De trip der helften.

Het was er weer eentje.
Krap duizend kilometer tuffen.
En hoe.

Zaterdagmiddag zou ’t behoorlijk gaan sneeuwen dus was ’t plan om dan maar zo snel mogelijk alles in te pakken en te zorgen dat we voor de middag Bayern cq. sneeuwrisicogebied voorbij zouden zijn. Helaas kwam ’t anders. Zoon had ‘s-nachts 39,5°C koorts en lag ook ‘s-ochtends wat bleekjes op de bank te kermen.

Wat doen we. Rijden we, rijden we niet… Na lang dubben dan toch maar, want ziek op de bank voor de TV liggen of ziek in de auto DVD-tjes kijken maakt ook niet veel verschil. Alles in de auto gestouwd, voor de zekerheid maar een emmertje bij zoon’s voeten. Bij ’t starten laat Oudi al weten, er absoluut geen zin in te hebben. ‘Bremssystem defekt’ doemt met een felrood alarmteken van het kaliber ‘onmiddelijk stoppen en naar de garage laten slepen’ op in ’t display, begeleid van een harde protestpieper. ‘Bremslicht defekt’ wordt er ook nog even als toegift achteraan gegooid. Aangezien we inmiddels weten dat dit allemaal pure aanstellerij is en de boel het prima doet, doen wij wat bij alle kleine kinderen goed helpt: negeren, dan gaat ’t vanzelf wel weer over.

Stortregen, miezerregen, sneeuwregen. Ik rij het eerste stuk. Stortregen vindt onze Oudi ook niet fijn en na een half uur valt de kilometerteller lam terug op nul. Redelijk tegelijkertijd staan we ook al stil dus was het geen probleem, die nul. Twee vrachtauto’s op elkaar geknald en een dikke, vette, kilometerslange file. Wall-E in de DVD gepropt maar ’t robotgedrocht weigert in alle toonaarden om duits te praten en een gefrustreerde bijrijder-en-bedieningsman roept naar achteren dat de kinderen dan maar engels moeten leren van dat verroeste stuk rondhobbelende ijzer. Na een goed half uur stop-en-go rijden we weer met een beetje snelheid maar de tacho blijft op nul hangen. Zoon’s maag maakt zich voor de eerste keer kenbaar en leegt zich krampachtig. Het emmertje klemt helaas dus mikt zoon van een afstandje voorover in de emmer. Het gaat biiiijjjna goed. Bijna. Parkeerplaatstijd, schoonmaaktijd. Ik ben dit keer voorbereid: water, doekjes, keukenrol, alles bij de hand. Emmertje weer schoon voor de volgende vulling maar zoon mompelt bleekjes: “Maag leger dan leeg. Emmer écht niet meer nodig”. Daar denk ik dan toch een beetje anders over en plaats de emmer dit keer zo dat hij niet klemt…

Dochter heef ’t koud dus deken over en verwarming hoger terwijl we zoon weer diep horen zuchten. Lijkbleek en ja hoor: de tweede ronde. En de volgende parkeerplaats. Dit keer is alles goed in het emmertje terecht gekomen. Emmerwas- en plaspauze bij vriesgraden. Dochter jankt van de kou, heeft rode lodderoogjes en hoofdpijn. Dan maar een lading Nurofen erin en weer verder. De emmer mag dit keer zonder protest weer bij de voeten. Wall-E is  inmiddels klaar met z’n engelse geleuter en dochter valt van ellende in slaap. Zoon kan niet slapen en heeft nekpijn van ’t hangen. Een ibuprofentablet gegeven, misschien blijft die er wél lang genoeg in en kan hij zo wat slapen. De tablet wordt vreselijk goor bevonden. Spontaan kokhalzen maar de pil blijft erin en zoon valt om. Out. Yessss, denk ik. Eindelijk. Helaas. Na vijftien minuten zit hij ineens rechtop, grijpt de emmer, verdraait z’n ogen en spuugt apathisch een sloot water, gal en een half opgeloste pil uit.  Parkeerplaats nummer drie en ik loop maar weer stoïcijns met het emmertje kots naar ’t toilet. Je went eraan.

Zoon vraagt of we al op de helft zijn en we roepen in koor (ongeveer 150 voor de werkelijke helft) “ja hoor!!”, waarna hij opmerkt dat hij dan nog maar 2 keer hoeft te spugen en dan zijn we er. Twee keer vóór de helft, één keer OP de helft, dus nu nog twee keer ná de helft en dan is ’t klaar. En of-ie wat te eten mag. Ja tuurlijk. Een banaan? Want die is zacht en laat zich tenminste goed weer uitspugen. Nee bah. Stukje kaas? Neuh. Een KinderPingui (zo’n choco-melkreep, ook heel zacht)? Ja. Na een halve reep hoeft-ie niet meer. Verstandig. “Kijk, een kerncentrale!!” waarop zoon enkel “blööööd” mompelt, maar het is toch goed voor wat afleiding. Dochter vraagt om een halve (alweer van dat halve gedoe..) pil tegen de hoofdpijn. Halve pil erin, Pinguins van Madagascar in de DVD en ik constateer dat we nu echt op de helft zijn dus omdraaien heeft ook geen zin meer. Yay.

Man en ik wisselen elkaar af bij ’t rijden want allebei nogal slaperig. We rijden half-om-half door prachtige winterlandschappen en zien gepoedersuikerde bomen voorbijrazen. Veel ongelukken en nog een keer een file van een stief kwartiertje (oftewel: een half half uurtje), maar we  komen er wel.  Shaun het schaap en Alvin & de chipmunks doen wat backseat-entertainment en dochter vraagt wanneer we nu eindelijk bij de McDonalds zijn. Zoon kokhalst bij ’t horen van die naam, maar een uurtje later is hij dan toch ineens redelijk fit en heeft een berenhonger, dus om half 7 zitten we dan toch bij de Mc. Zoon bunkert zijn happy meal naar binnen, dochter sowieso. Ik eet een McRib en vind ’t glibberige ding bij nader inzien best eetbaar. Zoon is klaar en grijnst: “Zo. Nu ben ik wel klaar met spugen.” Ik mag ’t hopen…

Om goed half tien ‘s-avonds zijn we er. We hebben ’t weer gehaald 🙂
En weet ik niet hoe snel ik uit die auto moet komen om mijn mama en papa te omarmen.

Eindelijk.

Maaggevoel

Dat gevoel dat je overloopt.
Dat gevoel van blijheid.
Dat gevoel van opluchting.
Dat gevoel van lach op je smoel.
Dat gevoel van alles komt goed.
Dat gevoel van houden van.
Dat gevoel van okee dan.
Dat gevoel van hoppaaaa, bergopwaarts.
Dat gevoel van “told you so”.
Dat gevoel van ik hou van jou.
Dat gevoel van overlopen van liefde.
Dat gevoel van de breedbekkikker.
Da gevoel van #BAM!!!!!
Dát gevoel.
Dat bedoel ik.
Dat heb ik.
Ik voel ’t in m’n maag.
Lekkerrrr 😉

Zucht van verlichting

Opluchting.
Ontlading.
Verlichting.

Diep doorademen.

(Te) lang moeten wachten.
Maar zoals ze hier zeggen:
“was lange währt, wird endlich gut”.
En zo is ‘t.

Vandaag gelezen en gehoord.
de mooiste woorden van de wereld:
Het IS goed.
lang geroepen: het komt goed.
Het is goed gekomen.

Nu verder.
Opkrabbelen.
Steunen.
Verwerken.
Accepteren.

Maar vooral:
In het kwadraat genieten van de goede, mooie en fijne dingen in het leven.

Ik ben BLIJ!!
BLIJ BLIJ BLIJ BLIJ BLIJ BLIJ.
Had ik al gezegd dat ik blij ben?
En opgelucht.

Kus voor jou lieve mama!!
Je bent een kanjer!!!

Genesis van een groenbruine taart

Omdat veel mensen gisteren al meegeleefd hebben met mijn hulktaartperikelen en nog meer mensen zich afvroegen hoe zo’n spinaziechocoladetaart nou smaakt, doe ik nu iets wat ik op mijn blog nog nooit heb gedaan en ook niet zo snel weer zal doen:
ik post het recept.

Ik moet nog wel vertellen dat de taart uiteindelijk toch nog héél goed gelukt is en… ja echt… gruwelijk lekker was!!! Zoon heeft zich er ongans in gegeten. En die lust dus écht geen spinazie als groente. Maar hij vroeg wel uitdrukkelijk om een (door mij al lang en breed vergeten) spinazietaart. En eerlijk, ik zweer ’t op m’n mooie blauwe ogen: je proeft die spinazie NIET! Echt niet. Het is gewoon naar een heerlijke, smeuïge, knalgroene, cake-achtige taart met een vleugje citroen. Ik vind persoonlijk het spinazietaartdeel nog tig keer lekkerder dan de chocoladedeel. Ah toe, geloof me nou…

OK. Genoeg overtuigingswerk gedaan.

Het recept. Here we go.
Voor het spinazietaartgedeelte (de onderste laag):
Nodig:
0,5 kleine zak diepvries bladspinazie
1 koffiekopje olie
6 eieren
2 koffiekopjes tarwebloem
1 zakje bakpoeder
1 zakje vanillesuiker
2 afgestreken TL citroensuiker (of citroenpoeder oid)
1 koffiekopje suiker

Spinazie met de olie in de keukenmachine of met de staafmixer héél fijn maken.
Bloem en eieren, bakpoeder, suiker, citroensuiker en vanillesuiker goed mixen.
Spinazie-oliemengsel erdoor mixeren en in een 26cm-springvorm doen.
(Vervolgens til je de springvorm op z’n  alleronhandigst op en smijt je ongeveer de helft van het taartbeslag dwars door de keuken want aan de andere helft van dit recept heb je ook méér dan genoeg en schoonmaken is léuk!!!)
In een ronde vorm bakken, 40 minuten op 160 graden.
Als je de spinazietaart zonder brownie-toplaag maakt, kun je de taart bijv. bestrijken met een dikke laag stijfgeklopte slagroom (1/4l slagroom met 2 zakjes vanillesuiker, 2 EL poedersuiker en een zakje klopvast)

Ik heb de taart gevuld met botercrème, dat is ook heerlijk. Groene taart in ’t midden horizontaal doorsnijden en bestrijken met ca. 0,5 cm crème. Dan de bovenste laag er weer bovenop leggen. Mijn botercrème heb ik gemaakt m.b.v. een professionele mix maar die kun je ook heel prima zelf maken (even googelen of op deleukstetaarten.nl kijken).

De bovenste chocoladelaag van deze taart heb ik wat simpeler gemaakt: brownie-mix van Dr. Oetker (*grijns*) in een wat kleinere ronde springvorm gebakken. Ook horizontaal door de midden snijden, de onderste helft m.b.v. wat botercrème op de spinazielaag plakken, daarop choco-botercrème smeren (zelfde botercrème als hierboven alleen nog gemixt met 2 EL nutella en ca. de helft van 2 gesmolten plakken pure chocolade – ik smelt die altijd met ca. 1/8 l. slagroom en wat basterdsuiker au bain marie), bovenste laag er weer bovenop leggen en daarop weer choco-botercrème. Daarop de rest van de gesmolten chocolade uitgieten.

Dan de taart versieren: met slagroom de onderste rand afsmeren, toefjes maken en van de rest van de choco-botercrème ook toefjes en strepen maken, etc. Wat je maar leuk vindt. Feel free to experiment. Oh en de binnenkant ziet er dan zo uit:

Ik zou zeggen: probeert u het ‘ns een keer uit.
Verras uw kinderen of naasten met een hulk-poep-taart.

mijn lachpillen

“Ik moet een scheet. Dan loop je maar naar de gang. Ik kom nú weer terug hoor. Neeeee!! De stank komt pas later, blijf daar! Weet je wat nog lekkerder is op een pannenkoek? Neuh. Een vieze onderbroek. Waaaaaaaaaaaaaahhh dat rijmt!!”

Even een standaard tafelconversatie zoals die daarnet plaats vond. Ik zit ernaast en grinnik maar een beetje. Net als over dat plaatje van die reanimatiemuis, dat ik net op facebook zag. Ik kijk naar de eiffeltoren van zoon, die hij in minder dan een uur in elkaar gedraaid heeft en denk enkel: “OK… dat was te makkelijk voor ‘m”. Maar hij staat wel leuk op tafel. Dat wel.

Onlangs danig opgeruimd hier in de woonkamer maar daar is niks meer van te zien. In mijn blikveld minstens 2 barbiepaarden, een eiffeltoren (dus), gele verjaardagsblommekes, oranje vlaggetjes, een ufo, een archeologische dino, een nano-car racebaan, een nerf-machinegun en een paar TV-hangkinderen met in de ene hand een kat en in de andere afstandsbediening (van beide hebben we er 2 of meer, dus dat kan). Zoon zit alweer met z’n nieuwe netbookje op schoot, oefent typen en een of ander tekenspelletje. Het lukt ons echt wel hoor, om er een echte nerd zoals wijzelf van te maken.

De tranen zitten me zo hoog. De laatste dagen, nee weken, zijn doorspekt van emotie, verdriet, hoop, wanhoop, onzekerheid, pijn en stress. Ik kán niet meer. Ik wil niet meer. Ik wil weg. Naar Nederland. Maar ik voel me ziek, waarschijnlijk bén ik ’t ook maar dat kán gewoon niet. Ik laat ’t niet toe. Het mag niet. Vanmiddag dus toch maar de tuin in, weer een heleboel meer winterklaar gemaakt, planten gesleept en gesnoeid, potplanten ingepakt en naar een beschutte plek.

Dit weekend komt de winter. Vrieskou, sneeuw. Ik twijfel nog of ik de planten werkelijk naar binnen ga doen voordat we weg gaan. Áls we weggaan. Nee geen twijfel. We gaan. De katten komen ineens allebei naast me op de stoel zitten. Eentje kruipt er op schoot. Ze zullen het ook merken: niet alles is normaal op dit moment. Lieve beessies. Vandaag al een paar keer zomaar in tranen uitgebarsten. Om alle ellende en onzekerheid, om alle verdriet en pijn die er op dit moment is.

En toch maken m’n puinhoopproducerende, nerdy, eigenwijze, gestoorde kinderen me steeds opnieuw weer aan ’t lachen.

Wat zou ’t leven een trieste bedoening zijn zonder hen.

Mijn hoognodige lachpillekes.

Op naar morgen…

Doc Allmighty….

Laaiend.
Ziedend.
Briesend.
Woest.
Verdrietig.
Machteloos.

Meer dan anderhalve week wachten op levensbepalende uitslagen. Onderzoeksresultaten waar een toekomst van afhangt, waarna je pas weet hoe ’t verder zal gaan, waarmee je in het reine moet komen. Natuurlijk gaan die uitslagen gewoon goed zijn, dat kan sowieso niet anders. Maar waarom, wáárom is de medische wereld zo mensonterend bezig als het gaat om het zich houden aan afspraken… Als je ze sowieso niet na kunt komen, máák ze dan verdorie niet??

Nachtenlang wakker liggen, gevechten met de onzekerheid en de angst. Woelen gaat niet want dat doet teveel pijn. Toeleven naar die dag waar je meer te weten komt, te horen krijgt wat de stand van zaken is. Wachten op die ene afspraak. En dan een twintigtal minuten van te voren te horen krijgen dat de boel gewoon nog niet klaar is. “Sorry, u kunt weer naar huis rijden. Komt u morgen maar terug, hopelijk zijn de resultaten dan wel binnen”.

Daar sla je toch steil van achterover??? Sorry, maar dit kan toch niet… Het besef dat men met “echte” mensen werkt, lijkt steeds verder weg te glijden. ‘Mensen’ die zachtjes en berustend doodsangsten uitstaan. ‘Mensen’ die stilletjes wanhopig huilen omdat ze niet weten of ze weer normaal door mogen ademen of niet. ‘Mensen’ die in verlammende onzekerheid enkel nog wachten op die afspraak waar ze éindelijk meer zullen horen. Het duurt al zó lang…

En dan wordt die afspraak en passant even afgezegd.

Onmenselijk vind ik dat.
Overgeleverd aan de laksheid van de enigen die jou kunnen helpen.
Tijd en geld is blijkbaar allesbepalend, zelfs als het om mensenlevens gaat.
Triester dan triest.
Maar we slikken onze verbolgenheid in, drukken de onzekerheid met een sloot koffie maar weer terug in onze magen, slaan de ogen neer, zuchten een paar keer diep en wachten braaf verder af.
Tuurlijk doen wij dat, meneer de almachtige dokter.
Wat kunnen we anders…

Stik.

Hulktaart

Laten we beginnen met ’t feit dat dit mijn dag niet is. Ik stapte vanochtend vroeg in de auto om naar de vibrogym te tuffen en bij ’t starten verscheen er op het display een schreeuwend, knalrood, levensgroot alarmteken. Een lichte hartverzakking maar na een kleine autotest kon ik niets ‘verkeerds’ vaststellen dus ben ik toch maar heengetuft. Eenmaal weer thuis keek ik maar ‘ns in de autohandleiding (jaja, zo’n ding hebben wij) en daar stond dat bij dit teken het remsysteem van mijn Oud-i defect zou zijn. “Motor abstellen und sofort zu einer Werkstatt schleppen lassen”. Whutttt???? Tweede hartverzakking. Nog een testritje met veel gas bergaf en snoeihard remmen. Alles deed ’t werkelijk prima. Wat nou defect remsysteem, pffff.

Afijn. Dat was ’t kleinste probleem van vandaag. Wat belletjes en noodzakelijkheden, boodschappen en andere krimskrams, dat ging allemaal redelijk goed. Tot aan de avond. Zoon had voor z’n verjaardag morgen een hulktaart, oftewel een spinazietaart, besteld. Met chocolade.

OK… Spinazietaart had ik al twee keer eerder gemaakt dus dat moest wel lukken. Ware het niet dat ik het briljante idee had, om het ding in mijn silikonen bakvorm te maken. Dat is zo’n rooie flubberrand met een glasplaat als bodem, die je er los in legt. Ideaal ding. Eigenlijk. Voordat de kinderen naar de scouting moesten had ik het beslag al gemaakt. Met een hele kop olie, een bult suiker, wat meel en 6 eieren. Oerdegelijke, trigonomisch verantwoorde taart. Ik klap het ‘lege’ bakje dat voorheen nog vol was met relatief kleine eitjes, dicht en kijk er verder niet meer naar. Vlug de zooi opruimen en de vuilnis aan kant. Laat het nou zo zijn dat ik mijn eierdozen altijd platstamp en bij het oud papier doe (schoonma wil ze niet meer want al haar kippen zijn inmiddels tot soep verwerkt en statiegeld zit er ook niet op, nee…). Ik dump de doos op de grond en nog voordat mijn voet neerkomt om te pletten schiet het door m’n hoofd. “Was-ie wel leeg? Hij voelde zo zwaar…”

PLET!!! Met een ei erin. Grrrrrrrmpfffff. Die dozen houden gelukkig goed wat tegen dus het viel nogal mee met de zooi, maar duf is ’t ergens toch wel… Anyway. Ik had ’t poppenstrontachtige beslag al gemaakt (ja echt, met spinazie krijg je een prachtige groene hulktaart mee en daar was ’t zoon allemaal om te doen) maar moest dus nog even snelsnel de kinderen ophalen. Oudi heeft danige startmoeilijkheden maar het lukt nog net. Thuisgekomen nog sneller dan snel de groene blubber in de bakvorm gekieperd en hoppaaaa de oven in. En daar haperde het.

Wat ik normaalgesproken gewoon wéét en nóóit doe, deed ik nu. Ik pakte mijn bakvorm bij de randen op (zoals dat hoort) en plaatste hem vervolgens op m’n rechterhand om kelner-like richting bakoven te manouvreren. En daarmee drukte ik dus het (losse) glas inclusief smurrie zo omhoog. De groene drab gulpte over mijn hand en ik draaide zo snel mogelijk terug om de boel op m’n (thankheavens schone!!!) inductieplaat te kwakken.

Desalniettemin zat alles onder… de vloer, m’n keukenlades, het ikea-trapje, de overige bakblikken, m’n kookboeken… Nigella moest ‘ns weten hoe ze er hier vanavond bij stond :-S Wat een zooi, wat een zooi. De katten verheugden zich al op een zoete nacht. En de ervaring leert, dat spinazie in combinatie met suiker, olie, eieren en bloem een gigantische groene kleefprut oplevert, die je met de gemiddelde microvezel-vaatdoek enkel een beetje zinloos aan ’t grinniken maakt.

Ik heb eerlijk gezegd eerst zelf drie minuten keihard staan lachen, toen eerst maar ‘ns een foto gemaakt, de hoofdmoot schoongemaakt zodat ik bij de overige bakblikken kon, onderwijl grinnikend en hard vloekend, de bruikbare spinazietaartresten van de kookplaat geschraapt, in een nieuw bakblik gekwakt en dat halve geheel gebakken. En wonder oh wonder, hij is nog steeds groot genoeg. Ik blij.

Moraal van dit verhaal: ooit komt alles goed. Zelfs hulktaart. Morgen verder met spinazie van kookboeken en keukenlades afkrabben.

Knuffie

Tien jaar.
Eén decennium.
Een tweede lustrum.

Eind februari 2002 kwamen we erachter. We lagen bij 25°C (!!!) in de zon te suffen op ons terras, ik in de hangmat, je pa op een stretcher. Out of the blue voelde ik een plotselinge drang om een zwangerschapstest (die ik natuurlijk al langggg in huis had) te doen. “Eeeeeven naar de WC hoor”. Om een dikke vette dubbele streep te halen. Whááááhhhh!!!

Whááááhhhh hoorden we ook midden in de diepdonkere nacht op 24 oktober van dat jaar. Het duurde even voordat-ie kwam maar uiteindelijk kwam-ie. Die Whááááhhhh. Van jou. Het ging niet helemaal goed omdat je de verkeerde kant op lag te staren (sterrenkijkers noemen ze dat) maar afgezien van een megadeuk rondom je hoofd geen verdere gevolgen. De deuk was na een week of 3 ook weg. En daar was je. Mijn knuffie…

Knuffie is nu een knul geworden. En wat voor één. Een doorzetter. Een lieverd. Een bovenmatig intelligent jongetje. Je hebt ’t niet makkelijk, ik heb er al veel over geschreven. Zwaar dyslectisch, een fikse vorm van ADHD, een geheugenopslagstoornis, dysgrammatisme, hypermobiliteit. Je hebt ’t allemaal. En nóg boks je je er doorheen, blijf je ambitieus, zuig je kennis in je op. Wat jij allemaal weet, waar jij allemaal over nadenkt, wat jij allemaal uitvindt, daar kan menig volwassene jaloers op zijn. Maar je piekert ook veel… Over kerncentrales in Japan en over die ene heel dichtbij. Over het milieu en wat daar allemaal schadelijk voor is. Over energiespaarlampen die schadelijk zijn voor je gezondheid. Over of de kip op je bord wel een fijn en goed leven heeft gehad. Over hoe we water kunnen besparen. Over waarom uitgerekend jij nou zo dyslectisch bent. Over computers en het internet. Je raakt niet uitgevraagd, nog lang niet.

Met je tien jaar ben je nog steeds zo heerlijk ‘kind’. Waar je vroegrijpe klasgenootjes bezig zijn met hun  ‘coolness’, met ‘rumhängen’ en ‘meisjes’, ben jij druk in de weer met je kapla en je playmobil, je technisch lego en scouting, met buiten spelen en tekenen. Wat je aan hebt, interesseert je voor geen meter, alleen maak je je heel af en toe met gel een kuif of hanenkam in je haar (goh, je lijkt op je moeder, die had vroeger ook al zulke neigingen…). Maar haar moet voorál kort geschoren zijn vanwege je panisch angst om luizen te krijgen. Hulpvaardig en sociaal ben je ook, maar die eigenschappen behoren helaas ook niet tot de categorie “cool” zodat je met verjaardagsuitnodigingen nog wel ‘ns buiten de boot valt. Who cares, lieverd. Jij bent zoveel beter…

Ik heb een prachtzoon. Een bijzondere knul die morgen tien jaar wordt. En zich nu in bed ligt te verkneukelen op z’n verjaardag. Morgen vast een uur te vroeg wakker.

Ik heb een prachtzoon. Een heerlijk jong dat goed nadenkt over de belangrijke dingen. Eentje die er echt wel komt, ook al mag dat dan misschien iets langer duren.

Ik heb een prachtzoon. Een prettig gestoorde, creatieve doorzetter en ik ben trots op hem. Trotser kan geen mens zijn. Echt niet.

Morgen vieren we jou.
Weet dat ik zielsveel van je hou.

Knuffie.

Iets met ziel en arm

Hoewel ’t met mij, afgezien van een berenportie chronische rug- en nekpijn (ik weet ‘t… allemaal stress…), best aardig goed gaat, ben ik mezelf niet meer. Of liever gezegd: nog steeds niet. Ik pieker. En denk. En probeer me dingen voor te stellen. En denk aan hoe anderen zich moeten voelen. En pieker nog een beetje meer. Ik kan me niet meer laten gaan, niet meer ontspannen. Dat rothoofd blijft maar malen. Ik blijf de angst van anderen voelen ook al banjeren ze er zelf gemakshalve maar laconiek overheen alsof er eigenlijk niks is. Ik blijf me zorgen maken over een veelvoud aan eigen en andermans mentale issues. Het maakt me onrustig. Neerslachtig. Anxious, om het maar ‘ns met een mooi engels woord te zeggen.

De alledaagsheden gaan door. Zoon oefent zich suf op z’n nieuwe asus netbookje, hij moet blind leren typen (nou ja, hij moet gewoon leren typen) zodat hij straks op school met een laptop kan werken, wat alles voor een dyslect een stuk makkelijker zou (kunnen) maken. Dochter schrijft op de andere kinderlaptop hele romans die enkel bestaan uit de woorden “mama”, “papa”, “oma”, “opa, “am”, “lilo”, “mamamia” en hun eigen namen T. & K. Enkel nog een uitgever zoeken voor dit geniale staaltje electronisch schrijfwerk.
Man klooit in de garage rond, prutst wat aan de telefoonkabels en bám, de boel doet ’t niet meer. Telefoon deaud, internet deaud. Afgesneden van de buitenwereld… Gelukkig heb ik mijn foon met data-abo nog. Maar het is een ramp voor de familie Nerd, kan ik u zeggen. Even diep zuchten en weten dat het wel weer goed komt. Net als al het andere. Ooit…

Ziel hangt onder arm.
Die hangzielen van tegenwoordig ook…

Doe mij maar een hart onder de riem.
Waar koop ik zo’n ding…

TrutteBel

“een uur aan de telefoon gehangen, nog zere kaken van het lachen”
“binnenkort weer even bijkletsen, ik bel je!!”
“ik denk dat wij u in dit project van dienst kunnen zijn, bladiebladiebla…”

Ik heb iets raars geloof ik.
En toch hè, tóch geloof ik dat ik hier absoluut niet alleen in ben…
Ik heb een telefoneerafkeer. Bel-angst. Ik trutteBel…

Vroeger (lees: een paar decennia geleden) was het helemaal erg. Ik kreeg al maagpijn als ik de dokter(sassistente) moest bellen voor een afspraak omdat ik dan eerst uit moest leggen waarom ’t ging. Of een potentiële klant bellen, vreselijk.  Ik schreef alles wat ik wou cq. moest zeggen minitieus op zodat ik in m’n zenuwen niks zou vergeten. Een bijna-to-be-vriendje opbellen om iets af te spreken? Godsonmogelijk. Uuuuuuuuren heb ik bij die rottelefoon gezeten, ja zelfs zo nu en dan die hoorn in de bevende hand gehad en m’n vingers over de vierkante toetsen laten zweven (ja, zo waren onze telefoons nog in die tijd. Met een hoorn en dikke vierkante druktoetsen). Toen er iets goed mis was op school m.b.t. de klas van zoon, ben ik niet in de telefoon geklommen, ik ben gelijk naar school gereden en heb daar al m’n emoties en misnoegen eruit gegooid. Aan de telefoon kán ik dat gewoon niet…

Ik ben gemaakt voor dit tijdperk. Ik ben gék op mijn telefoon, alleen niet op het telefoneren zelf. Ik mail, sms, whatsapp, chat, twitter, facebook. M.a.w. ik schríjf gewoon liever. Het probleem is namelijk, dat ik in een telefoongesprek niet visueel in kan spelen op m’n gesprekspartner, ik kan niet zien of voelen hoe diegene op dat moment tikt, ik kan niet inschatten wat die persoon denkt. Ik ben van de lichaamstaal. Ik kan mijn gesprekspartner niet zien maar moet wel direct reageren op wat hij/zij zegt. En nee, skype of videotelefonie vind ik ook weer drie keer niks want dan nog zie je elkaar maar op een klein schermpje waar ik niet veel mee kan en kan diegene mij ook nog eens zien in mijn privésituatie (met krulspelden in, een kudde ongeschminkte pukkels in m’n gezicht en fryske terpen onder m’n ogen, bij wijze van spreken…).

Bovendien ben ik ergens altijd bang om vreselijk ongelegen te bellen. Zo belde ik laatst de arts van zoon (vanwege ADHD-medicatie). Ik vroeg meteen “stoor ik?” en nog voordat ik “…want dan bel ik graag op een ander tijdstip terug” kon zeggen, schalde mevrouw al een hard “JA!” in de telefoon. Nou, geloof maar dat m’n hart dan even een slagje overslaat. Yikes… Ik wil niemand dwingen om tijd voor mij te maken. Geschreven boodschappen zijn leesbaar wanneer het de ontvanger past. En antwoorden kan die persoon dan ook wanneer ’t uitkomt. Ideaal.

Bij het geschrevene kan ik iemand anders weliswaar ook niet zien of inschatten, maar dan heb ik, door dat wat en vooral hóe de ander schrijft, een betere indruk van de persoon zelf én ik kan beter nadenken over datgene wat ik wil zeggen en hóe ik het wil zeggen. Ik prefereer dus óf ‘totally live’-gesprekken óf het geschreven woord. Eén van de twee. Maar het door een draadje (of door kilometerslange luchtstukken, for that matter) kleppen zal nooit een hobby van me worden.

Het ergst heb ik ’t met mensen die ik niet (goed) ken, diegenen weten niet hoe ik ben en vooral: ik weet niet hoe die ander is. Maar ook bellen met vriendinnen doe ik op de één of andere manier niet zo heel erg graag (alhoewel ik het dan ook écht WEL leuk vind om ze te spreken!!). Als ik ze dan eenmaal aan de telefoon heb, kan ik urenlang kletsen, dat dan wel weer. Maar ik zal zelden de initiatiefsneemster tot “eens even bellen” zijn. Ergens langs  cq. op bezoek gaan vind ik dan weer helemaal niet eng. Ook niet als het bij onbekenden is. Ik heb duidelijk géén deurBel-angst. Maar voor goede conversatie heb ik de mens in levende lijve nodig, met een lijf en niet enkel en alleen met een stem…

Ik heb inmiddels, na zo’n 40 pratende jaren (het eerste jaar liet mijn duidelijkheid, voor zover ik weet, nog te wensen over), wel redelijk goed geleerd, hiermee om te gaan. Ik heb een jaar lang in een “Großraumbüro” in Zwitserland gewerkt, zo’n kantoor waar je met z’n vijftigen in dezelfde ruimte zit, gescheiden door van die klapwandjes. En daar heb ik véél moeten telefoneren, en dan ook nog uitsluitend in het duits, steenkolenfrans of engels. Wat een kriem in ’t begin, maar uiteindelijk raak je toch een beetje immuun voor meeluisterende collega’s. Wat mot dat mot, jammer dan. Maar fijn is anders. Ook met familie en goede vrienden bel ik inmiddels zonder enige terughoudendheid (ja echt, lieverds), maar het liefst toch wel met de nodige privacy (die ik o.h.a. zelden heb in deze huishouding…). En voor alle overige nodige, zakelijke, organisatorische telefoontjes heb ik nog steeds mijn ‘briefjes’ waar op staat wat ik moet zeggen en vooral niet moet vergeten. Erg eigenlijk. Ach, iedere gek z’n gebrek.

Dus mocht u zich afvragen waarom ik zelden tot nooit bel: it’s NOT you! It’s just not me…
Ik typ je de boel liever. Capice?

Boe

Ik heb nu al ongeveer een maand een blog met de titel “Boe” als concept open staan.
Ik weet niet eens meer wat ik ermee wilde zeggen of wat ik nou wou schrijven, maar het begon met “Boe”…

Boe
rensnuiter.
Boe
kenlegger.
Boe
zem.
Boe
ventuig.
Boe
da pest.
Boe
noch bah.
Boe
ing.
Boe
ketje.
Boe
kieke.
Boe…

Ik weet ’t niet meer.
Dan maar gewoon Boe.

Moment later

Een moment later is het allemaal alweer voorbij. Alles is goed gegaan, er zijn geen rare dingen ontdekt, nu langzaam bijkomen op de uitslaapkamer. Ik slaak enkel nog hele diepe zuchten van opluchting. Heb al buiten in de kou rondgebanjerd om wat spanning af te laden. Stiekem toch de hele dag onder stroom. Emotioneel. Zenuwachtig inderdaad. Even die golf van rillingen over je hele lichaam bij ’t verlossende woord:
Alles is OK.

Het is goed gegaan.
Ik zei ’t toch, er was sowieso geen andere optie dus het kon niet anders dan goed gaan.
(Makkelijk praten, achteraf)

Nu eerst maar eens bijkomen.
Letterlijk.

En dan weer doorvechten…

Moment

Op dit moment
slaapt ze heel diep.
Op dit moment
doet de scalpel zijn werk.
Op dit moment
stel ik me levendig voor
wat die chirurgen daar nu aan het doen zijn…

Op dit moment
merkt ze niets van alles.
Op dit moment
zijn enkel anderen bang.
Op dit moment
sla ik mijn ogen neer
en denk aan hoe het morgen verder zal gaan.

Op dit moment
wordt ze gehecht.
Op dit moment
is alles al bíjna achter de rug.
Op dit moment
zou ik zo graag daar zijn
en straks naast het bed staan als ze wakker wordt.

Moment…

.

.

PS: ik ben me ervan bewust dat dit intense en zelfs intieme blogs zijn. Maar het is mijn manier van verwerken van iets waar ik geen invloed op heb, waarbij ik stilletjes af moet wachten wat er gebeurt en waar ik niet eens daar kan zijn waar ik zo graag was geweest op dit ‘moment’. Het zijn uitingen van mijn verwerkingsproces. Mocht u het even teveel vinden, voelt u zich niet bezwaard en slaat u mij in deze fase gerust over.

cru(el)

Cru en wreed.
Cruel.
Voor mijn gevoel is het dat.

Een maand geleden ging je voor een standaard mammografisch onderzoek naar de radiologie.
Iedere vrouw van die leeftijd doet dat of zou dat moeten laten doen.
Uit puur verlangen naar zekerheid heb ik ’t zelfs inmiddels ook ondergaan.

Maar je verwacht ’t niet.

Je verwacht niet dat men dan zegt: “mevrouw, er is iets te zien, het is waarschijnlijk niets maar we moeten het wel even nader onderzoeken”.
Je verwacht niet dat men je informeert dat er toch een punctie gedaan moet worden.
Je verwacht niet dat je te horen krijgt: “het spijt ons u te moeten mededelen dat uit het onderzoek gebleken is dat het zich om een kwaadaardig tumor handelt”.
Kanker verwacht je niet.
Kanker wacht wel op jou…

Een maand geleden leek alles nog ‘gewoon’ in orde.
Maar wat is nou helemaal ‘gewoon’…
Een maand geleden ging alles ‘gewoon’ zijn gangetje en dacht je niet na over wat er zich mogelijkerwijs in je lichaam afspeelde.
Je functioneerde ‘gewoon’.
Nu moet je een aanzienlijk deel van dat lichaam ineens missen.
Het wordt eraf gesneden omdat er iets kwaadaardigs in zit wat op den duur de rest van je lichaam ook kapot zou maken.

Je bent zo dapper, zo sterk, zo bewonderenswaardig nuchter.
Maar ik voel de angst in mijn maag.
Mijn angst maar juist ook de jouwe.
Hoe zal het zijn, hoe zal het worden, hoe gaat het verder…
Goed. Alles zal goed gaan. Er is geen andere optie.

Het is wreed.
Van de ene dag op de andere is een deel van je ineens weg.
Zonder dat je werkelijk de tijd had om er afscheid van te nemen.
Zonder pardon.
Het is cru.
Van de ene dag op de andere mis je ineens een paar kilo.
Helaas op de verkeerde plek.
Daar waar je helemáál niet af wilde vallen…
Het is niet anders.
Van de ene dag op de andere moet dit. Dus dan ook maar het liefst zo snel mogelijk.
Alles weg, geen risico’s nemen.
Weg, weg, weg…
Het is goed.
Van deze ochtend tot aan de avond zal het klaar zijn.
Na vandaag komt het herstel, het weer overeind krabbelen na de klap.
Komt tijd, komt verwerking.  Acceptatie.
En weer vooruit kijken.
Dus dat gaan we doen.

Dag borst…

“Eikel eersteklas”

Een frequente gedachtengang van mij.
“Wat ben je éigenlijk toch een….”
Komt puur door de regelmatig vaute inschattingen van mezelf.
Ik kan niet zeggen dat mijn mensenkennis nou zo geweldig goed is.
Ik vind bijna iedereen aardig, ik vind veel mensen ontzettend lief.
Van een heel stel daarvan hou ik zelfs met heel mijn hart.
En zij van mij, da’s wit achter zwart 😀
Maar soms kom ik er dus na een tijdje achter.
Vallen de oogkleppen af en zie ik weer scherp.
En dan komt die gedachte dus.
Maar gelijk daarna volgt: “Ik stomme trien, wéér niet gezien.”
Ik heb een roze bril op sterkte nodig.
Het liefst multifocaal.
Eikol…

Genezen.

’t dendert en dondert

Emotioneel heen en weer geslingerd loop ik op automatische piloot een beetje te functioneren. Zo voelt ’t althans. Ik functioneer maar ik besef ’t niet eens echt. Ik doe wat ik moet doen, ook al is het – so very unlike me – allemaal op ’t laatste nippertje. Ik wil daar zijn maar ben hier. Ik heb een deadline die ik weer ‘ns nét ga halen. Elke maand opnieuw. Ik stuur wat post waarvan het ene sneller aankomt dan ik gedacht had (thankgod) en het andere helemaal niet aankomt en verdwenen is in het zwarte gat der verstuurderij (shitterdeshit).

Ik kijk een beetje in het rond terwijl in de balkenbrij die zich ‘mijn hersens’ noemt continu een lijst ronddendert van alle dingen die ik nog moet doen. Ondertussen drinken we koffie bij schoonmoeders waar ik partout boven mijn kop zwarte, bittere bocht in slaap donder en springt er een landgenoot met donderend geweld even van 39 kilometer hoogte uit een metalen blikje. Ik typ wat woorden neer en bedenk dat ik eigenlijk alleen maar zit te wachten op het eerstvolgende echt belangrijke. De rest is nevenzaak maar mijn bestaan hangt aan elkaar van de nevenzaken

Het leven dendert met een noodvaart langs me heen en ik sta erbij en kijk ernaar. Net even mijn agenda voor komende week bewonderd. Vergaderingen, sport, werk, deadlines, therapiesessies van de kinderen, drummen en vooral dat eerstvolgende echt belangrijke, aankomende dinsdag. En laat dat nou iets zijn waar ik zelf niets voor hoef te doen, waar ik niks voor kán doen. Just sit and wait. En daar ben ik gruwelijk slecht in.

Ik krijg zoveel liefde op dit moment en daar ben ik zo enorm blij mee. Ik merk dat mensen echt om me geven en dat is een geweldig goed en fijn gevoel. Ik merk dat de juiste dingen goed gaan ondanks alles wat er zo ontzettend fout gaat. De essentie klopt en vertrouwen is alles. Ik vertrouw. In al mijn moeheid vertrouw ik erop dat alles goed komt. In mij, om mij, met jou.

De moeheid overheerst, de matheid wint. Het lachen en ja, zelfs het zingen is een opgave geworden. Ik zing niet meer, niet eens onder de douche. Dat baart me wel wat zorgen. Maar ik vertrouw. Ik vertrouw erop dat ik in de toekomst weer zal willen zingen. Me zal hervinden.

Tot die tijd ben ik als Felix Baumgartner en dwarrel nog mínstens negentig seconden lang zorgwekkend, angstaanjagend en ongecontroleerd rond.
Tot die tijd val ik met een duizelingwekkende snelheid, tot ik weer de macht over mijn eigen lichaam vind.
Tot die tijd dendert en dondert het allemaal door.

Borsten? Check!

Dat heb ik vandaag gedaan. M’n borsten laten checken. Gezien de situatie met mijn mama wilde ik toch echt wel even weten of bij mij alles nog OK is of dat er zich daar ook iets aan zou kunnen dienen…

Om 9.00h had ik de afspraak. Optijdmens als ik ben, was ik er om 10 voor 9. Even een vragenlijstje invullen (nee ik ben niet zwanger (godsonmogelijk), ja er is een geval van borstkanker in mijn familie… (snik), nee ik heb geen eerdere memmengrafiën (dank voor het prachtwoord, meneer Dokter!) gehad, ja dit is puur preventief). En toen kwam het verbazingwekkende: om 5 VOOR 9 werd ik al opgeroepen!! Ik was er bijna verbouwereerd van.

In de kabine mocht ik alles boven de gordel ontbloten en toen begon een korte borstenpletprocedure. Wat een raar ding is
dat, die mammografeermachine. Een zwarte plaat waar je je borst op legt, een soort plexiglas box erboven. De dame ‘hielp’ vakkundig mijn rechterborst in de juiste positie te drukken. Toen alles goed lag kwamen zwarte plaat en plexiglasbox duidelijk nader tot elkaar. Heel erg nader. Met mijn borst ertussen.  In totaal 4 opnames: horizontaal geplet, verticaal geplet, links en rechts. Ach. Het is te doen: er zijn ergere dingen.

Toen volgde nog de sonografie. Nog steeds in enkel zwarte broek en laarzen (whoeiiii sexy) mocht ik mij neervlijen op de behandelbank. Dokter E. moest eerst nog een telefoongesprek afhandelen dus ik oefende mij maar weer eens  in het blootborstig plafondstaren. Dat kan ik inmiddels redelijk goed. Ineens was meneer klaar en greep wat onverwacht de fles met scansmurrie om mijn beide borsten even flink in te spuiten. Ik schrok toch een beetje, griebels wat is dat spulletje koud! Splattt, splattt en je bent nat. Even met de ultrasoundkop eroverheen jassen en klaar. De foto’s van de memmengrafie werden nog kort maar minitieus bestudeerd op de computer terwijl ik met een hoop doekjes mijn borsten weer mocht ontslijmen.

“Alles is in orde, mevrouw.”

Wat een mooi zinnetje. (En hij zei mevrouw tegen mij!)
En ineens zo niet vanzelfsprekend meer…
Alles is in orde…
Nu mijn mam nog weer gezond maken a.u.b. en dan is de wereld pas echt weer in orde.

Ik ben daadwerkelijk heel blij dat dit soort onderzoeken er zijn.
Net als bij uitstrijkjes (en darmonderzoeken, for that matter, die heb ik ook al meermaals gehad vanwege mijn vader, die op relatief ‘jonge’ leeftijd darmkanker kreeg…) denk ik: “het is niet mijn lievelingsbezigheid maar ik ben blij dat het mogelijk is.” Ik weet nu dat alles met heel hoge waarschijnlijkheid allemaal OK is bij mij. En als dat niet zo was geweest, was het in ieder geval  in een vroeg stadium ontdekt.
Lang leve de borstenpletterij.
Over een jaar ga ik weer.

Waarempel…

Dat je op je blogjaardag ‘warempel’ met twee a’s schrijft.
Kan ik.
Waarachtig…
Niet warachtig?

Wa(a)rom???

10-10: Blogjaardag!!

Jaja, ik vier ‘m ook, als het mag.
Exact vandaag!! Mijn blogjaardag!
Eén jaar oud en warempel, ik kan al bijna lopen.
Nog even en dan kan ik vast ook wel een roman verkopen 😉
In kruipen en opkrabbelen ben ik al kampioen.
Net als in melancholisch en dramatisch doen.
Een jaar geleden begon ik voorzichtig op blogspot,
al snel over naar wordpress (NOT worldpress), dát was pas hot.
Ik schrijf en rijm me een slag in de rondte.
Ik hou van het grillige. Het wispelturige én het bonte!

Inmiddels heb ik al krap 450 (deels ook niet publieke) postings geschreven. Over vanalles en nogwat. Over mannen en vrouwen. Over ergernissen en liefde. Over kinderen, katers en poezen. Over ziekte, pijn en verdriet. Over mijn polyamoureuze hart, m’n hormormels en zieleroerselen. Over facebook, bloggen en twitter. En misschien zelfs wel over jou…

Dik 30.000 page views. Ik geloof dat dat in vergelijking met veel andere blogs niet bepaald veel is, maar ik heb een heel stel vaste lezers en daar ben ik heel, héél blij mee!! Ik schrijf weliswaar in eerste instantie voor mezelf, maar het is zo leuk en fijn om te lezen wat het met anderen doet, wat men ervan vindt, dát er mensen zijn die mijn tekstgebrabbel überhaupt lezen.

Ik begon mijn blog met een gedichtje van eigen hand, wat ik hier – een jaar later – gewoon nog een keer ga posten.


Zal ik of zal ik niet?

to write or not to write…
to blog or not to blog…
to be or not to be…
zal ik? ja ik zal. ooit.
en dat ooit schijnt nu te zijn…
in een tijd van huilen
in een tijd van verdriet
kun je je in woorden verschuilen
woorden vergeten niet…
gedachten neerzetten
voor jan en alleman
ik ga lekker nergens op letten
ik hak alles in die blogpan…
het zal toch wel niemand lezen
en wanneer wel, so what
Lou zal altijd louter Lou wezen
Ik weet ‘t. Ik kan dat.

“Het zal toch wel niemand lezen.”
Dat klopt dus uiteindelijk niet helemaal. De rest wel. Ik hak nog steeds alles in die blogpan en ik ben heel erg blij dat ik uiteindelijk voor “to blog” i.p.v. “not to blog” gekozen heb. Het is een enorm fijne uitlaatklep maar ook een geweldige manier om creatief te zijn en te spelen met woorden.

‘In den beginne’ schreef ik behoorlijk amateuristisch en eigenlijk is dat niet zo heel veel veranderd. Veel citaten, korte blogjes met een bepaald gevoel of een speciale ervaring. Een mens leert, dat wel. Poëzie was er gelijk al in overvloed. Bijvoorbeeld deze, een eigen hersenspinsel van 11 oktober 2011:

Een zucht
is onzichtbaar
net als de wind
als de dag begint.
Onzichtbaar zijn de dingen
die ik kwijt ben
die ik nooit meer vind
maar
met mijn ogen dicht
zie ik alles….

Mijn dank gaat uit naar jullie allemaal.
Bedankt voor het lezen en voor al jullie reacties!!!

10-10.
Mijn blogjaardag.
Happy anniversary to me!

*kloink*
#proost
;-P

over katers en poezen…

Gisteren 6 maand geleden werden ze geboren. Dat was ook een maandag: een paasmaandag. Friemelig klein, blind en roodharig. Ze hadden nog een zusje (duidelijk een vrouw want driekleurig). Die is nog steeds bij oma thuis en ook nog steeds een PZN (dank voor de inspiratieve benaming, Nanda ;-)). En dan was er nog een vierde, qua geslacht ondefinieerbaar katje dat het helaas op dag vier al moest ontgelden omdat ik drie katten in huis toch echt niet zag zitten maar m’n hart bloedde voor ’t beessie…

Maar goed. De ‘onzen’ waren (en zijn) rode wildebrassen en voor ons allen duidelijk mannelijk (redelijk  eigenzinnig, ietwat stupide, en vooral: hartstikke roodharige vechtersjassen). Een lichtere,  Elton, en een wat meer getekende met een soort draaikolk op z’n rug die bij ’t lopen heen en weer wiegt: Elvis. Ze groeiden gestaag, vochten om hun revier met de 5 andere buurkatten, klommen in de gordijnen, vraten m’n stoelen op, struinden door de velden (zover dat ze zelfs niet meer terug naar huis vonden), brachten levende trofeeën mee die piepend door de kelder sjeesden maar leverden ook dooie, uitgekauwde maar goedbedoelde kadootjes op de deurmat af.

Zo langzaam werden ze pubertair dus belde ik de dierenarts: ik heb hier twee rooie katers om te ontmannen. Ik wou dat zo snel mogelijk achter de rug hebben, voordat ze gaan sproeien en janken en rondbalgen enzo.  Vanochtend bracht ik ze naar de dierenarts.
“Hmmmm. Elton en Elvis, zegt u?”
“Ja. Die met die draaikolk is Elvis.”
“Aha. Wat vindt u eventueel van de naam Ella?”
Boink…
“Oh…. En die andere?”
“Ja daar moet u ook nog wat nieuws voor bedenken…”

Okeeeeee dan… als je dik 6 maand lang in de veronderstelling hebt geleefd dat je twee rode katers hebt, is het best wel raar om ze ineens als meisjes te gaan zien. Wij zijn dé kattenleken bij uitstek – dat even ter onzer verdediging – nog nooit katten gehad, nog nooit uitgebreid van onderen bestudeerd. Ze zijn ook nog heel jong hè, ik dacht dat dat boeltje wel ergens wat dieper verstopt zou liggen, maar ballekes heb ik nooit kunnen ontdekken. Bij Elton had ik al veel langer het gevoel dat het een vrouwtje was (iets voorzichtiger, duidelijk aanhankelijker etc.) maar man zei “neeee echnie, dat zijn katers hoor! allebei!”. Nou mooi niet…

Vanochtend kroelde hij ze nog achter de oren en zei:
“Halt’ die Ohren steif, meine Jungs!! Denn das wird das Einzige sein, was ihr nach heute noch steif halten könnt…”.
Haahahaha, d’r viel dus sowieso al nooit iets stijf te houden voor onze poezekes *grijns*.

Nu – waarschijnlijk at this very moment – liggen ze dus nóg wat beter uitgespreid en geschoren op de operatietafel dan anders het geval geweest zou zijn. En ze worden nu dus niet ontmand maar ontvrouwd…

Vanavond mag ik ze weer ophalen, onze dames.
Welcome home Ella en Evita!!

(Of Janis en Susy… of Anastacia en Melissa… of Alanis en Shakira… Iemand nog betere suggesties??)

Het doel van liefde

Het doel van de liefde, ja sorry dat ik wéér ‘ns stoor
maar als ik er over prakkezeer…

Wat moet je ermee, waar dient het nou echt voor,
vraag ik me keer op keer…

Enkel de seks op zich zou voldoende moeten zijn
voor de nodige voortplanting.

Maar de mens is zo maf, doet zichzelf graag pijn
met zo’n stomme mentale uitvinding…

Liefde blijft een raar iets. Zo hou ik ineens van jou
Maar jij dus niet van mij.

Oh ja hoor, op die fiets! Als ik van jou toch niet hou
houd van mij plots nu weer jíj…

Als alle liefde nu eens altijd wederzijds was
en jij ook een beetje van mij…

Dan was alles goed. En warempel, ik genas
van al die steken in mijn zij.

Mijn hart diende enkel nog om bloed rond te pompen
naar mijn gepijnigde brein.

En jij wist uiteindelijk toch, fier en onbekrompen,
te zeggen: “ik ben dijn!”

Maar dat kun je dus niet en ik blijf me afvragen
waar liefde goed voor is.

Zorgt voor leed en verdriet, blijft aan een mens knagen
veroorzaakt enkel gemis.

Een wereld zonder liefde maar vooral ook zonder haat,
niemand doet iemand pijn.

massaal vredig voortslapen. Maar jezus wat zou dat
mega-gezapig zijn…

multi-me

Een berichtje van mij. En mij.
Oh, en van mij ook hoor!
Kop dicht jij. Deze is van mij.
Look who’s talking… Ik mag zeggen wat ik wil.
Hou op jullie, we zitten allemaal in dezelfde schuit, hoor.
Jij altijd met je gruwelijke verstandigheid en medeleven.
Jemig, jij dan? Eeuwig de sarcastische doemdenker.
Vechten jullie nog even fijn verder, schrijf ik m’n blogberichtje.
Jamaar ik wou ook wat zeggen!!
Rot op. Ik ben nu aan de beurt.
Doe maar lekker, ik krijg jou er toch wel onder, eigenwijs stuk vreten.
Vreten? Waar, waar?
Jij denkt ook eeuwig en altijd aan eten, hè.
Ja en jij aan de wereldondergang die iedere maand opnieuw plaats vindt.
Laat mij nou m’n blog schrijven, ah toe nou…

Het zijn er drie…
Twee zijn eruit gefloept.
De derde zit nog even heimelijk te vreten…

Geruststelling: het zijn geen persoonlijkheden.
Het zijn gewoon kanten.
Ik ben een kantig type.

gesjeesd.

Gesjeesd word ik ervan. Van dagen als deze.

Kwart over zes eruit, het ontbijt hectisch als altijd, stipt om 7:14 rennen de kinderen toch met praktisch al het benodigde én schoenen aan de deur uit en linea recta de schoolbus in. Ik ruim alles binnen op, vaatwasser uit- en inruimen, stofzuigen, katten verzorgen (die ik vanaf 4 AM om de haverklap de trap afgejaagd heb: ons ‘trapbeschermingskarton’ hebben we gisteren weggeruimd maar ik wil ze partout niet boven hebben, écht NIET. Dus moeten we ze nu bijbrengen dat ze niet naar boven mogen. Plantenspuit in de aanslag en hardnekkig cq. standvastig blijven…). Man de deur uit en vervolgens ik pak toch echt wel even mijn rustmomentje van de ochtend: met een grote mok koffie en m’n foon op ’t terras in ’t waterige ochtendzonnetje. Heerlijk. Dat moment heb ik dan toch maar mooi weer binnen.

Aan ’t werk maar zo geen zin… Een hoop rekeningrotzooi die opgeruimd moet worden, aanmaningen, belletjes. Geen leuk werk in ieder geval. Ik ben ’t zat, ik wil wat anders… Daarnaast heb ik de financiële administratie van de turnsectie van de sportvereniging op me genomen wat aandacht vergt, nu aan ’t begin van het tweede halfjaar van 2012. Iedereen moet weer betalen, de lijsten aangepast en bijgewerkt, mensen gevraagd naar de betaling en vooral: ter plekke bij de ingang staan en kasseren… Wat een chaos, die tent.

Kwart voor twaalf: beide kinderen komen binnenstuiteren. Klaar met school. Ik schiet overeind: shit het is alweer middag! Snelsnel eten koken. Spaghetti met rooie saus. “Alweer???” Ja. Alweer. “Oh lekker!”. Mooi. Ik moet ongesteld worden en dan ben ik altijd nogal kort aangebonden…  Eten en eetzooi opruimen en huppetee, allemaal aan de grote tafel: huiswerk maken. Ze treiteren elkaar tot en met maar we moeten dóór. Met z’n allen. Dochter tekent haar tweetjes en drietjes in een schrift met allemaal boogjes en bloemetjes ernaast. Het zal wel.

Zoon schrijft tien zelfbedachte zinnen in zijn duitse huiswerkschrift. Na een dik uur (…) klapt hij ’t dicht: “klaaaar!”.
“Moet ik even controleren, lieffie?” – “Neee neeee, hoeft niet.” Nou dan weet ik wel hoe laat ’t is. “Kom op joh, ik of de juf, dan heb je toch liever dat wij ’t samen verbeteren?” Zoon bokt. Ik moet kletsen als brugman om hem bij me te krijgen. Samen verbeteren we de eerste zin en hij barst meteen in huilen uit. Alweer. Geruststellen, de hemel in prijzen dat hij ’t écht heel goed gedaan heeft en dat we enkel even wat dingetjes verbeteren samen zodat hij dan weet hoe de woorden geschreven worden. Hoofdletters, omgedraaide letters, vergeten -n-en, verkeerde naamvallen. Alles zit er in dubbel- tot drievoud in, in de tien zinnen. Ik denk bij mezelf: “de volgende keer mag de juf ’t doen hoor, pffff.” Maar ik weet dan ook dat zij duidelijk minder lovend en meer degrondinborend zal zijn dan ik… Het lukt uiteindelijk. Ondertussen is het half vier en moet ik dringend door met m’n werk en m’n lijsten (en ik moet nog zóveel andere dingen doen…).

Tegen vieren maak ik wat broodjes en drinken voor de kinderen want ik moet zo weg naar de voetbal. Snel snel omkleden, om kwart voor vijf naar ’t sportveld. Trainuurtje met de jongsten van de club (4-6 jarigen). Ik moet eerder weg want om kwart voor zes moet ik alweer in de sporthal zijn om de gymmers op de lijst af te strepen en de bijdrages voor het turnen te innen of een overboekingsformuliertje te geven. Om tien voor half zeven weer thuis. Snel wat naar binnen stouwen, nog sneller kauwen, snelst wat eten voor de kinderen gemaakt die nog honger hadden en hoppaaa, weer naar de sporthal voor de volgende gymeenheid. Om kwart voor 8 weer thuis, kinderen met enige stemverheffing tot opruimen gemaand. Vanochtend was m’n huis nog zó mooi aan kant… Eigenlijk hadden ze al boven moeten zijn maar dat lukt dus nooit als ik weg ben. Man is er niet, die heeft avondschool vandaag. De kinderen zijn zo strontvervelend dat ik geen zin meer in voorlezen heb. Dan maar niet, sorry hoor. Komt niet vaak voor maar ik ben echt op.

M’n nek brandt heftig aan de linkerkant vlakbij m’n schouder (monnikskapspier?). Ik heb barstende koppijn. M’n linker oog heeft last van stuiptrekkingen (slaapgebrek?) en ik voel me intens moe.

En wat doe ik??
Een blog typen.
Ja. Inderdaad.
Gesjeesd…