Rust roest…

maar rust is toch ook wel fijn…
Vooral op vakantie.
Ik vind ’t dan ook ontzettend moeilijk om een goede middenweg te vinden tussen dingen doen en dingen laten, tussen meetings, bezoeken en koffiekransjes plannen en gewoon lekker thuis zijn. Vooral tijdens mijn Nederlandvakanties… We zijn er gemiddeld een dag of 8 . Soms zijn het er 6, soms zelfs 10, hoewel dat laatste niet vaak meer voor zal komen omdat we onze twee rooie katertjes niet langer alleen kunnen (en willen) laten.

Over het algemeen ben ik dus twee keer per jaar in Nederland. In die twee keer één week per jaar wil ik mijn familie bezoeken, mijn grote zus zien (die ik verder dus ook nooit zie), bij mijn ouders zijn (die weliswaar nog redelijk vaak naar Oostenrijk en bij ons komen maar die het toch ook wel heel leuk vinden als ik ook eens een keer gewoon thuis ben) én een hele bups meer dan lieve en goeie vrienden opzoeken die ik óók allemaal mis… Allemaal mensen van wie ik houd en die ik zo graag éven ‘live’ zou willen zien. Maar daarnaast ben ik nu eenmaal ook nog met m’n gezin ‘op vakantie’ – deze zomer zelfs de enige vakantie die we met elkaar hebben – en dus wil ik ook met hun hier nog wat leuke dingen ondernemen en niet 6 van de 8 dagen moeten zeggen: “jongens, jullie bekijken het maar, amuseer je, ik ben de hort op”.

Het is simpelweg niet in te passen in die ene week. Veel mensen vragen of ik niet ergens een klein gaatje heb, gewoon om even langs te komen en koffie te drinken. Of waarom ik ze nou nooit op kom zoeken als ik al een keer in Nederland ben. Nou daarom dus… Niet dat ik niet wil, integendeel! Maar mijn tijd is zo ontzettend beperkt, helemáál voor meetings waarvoor ik nog eens uren moet rijden. Ik kom zelden tot nooit in het Westen of bijvoorbeeld het verdere Zuiden van het land, simpelweg omdat ik dan minimaal 2 tot 3 uur (heen, en ook nog eens een keer weer terug…) moet rijden – de zeer waarschijnlijke files niet meegeteld – voor even koffie drinken of meeten. Na krap duizend kilometer naar Nederland karren heb ik daar heel eerlijk gezegd ook niet zo heel veel zin meer in.

Van hier naar Den Haag = 220 kilometer, 5 uur heen-en-terug.
Van hier naar Amsterdam = 180 kilometer, 4 uur heen-en-terug.
Van hier naar Vlissingen = 330 kilometer, 7 uur heen-en-terug.
Van hier naar Breda = 230 kilometer, 5 uur heen-en-terug.
Sorry, maar dat wordt ‘m dus echt niet….

Ergens blijven slapen is ook geen geweldige optie. Ik weet dat mijn mams dat niet echt leuk vindt en ik weet vooral ook dat mijn kinderen het nog minder leuk vinden. Man laat me razen (letterlijk ^_^), de lieverd. Hij weet heel goed dat vrienden bezoeken in Nederland enorm belangrijk voor me is maar ook hij staat vanzelfsprekend niet van enthousiasme te springen als ik ergens blijf slapen. Het gebeurt wel af en toe een keer, als ik bijvoorbeeld zo’n geweldig feestje heb als de vorige keer in Groesbeek (:-)) waar ik zoveel heerlijke mensen in één klap kan zien en dan bij liefstelieve vrienden mag blijven slapen, maar het blijven uitzonderingen.

Later, als de kinderen wat groter zijn, kan ik ooit ook wel ‘ns alleen naar Nederland, denk ik. Dan is in ieder geval het schuldgevoel naar hen toe niet meer zo groot (om over de overige schuldgevoelens maar niet te praten). Dan kan en wil ik ook best ‘ns wat langer rondtouren en mensen opzoeken, maar nu zit dat er echt niet in.

Dus mensen, mocht ik jullie ook dit keer niet komen opzoeken: het ligt écht niet aan jullie, het ligt aan mij. Ik kan ’t niet bolwerken en ik kan mezelf nog steeds niet vierendelen (en zelfs dan was ik niet voldoende…)

Lang leve de social media, zo ‘zien’ we elkaar toch nog 😉

*virtuele kus toewerpt*

Autosores en een naveltje

Het was weer zover. Er moest gereden worden. Moeders wilde weer ‘ns terug naar haar roots dus pakte zij kinderen, man en andere pruttel in haar Audietje en karde heenen..

Tot aan ’t tankstation 3 kilometer verderop mocht ik maarliefst rijden, toen had man ’t wel bekeken. Wáár laat je in vredesnaam je benen als in die krappe beenruimte al een grote koeltas met onderwegvreten en een tas met alle waardespullen, telefoons en andere santemekaraam overlevingsbelang staat. Tja, mij lukt dat wél dus mocht ik daar (weer) zitten.

Tot aan ’t tankstation 30 kilometer verderop: toen merkte man dat hij toch wel verrekte moe was van het opritbestraten. Ik mocht het stuur weer overnemen en hij wurmde al ogensluitend zijn benen tussen de tassen.

Maar. Wie op die plek zit, is van de bediening. Zo zijn de regels. Je hebt rijders en bedieners. En ik was nu rijder. Na circa tien kilometer begon dochter: “ik heb honger.” OK, dat kan nog niet want we hebben thuis voor we weggingen uitgebreid gegeten. “Zijn we al in Duitsland? Mogen we een film kijken?” (Dat is ook een regel: filmpjes kijken doen we vanaf de duitse grens. Vraag me niet wie die regel bedacht heeft, ik niet, maar ze moeten dus eerst 1,5 uur stil kunnen zitten of met echte dingen kunnen spelen of naar buiten kunnen staren voordat de DVD aan mag. Dat kan enkel iemand bedenken die normaalgesproken rijdt en niet van de bediening is). Mijn standaard antwoord luidde dan ook: “Moet je papa vragen, die is van de bediening.” Maar papa sliep. Zo zag ’t er in ieder geval uit. Ik porde hem in zijn zij en hij werd sjaggie ‘wakker’ om het bij voorbaat bekende “NEE” door de auto te brullen.

Daarna had ik geen rust meer. Ik voegde niet snel genoeg naar links in. Ik moest eerder mijn knipperlicht uit doen. Ik moest niet zo snel naar rechts gaan om anderen voorbij te laten, dan moesten ze maar even remmen. Ik moest wél spaarzaam rijden en harder dan 130 is níet spaarzaam (dús moet je vaker naar rechts om anderen voorbij te laten…). Ik reed te dicht op m’n voorganger (maar ja, ik moest wél sneller naar links invoegen…). Na 4x diep zuchten brulde ik dan ook gefrustreerd “BEMOEI JE D’R NIET MEE, IK RIJD!! JIJ GING SLAPEN!!”.  Prompt volgde er op onze woordenwisselingen een straf  van boven, in de vorm van een stortbui, waardoor ik sowieso niet harder kon dan 80. En met stortbuien heeft mij Audietje het niet zo, want dan wordt-ie nukkig en wil-ie niks meer vertellen. Vooral niet hoe hard je rijdt, wat je verbruik is, hoe vol je tank nog is etc. etc. Niks meer. Gevoelig contactje dat bij natheid nattigheid voelt. En dat blijft dan ook een dag of 3 zo…

Gelukkig hebben wij daarvoor ons naveltje, onze Garmin Nüvi. Die zegt namelijk wél hoe snel je rijdt en dat is toch best fijn om te weten. No real problem dus. Man dutte weer in, de kinderen jengelden voort. Ik mompelde noodgedwongen dat ik naar de plee moest (tja, die koffie hè) en stuurde de eerstvolgende parkeerplaats aan. Een klein pseudoplasje om er daarna even snelsnel zelf een DVD in te douwen en de rust was wedergekeerd in de auto.

Ik tufte de volgende 600km door, de kinderen keken DVDs en man deed zijn best in de bediening, krampachtig zijn mond houdend over welke rijstijl dan ook. Een file, een hoop halve gekookte eieren en stukjes worst, wat broodjes nutella, 18 wegopbrekingen en Baustellen verder was ik het zat en reed lijnrecht naar een grote gele M. Het was een primitieve dit keer. Gruwelijk onvriendelijk personeel, ellenlange wachtrijen, verstopte toilettekes van 1 meter lang bij 60cm breed, het speelgoed bij de happymeals (stappentellers, bewegingstellers, pingpongtellers) was op (een absolute ramp op gezinsgebied) op de sprongtellers na (een nog grotere ramp: nu wilden ze niet meer zittend eten maar enkel nog springend eten…).  Onze vette hap naar binnen gewerkt en hoppetee, de auto weer in. Nieuwe DVD erin, benen tussen de tassen proppen en gaan met die banaan.

Man reed, naveltje wees de weg. Prima, kon ik naar hartelust bedienen. Naveltje wil o.h.a. echter standaard iets anders dan dat wij willen en natuurlijk sjeesde man de juiste, níet door naveltje aangekondigde, afslag voorbij. Iets van 30km verderop durfde ik voorzichtig te opperen: “hé hadden wij niet al ‘ns af gemoeten?” maar pas na een volgende 10km wilde hij dat ook toegeven. Nou ja, dan maar de route van naveltje volgen. Het is een Garmin en Garmins weten vast wel wat ze willen. Tot Münster was ’t sowieso autobahn en vanaf daar een prachtige snelweg. Alles Bestens. Rond 22 uur kwamen we in de buurt van de bestemming en man riep ineens: “Héé hier moet ik af, dit is onze autobaan, dan zijn we er zo!” waarop ik nog harder gilde: “Nee joh, dan gaan we weer richting Oosten, kijk maar, dat wat naveltje wil is veel richter en anders rijden we een klere-eind om!! Dat is niet goed!!”

En hoppeteeee waren we de afslag voorbij. Ik moet toegeven: ik heb niet altijd gelijk… In dit geval hadden we die afslag moeten pakken. Nu waren we dankzij mijn gegil en naveltjes antinavigatiekunsten gedoemd om dwars door Gronau, dwars door Overdinkel, dwars door Losser en dwars door Oldenzaal heen te rijden. Dat was op zijn zachtst gezegd geen pretje… Het was dan ook ijzig stil in de auto (nadat ik minstens 23 keer aan heb moeten horen dat ik het NIET altijd beter weet en gewoon mijn kop had moeten houden, dat HIJ reed en HIJ dan ook de beslissingen had moeten nemen. Waarop ik antwoordde dat HIJ zélf besloten had om naar mijn gegil te luisteren en NIET af te slaan. Dat was NIET het goede antwoord). Door alle bochten, vluchtheuvels en nieuwhollandsche rotondes moest dochter gedurende de laatste 8 kilometer toch nog een kotszakje onder haar neus houden maar dankzij diep ademhalen en open ramen lukte het toch nog om – weliswaar een krap half uur later dan mogelijk was geweest – kotsvrij op de plaats van bestemming aan te komen. De kilometerteller gaf trouwens een gereden afstand van 112,9km aan. Oostenrijk en Nederland liggen helemaal niet zo ver uit elkaar eigenlijk…

En nou doe ik vakantie vieren. Ik heb vandaag al de nieuwe sjoelbak gepolijst, man geholpen met de Wifi-problemen alhier, koffie gedronken, thee gedronken, boodschappen gedaan in het zelfgeknutselde winkeltje van de kinderen (“Dat kost dan 20 euro!” “Oh, ik heb alleen maar een briefje van 500…” “Ah da’s ook goed, dank u wel” :-S) en koffie gedronken. En nu een blog getypt. Tijd om te koken… lang leve de vakantie, yeah!!

Lak aan lak

Het was u misschien al opgevallen maar ik ben niet zo van de lange, opgetutte nagels. Ik heb korte werknagels die standaard afbreken en steevast voorzien zijn van lichtgrijze tot zwarte randjes die ik daar echt niet zo 1-2-3 wegkrijg. Maar zo heel af en toe krijg ik dus een soort van aanval en wil ik ook aantoonbare nagels. Dat gebeurt hooguit 2 tot 3 keer per jaar. Vandaag was het zover.

Teennagels zijn over het algemeen geen probleem: ik schilder de lak er prachtig op (want alles kan met rechts), loop – zoals ik altijd doe – op blote voeten verder en hoppetee, gedroogd en mooi. Ware het niet dat ik eigenlijk nauwelijks teennagels heb want ze zijn ieniemienie klein uitgevallen. Maar van een mooi laagje ‘buiten de randjes gedrapeerde’ nagellak voorzien lijkt het net of ik ze wel heb. Prima zaak dus, teennagels lakken.

Maar dan de handen. Ik heb een French Manicure setje, zo’n pen waarmee je mooie witte randjes op je nagels kunt kalken en dan doe je er vervolgens een top coating overheen. Very professional, you know… De randjes aan mijn rechterhand zijn duidelijk hakkeliger dan links maar dat neem ik voor lief. Ik deed er dit keer liefdevol een laagje zijdecoating overheen om er vervolgens achter te komen dat ik toch wel verrekte nodig naar de WC moest. Het ontbreekt mij duidelijk aan nagellakervaring want anders was ik wel in de pré-lakfase naar het toilet gegaan of had ik tenminste een jurkje (liefst zonder slip…) aangedaan ipv een redelijk strak zittende spijkerbroek…

Toen ik uiteindelijk niet meer kon en dacht dat het wel kon, nam ik de grote stap om mij toch maar te ontkleden. Het was duidelijk te vroeg. Ik was er nog niet klaar voor… en na de hijspartij duidelijk onherstelbaar beschadigd. Mijn duimnagels in ieder geval. Maar met wat goedgeplaatste renovatiearbeid kreeg ik beide weerbarstige nagels toch nog weer in het gareel.

Opgelucht haalde ik adem. Totdat man binnen kwam stuiteren. Hij was klaar met de rest van de beruchte oprit en nu moest alles hup hup hup opgeruimd worden zodat hij er met de vasttrilplaat (ik weet nog steeds niet hoe zo’n ding in ’t nederlands heet) overheen kon huppelen. Of ik even die steenresten daar en die reststenen hier allemaal weg kon ruimen terwijl hij de aanhanger haalde. Tuurlijk, doe ik toch. Ik sjouwde stenen naar hun tijdelijke rustplaats, bezemde snel de hele verhipte oprit en hielp de zware diamantzaag weg te zetten. Vervolgens laadden we samen nog even 10 europaletten op de aanhanger want die moesten terug naar de bouwmarkt. Null problemo. Kan ik.

Maar helaas niet zonder mijn versgelakte nagels tot miniatuurberglandschappen te verworstelen (ja dat is een Austrianisme: verwurschteln klinkt duidelijk beter). Ik zuchtte, keek meewarig naar de ruïnes van mijn franse nagelverzorgingskunsten en pakte de fles aceton er maar weer bij. Waar zou een vrouw zijn zonder aceton…

French Manicure brengt duidelijk enkel ongeluk dus nu zijn ze roodkoperkleurig gelakt. Hopelijk zijn ze dit keer droog voordat ik zometeen man mag helpen om die trilplaat van de aanhanger af te sjorren. Oh kijk, daar zul je ‘m hebben.

Voor de komende maanden heb ik alweer helemaal ’t lak aan dat gelak.

 

Goed dan. Ook hier nog een kleine naschrift:
De lak is er alweer af. Ik heb vandaag een flinke lading aceton (nah jahhh ‘nail polish remover’ met een mooie drie woorden) erdoorheen gejaagd maar nu zijn ze voor de 3e keer blanco vandaag. Ik ga vanavond, als ik echt NIX meer hoef te doen behalve typen (en dat kan ik met verse nagellak), nog één poging wagen. En als die niet lukt, hou ik ’t voor gezien met die nagelonzin. Ik heb er nu echt helemáál falikant ’t lak aan.

In de knoop

Knopen. In mijn maag, aan m’n broek, in mijn haar en in mijn gedachtengangen. Knopen in mijn hersens en in m’n vingers. Knopen in m’n zakdoek heb ik niet want ik gebruik geen stoffen zakdoeken. Nooit gedaan ook (yuck, vies, zo’n snotlap).

Veel van die knopen neem ik voor lief, de meesten merk ik niet eens meer. Sommige zijn zelfs handig om de boel bij elkaar te houden. Met andere moet je leren leven. En sommige moet ik toch echt weer uit de knoop zien te krijgen…

Vastknopen.
Ontknopen.
Aanknopen.
Opknopen.
Losknopen.

Doorhakken…

Welke knoop ontrafelt de wirwar?
Hoe knoop jíj dat aan elkaar?
Zoveel zwaar knopende zaken…
Ach toe, friemel even aan mijn knoopjes?
Wat is dat opgeknoopte gevoel?
Ik kan er geen touw aan vast knopen.
Hoe ontwar ik dat wat niet eens is?
Vraag me nou ‘ns waar de knoop zit…
Ontwar mijn knoop even voor me?
Hmm. Sjor ik er toch teveel aan?
Aan welk touw moet ik dan trekken?
Ben jij ook zo in de war…
Waar is die klittenkam?
Kun je knopen in je maag verteren?
Hoe knoop ik ‘m ’t snelst op…
Strikje erom??
M’n verstand zit hopeloos in de knoop.
M’n hart ook trouwens.
Knoop ik er maar een end aan?
Aan welke boom?
Enzovoort.

Mijn wereld hangt met knopen aan elkaar.
En als ik nou ‘ns de verkeerde knoop eruit haal, wat dan?

Welke knoop in mijn wereld ben jij?

(En ik heb duidelijk niet alleen knopen, ik heb ook nog kronkels…)

Opritepiloog

is er eigenlijk iets saaiers om over te bloggen… over een hoop kruiwagengesleep en een bult keien… Straatstenen. Tegels. Klinkers (nee, ze zijn groter dan klinkers… of is mijn beeld van de klinker inmiddels verouderd?). Ik ben meer van de medeklinkers geloof ik (knipoog naar Gert ;-)).

Maar goed, het is iets wat me erg bezig houdt (*grinnik*) en vandaag heb ik samen met man de overige dik 3,5 ton stenen nog even uitgebreid mogen bevoelen, naar hun bestemming mogen kruien en liefdevol neer kunnen leggen. 8 am het startschot, 2 pm met volle glorie door het finishlint. Man heeft het meeste gelegd, ik alles aangevoerd en hier en daar wat meegelegd. Vandaag ging het wel beter dan gisteren, ik heb – naar buurmans zeggen – zelfs lopen zingen en fluiten. Beats me, ik heb de helft in verdoofde toestand gedaan, geloof ik. Ik weet wel dat ik tussendoor nog de kattenpoep van de rijplank en van de kruiwagen heb moeten krabben (ik vind ze heel lief hoor, maar vandaag en gisteren waren ’t echt rotbeesten in mijn bescheiden visie. Ze kakten daadwerkelijk voor je voeten alles vol en gingen er ook gemoedelijk met grote ogen voor zitten terwijl wij toe moesten kijken omdat we zelf niet in het geëgaliseerde grind konden gaan stampen en dat roken ze natuurlijk 😦 stelletje kattentuig).

Man is nu de randen aan ’t doen: die moeten namelijk op maat gezaagd worden en daar kan ik simpelweg niet bij helpen, behalve dan dat ik op gezette tijden een nieuwe kruiwagen stenen naast de diamantcirkelzaag-met-waterbekoeling neerzet (zometeen weer bijvoorbeeld). Is óók een hoop werk, die randjes, maar ik ben heel erg blij dat ik daar gewoon niks aan bij kan dragen. Ik heb mij na een zeer nodige douchebeurt maar gestort op het opruimen binnen (niet werkelijk optisch waarneembaar maar toch), het boodschappen en de was doen en wat schoonmaken. En zometeen ga ik koken. Ik heb de blaren al op de handen, kapotte duimen, ik kan geen bolle rug meer maken cq. bekken kantelen zonder het uit te gillen van de pijn en mijn schouders hangen gevoelsmatig allebei uit de kom. Dat wordt vanavond wat creatiever spelen in bed :-S

Maar ach, ik kan nu wel uit volle borst schreeuwen:

WE!!
DID!!
IT!!!

en vooral ook:

NOOOOOOOOOOIT MEER!!!

En dat doe ik dan ook maar.
Klerewerk.

Oprit in oprichting

Een steentje bijdragen. Dat heb ik vandaag gedaan. Letterlijk. En nu kan ik niet meer rechtop zitten :-S

Wij zijn, na vijf lange jaren wachten, eindelijk onze oprit aan ’t bestraten. Dat is geen prutswerkje: onze oprit meet dikke 100 vierkante meter. Ik wou – zoals algemeen bekend –  asfalt er in mieteren. De randstenen (zo’n 50 tot 60 kilo per stuk) rondom het te verharden areaal hebben we samen in ’t beton gejasd, dat was nog te doen. En in die prachtige omranding had ik dus met liefde asfalt gestort: binnen goed 2 uur ben je klaar, het wordt voor je gedaan (met zo’n enorme machine, geweldig om te zien en vooral om toe te kijken hoe anderen werken) en je kunt er fantastisch op rollerbladen en stoepkrijten. Maar nee: man wilde toch echt stenen. Goed, dat verhaal is bekend. Ik had me erbij neergelegd.

Gemeleerde stenen (oftewel: met verschillende grijs-/graniettinten). Gevonden, besteld. Geleverd, dat ook. ‘s-ochtends om half 7 stond er een gigantische vrachtauto met kraan en aanhanger voor de deur en plantte tien ton stenen op onze chaos-oprit. Helaas waren het de verkeerde. Sjee, wat nu. Onder voorbehoud geaccepteerd, maar toch gelijk dezelfde dag nog gereclameerd: ze waren écht niet mooi. Geld terug geregeld, besteld bij andere firma. Levering binnen 5 werkdagen. Not… Ja, een levering kwam. Maar ook verkeerd en veel te weinig. Het gros niet eens uitgeladen.

“Uw stenen komen dinsdagochtend.” Prima, da’s nog zat op tijd. Dinsdagochtend: geen levering.
“Nee sorry, we redden het niet. Ze komen morgen [woensdag] ochtend. ” Nah jah, ook nog OK, wel balen. Woensdagochtend: geen stenen. Bellen. “Ja ze zijn geladen, in de loop van de dag zal de transporteur bij u zijn.” Hmmm. Pffffff. Enzo.  Want ondertussen lag onze oprit er wel helemaal legklaar bij en bleek voor onze en alle buurtkatten een gewéldige kattenbak te zijn: dat fijne grind was nou echt het walhalla voor de gemiddelde kakkende kat. Frustrerend om te zien hoe ze hun uitwerpselen minitieus in het door man perfect geëgaliseerde fijne grind begroeven. En vooral: het stonk…. (en stinkt nog steeds :-S). We hebben wat dingen gelegd en gesleept maar veel konden we nog steeds niet doen.

Maar ook de loop van de dag bracht geen stenen. “Sorry, de vrachtauto staat met pech. Hopelijk nog vanavond laat, anders morgenochtend.” AAAAARGHH!!! Kak. Letterlijk. Enniehouw: vanochtend om half 7 was de stenen-eppo er daadwerkelijk. En ze waren goed!!! Oh wonder. Snel geontbeten en om half acht ging’s los!! Mijn job: stenen (2 verschillende kleuren en 2 verschillende maten) in de juiste verhouding (12:6 + 4:2) in de kruiwagen draperen en naar de plaats des leggens kruien. Kan ik. Zo snel zelfs, dat ik grote delen ook meegeholpen heb om te leggen. What a job.

Ik heb vandaag in de zengende hitte goed 7 ton van die stenen door mijn handen laten gaan: in de kruiwagen leggen, kruien, deels ook nog leggen. Heerlijk. Maar ik kan u wel vertellen dat dit nooit mijn hobby zal worden. Ik heb nu geen onderrug meer, een lichte zonnesteek (geloof ik) en ik ben echt stuk en doodmoe. Maar morgen moet er nog goed een kwart ingelegd worden en dan nog alle stenen aan de rand op maat gesneden en gelegd worden. En vasttrillen moeten we het dan ook nog. Dat mag man doen: die heeft sowieso een olympische conditie. Mijn Epke is namelijk nu nog met de trekker (die uiterlijk vandaag terug moest naar m’n schoonmoeder) de hort op om vervolgens met de racefiets dat hele stuk nog terug te rijden (dik 30 kilometer). Waar háált-ie de energie vandaan. Ach verrek ja, het is een man. Daar zal ’t aan liggen.

Maar ik als goedgeaarde moederslaaf heb voor de twee irritante hongerlapjes hier nog wel weer in turbotempo pannenkoeken gebakken omdat ze zo’n honger hadden. Dat dan wel weer. En ik typ een blog. En ik drink een Hugo. En ik ruim de keuken op en doe nog even snel de was. Helemaal nutteloos ben ik nog niet…

Morgen weer verder. Ik voel me al een ware topbouwvakster… (inclusief décolleté).

Hé ho, hé ho
Je krijgt het niet cadeau
Hé ho, hé ho, hé ho, hé ho, hé ho…

Dikke PS: het bleek toch nog niet genoeg voor vandaag. Man belde rond kwart over 8 op: gestrand met de racefiets. Of ik ‘m asjeblieft op wilde halen… Hugo aan de kant geschoven, de douchende kinderen toegeblèrd dat ik papa ging halen en dat ze braaf naar bed moesten gaan. Hebben ze gedaan. Slapen was een ander verhaal, dat doen ze nu nog niet. Maar goed, ik heb man op een parkeerplaats 25km verderop met fiets en al in de auto gepropt en nu zijn we thuis. Ik drink nog één glas  weetikveelwatenhetmaaktmeookgeendondermeeruit en dan ga ik pitten. Heel hard pitten. Ben’t zat.

Pauze

Een prachtigmooi woord.

“Een tijdelijke periode van onderbreking van een handeling, met de bedoeling om even tot rust te komen en daarna met frisse moed de draad weer op te pakken.”

Aha. Kijk. Dát soort dingen kan ik. Heel goed zelfs.
In ieder geval tot aan het woordje ‘en’ in bovenstaande definitie.

Pausa (latein) betekent “einde” en pauein (grieks) “stoppen” (vergat ik toch bijna de -t- te typen :-S).
Pause = stoppen want dit is ’t einde! Is ’t echt ’t einde?

Ik stopeindig even. Tijdelijk. Met dat wat ik aan ’t doen was. Hoe eindig dit stoppen is, weet ik nog niet. Ik weet wel dat, als ik ’t kon, ik nu met de grootstmogelijke waarschijnlijkheid gesmolten zou zijn. Het is namelijk bloedjeheet buiten en ik voel me allesbehalve bloedjemooi met die bloedzweetentranendoorlopen ogen en die bloederige lavastromen make-up die mijn gezicht af rollen. 39 graden celsius en redelijk windstil. Ga d’r maar aan staan met die meterlange, gevoelsmatig tonnenzware randstenen van de oprit. Schepje ‘droog’ cement hier, steentje dáár… klaar.

Ik moet toegeven: man doet ’t meeste werk. Die kan op de één of andere manier niet zonder veelvuldige lichamelijke uitputtingsslagen. Het zal wel een man zijn. Hij is dan ook zeer athletisch gebouwd met een hoop tanige spieren, goed voor het op ieder moment met de blote handjes vangen van een antilope of voor het adhoc bespringen van een gazelle (ja tuurlijk, denkt u maar door). Ik daarentegen ben ‘comfortabel’ gebouwd. Ik ben zacht als een kussen, breed als een sofa en lekker als een canapée. Bij wijze van spreken dan. Ergens in mij zijn er vast wel een paar spieren te detecteren maar die zijn goed ingebed tussen de springveren en de opvulling. Resultaat: man sjouwt, schept en mengt de hele ochtend aan één stuk door (er moet natuurlijk wel het nodige bier bijgetankt worden anders werkt-ie niet), en dat al weken lang. Ik ben na vijf van die dingen erin kwakken rijp voor de sloop en trek mij nederig terug in mijn hol namens keuken.

Ach… verschil moet er zijn. Ik doe niet meer aan emancipatie. Laat hem die betonbielzen er zelf maar inproppen. Ik ga koken.

Dooddroom

Ik heb de laatste tijd last van een droom. Een dooddroom.
Ergens weet ik heel goed dat het niks te betekenen heeft, maar het houdt een mens wel bezig… Mij althans wel. Vannacht om iets van half vier  werd ik wakker. Gelukkig. Het was weer voorbij. Voor de derde keer droomde ik min of meer hetzelfde. Ik was stervende. Op het laatste flinterdunne randje van het bestaan balancerend en wetende dat ik er de volgende dag niet meer zou zijn. En ook steeds door dezelfde ziekte: borstkanker, uitgezaaid naar longen en lever. Hoe kom ik in vredesnaam op die details…

Ik was de hele droom continu bezig met dingen regelen. Met afscheid nemen. Met het zorgen dat de kinderen goed opgevangen zouden worden (inclusief het zoeken naar een nieuwe moeder voor ze, hoe cliché…). Met het uitzoeken van een geschikte urn. Met het uitoefenen van mildheid naar de mensen die over je aanstaande dood heenwalsen alsof het je reinste kolder is. Met het nog even een keer voeren van de vis, de garnalen en de katten. Met het intens genieten van dingen die ik daarna nooit meer zo zou kunnen ervaren. Met tranen wegslikken en glimlachen, zo goed als ik kon.

Ietwat verwarrend is elke keer dat mijn man de ernst van de situatie steeds opnieuw niet inziet. Hij gaat nog even gezellig met vrienden naar de bioscoop. En ik neem maar stilletjes afscheid. Hij gaat nog een paar uur wielrennen. En ik neem weer afscheid. Hij gaat bij zijn moeder de verwarming repareren. En ik neem weer afscheid. “Jij gaat sowieso niet dood voor mij, dus maak je niet zo druk.” En ik berust…

Met een brok in de keel kijk ik hem na, ga tussen de kinderen in zitten en sluit mijn ogen.
En dan word ik wakker.

Ik kan het wel een klein beetje te verklaren hoor, wat mijn hersencellen daar allemaal aan ’t verwerken zijn. De laatste tijd zijn er veel (borst)kankergevallen in mijn omgeving. En mensen die een zware, ongeneeslijke ziekte hebben. ‘Gevallen’ klinkt eigenlijk stom. Maar het zijn gevallen van zware ziekte, verdriet en soms de dood en die blijven je bezig houden.

Daarnaast heb ik ’t gevoel dat ik iets aan ’t afsluiten ben. Ik word langzaamaan rustiger. Bedaarder. Dingen worden duidelijker. Ik kan weer meer genieten en berusten in wat ik niet veranderen of beïnvloeden kan. Misschien dat dat er ook iets mee te maken heeft. En het lijkt alsof man dat al lang weet, in de zin van “komt wel weer goed”.

Éigenlijk heb ik gewoon geen flauw idee waar dit op slaat, maar ik moest vannacht wel even ‘bijkomen’ en mijn gedachten toch op iets anders zetten voordat ik weer in kon slapen…

Ufokoekeloeren en rodelremmen

Een paar dagen bij je ouders rondhangen levert hooginteressante momenten op. Zo hebben wij gisteravond de ‘sighting’ van ons leven gehad. Na een middagje onder een paarse parasol relaxen aan ’t lokale zwemmeertje zaten we thuis na een uitgebreide barbeque te genieten van een wijntje op een zwoele, heldere zomeravond. Ineens zei m’n pap: “heee kijk, ik zie een rooie ster!”. Ik keek maar zag enkel een groot wit, zich langzaam bewegend licht met afwisselend knipperende rode en witte lampjes dus ik vermeldde dat ik toch echt dacht dat dit een – weliswaar ietwat laag vliegend – vliegtuig was. Maar we bleven kijken, net als mijn moeder, mijn zus en haar partner, mijn nichtjes en mijn dochter (zoon zat binnen met de nintendo te prutsen dus die heeft show van z’n leven gemist, waar hij nu nog sjaggie van is). 8 getuigen…

Ineens werd ’t ding weer intensief rood, bleef hangen op de zelfde plek, sproeide wat vonken, verdween compleet om vervolgens na een seconde of 5 weer in fel wit licht op te duiken en wat verder te zweven. Vervolgens viel er een duidelijk brandend en vonken sproeiend deel vanaf, een soort grote ‘druppel’, veel vonken maar het geheel was al uitgedoofd voordat het de grond raakte. Het viel ook heel langzaam naar beneden trouwens, soort van slow motion. De zwevende bal zelf hing nog even, verdween, kwam weer terug en zweefde vervolgens uit ’t zicht. Ik kan wel zeggen: het was GROOT, het deel wat eraf viel was ook GROOT, het vloog beheerst en veel verder dan 50km weg was ’t niet (schatte m’n pa en die is erg goed in schatten).

Ik was dermate verbouwereerd, gebiologeerd en geïntrigeerd dat ik stomme, stomme, oerstomme koe mijn camera niet in de juiste stand kreeg en uiteindelijk enkel een foto heb kunnen maken van het in de verte wegvliegende ding. Een dikke witte punt in de nacht, duidelijk groter dan alle sterren (die op de foto dus niet eens te zien zijn, zo groot was ’t verschil in lichtintensiteit. De lichtpunten onderin de foto zijn de straatlampen van het dorpje naast ons. Het gaat dus om die witte punt in de lucht). Wáárom heb ik dit niet op tijd gefilmd… Wáárom kreeg ik met m’n vingers mijn anders zo snel in de aanslag zijnde camera niet in de goeie stand… Frustratie, frustratie.

Het was géén vliegtuig, géén weerballon, geen wensballon, géén meteoor, géén raket oid. Het was een raar, heel groot ding en we hebben het allemaal gezien. De hele familie (minus zoon) is nog steeds compleet onder de indruk en we willen allemaal nog steeds weten wat we daar nou in vredesnaam gezien hebben. Ik heb ’t daarom maar per email gemeld bij ’t DEGUFO, het meldpunt voor onbekende vliegende objecten (een oostenrijkse dependence van het grotere duitse meldpunt). Nu maar hopen dat ze met een plausibel antwoord op de proppen komen. ’t Liefst een antwoord van deze wereld, ik ben niet zo van die buitenaardse ontmoetingen moet ik bekennen. En ik word ook niet graag voor gek verklaard, ik beschrijf echt enkel wat wij (ALLE ACHT!) gezien hebben en ik wil weten wat het was… Tot die tijd blijft het simpelweg een ongeïdentificeerd vliegend object voor ons en blijf ik geïntrigeerd zoeken naar verklaringen.

Vandaag was veel aardser (tot nu toe dan: ik ga vanavond fijn weer de hele avond buiten zitten, nu met de camera in de aanslag ^_^). We zijn naar de Sommerrodelbahn geweest. Een machtigmooi ding. De karretjes (okee, okee “Rodels”) kregen bij regen zelfs een dakje erop, sjiekdefriemel. 1,3 kilometer lang door de bochten scheuren is mooi werk. We hadden alleen één keer de pecht dat er een dame voor ons zat die duidelijk meer van remmen dan van racen hield. Voor elke bocht stond ze praktisch stil om eerst eens te overpeinzen hoe ze er het langzaamst doorheen kon komen. Ik was daarna zo zwaar gepikeerd dat ik er spontaan hoge poten van kreeg en daarop accuut naar de rodelmeneer gestiefeld ben om mijn beklag te doen. De meneer was er ééntje van het schappelijke soort en de hele familie mocht nog een keer, nu met een gigantische afstand tussen ons en de voorgangers (het was toch niet druk). Deze keer zijn we dan ook met vol geweld naar beneden gedonderd. Remmen is voor loooooosers, ghehhh 🙂

Nu zitten we met z’n allen naast elkaar op de bank te socializen. Ik zie 1 ipod (dochter), 1 Samsung Galaxy SII (nichtje 1), een SIII (zus), 2 nintendo’s (zoon en nichtje 2), een tab (zwager) en een laptop (zit ik dus achter). Wat zou de wereld zijn zonder electroprut. Dan zouden we met elkaar socializen ipv met de rest van de wereld en daar moet je toch niet aan dénken hè…

Ik heb toch niks gedaan…

“Het is niet mijn schuld.
Ik heb echt niets gedaan…”
“Ik zat hier en deed níks!!!”
“Ik krijg ook altijd op m’n kop.
Terwijl ik toch niks gedaan heb…”
De hele dag hoor ik van dit gemekker.
Van allebei hoor, niet van één.
Allebei zo onschuldig als ’t maar kan.
Maar ondertussen steekt de één
Weer een vinger in ’t oog van de ander.
Moe word ik ervan. Deaudmoe.
De deuren worden vol geweld dicht geknald,
Ook bijten staat op ’t dagmenu.
Zelfs bij opa en oma gillen ze erop los.
“Ik ga wel ergens anders wonen!!!”
Nou, ajuus dan maar hè…
Waarom maken mijn kinderen elkaar
’t Leven soms (vaak) zo verschrikkelijk moeilijk.
Waarom spelen ze niet gewoon happy
Met grote broer of zusjelief.
Ik weet het. Iets met grenzen zoeken.
Maar ik ben ’t zo gruwelijk zat.
Praat me niet van pubertijd. Angstzweet!
Een goed gesprek over de grote waarde
Van zussen en broers werkt maar 5 minuten.
En dan irriteren ze elkaar alweer tot op ’t bot.
Oh, en ik ga een muur bouwen in de auto.
Een op maat gezaagde dikke spaanplaat.
Zodat ze elkaar niet meer kunnen zien of slaan.
En ik gefrustreerd bijna de greppel in kneur.
Hoe lang moet ik de stereo in de auto nog op max. zetten
Om het gegil niet meer aan te hoeven horen?
Hoe lang moet ik nog gesprekken voeren
Met nukkige, niet-luisterende, beledigde kleine mensen?
Hoe lang moet ik pedagogisch onverantwoord blèren
“OMDAT IK HET ZEG!!! DÁÁROM!!”
Omdat discussiëren echt geen zin meer heeft?
Is dit ook een fase? Ja hè? Zeg nou ja?
Hoe hebben mensen vroeger hun kinderen
overleefd zonder Nickelodeon…

Maar eigenlijk zijn ’t Schatjes.
Eigenlijk.

bittere pil

Soms, dan berust je
in dat wat je moet
Gelatenheid kust je
in al wat je doet.

Neergeslagen ogen
héél even dicht…
Een zucht, een gedogen
en ‘t-is alweer licht.

Niet alles is net
zoals ík het wil.
Een harde tegenzet.
Een bittere pil…

Op naar nieuw water
gretig dronk jij,
bleef ik met een kater,
maar keerde het tij.

Soms moet ik laten
Wat niet mag zijn.
Maar ik kán niet haten.
Dus slik ik die pijn…

 

(c) Lou

Groepstherapeutisch vuurtje

Een fikkie stoken. Lekker warm. Vooral met de mensen waarvan je houdt, samen rond het vuur zitten en praten over goden, demonen en de wereld.

Er miste een evenmooi lief mens, maar ook dat wordt binnenkort dubbel en dwars goed gemaakt. Mensen met een draad. Een hele sterke draad zelfs. Een ijzerdraad. Nee, een roestvrijstalen draad. Het klopt gewoon.

Samen naar de meteorenregen kijken. Tig vallende sterren zien, zachtjes dingen wensen. Of ook niet. En dan merken dat de vierde 1000 kilometer verderop hetzelfde ziet. En doet…

Praten over liefde, leven en vertrouwen. Lachen, begrijpen.  En weten hoe het in het hoofd van de ander toegaat. Voelen dat het goed zit.

Noem het wat je wilt.

Ik noem ’t groepstherapie ^_^

Dochtergesprekken

Dochter komt huilend binnen want man (die samen met de buurman dik in de stress zit met de bestrating van de oprit) heeft haar naar binnen gestuurd omdat ze teveel wou helpen. Met andere woorden: danig in de weg liep.
Dochter: “De jongens mogen wél helpen!!! En ik niet!!”
Ik: “Tja. De jongens zijn ook 3 jaar ouder hè, en teveel helpers is niet handig.”
D.: “Ja maar ik wil ook volwassenen helpen. Die hebben dat nódig!!”
Ik: “OK, dat klopt, ik heb je nodig want de keukenkastjes zijn hartstikke goor en die mag jij poetsen. Ik heb er geen tijd voor.” En druk haar de glassex en een doek in de handen.
Dochter blij.
D.: “Zie, die mannen klungelen maar daarbuiten op de oprit met zand en water. Wij doen de écht belangrijke dingen hè mam? Mannen moet je laten. Dan voelen ze zich goed.”
Tjeejjzus. Waar heeft ze die wijsheid vandaan…
D. gaat verder: “Wij vrouwen zijn beter in de keuken. Dat is ónze job hè mam?”
Aha. Opvoeding mislukt.

Dochter: “Wahhh mam, T. [zoon dus] heeft me gebeten!!! En dat alleen maar omdat ik de afstandsbediening had!!”
Ik: “Oh. Ja. Jij hebt altijd de afstandsbediening.”
D.: “Jáá!”
D. onmiddelijk daarna: “Neeeee!!! Niet waar. T. heeft altijd de afstandsbediening!! Mag ik een ijsje??”

Dochter: “Mahamm?? Word ik te dik?”
Ik (wanhopig zoekend naar een diplomatiek antwoord): “Ehm, nou… je moet wel een beetje oppassen inderdaad. Je bent ietsje aan de stevige kant. Je lijkt gewoon op mij…”
D.: “Oh. Maar dát wil ik niet. Dan word ik maar geen mama. Mag ik een ijsje?”

Dochter: “HONGER!!!” (dat heeft ze altijd maar soms zegt ze het ook).
Ik:  “ik zal zo iets te eten maken.”
D.: “Niks maken. Jij kookt water, ik haal het pakje soep.”
Ik: “die instant noedelsoep? ah neeee joh, dat is zo ongezond… ik maak wel iets.”
D.: “Ja maar jouw ietsen zijn nooit lekker.”
Ik: “Oh. Nou doe mij dan ook maar zo’n pakje.”
D.: “Mag ik straks dan een ijsje?”
#zucht…

Dochter: “Mag ik de vissen voeren?”
Ik: “Ehm, we hebben er nog maar eentje lieverd, die andere is nu ook dood…”
D.: “Ja weet ik toch. Die heb je in de diepvries gestopt. Mag ik nou de vissen voeren?”
Ik: “ja mag, maar niet teveel voor die ene alleen”
D.: “Ik wéét dat hij alleen is. Hij mag wel wat van mijn noedelsoep mee. Eten we gezellig samen.”
Ik: “Ik denk niet dat-ie dat erg lekker zal vinden.”
D.: “In ieder geval beter dan dat voer dat jij hem geeft…”
Ik neem aan dat ook deze vis binnenkort niet meer eenzaam zal zijn en rond mag dartelen op een wolk samen met onze andere heengegane betta’s. En dan wil ik nooooooit meer vissen. Ik neem gewoon weer CPO’s (dwergkreeftjes), die vreten alles.
#dubbelzucht…

En deze gesprekken vinden, voor uw beeldvorming, dus plaats in een tijdsbestek van pakkembeet 1,5 uur, terwijl ik wanhopig probeer om serieuze dingen aan elkaar te typen.
#driedubbelzucht…

Ik wil niet moeten kiezen…

En dat ga ik dus ook niet doen.
Maar soms is ’t allemaal niet zo makkelijk.
Niet zo zwart-wit…
Niet zo openboek…

Soms zeggen mensen dingen die ze niet zouden moeten zeggen. Vraag me niet waarom maar ik doe ’t zelf ook. Op een ondoordacht moment er iets uit flappen en dan twintig milliseconden later denken: “oh fuckadel, dat had ik nou echt níet moeten zeggen, dat was oeroeroerstom”. Heb ik. Best wel eens. Vaak. *kuch* Ik ben dan ook niet de beroerdste om me te verontschuldigen :-S

Maar zelfs als de dingen eens níet zo ondoordacht zijn, is het o.h.a. beter om eerst na te denken over wat je zegt, waar, tegen wie maar vooral óver wie of wat… Wat levert het je op? Opluchting? Leedvermaak? Stomme lol? Misschien. Kortstondig. Daarna komt  dan het Rotgevoel, de Spijt en het Betere Nadenken. Nou ja, bij de meeste mensen dan…

En soms, soms zit je er tussenin. De ene mens-die-je-lief-vindt, zegt iets oerstoms, nee in jouw ogen zelfs onmogelijk stoms, over een ander-mens-die-je-lief-vindt. En er is niet eens sprake van spijt of een rotgevoel. Ook niet bij nader inzien. Dan doet de andere mens-die-je-lief-vindt er nog een schepje bovenop, want – terecht gekrenkt tot op het bot – is revenge een opluchtende reactie. Dan heb je oorlog. Woordenoorlog. En een hoop kutgevoelens. Negativiteit ten top.

En jij? Zit er tussenin. Je wilt niet moeten kiezen tussen mensen die je lief hebt omdat ze zo’n berg oerstomme dingen tegen en over elkaar zeggen.

Dat.
Dus.

De enige reactie die ik kon bedenken is: terugtrekken. Ik zeg niks. Ik wil niet kiezen. Ik wil niemand afvallen of veroordelen. Ik kan het achterbaks, onmogelijk, misselijkmakend vinden maar ik geloof nog steeds in het goede van de mens. In ieder geval in het goede van de mensen die ik lief heb. Aan welke verhipte rotkant ze ook staan en welke oerstomme rotfouten ze ook maken. Dus trek ik mij terug. En wacht… wacht tot de storm is gaan liggen. Is dat laf? Misschien…
Ik noem ’t liever machteloosheid…

Wegkijken uit machteloosheid omdat ik de oorlog niet kan stoppen.

*handen hard op de ogen en over de oren drukt…*
*buikpijn heeft…*

Die Verwirrung

Da ich heute in den Statistiken bemerkt habe, dass auch mal wieder Blogleseversuche aus dem deutschsprachigen Raum stammten, habe ich speziell für diese Deutschsprachigen unter uns mein Gedicht jetzt mal ‘übersetzt’. Eine kleine Herausforderung war’s schon. Ich finde zwar, es klingt urdoof auf Deutsch, aber es war eben auch nur ein Versuch (mit hier und dort doch erhebliche Änderugen, sonst reimt sich’s nicht, sorry).

Deutlicher ist es
nun geworden.
Einblicke gewonnen.
Entworren, die Kordeln.

Die Verwirrung war doch
zu sehr herangereift.
Krank, schwach und matt.
Müde und mitgeschleift.

Der Nebel lichtet sich
deutlich in der Ferne
Das was wirklich zählt.
Liebe. Gebe. Und lerne…

Das Bild kehrt zurück.
Wieder mehr wir zwei.
So langsam geht nun auch
die Verwirrung vorbei…

(c) Lou

De verwarring voorbij

Duidelijker is
het nu geworden.
Inzicht gewonnen.
een kop zonder borden.

De Verwarring was toch
té groot gegroeid.
Ziek, zwak en mat.
En dodelijk vermoeid.

De nevel trekt op
steeds heel iets meer
Dat wat écht telt.
Begeer. Geef. En leer…

Het beeld komt terug.
Weer meer zij aan zij
Zo langzaamaan trekt
de Verwarring voorbij…

(c) Lou

gewist

heb jij me echt gewist
uit jouw geheugen

heb je me nooit gemist
sinds ik verdween

heb je niet gedacht
“waar is ze nou gebleven…”

had je niet verwacht
dat ik dit echt kon

ik kán het ook niet
ik doe maar alsof

niet dat jij dat nou ziet
gewoon. gewist.

………………………………….

(PS: even achteraf vermeld: dit is ’n verkeerd-om-gedicht. Je zou ‘m theoretisch ook van onder naar boven kunnen lezen…)

Plasgaatjesbeschermer

Zo’n ding heb ik echt dringend nodig. De overige gaten zijn allemaal redelijk ongevoelig of inmiddels immuun, maar mijn plasgaatje is een regelrechte ramp. Too much information? Och… iedereen heef zo’n ding dus tja ach nou ja. Mannen hebben mazzel: die hebben er eentje van pak ‘em beet (whahahaha) gemiddeld 17 cm lengte dus die hebben ’t makkelijker in de battle against the bacteria.

Ik ben deze week trouwens duidelijk op het pad der zelfdestructie. Na de vette ontsteking aan mijn been dat er daardoor bijna vanaf viel (gevolg: antibioticakuur #1) deed ik er nog even een voedselvergiftiging achteraan (1 nacht kotsen, 1 dag slapen, zie vorig blog), daarna stak ik ons huis bijna in de fik met een vergeten pan met olie die ik, bij gebrek aan een voor de hand liggende deksel, maar dwars door het vliegengordijn heen naar buiten heb gemanouvreerd en op het gras heb gesmeten. Daaraan hield ik een tiental prachtige brandwondjes op mijn linkeronderbeen, een paar mooie ronde brandvlekken in het gazon en een wat kleiner vliegengordijn aan over. Maar het huis staat er nog.

Maar het hield nog niet op: woensdagmiddag ben ik na de middag nog even met de kinderen naar het buitenzwembad geweest en heb ik ook zelf even lekker gezwommen (het kon/mocht namelijk weer: de ontsteking aan m’n been was inmiddels over). Stom stom stom. Want mijn plasgaatje houdt niet van buitenzwembaden. Binnenzwembaden zijn al niet fijn, maar die zijn o.h.a. hygiënischer en beter gefilterd. Buitenbaden waar een paar duuzend mensen per dag in liggen te poedelen (en te piesen…) i.c.m. met een flinke dosis chloor en een toch best koele bries als je weer uit het bad komt, dat doet bij mij de bacteriën in hun afwezige handjes knijpen. “we mogen weer!!!” – je hoort ze bijna gillen van blijdschap.

Gisterochtend voelde ik al wat aan m’n water. Letterlijk. Gelijk á là minute en stante pede mijn blaasarsenaal uit de kast getrokken: cranberry-oplospoeder, cranberrypillen, vitamine C, blaasthee en Cystenol (speciale tabletten voor urineweginfecties). Klinkt geweldig, hielp geen drol. Zoals altijd. Ik had ’t kunnen weten. Voel ik iets, is het al te laat. Een dag later zit ik dan al met een bijna-nierbekkenontsteking. En dat was dus vandaag.

De dokter keek bedenkelijk: bloed, eiwitten, pruttel, verhoogde vanallesennogwatwaardes. Alles zat erin, in die 12 in een plastic bekertje uitgeperste druppels van mij. En jawel jawel: antibioticakuur #2 is alweer gestart. De tweede in nog geen 8 dagen tijd. Heerlijk. Ik hou geen bio meer over in dat lijf van mij.

Ik vroeg me vandaag af waar ik nou nog uit zou bestaan als alle bio nou eindelijk dood is in mijn lichaam. Het lumineuze antwoord op twitter luidde: “dat is simpel: antimaterie”. Inderdaad. Geen materie meer over.
I am pure antimatter, babe!!
Klinkt cool.

Doe mij maar een plasgaatjesbeschermer (of een heeeel klein ieniemienie kurkje ofzo…).

Of nee.
Doe mij maar een Lou-beschermer…
Save me from myself please??

Gesloopt

Fascinerend wat een plakje vleeswaar met een mens kan doen. Moet het wel een plakje zijn dat niet helemaal goed meer is. En een mens dat iedere tenminste-houdbaar-tot-data nogal eens over boord gooit. Het zag er onschuldig uit. Een paar witte spikkels, ach, zal wel zout zijn. Het smaakte ook nog best OK. Na het broodje met rauwe ham weggekaand te hebben, keek ik nog even in de vleeswarenbak en zag dat de overige 2 plakjes toch echt wel wat meer van die rare witte puntjes hadden. Nah jah, so what. Ik heb o.h.a. een sterke maag… De rest van de vleeswaren maar weggeflikkerd en niet meer over nagedacht.

Tot vannacht. Om half 3 zat ik rechtop in bed. Man schrok en vroeg wat er was, of ik iets gehoord had. Nee dus, maar ik was echt hondsberoerd. Zo gruwelijk misselijk. En buikkramp. Ik liep naar de badkamer voor de kotsemmer (die hebben wij standaard daar staan…) en met emmer en al plofte ik op de wc.

Ik zal u de details besparen maar het was gruwelijk. Drie uur lang heb ik alle ingewanden die te legen vielen, minitieus geleegd. Maagsappen spugen is echt pure horror. Dat blijven kokhalzen terwijl er niks meer in je maag zit, spierpijn in je ribben krijg je ervan. Bovenkant, onderkant, maakt niet uit. Ik liep aan alle kanten leeg. Zelfs een half glaasje water bleef er met geen mogelijkheid in. Tegen half 5 ben ik maar met koorts en al beneden op de bank gaan liggen om man toch nog een paar uurtjes slaap te laten krijgen (want met zo’n luid kokhalzend en kreunend mokkel naast zich sliep ook hij niet geweldig).

Uitgeput heb ik tot 9 uur geslapen en toen was ik zo ontzettend leeg dat ik daar weer misselijk van was. Goeie tips op facebook hielpen: Een glaasje ouwe cola met nog een schep suiker erin zodat de koolzuur weg was deed al wonderen. Voelde me al stukken beter daarna. Een cracker en een kop bouillon gingen ook goed. En slapen. Veel slapen. Ik voelde me echt een slappe vaatdoek, zelfs de trap oplopen was al teveel gevraagd, m’n benen begaven het. Gesloopt.

Een bakje magere yoghurt en een advil volgde. En nog meer slapen. Ben nu net (om half 4) wakker geworden, ik heb daadwerkelijk de hele dag geslapen! Ich habe den Tag zur Nacht gemacht. De meesten doen het omgekeerd, maar ik ben nu eenmaal niet als de meesten. Ik wist niet dat je zo verschrikkelijk moe kon zijn van een stomme voedselvergiftiging. En ik kijk de volgende keer wel beter uit bij rauwe ham met witte puntjes…