All Hallow’s Eve

Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik een gruwelijke hekel aan Halloween heb. Ik heb helemaal niets tegen zombies, heksen, vampieren en andere donkere figuren. Integendeel. En als quasi-möchtegern-heks heb ik ook absoluut geen hekel aan All Hallow’s Eve als zodanig. Mijn aversie richt zich vooral, op het vercommercialiseren van al die ‘dagen’, de opgelegde consumptiedwang, op het verkleed  het langs de deuren te gaan om om snoep te bedelen, als zijnde weer zo’n liefchristelijke traditie. Thanks but no thanks.

Halloween stamt uit de tijd van de Kelten. Een voorchristelijk en eigenlijk heidens ritueel om de wederopstanding der geesten te vieren. Het is de avond (“Eve”) voor Allerheiligen (“All Hallows”) en aangezien de Ieren alles aan elkaar brabbelen, werd All Hallow’s Eve(ning) verbasterd naar Hallow-e’en.

Even Wikipedia citeren (is wat makkelijker dan zelf onherkenbaar herschrijven):
“In de Keltische kalender begon het jaar op 1 november, dus 31 oktober was oudejaarsavond. De oogst was binnen, het zaaigoed voor het volgende jaar lag klaar en dus was er even tijd voor een vrije dag, het Keltische Nieuwjaar of Samhain (uitspraak Saun, het Ierse woord voor de maand november). Samhain was ook nog om een andere reden zeer bijzonder. De Kelten geloofden namelijk dat op die dag de geesten van alle gestorvenen van het afgelopen jaar terug kwamen om te proberen een levend lichaam in bezit te nemen voor het komende jaar. Op het eiland Groot-Brittannië werd Halloween vooral door de Kelten gevierd. De geesten die uit dode mensen op zouden rijzen, werden aangetrokken door voedsel voor hen neer te leggen voor de deuren. Om echter de boze geesten af te weren droegen de Kelten maskers.”

Natuurlijk kon de katholieke kerk dit heidense gebruik niet verkroppen en moest zich erin mengen. Vervolgens gingen een hoop Christenen op twee november (Allerzielen dus) in lompen de straat op om om brood met krenten (zogenaamde zielencake) te bedelen, in ruil voor een gebedje voor dode familie van de gulle gever om de weg van die geliefde familieleden door de hel wat te vergemakkelijken zodat ze sneller in de hemel zouden komen. Dat gebruik was vervolgens weer mooi te combineren met die maskers en hopsakee, Halloween was ineens een kerkse traditie. Allemaal weer blij.

Toen sleepten de katholieke Ieren (en Schotten) hun heidens-christelijke gebruik op de boot mee naar Amerika, waar de boel uit- en omgebouwd werd naar wat het nu is: een overtrokken leur- en bedelfeest. En aangezien wij blijkbaar nog steeds maar al te graag alles van Amerika kopiëren, wordt ook deze “traditie” hier nu met beide kinderhandjes aangegrepen om je te beschilderen en in het zwart met een hoed of een litteken op je wang om “Süßes oder Saures” of “trick or treat” te bedelen.

Wat mij dus ook een doorn in het oog is, is dat men hier eigenlijk Allerzielen (de herdenking van de doden, of liever gezegd: het feest van het bidden voor degenen die in het hellevuur branden, jaja…) op Allerheiligen (de herdenking van de gemeenschap der heiligen, een feest dat in 835 al werd ingevoerd door Louis Le Pieux, ofwel Ludwig “de Vrome”) viert. Niet omdat ik nou zoveel heb met die heiligen, maar het is wéér zo’n dingetje van de katholieke kerk. Eén november is ten eerste makkelijker te onthouden dan twee november. Dat voor alle suffies onder ons. En een mooiere dag voor een katholieke feestdag dus, zo direct grenzend aan dat heidense gebruik (foei). Daarnaast werd op die dag werd er door Paus Gregor III ooit één of andere kapel in de Sint-Pieters-Dom officieel ingewijd en vanaf toen begon men alvast op één november met het doden herdenken en groeide één november uit tot dé feestdag, i.p.v. twee november.

triquetraMoeten ze fijn doen. Maar niet op mijn verjaardag. Toevallig. Waarom moet ik nou exact op één november naar de kerk en het kerkhof om doden te herdenken? Ik herdenk de mensen die ik wil herdenken op de tijdstippen dat ík daar behoefte aan heb. Niet op een voorgeschreven dag, tijd of plaats. En ik wil niet de dag ervoor als herrezen zombie of halfdood skelet om snoepjes bedelen om de volgende dag vroom op een kerkhof te gaan staan ‘herdenken’. Ik ga liever een rondje dansen in mijn met kaarsen omringde triquetra.

Val dood met je Halloween.

Hartkloppingen

noteEven checken. Waar is ie. Ik woel in mijn tas. Een typische vrouwenhandtas, groot, model zwart gat. Ik graaf. Borstel, stoffen zakje met EHBO-prut en make-up-spul, grote portemonnee, iets kleinere portemonnee, brillenetui nummer één (voor brillen), brillenetui nummer twee (voor de reservebatterijen van mijn mobiel), kauwgumpjes, paspoort, noodsetje (deo, muggenspul – hé dat kan eruit – en mondspray), zakdoekjes, alles moet SOFORT moven. Uit mijn weg. Waar is ie nou…

Mijn hart gaat sneller kloppen. Ik sta met mijn karretje midden in het gangpad van de Aldi en kan geen stap meer verzetten. Waar… Ik hyperventileer licht. Hij is er niet… Nergens te vinden… zal wel uit mijn zak gegleden zijn in de auto. Dat moet haast wel. Ik hou het niet meer uit, laat het muntloze karretje met drie produkten erin in het gangpad staan en draaf naar buiten. In de auto zit het hart in mijn keel: ik zie ‘m niet… Niet op de stoel, niet in de spleet ertussen, niet op de grond. Ik ga zitten en sluit mijn ogen en mompel hardop. “Kutfokkkkut, ik zal ‘m toch niet in het ziekenhuis verloren hebben… in het trappenhuis had ik hem nog, dat weet ik zeker. En die man bij de betaalautomaat in de parkeergarage, die stond wel verrekte dichtbij om me te helpen toen dat stomme apparaat mijn briefje van vijf niet wilde accepteren… oh nee… het zal toch niet, hè…” Mijn hart gaat te keer als dat van een hitsige kolibrie. Ik stop de sleutel in ’t contact, dan maar terug rijden naar het ziekenhuis. Op hoop van zegen dat ze ‘m toch ergens gevonden hebben… Als ik de gordel vast wil maken, zie ik een oranje streep achter dat klikding. ORANJE BOVEN!!! Mijn flipcover is namelijk oranje. Mijn gelukspoppetje bungelt gelaten ernaast.

De opluchting is bijna tastbaar. Ik aai ‘m (nou ja, quasi) en steek hem dan in mijn binnenzak. Rits dicht. Van mij. Mijn hersenen en mijn leidraad, mijn agenda en mijn personal organizer, mijn maatje en entertainmentapparaat. Dan merk je pas hoe verknocht je aan zo’n stom stuk techniek bent. Ziek…

me

lees me
whap me
bel me
zeg me
dat.

hoor me
voel me
zie me
snap me
nou.

streel me
kus me
heb me
maak me
heel.

verdomme…

Fictie

Lieve en uiterst gewaardeerde lezers,

Even een berichtje aan jullie. Opnieuw een blogje ter verduidelijking. Zoals u vast al gemerkt heeft, schrijf ik een hele hoop. Van dagelijkse onzinnigheden tot gedichten, over gebeurtenissen en over mezelf, van frustratie tot verdriet. En éigenlijk schrijf ik ook heel graag fictieve dingen. Tot nu toe hield ik me in wat fictie betreft, vooral omdat op elk fictief stuk of gedicht wat ik tot nu toe schreef, geschrokken of verontruste reacties kwamen: mensen die over het hoofd zien dat het fictie is en denken dat ik nu psychisch volledig in de kreukels lig, dat mijn relatie cq. huwelijk ten einde is, dat ik er minstens achtendertig lovers op na houd, dat ik mezelf wat aan doe of weet ik veel wat nog niet meer.

Ik heb al vaker een blogje als dit geschreven (‘Mind the tag’ heette dat geloof ik, u mag zoeken), ter geruststelling of ter uitleg. Ik kan u verzekeren, dat ik zo dermate gestoord ben, dat ik veel, héél veel uit mijn duim kan zuigen. Hoe verzint een schrijver een roman? Hoe schreef J.K. Rowling die zeven Harry Potter-boeken? Hoe verzint Stephen King zijn horrorverhalen? Waar kwamen die vijftig tinten grijs vandaan?? Een rijke fantasie en een sick mind. Het blog hiervoor heeft bijvoorbeeld werkelijk NIETS met mij te maken. Ik pikte ergens in de dieptes van het internet een oude schrijfopdracht op. Een 400 woorden-verhaaltje. Mijn huwelijk is nog prima in orde (voor zover ik weet). Mijn man hééft geen halfzusje. Of hij een buitenechtelijke relatie heeft, weet ik niet, maar in ieder geval merk ik er dan niks van. Hij merkt van de mijne natuurlijk ook niks… (BOEHHH!! GEINTJE!!!! ECHT HÈ!!!) (Hij merkt het wel) (WAHHH, ALWEER ZO’N GEINTJE!! 😉 ).

OK, genoeg gedold. Mijn vraag aan jullie: Iemand een suggestie hoe ik mijn blog beter kan “markeren”? Ik wil alles wat fictief is, in ieder geval vanaf nu in een andere kleur posten (zoals vandaag het geval was, maar ik ga alle voorgaande fictieve dingen niet alsnog in een andere kleur zetten, no way), maar voor zover ik weet, zie je dat bij het lezen op de telefoon dus niet. Daar blijft de tekst gewoon zwart… Net als de tags, die zijn op de telefoon in eerste instantie ook niet te zien. Dan kan ik taggen en markeren wat ik wil, de foonlezers blijven zich lens schrikken. En om nu boven elk blog eerst een uitgebreide uitleg te gaan typen, dat vind ik nou ook zowat…

Voor het geval ik geen adequate oplossing vind, moet u zich er maar bij neerleggen, dat u ook in de toekomst af en toe een shock te verduren krijgt. Mocht u zich werkelijk ernstige zorgen maken, vraag dan. Of laat een comment achter, dan zal ik o.h.a. wel zo snel mogelijk uitleg geven. Vooralsnog moet u er maar gewoon vanuit gaan dat ik een sick mind heb. En dat afgezien van die mind alles in orde is. Deal?

Dream on…

Ik vroeg je wat er nou werkelijk mis was maar je antwoordde niet. Je keek me heel even intens aan en toen weer wezenloos naar buiten.

Een minuut of wat later zei je me, nog steeds naar buiten starend: “Lieverd, dat kán ik niet zeggen. Dat zou ons huwelijk abrupt om zeep helpen.” Gedachteloos meestarend informeerde ik je dat ik wat kortstondige, betekenisloze seks buiten de deur echt wel zou kunnen verkroppen. Things like that happen. Dat weet ik wel. Ja, ik weet dat echt. Maar je keek de andere kant alweer op, alsof het allemaal al veel te laat was. En nog veel later…

Uit pure wanhoop draaide ik om je nietsziende blik heen en probeerde je ogen te vangen.
“Wie is het dan? Waarom een ander? Wat was er dan zo mis? En waarom zijn ‘wij’ niet meer te repareren?”
“Lieverd… dat heb ik helemaal niet gezegd. ‘Wij’ zijn er nog steeds. En ik hou ook nog van je. Maar er miste iets. De geestelijke verbondenheid, denk ik. Die heb ik met mijn halfzusje wel…”

“Je halfzusje???”, schreeuwde ik. “Sinds wanneer heb jij een halfzusje? En sinds wanneer DOE jij het met een halfzusje???” Je draaide weer weg. De onbereikbaarheid werd groter.

Uiteindelijk knapte je. Gaf je toe. Natuurlijk was het niet zoals het zou moeten zijn, het was niet eens zoals het zou mógen zijn. Maar het gaf je alles wat je naast mij nog nodig had. De geborgenheid, de passie, de waardering, het respect. Alsof ik geen respect had. Dat stak. Diep.
“We hebben samen een klein appartementje in Losdorp. Daar ben ik regelmatig. Overdag tussen het werk door. Als ik ga fietsen. En tijdens de voetbal ook. Ze is mijn andere jou…”

Ik kreeg er geen woord meer uit. Flabbergasted. Maar je stopte niet.
“Zij betekent alles voor me. Ik heb haar pas een paar jaar geleden teruggevonden.”
Een paar jaar? EEN PAAR JAAR?? Hoe lang was dit dan al aan de gang dan… Je ging maar door.
“Het doet er niet eens toe. Ik heb jou. Ik houd jou. Ik wil jou. Ik blijf bij jou. En natuurlijk bij de kinderen. Maar ik wil haar erbij. Dan heb ik eindelijk alles wat ik nodig heb.”

En ergens…
ergens heel diep,
kon ik dat volledig begrijpen.
Dat was het meest verontrustende…

Vannacht droomde ik.

En jij lag rustig,
onschuldig,
onwetend,
gewetenloos,
naast me
te snurken.

.

.

400 word story.
FICTIEF!!

Steekwoord: Bedrog zijn dromen.

Zwemleed

Maaiende armen, uitslaande benen, boze blikken, blauwe schenen. Sinds een paar weken ga ik op maandagochtend zwemmen. Het is op dit moment zo ongeveer de enige sport die ik nog kan beoefenen met die verrotte knieën van mij en het is gewoon goed voor me. Het enige nadeel is dat ik a) op maandagochtend nu dus standaard in de file sta want het ‘vroegzwemmen’ is van 7 tot 9 am en om die tijd willen mensen normaal gesproken naar hun werk. En het b)-nadeel is dat ik tussen de bejaarden door moet harken.

Dat laatste kan ik inmiddels – beweer ik met gepaste trots – behoorlijk goed. Ik heb mezelf een redelijk ‘rustige’ en minimaal spetterende crawl-stijl aangeleerd en ik maak hier en daar een praatje met de ouwetjes om ze goedgezind te stemmen. Zo zwemt er een oud rimpelig mensje in knalrood badpak – ze ziet eruit als een doelloos ronddrijvend roma-tomaatje met armen – standaard op haar rug. Op zich geen probleem, ware het niet dat ze haar armen niet in zwemrichting beweegt maar in een hoek van 90° op haar bolle lichaampje op en neer peddelt en daarbij ook nog eens als een Aïda-lookalike het halve bad door kruist. In eerste instantie ergerde ik me daar ook mateloos aan, maar ze is een lief mensje, ze kan niet anders en ik duik er wel onder door als het nodig is. Vindt ze prima. Een minstens vijfentachtigjarige kale knakker zwaait altijd gelijk als ik binnen kom: ik mag wel in zijn baan zwemmen. Lief, maar ik blijf lekker bij mijn rooie cruiseschipje. Die zwemt zo langzaam dat ik daar volledig berekenend omheen en onderdoor kan. Bij die knakker vermoed ik daarentegen andere motieven.

zwembadwaterZigzaggend trek ik zo mijn baantjes. Het gaat ook duidelijk vooruit met mij: in het begin zwom ik vijftien baantjes in het vijfentwintigmeterbad en vond ik het wel ju. Vandaag heb ik er al zesendertig gezwommen. En volgende week zwem ik er veertig. Da’s dan wel mooi een kilometer! Plus de nodige beentraining aan de rand van het bad. Ik zwem. Zij zwemmen. Wij zwemmen. Gestaag en redelijk harmonieus maaien we gezamenlijk het bad door.

Tot er ineens een overmatig gespierde, hevig behaarde man – ik schat ‘m een jaar of vijfendertig – met nogal krap speedo-broekje (ja, ik let op dat soort dingen) en dito badmuts op de badrand staat en met vol geweld tussen ons bejaarden duikt. Hij zwemt zo agressief dat de ouwetjes verschrikt midden in het bad blijven hangen. Eén krijgt een mep tegen de elleboog, een ander verslikt zich in het opspattende water. Ik krijg terloops nog een wappertrap tegen mijn schenen. Hij maakt aan het eind van zijn baantje van die professionele duikeldraaibewegingen om zich dan hard tegen de rand af te zetten voor de retourreis. Dat kan op zich een heel gracieuze beweging zijn maar deze aap maait zo hard met zijn benen dat er bij elke draai een fontein van minstens tweehonderd liter badwater over de rand zwiept.

Rode oma vlucht naar de kant, kijkt mij wanhopig en hulpbehoevend aan. Eh… tja. Ik kan die man moeilijk zeggen dat hij hier niet mag zwemmen. Maar een beetje rekening houden met het andere, deels dobberende zwempubliek zou niet weg zijn… We praten even, over de “Rücksichtslosigkeit” van de jeugd van tegenwoordig, gheheheh (en ondertussen voel ik me stokoud). Ze moet duidelijk haar frustratie-ei even kwijt. Ik ginnegap dat het zwembad, als die kerel nog even zo doorzwemt, zo meteen sowieso leeg is. Ze kijkt enkel ietwat bedremmeld. Aangezien wij allemaal aan de kant hangen te koekeloeren, ziet meneer dat het zwembad nu redelijk mensenvrij is en begint abrupt met zijn vlinderslagtraining. Ik kijk naar Romaatje met een blik van: “Zie je wel! Al bijna leeg!” en zie nu tot mijn grote vreugde dat de badmeester op hoge poten naar de vlinderman loopt. Zo gauw die bij de rand aangekomen is, tikt hij hem niet al te zacht met zo’n zwemstang op zijn hoofd en zegt: “SO NICHT!!!” Vlinderslag mag namelijk alleen in de afgescheiden snelzwembanen, niet tussen ons sloomzwemmertjes door.
“Maar die banen zijn allemaal bezet!”
“Dan heeft u pech gehad; moet u maar wachten. Maar op deze manier zwemt u alle anderen hier overhoop”, waarna de badmeester met grote stappen en een norse blik weer weg beent.

Wij kijken allemaal vergenoegd en breedgrijnzend naar de nog nasputterende man, die zich vervolgens nergens iets van aantrekt en stoïcijns doorgaat met terreurzwemmen. Alleen niet meer in vlinderslag. Een mini-overwinning. Hopelijk gaat hij volgende week ergens anders fladderen.

doodgehoaxt

Als je iemand tien jaar geleden zou zeggen dat er at this very moment een persoon doodgehoaxt wordt, dan zou diegene waarschijnlijk de eerste de beste kliniek voor geestesgestoorden bellen om te vragen of ze nog een plekje voor je vrij hebben. Goed, Lou Reed blijkt dan vandaag echt overleden te zijn, wat op zich weer níet goed en zelfs een groot verlies voor de muzikale wereld is, maar de hoaxdood van Mel Gibson (“auto-ongeluk in Australië”) hakte er bij mij toch even in. En als ik live mee had gekregen dat Johnny Depp in 2010 ook al een keer voor hartstikke dood verklaard is geweest, had me dat ook niet koud gelaten. Hoe naïef kun je zijn… Wat kun je nog geloven vandaag de dag??

hoax2Het is niks nieuws, die doodshoaxes. Dat niet. In 1969 was er al een wereldberoemde death hoax: “Paul is dead”. Paul McCartney zou dood zijn – een verhaal dat door een paar Amerikaanse studenten in de wereld werd gezet – maar was dat dus niet. McCartney zou al in 1966 eveneens bij een auto-ongeluk om het leven zijn gekomen en heimelijk vervangen door een look-alike. Het verhaal werd groot. Heel groot. En probeer dan maar eens te bewijzen, dat jij echt niet dood bent en écht je levende zelf bent… Zelfs na de tweede wereldoorlog ontstonden er al hoaxes over de dood van bijvoorbeeld Frank Sinatra en Charlie Chaplin. So what’s new…

Wat er nieuw is, is de verspreidingssnelheid van dat nieuws. Toen duurde het nog een halve eeuwigheid voordat zulk nieuws bij het onderste volk aan kwam. Nu duurt dat een paar seconden. Social media to the max. Je schreeuwt iets in de ruimte en men deelt het. Zo ook de dood van celebs. Wat is er mooier dan een shocking nhoaxieuwtje en duizenden clicks, likes en shares… Even de aansteker van facebook en twitter eronder en whammoooooo, dood ben je.

Helaas Lou, voor jou was de hoax er slechts eentje dat je nog niet dood was.

Another Lou has left us.
It’s no longer such a Perfect Day…

geen titel

Ik kan effe geen titel meer bedenken. Ik ben leeg. Na twee volledig gestresste verjaardagdagen is de koek op. Deze hele week was al een crime, maar gisteren en vandaag spanden de kroon.

24-10-13. Zoonlief is jarig. 5:50h opstaan om om 6:30h aan het verjaardagsontbijt te zitten, want dat hoort zo: kadootjes en verse broodjes, een partykaarsje en een bloemetje naast het bord. Kort na zevenen de deur uit, schoolsores. Hij wil voor het naar buiten lopen nog wel even weten waarom hij op zijn verjaardag in vredesnaam naar school moet. Dat is toch onzinnig, op zo’n speciale dag??? Tja…

Half twaalf: na een hoop werk (zowel zaak als vrijwilligerswerk) scheur ik met een noodvaart naar de supermarkt want ik bedenk me dat ik daar vrijdag helemaal geen tijd meer voor heb én dat zaterdag hier een feestdag is (vergelijkbaar met bevrijdingsdag) dus alles dicht. De ene helft vind ik niet, de andere vergeet ik. Gaat lekker.

Half één: dochter komt thuis. Ik sta inmiddels wat klungelig voor te bereiden voor het verjaarspartijtje van dochter. Ik had bedacht dat we maar megakoekjes gaan versieren. Een bordvullend zandkoekje. Daar moet ik er dus ook nog even snel snel twaalf van fabriceren. En al mijn eetbare dekospul bij elkaar zoeken. Half twee: zoon ophalen. Als ik hem niet ophaal, heeft hij niet meer genoeg tijd om zijn huiswerk af te krijgen (met de bus duurt het drie kwartier langer). Samen leren voor de toets Engels van morgen (vrijdag dus). Elke keer opnieuw goed voor tranen. kwart voor vier: dochter in een sportbroek gehesen en naar de gym. Door naar de supermarkt om de vergeten cq. niet gevonden spullen nog in te slaan. Dochter opgehaald, kwart over vijf weer thuis. Zoon in sportbroek gestouwd en om kwart voor zes naar zijn allereerste judoles gebracht. Bleek dat de ouders moesten blijven. Al die tijd nog niks gegeten: geen tijd gehad. Ook niks gedronken, spreekt voor zich. Om kwart over zeven weer thuis. Ik flikker mijn tas in de hoek, smijt de friteuse aan (zoon wil frietjes en nuggets als verjaardagseten) en ik flans een koolsalade in elkaar. Om kwart voor acht eten we. Eindelijk. Lekker vet.

Bij het eten zie ik een klein flikkerend rondje, dit keer midden in mijn blikveld en weet ik al hoever het weer is… Ik neem drie paracetamollen tegelijk in. Ja drie, anders helpt ’t geen bal. Het rondje wordt groter en groter. Dan verdwijnt het en een minuut of tien later komt de hamer. BOEM. Gevloerd. Ik strompel het bed in. De hoofdpijn is nu – dankzij de para’s – een dof dreunen. Ik val met kleren aan in slaap, om kwart over tien word ik weer wakker. Naar beneden om nog het hoogstnodige te doen (tafel dekken voor vrijdag, vaatwasser aan zetten), douchen en dan echt slapen. Nog niks gedaan voor morgen… Maar ik kán simpelweg niet meer.

Vrijdag, 6:15h. Wakker met hoofdpijn. Gelijk weer twee paracetamollen erin. Een kop koffie en een cracker en dan moet het maar goed zijn. Man brengt zoon naar school. Om 7:15h is iedereen weg en wapper ik in mijn ochtendjas door het huis: opruimen, tafel leegruimen, stoelen van boven naar beneden en van de kelder omhoog slepen. Twaalf kinderen, da’s geen kattenpis…

Om half negen sta ik alweer in de school van zoon: ophalen voor een tweede gesprek met de kinderpsychologe. Half elf: zoon terug gebracht naar school. Tien over half elf: dochter en vriendinnetje ophalen van school, vriendinnetje naar huis brengen en dan als een haas naar huis om te beginnen met alles wat nog moet voor het verjaardagspartijtje van dochter (anderhalve maand later, maar dat is redelijk ‘snel’ voor mijn doen). Taart bakken (op bestelling van madam: Schwarzwälder-Erdbeerkuchen met veul chocolade) en maken. En natuurlijk decoreren. Tafel dekken voor twaalf. Voorbereiden. Matras naar beneden slepen voor de film. Drinken koud zetten, tafel versieren, etc.

Om twee uur zijn ze alle twaalf binnen. Taart met limo, kadootjes verstoppen en zoeken, de megakoekjes versieren, buiten verstoppertje spelen en voetballen, een film kijken met popcorn en chips (die overigens natuurlijk NIEMAND heeft afgekeken: toen de chips en de popcorn op waren, was het interesse weg en racete driekwart van de kids naar buiten. Ook prima; totally fine with me. Amuseer je maar lekker hoor.) Ik maak frieten en knakworstjes klaar, de meute eet weer eens wat (hoe past het er in vredesnaam nog in…). Er wordt nog halfenthousiast hier en daar gespeeld en om goed zes uur vertrekt de laatste (op één speciaal vriendinnetje, dat blijft slapen, na).

Puinruimen. Stofzuigen. Schoonmaken (vooral de WC, pfoehh eyy…). Bed maken voor vriendinnetje. Drie bakken fruit maken voor de kinderen, zodat ze toch nog íets gezonds eten vandaag. Verder opruimen. Dames in bed stoppen (Zoon gaat inmiddels zelf naar bed, yesss). En nu: Plof. Crash. Diepe zucht. Ik ben er helemaal klaar mee. Volledig. Morgen doe ik niks (nou ja, de hele dag huiswerk maken met zoon, maar verder…).

Oh en als u zich afvraagt waar man was in dit hele verhaal: die was mijn kapotte ruitenwisser repareren bij een vriend die dat soort dingen kan (koud lassen heet dat geloof ik).
En dat kon alleen op deze vrijdagmiddag.
Vanzelfsprekend…

hij, van mij

vandaag alweer elf jaar geleden. Rond half acht ‘s-avonds… Zo gaat dat met moeders. Die denken daaraan, elk jaar opnieuw. Vandaag precies elf jaar geleden om die tijd keek ik verveeld naar een voetbalwedstrijd. AC Milaan tegen FC Bayern, Champions League. Jaja, ik weet ’t nog. Bayern verloor. Tuurlijk weet ik dat nog. Voetbal is niet goed voor vruchtvliezen. Daar breken ze namelijk van. Wel dik drie weken te vroeg.

Krap anderhalve meter knul ligt nu boven in bed, mompelde daarstraks iets van “alweer zo’n vette shitdag”… Inmiddels weet hij dat het geen fuckyoudag is maar gewoon een shitdag. Of een Scheißtag. En zo leer je er elke dag iets essentieels bij. Dus niet: “How was your day?” en dan antwoorden: “fuck you”, maar gewoon “shit”. Klaar.  Je mag dan fuck you leren van P!NK maar “I’ve had a shit day” komt toevallig ook uit haar mond 🙂

Terug naar die essentials. Elf jaar geleden. Who cares about FC Bayern. Waar was dat verrekte ziekenhuis ook alweer… De weeën begonnen en hielden niet meer op. Weeënpauzes? Doorpuffen? Een paar minuten bijkomen? Ach, wat een mooie sprookjes. Het zat er niet in. In de kliniek zag men mij worstelen. Om een uur of half twaalf was ik op. Vier uur lang één constante wee zonder enig moment van pauze wegpuffen, ik kon het niet meer en smeekte om hulp. De zuurstofwaardes van de kleine en van mij daalden met de minuut. Op de één of andere manier heb ik een handtekening gekrabbeld op een papiertje. Daarmee kreeg ik een ruggeprik die ze er wonderbaarlijk genoeg na slechts drie keer mis prikken (wat wil je ook met een vrouw die geen kromme rug kan maken vanwege een al te langdurige wee) al in kregen. En ineens kon ik weer ademen… Wat een zegen.

Maar ik voelde dan ook niks meer. Ineens was ’t “PERSEN MEVROUW!!” Huh? Persen? Nu al? Okee dan… “STOPPEN MEVROUW!!!” Hij zat klem. Met zijn hoofd op het ongunstigste punt moest ik me ineens inhouden want hij lag verkeerd. Er werd wat gewroet en ik mocht weer. Lang leve de bekkenbodemspieren die ik wekenlang getraind heb, lang leve de Epi-No die ervoor zorgde dat er niks ernstig scheurde (googelt u zelf maar). Maar het hoofdje van zoon zag er na de bevalling uit als die van een rasechte Conehead met een behoorlijke deuk rondom, ca. twee cm boven zijn wenkbrauwen.

Ik schrok. Ik had ‘m werkelijk finaal de vernieling in gedrukt… Mijn manneke hing slap op de arm. Huilde niet. Neusje en keel werden leeg gezogen. Geen resultaat. Een tik van de zuster op zijn billen hielp wel maar ik kromp ineen… Hij werd weggebracht, naar de couveuse. Ik werd genaaid. Letterlijk. Man stond in een hoek en keek naar de gruwelen die zich voor zijn ogen voltrokken. Na wat gevechten en dreigementen had ik mijn kind na uren wachten eindelijk dan toch bij me. Een flesje melk met glucose zat er al in, ook al had ik uitdrukkelijk aangegeven dat ik dat NIET wilde…

En nu, nu vraag ik me steeds opnieuw af… dat geboortetrauma, zijn verdrukte hersentjes… in hoeverre zien wij daar nu de gevolgen van… Je mag het je niet afvragen, het is ook zo zinloos als een zak veren, maar toch doe ik het. Heb ik destijds iets fout gedaan… komt het door mij? Mijn mooie jongen lijdt. Geheugenopslagstoornis, dyslectie, attention deficits, angsten, black-outs. Waarom…

Maar hij, hij is van mij. En ik zal alles geven en alles doen om hem gelukkig te maken én gelukkig te houden. Iemand die zo liefdevol is, zó goudeerlijk en zulk doorzettingsvermogen heeft, mag niet afglijden. Zo iemand is de mooiste mens op deze wereld. En die mens is van mij. Ik heb hem gemaakt. Ik heb hem dat leven gegeven en ik ga er álles wat in mijn vermogen ligt aan doen om ervoor te zorgen dat dat een fijn leven wordt.

Morgen, lieve schat, morgen TenIk
word jij werkelijk alweer elf…
En morgen ben je ook nog steeds
je eigen speciale, lieve zelf.
Weet, mijn prachtige knul, dat ik
je altijd onder mijn liefde bedelf.
Ik ben en blijf jouw eeuwig
beschermend koepelgewelf.

gevalletje meteen

klungelknieNet terug van het ziekenhuis. Ik had weer een afspraak voor mijn klungelknietje en met de foto’s van de MR-scan onder de arm wandelde ik dus bij de orthopedie naar binnen. Meneer de dokter bestudeerde de beelden en keek toen onderzoekend naar mij. “… En u kunt nog gewoon lopen?!?” klonk het ietwat verbaasd. Ehh, nou, ja hoor. Ik loop prima op dit moment, ik heb toevallig een ‘goede fase’. Tuurlijk, de boel doet pijn maar dat doet het altijd en uiteindelijk wen je daar ook aan hè. Ik heb gisteren nog tweeëndertig baantjes getrokken in ’t zwembad. Da’s wel achthonderd meter, in een goed half uur. En ’s avonds nog de laatste voetbaltraining met de minikiddo’s doorstaan.

In ieder geval ben ik dus nog steeds redelijk mobiel en daarover verwonderde zich de goede man duidelijk. Hij mompelde in zijn dictafoonding: “Korbhenkelriss, Riss des inneren Kniebandes, Knochenschäden, Chondropathie dritten Grades, bladiebladiebla…. Operation erforderlich. Akuter Fall” Dát had ik dus begrepen. De vraag was: wat voor operatie? Tot mijn grote opluchting slechts een arthroscopie. Ikke blij! En maar twee weken uit de running (letterlijk). Men wil mijn knie nog zo lang mogelijk in mij voort laten bestaan. Een nobel streven. Als die pijn maar weg is, vind ik alles best.

De operatiedatum werd in overleg met de assistente meteen vastgelegd: volgende week donderdag. Zo gaat dat hier: je hebt niks in te brengen, je krijgt gewoon een afspraak, take it or leave it. Tja euhh, sorry maar dan kan ik helaas écht niet…. “OK, wanneer dan? Dit is namelijk wel “ein Fall für ‘Sofort'” [“een gevalletje ‘Meteen'”, vrij vertaald] dus wel zo snel mogelijk a.u.b.” Het lijkt wel of zijn knie door mij geopereerd moet worden i.p.v. andersom. De donderdag erop wordt democratisch vastgelegd. Jemig, wat snel… ik voel me niet als een spoedgeval maar 7 november snijden ze voor de zoveelste keer mijn rechterknie open. Ik hoop met heel mijn hart dat ie ’t daarna dan toch weer een tijdje pijnvrij doet.

Here we go again…

Het zinloze lijden van een ruitenwisser

Dit weekend heb ik bijgetankt. Eerst de auto voor de rit naar München, toen mezelf. Mijn ouwe audi bracht mij weer eens in ‘the office’ voor hoognodig puinruimen en noodzakelijke werkbesprekingen. Het mooie aan deze werkzaterdagen is, dat ik vrijdag op zaterdag én zaterdag op zondag vrienden kan bezoeken. München is de stad waar ik tien jaar gewoond heb en waar ik éigenlijk wel voor altijd had willen blijven. München is een heerlijke stad. Gezellig, mooi, ook een beetje gezapig (en ‘spießig’) maar wel met alle gewenste uitgaans- en culturele mogelijkheden. En met een hoop vrienden die ik nog maar sporadisch zie.

Vrijdagavond met vrienden naar een geniaal Frans restaurant (Entrecôte met aardappelgratin en tomatenconfît, mennnnnschnochmal wat was dat lekker…) en tot diep, diep in de nacht met vriendin gekletst. Zaterdagochtend op zijn goedmünchens gefrühstückt in een stadscafé, toen door naar het werk. Noodzakelijk kwaad maar ook mijn alibi om even een paar dagen terug te kunnen vluchten naar die stad waar ik zo van hou. München is en blijft mijn tweede Utrecht. Aan het eind van de middag was ik klaar en bijgepraat en reed ik naar een andere vriendin. In de binnenstad, dus ik was helemaal blij met de parkeerplaats op het binnenhofje achter het huis waar zij woonde. Die had ze voor mij vrij gehouden zodat ik niet weer 28 rondjes moest rijden voordat ik m’n auto ergens kon laten vallen.

Met de U-Bahn rijden we naar de bioscoop, waar Liberace (originele toon) draaide. Wat een film zeg, wow. Michael Douglas en Matt Damon laten wisserleed1zien dat ze echt gewéldige acteurs zijn. De bioscoop zelf is al een bezoek waard: het oudste lichtspeelhuis van München. Met een ‘David’ met valse wimpers en een ronduit sjaggie kijkende Mona Lisa aan de muur, enorme kitschlampen en duivels met groenverlichte ogen naast het filmdoek. Ik heb er een keer de Rocky Horror Picture Show gekeken, die draait daar sinds 1977 (!) elke (!!!) vrijdag en zaterdag om middernacht. Inclusief netkousen, dikke rode lippenstift, hoge blokhakken, wc-papier, rijst, ratels, popcorn en andere entourage. Pure cult. Dit keer was het Liberace, ook niet slecht. Aansluitend Vietnamees eten en een korte kroegentocht met wijn. Veel wijn. Genoeg voor een taxi terug naar huis. Genoten van de lichten, de geluiden. De kroegen, de mensen. De stad zelf, mijn gevoel van “even terug naar toen”, zelfs van de tramrit heb ik genoten. Weer als vanouds. Om half drie klim ik in mijn stapellogeerbedje, om er vanochtend om half tien weer uit te vallen. We zouden gaan brunchen, dus na het douchen, aankleden, spullen weer inpakken en de koffie naar buiten.

Ik wil nog even mijn pruttel in de auto gooien voordat we naar het Gasthaus lopen. En zie het meteen: iemand heeft mijn ruitenwisser aan de bestuurderskant met bruut geweld afgebroken. Finaal af. De aluminiumstomp steekt omhoog, de wisser zelf ligt er omgekeerd opgekwakt. Een gruwelijke aanblik… Mijn vriendin heeft meteen iemand onder verdenking: de bezitter van het japanse restaurant aan de voorkant van het woongebouw. Die huurt een parkeerplaats in het hof maar wil eigenlijk gewoon de hele binnenplaats voor zichzelf hebben en parkeert dus altijd dusdanig, dat werkelijk niemand anders zijn auto daar nog fatsoenlijk kwijt kan daar. Er kunnen normaal gesproken maar liefst zes auto’s vredig staan, de overige parkeerplaatsen zijn namelijk voor de bewoners van het huis én hun gasten. Ik was er eerder dan die wasabivreter en stond keurig vlak aan de muur, hij kon dus prima parkeren op zijn eigen plek maar de nogal agressieve man heeft zó de pik op andere auto’s dat hij regelmatig woede-uitbarstingen heeft en van pure ergernis staat te schreeuwen in het hof. (*”klein klein kleutertje wat doe jij in mijn hof” neuriet*) Meerdere aangiftes (o.a. wegens het bedreigen van een zwangere vrouw met een schroevendraaier) mochten tot nu toe niet baten om van hem af te komen. Zelfs de verhuurder ziet hem liever gaan maar krijgt hem (en zijn zes illegale sushislaafjes) er niet uit. De jappenmaffia is sterk…

Wisserleed2Anyway, toch maar naar de politie met de hele handel: aangifte doen. Niet dat dat ook maar iets helpt want getuigen waren er niet maar ja, melden moet je het dan toch. En het duurt me toch een potje langggg… Foto van de auto. Van de ruitenwisser. Van de ruitenwisser op de auto. Van het nummerbord. Getuigenverklaring. Feitenlijst. Verklaring van vriendin over mogelijke verdachte persoon (de jap). Meneer de agent (een nog uitermate enthousiast broekie; waarschijnlijk is dit zijn eerste echte geval van moedwillige vernieling ofzo) wil de afgebroken ruitenwisser persé houden om evt. vingerafdrukken veilig te stellen. Ik verklaar dat ik het ding eigenlijk liever mee wil nemen maar dat mag niet. Gelukkig gromt zijn chef al snel om het hoekje dat dat onzin is, dat daar toch niks uit komt en de wisser enkel op die andere berg rotzooi in het bureau zal belanden. Ik gris mijn gewonde ruitenwisser gelijk weg, voordat hij zich bedenkt. Terwijl meneer Broekje zit te typen (twee vingertjes, tip tap tip tap…) luisteren wij naar een meisje – type grijze muis met lange onderbroek en schuifknipjes in het haar – dat ook aangifte doet. Van stalking, bedreiging (met een soeplepel…) en grove diefstal (twaalfhonderd euro, gestolen toen de goede man haar in haar eigen badkuip verleid had en even zijn behoeften ging doen). Een verhaal van heb-ik-jou-daar. Helaas vraagt Broekje elke keer weer dingen waardoor we het gesprek niet zo goed kunnen volgen. Maar om nu te vragen of ie even zijn klep kan houden zodat wij die andere smeuiïge aangifte beter kunnen horen, dat is nou ook weer zoiets… Broekje is het niet eens met mijn schatting van de schade (ik noemde iets van driehonderd euro, ja weet ik veel) want dat was niet te verantwoorden, gezien de waarde van ‘de ietwat oude auto’ zelf. Met andere woorden: Een auto die nog geen vijftienhonderd euro waard is, heeft ook geen ruitenwissers van driehonderd euro. Ik zeg ‘m dat hij maar in moet vullen wat hem goed dunkt, ik vind ’t allemaal best. Maar dan moet hij ook accepteren dat de auto toch echt blauw is en niet zwart. En huppakee, de printer ratelt weer….

Anderhalf uur later staan we weer buiten, de gestalkte muis zit nog steeds te verhalen. Berehonger want van ontbijten is ook nog niks gekomen. We rijden naar een oermünchens Gasthaus en ik hoop stiekem heeeeeel hard dat het vooral niet gaat regenen vandaag want ik moet nog drie uur terug naar Oostenrijk rijden. Met een zielige, gewonde ruitenwisser onder mijn arm. Snik.

Dag München…

Nog lang niet jarig

Voor het geval u er aan mocht twijfelen: Nee, de stress is nog langggg niet voldoende: ik plan er gewoon nog even een verjaarspartijtje bij. Anders verveel ik me volgende week weer rot, dat weet ik nu al. Na veel gezeik van dochter een datum geprikt (ergens over een dag of zeven, ik verdring het nog een beetje) en ik stort mij op het maken van de uitnodigingen. Aangezien ik vanwege het zieleheil van dochter wel mee moet in de trend van ‘de tofste uitnodigingen powershoppointen’ fabriceer ik er eentje met – op bestelling – Horton (die van die Hoo) erop. No problem. Ik heb de uitnodigingen van vorig jaar immers nog en daar borduur ik zo op voort. Piece of cake. Even verviervoudigen op een powerpointsheet en floep heb je er vier op één pagina. Oh. Nog even wat verbeteren: het kind is inmiddels acht hè, en de datum een andere.

De printer weigert en Lou steigert. Maar ook steigeren helpt niet. Geen verbinding. Offline. Doet-ie het even wel, spuugt hij (printers zijn mannen. synoniem voor ‘bokken’) enkel 3 printregels uit en weigert verder elke dienst. Herstart. Herstart van mijn laptop. No luck. Ik gil, vloek en tier. Maar als het een goede man betaamt, is-ie ook daar ongevoelig voor. Ik dreig met balkonscènes (als in: eraf flikkeren). Hij blijft er ijzig koud onder. Ik hoor ‘m als het ware “forget it, you stressy bitch” denken. Uiteindelijk blijkt dat het ding een IP-conflict met mijn foon heeft. Fijn. En bedankt, suffe WLAN-router. Daarvoor zit je dan bijna twee uur de haren uit je kop te rukken.

Dochter geeft de uitnodigingen (voorzien van GROOT geschreven namen) aan de kinderen op school en komt vervolgens verontwaardigd thuis. “IK BEN GEEN ZEVEN!! IK BEN ACHT GEWORDEN!!!” Huhh?? Oh shit. Ik heb enkel de bovenste twee uitnodigingen van de vier op het A4-tje verbeterd… De ondersten zijn nog met de tekst van vorig jaar, inclusief foute datum etc.

Dochter kijkt me woest aan en roept dat ik NU METEEN een email moet sturen. Als ze bij mijn nek kon, zou ze me wurgen geloof ik. Ik heb geen keus. Telefoonlijst erbij gegrist, email geformuleerd, de juiste uitnodiging nog een keer als .jpg bijgevoegd. En daar zit je je dan als moeder urenlang voor uit te sloven en te ergeren… It’s a hard life.

Tot overmaat van ramp komt zoon net thuis met de vermelding dat hij “fuck you” tegen z’n engels lerares gezegd heeft. Ik val bijna achterover maar goed, ik vraag na even doorademen naar het waarom. Omdat hij het hoorde op de radio (Pink, probably) en wist dat het “iets ergs was” maar niet wat. Toen die juf in conversatiecontext vroeg hoe zijn dag was, zei hij “euhm… fuck you?” waarmee hij wou zeggen, dat het een rotdag was. Toen de juf ‘m raar aankeek en verder niets zei, heeft hij in de pauze eerst maar ‘ns de halve klas gevraagd wat dat dan werkelijk betekent. Aaaaarghhh!!! Ik legde hem uit dat dat zoveel betekent als “Fick dich (ins Knie)” maar de enige wedervraag was “wat is ‘ficken’??”… Oh mijn onschuldige manneke toch… Wijze les: leg je kind voor z’n tiende haarfijn uit, wat fuck you en shit en cojones en weet-veel-wat-voor-buitenlandse scheld- en vloekwoorden betekenen… Hoe brei ik dit nou weer recht… Scheiße Mann.

Ik ga weekend vieren. Lekker werken in the office. Met vriendinnen op stap. Gewoon even ikke. Kinderloos. Maandag verder borduren op deze broddellap. C ya.

glibberzen

Vandaan heb ik iets gedaan wat ik veel te zelden doe. Ik heb mezelf verwend én uitgebreid laten verwennen. En het was heeeeeerlijk.

Nee. Niet op de manier waaraan u nu denkt. Nee, nee, echt niet. Of misschien ook wel.

glibberzen2glibberzen1

Om kwart over zeven had ik de hele familiekudde de deur uit gewerkt, zoals gebruikelijk op een doordeweekse dag. Met een kopje koffie in mijn badjas – echt koud was ’t namelijk niet – naar buiten gehobbeld om naar de optrekkende mist en de opgaande zon te kijken. Wat schetst mijn verbazing: een prachtige regenboog. Om half acht ’s ochtends!! Wat foto’s gemaakt van al dat moois en toen maar ‘ns aangekleed. Want ik had een afspraak op ’t lichamelijke vlak 🙂

glibberzen3

Kort voor negenen loop ik met een grote tas de deur uit en rij naar ‘de grote stad’. Eerst een koffie en een bagel in het cafeetje naast het zwembad, in alle rust. Als ik de hal binnenkom, merk ik dat ik veel te vroeg ben: het zwembad gaat niet om negen maar om tien uur open. Fijn dan. Ik ga op de trap zitten en kijk wat rond op facebook (en lees dingen die ik al driekwart jaar geleden had moeten lezen, maar tja, doe alles ‘ns gelijk goed hè) terwijl de horde bejaarden me achterdochtig aankijkt. Ik behoor duidelijk niet tot de standaard zwemklandizie op dit tijdstip. Kan mij ’t bommen. Zwemmen is ook goed voor míj. Toevallig. Ik heb óók krakkemikkige botten. Toevallig.

Eenmaal in ’t water begint het gevecht met de rugzwemmende, nietsziende én nietsontziende ouwe knakkers en knakkerinnen pas echt. Ik zet mijn brilletje op en zwem zonodig onder de meute door. Aangezien ik geen schoolslag kan (vanwege mijn knie, zijwaartse bewegingen zijn klote) crawl ik alleen en dat vindt men ‘not done’ want dat spattert te veel. Je hoort ze denken: “die racende veertigers van tegenwoordig…”. Na vijftien baantjes en de ‘verplichte’ beenworkout verlaat ik hun element en droog me af. Want nu komt het relaxgedeelte: een algehele lichaamsmassage. De helft ervan heb ik vorige kerst van man kado gekregen als tegoedbon en in december is die bon niet meer geldig (ik wist niet dat dat nog mocht tegenwoordig, tegoedbonnen met maar een jaar geldigheid…) dus moest het er een keer van komen. En wel nu.

Ik ben geen mens voor professionele lichaamsfriemelarij (wel voor iedere andere friemelarij trouwens). Ik ben wel eens een keer of twee naar een schoonheidsspecialiste geweest. Eén keer naar de pedicure (nooooit weer, vreselijk). Manicure enkel eens door een vriend laten doen (vind ik ook niks). Massage was tot nog toe altijd doelgericht: vanwege gruwelijke rugpijn of lymfedrainage voor mijn knie. Een totale lichaamsmassage heb ik één keer eerder gehad en dat was in een fase waar ik heel goed (en slank) in mijn vel zat. Nu is dat – op zijn zachtst gezegd – een béétje anders. De redelijk streng ogende massagemadam begint. Ik kijk door het gaatje in de massagebank naar de vloer en denk enkel “oh jee, wat gaat ze doen, wat denkt ze wel niet…” Ik doe mijn ogen maar dicht, de vloer is toch niet mooi. Hawaï-klanken op de achtergrond, aloha-gewauwel, zeegeruis en hoela-hoela moeten blijkbaar voor strand- en vakantiegevoel zorgen. Eerst de rug. Prima. Maar blijkbaar ben ik zo verkrampt dat het meeste best pijnlijk is. Ze werkt langzaam naar beneden (yikes) en mijn benen worden bewerkt. En ik maal aan één stuk door…
“Niet in DIE vetjes knijpen! En in die daar óók niet!!”
“Shit, had ik nou mijn benen nog maar even geschoren…”
“Argh, mijn teennagellak is nog maar voor een derde aanwezig. Zou ze het zien?”
“Mens relax, dit doet ze tig keer per dag, die zíet jouw eelt- en andere bulten niet eens!”
“Ojeeojeee… mijn ellebogen zijn net de Rocky Mountains…”
“Hier moet ik straks echt wel even over bloggen.”
“Niet te hard drukken daar, pleazzzzeeee…”
“Ohw… ah nee hè… daar, ja precíes daar -auw- heb ik een opengekrabt plekje…”
“Blij dat ik net uit het zwembad kom, ben ik in ieder geval schoon.”
“Nou. Daar lig je dan, gekneed te worden…”
“Zou ze mijn borsten ook masseren??” [nee, deed ze niet, pfiewwww]
En in gedachten heb ik dit halve blog ook al lang geschreven.

Maar heel langzaam lukt het. Ik begin te ontspannen. Relaxxxx, woman… Eigenlijk is het best wel heel erg fijn. Ja. Heel erg. En ineens is het vijfenvijftig minuten later. Ze fluistert: “Dankeschön…” Euh… ja… graag gedaan maar moest ik dat eigenlijk niet tegen haar verzuchten?

Ik kleed me aan, bedank en betaal. En ik mompel dat dit wel heel erg aangenaam was en dat ik dit zeker vaker ga (laten) doen. “Ja”, zegt ze, “dat zou ik ook doen als ik u was, want er zit me daar toch een partij stress, kramp en spanning die nog dringend weggewerkt moet worden…” Gohhh, dat had ik nou nóóit gedacht, hè 😛

Op de weg naar huis glibber ik heen en weer in de auto. Mijn handen glibberen over het stuur, mijn billen glibberen in mijn slip, mijn voeten glibberen in mijn laarzen over ’t gaspedaal. Best lastig rijden zo. Maar ik, ik ben nu in ieder geval even hélemaal glibberzen. Gaan we vaker doen.

 

LY2?

Most of the people LiefI love
they love you.
Now should I be
envious? Or
should I complain?
Should I feel worried
that we are the same?
No I should not, cause
if they love you,
the only sensible thing
that I could ever do
is to see that you’re good
and do as they do.
Which means that I
simply will love you,
too.

.

© Lou

Two-face

Twee gezichten heb ik. Twee kanten. Letterlijk. Om van het aantal persoonlijkheden nu maar eens even niet te spreken. Ik beken: ik zal nooitneverniet zonder make-up de straat op gaan. Net zomin als ik naakt de deur uit zou lopen. Zonder make-up ben ik voor mijn gevoel namelijk ook nakend.

Ik zie best vaak mensen waarvan ik denk: “slechts een héél klein beetje oogschaduw hier en een likje mascara daar en je zou er een ander mens door worden.” Maar zo mag ik niet denken, want iedereen is van nature mooi. Gewoon mens én gewoon goed, zonder hulpmiddelen. Maar dan nog: je let toch ook op wat je aan hebt? Een beetje leuke kleding, een verzorgd uiterlijk, een enigszins bij je passend kapsel? Dan mag dat beetje make-up er ook best bij. Oké, de vergelijking gaat niet helemaal op want ik wandel rustig in een ouwe joggingbroek en met crocs aan mijn voeten (ja die dingesen) bij de buurvrouw naar binnen. Maar zonder make-up zou ik daar dus écht niet eens aan dénken.

Ik zie er namelijk slaperig uit zonder make-up. Heel. Erg. Slaperig. Niet meteen foeilelijk (neem ik aan), maar wel anders. Extreem basic. Vlak. Toen ik net 13 was, metamorfoseerde ik mezelf. Ik ontdekte de oogschaduw. Eerst het geijkte blauw met roze, soms groen met geel en meer van die afzichtelijke foute kleuren. Maar ze pasten niet bij mij en de boel werd al snel donkerder. Heel donker. Zwart zeg maar. Tegelijkertijd fabriceerde ik mijn punk- en  tina-turnerlook (maar da’s weer een ander blog: wilde haren…). Loesje werd ineens een ander mens. Bij mijn eerste vriendjes maakte ik me zelfs grote zorgen over het feit dat ze me ooit zonder make-up of getoupeerd haar zouden gaan zien. Want ohw-my-gawdddd, dat zou een regelrechte ramp zijn. Hoe moest dat dan later, als we samen zouden wonen??? Dan moest ik in vredesnaam maar met schmink op m’n falie slapen…

Het is toch nog goed gekomen. Ik durf nu wel afgeschminkt naast m’n man in bed te stappen. Ik durf zelfs zonder te ontbijten :-D. Als ik zestig ben, durf ik vast ook wel een stap buiten de deur te doen zonder extra opgedirkte ogen. Ik ben weliswaar geen lippenstiftmens (hou ik ab-so-luut niet van, van die smeerprut op mijn lippen, ook niet van lipgloss of labello. Gelukkig ben ik gezegend met een paar redelijk rode, volle lippen dus die laat ik maar zoals ze me gegeven zijn) en mijn gezicht blijft doorgaans ook redelijk ‘natural’ (geen geplamuurde kunstwerken op mijn wangen, no thanks). Maar mijn ogen, die maak ik sprekender. Altijd. Vanochtend heb ik eens een projectje gedaan. Ik heb één kant van mijn gezicht opgemaakt en de andere in mijn slaperige ochtendlook gelaten. Ik post de foto hier, maar u moet weten dat dit echt een coming-out voor mij is, eigenlijk zelfs een verschrikking. Een foto van mij, als two-face. Een foto out in the open, online, met één alledaagse, sprekende kant en één volledig ongecorrigeerde, blanco kant.

U mag slechts één keer raden welke kant dat is 😛

Twoface1a

Begrijpt u nu waarom?

Enjoy the silence

Ja, geniet ervan. Van mijn stilte. Het kan namelijk zo maar ineens weer voorbij zijn. Ik weet gewoon niet meer wat ik moet zeggen en dat komt niet vaak voor. De dingen die mij bezorgen, zijn de mijne, het delen ervan heeft verrekte weinig zin. Ik heb net een heerlijk weekend achter de rug, mijn lieve pap en mam een paar dagen hier. Praten, lekker samen eten koken, in de zon zitten (jaja, het is mooi weer hier), een potje kaarten of samen darts kijken, de geur van versgebakken brood op zondagochtend, een rondje tuin. Simpele dingen die zo veel waard zijn. Dingen waar je je bewust van moet worden, momenten waarvan je je moet realiseren dat ze helemaal niet zo ‘gewoon’ zijn maar juist momenten om te koesteren. De zorgen blijven. Maar raken heel even op de achtergrond.

Ik kan wel weer opnieuw opsommen wat er allemaal in me om gaat maar het heeft geen zin. Het wordt er niet anders van. Ook niet minder. Eerder meer. Hoe vaker je je zorgen oprakelt, hoe meer je jankt. Hoe meer ze aanwezig zijn en bedrukken. Dus dat ‘ogen dicht en door’ heeft wel wat. Ik voeg mond dicht eraan toe.

Zie me zitten. Silence
Ellebogen op tafel.
Ogen stijf dicht,
handen over de oren,
lippen op elkaar geperst.
Ik zie het niet.
Ik hoor niks.
Geen woord van mij.
En ik ben veilig.

Calm as cake.

Radioactive!

de song van ‘Imagine Dragons’ spookt de hele dag door m’n hoofd. Ik ben er veel mee bezig, met die radioactiviteit… Volg het nieuws uit Fukushima op de voet. Weer een voorval. Maar ‘alles is in de reactor gebleven’… Tuurlijk, tuurlijk. Die driehonderd tonnen zwaar radioactief water die er en passant nog even uitgedruppeld en in zee gespoeld zijn, zijn sowieso peanuts. Toch? Druppels in een oceaan die al lang en breed straalt als een supernova.

Niemand heeft het over de staven in reactor nummer 4, de reactor waar niemand meer in kan en waarvan niemand weet hoe het er binnenin aan toe gaat. De staven waarvan, volgens de berekeningen van de ‘experts’, de beschermende zirkoniumomhulsels in verregaande staat van ontbinding zijn en waarvan men vermoedt, dat ze uiterlijk over anderhalve maand volledig zullen smelten en de hitte die daarbij vrijkomt zoveel stoom in de reactor zal produceren, dat de hele boel met een gigantische klap uit elkaar springt, waardoor er een aarde-omspannende wolk radioactiviteit de atmosfeer in als mede een enorme golf onvoorstelbaar radioactief water de zee in geblazen wordt. Niemand heeft een oplossing. Niemand wil het geld voor het snel vinden van een oplossing zelfs maar op tafel leggen. Dus zwaai maar dag met je handje, zolang je nog kunt…

Doemscenario’s. Andere kant van de wereld? Dan niet meer hoor… Maar afgezien daarvan hebben we hier om de hoek ook zo’n heerlijke kerncentrale. Een oud krot, zo goedkoop mogelijk gebouwd door de Tsjechische regering, met een hoop subsidie van de staat. Een kerncentrale met aan de lopende band incidenten die allemaal vakkundig onder de Tsjechische tapijten geveegd worden. Dat dan wel weer. De verdere uitbouw van Temelin in de zeer nabije toekomst was al in kannen en kruiken: nogmaals vier grote reactoren graag! Joepiehie…duhhuhh…poepie. En dat hemelsbreed slechts vijftig kilometer verderop… Eindelijk, EINDELIJK heeft de EU nu eens een ‘goede’ beslissing genomen: De subsidiëring van kernenergie en van de bouw van nieuwe reactoren is niet langer toegestaan. Daarmee zijn de geplande Temelin-reactoren al vóór de bouw onrendabel en zullen ze er dus niet komen. Mede dankzij de petitie van Global2000 tegen de subsidiëring (die ik vanzelfsprekend ook ondertekend heb, en vele tig-duizenden met mij). Maar ook dit is slechts een druppel…

kaliumjodidGerustgesteld ben ik niet. Integendeel. Ik kijk met lede ogen naar Japan. En ook naar het laatste ongelukje, daar vijftig kilometer verderop. Ten gevolge van Tsjernobyl kunnen we hier in Oberösterreich bijvoorbeeld nog steeds geen truffels (de paddenstoelen hè) eten: streng verboden, nog steeds té radioactief als gevolg van de wolk die destijds, 27 jaar geleden op de bossen en weilanden hier neerdaalde… Zevenentwintig jaar!

Laatst heb ik mijn voorraad kaliumjood-tabletten maar eens hernieuwd. Ik had één pakje thuis, destijds via school opgedrongen gekregen. Maar kaliumjood moet je hier in onze contreien inmiddels standaard in huis hebben, voor het geval er weer eens een kernrampje of iets dergelijks gebeurt. De tabletten zorgen er dan voor, dat de schildklieren geen radioactief jodium op kunnen nemen. Vooral bij kinderen ontstaat er dan namelijk vaak en vrijwel direct de heel agressieve schildklierkanker. Bij de apotheek werden mij voor vier personen gelijk acht pakjes in de handen gedrukt. “Neemt u maar, ze zijn inmiddels gratis. Iedereen móet ze nu hebben. Nieuw voorschrift.”

Oh…Hoe geruststellend. Not…

Mijn voorraad drinkwater in de kelder (tot voor kort zo’n tachtig liter) heb ik nu dan ook maar opgeschroefd naar de tweehonderd…
Niet dat het ook maar een bal helpt, want het liefst ga ik dan maar gelijk de pijp uit in plaats van alle ellende nadien mee te moeten maken. Maar ja. Voorschriften hè…

Eens kijken hoe zeer we met zijn allen stralen over anderhalve maand. Van het lachen zal het niet zijn…

Ik ben twee.

Ja, vandaag ik ben twee. En zo langzaamaan leer ik lopen…twee

Nou, eigenlijk ben ik ‘in mij’ wel meer (vier ofzo?) maar ik, als blog, ben vandaag twee.
En aangezien verjaardagen en zelfs blogjaardagen altijd weer uitnodigen om te reflecteren op wat ooit was en wat is geweest, grasduin ik door mijn allereerste hersenspinsels en kan met enige al dan niet gepaste trots concluderen, dat mijn blog zich toch aardig ontwikkeld heeft. Van niks naar zo’n zeventigduizend page views (is niet echt veel, weet ik maar ik vind ’t best oké klinken, voor mij als prutsende blogpoeper) en krap 200 vaste lezers; ik ben een tevreden mens. Zó veel mensen die mijn loutere geleuter interessant genoeg vinden om regelmatig te lezen, dan kan ik alleen maar heel oprecht “dank jullie wel!!” zeggen.

Ik ga nog even door met grasduinen. Omdat mijn eerste blogs (tot midden oktober 2011, ik ben ergens in augustus dat jaar begonnen met bloggen dus éigenlijk ben ik nu twee jaar en een paar maanden 🙂 ) in eerste instantie op blogspot stonden en van daaruit hierheen gemigreerd zijn, zijn die nu dus allemaal zonder comments, lezers of likes en dus simpelweg aan de meesten voorbij gegaan. Alleen daarom al lees ik ze zelf maar af en toe terug. Altijd weer grappig om te zien hoe ik toen in ’t leven stond. En enigszins verontrustend om te merken dat er niet werkelijk veel veranderd is sinds in die twee jaar, behalve dan dat ik ouder en duidelijk nog emotioneler, instabieler, gekreukter en onverstandiger geworden ben.

Ik kan het niet laten. Enkele quotes en passages uit mijn allereerste blogs. Ze doen ’t nog steeds.

We shall draw from the heart of suffering itself the means of inspiration and survival.
(Winston Churchill)

“Accepteren dat ik heel veel dingen niet gedaan heb en ook nooit meer zal doen in mijn leven. Accepteren dat ik in veel opzichten heel veel geluk heb gehad waar anderen zoveel pech hebben. Accepteren dat ik meestal écht niks kan doen of betekenen voor mensen om me heen die zoveel pijn en verdriet hebben. Maar ook accepteren dat niet iedereen mij een prettig, lief, leuk of bijzonder mens vindt. De dingen vallen langzaam op hun plek, maar soms vallen ze er toch ook nog steeds een gigantisch stuk naast…”

“Zolang ze maar in je hoofd zitten, zijn gedachten ongevaarlijk. Je kunt denken, dat je ze nooit hebt gehad. Maar als je ze opschrijft, kunnen ze niet meer weg. Als weggewaaide papiertjes waar je je voet op hebt gezet. Toch schrijf ik ze op. Dan kunnen ze zien dat ik niet bang voor ze ben…”
(Tim Krabbé, uit “Een tafel vol vlinders”)

“Die zilveren zieledruppels weer aan elkaar.
Worden ze weer een gedaante.
Er zit nog niet zoveel vorm aan
Je herkent jezelf niet meer
Een maanlandschap van littekens
Een wanstaltig geheel van zeer
En toch begint het er weer op te lijken
Nog wel heel broos en fragiel
Maar toch een weer functionerend geheel
Een Terminatorziel.” 

Ach… ik kan wel aan ’t koekeloeren en kopiëren blijven.
Over tot de orde van de dag.
Verder met het hier en nu.
Maar niet voordat ik gezegd heb:
Bedankt allemaal.
Bedankt voor het lezen, voor alle reacties, steun, lieve en leuke woorden, inputs en likes.
Ik waardeer dat én jullie enorm!!
Op naar een nieuw blogjaar.
💋 van Lou.

kermis

Het is verbazingwekkend hoeveel mensen er in je leven zoal voorbij rollen.
Het ene moment zijn ze alles voor je, overdonderen je, laten je opleven. Geven je precies dat wat je nodig hebt. En jij hen.

Two worlds collided.kkerm

Je denkt dat diegene blijft. Voor eeuwig. Of in ieder geval tot aan het einde van de tijd van één van jullie. Dit zit goed. Verrijking. Liefde. Lot.

Never tear us apart.

Maar dan, dan ineens is je lotgenoot, je destiny, zomaar doorgelopen. Doorgehold, naar de volgende levensuitdaging. En toegegeven, je merkte het in eerste instantie niet eens… Het intense contact wordt langzaamaan weer oppervlakkig. En dan nihil…

Worlds drifted apart.

Ach wat nou voor werelden. Het is allemaal één en dezelfde aardkloot… Die personen lopen nog steeds om je heen, enkel nu in ietwat wijdere (of nóg wijdere) kringen. Niet meer in jouw golden circle. Enkel nog een bittere nasmaak, ergens achterop je tong…

Worlds collapsed.
(Maar dát zong Michael nou net weer niet)

Wat wil je nou… dat er om je na getreurd wordt? Dat er gerealiseerd wordt, wat voor onbetaalbare brok goud hij/zij zomaar links heeft laten liggen? Dat diegene éigenlijk spijt heeft als haren in een hooiberg, als stralen van de dark side of the moon, als een kip met een dubbele kop…

Ja.
Dat wil je.

Dus profileer je je opnieuw. Zoekt dat nieuwe daglicht dat jou kan beschijnen zoals het daglicht betaamt. Je blaat in het rond dat het voorrrralll beter voor jou is zo: “Oh my… your loss, dear!!” En dan vooral heel hard zelf geloven dat het ook daadwerkelijk een verlies is voor die ander. Daar wringt de pantoffel dan toch weer enigszins, want meestal is dat dus niet zo. Auw. Blaren. Enzo. Je gaat een “kijk mij, ik ben zelfs méér dan goed genoeg!!”-air vertonen. Vooral ook om je onzekerheid te bedekken onder een dun laagje goedkope glitternagellak. Je post een ongegeneerd portfolio aan hooggestylde foto’s op alle relevante social media, in de hoop dat de dumper ze ziet en denkt “ooooh… wat heb ik gedaan… waarom heb ik jou nu niet meer…” Als klapper op de vuurpijl word je in allerijl een slanke den, vastklampend hopende dat je nu dan eindelijk weer terug in de gratie valt [het moge aan de hand van dat laatste voorbeeld in ieder geval duidelijk zijn dat dit alles met de grootste zekerheid níet over mij gaat, ik val namelijk voor geen meter af. Oh en nee, het gaat ook niet over jóu 😉 Het gaat namelijk over de algehele onzekerheid in persona, het bijbehorende losergevoel en over de wereld die door rolt. Of zoiets].

Je probeert je algehele imago op te krikken.
Megacoole dingen doen.
Stoute dingen. Onwijze dingen.
In pure excessie.
I’m bad. Really, really bad.
Too bad.

Wat een verrekte kouwe kermis…

I told you that we could fly,
‘cause we all have wings.
But some of us don’t know why…

En dan kom je thuis.
Out excess.
Rotkermis…

_________________________________________
bron songtext: INXS – Never tear us apart

© Lou