.
Gelukkig niet.
Alleen moet ik
de nieuwe constellatie
éven verwerken.
Time. Place.
Will be.

maar het blijft
een dingetje…

bang verdriet

tears“mam, ik ben zo bang…
bang dat ik alles fout doe…
bang dat ik iets vergeet…
bang dat ik niks kan…
bang dat ik het niet weet…”

“mama… ik ben zo bang…
bang dat ik iets kapot maak…
bang dat jullie dood gaan…
bang dat iemand inbreekt…
bang om voor gek te staan…”

“mams… wat moet ik nou…
moet ik echt harder worden?
of gewoon maar nooit meer wakker?”
onkinderlijk groot zijn de zorgen.
van mijn oh zo lieve arme stakker…

Zo gruwelijk verdrietig en onzeker, zo verschrikkelijk onder druk. Dichtklappen, niks meer kunnen zeggen. Toch maar iets opschrijven, op goed geluk… Maar zo gaat het niet langer, dit gaat niet goed. Je kind zo te zien lijden, werkelijk waar, mijn moederhart bloedt. Het enige wat ik kan doen is helpen, alle hulptroepen aanslepen. Hem toch maar weer opbeuren door al zijn goeds te onderstrepen… Maar soms weet ik het echt niet meer, is mijn engelengeduld op. Kijk ik enkel nog vol emotie naar zijn geworstel en getob. Sluit ik mijn ogen, terwijl ik me achter mijn handen verschuil. Opdat hij niet ziet hoe hard ik om hem huil…

..

(c) Lou

ja wat nou!

ik weet geen titel. Ik heb al in geen eeuwen meer geschreven. Zo voelt ’t althans. Mijn laatste blog is van 20 juli, bijna drie weken geleden. Het lijkt echt een eeuwigheid. We zijn op vakantie geweest. Een niet onverdeeld overgelukkige en relaxte vakantie, een schriftelijke klacht incluis. Daar blog ik ook nog wel een keer over. Vandaag nog effe niet.

Ik weet niet eens meer hoe het moet, dat bloggen. Ik zit hier en denk: “why the hell zal ik dit hier neerzetten.” Maar het is het gevoel wat er uit moet. Het gevoel dat alles te snel voorbij gaat. Het gevoel dat alles onder mijn neus gebeurt maar ik het niet zie. Het gevoel dat ik niet voldoende leef. Ik rij de berg af naar beneden, op weg naar de Lidl en het enige wat in me opkomt is: “bekrompenheid ten top”. Een durp, een school, een Lidl. Holladijeee.

Ik wil weg… Ik wil léven!!
Want zomaar ineens is het over en zelfs dat merk je dan zelf niet meer. Vandaag vernam ik dat een kennis (vader van vriend) een week geleden zomaar ineens, out of the blue, een zware hartaanval heeft gehad. De tot dan toe relatief fitte, vrolijke, levenslustige man van 63 kiepte om. Hersenschade niet te overzien. Net met pensioen en vanaf nu een kasplantje. Ik heb meerdere keren samen met hem getraind. En zomaar, van het ene op het andere moment, is deze mens onvrijwillig klaar met zijn leven. Want écht leven kan hij niet nu meer. Een toestand tussen coma en heel marginaal bewustzijn, nooit meer trainen, nooit meer reizen, nooit meer zijn kleinkind knuffelen, nooit meer zijn vrouw omarmen, nooit meer uit eten, nooit meer lachen, nooit meer liefhebben, nooit meer niks. Nooit meer. Zelfs de hoop dat hij weer zelf zal kunnen praten of eten is praktisch nihil. Wat is dat nou voor leven…

Na de eerste shock komt voor de achtenzeventigste keer het besef: leef nu… lééf!! Doe wat goed voelt, eet wat goed doet, zorg voor jezelf, geniet van alles wat goed is. Want zomaar ineens is alles voorbij. Dan is het te laat om te genieten. Het kloterige eraan is: hoe doe je dat. Hoe geniet je bewust. Hoe doe je precies dát waar je zin in hebt. Het dagelijkse leven haalt je na verloop van tijd toch weer in. Plichten, verantwoordelijkheden, kinderen, huishouden, moeten. En eigenlijk is dat maar goed ook. Want van de hele dag verplicht genieten wordt een mens ook weer intens moe.

Ik rommel maar wat verder met mijn leven. Als ik nu ineens omkieper, kan ik in ieder geval terug kijken op dik zeshonderd geschreven blogs. Oh nee. Dan kan ik niet meer terug kijken.

Ja wat nou…

Fijne mensen…

Ik kan niet begrijpen hoe.
Wanneer de randen zo scherp zijn dat ze je snijden, als heel fijne splinters van glas.
Wanneer je veel teveel voelt en je hebt geen idee hoe veel langer je het nog vol houdt.
Wanneer iedereen die je kent, alsmaar probeert om het allemaal glad te strijken.
Hoe dan een manier vinden om die pijn weg te nemen…
[P!NK]

Ineens merk je het. Een zekere persoon is weg. Zomaar ineens. Stilletjes uit je, al dan niet virtuele, leven gegleden. Niet uit het zijne of hare, gelukkig niet, maar uit het jouwe. Verdwenen. Omdat je geen daadwerkelijke verrijking bent. Geen verbetering. Maar kleine dingen laten je herinneren.  En je merkt het. Weg. Je merkt het en het steekt. Shock is misschien teveel gezegd maar een zwaar, opwellend en licht golvend maaggevoel. Waarom. Fijne gesprekken van toen. Kleine dingen voor elkaar doen. Hele kleine dingen, maar toch. Geen verrijking? Uiteindelijk onvoldoende betekenis? Voelt een beetje als weggedaan vanwege onhebbelijkheden…

Ook al zeg je van niet, ik ben toch wel degelijk te naïef voor deze wereld. Ja, ik heb veel mensen lief. Misschien wel teveel. (Kan dat? Ja dat kan) Goede mensen, in mijn ogen. Voor een ander duidelijk minder goed. Ik heb met maar heel weinig mensen problemen maar ik heb ettelijke onderlinge vijanden om mij heen. Ik bemoei me niet met hun oorlogen en (woord)gevechten. Het is energieverspilling en ik wil simpelweg niet moeten kiezen. Zolang men mij recht in de ogen kan kijken, blijf ik diegenen fijn vinden, ongeacht hun al dan niet slechte verstandhoudingen met anderen. Een groot hart? Mogelijk. Maar wat is nou helemaal een groot hart… Het mijne tikt nog steeds precies zoals het jouwe, hoor. Goedgelovig? Waarschijnlijk. Ik noem het liever Oost-Indisch blind voor chronisch slechte kanten. Iedereen heeft ze, maar ze zijn niet belangrijk. Ik wil ze liever niet zien. Voor mij blijven ze fijne mensen. Ook al leven ze in heel andere werelden. Ook al zijn ze niet op alle vlakken perfecte vrienden. Ook al zijn ze compleet anders. Ook al zeggen ze soms de verkeerde dingen. Ook al maken ze fouten. Daar zijn ze mens voor. Net als ik dat ben, met al mijn fouten, stomme dingen, verkeerde uitspraken en onzekerheden.

Maar is mijn leven door het (al dan niet hernieuwde) contact met een bepaald persoon dan ineens beter of rijker? Nee. Is het anders? Ja. Wat doet het er nou helemaal toe wannéér ik merk dat iemand ‘weg’ is? Het feit dát ik het merk zegt toch al genoeg? En ook het feit dat ik waarde hecht aan die persoon in de kantlijnen van mijn leven. Niet iedereen hoeft in mijn intiemste cirkel te staan om belangrijk voor me te zijn. Ik hecht ook waarde aan personen die in de marge staan en die er gewoon zijn, die me blijven accepteren om wie ik ben, die niet meteen afscheid nemen omdat ik niet de levensverrijking in persoon ben. Ik ben geen mens van ellenlange chatsessies, geen mens van uren durende telefoongesprekken, geen mens van dagelijks intensieve contacten. Ik zie veel niet en ik zie nooit alles. Maar vrienden zijn voor mij juist diegenen, die mij ook waarderen in de tijden dat er geen direct contact is. Die periodes kunnen soms best lang zijn maar als het er dan wel weer is, is alles nog steeds zo als voorheen. Men mag elkaar, men ligt elkaar. Klaar. Dat zijn vrienden, mensen die ik graag in mijn leven heb.

Jij bent jij, ik ben ik. Ik hecht waarde aan dat ‘contact’, ook al is het maar sporadisch. Waarom moet alles in vredesnaam altijd doelmatig en verrijkend zijn of iets opleveren. Gewoon het gevoel dat de ander er ook is, ergens in mijn levenscontreien, en sympathie voor je voelt, dat is voldoende. Voor mij. Voor anderen soms niet…

En ik kies niet. Niet snel althans. Ik wil het niet.
Dat heeft tot gevolg dat ik soms gekozen word.
Om geschrapt te worden. Daar heb ik het wel eens moeilijk mee.
Zoveel ‘fijne mensen’ die onderling niets (meer) met elkaar te maken willen hebben.
Zoveel verspilde energie.
Zo verschrikkelijk zonde…

toeval?

Het blijft maar in mijn hoofd spoken. Was het écht toeval? Of was dit nou intuïtie?
Is er toevallig tóch meer tussen hemel en aarde? Ik blijf het raar vinden.
Waarom? Waarom was ik wakker?

Wekenlange zondvloedachtige regen.
Vol vertrouwen in je nieuwe huis.
Terecht ook. Ons kan niks gebeuren.

Ik, degene die standaard slaapt als een marmot.
Ik, degene die gaat liggen en ‘weg’ is.
Tot het ochtendgloren. Ik ben een echte slaapexpert.

En toch. Deze nacht niet.
Zondagochtend in alle vroegte.
Om half vier wakker en niet meer kunnen slapen.
De eerste stroomstoring op het moment zelf merken.
Niet meer in slaap kunnen vallen, dan maar even naar de WC.
Het licht aan doen, absoluut uitzonderlijk.
Doe ik dus nooit ’s nachts. Maar het licht floepte uit.
En maakte de tweede stroomstoring gelijk merkbaar…

Dan gaat alles snel. De storing is dus niet meer enkel buiten maar nu in de kelder.
In het pikkedonker horen we de waterval, het water dat naar binnen klettert en in het stopcontact spettert. De oorzaak van de tweede storing. Dynamozaklamp zoeken en de watergeklater beter bekijken. En dan: Hooooozen!!! En de brandweer bellen. Eén keer kelder en afvoerschacht leegpompen alstublieft!!

De brandweer was er daadwerkelijk binnen vijf minuten, ook dat was een mazzel van jewelste. Vijf minuten later en ze waren ze allemaal op weg naar huis geweest, net terug van de laatste ‘klus’ en klaar met hun dienst. Een uurtje of twee later ontdekt en onze hele kelder had blank gestaan. Met enorme schade.

Waarom kon ik, opperslaapster, deze nacht niet slapen? Vanwaar die onrust? En dat zweten?
Waarom deed ik in vredesnaam deze nacht het licht aan in de WC? So not me…
Waarom moest ik überhaupt naar het toilet? Dat moet ik echt praktisch nooit ’s nachts…
Waarom merkte ik zowel die eerste als ook de tweede stroomstoring (een uur later) vrijwel meteen?
Waarom stond het water in de kelder precies tot de drempel, daar waar we ons laminaat, de tapijten en de meubels nog nét konden redden?
Waarom stond de brandweer naast hun wagen bij de centrale, net terug van de vorige klus en op punt om naar huis te gaan?
Zesvoudig toeval? Of toch niet…
Misschien kwam ’t wakker zijn ook wel gewoon door mijn naderende menopauze… is dat tenminste nog ergens goed voor.
Om half zeven ’s ochtends was alles alweer onder controle.
Bij ons wel…

Bij tigduizenden anderen mensen hier in Oostenrijk en in Zuid-Duitsland niet. Bij hen kwamen de rivieren naar binnen rollen.
Een paar kilometer verderop gaat alles ten onder in de watermassa’s.
Wat een ellende, verdriet, gemis.
Wat een oerkracht.

Mijn hart gaat uit naar al die mensen, landgenoten, waarvan de existentie door het water ineens is weggevaagd. Die mensen, die de nietsontziende kracht van het water letterlijk aan den lijve ondervinden. Met ons hier gaat het prima, hier op onze bult. Dat beetje wateroverlast wat wij hadden, is al bijna vergeten. Jullie, een paar kilometer van ons vandaan, moeten afzien…  Het water trekt zich inmiddels langzaamaan terug. Nu komt het opruimen. Afgezien van geld overmaken (al lang gedaan) kan ik niks doen. Maar als ik wat zou kunnen doen, zou ik het meteen doen…

.

.

Viel Kraft und Mut Euch allen. Halte durch…
Hochwasser

Verleden leed

Leed.leed
Verleden tijd.
Het lijden voorbij.
En toch ook niet.
Eigenlijk gaat het
gewoon door
en blijft geleden
leed een lijden…

..

(c) Lou

Traanarts

Vandaag was het weer eens zover. De tandarts stond op ’t program. Vanwege alle ziekengedoe van de afgelopen maand(en) tandartswas de afspraak inmiddels al twee keer verzet maar vandaag leek het erop dat alles ging lukken.

Weer een nieuwe tandarts. We hebben er inmiddels al vier (eigenlijk vijf, één was een ‘nood-tandartse’ waar we daarna verder niet meer zijn geweest) versleten. Zoon durfde er keer op keer niet meer heen want elke keer opnieuw was hij weer een traumatische ervaring rijker. De één boorde er lustig op los zonder te zeggen wat-ie ging doen (“dit is zo oppervlakkig, dat kan hij haast niet voelen” – yeah right), de ander japste er twee verdovingen in maar wachtte helaas niet lang genoeg waardoor zoon het trekken van zijn kapotte kies letterlijk tot in de puntjes voelde. Weer een andere zei geen woord maar liet ons stuk voor stuk fijn een half uur wachten in de stoel die toch al zo traumatisch was voor zoon. Eentje had zijn afspraken driedubbel gescheduled waardoor onze afspraak van 14:00h uiteindelijk om half 5pm kwam te vervallen. “Sorry, we gaan de praktijk nu toch maar sluiten, we zullen met u een andere afspraak moeten maken”. Nou mooi niet, ik wacht echt niet nog een keer met twee kleine kinderen 2,5 uur in een snikhete wachtkamer. Et cetera enzovoorts undsoweiter.

Deze tandarts was (is) tevens orthodontist en aangezien zoons tanden nogal scheef staan én hij (door alle antibitioca en overmatige mondgevoeligheid) nu al de tandproblemen van een volwassene heeft, leek hij me – op aanbeveling van de buurvrouw – wel een goede optie.  En dat was-ie. Een vriendelijke, lachende, open man met veel geduld en expertise. Afspraak om half vier, aan de beurt om half vier. Ondanks een volle wachtkamer. Alles prima gepland. Aardige, rustige assistentes. Ik had meteen vermeld hoe de boor in de steel zat bij zoon, dat ze echt geduld met hem moesten hebben en dat hij doodsbang was.

En toch was het ook deze keer weer opnieuw pure horror voor zoon. Er moesten afdrukken gemaakt worden voor zijn beugel (hij heeft een te nauwe beet en scheefstaande tanden). Te heftig trillend beet hij in de vinger van de assistente die de mallen vanwege de grootte even voor moest proberen. Stukjes van de felblauwe afdrukpasta raakten in zijn keel waardoor hij niet meer kon stoppen met kokhalzen. Dikke tranen. Nog meer braakneigingen, rode vlekken in zijn nek, wanhopige blik. Ik veegde met mijn vinger snel wat van de pasta uit zijn keel (mocht gelukkig) en hield zijn hand vast. Daarna moest er nog wat tandsteen ( 😦 en dat bij een tienjarige…) verwijderd worden, ook geen pretje. Ik probeerde hem steeds weer gerust te stellen maar hij verkrampte alleen maar verder. Nog meer tranen. De assistente deed het echt geweldig en zo goed als het ging tussen die duwende tong en bijtende tanden door. Het bloed dat hij uitspuugde in het spoelbakje gaf hem ’t laatste restje en hij keek me zo ontredderd aan… Spoelde zijn mond, rukte het plastic slabbetje af en rende met zijn iPod naar de wachtkamer. Wegwegweg van die stoel. Mijn arme knulleke…

Dochter was voor hem al aan de beurt geweest. Die is namelijk gek op de tandarts, heeft volledig ongevoelige tanden (net als haar vader, oh wat een zegen lijkt me dat), kreeg lof van de tandarts omdat ze zo goed gepoetst had en haar tanden prima in orde waren. Zelfs toen ze een jaar of twee geleden een gaatje had dat gevuld moest worden en ze daarbij met een spiegeltje alles minutieus kon volgen, vroeg ze naderhand wanneer ze dit nou nog een keer mocht want het was leuk! Uhuhh…

Ikzelf moest vanzelfsprekend ook nog even voor controle (alles prima, gelukkig heb ik meer dan goede, keiharde tanden want in principe ben ik net zo gevoelig en net zo’n schijterd als zoon…) en werd een klein beetje bijgepolijst maar ik kon om een paar minuten na vier alweer mijn ietwat gekalmeerde zoon oppikken in de wachtkamer, dochter vrolijk achter me aan hobbelend. Een half uur traanarts. Inclusief 3x röntgenfoto’s maken, beugelafdrukken happen en tandsteen verwijderen. Aan zoons trauma’s kan ook deze tandarts niks doen, dat hebben zijn collega’s al teveel verkloot. Maar bij deze blijven we, da’s een ding wat zeker is. Volgende week is de beugel klaar. Ik ben benieuwd of we het ding er elke dag zonder afgebeten vingers in gaan krijgen…

Time out

Door de tuin, over het bijna nieuw ogende pad van rivierstenen, liep hij naar de schuur. Zijn oude maar inmiddels weer verre van krakkemikkige werk- en knutselhok, een zelf opgeknapte, houten hooischuur op een meter of honderd afstand van de eveneens tiptop gerenoveerde woonboerderij. Dikke balken, een grote staldeur, de geur van oude motorolie en vers gezaagd hout. Alles had hij met liefde in perfecte staat gebracht. Zijn baan als machinist had hem zijn leven lang veel van het land laten zien, had hem altijd voldoening gegeven en hem jarenlang omgeven met die zalige bielzengeur. Totdat de betonnen bielzen kwamen… Springers had hij vanzelfsprekend ook meegemaakt. De aanblikken van die wanhoop voor eeuwig in zijn geheugen gegrift. Als hij dan toch weer thuis was, stortte hij zich op de gebouwen. Zijn gebouwen. Zijn tweede natuur, zijn lust en zijn leven. Timmeren, bouwen, ombouwen, renoveren. Nieuw, mooier en beter maken. Nooit te oud. Nooit te goed.

Maar nu, nu was alles af. Beter. Best. Op zijn mooist. En afgelopen. Afgemaakt. Sinds drie maanden was hij nu officieel met pensioen. Wat een rotwoord. Oudjaar. Einde van alle jaren. Een bedankje op papier voor zijn tweeënveertig dienstjaren. Waar vind je dat nou nog tegenwoordig? En een nieuw jaar vol met niks… En nu, nu waren ook alle bouwperikelen rondom huis en haard voltooid. Er was niets meer wat nog moest gebeuren. De laatste lik verf op de schuurdeur had alles afgemaakt. Klaar. Over en uit.

En ineens. Zomaar.
Was het daar.
Dat groots gapende gat.
Wat nu?
Waarvoor nog…
Waaróm nog…
Spring ik erin?
Of blijf ik eeuwig hangen…

Samen met Mara had hij net geluncht in het zonnetje op de gelikte veranda die door haar al liefdevol met een bloemenzee was uitgedost. De boel zou vast nog wel een keer gruwelijk bevriezen, maar dan zou ze er onuitputtelijk nieuwe bloemen neer blijven zetten tot ze ook écht in leven bleven. Ook al geen eeuwig leven. Ze was net even boodschappen gaan doen. Wat lekkere dingetjes voor vanavond bij de boterham, zei ze nog. Ze had hem nu toch niet meer nodig…

Hij slenterde voort.
De zinloosheid was tastbaar.
Zichtbaar.
In zijn voetstappen op de nog keiharde grond.
Blauwe hemel, de linde geur van lente.
Wat had het nog voor zin.
Druk scharrelende vlaamse gaaien.
Een blauw veertje achterlatend.
Waarom zou hij nog…
Dat lichte briesje dat door zijn laatste vlassige haren dwarrelde.
Wanhopige moedeloosheid maakte plaats.
Voor absolute leegheid…

Het bungelde een beetje. Stevig bevestigd aan de dikste balk in het midden van de schuur. Hij schoof er een gammel draaikrukje onder en draaide het nog iets hoger om echt zeker van zijn zaak te zijn. Het uiterste van de ketting. Een geschikt touw had hij niet kunnen vinden. Dan maar zo. Een zwaar gevoel. Even stond hij, ogen gesloten, en vroeg zich nog één keer af waarom. Het kon niet anders. Er was niets meer. Aan alle zinloosheid een einde. De ondraaglijke zwaarte van het bestaan. Even wiebelen, overgaand in een licht schommelen. Een troostend wiegen.

Het krukje kantelde en de auto van Mara reed steentjesknarsend de grindoprit op. Haar met verdriet en shock doordrenkte schreeuw hoorde hij al lang niet meer.

Hij wist het nu.
Het was zijn tijd.

.
.
Time.

.
Out.

.

.

.

.

.

N.a.v. enkele (privé-)reacties:
Please mind the tags!!! Dit is een volledig fictief kort verhaal. Het heeft niets met mij of mijn (directe) omgeving te maken.

Beest

Leed.
Verleden tijd.
Van lijd.
Het lijden voorbij.
Of toch ook niet.
Eeuwig duurt
het leed der tijden
en blijft geleden
leed een lijden…

Ik ben een gezegend mens. Zo zeg je dat toch? Ook als  niet-gelovige. Ik heb lieve, warme, onbetaalbare ouders die om me geven en die er altijd voor me waren in mijn jeugd. Die álles voor me deden en me altijd gaven wat ik nodig had. En dat allemaal ook nog steeds doen, want ik heb ze allebei nog. Ik heb een geweldige zus met wie ik meer dan goed contact heb en van wie ik megaveel houd. Ik heb een lieve man, twee fijne kinderen, een stel vrienden van goud en – voor zover ik weet – geen noemenswaardige vijanden. En ik heb nog zoveel meer. Ik zeg toch: gezegend. Mijn wereld was en is nog steeds een goede.

In tegenstelling tot werelden van anderen waarover ik lees, waar ik in mee kijk en als vanzelf in mee ga voelen. Ik zou het niet moeten doen maar ik beeskan niet anders. De ogen sluiten maakt niet dat het er niet meer is. Noodlot en ellende, verwaarlozing en misbruik, intense slechtheid en mishandeling. De één beschrijft en beschildert die ervaringen uitvoerig, de ander vreet ze op, ontkent alles en laat het leed opgeslokt worden door een groot zwart gat, in de hoop zelf niet meegezogen te worden. De één is in staat om dingen te laten rusten en zelf rust te vinden, de ander begaat uiteindelijk een wanhopige moord en blijft eeuwig malen over het ‘waarom ik’. De één wordt het absolute tegendeel van de kweller, de ander herhaalt zelf onbewust het ervarene. En waar stopt het dan… Stopt het überhaupt ooit?

Het is verbazingwekkend hoe krachtig, hoe respectvol en mooi sommige mensen kunnen worden ondanks alles wat hen en hun naasten is aangedaan. Maar ook na alles wat zij zélf hebben gedaan of misdaan. Als buitenstaander is het moeilijk om te onderscheiden tussen wat werkelijk was en wat waarheid is. Ik ga op mijn gevoel af, naïef als ik ben. Ik noem mij bewust niet intuïtief, het is een wíllen geloven in mijn eigen gevoel maar een toch niet compleet daarop durven vertrouwen… Maar juist daarom zeg ik dan ook gelijk maar niks meer. Mijn gevoel is nooit feilloos. Niemands gevoel is dat. Het faalt bij tijden, ondanks al die goede wil. Ik laat mijn gevoel rusten in de fase van empathie en respect, daar waar het ook hoort te blijven, de eeuwige buitenstaander zijnde.

Maar steeds opnieuw ben ik toch weer compleet overdonderd. Volledig in de war van alles wat mensen elkaar aan kunnen doen. Geschokt door die hel waardoor sommige ouders hun kinderen moedwillig laten gaan. Verdrietig door de beschuldigingen die broers en zussen elkaar naar het hoofd gooien. Wanhopig door al het wantrouwen en de ellende,  door alle vooroordelen en veroordelingen.

De mens blijft een raar beest.
Ik blijf mijn heftige pogingen doen
om dan maar tenminste
een goed, betrouwbaar beest te zijn….

En alles blijft anders.

Kom mee…

Woorden

Eigenlijk is ’t maf. Ik produceer hier dingen waarvan je zou kunnen gaan denken dat ik een borderliner ben. De ene dag ben ik überhappy, de andere diepdepressief. Zo lijkt ’t althans. Dat kunnen woorden doen. Platte tekst. Ik heb een off-day, ben sjaggie en verdrietig en melancholisch, heb even nergens zin in en blijf wat stilletjes onzin produceren. Ik zit met dingen waar ik zelf uit moet komen of zelf wat aan moet doen. Ik schrijf een blog en dat lijkt dan al gauw op een persoonlijke wereldondergang. Zou je me op straat tegen komen en vragen hoe ’t gaat, zou ik zeggen: “och… gaat wel hoor.” Vraag je door, krijg je een paar dingen van die berg hommeles die ik gisteren opsomde maar ook lang niet alles, vermoed ik.

Zaterdag was een heel mooie dag, ik heb bewust genoten van een heel aantal dingen en dat gedaan waar ik zin in had. In je achterhoofd spoken wel al de dingen rond die je bezig houden en verdrietig maken maar ze worden toch heel even zachtjes wat op de achtergrond gedrukt. Gisteren was het andersom. Alles drong zich op de voorgrond, niks meer om blij van te worden. Zo leek het. En dat weerspiegel ik. Vanochtend had ik een ochtendhumeur maatje kilimanjaro. Dat werd in de loop van de ochtend wel beter, er kwam weer wat humor tot leven. Tot vanmiddag. Weer een noodlottig bericht. Verdriet, angst, schrik bij één van mijn allerliefste vriendinnen. Dat hakt er dan weer in. Lieverd, ik denk aan jullie. De hele tijd. Heel, heel onnoemelijk veel sterkte. Ik duim me suf. Moet goed komen. Moet gewoon. Hearts will mend… literally. ❤

En toch. Toch  zijn het maar woorden… Woorden op één of ander display (ik ga er maar even van uit dat niemand mijn blogs gaat zitten uitprinten. Dat zou wel heel erg veel eer zijn…) Er zit zó veel meer achter. Gevoel. Hoop. Liefde Wanhoop. Medeleven. Woorden zijn heel fijne dingen. Maar soms zeggen ze veel te veel, staan ze bol van iets wat in werkelijkheid helemaal niet zo prominent is. En soms zeggen ze juist zo weinig dat een ander er zelf van alles in gaat lezen. Of ontbreken ze compleet en is juist die stilte oorverdovend en maakt dat je intens verdrietig.

Ik wou dat woorden voelbaar waren.
Gevoeld zoals ze waren bedoeld.
Geïnterpreteerd zoals beweerd.
Meer dan enkel die korte sensatie in je oor of dat beeld op je netvlies.
Ik wou dat ik er zoveel meer in kon leggen dan nu het geval is.
Altijd maar “komt goed” mompelen schiet ergens ook niet op…

Zelluf doen

Dat liedje van Rita Hovink galmt de hele dag al door m’n hoofd.
Je weet wel, dat van:
Laat me alleen, alleen met al m’n verdrietzellufdoen
’t Is beter dat ik nu geen mensen zie
Niemand, niemand, niemand die me troosten kan
Ik verloor m’n toekomst en m’n doel
Laat me alleen, alleen met al m’n verdriet
Een glimlach, dat wordt pure parodie
Iemand, iemand, iemand die gelukkig was
En verloor, begrijpt wat ik nu voel
bladiebla-huiljammer-lalala enzovoort.

Nou, zó erg is ’t dus niet 😛

Maar die eerste twee zinnen treffen ’t wel aardig. Laat me nou maar effe alleen. Láát me gewoon maar even. Ik heb geen toekomst of andere essentiële dingen verloren (absoluut niet) en m’n doel al ook niet. Ik had eigenlijk nog nooit echt een doel dus dan kan ik dat ook niet verliezen, toch? Ik weet ook heel, héél goed dat ik heel, héél veel lieve mensen om me heen heb die me allemaal willen helpen én troosten én knuffelen. En dat is ook superlief maar dat kan gewoon niet: a) omdat het niet eens zo zeer MIJN verdriet is waar ik mee zit, b) omdat het praktisch gewoon niet kán (ik moet er zelf mee dealen en de afstand is simpelweg te groot om te knuffelen, jullie wonen allemaal te ver weg!) en c) omdat men met dit soort dingen gewoon niet kán helpen.

Even een impressie van al die dingen:  Specifieke zorgen om de kinderen, groot verdriet van mijn allerliefste naasten, gemis, werkproblemen (peanuts though), mobbing-issues/gewelddadigheid op school waar ik me als klassenoudervertegenwoordigster én als moeder helaas intensief bezig moet houden, faalgevoelens, pijn (letterlijk), ontglippingssensaties (whoeiii), algehele stress en bij tijden alles verpletterende teneergeslagenheid en moeheid.

Dat laatste heeft voor het overgrote deel te maken met de winter, neem ik gemakshalve aan. Ik ben gek op sneeuw en winterse kou maar ik heb nu toch duidelijk last van winterdepressieve gevoelens. Ik slik wel vitamines (D en B enzo) en af en toe wat Sint-Janskruid maar echt helpen doet dat niet. Doorgaan dus maar. Ik heb een waslijst van (relatief grote dingen) die ik allemaal ‘moet’ en van dat vele moeten word ik ook weer moe. Heb ik ook al eens over geschreven geloof ik. Wat me momenteel heel erg bezig houdt is dat schoolgedoe. Tienjarige kinderen die door klasgenootjes in elkaar getrapt worden op ’t schoolplein, kopstoten, volledige respectloosheid naar elkaar én naar de leerkracht (“hé ouwe, waar bemoei je je mee”…), mobbing, scheldpartijen, notoir uitsluiten. Discussies voeren met ouders die de noodzaak van noodzakelijk optreden niet inzien of zelfs botweg niet geloven dat hun kind ‘dat’ doet (wat toch echt het geval is). Gesprekken met de leerkracht. Moeilijke gesprekken. En dit is dan nog maar de basisschool… Op de ‘middelbare’ school (hier is dat vanaf volgend jaar, na 4 jaar basisschool dus) gaat het er tien keer erger aan toe, heb ik al uitgebreid te horen gekregen. Fijn, ik verheug me er op :’-( Vanavond dus weer een hele avond vol e-mails en telefoontjes waar een mens nou niet bepaald vrolijker van wordt.

Dan zoon die vandaag weliswaar een geweldig cijfer voor Aardrijkskunde/Geschiedenis (hier een gecombineerd schoolvak, hij had een “1”, dat staat hier gelijk aan het cijfer 9 of 10) naar huis bracht (mensch, was ik me een potje trots! Háh!!! Heeft al ons moeizaam, langdurig en intensief samen leren daadwerkelijk vruchten afgeworpen – dit was zooooo goed en zoooo nodig voor hem!!) maar volgende week opnieuw de diagnoseprocedure in gaat voor zijn ADHD/dyslectie/dysgrammatisme/geheugenstoornis/hypermobiliteit etc. etc. omdat hij anders volgend schooljaar toch in een ‘normale’ klas zou kunnen komen en dat gaat ‘m helaas niet worden… Hij is er nu al bang voor 😦 (niet voor de diagnose maar voor een mogelijk falen op de navolgende school).

M’n liefste zus die momenteel zo verdrietig is en samen met m’n nichtjes opnieuw een flinke portie levensherinrichting moet behappen. Ik doe m’n stinkende best om haar op te vrolijken en gelukkig lukt dat bij tijden ook aardig (heb haar net even aan ’t lachen kunnen maken – ghehhh!! :-P) maar toch is het schrijnend, moeilijk, verdrietig en zit ik hier op zo’n Oostenrijkse hobbel zonder dat ik echt wat kan doen of zelfs maar gewoon een knuffel geven. Haar verdriet is simpelweg ook mijn verdriet… Love you, sweet sis!!!

Het gevoel dat ik ook bepaalde mensen ‘verloren’ heb of dat ze in ieder geval langzaam maar zeker uit mijn leven verdwijnen, om wat voor reden dan ook. Ik hou er niet van om geliefde mensen ineens weg te zien lopen, om genegenheid te zien verwateren, om de indruk te krijgen dat je éigenlijk niet langer meer nodig bent. Maar ook dat is in principe een heel normaal proces. Mensen komen zomaar in je leven en stappen er even plotseling weer uit. Net twitterfollowers of facebookvrienden. Ineens, zonder dat je de echte reden kent, zijn ze verdwenen. Floep. Dag vriend(in), zwaai zwaai, het ga je goed… Het mag dan normaal zijn, ik word er toch een beetje neerslachtig van. Ik weet dat ik ’t niet moet doen maar ik ga me dan dus afvragen wat ik fout gedaan of gezegd heb. Niet doen…

En dan die rotpijn die maar niet weggaat. Soms wat minder wordt maar nooit voor lang. Rug. Nek. Hoofd. Knie. Ik ken de oorzaak wel hoor, niks engs of chronisch aan, maar het maakt dat ik me een oud wief voel. Ik sport des te meer, in de hoop ooit weer ‘fit’ te worden (het ‘slank’ heb ik inmiddels bíjna alweer opgegeven, ik moet na 41 jaar vaststellen dat ik niet voor slank in de wieg gelegd ben maar ik was ’t zó graag geweest hè. In mijn hoofd ben ik een slank mens maar mijn lichaam werkt niet mee.  Maar dan moet je ook niet een hele doos kersenbonbons in een moment van verstandsverbijstering naar binnen werken. Nou ja. Dan maar fit & fat ofzo…). En dan zijn er nog een aantal dingen die ik hier niet kan en niet wil noemen of vertellen. Te privé, dus gewoon niet.

Pijn. Verdriet. Zorgen.
Verliezen. Stress. Faalangst.
Afvalsores. Verlatingsangst.
Nog meer verdriet. Frustratie.
Dat.
Dus.
Niks onoverkomelijks.
Er zijn ergere dingen in de wereld.
Véél ergere dingen.
Zelfs in mijn directe omgeving.
Dus.

Laat mij daarom maar fijn sudderen. Ik zal dan ook gewoon doorgaan met repareren, werken, vrolijk worden, liefhebben, ontzorgen, ontstressen, minder vreten en meer sporten.  Beloofd.  En OOIT (wat een stom woord) komt alles GOED (wat een mooi woord).
Goed?

Maar laat me nu maar even.
Ik moet het toch zelluf doen.

Life is a beautiful balance of holding on and letting go.

Ik ook van jullie.

XXX

.

(tjeejjzus, nu ik ‘m gepubliceerd heb, zie ik pas wat voor rotlap tekst dit is. Nou ja. Sorry daarvoor.)

Een kerstgedachte

Inmiddels is ook die tweede kerstdag alweer bijna voorbij. Het grote gebeuren is achter de rug en ik mijmer wat over wat nou echt belangrijk is met de kerst. Wat is kerst überhaupt… Rare naam ook. Kerst. Kerrrsst. Kers, kerser, kerst. Zoiets…

Kerst komt natuurlijk van Christus en het woord Kerstmis werd oorspronkelijk alleen maar gebruikt als betiteling voor de mis die ter ere van de geboorte van Christus werd opgedragen: de kerst-mis dus. In de Middeleeuwen waren dat op de avond van de geboorte dus speciale nachtmissen. In het oud-Engels sprak men over Christes maesse, oftewel de mis van Christus, Christmas…

Ik persoonlijk vier niet de geboorte van Christus. Het zal me volledig om ’t even wezen of die man ooit geboren is of niet. Voor mij is dat betekenisloos. Wat mij betreft kunnen we kerstmis dus ook gewoon herbenoemen in bijvoorbeeld het Lichtfeest o.i.d. (in navolging van het Suikerfeest, gheheh). Want dát vier ik, als heidense heks: het midwinterfeest. Ik vier dat de dagen weer langer worden, er weer meer licht en warmte komt. kerstgedachte1Voor mij is ‘kerst’ iets wat ik vier met mijn liefsten, de mensen die me dierbaar zijn. Het feit dát ik dierbaren heb. De warmte van de liefde en het licht. Mijn gezin, mijn ouders, schoonmama, zus/schoonzussen met familie, lieve vrienden, gewoon alle mensen die ik lief heb en waarvan ik weet dat ze mij lief hebben. Dat is wat ik vier want zo vanzelfsprekend is dat niet, helaas. Teveel eenzame mensen, teveel ellende en verdriet…

Maar terug naar de materie. De kerstgedachte. En al die kadobergen die daar mee gepaard moeten gaan. Ik kan er niet aan wennen… Op kerstavond (de 24e dus) hadden we de eerste ronde. De thuiswedstrijd. Op zich een uiterst aangename, relaxte dag, gewandeld in de zompige resten van gesmolten sneeuw, lol met de buren, heerlijk gegourmet met de kinderen en, natuurlijk, pakjes onder de boom met échte kerstboomkaarsjes (en een brandblusser in de aanslag). De kinderen waren tevreden met hun kadootjes (hoewel dochter gelijk even voor de zekerheid vroeg: “maar morgen komt de rest hè??” – pffff… welke rest?), speelden er gelijk op los, gingen vergenoegd naar bed en wij keken nog een film onder het genot van een wijntje en veel kaarslicht. Op naar 1e kerstdag.

Vroeg ontbijten want het middageten bij schoonma is nooit ‘licht’ en altijd tussen twaalf en één. Nog even de laatste spullen in de auto proppen en op naar ’t noorden, alwaar de Schnitzels al in de olie lagen te  pruttelen, de frkerstgedachte4iteuses voor de frieten al op standby stonden en de bonensalade al voorgeproefd was. Tegen de middag was iedereen present en werd er – hoe opzienbarend – gegeten. Vrijwel vlekkeloos aansluitend kwam de koffie met notentaart en kerstkoekjes, waarna ook meteen de champagne (met nog meer kerstkoekjes) opgediend werd. Nu barst ik zonder eten al redelijk uit mijn voegen maar na deze gang stond ik echt op knappen. Afslaan is geen optie.kerstgedachte3

Een korte wandeling met als doel: de kerk. Verplicht nummer want daar is een kerststalletje dat aanbeden moet worden. Ik ben maar bij de deur blijven staan en bij de eerste gelegenheid weer naar buiten geslopen, in de frisse lucht wachtende tot het kerkbezoek klaar was. Ik heb simpelweg een grondige hekel aan kerken. Thuisgekomen werden op slinkse wijze snel de bérgen kado’s onder de met wederom echte kaarsjes uitgedoste boom gedeponeerd en moest er weer gegeten worden: dit keer braadworstjes met brood en zuurkool. Ik heb de braadworsten afgeslagen, ik kon echt niet meer (en ik hou niet van varkensvlees).

Daarna bleek het kerstkindje daadwerkelijk nog een keer langs gevlogen te zijn: de kerstboomkaarsjes brandden en de kadoberg eronder was van het kaliber K9. Ongelooflijk, zó veel. Maar de gretig uitgestrekte kindervingertjes moesten nog even weer ingetrokken worden: eerst klarinetmuziek (was mooi!), bijbellezen (niet mijn ding), blokfluitspel (okerstgedachte2ok mooi!) en gezang (geen evaluatie mogelijk). Helaas zijn zoon en dochter minder begaafd op al die muzikale gebieden (en een drumstel is ook moeilijk onder de arm mee te nemen) dus hun aandeel in het ‘voorspel’ bleef, zoals ook in voorgaande jaren, nihil. Eindelijk kon het gegraai en geruk in de kado-alpen beginnen. In minder dan 15 minuten was alles uitgepakt en opgestapeld, waren de massa’s papier en paklint overal verstrooid en de kinderen vlijtig aan ’t vergelijken wie er het meeste moois gekregen had. En natuurlijk had ik, zoals elk jaar, zelf weer het gevoel lichtelijk gefaald te hebben in de eeuwige wedstrijd ‘beste-en-duurste-kado’s-voor-‘t-kroost-kopen’, hoezeer ik – naar mijn eigen inschatting – ook mijn best gedaan heb.

Het staat me zo tegen… ik weet niet eens waar ik al dat nieuwe speelgoed van de kinderen moet laten. Waarom zoveel… waarom schijnen deze hoeveelheden bij kerst te horen… één leuk kado doet ’t ‘em toch eigenlijk ook? Maar er lijkt geen weg terug. Enkel nog de road to more-bigger-better. Ergens word ik er toch een beetje mismoedig van. Voor mijn gevoel is die geboortedag van dat kindeke één grote commerciële happening. Is Sinterklaas natuurlijk ook hoor, maar die man ging nu eenmaal over dat soort dingen. Dit moet dan een christelijk en bezonnen gebeuren zijn, maar onder het mom van wat gezang en de één of andere bijbeltekst gaat het toch éigenlijk enkel nog om de kado’s. En het vele eten. Dat ook. Hoe hypocriet.

Op dit moment (ja inderdaad, naar aanleiding van die verbijsterende kerstkreten van die roomse man met ’t hoedje) ben ik zelfs druk bezig om mezelf helemaal uit die rooms-katholieke kerk te krijgen want enkel uitschrijven doet de truc niet: je blijft dan nog steeds als lid te boek staan in Rome én je blijft geregistreerd in het doopregister want de doop schept volgens de kerk een onuitwisbare band tussen het kind en de god in kwestie. Maar wat nou als dat kind die band helemaal niet wíl? Dan maar op de priesterse wijze, een ‘gedwongen’ band? Dank je de koekoek… Maar wat een gedoe is dat, dat ‘ontdopen’. Vier tot vijf brieven waarvan één zelfs aan het bisdom (welk bisdom??) of direct naar Rome (“Ongeachte meneer de Paus, bij deze bladiebla…”). Het lijkt wel een sekte, je komt er met goed fatsoen nooit meer uit… Maar met de onbegrijpelijke uitlatingen van zo’n duidelijk idiote paus die denkt te weten (of zelfs te kunnen bepalen) wat de essentie van het menselijke wezen is, wil ik echt niet meer tot deze middeleeuwse club gerekend worden, zelfs niet op papier. Tot voorheen deed ’t me weinig. Nu ben ik het zat. Doorstrepen die boel. Wat voor een kerstgedachte is dat zeg…

Nee, geef mij dan maar de heidense kerstvariant. Veel warmte en licht in de vorm van kaarsjes en licht, veel leven(svreugde) in de vorm van een mooie boom, veel (naasten)liefde om je heen en bewust genieten van de dingen die je gegeven worden of op je pad komen. Eventueel een klein kadootje als blijk van die genegenheid, ook prima. Een krachtige, intense gedachte aan de mensen die het bij lange na niet zo goed hebben als ik, aan mensen die in de ellende zitten, ziek zijn of veel verdriet hebben en even uit alle macht hopen dat het ook hen binnen afzienbare tijd weer beter gaat. Niet dat dat ook maar ene bal helpt, maar er bij stilstaan is wel het minste wat je kunt doen in tijden als deze. Dat hoort er voor mij ook bij. Donaties aan enkele uitgekozen goede doelen in de hoop in het algemeen ook nog ergens wat goeds te kunnen doen. Familie en vrienden opzoeken (ook al is dat voor mij dit keer dan een paar dagen na de kerst). Dát is voor mij kerst. Licht, warmte, liefde, hoop en acceptatie. Midwinter en zonnewende. Het liefst zonder die Mount Everest in kadopapier en zonder al die religieuze hypocrisie. Maar dat zal wel een eeuwig utopische kerstgedachte blijven…

Let there be light.
Love conquers all.

Soort van kerstwens

Aangezien ik gisteren nogal “obstreneut” (aaachterhoeks voor tegendraads, grof, bokkig, niet zo allerliefst als anders) was, wat niet door iedereen even zeer gewaardeerd werd (wat mij dan overigens verder ook weer niet stoort: you no like me? you no read me. punt), wil ik me vandaag met iets sympathiekers bezig houden, namelijk met dat wat ik jou als bloglezer toewens.

Maar voordat ik daaraan toe kom, moet ik toch eerst nog even iets vertellen. Vanochtend was er wéér zo’n afschuwelijk nieuwsbericht. Na alle doodgeschoten kinderen in de VS en alle schokkende zelfmoorden, na alle doodwensingen en oorlogsgruwelen, na alle gestrande bultruggen en onbegrijpelijke rechtsoordelen zou je denken dat we wel klaar zijn met de wereldse portie menselijke ellende dit jaar. Niet dus. Een jonge vrouw (23) is gisteravond in Wenen in de metro zwaar mishandeld, tot bewusteloosheid gewurgd en vervolgens bruut verkracht. De coupé was al die tijd leeg, maar tijdens de stops op de stations is er ook niemand ingestapt hoewel mensen op het perron (gefilmd met de bewakingscamera’s aldaar) wel degelijk zagen dat er iets goed mis was. Men stapte liever in een andere coupé en keek de andere kant op. De (helaas nog niet camerabeveiligde) coupé bleef leeg en vrouw werd met haar pijniger (ja, het was er ‘maar’ eentje) alleen gelaten. Ze leeft nog, maar daar houdt het dan ook mee op.

En ik vraag me af hoe het mogelijk is dat mensen bij zulke daden de andere kant op kunnen kijken. Liever wegkijken dan helpen. Liever laf zijn dan heldhaftig. Waar is het allemaal mis gegaan… De bruutheid waarmee deze man te werk ging moet van verre te horen en te zien zijn geweest. En niemand hielp… Niet kijken, dan gaat het vanzelf weer weg? Zoiets? Hoe kun je dan nog met jezelf leven? In ieder geval kun je dan toch 112 bellen? Dat heeft niemand gedaan. Je kunt aan de noodstop op het station of in de trein trekken om de aandacht te vestigen op wat er gaande is. Of voor de grotere helden onder ons: andere mensen doelgericht aan hun jas trekken om mee te helpen om een dergelijke strafdaad en de verwoesting van iemands leven te stoppen. Met zijn drieën kom je toch al een heel eind, lijkt me, zelfs als vrouw zijnde. Maar nee. Het gevoel voor de medemens is nu klaarblijkelijk praktisch compleet verdwenen.

We verharden in een tempo waarop we zelf niet eens meer inzien, hoe afgestompt we raken (en ik blik zelf even terug op mijn blogs van gisteren…) Bij het ontbijt vanochtend was ik geschokt door dat nieuwsbericht. Niet enkel door de verkrachting zelf (absoluut en onbeschrijflijk afschuwelijk) maar veel meer nog door het volledig uitblijven van hulp van enig omstander. Maar ook ik ga na het horen van zo’n horrorbericht tóch gewoon door met wat ik deed: brood smeren voor de kinderen, ze naar school sturen, stofzuigen, luidkeels zingend naar de supermarkt om de laatste kerstinkopen te doen. Je kúnt nu eenmaal niet alle ellende van de wereld met je mee torsen, dat weet ik ook wel, daar zou ieder mens aan ten onder gaan. Maar ik weet wél van mezelf dat ik nevernooitniet bij die wegkijkende massa wil horen. Dat ik wil blijven helpen. Dat ik goed wil blijven doen (ook al mag ik dan soms wat -euh- “grof” uit de hoek komen… *iets met grote bek en klein hartje (op de tong) mompelt*)
look
Daarom wens ik je toe, dat je gevoel voor de mensen om je heen, die sensibiliteit der gerechtigheid, die innerlijke drang om een ander – in welk opzicht dan ook – te helpen en de wil om simpel ‘goed’ te doen, jou niet in de steek laat. Dat ook 2013 een jaar wordt waarin je naar jezelf kunt kijken en zeggen “IK heb mijn best gedaan, ik ben met recht een MEDEmens, niet enkel mens”. Dat je in die zin ook de warmte en hulp van anderen mag ervaren die net zo hun best doen om de boel nog leefbaar te houden.

Kijk.
Niet weg…

Geen fluit

snap ik ervan.

Hoe is het mogelijk dat een assistent-scheidsrechter, een vader van drie zoons, die enkel deed wat-ie ’t liefst deed: kijken bij ’t voetbalspel van zijn zoon en een beetje lijnrechteren, doodgetrapt wordt. Het duurt soms een beetje langer voordat Nederlands nieuws hier aankomt, maar ik heb net wat berichten gelezen en ik kan ’t niet helpen: ik verval ook in cliché-denken. Hoe kan dit gebeuren. Waar moet dit heen? Een paar opgeschoten jongens van een jaar of 15-16 molesteren een toegewijde vader. Naar aanleiding van een amateurvoetbalwedstrijd.

Mijn zoon is over 5 jaar ook van die leeftijd. En als ik zie hoe gewelddadig sommige van zijn leeftijdsgenootjes al zijn, hou ik mijn hart vast. Op hun zevende wisten een aantal van die knulletjes al prima hun klasgenootjes te mobben. Waar ligt dat aan? “De verharding van de maatschappij” is ook enkel maar zo’n lekkere loze kreet. Iedereen is passend geschokt. Een paar dagen lang en dan gaat alles gewoon verder, tot de volgende doodgetrapte vrijwilliger?

Ik ben zelf functioneel bezig bij een voetbalvereniging. Ik heb nog nooit echt iets van gewelddadigheden gemerkt maar ik ben dan ook niet bepaald vaak langs de lijn te vinden, eerlijk gezegd interesseert me dat geen ene biet. Net als de namen van de daders waar iedereen naar op zoek is (was?)  omdat uit deze namen zou blijken, dat het “weer eens” om Marokkaanse jongeren zou gaan. Het hadden net zo goed ‘blanke’ knullen geweest kunnen zijn. Of meiden, for that matter… Het doet er niet toe. Waar het om gaat  is, dat er jeugdigen van die leeftijd zijn die blijkbaar helemaal geen gevoel meer hebben en niet schromen om een jong mens (net zo oud als ik) en passant even zo te mishandelen dat hij eraan overlijdt. Hoe is het mogelijk, het blijft malen.

Het maakt me bang.
Doodsbang…

Ik ga maar eens op mijn hoede boodschappen doen.
Hopelijk overleef ik dat, ik 41-jarige moeder van twee…

Wij hebben helemaal geen wereldondergang nodig.
Dat uitroeien kunnen wij mensen heel goed zelf.
Oh en een heel fijne Sinterklaas nog!
Altijd weer leuk.
Zolang ze nog met Lego spelen…

Klein leed

“Mam, ik moest net weer ergens aan denken maar eigenlijk gaat ’t me niks aan…”

Huh… Wat nu weer. We zitten bij ’t middageten (het warme eten in dit deel van Europa). Ik heb net hoogstgeïnteresseerd gevraagd hoe het was op school en kreeg prompt de geijkte antwoorden “ohhh saai” en “oooh goed” (zoon resp. dochter). Ineens flapt zoon er dan zo’n zin uit. Slaat zijn ogen neer en peutert wat rond in zijn gebakken aardappeltjes. Dan weet ik al hoever het is: er is weer iets gebeurd. Hét moment om even door te boren.

“Als je zoiets zegt, wil je het duidelijk wel kwijt lieverd, dus wat is datgene wat jou dan eigenlijk niks aangaat?”
“Hmmm. Nou niks hoor…”
“Ik zie toch dat je iets dwars zit… wil je het echt niet vertellen?”
“Nou… B. heeft op school zijn verjaardagsuitnodigingen uitgedeeld. En ik heb er geen gekregen…”
Licht trillende onderlip waar stevig op gekauwd wordt. Bedremmelde blik.

Laat B. nou net één van de jongetjes zijn, waar zoon tot voor kort redelijk goed mee overweg kon en waar hij wél ieder jaar uitgenodigd werd. Maar B. is ook populair, zit in ’t klassenbandje (wat geen zak voorstelt maar waar wel alle populaire jochies in  samenzweren. En waar zoon een maand of anderhalf geleden zonder omhaal uitgeknikkerd werd omdat ze een betere drummer hadden gevonden), is een slimmerik, snelleers en vooral: übercool. In tegenstelling tot zoon. Wat waar  is, is waar. Op zoon’s vraag wat B. daar uitdeelde, antwoordde deze enkel bot: “gaat je niks aan” en dat heeft hij geregistreerd: het gaat hem eigenlijk niks aan.

Ik zucht een keer. Jammer. Maar het is niet anders: ik kan het knulleke moeilijk verplichten om mijn “ietwat afwijkende” zoon in het kader van de sociale medelevendheid uit te nodigen. Dus volgt er weer een licht pedagogisch gesprekje: “Lieverd, je bent een bijzondere jongen maar je kúnt niet door iedereen aardig gevonden worden. Jij vindt zelf ook niet iedereen even lief en die dingen veranderen ook: iemand waarmee je vorig jaar nog goed op kon schieten, vind je dit jaar misschien wel helemaal niet te pruimen. En omgekeerd kan dat ook…” En daarnaast heb ik hem natuurlijk uitgelegd dat B. waarschijnlijk maar een paar jongetjes uit mocht nodigen van zijn mama en dus ook gewoon móest kiezen. Dat je dan niet binnen die keus valt dit jaar, niet langer in ‘the inner circle’ zit, is jammer maar niet onoverkomelijk.

Zoon ziet dat momenteel nog even anders. Je ziet ’t malen in zijn hoofd. Hij is lichtgeraakt en af en toe glanst er even iets vochtigs in zijn ogen. Het doet hem wat. Ook al wil hij dat niet laten blijken. Veel zelfs. En mij ook wel, moet ik toegeven. Ik had zo graag ook zo’n populaire, coole, snel-lerende, geliefde, goedmeekomende zoon gehad. Maar éigenlijk ik heb ’t nog beter getroffen. Ik heb namelijk een buitengewoon bijzonder kind.

Maar ook bijzondere kinderen hebben dus af en toe klein leed…

Doc Allmighty….

Laaiend.
Ziedend.
Briesend.
Woest.
Verdrietig.
Machteloos.

Meer dan anderhalve week wachten op levensbepalende uitslagen. Onderzoeksresultaten waar een toekomst van afhangt, waarna je pas weet hoe ’t verder zal gaan, waarmee je in het reine moet komen. Natuurlijk gaan die uitslagen gewoon goed zijn, dat kan sowieso niet anders. Maar waarom, wáárom is de medische wereld zo mensonterend bezig als het gaat om het zich houden aan afspraken… Als je ze sowieso niet na kunt komen, máák ze dan verdorie niet??

Nachtenlang wakker liggen, gevechten met de onzekerheid en de angst. Woelen gaat niet want dat doet teveel pijn. Toeleven naar die dag waar je meer te weten komt, te horen krijgt wat de stand van zaken is. Wachten op die ene afspraak. En dan een twintigtal minuten van te voren te horen krijgen dat de boel gewoon nog niet klaar is. “Sorry, u kunt weer naar huis rijden. Komt u morgen maar terug, hopelijk zijn de resultaten dan wel binnen”.

Daar sla je toch steil van achterover??? Sorry, maar dit kan toch niet… Het besef dat men met “echte” mensen werkt, lijkt steeds verder weg te glijden. ‘Mensen’ die zachtjes en berustend doodsangsten uitstaan. ‘Mensen’ die stilletjes wanhopig huilen omdat ze niet weten of ze weer normaal door mogen ademen of niet. ‘Mensen’ die in verlammende onzekerheid enkel nog wachten op die afspraak waar ze éindelijk meer zullen horen. Het duurt al zó lang…

En dan wordt die afspraak en passant even afgezegd.

Onmenselijk vind ik dat.
Overgeleverd aan de laksheid van de enigen die jou kunnen helpen.
Tijd en geld is blijkbaar allesbepalend, zelfs als het om mensenlevens gaat.
Triester dan triest.
Maar we slikken onze verbolgenheid in, drukken de onzekerheid met een sloot koffie maar weer terug in onze magen, slaan de ogen neer, zuchten een paar keer diep en wachten braaf verder af.
Tuurlijk doen wij dat, meneer de almachtige dokter.
Wat kunnen we anders…

Stik.

cru(el)

Cru en wreed.
Cruel.
Voor mijn gevoel is het dat.

Een maand geleden ging je voor een standaard mammografisch onderzoek naar de radiologie.
Iedere vrouw van die leeftijd doet dat of zou dat moeten laten doen.
Uit puur verlangen naar zekerheid heb ik ’t zelfs inmiddels ook ondergaan.

Maar je verwacht ’t niet.

Je verwacht niet dat men dan zegt: “mevrouw, er is iets te zien, het is waarschijnlijk niets maar we moeten het wel even nader onderzoeken”.
Je verwacht niet dat men je informeert dat er toch een punctie gedaan moet worden.
Je verwacht niet dat je te horen krijgt: “het spijt ons u te moeten mededelen dat uit het onderzoek gebleken is dat het zich om een kwaadaardig tumor handelt”.
Kanker verwacht je niet.
Kanker wacht wel op jou…

Een maand geleden leek alles nog ‘gewoon’ in orde.
Maar wat is nou helemaal ‘gewoon’…
Een maand geleden ging alles ‘gewoon’ zijn gangetje en dacht je niet na over wat er zich mogelijkerwijs in je lichaam afspeelde.
Je functioneerde ‘gewoon’.
Nu moet je een aanzienlijk deel van dat lichaam ineens missen.
Het wordt eraf gesneden omdat er iets kwaadaardigs in zit wat op den duur de rest van je lichaam ook kapot zou maken.

Je bent zo dapper, zo sterk, zo bewonderenswaardig nuchter.
Maar ik voel de angst in mijn maag.
Mijn angst maar juist ook de jouwe.
Hoe zal het zijn, hoe zal het worden, hoe gaat het verder…
Goed. Alles zal goed gaan. Er is geen andere optie.

Het is wreed.
Van de ene dag op de andere is een deel van je ineens weg.
Zonder dat je werkelijk de tijd had om er afscheid van te nemen.
Zonder pardon.
Het is cru.
Van de ene dag op de andere mis je ineens een paar kilo.
Helaas op de verkeerde plek.
Daar waar je helemáál niet af wilde vallen…
Het is niet anders.
Van de ene dag op de andere moet dit. Dus dan ook maar het liefst zo snel mogelijk.
Alles weg, geen risico’s nemen.
Weg, weg, weg…
Het is goed.
Van deze ochtend tot aan de avond zal het klaar zijn.
Na vandaag komt het herstel, het weer overeind krabbelen na de klap.
Komt tijd, komt verwerking.  Acceptatie.
En weer vooruit kijken.
Dus dat gaan we doen.

Dag borst…

Hoofdmoe

Een mat gevoel, teneergeslagen, dof. Zo moe in m’n hoofd ben ik. Lichamelijk niet, maar geestelijk duidelijk kortstondig oververmoeid. Niet meer in staat om de tranen tegen te houden. Het ene trieste nieuws na het andere komt binnen. Het ene verdriet na het andere maakt mijn ogen bijna vloeibaar. De ene zorg na de andere kan ik niet meer zomaar aan de kant schuiven. Gedachten malen zich een slag in de rondte. Have your cake and eat it. De angst en de onzekerheid maken er een sierlijk toefje bovenop.

Je anders zo rustige zoon die wanhopig in huilen uitbarst omdat hij wil weten waarom uitgerekend híj zo dyslectich is. Je moeder die ineens ernstig ziek blijkt en geopereerd moet worden. Een vroeger schoolgenoot die plotseling op de A1 om ’t leven blijkt te zijn gekomen. Het zó graag in Nederland en vooral thúis willen zijn maar het niet kunnen. Een idiote zak in een mercedes die me op ons landweggetje zo klem reed dat ik tegen de rand op moest rijden en een klapband kreeg.

Sommige dingen stemmen me enkel tijdelijk een beetje somber, andere hakken er zo ontzettend in dat ik mezelf even kwijt ben.  Op dit soort momenten voelt ieder mens de behoefte om zich terug te trekken. Ik wel in ieder geval…

Ik moet schilderen. Ik moet schrijven. Ik moet naar buiten. Ik moet slapen. Ik moet huilen.
Vervang ‘moet’ door ‘wil’.

Hoofdmoe.
Ja. Alwéér.
Prioriteiten.
Time out.
Laters…

Vraag aan het universum

Zo ontzettend niet verwacht.
Al die tijd het gevoel gehad dat ’t wel goed zou zitten.
Dat het wel goed móest zitten want geen onrust in mij.
Wel aan de opties gedacht maar niet dat de niet-goede opties óók een optie waren…

En nu is de werkelijkheid ineens zo onwerkelijk.
Je vraagt je tweehonderdachtenvijftig keer  af waarom.
WAAROM?? Gezond geleefd en gegeten, actief, veel preventiefs gedaan.
En toch is het nu niet goed…
Het is zó niet eerlijk.
Het is nóóit eerlijk.
Maar voor mij voelt dit nu nóg oneerlijker…
Waarom mijn mama.

En waarom mijn beide ouders??

Met papa hebben we het hele circus al doorgemaakt. De angst, de enorme onzekerheid, het bange wachten, het verdriet. Maar vooral die angst: Komt dit ooit nog weer goed? Hoe lang heeft hij nog te leven? Hoe zal hij uit de operatie komen? Bestralen? Chemo? Komt hij überhaupt zover? Ja, hij kwam zover: we zijn inmiddels twee decennia verder en pap is er nog. Met een groot teddybeerlitteken op zijn buik en de (on)nodige andere gevolgproblemen, dat wel, maar wat een geluk hebben we gehad. Eeuwig en innig dankbaar dat ik mijn papa niet op mijn twintigste al moest missen.

Maar mogen we alsje-alsje-alsjeblieft nog één keertje zoveel geluk hebben? Nu met mijn mama?
Ik weet niet eens aan wie ik dat zou vragen, ik geloof helaas niet in goden of ander almachtig gespuis.

Ik vraag het maar gewoon aan het universum…

Mag het?

Kloteziekte…

*huilt*

Ik wil niet moeten kiezen…

En dat ga ik dus ook niet doen.
Maar soms is ’t allemaal niet zo makkelijk.
Niet zo zwart-wit…
Niet zo openboek…

Soms zeggen mensen dingen die ze niet zouden moeten zeggen. Vraag me niet waarom maar ik doe ’t zelf ook. Op een ondoordacht moment er iets uit flappen en dan twintig milliseconden later denken: “oh fuckadel, dat had ik nou echt níet moeten zeggen, dat was oeroeroerstom”. Heb ik. Best wel eens. Vaak. *kuch* Ik ben dan ook niet de beroerdste om me te verontschuldigen :-S

Maar zelfs als de dingen eens níet zo ondoordacht zijn, is het o.h.a. beter om eerst na te denken over wat je zegt, waar, tegen wie maar vooral óver wie of wat… Wat levert het je op? Opluchting? Leedvermaak? Stomme lol? Misschien. Kortstondig. Daarna komt  dan het Rotgevoel, de Spijt en het Betere Nadenken. Nou ja, bij de meeste mensen dan…

En soms, soms zit je er tussenin. De ene mens-die-je-lief-vindt, zegt iets oerstoms, nee in jouw ogen zelfs onmogelijk stoms, over een ander-mens-die-je-lief-vindt. En er is niet eens sprake van spijt of een rotgevoel. Ook niet bij nader inzien. Dan doet de andere mens-die-je-lief-vindt er nog een schepje bovenop, want – terecht gekrenkt tot op het bot – is revenge een opluchtende reactie. Dan heb je oorlog. Woordenoorlog. En een hoop kutgevoelens. Negativiteit ten top.

En jij? Zit er tussenin. Je wilt niet moeten kiezen tussen mensen die je lief hebt omdat ze zo’n berg oerstomme dingen tegen en over elkaar zeggen.

Dat.
Dus.

De enige reactie die ik kon bedenken is: terugtrekken. Ik zeg niks. Ik wil niet kiezen. Ik wil niemand afvallen of veroordelen. Ik kan het achterbaks, onmogelijk, misselijkmakend vinden maar ik geloof nog steeds in het goede van de mens. In ieder geval in het goede van de mensen die ik lief heb. Aan welke verhipte rotkant ze ook staan en welke oerstomme rotfouten ze ook maken. Dus trek ik mij terug. En wacht… wacht tot de storm is gaan liggen. Is dat laf? Misschien…
Ik noem ’t liever machteloosheid…

Wegkijken uit machteloosheid omdat ik de oorlog niet kan stoppen.

*handen hard op de ogen en over de oren drukt…*
*buikpijn heeft…*

Jouw pijn…

Ik deed het meteen
als het eens kon.
Ik nam jouw pijn.
en gaf je die zon…

Warmte en verzachting
Voor een lijf zo zeer…
Ik kan het nog goed hebben,
maar jij kunt niet meer…

Die pijn en dat verdriet
Die pijn in je mooie hart
Die pijn die niemand ziet
Die pijn die zo verwart…

Momenteel is jouw wereld
werkelijk gebouwd op twijgen 😦
En ze buigen al veel te diep door
mogen niet nóg een klap krijgen…

Meer kan er niet meer bij
Een eind aan het Latijn
En toch moet je maar door
Ach toe, geef mij die pijn…

Ik nam het van je over
Als ik nou toch eens kon
En met wat simpel getover
Gaf ik jou die warme zon…

Maar toveren, helaas
ik kan het dus niet…
En zo blijf jij doorworstelen
met alle pijn en dat verdriet.

In gedachten wandel ik
naast je en zal ik er zijn
als jij mocht struikelen
door al die klotepijn…

Ik zal aan je denken
al helpt jou dat niet.
Ik loop daar naast je
ook als je me niet ziet…

Just So YOU Know!!!
♥♥♥

beter vriendje

Een licht bloedend hart.
Ik zal er niet aan sterven.
Ik kan alleen maar blij zijn dat zoon zo ontzettend goed is in vergeten en vergeven…

Vanochtend suggereerde ik om een vriendje, laten we hem Bob noemen, na de middag te spelen te vragen. Man was al vroeg met dochter naar oma vertrokken om daar vanalles en nogwat te  klussen, zoon wilde niet mee (en ik sowieso niet). Ik bel de moeder van Bob op maar de oppas-oma aldaar nam op, antwoordde dat moeders niet thuis was en zij Bob niet kon brengen omdat ze geen auto had cq. kon rijden. No problem, ik haal ‘m wel even op. Om kwart over twee was Bob hier, gezellig. Ze voetbalden wat in de tuin, bouwden een kapla-kattenburcht, speelden boven met playmobil en beneden met de nintendo’s tegen elkaar. Dan belt de buuf met een klein laptopprobleem en ik zeg, stom als ik ben: “kom maar even met laptop en al koffie drinken, ik kijk er dan hier wel even naar want ik heb Bob hier te spelen.”

Dat hoorde haar zoon Timmy (naam vanzelfsprekend ook gefingeerd) die Bob vandaag ook al gebeld had voor een speelafspraak, maar wij waren dus nét effe sneller geweest (gnagna). Timmy kwam ook mee, oh wonder. Op zich prima, als ze maar met elkaar spelen. Maar al snel trok Timmy Bob aan z’n shirt: “Kom je mee naar ons? Is toch veel leuker…” Mijn nekharen gingen ietwat overeind staan. Timmy is heel populair. Extreem populair, iedereen wil met hem spelen. Zoon is het tegenovergestelde, duidelijk minder cool en wat speelser/kindser. Timmy woont weliswaar twee huizen verderop maar komt nooit hier om te spelen en zoon gaat ook nooit vrijwillig daarheen. Ze liggen elkaar niet. Prima, so be it. Maar dan hoeft hij de vriendjes die zoon uitnodigt om HIER te spelen, niet weg te kapen, lijkt me zo…

Maar ja, Timmy is dus het betere vriendje… en Bob was vertrokken. Zoon keek weliswaar wat bedremmeld maar bleef buiten in de hangstoel hangen, wilde niet mee. Op stevig aandringen van mij hobbelde hij er uiteindelijk toch maar achteraan, mij met mijn bloedende hart achterlatend. Ze hebben wat starwars gespeeld met Nerf-kanonnen en toen heeft zoon ze weer terug ‘gelokt’ met cola en chips. Tja, wie ben ik om ze dat dan te weigeren hè… Cola, chips, TV.  Soit.

Toen de chips op was en  Timmy wéér begon met het meetronen van Bob heb ik hem maar met zachte hand de deur uit gewerkt, onder het mom van “avondeten, je ma heeft al gebeld” en “Bob wordt sowieso zometeen opgehaald”. Bij de deur vroeg Bob zijn vader in alle toonaarden smekend of Timmy asjeasjeasjeblieft bij hem mocht slapen vannacht en ik zag enkel zoon nog een beetje verder in elkaar krimpen. Ik kon het bijna horen galmen in zijn hoofd. “Waarom niet ik…”

Kinderen kunnen zo hard zijn.
Ik hoop dat zijn pantser harder wordt.
En dat hij zo goed blíjft in vergeten…

een hoofd

Ik heb getwijfeld. Klik ik op die play-button? En waarom dan? Ik heb het gezien. Ik heb het nog uitgekeken ook. En nu wou ik dat ik het niet gezien had.

De zelfmoord bij Driehuis.
Een man, althans een deel daarvan – de romp en de benen – ligt in een soort foetushouding naast de rails.
Joelende jeugd.
“Moet je kijken, daar ligt ’t hoofd!”
Zoom-in op een rode bal met wat zwart klevend haar.
“Dat is dus een echt hoofd, hè!!”
De camera zwenkt naar een bloederige vinger die op het perron ligt.

Misselijkheid, maagdraaien. Ik weet niet eens meer of  het precies zo was in het filmpje, maar ik ga het niet terug kijken. Ammenooitniet. Bij benadering klopt bovenstaande wel ongeveer en dat is voldoende.

Ik denk er aan. Steeds weer. Die man. Wat heeft hem bezield, dit te doen…
Hoe moet het voor de familie en vrienden zijn om deze beelden van hun naaste zo op het internet te zien…
Hoe is het mogelijk dat mensen, hoe jeugdig ook, dit zo uitgebreid filmen, er zelfs naast staan te joelen en de beelden vervolgens ad hoc rond de wereld sturen.
En hoe is het mogelijk dat ik het nog aanklik ook…
Is dit nu de afgestomptheid van onze samenleving?
Is dit de verharding die er voor zorgt, dat men niet meer aanvoelt wat nog ethisch verantwoord is en wat niet meer?
Is dit de onverschilligheid die ons zulke dingen aan doet zien zonder werkelijk gevoel?
Ik kan er niet over uit…

Een hoofd.
Ligt daar. Enkel een hoofd. Op de rails.
Onherkenbaar, maar duidelijk een hoofd.
Een hoofd dat ik niet meer uit mijn hoofd krijg.
Een vinger waar ik mijn vinger niet op kan leggen.
Een torso waar niet meer aan te torsen valt.
Een beeld dat niet langer om beeldvorming vraagt.
Slechts.
Een hoofd.

’t mocht niet zo zijn

zag het aankomen
niet los willen laten.
het was te vroeg.
’t mocht niet baten…

te vroeg geboren,
de liefde groots
te eertijds ontmoet,
maar toch ruimschoots…

het leek zo mooi
so meant to be
dat delicate speciale
ik zie, ik zie…

wat jij nooit zag
maar wel probeerde
de eer aan jou
die ik negeerde

slechts ’n surrogaat
inclusief mutatie
tot ’t enkel nog was
bron van irritatie

het was niet genoeg
zo bleek wel weer
eigen wegen te gaan
tot nevernooitmeer…

(c) Lou

What’s up?

Ik zit in de zak.
Jij in de as.

Ik zeg bijna niks.
Jij nog minder.

Ik ben in de war.
Jij bungelt.

Ik voel het zwaard.
Jij bent Damocles.

Ik vraag me af.
Jij weet het niet.

Ik vraag what’s up?
Wat jij niet ziet.

Ik gis me suf.
Jij geeft niet.

Ik huil een traan.
Een laatste. Om jou.

 

(c) Lou

Voor Aimpje…

ineens zo’n klap in je gezicht
hard. oneerlijk. zo gemeen.
‘kuthoofd’ noemde jij het.
maar ja, je hebt er maar één…

het hakt er zo in, ook hier,
de tranen in mijn ogen.
oneerlijk is het, tot en met
dít moest echt niet mogen…

het relativeert alles echt enorm.
‘ziek’ als in ‘beetje keelpijn’
is zo onbeduidend als je ineens
bedreigd wordt in je hele zijn…

maar dit, dit MOET goedkomen.
er ís gewoon geen andere keus.
de wereld kan niet zonder jou.
dan word ik pas echt rancuneus…

nu even heel hard lamgeslagen
wéér zo’n battle of hell to fight.
maar vechten zul je zeker
en JIJ wint. jij wint… geheid!!  😉

het komt goed, dat moetmoetmoet.
richt al jouw snoeiharde munitie
doelgericht, zoals jij doet.
en JIJ wint. dát is pas traditie…

DIKKE KUS lieve Aimée.
In gedachten vecht ik met je mee…

♥♥♥♥♥♥♥♥♥♥♥♥
(#LOVEHEALS)

_________________________________________

Jij koos vandaag voor
Glitter in the Air van Pink.
Ik zing het voor jou,
in al mijn amateurschap.
Maar zo ontzettend
met je mee gevoeld…

De vries-kistensaga

Nee hoor, geintje. Die is nu afgelopen. Finito.
Genoeg vriezerellende, tijd voor iets nieuws
(en dat nieuwe is zojuist besteld. Wat een luxe ^_^)

Maar zoals ik al schreef in m’n vrijheidsblog, was het gisteren de sterfdag van mijn laatste oma; ze is nu een jaar dood. Ook iets met kisten dus. Ik heb er wel aan gedacht gisteren. Oma was 95 jaar, helemaal op, levensmoe en hartstikke dement. Ook incontinent maar daar viel nog mee te leven, met de rest haast niet meer. Als ik oma belde, wist ze niet meer wie ik was: “wie hè’k dannoe aan d’n telfoooon…bun-ie d’r eeeentje van Marietje?” en legde ik voor de 38e keer geduldig uit dat ik niet van Marietje maar haar kleindochter van Ietje en Cee was. En ook dat ik geen ‘boerderieje in de berg’n’ had. Angstvallig vermijdend te vertellen dat ik inmiddels getrouwd was (want oma had dáár natuurlijk wel bij willen zijn, dát had ze dan wel weer gesnapt. Maar op het moment suprème ging dat echt niet meer…). Uiteindelijk stopte ik toch maar met bellen: het was voor haar zo verwarrend en voor mij enkel nog frustrerend. Ik had – helaas – sowieso niet bepaald veel op met mijn oma, ze kon ontzettend zeuren en zomaar boos zijn om de onnozelste dingen. Ze vertoonde claimgedrag en probeerde mensen tegen elkaar uit te spelen. Maar toch was ze heel erg lang ‘mijn allerlaatste oma’… Mijn andere oma is al lang geleden gestorven (met haar had ik trouwens veel meer, moet ik toegeven) en mijn opa’s zijn allebei nóg veel langer geleden een etage hogerop gegaan…

Dat was, wat me het meeste deed: die generatie in onze familie was nu dan toch echt voorgoed verdwenen. Mijn grootouders stamden uit het begin van de vorige eeuw… ze hadden zoveel kunnen vertellen. Ze kregen hun kinderen midden in de oorlog, moesten ze door de hongerwinter heen in leven houden. Werkten als paarden in de fabriek en in de slagerij, maakten zoveel meer leed mee dan wij ons kunnen voorstellen en gaven het een plaats alsof ze een boek in de boekenkast terug zetten. Ze maakten in hun leven ingrijpendere veranderingen mee dan wij ooit zullen doen. Ik had nog zoveel willen vragen, maar toen het nog kon, interesseerde het me niet…

En toen kon het niet meer, hoewel ze nog leefde.
Ze wist het niet meer.

Een generatie weg.
Een kloof dichtgegooid.
Verhalen ondergesneeuwd.
Geschiedenis begraven.

Door de afstand kon ik niet bij de begrafenis zijn. Ik kon geen afscheid nemen van de vrouw die ik eigenlijk best graag nog zoveel had willen vragen. Ik kon mijn ongestelde vragen niet eens met haar begraven. Ik dank de huidige technologie op mijn knieën want dankzij skype kon ik er tijdens de uitvaart toch nog bij zijn, met beeld en geluid. Een technologische vooruitgang die oma al lang niet meer kon bevatten.

Alweer een jaar geleden.
Dag oma…

 

barst

echt.
ik barst.
ik val uit elkaar.
in 100.000 stukjes.
over is het. echt klaar.
wilt u misschien toch nog
een paar 1e gedachtes?
nee? pech gehad.
ik heb m’n hart
opgeruimd.
leeg.
nu eindelijk
kan alles er weer in
wat er ook echt in moet.
dat wat goed voor mij is.
dat wat bij me hoort.
dat wat écht is.
de rest weg.
eruit.
K.O.

au.
krak…
grote barst.
klein verdriet.
grote schoonmaak.
klein zeer.
dag…
jij.

I did not die…

Do not stand at my grave and weep,
I am not there, I do not sleep.

I am a thousand winds that blow.
I am the diamond glint on snow.
I am the sunlight on ripened grain.
I am the gentle autumn rain.

When you wake in the morning hush,
I am the swift, uplifting rush
Of quiet birds in circling flight.
I am the soft starlight at night.

Do not stand at my grave and cry.
I am not there, I did not die.

Mary Frye (1932)

___________________________________________

Dit gedicht werd voor Cis gepost op een ander geweldig sociaal medium (nee, niet twitter).
(Dank je, Femke)

Cis, die vandaag begraven werd.
In haar kleur: paars. Alles paars. Zelfs de kist.
Ik kon er niet bij zijn, Nederland is zo veel te ver weg…
Ik heb vandaag zelfs moeten (mogen) vieren.
Schoonmoeders 75e. Maar echt vieren was moeilijk.
Afwezig, met mijn gedachten ergens anders. Daar.
En nog weer ergens anders. Daar ook.
Oh en daar ook. Rondzwalkende gedachten.
Ik kan dat…
Wat een rare dag vandaag.
Ergens anders zijn dan waar je wil.
Iets vieren terwijl je rouwt.
Iets anders denken dan je voelt.

Ik proost op de kanjer van een vrouw die de wereld nu moet missen…
Ik proost op het feit dat het leven en de liefde toch doorgaat…

Proost Cis.
Op jou.
You did not die…

Cis-ter…

Een laatste groet.
Een laatste snik.
(nee, dat kan ik niet beloven)

Cis…
je bent weg.
en toch blijf je altijd hier.

het prachtige gedicht op je rouwkaart moet ook ik delen…

Sub finem
En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten-
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen-en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.

(*M. Vasalis*)

sponsje in het hart

jong.
zo veel te jong.

lief.
maar nooit té lief.

gemist.
gruwelijk gemist…

te jong was je, een bruisend, lief, mooi en sympathiek mens.
altijd een steunend woord voor een ander.
altijd nog een schouder over om op uit te huilen.
en dan treft het noodlot jou.
uitgerekend jou.
het voelt zo oneerlijk.
nee, het ís oneerlijk.
maar zo is het leven, zeggen ze toch.
leg dat je kleine lieverds maar ‘ns uit.
“zo is het leven…”
maar mama is er niet meer.

in zovele harten een gapend gat.
een bomkrater, een plotseling weggerukt deel.
op die plek komt nu een sponsje.
een sponsje dat alles opzuigt
jouw liefde, jouw eigenaardigheden,
jouw goedheid en sympathie,
jouw daden en woorden.
alles in dat sponsje en het gat vult zich langzaam.
met herinneringen aan jou.
om nooit meer te vergeten…

lieve F. rust zacht.

nog even een ei leggen

moe. afgemat. lodderogen.
kort lontje, hoog-explosief.
eigenlijk naar bed moeten
maar geen zin hebben.
m’n hart is te vol.
(full of shit to choose from…)
m’n hoofd is óvervol.
(feels just like two balloons…)

zou mezelf willen verdoven.
vooral niet geloven
in dingen die niet zijn.
mogelijkheden
die ik denk te zien.
gevoelens
die ik denk te hebben.
verwachtingen van anderen
waar ik niet aan kan voldoen.
waar ik niet aan wíl voldoen.
recht uit het hart.
ach laat me….

hopend op een teken
van herkenning en warmte
hopend op een wederzijds gevoel
dat toch al voortijdig gestorven is.
naar je toe trekken en wegduwen
is een wreed iets, besef je dat?
hopend op datgene
maar weet zelf niet eens wat.

nee…
zelfs met tweeduizend wensen
kom ik er nog steeds niet…